VII.Een slimme streek van Cascabel.Er kwamen kwade dagen in het begin van Februari. De koude was zóó fel, dat het kwik in den thermometer er door bevriezen zou. Er is nog eene fellere koude te bedenken: in de hoogste hemelstreken, in de ruimte tusschen de sterren, moet volgens de berekeningen eene koude heerschen van tweehonderd dertien graden beneden het vriespunt, welke alle moleculen der lichamen doet verstijven en alles in eenen staat van volstrekte onbewegelijkheid doet overgaan. Toch was het ook hier op het eiland alsof de kleinste luchtdeeltjes zich niet meer bewogen en de dampkringslucht vast geworden was. Zij hadden bij het inademen een brandend gevoel, en de koude nijpte zoo hevig dat niemand er meer aan denken kon om buiten deSchoone Zwerfsterte komen. Het uitspansel was klaar als kristal; de sterrenbeelden blonken met eene helderheid, die nergens overtroffen kan worden; het was alsof de oogen tot in de afgelegenste diepte der hemelruimte doordrongen. Het daglicht was daarentegen op den vollen middag niet meer dan eene grauwe schemering.De inboorlingen gaven hunne gewoonte nog niet op om zelfs in deze koude buiten te komen, maar zij namen alle mogelijke voorzorgen om te beletten dat hunne handen en voeten, hun neus of hunne ooren op eenmaal bevroren zouden raken. Zij wikkelden zich geheel in rendierenvellen en trokken bovendien nog een kap over hun hoofd, zoodat er niets van hen te zien overbleef. Hetwaren wandelende pakken bont. Dat zij zich echter nog buiten hunne woningen waagden, geschiedde op bevel van Tchou-Tchouk, die zelfs onder deze koude, welke elk denkbeeld van ontsnapping belachelijk maakte, zich wilde overtuigen van de aanwezigheid zijner gevangenen, die hem nu niet meer hunne dagelijksche opwachting konden komen maken.—Frisschen morgen, vischvreters! riep Cascabel hun soms toe, als hij hen door een van de vensters, die aan den binnenkant van het ijs ontdaan konden worden, zag aankomen. Die kerels hebben stellig robbenbloed in hun lichaam. Een fatsoenlijk mensch zou hier binnen vijf minuten in een klomp ijs veranderen, maar zij weten er niets van!In de vertrekjes van deSchoone Zwerfster, welke bijna luchtdicht gesloten werden gehouden, bleef de koude dragelijk. Het keukenfornuis, dat met het voorwereldlijke hout gestookt werd, waardoor zij hunne andere brandstof konden bewaren, verspreidde zulk eene warmte dat het zelfs nu en dan noodig was te luchten. Maar nauwelijks stond de buitendeur open of alle vloeibare stoffen in den wagen stolden onmiddellijk. Tusschen de temperatuur binnen en buiten was een verschil van veertig graden, hetgeen zij hadden kunnen waarnemen indien hunne thermometers niet door de inlanders gestolen waren geweest.Tegen het einde der tweede week van Februari was het echter alsof het weder een weinig zachter zou gaan worden. De wind liep naar het Zuiden en er woeien nu sneeuwstormen, van wier geweld men zich geen denkbeeld maken kan en die zeker deSchoone Zwerfsteronderste boven geworpen zouden hebben indien zij niet stevig beschut had gestaan. Maar de wielen waren tot halver hoogte onder de sneeuw bedolven, zoodat er van dien kant niet het minste gevaar bestond.Nu en dan werd het weer op eens, met ruwe overgangen, veel kouder; maar in het algemeen bleef de gemiddelde thermometerstand omstreeks het midden der maand op een twintigtal graden beneden het vriespunt van de honderddeelige schaal.Cascabel en Sergius, Jan, Sander en Kruidnagel maakten hiervan dadelijk gebruik om weder buiten te komen, maar niet zonder de grootste voorzorgen om den overgang geleidelijk te doen zijn. Indien zij dit verzuimd hadden, zouden zij zich aan levensgevaar blootgesteld hebben.Het waren wandelende pakken bont. (Zie bladz. 95.)Het waren wandelende pakken bont. (Zie bladz.95.)In den omtrek van den wagen lag alles onder een effen sneeuwtapijt bedolven. Geen enkele verhevenheid van den grond was meer te onderscheiden. Dit was nu niet langer het gevolg van de duisternis,want gedurende een paar uur liet zich thans aan den zuidelijken gezichteinder een grauw schijnsel zien, eene weerkaatsing van lichtstralen zonder warmte, die naarmate de voorjaars dag- en nachtevening naderkwam, duidelijker worden zou. Er bestond dus weder gelegenheid om een eind te loopen en op uitdrukkelijk bevel van Tchou-Tchoûk, was hun eerste gang naar zijn verblijf.Er was nog geen verandering in de zienswijze van het opperhoofd der wilden gekomen en de gevangenen kregen opnieuw last binnen den kortst mogelijken tijd voor een losgeld van drieduizend roebels te zorgen, wanneer zij niet wilden dat Tchou-Tchoûk tot andere maatregelen zou overgaan.—Hoor nu zoo’n schoelje eens aan, zeide Cascabel in zuiver fransch, waar hij overtuigd was dat de ander geen woord van verstond. Zoo’n driedubbele ezelskop! Zoo’n koning over uilskuikens!Zoo hartelijk gemeend en zoo volkomen toepasselijk als deze liefelijkheden ook mochten zijn, de toestand werd er niet beter door. Het begon er zelfs bedenkelijk uittezien, nu de vorst van den Liakhoff-archipel met dwangmiddelen begon te dreigen.Het was op dat oogenblik, onder dien invloed van verbeten en machtelooze woede, dat Cesar Cascabel op eenen inval kwam, zooals alleen het genie ze soms kan hebben. Van eenen man, die zich al door zooveel moeielijkheden heen had geslagen, viel trouwens niets minder te verwachten.—Alle robben en walvisschen mogen mij opslikken, riep hij den volgenden ochtend op eens uit, als dàt mij niet gelukt! Met die domkoppen durf ik het te wagen!Maar wat het was dat hem tot dezen triomfantelijken uitroep aanleiding gaf, verkoos Cascabel niet te zeggen. Hij openbaarde zijn geheim aan niemand, zelfs niet aan Cornelia of Sergius.Het scheen een onmisbaar vereischte voor zijn plan te wezen dat hij zich duidelijk verstaanbaar in het russisch wist uittedrukken, welke taal door alle volksstammen in het Noorden van Siberië gesproken wordt. Het gevolg daarvan was, dat terwijl Kayette voortging zich in het fransch te oefenen onder de leiding van Jan, diens vader van zijnen vriend Sergius les wilde gaan nemen in het russisch. Een beter onderwijzer had hij zeker niet kunnen vinden.Den 15denFebruari dus, op eene wandeling in den omtrek derSchoone Zwerfster, kwam hij met zijn verlangen om grondiger russisch te leeren voor den dag.—Ziet gij, zeide hij tegen Sergius, wij zijn nu op weg naar Rusland, en het zal mij dus goed te pas komen als ik de taal vanhet land kan spreken, zoodat ik te Perm en te Nisjni niet met mijnen mond vol tanden behoef te staan.—Dat is zeker, mijn waarde Cascabel, antwoordde Sergius. Maar gij verstaat reeds zooveel van onze taal, dat ge al bijna in staat zijt uzelf te helpen.—Neen mijnheer Sergius, toch niet! Wel versta ik ten naasten bij wat er gezegd wordt, maar zelf ben ik nog niet in staat mij verstaanbaar uit te drukken. Zóó ver zou ik het willen brengen.—Nu, als gij het wilt ben ik tot uwen dienst.—Bovendien, al had het geen ander nut, is het altijd een goed tijdverdrijf.Het verlangen van Cascabel was volkomen verklaarbaar en niemand toonde er zich dan ook verbaasd over.Hij ging dus terstond met Sergius aan het werk en nam bij dezen een uur of drie per dag les, niet zoozeer om de taalregels als om de uitspraak ter dege machtig te worden. Dit was blijkbaar iets waar hij het meest aan hechtte.Nu is het eene bekende zaak dat russen zeer gemakkelijk fransch leeren en het bijna zonder eenigen tongval uitspreken, maar het omgekeerde is het geval niet en voor franschen is het russisch in het geheel niet gemakkelijk. Het vorderde dus heel wat inspanning en oplettendheid van Cascabel, en deSchoone Zwerfsterweerklonk den ganschen dag van de stem- en spraakoefeningen waarmede hij zich onvermoeid bezig hield.Hij had echter een natuurlijken aanleg om talen te leeren en bracht het er spoedig ver in, tot niet geringe bewondering van zijne omgeving.Telkens nadat de les was afgeloopen begaf hij zich naar het strand, waar hij stellig wist dat niemand hem beluisteren kon, en daar, in de eenzaamheid, herhaalde hij een zeker aantal volzinnen, telkens op een anderen toon en met grooter nadruk, waarbij hij vooral de r’s liet rollen, zóó dat geen rus het hem had kunnen verbeteren. Dit viel hem trouwens niet moeielijk, want als kunstenmaker had hij zijn leven doorgebracht met in zijne moedertaal soortgelijke proeven van welsprekendheid af te leggen.Soms ontmoette hij Ortik en Kirschef, die geen woord fransch verstonden. Dit was dan weder eene gewenschte gelegenheid om zich te oefenen en hij kreeg spoedig de zekerheid dat hij zich heel goed verstaanbaar wist te maken.De twee matrozen kwamen nu meer dan vroeger in deSchoone Zwerfster, maar Kayette was nog altijd niet in staat zich te herinneren waar zij de stem van Kirschef, die haar bekend bleef voorkomen, vroeger had kunnen hooren.Tusschen Ortik en Sergius werd voortdurend veel gesproken over de kansen om weg te komen. Cascabel nam nu meestal aan het gesprek deel, maar er werd niets voorgesteld dat bruikbaar was.—Er zou toch misschien eene manier wezen waarover wij nog niet gedacht hebben, zeide Ortik op zekeren dag.—Hoe dan? vroeg Sergius.—Wanneer het open water is, antwoordde de ander, gebeurt het niet zelden dat er walvischvaarders langs de Liakhoff-eilanden komen varen. Zouden wij in dat geval geen sein kunnen geven, zóó dat zulk een schip hierheen kwam?—De bemanning zou dan gevaar loopen evenals wij in handen van Tchou-Tchoûk te vallen en onze gevangenschap te moeten deelen zonder dat wij er iets bij wonnen, antwoordde Sergius. Die schepen zijn niet sterk genoeg bemand om met geweld iets tegen de inboorlingen te kunnen uitrichten.—Bovendien, voegde Cascabel er bij, het duurt nog drie of vier maanden voór dat het open water kan zijn en zóó lang heb ik geen geduld meer.Hij dacht een oogenblik na en vervolgde toen:—Al slaagden wij er ook in aan boord van eenen walvischvaarder te komen, zelfs indien de brave Sjoe-Sjoe dat goedvond, dan zouden wij nog deSchoone Zwerfsterin den steek moeten laten.—Ja, dat zou in dit geval niet anders kunnen, stemde Sergius toe.—Niet anders kunnen! riep Cascabel uit. Ik zag nog liever...—Weet gij dan misschien wat beters?—Zoo vraagt men de boeren de kunst af!Meer verkoos Cascabel niet te zeggen. Maar er flikkerde iets in zijne oogen en er speelde een glimlach om zijnen mond, die meer zeide dan duizend woorden.Toen Cornelia dan ook vernam wat haar man geantwoord had, kon zij niet nalaten er het hare van te zeggen:—Ge kunt er op aan dat Cesar iets in zijn hoofd heeft. Wat het zijn kan, weet ik niet. Maar van een man als hij, kunnen wij het onmogelijkste verwachten!—Vader is zeker slimmer als mijnheer Tchou-Tchoûk, zeide Napoleona.—Hebt ge wel opgemerkt, zeide Sander, dat hij hem sedert eenigen tijd een “beste kerel” noemt? Hij begint van hem te houden!—Tenminste, als hij er niet juist het tegendeel mede bedoelt, bracht Kruidnagel in het midden.Ondertusschen bracht Cascabel, in dit opzicht gelijk aan Demosthenes, die zich in de welsprekendheid oefende aan het strand derHelleensche zee, nog menig uur door met op geweldigen toon in het russisch het geraas der baren te overschreeuwen.In de tweede helft van Februari werd het langzamerhand minder koud. Met de zuidelijke winden kwam er een zachtere luchtstroom over de eilanden strijken.Er was dus nu geen tijd meer te verliezen. In de Behringstraat waren zij, tengevolge van het late invallen van den winter, door het dooiweder aan het drijven geraakt; zij moesten nu hun best doen om niet weder, als het eens vroeg zomer mocht worden, hetzelfde te ondervinden.Indien Cascabel’s plan gelukte en hij Tchou-Tchoûk wist te bewegen hem met alles wat hij bij zich had te laten trekken, dan moest de tocht ook aangevangen worden op het tijdstip dat het ijsveld tusschen de Liakhoff-eilanden en de Siberische kust nog volkomen vast en veilig te berijden was. Wisten zij dan aan een goed stel rendieren te komen, dan kon dit gedeelte van de reis met deSchoone Zwerfsteronder vrij gunstige omstandigheden afgelegd worden, zonder dat zij gevaar liepen door het losraken van het ijs aan nieuwe teleurstellingen blootgesteld te worden.—Zeg eens, mijn waarde Cascabel, vroeg Sergius op zekeren dag, denkt gij dat die oude schurk van een Tchou-Tchoûk u aan de noodige rendieren helpen zal, die gij niet kunt missen wanneer gij uwen wagen naar den overwal wilt brengen?—Mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel deftig, Sjoe Sjoe is in het geheel geen oude schurk. Het is een beste, brave man, daar sta ik voor in. Als hij er dus in toestemt dat wij heengaan, dan zal hij ook goedvinden dat wij deSchoone Zwerfstermedenemen, en als hij dat goedvindt, dan kan hij niet anders dan een twintigtal rendieren tot onze beschikking stellen Wat zeg ik, twintig? Vijftig, honderd, duizend, als ik ze hebben wil!—Ge hebt hem dus in uwe macht?—Of ik Sjoe Sjoe in mijne macht heb? Zoo goed alsof ik de punt van zijn neus tusschen mijne vingers heb, mijnheer Sergius. En wat ik eenmaal beet heb, dat laat ik niet los!Hij scheen volkomen zeker van zijne zaak en altijd vertoondezichdezelfde raadselachtige glimlach op zijn gelaat. Dien dag bracht hij zelfs met een innemend gebaar zijne hand aan zijnen mond en maakte hij een denkbeeldig compliment aan Zijne inlandsche Majesteit. Maar Sergius, begrijpende dat Cascabel over zijn denkbeeld niet in bijzonderheden verkoos te treden, was bescheiden genoeg daar niet verder naar te vragen.De tijd was nu gekomen dat de eilandbewoners van het zachtereweder gebruik begonnen te maken om hunne gewone bezigheden te hervatten, zooals de jacht op vogels en de robbenvangst, waartoe op het ijsveld gelegenheid genoeg bestond. Ook werden de godsdienstige plechtigheden, die gedurende den tijd der felste koude gestaakt hadden moeten worden, weder aangevangen.Des Vrijdags van iedere week stroomden de geloovigen naar de grot der gebeden, ter algemeene bijeenkomst. Vrijdag, moet men weten, is zooveel als de Zondag der Nieuw-Siberiërs. Maar op Vrijdag den 29stenFebruari—het jaar 1868 was een schrikkeljaar—zou er eene buitengewone groote processie gehouden worden.Den avond te voren zeide Cascabel op een heel gewonen toon, vóór dat zij naar bed gingen:—Morgen moeten wij ons gereed houden voor de plechtigheid in deVorspük, waar wij met onzen vriend Sjoe-Sjoe heengaan.—Wat zegt ge Cesar? Wilt ge dat doen? vroeg Cornelia.—Ik wil het.Wat dit stellige bevel te beteekenen had, kon niemand gissen. Zou Cascabel het inlandsche opperhoofd willen verteederen door deel te nemen aan zijne kerkelijke vertooningen? Het viel niet te ontkennen dat Tchou-Tchoûk gaarne zag dat ook zijne gevangenen eerbied toonden voor zijne afgodsbeelden. Maar voor die monsters de knieën te buigen en het bijgeloof der inlanders te omhelzen, dat was toch heel iets anders en het leek niet waarschijnlijk dat Cascabel, ter wille van Zijne nieuw-Siberische Majesteit, zijn geloof zou afzweren. Wel foei!Dit zou echter later wel aan het licht komen. Den volgenden ochtend vroeg was het geheele dorp in beweging. Het was mooi weer, dat wil zeggen dat het niet meer dan een graad of tien vroor. Ook was het nu weder iederen dag gedurende een uur of vier eenigszins helder en vertoonde de weerkaatsing der zonnestralen zich duidelijker aan de kim, in afwachting van het tijdstip dat zij zich daarboven zouden verheffen.Alle dorpsbewoners waren uit hunne onderaardsche woningen te voorschijn gekomen. Groot en klein, mannen, vrouwen en kinderen hadden hun mooiste kleederen aan, jassen en rokken van robben vel, mantels van rendierenhuiden, met het haar naar buiten. Overal eene uitstalling van wit of zwart bont, van mutsen met valsche parelsnoeren, van veelkleurige borstlappen, van riemen die zij als sieraden om het voorhoofd gebonden droegen, van oorringen, armbanden en andere kleinoodiën, uit robbenbeenderen vervaardigd, die in hun neusbeentje bevestigd werden.De eilandbewoners begonnen hunne gewone bezigheden te hervatten. (Zie bladz. 101.)De eilandbewoners begonnen hunne gewone bezigheden te hervatten. (Zie bladz.101.)Dit alles was echter nog niet mooi genoeg voor deze buitengewonegelegenheid. De voornaamsten van het dorp hadden andere sieraden noodig geacht, en de verschillende voorwerpen, die zij uit deSchoone Zwerfstergeroofd hadden, moesten daarvoor dienst doen.Er waren er die een volledig kunstenmakerspak met linten en strikken aangehangen hadden. Sommigen droegen een van de mutsen of helmen van Kruidnagel. Anderen hadden zich opgeschikt met een bandelier of koord, waar de ringen aan bengelden die voor de gymnastische toeren gebruikt werden. Een paar droegen aan hunnen gordel de bollen en halters; maar het prachtigste sieraad van allen was dat van Tchou-Tchoûk, die een aneroïde-barometer, als het grootkruis eener Nieuw-Siberische ridderorde, op zijne borst liet slingeren.Tevens werd er uit alle macht spektakel gemaakt met de muziekinstrumenten van den troep. De klephoorn trachtte de schuiftrompet te overschreeuwen en de roffeltrom deed zijn best om nog meer lawaai te maken dan de turksche.Cornelia kon evenmin als hare kinderen hare ergernis bedwingen over dit oorverscheurende geraas en als zij gedurfd hadden, zouden zij de inlandsche toonkunstenaars terdege uitgefloten hebben, want, zeide Kruidnagel “ze blazen als walvisschen.”Niemand zou het echter willen gelooven, maar het was toch zoo: Cesar Cascabel gaf de duidelijkste blijken van ingenomenheid met dit concert. Hij klapte in zijne handen, riep hoera en bravo en zeide met overtuiging:—Ik sta werkelijk verbaasd over deze lieden! Zij hebben blijkbaar aanleg voor muziek en als zij een engagement bij onzen troep willen aannemen, dan sta ik er voor in dat zij een schitterend figuur op de kermis te Perm, en misschien later op die te Saint-Cloud zullen maken.Begeleid door dit tumult, trok de stoet het geheele dorp door en begaven zij zich naar de gewijde plaats waar de afgodsbeelden gereed stonden om de hulde der geloovigen te ontvangen. Tchou-Tchoûk ging vooraan. Onmiddellijk achter hem volgden Cascabel, Sergius en de andere leden van hun gezelschap; daarna de twee russische matrozen. De geheele bevolking van Tourkef vormde het talrijkste gedeelte van den optocht.Na eenigen tijd bleven zij allen stilstaan vóór de holte van de rots, waarbinnen de afgodsbeelden geschaard stonden, behangen met kostbare pelterijen en voor deze gelegenheid met frissche kleuren beschilderd.Tchou-Tchoûk trad met opgeheven handen deVorspükbinnen. Driemaal boog hij het hoofd ter aarde; daarna legde hij zich platvoorover op een tapijt van rendierenvellen, dat op den grond was uitgespreid. Dat was, naar ’s lands gebruik, de manier van knielen.Cascabel en allen die hem vergezelden volgden het voorbeeld van het opperhoofd. De geheele vergadering lag als door een tooverslag ter aarde.Toen er een plechtig stilzwijgen heerschte, begon Tchou-Tchoûk, op half brommenden half zingenden toon, het woord te richten tot de drie voornaamste afgodsbeelden, die in statige onbewegelijkheid op de menigte schenen neer te zien.Maar wat is dat? Daar antwoordt hem eene stem, een machtig, doordringend geluid, dat van achteren uit de diepte der grot schijnt te komen.Welk een wonder! De stem komt uit den muil van het aan den rechterkant staande afgodsbeeld. In duidelijk verstaanbaar russisch laat zij deze woorden hooren:“Ani sviati, éti innostrantzi Katori ote zapada prichli! Zatchéme ti ikhe podirjaïche?”Hetgeen beteekent:“Die vreemdelingen, welke uit het Westen gekomen zijn, zijn heilig! Waarom houdt gij hen gevangen?”Bij het hooren dezer woorden, die alle inboorlingen duidelijk verstonden, maakte eene algemeene verbazing zich van hen meester.Het was de eerste maal dat de goden van Nieuw-Siberië zich verwaardigden het woord tot de geloovigen te richten.En andermaal liet eene stem zich hooren, ditmaal op bevelenden toon, komenden uit den muil van het grootste afgodsbeeld ter linkerzijde, en zeggende:“Ja tibié prikajou étote arrestantof otpoustite. Tvoïe narode doljne dlia ikhe same balchoïe vajestvo imiète i nime addate vcié vieschtchi katori ou ikhe bouili vziati. Ja tabié prikajou ou siberskoïé beregou ikhe lioksché vosvratitcia.”Drie volzinnen, welke aldus te vertalen zijn en die door Tchou-Tchoûk in het geheel niet misverstaan konden worden:“Wij bevelen u deze gevangenen in vrijheid te stellen!“Wij bevelen uw volk hen met den grootsten eerbied te behandelen en hun alles terug te geven wat hun ontnomen is!“Wij bevelen u allen hen de reis naar het vasteland van Siberië zoo gemakkelijk mogelijk te maken!”Thans was het geene verbazing meer, maar ontzetting die destem teweegbracht. Tchou-Tchoûk had zich op zijne knikkende knieën ten halve opgericht, met starende oogen en opengespalkten mond, de handen trillende naar boven geheven, een beeld van stommen schrik. Ook de andere inboorlingen waren opgerezen, niet wetende of zij opnieuw ter aarde zouden vallen of de vlucht nemen.Daar nam ook het derde afgodsbeeld, dat in het midden stond, het woord. Zijne stem klonk hol en dreigend, vol onmiskenbaren toorn. Iedere lettergreep had een dreunenden naklank en de r’s die er in voorkwamen, ratelden als het geknetter van donderslagen.Ziehier wat deze stem verkondigde, en ieder woord kwam als met het gewicht van eenen moker op de neergebogen hersenpan van Tchou-Tchoûk:“Jesle ti take niè sdièlèle élote toje same diène, kakda èti sviati tchéloviéki boudoute jelaïte tchórte s’tvoïé oblacte!”Hetgeen wil zeggen:“Indien deze heilige mannen niet losgelaten worden, den dag waarop zij zulks verlangen zullen, zal onze toorn u en uwen stam treffen!”Op dit oogenblik lag het opperhoofd met zijne onderdanen, verstijfd van schrik en rillende in al hunne ledematen, languit op den grond, terwijl Cesar Cascabel was opgerezen en zijne handen dankbaar naar de afgodsbeelden ophief als om hen te zegenen voor hunne genadige bescherming.Intusschen hadden zijne reisgenooten werk om niet in eenen schaterlach uittebarsten en aldus de geheele vertooning te doen mislukken.Het was eene eenvoudige buiksprekerskunst die deze bewonderenswaardige man, wiens gelijke men niet licht onder kunstenmakers vinden zal, bedacht had om Sjoe-Sjoe, dien besten, braven kerel, knollen voor citroenen te verkoopen.Er was inderdaad niets meer noodig om de bijgeloovige inlanders beet te nemen. “Die mannen uit het Westen”—hoe kwam Cascabel aan deze vernuftige betiteling?—“die mannen uit het Westen zijn heilig; waarom houdt Tchou-Tchoûk hen gevangen?”Welnu, Tchou-Tchoûk dacht er niet aan hen langer gevangen te houden! Zoo spoedig zij maar wilden zou hij hen laten trekken, en hij met zijne onderdanen zouden hun al de hulpvaardigheid bewijzen, verschuldigd aan vreemdelingen die zoo zichtbaar door hoogere machten beschermd werden!Tchou-Tchouk had zich opgericht, een beeld van stommen schrik. (Zie bladz. 105.)Tchou-Tchouk had zich opgericht, een beeld van stommen schrik. (Zie bladz.105.)Ortik en Kirschef, die niet vermoedden welk een meester Cascabelin het buikspreken was, konden hunne verbazing niet ontveinzen. Maar Kruidnagel riep vol geestdrift uit:—Patroon, patroon, wat een genie!... Wat een slimmert!... Welk een man.... ten minste....—Ten minste als het geen godheid is! voegde Cornelia er bij en zij boog zich voor haar man als ware hij inderdaad een afgodsbeeld.De poets was gebakken. Het was gelukt, dank zij de onbegrijpelijke bijgeloovigheid dezer Noordsche eilandbewoners, welke alles overtreft wat iemand zich voor kan stellen. Die karaktertrek had Cascabel terdege opgemerkt en daardoor was hij op het denkbeeld gekomen om zijn buiksprekerstalent ten dienste van het algemeene belang aan te wenden.Het spreekt van zelf dat Cascabel en zijne reisgenooten met al de eerbewijzingen, verschuldigd aan personen die onder de hooge bescherming der goden stonden, huiswaarts werden geleid. Tchou-Tchoûk was onuitputtelijk in betuigingen van eerbied, waarmede eene goede hoeveelheid angst gemengd was. Het scheelde niet veel of hij zou voor ieder lid der familie Cascabel op zijne knieën gevallen zijn, zoo goed als voor het machtigste afgodsbeeld. Hoe hadden trouwens de onwetende bewoners van Tourkef kunnen vermoeden dat zij beetgenomen werden door eenen grappenmaker? Zij konden niet twijfelen, het moesten wel de goden in deVorspükwezen, die hunne dreigende stemmen hadden doen hooren. Het was wel ter dege hun tot dusver stom gebleven snavel die deze bevelen, in goed verstaanbaar russisch, had afgekondigd. Bovendien waren zij er in zeker opzicht op voorbereid. Jako, de papegaai in deSchoone Zwerfster, praatte immers ook? Dat had toch ook niemand ooit gehoord, dat een vogel spreken kon. Even goed als dat vreemd-gevederde gedierte moesten hunne afgodsbeelden, die immers ook vogelenkoppen hadden, zich verstaanbaar kunnen maken.Van dat oogenblik af konden Sergius, Cascabel en de anderen, de beide russische matrozen er onder begrepen, die door hen werden opgeeischt, zich als in vrijheid beschouwen. De winter was bijna voorbij en het weder begon dragelijk te worden, zoodat onze schipbreukelingen besloten hun vertrek van de Liakhoff-eilanden niet lang meer uit te stellen. Niet dat zij eene verandering in de gezindheid der inboorlingen te duchten hadden: daarvoor waren deze veel te goed “ingepakt.” Sjoe-Sjoe was nu de vertrouwdste vriend van Cascabel geworden; hij zou zijne schoenen gepoetst hebben als dat van hem verlangd was geworden. Natuurlijk had de brave man zich gehaast alles, wat uit deSchoone Zwerfstergeroofd was, terugte doen geven en hijzelf kwam, eerbiedig deknieënbuigende, Cascabel den barometer aanbieden dien hij nog altijd als een kommandeurskruis om zijnen hals droeg. Cascabel had zich toen verwaardigd hem de hand toe te steken en Tchou-Tchoûk had die onderdanig gekust, als eene hand die in staat was den bliksem te slingeren en den storm los te laten.Kortom, op den 8stenMaart was alles voor het vertrek gereed. Cascabel had een twintigtal rendieren aangevraagd om zijnen wagen te trekken en zijn vorstelijke vriend had hem er terstond honderd aangeboden, maar Cascabel bedankte daarvoor en hield zich aan het eerstgenoemde cijfer. Alleen vroeg hij nog om het noodige voeder voor de beesten gedurende den tocht over het ijsveld.Des morgens van den genoemden dag namen dus Sergius, de familie Cascabel en de twee russische matrozen van de bewoners van Tourkef afscheid. Het geheele dorp was uitgeloopen om hen te zien vertrekken en hun goede reis te wenschen.De “brave Sjoe-Sjoe” stond vooraan in het eerste gelid, heelemaal ontroerd en aangedaan. Cascabel ging naar hem toe, klopte hem vriendschappelijk op den buik en voegde hem in het fransch deze welwillende woorden toe:—Goeden dag, oude stommeling!Die vertrouwelijke afscheidsgroet deed het opperhoofd nog weder rijzen in het ontzag zijner onderdanen.Tien dagen daarna, den 18denMaart, had deSchoone Zwerfster, zonder gevaren ontmoet en zonder groote vermoeienissen doorgestaan te hebben, de ijsvlakte tusschen den Liakhoff-Archipel en de Siberische kust achter den rug en kwam zij vóór de monding van de Lena-rivier op het vasteland aan.Na zoovele ontmoetingen en gevaren doorgestaan, na zulke lotswisselingen doorleefd te hebben sedert hun vertrek uit Port-Clarence, hadden onze zwervers eindelijk het Aziatische strand bereikt.VIII.Het land der Jakoeten.Het oorspronkelijke reisplan, zooals het vastgesteld was om van de Behringstraat naar de europeesche grens te komen, had natuurlijk eene wijziging moeten ondergaan tengevolge eerst van het afdrijven onzer karavaan en daarna van hare overwintering op Nieuw-Siberië. Er viel thans niet meer te denken aan eene reis door de zuidelijke streken van Siberië. Er bestond bovendien alle kans op goed weder, zoodat er ook geene aanleiding meer was om zich in de eene of andere bewoonde plaats een tijd lang op te houden. Alles wat er in den laatsten tijd gebeurd was had ten slotte tot eene even onverwachte als gunstige uitkomst geleid.Hetgeen thans in de eerste plaats bepaald moest worden, was de richting die zij moesten volgen om langs den kortsten weg het Oeralgebergte te bereiken, dat de grens vormt tusschen Aziatisch en Europeesch Rusland. Om hierover na te denken wilde Sergius den tijd besteden die er nog verloopen moest vóór dat zij de legerplaats verlaten zouden welke zij voorloopig op het strand hadden uitgekozen.Het was stil en helder weder. De dagen duurden, in dezen tijd der dag- en nachtevening, langer dan elf uren en werden nog verlengd door de ochtend- en de avondschemering, welke op deze breedte van zeventig graden bijzonder lang aanhouden.De karavaan bestond nu uit tien personen, want ook Kirschefen Ortik waren er bij opgenomen. Wel voelde niemand zich bijzonder tot de beide russen aangetrokken, maar zij maakten niettemin deel uit van het reisgezelschap derSchoone Zwerfster, zij zaten mede aan tafel en sliepen zelfs in den wagen zoo lang het nog te koud was om de nachten onder den blooten hemel door te brengen.De thermometerstand bleef gemiddeld enkele graden beneden het vriespunt, hetgeen thans weder gemakkelijk waar te nemen viel nu de vriendelijke Tchou-Tchoûk het instrument aan zijn rechtmatigen eigenaar teruggegeven had. De grond lag zoover het gezicht reikte bedekt met sneeuw, welke echter binnen korten tijd onder de stralen der Aprilzon zou gaan smelten. De sneeuwkorst was vlak en hard als de met gras begroeide bodem der steppen, en de kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken.Om de beesten te voederen was de voorraad hooi, dien de inboorlingen medegegeven hadden, voldoende geweest sedert hun vertrek van Kotelnyi tot aan de Lena-baai. Van hier af zouden de rendieren zelven hun voedsel weder kunnen vinden, want zij weten het mos en de heesterbladen, waar de grond van Siberië bijna overal mede bedekt is, zeer goed onder de sneeuw van daan op te snuffelen. Ook valt hierbij nog te vermelden dat dit trekvee zich gedurende den overtocht zeer gewillig had getoond, zoodat Kruidnagel niet de minste moeite had gehad om de beesten voort te krijgen.Ook voor de reizigers was leeftocht genoeg voorhanden, want de voorraad ingemaakte spijzen, meel, vet, thee, buskruit en brandewijn, dien deSchoone Zwerfsterhad medegenomen, was nog niet uitgeput. Ook had Cornelia bovendien eene zekere hoeveelheid opgedaan van eene soort van boter, die de inboorlingen weten te bereiden, in berkenhouten doosjes, welke hun vriend Tchou-Tchoûk hun had medegegeven. Zoodra zij er gelegenheid toe vonden moesten zij echter in de eene of andere bewoonde plaats hunnen voorraad petroleum aanvullen. Voor het overige kon de jacht hen weder spoedig van versch wild voorzien en de bedrevenheid van Sergius en Jan zou, even als te voren, voor de keuken menigmaal veel waard kunnen wezen.De twee russische matrozen stelden zich beschikbaar voor allerlei nuttige diensten. Zij verzekerden dat zij in een gedeelte van noordelijk Siberië goed bekend waren en boden aan als gidsen de karavaan te vergezellen.Hierover werd denzelfden dag eene algemeene beraadslaging gehouden.—Aangezien gij reeds vroeger in dit land gereisd hebt, zeide Sergius tegen Ortik, kunt gij er ons den weg wijzen.De kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken. (Zie bladz. 110.)De kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken. (Zie bladz.110.)—Dat is wel het minste wat wij voor u doen kunnen, antwoordde Ortik, nu wij onze vrijheid aan mijnheer Cascabel te danken hebben.—Aan mij? vroeg Cascabel. In het geheel niet. Alleen mijn buik, die van de natuur de kunst van praten gekregen heeft, zijt gij dank schuldig.—Welke richting zoudt gij ons aanraden te volgen Ortik, vroeg Sergius weder, wanneer wij hier uit de Lena-baai opbreken?—De kortste weg is de beste, mijnheer Sergius, als gij dat goedvindt. Deze heeft wel het nadeel dat wij de voornaamste steden van dit land, die meer zuidelijk gelegen zijn, laten liggen, maar daarentegen brengt hij ons het spoedigst naar het Oeral-gebergte. Bovendien zijn er dorpen genoeg in deze richting, waar wij het noodige aanschaffen en ook verblijf houden kunnen, indien dit gewenscht mocht wezen.—Waartoe zou dat dienen? viel Cascabel hem in de rede. Wij hebben in geen dorpen te maken. De hoofdzaak is dat wij geen tijd verliezen en met spoed vooruitkomen. De streek waar wij doorheenkomen, is immers niet onveilig?—In het minst niet, antwoordde Ortik.—Bovendien zijn wij met ons allen heel wat mans en indien er bandieten mochten zijn die iets tegen deSchoone Zwerfsterwilden ondernemen, kunnen zij op eene meer dan hartelijke ontvangst staat maken.—Stel u gerust mijnheer Cascabel, gij hebt niets te vreezen, verzekerde Kirschef.Onze lezers zullen reeds opgemerkt hebben dat die Kirschef slechts zelden een woord sprak. Hij toonde zich weinig gezellig, somber en stilzwijgend en liet zijn kameraad meest het woord voeren. Ortik was blijkbaar veel schranderder dan hij. Deze toonde in vele zaken een goed oordeel, hetgeen Sergius reeds lang had opgemerkt.Ook de richting die Ortik thans op wilde gaan, was zeer aanbevelenswaardig. De groote steden te mijden, waar zij kans hadden militaire bezetting te ontmoeten, scheen voor graaf Narkine het meest wenschelijk, terwijl het tegelijkertijd in den geest viel van de beide zoogenaamde matrozen. Naarmate zij echter dichter bij de grens kwamen, zou het moeilijker worden de steden van eenige beteekenis te laten liggen en voor dat geval zouden zij dan ook eenige voorzorgen dienen te nemen. Zoo ver waren zij echter vooreerst nog niet en in de dorpen op de steppen liepen zij weinig of geen gevaar.Toen zij het over de richting van hunnen tocht eens waren, moesten zij alleen nog hunnen weg bepalen door de provinciën heen,welke zij van de Lena-rivier tot het Oeral-gebergte dwars moesten doorsnijden.Jan haalde dus uit zijnen atlas de kaarten van noordelijk Siberië voor den dag en Sergius nam dit terrein terdege op, waar de Siberische groote rivieren, in stede van eene reis uit het Oosten naar het Westen gemakkelijker te maken, daarentegen groote hinderpalen in hunnen weg konden leggen. Na overleg, werd er tot het volgende besloten:1o. Het Jakoeten-land, waar slechts weinige dorpen gevonden worden, in zuidwestelijke richting doortrekken.2o. In deze richting eerst het gebied van de Lena-rivier doorsnijden, daarna dat van de Anabara-rivier, vervolgens dat van de Khatanga, de Jenisei- en de Obi-rivier, te zamen eenen afstand van ongeveer zevenhonderdvijftig mijlen.3o. Van het Obi-gebied naar het Oeral-gebergte trekken, zijnde honderdvijfentwintig mijlen tot aan de europeesche grens.4o. Eindelijk van het Oeral-gebergte tot Perm, dat is weder een honderdtal mijlen, altijd naar het zuidwesten.Te zamen dus ten naasten bij duizend mijlen.Indien zij geen oponthoud op deze reis ondervonden, indien er geen noodzakelijkheid bestond om op de eene of andere bewoonde plaats te vertoeven, kon de geheele afstand in minder dan vier maanden tijds afgelegd worden. Daarbij werd dan gerekend op zeven of acht mijlen per dag, hetgeen van de rendieren niet te veel gevergd was en zij zouden naar deze berekening met deSchoone Zwerfsterin den loop der maand Juli eerst te Perm en vervolgens te Nisjni aankomen, op het tijdstip dat de beroemde kermissen dier plaatsen in vollen gang zouden zijn.—Gaat gij tot Perm met ons mede? vroeg Sergius aan Ortik.—Dat denk ik niet, antwoordde deze. Zoodra wij de grens achter den rug hebben, zijn wij voornemens onzen weg naar St. Petersburg te nemen om van daar naar Riga terug te keeren.—Dit is van later zorg, meende Cascabel. Eerst moeten wij maken dat wij over de grens komen.Zij hadden afgesproken dat er vierentwintig uren rust gehouden zou worden, zoodra zij zich op het vasteland bevonden. Na hun voorspoedigen tocht over het ijsveld was dit oponthoud noodzakelijk. Dien dag gingen zij dus niet verder.De Lena-rivier stort zich in de golf van dien naam, na een net van vertakkingen en armen te hebben doorloopen. De geheele lengte van deze prachtige rivier, die een aantal kleinere stroomen in haren loop opneemt, bedraagt vijftienhonderd mijlen, van harenoorsprong tot waar zij hare wateren met die der IJszee vermengt. Het gebied dat zij besproeit, wordt gerekend niet minder dan honderdvijf millioenen hectaren te bedragen.Na eene grondige studie van de kaart gemaakt te hebben, kwam Sergius tot de slotsom dat het best zou zijn de kustlijn der baai vooreerst te volgen, teneinde niet in de vele vertakkingen van de Lena verward te raken. Wel lag het water nog toegevroren, maar het zou desniettemin een waagstuk geweest zijn, zich te midden van dit net van waterwegen te begeven, want de ijsschotsen lagen op vele plaatsen tot eene aanmerkelijke hoogte op elkaar gekruid en vormden ware ijsbergen, zeer schilderachtig om te zien, maar hoogst moeilijk om er over heen te komen.Aan de andere zijde der baai nam de uitgestrekte steppenvlakte eenen aanvang, waar slechts hier en daar eenige heuvels zich verhieven en waar de tocht geene moeilijkheden kon opleveren.Het was duidelijk dat Ortik en Kirschef aan het reizen in dit klimaat gewend waren. De anderen hadden dit reeds opgemerkt bij den tocht over het ijsveld van den Liakhoff-archipel naar de kust van Siberië. De twee matrozen hadden er slag van om eene legerplaats te vinden en desnoods eene stevige hut in het ijs te maken, ook kenden zij het kunstje van de visschers langs de kust, die nat geworden kleederen droog weten te krijgen door ze onder de sneeuw te stoppen, waar al de vochtigheid uit het goed in opgezogen wordt. Een blok bevroren rivierwater wisten zij op het eerste gezicht te onderscheiden van het ijs uit zeewater gevormd. De verschillende manieren waarop de karavanen in het Noorden hare tochten door de ijs- en sneeuwwoestijn afleggen, waren hun ook goed bekend.Dien avond, nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, liep het gesprek over de aardrijkskundige gesteldheid van noordelijk Siberië en bij deze gelegenheid vertelde Ortik hoe het gekomen was dat hij en Kirschef reeds vroeger in dit land gereisd hadden.Sergius deed hun namelijk deze vraag:—Wat was toch de oorzaak dat een paar zeelieden, zooals gij beiden, zulk eene groote reis over land moesten maken?—Dat zal ik u zeggen, mijnheer Sergius, was het antwoord. Twee jaar geleden zijn Kirschef en ik met nog een tiental andere matrozen te Archangel geweest, waar wij op walvischvaarders wilden aanmonsteren. Daar werden wij aangezocht om naar een schip te gaan, dat in eene der mondingen van de Lena tusschen het ijs beklemd zat. Op die reis van Archangel naar de Lena-baai hebben wij het noordelijke gedeelte van Siberië doorgereisd. Nadatwij aan boord van deSeraski—zoo heette het schip—gekomen waren, hebben wij het vlot gebracht en zijn wij er mede op de walvischvangst gegaan. Maar zooals ik u reeds vroeger verhaald heb, deSeraskiis met man en muis vergaan en alleen Kirschef en ik zijn van de bemanning overgebleven. Door stormweer zijn wij toen naar de Liakhoff-eilanden afgedreven en daar hebben wij u allen ontmoet.—Zijt gij dan nooit in Alaska geweest? vroeg Kayette, die zooals men weet russisch sprak en verstond.—Alaska? vroeg Ortik. Is dat niet ergens in Amerika?—Ja, antwoordde Sergius. Alaska ligt in het Noordoostelijkste gedeelte van Noord-Amerika en het is het geboorteland van Kayette. Zijt gij op uwe omzwervingen daar nooit geweest?—Wij hebben van dat land nooit hooren spreken, zeide Ortik op den natuurlijksten toon van de wereld.—Wij zijn ook nooit verder dan de Behringstraat geweest, voegde Kirschef er bij.Ook nu maakte de stem van dezen op Kayette denzelfden indruk als anders, zonder dat zij zich echter wist te herinneren waar zij die vroeger gehoord kon hebben. Het kon niet anders zijn dan in een van de districten van Alaska, want zij zelve was nooit buiten haar vaderland geweest.Na de stellige ontkentenis van Ortik en Kirschef, deed Kayette, met de bescheidenheid die aan de lieden van haren stam meestal eigen is, dan ook geen verdere vragen meer. Maar zij kon toch eene zekere verwondering niet van zich zetten, die tegenover de twee matrozen onwillekeurig een karakter van wantrouwen aannam.Gedurende het oponthoud van een etmaal hadden de rendieren de noodige rust kunnen nemen. Hunne voorpooten waren met touwen vastgebonden, doch niet zóó nauw dat hun dit belette in den omtrek der legerplaats te zwerven en het struikgewas afteknagen of het mos, dat onder de sneeuw bedolven lag, op te snuffelen.Den 20steMaart ging de karavaan te acht uur des morgens op weg. Het was droog, helder weder, met eene frissche koelte uit het noord-oosten. De steppe strekte zich uit zoo ver het oog reikte, als een blank sneeuwveld dat nog hard genoeg was om er met gemak op te rijden. De twintig rendieren werden bij vieren aangespannen, op vijf rijen dus, met behulp van een goed ingericht stel leidsels, die aan den eenen kant door Ortik en aan den anderen door Kruidnagel in de hand gehouden werden.Gedurende zes dagen werd de reis op deze manier voortgezet zonder dat er iets voorviel dat verteld verdient te worden. Sergiusen Cascabel met Jan en Sander gingen meestal te voet tot dat het nachtkwartier betrokken werd, en Cornelia met Napoleona en Kayette hielden hen gezelschap zoo dikwijls de huishoudelijke werkzaamheden haar niet bezig hielden.Iederen voormiddag legde deSchoone Zwerfsterongeveer eenKoesaf, dat is een russische lengtemaat, gelijk staande met twintig wersten of twee en een halve mijl. In den namiddag werd dezelfde afstand nog eens gemaakt, altijd in westelijke richting, zoodat zij elken dag ruim vijf mijlen vooruit kwamen.Den 29stenMaart trokken zij het riviertje Olenek over, dat nog toegevroren lag en denzelfden dag kwamen Cascabel en zijne reisgenooten in het vlek Maksimova, twee en veertig mijlen zuidoostelijk van het strand derLena-baai.Er bestond niet het minste bezwaar tegen dat Sergius een etmaal in dit plaatsje vertoefde, dat in het noordelijkste uiteinde der steppe als verloren ligt. Er bevond zich geen gezaghebber of geen kozakken-garnizoen, die op de gedachte hadden kunnen komen om graaf Narkine met vragen lastig te vallen.Zij waren hier midden in het land der Jakoeten en de familie Cascabel werd door de bewoners van Maksimova gastvrij ontvangen.Het oostelijke en zuidelijke gedeelte van dit gewest is berg- en boschachtig, maar in het noorden worden niets dan effen vlakten aangetroffen, welke hier en daar met groepen boomen bezet zijn, die nu, onder den invloed van den naderenden zomer, spoedig zouden uitloopen. Er is een overvloed van wild, hetgeen veroorzaakt wordt door dat het klimaat in noordelijk Siberië, van eene felle koude in den winter, tot eene gloeiende hitte in de zomermaanden afwisselt.De Jakoeten-bevolking telt ongeveer honderdduizend zielen, allen belijders van den griekschen godsdienst. Het zijn godvreezende en gastvrije lieden; hunne zeden zijn zuiver en zij zijn even dankbaar voor de weldaden der Voorzienigheid als gelaten te midden der harde ontberingen die hen door het barre klimaat soms worden opgelegd.Op de reis van den mond der Lena naar dit plaatsje hadden zij ook eenige Siberiërs ontmoet die tot een nomadenstam behoorden. Het waren stevig gebouwde lieden, middelmatig van lengte, met platte gezichten, zwarte oogen, weligen haartooi en zonder baard of knevel. Te Maksimova zagen de inwoners er even zoo uit; het zijn vriendelijke arbeidzame, schrandere en bedaarde menschen, die zich niet gemakkelijk iets wijs laten maken.De Jakoeten die een zwervend leven leiden, zitten bijna altijd tepaard en zijn nooit ongewapend; zij zijn eigenaars van kudden die in grooten getale over de steppen rondzwerven. Die welke in huizen in de dorpen of stadjes bijeenwonen, houden zich voornamelijk bezig met de vischvangst, welke in de menigte beken en waterloopen, die zich in de groote rivier uitstorten, overvloedigen buit oplevert.De Jakoeten hebben dus vele maatschappelijke en huiselijke deugden; alleen zijn zij hartstochtelijke tabakrookers en bovendien—wat erger is—aan het misbruik van brandewijn en andere sterke dranken veeltijds verslaafd.—Tot zekere hoogte is dit hun echter niet kwalijk te nemen, merkte Jan op. Drie maanden van het jaar hebben zij niets dan water om te drinken en pijnboomschors om op te knabbelen.—Wat zegt gij, hebben ze dan niet eens brood? vroeg Kruidnagel, die zich zoo iets niet kon voorstellen.—Neen, niets dan de bast van denneboomen. Na zulk eenen tijd van ontbering is het hun bijna te vergeven dat zij zich soms te buiten gaan.De nomadische Jakoeten wonen inyourten, dat zijn kegelvormige tenten van witte stof. De huizen der anderen zijn gewoonlijk van hout gebouwd en verschillend van vorm en inrichting naarmate van ieders smaak. Deze huizen worden zorgvuldig onderhouden en hebben steile, puntige daken, zoodat de smeltende sneeuw in April, als de zonnestralen kracht krijgen, er gemakkelijk afvalt. Het stadje Maksimova ziet er dan ook vriendelijk uit. De mannen hebben een gunstig voorkomen, openhartig, met eene oprechte uitdrukking in de oogen, gepaard met zekere fierheid. De vrouwen zien er niet onaardig uit, sommige zijn zelfs mooi, al is haar gelaat getatoueerd, zij zijn zeer ingetogen en streng van zeden; zij vertoonen zich nooit blootshoofds of zonder schoenen aan hare voeten.Onze reizigers werden door de Jakoeten-hoofden voorkomend ontvangen. Deze mannen wordenkïnoesgenaamd, terwijl de oudsten, of de aanzienlijksten van het dorpStarsynasgeheeten worden. De gastvrije lieden betwistten elkander het voorrecht van de vreemdelingen te herbergen en te onthalen, maar Cornelia wilde niets aannemen zonder betaling. Op deze voorwaarde sloeg zij ook een goeden voorraad petroleum in, die tevens als brandstof voor het keukenfornuis gebruikt kon worden.DeSchoone Zwerfstermaakte ook hier weder, evenals gewoonlijk, veel opzien, want nog nooit te voren was er een kunstenmakerswagen in dit land gezien. Een aantal Jakoeten van beiderlei geslacht kwamen het wonder aanschouwen en er gebeurde niets datreden had kunnen geven om daar spijt van te hebben. Diefstallen worden in dit land zelden bedreven, zelfs niet ten nadeele van reizigers, maar wanneer ze voorkomen, volgt de straf in den regel op het misdrijf. Wordt de schuld van den dader bewezen, dan wordt hij in het openbaar met roeden gegeeseld en op die lichamelijke kastijding volgt nog eene zedelijke straf, want hij is voor zijn leven geschandvlekt, wordt van zijne burgerlijke rechten vervallen verklaard en krijgt nimmer den naam van een eerlijk man terug.Den 3deApril kwam onze karavaan aan den oever van de Oden, eene kleine rivier, die na eenen afstand van vijftig mijlen te hebben afgelegd, in den zeeboezem van Anabara uitloopt.Het weder was tot dusver zeer gunstig geweest, doch er kwam nu eenige verandering; het begon spoedig zwaar te regenen en het eerste gevolg daarvan was het smelten van de sneeuw. Dat duurde een dag of acht. Gedurende dien tijd raakte de wagen herhaaldelijk in den modder vast en zonk ettelijke malen zoo diep weg, dat de toestand, als de weg over een moerassig terrein liep, niet zonder gevaar genoemd kon worden. Dit waren de voorboden van de lente, welke op deze hooge breedte eene temperatuur medebrengt van een graad of drie boven het vriespunt.Dit eind weegs was hoogst vermoeiend. De hulp van de twee russische matrozen, wier gedienstigheid en ijver inderdaad niets te wenschen overlieten, kwam hier dikwijls goed te pas.Den 8stenApril had deSchoone Zwerfsternagenoeg veertig mijlen sedert Maksimova afgelegd en kwam zij op den rechteroever van de Anabara-rivier.Er bestond nog mogelijkheid om over het ijs de overzijde te bereiken, maar meer benedenstrooms was de dooi reeds begonnen. De ijsblokken, die met vaart naar de monding der rivier dreven, stortten met groot geweld op en over elkander. Waren zij eene week later gekomen, dan zouden zij eene doorwaadbare plaats hebben moeten zoeken, hetgeen niet gemakkelijk ware geweest, want met het smelten der sneeuw stegen de rivieren binnen korten tijd aanmerkelijk.De steppe begon reeds een groenachtig waas te vertoonen door het ontspruiten der jonge grasplantjes, die voor de rendieren eene ware lekkernij waren. Aan de heesters vertoonden zich knoppen; nog een dag of wat en de eerste blaadjes zouden zich aan de takken beginnen te ontplooien. Het ontwakende leven gaf aan de magere geraamten der boomen, die door de winterkoude een aanzien gekregen hadden alsof zij dood waren, een heel ander uiterlijk.Dit eind was hoogst vermoeiend. (Zie blz. 118.)Dit eind was hoogst vermoeiend.(Zie blz.118.)Hier en daar stonden berke- en lorkeboomen in groepjes bijelkaar, die onder de voorjaarskoelte heen en weder wiegelden. De geheele Noordsche natuur, zoo bar en doodsch, kreeg nieuw leven onder den bezielenden adem der zon.De streken van Siberië welke het verst van de kust verwijderd liggen, zijn het dichtst bevolkt. Enkele malen ontmoetten onze reizigers eenen ontvanger, die van dorp tot dorp trok om de belastingen op te halen. Dan werd er eenige oogenblikken halt gemaakt ten einde met dien ambtenaar een praatje te houden; hij nam zonder plichtplegingen het hem aangeboden glasvodkaaan, en vervolgens werd van weerskanten de reis hervat.Op zekeren dag kruiste de weg, dien deSchoone Zwerfstervolgde, dien van eenen troep gevangenen. Deze ongelukkigen waren bestemd naar de zoutpannen op de oostelijkste grenzen van Siberië; een detachement kozakken begeleidde hen, en aan mishandelingen lieten deze ruwe geleiders het niet ontbreken. Natuurlijk had de aanvoerder van het geleide geen enkele aanleiding om Sergius met vragen lastig te vallen; maar Kayette, die nog niet van haar wantrouwen tegenover de russische matrozen genezen was, meende op te merken dat deze hun best deden om buiten het gezicht der Kozakken te blijven.Den 19denApril had deSchoone Zwerfstervijf en zeventig mijlen afgelegd en hield zij halt op den rechteroever der Khatanga, welke rivier zich in de golf van dien naam ontlast. Ditmaal was er geen ijsbrug te vinden, die dienst kon doen om den wagen naar den overkant te doen komen. Eenige afdrijvende ijsschotsen gaven blijk dat de dooi bijna haar werk volbracht had. Zij waren nu verplicht den stroom te doorwaden, hetgeen een heel oponthoud had kunnen veroorzaken indien Ortik er niet geweest was om eene goede plaats te wijzen. Hij vond die eene halve werst hooger op, doch de overtocht ging met vrij wat moeielijkheid gepaard, want de wagen ging tot aan de assen der wielen door het water. Aan den overkant gekomen, werd de reis terstond voortgezet, en vijf en twintig mijlen verderop sloegen de reizigers hun leger op aan den oever van het Jege-meer.Welk eene tegenstelling leverde dit op met den eentonigen aanblik der steppe! Het was als eene oase te midden der zandwoestijn van Sahara. Men stelle zich een helderen waterspiegel voor, omringd door het altijddurende groen van pijn- en denneboomen, door verschillende heesters prijkende met hun versch loof, door mirtenbeziën met purpere vruchten, zwarte en roodachtige aalbessenboompjes en wilde rozelaars, die ook reeds onder den zachten invloed der lente met bloemen getooid begonnen te worden.Het was als eene oase. (Zie blz. 120.)Het was als eene oase. (Zie blz.120.)Ten Oosten en ten Westen strekten tamelijk uitgestrekte wouden zich uit, te midden waarvan Wagram en Marengo zonder twijfel het een of andere wild konden opjagen indien het hun vergund werd daarin een paar uren te gaan snuffelen.Ook op het water vertoonden zich troepen ganzen, eenden en wilde zwanen, terwijl vluchten kraanvogels en ooievaars, die uit de streken van Midden-Azië kwamen, met lange vleugelslagen de lucht doorkliefden. Onze reizigers hadden volgaarne door handgeklap hunne vreugde over dit ongewone schouwspel aan den dag gelegd.Op voorstel van Sergius werd er besloten hier twee etmalen rust te houden. Aan het uiteinde van het meer, in het lommer van hooge dennen, werd de legerplaats gekozen en in orde gebracht.De jagers van het gezelschap voorzagen zich nu van hunne geweren en gingen er op uit, van Wagram vergezeld, nadat zij beloofd hadden niet te ver af te dwalen. Het duurde geen kwartier of hunne schoten knalden door de lucht.Dien tijd besloten Cascabel, Sander, Ortik en Kirschef te gebruiken om hun geluk met den hengel te beproeven. Zij hadden niets dan eenen voorraad kunst-aas, dien zij van de bewoners van Port-Clarence hadden gekocht, doch met deze gebrekkige hulpmiddelen kan een geoefend visscher, die deze groote kunst verstaat en de manier weet om in slimheid met eenen visch te wedijveren, als hij geduld genoeg heeft om te wachten tot het dier zich verwaardigt te bijten, buit genoeg opdoen.Geduld hadden zij echter bij deze gelegenheid niet veel noodig, want de hengelsnoeren waren ternauwernood tot op de vereischte diepte gezonken of het water werd door de bijtlustige visschen in beweging gebracht. Er was zulk een overvloed dat zij in een halven dag genoeg hadden kunnen vangen om er een paar weken van te leven. Dat was juist een kolfje naar Sander’s hand en toen Napoleona, zijn zusje, kwam vragen om ook den hengel eens te mogen houden, verkoos hij dit niet toetelaten, zoodat zij samen twist kregen en Cornelia tusschen beide komen moest. Deze vond echter dat er visch genoeg gevangen was, waarom zij haren man en de kinderen gelastte het vischtuig optebergen. Als moeder Cascabel het een of ander bepaald verkoos, dan dacht niemand er aan zich te verzetten.Twee uren later kwamen ook Sergius en Jan terug, op eenigen afstand gevolgd door Wagram, wien de jacht veel te vroeg eindigde, want dolgraag had hij nog in deze wildrijke bosschen eene poos huis gehouden.De jagers waren even gelukkig geweest als de visschers, zoodatde dagelijksche disch een tijdlang vol afwisseling en altijd smakelijk beloofde te zijn. De visschen uit het meer Jege lieten zich best gebruiken, maar het wild, dat in deze noordelijke streken van Siberië bijzonder uitmunt, spande toch de kroon.De fijnste soorten die de jagers onder het lood gekregen hadden, waren eenige troepjes “karallys”, die in vluchten bij elkaar vliegen, alsmede een koppel of wat “dikouta’s” een dom soort van vogels, kleiner dan korhoenders, maar bijzonder smakelijk van vleesch.Ieder kan zich voorstellen welk een feestmaal er dien dag werd aangericht. De tafel was onder de boomen gedekt en niemand der aanzittenden voelde er iets van dat het voor een festijn in de open lucht wel wat koud was. Cornelia had zichzelve overtroffen in het bakken van de visch en het braden van het gevogelte. In het vorige dorp was de voorraad meel aangevuld en hadden zij opnieuw Jakoeten-boter aangeschaft, zoodat al het noodige aanwezig was voor het bakken van eene goudgele taart, met knappende korst, die op het dessert te voorschijn kwam. Eenige teugen brandewijn spoelden deze traktatie door, waartoe de winkels te Maksimova het noodige geleverd hadden, en het einde van dezen vreugdevollen dag liet niets te wenschen over.Het scheen waarlijk alsof de tijd der beproevingen voorbij was en alsof de familie Cascabel hare avontuurlijke reis voordeelig en voorspoedig ten einde zou brengen.Ook den volgenden dag werd er rust gehouden en de rendieren maakten daar gebruik van om op hunne manier zich te goed te doen.Den 21stenApril ging deSchoone Zwerfsterdes ochtends te zes uur op reis. Vier dagen daarna bereikte zij de westelijke grens van het land der Jakoeten.
VII.Een slimme streek van Cascabel.Er kwamen kwade dagen in het begin van Februari. De koude was zóó fel, dat het kwik in den thermometer er door bevriezen zou. Er is nog eene fellere koude te bedenken: in de hoogste hemelstreken, in de ruimte tusschen de sterren, moet volgens de berekeningen eene koude heerschen van tweehonderd dertien graden beneden het vriespunt, welke alle moleculen der lichamen doet verstijven en alles in eenen staat van volstrekte onbewegelijkheid doet overgaan. Toch was het ook hier op het eiland alsof de kleinste luchtdeeltjes zich niet meer bewogen en de dampkringslucht vast geworden was. Zij hadden bij het inademen een brandend gevoel, en de koude nijpte zoo hevig dat niemand er meer aan denken kon om buiten deSchoone Zwerfsterte komen. Het uitspansel was klaar als kristal; de sterrenbeelden blonken met eene helderheid, die nergens overtroffen kan worden; het was alsof de oogen tot in de afgelegenste diepte der hemelruimte doordrongen. Het daglicht was daarentegen op den vollen middag niet meer dan eene grauwe schemering.De inboorlingen gaven hunne gewoonte nog niet op om zelfs in deze koude buiten te komen, maar zij namen alle mogelijke voorzorgen om te beletten dat hunne handen en voeten, hun neus of hunne ooren op eenmaal bevroren zouden raken. Zij wikkelden zich geheel in rendierenvellen en trokken bovendien nog een kap over hun hoofd, zoodat er niets van hen te zien overbleef. Hetwaren wandelende pakken bont. Dat zij zich echter nog buiten hunne woningen waagden, geschiedde op bevel van Tchou-Tchouk, die zelfs onder deze koude, welke elk denkbeeld van ontsnapping belachelijk maakte, zich wilde overtuigen van de aanwezigheid zijner gevangenen, die hem nu niet meer hunne dagelijksche opwachting konden komen maken.—Frisschen morgen, vischvreters! riep Cascabel hun soms toe, als hij hen door een van de vensters, die aan den binnenkant van het ijs ontdaan konden worden, zag aankomen. Die kerels hebben stellig robbenbloed in hun lichaam. Een fatsoenlijk mensch zou hier binnen vijf minuten in een klomp ijs veranderen, maar zij weten er niets van!In de vertrekjes van deSchoone Zwerfster, welke bijna luchtdicht gesloten werden gehouden, bleef de koude dragelijk. Het keukenfornuis, dat met het voorwereldlijke hout gestookt werd, waardoor zij hunne andere brandstof konden bewaren, verspreidde zulk eene warmte dat het zelfs nu en dan noodig was te luchten. Maar nauwelijks stond de buitendeur open of alle vloeibare stoffen in den wagen stolden onmiddellijk. Tusschen de temperatuur binnen en buiten was een verschil van veertig graden, hetgeen zij hadden kunnen waarnemen indien hunne thermometers niet door de inlanders gestolen waren geweest.Tegen het einde der tweede week van Februari was het echter alsof het weder een weinig zachter zou gaan worden. De wind liep naar het Zuiden en er woeien nu sneeuwstormen, van wier geweld men zich geen denkbeeld maken kan en die zeker deSchoone Zwerfsteronderste boven geworpen zouden hebben indien zij niet stevig beschut had gestaan. Maar de wielen waren tot halver hoogte onder de sneeuw bedolven, zoodat er van dien kant niet het minste gevaar bestond.Nu en dan werd het weer op eens, met ruwe overgangen, veel kouder; maar in het algemeen bleef de gemiddelde thermometerstand omstreeks het midden der maand op een twintigtal graden beneden het vriespunt van de honderddeelige schaal.Cascabel en Sergius, Jan, Sander en Kruidnagel maakten hiervan dadelijk gebruik om weder buiten te komen, maar niet zonder de grootste voorzorgen om den overgang geleidelijk te doen zijn. Indien zij dit verzuimd hadden, zouden zij zich aan levensgevaar blootgesteld hebben.Het waren wandelende pakken bont. (Zie bladz. 95.)Het waren wandelende pakken bont. (Zie bladz.95.)In den omtrek van den wagen lag alles onder een effen sneeuwtapijt bedolven. Geen enkele verhevenheid van den grond was meer te onderscheiden. Dit was nu niet langer het gevolg van de duisternis,want gedurende een paar uur liet zich thans aan den zuidelijken gezichteinder een grauw schijnsel zien, eene weerkaatsing van lichtstralen zonder warmte, die naarmate de voorjaars dag- en nachtevening naderkwam, duidelijker worden zou. Er bestond dus weder gelegenheid om een eind te loopen en op uitdrukkelijk bevel van Tchou-Tchoûk, was hun eerste gang naar zijn verblijf.Er was nog geen verandering in de zienswijze van het opperhoofd der wilden gekomen en de gevangenen kregen opnieuw last binnen den kortst mogelijken tijd voor een losgeld van drieduizend roebels te zorgen, wanneer zij niet wilden dat Tchou-Tchoûk tot andere maatregelen zou overgaan.—Hoor nu zoo’n schoelje eens aan, zeide Cascabel in zuiver fransch, waar hij overtuigd was dat de ander geen woord van verstond. Zoo’n driedubbele ezelskop! Zoo’n koning over uilskuikens!Zoo hartelijk gemeend en zoo volkomen toepasselijk als deze liefelijkheden ook mochten zijn, de toestand werd er niet beter door. Het begon er zelfs bedenkelijk uittezien, nu de vorst van den Liakhoff-archipel met dwangmiddelen begon te dreigen.Het was op dat oogenblik, onder dien invloed van verbeten en machtelooze woede, dat Cesar Cascabel op eenen inval kwam, zooals alleen het genie ze soms kan hebben. Van eenen man, die zich al door zooveel moeielijkheden heen had geslagen, viel trouwens niets minder te verwachten.—Alle robben en walvisschen mogen mij opslikken, riep hij den volgenden ochtend op eens uit, als dàt mij niet gelukt! Met die domkoppen durf ik het te wagen!Maar wat het was dat hem tot dezen triomfantelijken uitroep aanleiding gaf, verkoos Cascabel niet te zeggen. Hij openbaarde zijn geheim aan niemand, zelfs niet aan Cornelia of Sergius.Het scheen een onmisbaar vereischte voor zijn plan te wezen dat hij zich duidelijk verstaanbaar in het russisch wist uittedrukken, welke taal door alle volksstammen in het Noorden van Siberië gesproken wordt. Het gevolg daarvan was, dat terwijl Kayette voortging zich in het fransch te oefenen onder de leiding van Jan, diens vader van zijnen vriend Sergius les wilde gaan nemen in het russisch. Een beter onderwijzer had hij zeker niet kunnen vinden.Den 15denFebruari dus, op eene wandeling in den omtrek derSchoone Zwerfster, kwam hij met zijn verlangen om grondiger russisch te leeren voor den dag.—Ziet gij, zeide hij tegen Sergius, wij zijn nu op weg naar Rusland, en het zal mij dus goed te pas komen als ik de taal vanhet land kan spreken, zoodat ik te Perm en te Nisjni niet met mijnen mond vol tanden behoef te staan.—Dat is zeker, mijn waarde Cascabel, antwoordde Sergius. Maar gij verstaat reeds zooveel van onze taal, dat ge al bijna in staat zijt uzelf te helpen.—Neen mijnheer Sergius, toch niet! Wel versta ik ten naasten bij wat er gezegd wordt, maar zelf ben ik nog niet in staat mij verstaanbaar uit te drukken. Zóó ver zou ik het willen brengen.—Nu, als gij het wilt ben ik tot uwen dienst.—Bovendien, al had het geen ander nut, is het altijd een goed tijdverdrijf.Het verlangen van Cascabel was volkomen verklaarbaar en niemand toonde er zich dan ook verbaasd over.Hij ging dus terstond met Sergius aan het werk en nam bij dezen een uur of drie per dag les, niet zoozeer om de taalregels als om de uitspraak ter dege machtig te worden. Dit was blijkbaar iets waar hij het meest aan hechtte.Nu is het eene bekende zaak dat russen zeer gemakkelijk fransch leeren en het bijna zonder eenigen tongval uitspreken, maar het omgekeerde is het geval niet en voor franschen is het russisch in het geheel niet gemakkelijk. Het vorderde dus heel wat inspanning en oplettendheid van Cascabel, en deSchoone Zwerfsterweerklonk den ganschen dag van de stem- en spraakoefeningen waarmede hij zich onvermoeid bezig hield.Hij had echter een natuurlijken aanleg om talen te leeren en bracht het er spoedig ver in, tot niet geringe bewondering van zijne omgeving.Telkens nadat de les was afgeloopen begaf hij zich naar het strand, waar hij stellig wist dat niemand hem beluisteren kon, en daar, in de eenzaamheid, herhaalde hij een zeker aantal volzinnen, telkens op een anderen toon en met grooter nadruk, waarbij hij vooral de r’s liet rollen, zóó dat geen rus het hem had kunnen verbeteren. Dit viel hem trouwens niet moeielijk, want als kunstenmaker had hij zijn leven doorgebracht met in zijne moedertaal soortgelijke proeven van welsprekendheid af te leggen.Soms ontmoette hij Ortik en Kirschef, die geen woord fransch verstonden. Dit was dan weder eene gewenschte gelegenheid om zich te oefenen en hij kreeg spoedig de zekerheid dat hij zich heel goed verstaanbaar wist te maken.De twee matrozen kwamen nu meer dan vroeger in deSchoone Zwerfster, maar Kayette was nog altijd niet in staat zich te herinneren waar zij de stem van Kirschef, die haar bekend bleef voorkomen, vroeger had kunnen hooren.Tusschen Ortik en Sergius werd voortdurend veel gesproken over de kansen om weg te komen. Cascabel nam nu meestal aan het gesprek deel, maar er werd niets voorgesteld dat bruikbaar was.—Er zou toch misschien eene manier wezen waarover wij nog niet gedacht hebben, zeide Ortik op zekeren dag.—Hoe dan? vroeg Sergius.—Wanneer het open water is, antwoordde de ander, gebeurt het niet zelden dat er walvischvaarders langs de Liakhoff-eilanden komen varen. Zouden wij in dat geval geen sein kunnen geven, zóó dat zulk een schip hierheen kwam?—De bemanning zou dan gevaar loopen evenals wij in handen van Tchou-Tchoûk te vallen en onze gevangenschap te moeten deelen zonder dat wij er iets bij wonnen, antwoordde Sergius. Die schepen zijn niet sterk genoeg bemand om met geweld iets tegen de inboorlingen te kunnen uitrichten.—Bovendien, voegde Cascabel er bij, het duurt nog drie of vier maanden voór dat het open water kan zijn en zóó lang heb ik geen geduld meer.Hij dacht een oogenblik na en vervolgde toen:—Al slaagden wij er ook in aan boord van eenen walvischvaarder te komen, zelfs indien de brave Sjoe-Sjoe dat goedvond, dan zouden wij nog deSchoone Zwerfsterin den steek moeten laten.—Ja, dat zou in dit geval niet anders kunnen, stemde Sergius toe.—Niet anders kunnen! riep Cascabel uit. Ik zag nog liever...—Weet gij dan misschien wat beters?—Zoo vraagt men de boeren de kunst af!Meer verkoos Cascabel niet te zeggen. Maar er flikkerde iets in zijne oogen en er speelde een glimlach om zijnen mond, die meer zeide dan duizend woorden.Toen Cornelia dan ook vernam wat haar man geantwoord had, kon zij niet nalaten er het hare van te zeggen:—Ge kunt er op aan dat Cesar iets in zijn hoofd heeft. Wat het zijn kan, weet ik niet. Maar van een man als hij, kunnen wij het onmogelijkste verwachten!—Vader is zeker slimmer als mijnheer Tchou-Tchoûk, zeide Napoleona.—Hebt ge wel opgemerkt, zeide Sander, dat hij hem sedert eenigen tijd een “beste kerel” noemt? Hij begint van hem te houden!—Tenminste, als hij er niet juist het tegendeel mede bedoelt, bracht Kruidnagel in het midden.Ondertusschen bracht Cascabel, in dit opzicht gelijk aan Demosthenes, die zich in de welsprekendheid oefende aan het strand derHelleensche zee, nog menig uur door met op geweldigen toon in het russisch het geraas der baren te overschreeuwen.In de tweede helft van Februari werd het langzamerhand minder koud. Met de zuidelijke winden kwam er een zachtere luchtstroom over de eilanden strijken.Er was dus nu geen tijd meer te verliezen. In de Behringstraat waren zij, tengevolge van het late invallen van den winter, door het dooiweder aan het drijven geraakt; zij moesten nu hun best doen om niet weder, als het eens vroeg zomer mocht worden, hetzelfde te ondervinden.Indien Cascabel’s plan gelukte en hij Tchou-Tchoûk wist te bewegen hem met alles wat hij bij zich had te laten trekken, dan moest de tocht ook aangevangen worden op het tijdstip dat het ijsveld tusschen de Liakhoff-eilanden en de Siberische kust nog volkomen vast en veilig te berijden was. Wisten zij dan aan een goed stel rendieren te komen, dan kon dit gedeelte van de reis met deSchoone Zwerfsteronder vrij gunstige omstandigheden afgelegd worden, zonder dat zij gevaar liepen door het losraken van het ijs aan nieuwe teleurstellingen blootgesteld te worden.—Zeg eens, mijn waarde Cascabel, vroeg Sergius op zekeren dag, denkt gij dat die oude schurk van een Tchou-Tchoûk u aan de noodige rendieren helpen zal, die gij niet kunt missen wanneer gij uwen wagen naar den overwal wilt brengen?—Mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel deftig, Sjoe Sjoe is in het geheel geen oude schurk. Het is een beste, brave man, daar sta ik voor in. Als hij er dus in toestemt dat wij heengaan, dan zal hij ook goedvinden dat wij deSchoone Zwerfstermedenemen, en als hij dat goedvindt, dan kan hij niet anders dan een twintigtal rendieren tot onze beschikking stellen Wat zeg ik, twintig? Vijftig, honderd, duizend, als ik ze hebben wil!—Ge hebt hem dus in uwe macht?—Of ik Sjoe Sjoe in mijne macht heb? Zoo goed alsof ik de punt van zijn neus tusschen mijne vingers heb, mijnheer Sergius. En wat ik eenmaal beet heb, dat laat ik niet los!Hij scheen volkomen zeker van zijne zaak en altijd vertoondezichdezelfde raadselachtige glimlach op zijn gelaat. Dien dag bracht hij zelfs met een innemend gebaar zijne hand aan zijnen mond en maakte hij een denkbeeldig compliment aan Zijne inlandsche Majesteit. Maar Sergius, begrijpende dat Cascabel over zijn denkbeeld niet in bijzonderheden verkoos te treden, was bescheiden genoeg daar niet verder naar te vragen.De tijd was nu gekomen dat de eilandbewoners van het zachtereweder gebruik begonnen te maken om hunne gewone bezigheden te hervatten, zooals de jacht op vogels en de robbenvangst, waartoe op het ijsveld gelegenheid genoeg bestond. Ook werden de godsdienstige plechtigheden, die gedurende den tijd der felste koude gestaakt hadden moeten worden, weder aangevangen.Des Vrijdags van iedere week stroomden de geloovigen naar de grot der gebeden, ter algemeene bijeenkomst. Vrijdag, moet men weten, is zooveel als de Zondag der Nieuw-Siberiërs. Maar op Vrijdag den 29stenFebruari—het jaar 1868 was een schrikkeljaar—zou er eene buitengewone groote processie gehouden worden.Den avond te voren zeide Cascabel op een heel gewonen toon, vóór dat zij naar bed gingen:—Morgen moeten wij ons gereed houden voor de plechtigheid in deVorspük, waar wij met onzen vriend Sjoe-Sjoe heengaan.—Wat zegt ge Cesar? Wilt ge dat doen? vroeg Cornelia.—Ik wil het.Wat dit stellige bevel te beteekenen had, kon niemand gissen. Zou Cascabel het inlandsche opperhoofd willen verteederen door deel te nemen aan zijne kerkelijke vertooningen? Het viel niet te ontkennen dat Tchou-Tchoûk gaarne zag dat ook zijne gevangenen eerbied toonden voor zijne afgodsbeelden. Maar voor die monsters de knieën te buigen en het bijgeloof der inlanders te omhelzen, dat was toch heel iets anders en het leek niet waarschijnlijk dat Cascabel, ter wille van Zijne nieuw-Siberische Majesteit, zijn geloof zou afzweren. Wel foei!Dit zou echter later wel aan het licht komen. Den volgenden ochtend vroeg was het geheele dorp in beweging. Het was mooi weer, dat wil zeggen dat het niet meer dan een graad of tien vroor. Ook was het nu weder iederen dag gedurende een uur of vier eenigszins helder en vertoonde de weerkaatsing der zonnestralen zich duidelijker aan de kim, in afwachting van het tijdstip dat zij zich daarboven zouden verheffen.Alle dorpsbewoners waren uit hunne onderaardsche woningen te voorschijn gekomen. Groot en klein, mannen, vrouwen en kinderen hadden hun mooiste kleederen aan, jassen en rokken van robben vel, mantels van rendierenhuiden, met het haar naar buiten. Overal eene uitstalling van wit of zwart bont, van mutsen met valsche parelsnoeren, van veelkleurige borstlappen, van riemen die zij als sieraden om het voorhoofd gebonden droegen, van oorringen, armbanden en andere kleinoodiën, uit robbenbeenderen vervaardigd, die in hun neusbeentje bevestigd werden.De eilandbewoners begonnen hunne gewone bezigheden te hervatten. (Zie bladz. 101.)De eilandbewoners begonnen hunne gewone bezigheden te hervatten. (Zie bladz.101.)Dit alles was echter nog niet mooi genoeg voor deze buitengewonegelegenheid. De voornaamsten van het dorp hadden andere sieraden noodig geacht, en de verschillende voorwerpen, die zij uit deSchoone Zwerfstergeroofd hadden, moesten daarvoor dienst doen.Er waren er die een volledig kunstenmakerspak met linten en strikken aangehangen hadden. Sommigen droegen een van de mutsen of helmen van Kruidnagel. Anderen hadden zich opgeschikt met een bandelier of koord, waar de ringen aan bengelden die voor de gymnastische toeren gebruikt werden. Een paar droegen aan hunnen gordel de bollen en halters; maar het prachtigste sieraad van allen was dat van Tchou-Tchoûk, die een aneroïde-barometer, als het grootkruis eener Nieuw-Siberische ridderorde, op zijne borst liet slingeren.Tevens werd er uit alle macht spektakel gemaakt met de muziekinstrumenten van den troep. De klephoorn trachtte de schuiftrompet te overschreeuwen en de roffeltrom deed zijn best om nog meer lawaai te maken dan de turksche.Cornelia kon evenmin als hare kinderen hare ergernis bedwingen over dit oorverscheurende geraas en als zij gedurfd hadden, zouden zij de inlandsche toonkunstenaars terdege uitgefloten hebben, want, zeide Kruidnagel “ze blazen als walvisschen.”Niemand zou het echter willen gelooven, maar het was toch zoo: Cesar Cascabel gaf de duidelijkste blijken van ingenomenheid met dit concert. Hij klapte in zijne handen, riep hoera en bravo en zeide met overtuiging:—Ik sta werkelijk verbaasd over deze lieden! Zij hebben blijkbaar aanleg voor muziek en als zij een engagement bij onzen troep willen aannemen, dan sta ik er voor in dat zij een schitterend figuur op de kermis te Perm, en misschien later op die te Saint-Cloud zullen maken.Begeleid door dit tumult, trok de stoet het geheele dorp door en begaven zij zich naar de gewijde plaats waar de afgodsbeelden gereed stonden om de hulde der geloovigen te ontvangen. Tchou-Tchoûk ging vooraan. Onmiddellijk achter hem volgden Cascabel, Sergius en de andere leden van hun gezelschap; daarna de twee russische matrozen. De geheele bevolking van Tourkef vormde het talrijkste gedeelte van den optocht.Na eenigen tijd bleven zij allen stilstaan vóór de holte van de rots, waarbinnen de afgodsbeelden geschaard stonden, behangen met kostbare pelterijen en voor deze gelegenheid met frissche kleuren beschilderd.Tchou-Tchoûk trad met opgeheven handen deVorspükbinnen. Driemaal boog hij het hoofd ter aarde; daarna legde hij zich platvoorover op een tapijt van rendierenvellen, dat op den grond was uitgespreid. Dat was, naar ’s lands gebruik, de manier van knielen.Cascabel en allen die hem vergezelden volgden het voorbeeld van het opperhoofd. De geheele vergadering lag als door een tooverslag ter aarde.Toen er een plechtig stilzwijgen heerschte, begon Tchou-Tchoûk, op half brommenden half zingenden toon, het woord te richten tot de drie voornaamste afgodsbeelden, die in statige onbewegelijkheid op de menigte schenen neer te zien.Maar wat is dat? Daar antwoordt hem eene stem, een machtig, doordringend geluid, dat van achteren uit de diepte der grot schijnt te komen.Welk een wonder! De stem komt uit den muil van het aan den rechterkant staande afgodsbeeld. In duidelijk verstaanbaar russisch laat zij deze woorden hooren:“Ani sviati, éti innostrantzi Katori ote zapada prichli! Zatchéme ti ikhe podirjaïche?”Hetgeen beteekent:“Die vreemdelingen, welke uit het Westen gekomen zijn, zijn heilig! Waarom houdt gij hen gevangen?”Bij het hooren dezer woorden, die alle inboorlingen duidelijk verstonden, maakte eene algemeene verbazing zich van hen meester.Het was de eerste maal dat de goden van Nieuw-Siberië zich verwaardigden het woord tot de geloovigen te richten.En andermaal liet eene stem zich hooren, ditmaal op bevelenden toon, komenden uit den muil van het grootste afgodsbeeld ter linkerzijde, en zeggende:“Ja tibié prikajou étote arrestantof otpoustite. Tvoïe narode doljne dlia ikhe same balchoïe vajestvo imiète i nime addate vcié vieschtchi katori ou ikhe bouili vziati. Ja tabié prikajou ou siberskoïé beregou ikhe lioksché vosvratitcia.”Drie volzinnen, welke aldus te vertalen zijn en die door Tchou-Tchoûk in het geheel niet misverstaan konden worden:“Wij bevelen u deze gevangenen in vrijheid te stellen!“Wij bevelen uw volk hen met den grootsten eerbied te behandelen en hun alles terug te geven wat hun ontnomen is!“Wij bevelen u allen hen de reis naar het vasteland van Siberië zoo gemakkelijk mogelijk te maken!”Thans was het geene verbazing meer, maar ontzetting die destem teweegbracht. Tchou-Tchoûk had zich op zijne knikkende knieën ten halve opgericht, met starende oogen en opengespalkten mond, de handen trillende naar boven geheven, een beeld van stommen schrik. Ook de andere inboorlingen waren opgerezen, niet wetende of zij opnieuw ter aarde zouden vallen of de vlucht nemen.Daar nam ook het derde afgodsbeeld, dat in het midden stond, het woord. Zijne stem klonk hol en dreigend, vol onmiskenbaren toorn. Iedere lettergreep had een dreunenden naklank en de r’s die er in voorkwamen, ratelden als het geknetter van donderslagen.Ziehier wat deze stem verkondigde, en ieder woord kwam als met het gewicht van eenen moker op de neergebogen hersenpan van Tchou-Tchoûk:“Jesle ti take niè sdièlèle élote toje same diène, kakda èti sviati tchéloviéki boudoute jelaïte tchórte s’tvoïé oblacte!”Hetgeen wil zeggen:“Indien deze heilige mannen niet losgelaten worden, den dag waarop zij zulks verlangen zullen, zal onze toorn u en uwen stam treffen!”Op dit oogenblik lag het opperhoofd met zijne onderdanen, verstijfd van schrik en rillende in al hunne ledematen, languit op den grond, terwijl Cesar Cascabel was opgerezen en zijne handen dankbaar naar de afgodsbeelden ophief als om hen te zegenen voor hunne genadige bescherming.Intusschen hadden zijne reisgenooten werk om niet in eenen schaterlach uittebarsten en aldus de geheele vertooning te doen mislukken.Het was eene eenvoudige buiksprekerskunst die deze bewonderenswaardige man, wiens gelijke men niet licht onder kunstenmakers vinden zal, bedacht had om Sjoe-Sjoe, dien besten, braven kerel, knollen voor citroenen te verkoopen.Er was inderdaad niets meer noodig om de bijgeloovige inlanders beet te nemen. “Die mannen uit het Westen”—hoe kwam Cascabel aan deze vernuftige betiteling?—“die mannen uit het Westen zijn heilig; waarom houdt Tchou-Tchoûk hen gevangen?”Welnu, Tchou-Tchoûk dacht er niet aan hen langer gevangen te houden! Zoo spoedig zij maar wilden zou hij hen laten trekken, en hij met zijne onderdanen zouden hun al de hulpvaardigheid bewijzen, verschuldigd aan vreemdelingen die zoo zichtbaar door hoogere machten beschermd werden!Tchou-Tchouk had zich opgericht, een beeld van stommen schrik. (Zie bladz. 105.)Tchou-Tchouk had zich opgericht, een beeld van stommen schrik. (Zie bladz.105.)Ortik en Kirschef, die niet vermoedden welk een meester Cascabelin het buikspreken was, konden hunne verbazing niet ontveinzen. Maar Kruidnagel riep vol geestdrift uit:—Patroon, patroon, wat een genie!... Wat een slimmert!... Welk een man.... ten minste....—Ten minste als het geen godheid is! voegde Cornelia er bij en zij boog zich voor haar man als ware hij inderdaad een afgodsbeeld.De poets was gebakken. Het was gelukt, dank zij de onbegrijpelijke bijgeloovigheid dezer Noordsche eilandbewoners, welke alles overtreft wat iemand zich voor kan stellen. Die karaktertrek had Cascabel terdege opgemerkt en daardoor was hij op het denkbeeld gekomen om zijn buiksprekerstalent ten dienste van het algemeene belang aan te wenden.Het spreekt van zelf dat Cascabel en zijne reisgenooten met al de eerbewijzingen, verschuldigd aan personen die onder de hooge bescherming der goden stonden, huiswaarts werden geleid. Tchou-Tchoûk was onuitputtelijk in betuigingen van eerbied, waarmede eene goede hoeveelheid angst gemengd was. Het scheelde niet veel of hij zou voor ieder lid der familie Cascabel op zijne knieën gevallen zijn, zoo goed als voor het machtigste afgodsbeeld. Hoe hadden trouwens de onwetende bewoners van Tourkef kunnen vermoeden dat zij beetgenomen werden door eenen grappenmaker? Zij konden niet twijfelen, het moesten wel de goden in deVorspükwezen, die hunne dreigende stemmen hadden doen hooren. Het was wel ter dege hun tot dusver stom gebleven snavel die deze bevelen, in goed verstaanbaar russisch, had afgekondigd. Bovendien waren zij er in zeker opzicht op voorbereid. Jako, de papegaai in deSchoone Zwerfster, praatte immers ook? Dat had toch ook niemand ooit gehoord, dat een vogel spreken kon. Even goed als dat vreemd-gevederde gedierte moesten hunne afgodsbeelden, die immers ook vogelenkoppen hadden, zich verstaanbaar kunnen maken.Van dat oogenblik af konden Sergius, Cascabel en de anderen, de beide russische matrozen er onder begrepen, die door hen werden opgeeischt, zich als in vrijheid beschouwen. De winter was bijna voorbij en het weder begon dragelijk te worden, zoodat onze schipbreukelingen besloten hun vertrek van de Liakhoff-eilanden niet lang meer uit te stellen. Niet dat zij eene verandering in de gezindheid der inboorlingen te duchten hadden: daarvoor waren deze veel te goed “ingepakt.” Sjoe-Sjoe was nu de vertrouwdste vriend van Cascabel geworden; hij zou zijne schoenen gepoetst hebben als dat van hem verlangd was geworden. Natuurlijk had de brave man zich gehaast alles, wat uit deSchoone Zwerfstergeroofd was, terugte doen geven en hijzelf kwam, eerbiedig deknieënbuigende, Cascabel den barometer aanbieden dien hij nog altijd als een kommandeurskruis om zijnen hals droeg. Cascabel had zich toen verwaardigd hem de hand toe te steken en Tchou-Tchoûk had die onderdanig gekust, als eene hand die in staat was den bliksem te slingeren en den storm los te laten.Kortom, op den 8stenMaart was alles voor het vertrek gereed. Cascabel had een twintigtal rendieren aangevraagd om zijnen wagen te trekken en zijn vorstelijke vriend had hem er terstond honderd aangeboden, maar Cascabel bedankte daarvoor en hield zich aan het eerstgenoemde cijfer. Alleen vroeg hij nog om het noodige voeder voor de beesten gedurende den tocht over het ijsveld.Des morgens van den genoemden dag namen dus Sergius, de familie Cascabel en de twee russische matrozen van de bewoners van Tourkef afscheid. Het geheele dorp was uitgeloopen om hen te zien vertrekken en hun goede reis te wenschen.De “brave Sjoe-Sjoe” stond vooraan in het eerste gelid, heelemaal ontroerd en aangedaan. Cascabel ging naar hem toe, klopte hem vriendschappelijk op den buik en voegde hem in het fransch deze welwillende woorden toe:—Goeden dag, oude stommeling!Die vertrouwelijke afscheidsgroet deed het opperhoofd nog weder rijzen in het ontzag zijner onderdanen.Tien dagen daarna, den 18denMaart, had deSchoone Zwerfster, zonder gevaren ontmoet en zonder groote vermoeienissen doorgestaan te hebben, de ijsvlakte tusschen den Liakhoff-Archipel en de Siberische kust achter den rug en kwam zij vóór de monding van de Lena-rivier op het vasteland aan.Na zoovele ontmoetingen en gevaren doorgestaan, na zulke lotswisselingen doorleefd te hebben sedert hun vertrek uit Port-Clarence, hadden onze zwervers eindelijk het Aziatische strand bereikt.
Er kwamen kwade dagen in het begin van Februari. De koude was zóó fel, dat het kwik in den thermometer er door bevriezen zou. Er is nog eene fellere koude te bedenken: in de hoogste hemelstreken, in de ruimte tusschen de sterren, moet volgens de berekeningen eene koude heerschen van tweehonderd dertien graden beneden het vriespunt, welke alle moleculen der lichamen doet verstijven en alles in eenen staat van volstrekte onbewegelijkheid doet overgaan. Toch was het ook hier op het eiland alsof de kleinste luchtdeeltjes zich niet meer bewogen en de dampkringslucht vast geworden was. Zij hadden bij het inademen een brandend gevoel, en de koude nijpte zoo hevig dat niemand er meer aan denken kon om buiten deSchoone Zwerfsterte komen. Het uitspansel was klaar als kristal; de sterrenbeelden blonken met eene helderheid, die nergens overtroffen kan worden; het was alsof de oogen tot in de afgelegenste diepte der hemelruimte doordrongen. Het daglicht was daarentegen op den vollen middag niet meer dan eene grauwe schemering.
De inboorlingen gaven hunne gewoonte nog niet op om zelfs in deze koude buiten te komen, maar zij namen alle mogelijke voorzorgen om te beletten dat hunne handen en voeten, hun neus of hunne ooren op eenmaal bevroren zouden raken. Zij wikkelden zich geheel in rendierenvellen en trokken bovendien nog een kap over hun hoofd, zoodat er niets van hen te zien overbleef. Hetwaren wandelende pakken bont. Dat zij zich echter nog buiten hunne woningen waagden, geschiedde op bevel van Tchou-Tchouk, die zelfs onder deze koude, welke elk denkbeeld van ontsnapping belachelijk maakte, zich wilde overtuigen van de aanwezigheid zijner gevangenen, die hem nu niet meer hunne dagelijksche opwachting konden komen maken.
—Frisschen morgen, vischvreters! riep Cascabel hun soms toe, als hij hen door een van de vensters, die aan den binnenkant van het ijs ontdaan konden worden, zag aankomen. Die kerels hebben stellig robbenbloed in hun lichaam. Een fatsoenlijk mensch zou hier binnen vijf minuten in een klomp ijs veranderen, maar zij weten er niets van!
In de vertrekjes van deSchoone Zwerfster, welke bijna luchtdicht gesloten werden gehouden, bleef de koude dragelijk. Het keukenfornuis, dat met het voorwereldlijke hout gestookt werd, waardoor zij hunne andere brandstof konden bewaren, verspreidde zulk eene warmte dat het zelfs nu en dan noodig was te luchten. Maar nauwelijks stond de buitendeur open of alle vloeibare stoffen in den wagen stolden onmiddellijk. Tusschen de temperatuur binnen en buiten was een verschil van veertig graden, hetgeen zij hadden kunnen waarnemen indien hunne thermometers niet door de inlanders gestolen waren geweest.
Tegen het einde der tweede week van Februari was het echter alsof het weder een weinig zachter zou gaan worden. De wind liep naar het Zuiden en er woeien nu sneeuwstormen, van wier geweld men zich geen denkbeeld maken kan en die zeker deSchoone Zwerfsteronderste boven geworpen zouden hebben indien zij niet stevig beschut had gestaan. Maar de wielen waren tot halver hoogte onder de sneeuw bedolven, zoodat er van dien kant niet het minste gevaar bestond.
Nu en dan werd het weer op eens, met ruwe overgangen, veel kouder; maar in het algemeen bleef de gemiddelde thermometerstand omstreeks het midden der maand op een twintigtal graden beneden het vriespunt van de honderddeelige schaal.
Cascabel en Sergius, Jan, Sander en Kruidnagel maakten hiervan dadelijk gebruik om weder buiten te komen, maar niet zonder de grootste voorzorgen om den overgang geleidelijk te doen zijn. Indien zij dit verzuimd hadden, zouden zij zich aan levensgevaar blootgesteld hebben.
Het waren wandelende pakken bont. (Zie bladz. 95.)Het waren wandelende pakken bont. (Zie bladz.95.)
Het waren wandelende pakken bont. (Zie bladz.95.)
In den omtrek van den wagen lag alles onder een effen sneeuwtapijt bedolven. Geen enkele verhevenheid van den grond was meer te onderscheiden. Dit was nu niet langer het gevolg van de duisternis,want gedurende een paar uur liet zich thans aan den zuidelijken gezichteinder een grauw schijnsel zien, eene weerkaatsing van lichtstralen zonder warmte, die naarmate de voorjaars dag- en nachtevening naderkwam, duidelijker worden zou. Er bestond dus weder gelegenheid om een eind te loopen en op uitdrukkelijk bevel van Tchou-Tchoûk, was hun eerste gang naar zijn verblijf.
Er was nog geen verandering in de zienswijze van het opperhoofd der wilden gekomen en de gevangenen kregen opnieuw last binnen den kortst mogelijken tijd voor een losgeld van drieduizend roebels te zorgen, wanneer zij niet wilden dat Tchou-Tchoûk tot andere maatregelen zou overgaan.
—Hoor nu zoo’n schoelje eens aan, zeide Cascabel in zuiver fransch, waar hij overtuigd was dat de ander geen woord van verstond. Zoo’n driedubbele ezelskop! Zoo’n koning over uilskuikens!
Zoo hartelijk gemeend en zoo volkomen toepasselijk als deze liefelijkheden ook mochten zijn, de toestand werd er niet beter door. Het begon er zelfs bedenkelijk uittezien, nu de vorst van den Liakhoff-archipel met dwangmiddelen begon te dreigen.
Het was op dat oogenblik, onder dien invloed van verbeten en machtelooze woede, dat Cesar Cascabel op eenen inval kwam, zooals alleen het genie ze soms kan hebben. Van eenen man, die zich al door zooveel moeielijkheden heen had geslagen, viel trouwens niets minder te verwachten.
—Alle robben en walvisschen mogen mij opslikken, riep hij den volgenden ochtend op eens uit, als dàt mij niet gelukt! Met die domkoppen durf ik het te wagen!
Maar wat het was dat hem tot dezen triomfantelijken uitroep aanleiding gaf, verkoos Cascabel niet te zeggen. Hij openbaarde zijn geheim aan niemand, zelfs niet aan Cornelia of Sergius.
Het scheen een onmisbaar vereischte voor zijn plan te wezen dat hij zich duidelijk verstaanbaar in het russisch wist uittedrukken, welke taal door alle volksstammen in het Noorden van Siberië gesproken wordt. Het gevolg daarvan was, dat terwijl Kayette voortging zich in het fransch te oefenen onder de leiding van Jan, diens vader van zijnen vriend Sergius les wilde gaan nemen in het russisch. Een beter onderwijzer had hij zeker niet kunnen vinden.
Den 15denFebruari dus, op eene wandeling in den omtrek derSchoone Zwerfster, kwam hij met zijn verlangen om grondiger russisch te leeren voor den dag.
—Ziet gij, zeide hij tegen Sergius, wij zijn nu op weg naar Rusland, en het zal mij dus goed te pas komen als ik de taal vanhet land kan spreken, zoodat ik te Perm en te Nisjni niet met mijnen mond vol tanden behoef te staan.
—Dat is zeker, mijn waarde Cascabel, antwoordde Sergius. Maar gij verstaat reeds zooveel van onze taal, dat ge al bijna in staat zijt uzelf te helpen.
—Neen mijnheer Sergius, toch niet! Wel versta ik ten naasten bij wat er gezegd wordt, maar zelf ben ik nog niet in staat mij verstaanbaar uit te drukken. Zóó ver zou ik het willen brengen.
—Nu, als gij het wilt ben ik tot uwen dienst.
—Bovendien, al had het geen ander nut, is het altijd een goed tijdverdrijf.
Het verlangen van Cascabel was volkomen verklaarbaar en niemand toonde er zich dan ook verbaasd over.
Hij ging dus terstond met Sergius aan het werk en nam bij dezen een uur of drie per dag les, niet zoozeer om de taalregels als om de uitspraak ter dege machtig te worden. Dit was blijkbaar iets waar hij het meest aan hechtte.
Nu is het eene bekende zaak dat russen zeer gemakkelijk fransch leeren en het bijna zonder eenigen tongval uitspreken, maar het omgekeerde is het geval niet en voor franschen is het russisch in het geheel niet gemakkelijk. Het vorderde dus heel wat inspanning en oplettendheid van Cascabel, en deSchoone Zwerfsterweerklonk den ganschen dag van de stem- en spraakoefeningen waarmede hij zich onvermoeid bezig hield.
Hij had echter een natuurlijken aanleg om talen te leeren en bracht het er spoedig ver in, tot niet geringe bewondering van zijne omgeving.
Telkens nadat de les was afgeloopen begaf hij zich naar het strand, waar hij stellig wist dat niemand hem beluisteren kon, en daar, in de eenzaamheid, herhaalde hij een zeker aantal volzinnen, telkens op een anderen toon en met grooter nadruk, waarbij hij vooral de r’s liet rollen, zóó dat geen rus het hem had kunnen verbeteren. Dit viel hem trouwens niet moeielijk, want als kunstenmaker had hij zijn leven doorgebracht met in zijne moedertaal soortgelijke proeven van welsprekendheid af te leggen.
Soms ontmoette hij Ortik en Kirschef, die geen woord fransch verstonden. Dit was dan weder eene gewenschte gelegenheid om zich te oefenen en hij kreeg spoedig de zekerheid dat hij zich heel goed verstaanbaar wist te maken.
De twee matrozen kwamen nu meer dan vroeger in deSchoone Zwerfster, maar Kayette was nog altijd niet in staat zich te herinneren waar zij de stem van Kirschef, die haar bekend bleef voorkomen, vroeger had kunnen hooren.
Tusschen Ortik en Sergius werd voortdurend veel gesproken over de kansen om weg te komen. Cascabel nam nu meestal aan het gesprek deel, maar er werd niets voorgesteld dat bruikbaar was.
—Er zou toch misschien eene manier wezen waarover wij nog niet gedacht hebben, zeide Ortik op zekeren dag.
—Hoe dan? vroeg Sergius.
—Wanneer het open water is, antwoordde de ander, gebeurt het niet zelden dat er walvischvaarders langs de Liakhoff-eilanden komen varen. Zouden wij in dat geval geen sein kunnen geven, zóó dat zulk een schip hierheen kwam?
—De bemanning zou dan gevaar loopen evenals wij in handen van Tchou-Tchoûk te vallen en onze gevangenschap te moeten deelen zonder dat wij er iets bij wonnen, antwoordde Sergius. Die schepen zijn niet sterk genoeg bemand om met geweld iets tegen de inboorlingen te kunnen uitrichten.
—Bovendien, voegde Cascabel er bij, het duurt nog drie of vier maanden voór dat het open water kan zijn en zóó lang heb ik geen geduld meer.
Hij dacht een oogenblik na en vervolgde toen:
—Al slaagden wij er ook in aan boord van eenen walvischvaarder te komen, zelfs indien de brave Sjoe-Sjoe dat goedvond, dan zouden wij nog deSchoone Zwerfsterin den steek moeten laten.
—Ja, dat zou in dit geval niet anders kunnen, stemde Sergius toe.
—Niet anders kunnen! riep Cascabel uit. Ik zag nog liever...
—Weet gij dan misschien wat beters?
—Zoo vraagt men de boeren de kunst af!
Meer verkoos Cascabel niet te zeggen. Maar er flikkerde iets in zijne oogen en er speelde een glimlach om zijnen mond, die meer zeide dan duizend woorden.
Toen Cornelia dan ook vernam wat haar man geantwoord had, kon zij niet nalaten er het hare van te zeggen:
—Ge kunt er op aan dat Cesar iets in zijn hoofd heeft. Wat het zijn kan, weet ik niet. Maar van een man als hij, kunnen wij het onmogelijkste verwachten!
—Vader is zeker slimmer als mijnheer Tchou-Tchoûk, zeide Napoleona.
—Hebt ge wel opgemerkt, zeide Sander, dat hij hem sedert eenigen tijd een “beste kerel” noemt? Hij begint van hem te houden!
—Tenminste, als hij er niet juist het tegendeel mede bedoelt, bracht Kruidnagel in het midden.
Ondertusschen bracht Cascabel, in dit opzicht gelijk aan Demosthenes, die zich in de welsprekendheid oefende aan het strand derHelleensche zee, nog menig uur door met op geweldigen toon in het russisch het geraas der baren te overschreeuwen.
In de tweede helft van Februari werd het langzamerhand minder koud. Met de zuidelijke winden kwam er een zachtere luchtstroom over de eilanden strijken.
Er was dus nu geen tijd meer te verliezen. In de Behringstraat waren zij, tengevolge van het late invallen van den winter, door het dooiweder aan het drijven geraakt; zij moesten nu hun best doen om niet weder, als het eens vroeg zomer mocht worden, hetzelfde te ondervinden.
Indien Cascabel’s plan gelukte en hij Tchou-Tchoûk wist te bewegen hem met alles wat hij bij zich had te laten trekken, dan moest de tocht ook aangevangen worden op het tijdstip dat het ijsveld tusschen de Liakhoff-eilanden en de Siberische kust nog volkomen vast en veilig te berijden was. Wisten zij dan aan een goed stel rendieren te komen, dan kon dit gedeelte van de reis met deSchoone Zwerfsteronder vrij gunstige omstandigheden afgelegd worden, zonder dat zij gevaar liepen door het losraken van het ijs aan nieuwe teleurstellingen blootgesteld te worden.
—Zeg eens, mijn waarde Cascabel, vroeg Sergius op zekeren dag, denkt gij dat die oude schurk van een Tchou-Tchoûk u aan de noodige rendieren helpen zal, die gij niet kunt missen wanneer gij uwen wagen naar den overwal wilt brengen?
—Mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel deftig, Sjoe Sjoe is in het geheel geen oude schurk. Het is een beste, brave man, daar sta ik voor in. Als hij er dus in toestemt dat wij heengaan, dan zal hij ook goedvinden dat wij deSchoone Zwerfstermedenemen, en als hij dat goedvindt, dan kan hij niet anders dan een twintigtal rendieren tot onze beschikking stellen Wat zeg ik, twintig? Vijftig, honderd, duizend, als ik ze hebben wil!
—Ge hebt hem dus in uwe macht?
—Of ik Sjoe Sjoe in mijne macht heb? Zoo goed alsof ik de punt van zijn neus tusschen mijne vingers heb, mijnheer Sergius. En wat ik eenmaal beet heb, dat laat ik niet los!
Hij scheen volkomen zeker van zijne zaak en altijd vertoondezichdezelfde raadselachtige glimlach op zijn gelaat. Dien dag bracht hij zelfs met een innemend gebaar zijne hand aan zijnen mond en maakte hij een denkbeeldig compliment aan Zijne inlandsche Majesteit. Maar Sergius, begrijpende dat Cascabel over zijn denkbeeld niet in bijzonderheden verkoos te treden, was bescheiden genoeg daar niet verder naar te vragen.
De tijd was nu gekomen dat de eilandbewoners van het zachtereweder gebruik begonnen te maken om hunne gewone bezigheden te hervatten, zooals de jacht op vogels en de robbenvangst, waartoe op het ijsveld gelegenheid genoeg bestond. Ook werden de godsdienstige plechtigheden, die gedurende den tijd der felste koude gestaakt hadden moeten worden, weder aangevangen.
Des Vrijdags van iedere week stroomden de geloovigen naar de grot der gebeden, ter algemeene bijeenkomst. Vrijdag, moet men weten, is zooveel als de Zondag der Nieuw-Siberiërs. Maar op Vrijdag den 29stenFebruari—het jaar 1868 was een schrikkeljaar—zou er eene buitengewone groote processie gehouden worden.
Den avond te voren zeide Cascabel op een heel gewonen toon, vóór dat zij naar bed gingen:
—Morgen moeten wij ons gereed houden voor de plechtigheid in deVorspük, waar wij met onzen vriend Sjoe-Sjoe heengaan.
—Wat zegt ge Cesar? Wilt ge dat doen? vroeg Cornelia.
—Ik wil het.
Wat dit stellige bevel te beteekenen had, kon niemand gissen. Zou Cascabel het inlandsche opperhoofd willen verteederen door deel te nemen aan zijne kerkelijke vertooningen? Het viel niet te ontkennen dat Tchou-Tchoûk gaarne zag dat ook zijne gevangenen eerbied toonden voor zijne afgodsbeelden. Maar voor die monsters de knieën te buigen en het bijgeloof der inlanders te omhelzen, dat was toch heel iets anders en het leek niet waarschijnlijk dat Cascabel, ter wille van Zijne nieuw-Siberische Majesteit, zijn geloof zou afzweren. Wel foei!
Dit zou echter later wel aan het licht komen. Den volgenden ochtend vroeg was het geheele dorp in beweging. Het was mooi weer, dat wil zeggen dat het niet meer dan een graad of tien vroor. Ook was het nu weder iederen dag gedurende een uur of vier eenigszins helder en vertoonde de weerkaatsing der zonnestralen zich duidelijker aan de kim, in afwachting van het tijdstip dat zij zich daarboven zouden verheffen.
Alle dorpsbewoners waren uit hunne onderaardsche woningen te voorschijn gekomen. Groot en klein, mannen, vrouwen en kinderen hadden hun mooiste kleederen aan, jassen en rokken van robben vel, mantels van rendierenhuiden, met het haar naar buiten. Overal eene uitstalling van wit of zwart bont, van mutsen met valsche parelsnoeren, van veelkleurige borstlappen, van riemen die zij als sieraden om het voorhoofd gebonden droegen, van oorringen, armbanden en andere kleinoodiën, uit robbenbeenderen vervaardigd, die in hun neusbeentje bevestigd werden.
De eilandbewoners begonnen hunne gewone bezigheden te hervatten. (Zie bladz. 101.)De eilandbewoners begonnen hunne gewone bezigheden te hervatten. (Zie bladz.101.)
De eilandbewoners begonnen hunne gewone bezigheden te hervatten. (Zie bladz.101.)
Dit alles was echter nog niet mooi genoeg voor deze buitengewonegelegenheid. De voornaamsten van het dorp hadden andere sieraden noodig geacht, en de verschillende voorwerpen, die zij uit deSchoone Zwerfstergeroofd hadden, moesten daarvoor dienst doen.
Er waren er die een volledig kunstenmakerspak met linten en strikken aangehangen hadden. Sommigen droegen een van de mutsen of helmen van Kruidnagel. Anderen hadden zich opgeschikt met een bandelier of koord, waar de ringen aan bengelden die voor de gymnastische toeren gebruikt werden. Een paar droegen aan hunnen gordel de bollen en halters; maar het prachtigste sieraad van allen was dat van Tchou-Tchoûk, die een aneroïde-barometer, als het grootkruis eener Nieuw-Siberische ridderorde, op zijne borst liet slingeren.
Tevens werd er uit alle macht spektakel gemaakt met de muziekinstrumenten van den troep. De klephoorn trachtte de schuiftrompet te overschreeuwen en de roffeltrom deed zijn best om nog meer lawaai te maken dan de turksche.
Cornelia kon evenmin als hare kinderen hare ergernis bedwingen over dit oorverscheurende geraas en als zij gedurfd hadden, zouden zij de inlandsche toonkunstenaars terdege uitgefloten hebben, want, zeide Kruidnagel “ze blazen als walvisschen.”
Niemand zou het echter willen gelooven, maar het was toch zoo: Cesar Cascabel gaf de duidelijkste blijken van ingenomenheid met dit concert. Hij klapte in zijne handen, riep hoera en bravo en zeide met overtuiging:
—Ik sta werkelijk verbaasd over deze lieden! Zij hebben blijkbaar aanleg voor muziek en als zij een engagement bij onzen troep willen aannemen, dan sta ik er voor in dat zij een schitterend figuur op de kermis te Perm, en misschien later op die te Saint-Cloud zullen maken.
Begeleid door dit tumult, trok de stoet het geheele dorp door en begaven zij zich naar de gewijde plaats waar de afgodsbeelden gereed stonden om de hulde der geloovigen te ontvangen. Tchou-Tchoûk ging vooraan. Onmiddellijk achter hem volgden Cascabel, Sergius en de andere leden van hun gezelschap; daarna de twee russische matrozen. De geheele bevolking van Tourkef vormde het talrijkste gedeelte van den optocht.
Na eenigen tijd bleven zij allen stilstaan vóór de holte van de rots, waarbinnen de afgodsbeelden geschaard stonden, behangen met kostbare pelterijen en voor deze gelegenheid met frissche kleuren beschilderd.
Tchou-Tchoûk trad met opgeheven handen deVorspükbinnen. Driemaal boog hij het hoofd ter aarde; daarna legde hij zich platvoorover op een tapijt van rendierenvellen, dat op den grond was uitgespreid. Dat was, naar ’s lands gebruik, de manier van knielen.
Cascabel en allen die hem vergezelden volgden het voorbeeld van het opperhoofd. De geheele vergadering lag als door een tooverslag ter aarde.
Toen er een plechtig stilzwijgen heerschte, begon Tchou-Tchoûk, op half brommenden half zingenden toon, het woord te richten tot de drie voornaamste afgodsbeelden, die in statige onbewegelijkheid op de menigte schenen neer te zien.
Maar wat is dat? Daar antwoordt hem eene stem, een machtig, doordringend geluid, dat van achteren uit de diepte der grot schijnt te komen.
Welk een wonder! De stem komt uit den muil van het aan den rechterkant staande afgodsbeeld. In duidelijk verstaanbaar russisch laat zij deze woorden hooren:
“Ani sviati, éti innostrantzi Katori ote zapada prichli! Zatchéme ti ikhe podirjaïche?”
Hetgeen beteekent:
“Die vreemdelingen, welke uit het Westen gekomen zijn, zijn heilig! Waarom houdt gij hen gevangen?”
Bij het hooren dezer woorden, die alle inboorlingen duidelijk verstonden, maakte eene algemeene verbazing zich van hen meester.
Het was de eerste maal dat de goden van Nieuw-Siberië zich verwaardigden het woord tot de geloovigen te richten.
En andermaal liet eene stem zich hooren, ditmaal op bevelenden toon, komenden uit den muil van het grootste afgodsbeeld ter linkerzijde, en zeggende:
“Ja tibié prikajou étote arrestantof otpoustite. Tvoïe narode doljne dlia ikhe same balchoïe vajestvo imiète i nime addate vcié vieschtchi katori ou ikhe bouili vziati. Ja tabié prikajou ou siberskoïé beregou ikhe lioksché vosvratitcia.”
Drie volzinnen, welke aldus te vertalen zijn en die door Tchou-Tchoûk in het geheel niet misverstaan konden worden:
“Wij bevelen u deze gevangenen in vrijheid te stellen!
“Wij bevelen uw volk hen met den grootsten eerbied te behandelen en hun alles terug te geven wat hun ontnomen is!
“Wij bevelen u allen hen de reis naar het vasteland van Siberië zoo gemakkelijk mogelijk te maken!”
Thans was het geene verbazing meer, maar ontzetting die destem teweegbracht. Tchou-Tchoûk had zich op zijne knikkende knieën ten halve opgericht, met starende oogen en opengespalkten mond, de handen trillende naar boven geheven, een beeld van stommen schrik. Ook de andere inboorlingen waren opgerezen, niet wetende of zij opnieuw ter aarde zouden vallen of de vlucht nemen.
Daar nam ook het derde afgodsbeeld, dat in het midden stond, het woord. Zijne stem klonk hol en dreigend, vol onmiskenbaren toorn. Iedere lettergreep had een dreunenden naklank en de r’s die er in voorkwamen, ratelden als het geknetter van donderslagen.
Ziehier wat deze stem verkondigde, en ieder woord kwam als met het gewicht van eenen moker op de neergebogen hersenpan van Tchou-Tchoûk:
“Jesle ti take niè sdièlèle élote toje same diène, kakda èti sviati tchéloviéki boudoute jelaïte tchórte s’tvoïé oblacte!”
Hetgeen wil zeggen:
“Indien deze heilige mannen niet losgelaten worden, den dag waarop zij zulks verlangen zullen, zal onze toorn u en uwen stam treffen!”
Op dit oogenblik lag het opperhoofd met zijne onderdanen, verstijfd van schrik en rillende in al hunne ledematen, languit op den grond, terwijl Cesar Cascabel was opgerezen en zijne handen dankbaar naar de afgodsbeelden ophief als om hen te zegenen voor hunne genadige bescherming.
Intusschen hadden zijne reisgenooten werk om niet in eenen schaterlach uittebarsten en aldus de geheele vertooning te doen mislukken.
Het was eene eenvoudige buiksprekerskunst die deze bewonderenswaardige man, wiens gelijke men niet licht onder kunstenmakers vinden zal, bedacht had om Sjoe-Sjoe, dien besten, braven kerel, knollen voor citroenen te verkoopen.
Er was inderdaad niets meer noodig om de bijgeloovige inlanders beet te nemen. “Die mannen uit het Westen”—hoe kwam Cascabel aan deze vernuftige betiteling?—“die mannen uit het Westen zijn heilig; waarom houdt Tchou-Tchoûk hen gevangen?”
Welnu, Tchou-Tchoûk dacht er niet aan hen langer gevangen te houden! Zoo spoedig zij maar wilden zou hij hen laten trekken, en hij met zijne onderdanen zouden hun al de hulpvaardigheid bewijzen, verschuldigd aan vreemdelingen die zoo zichtbaar door hoogere machten beschermd werden!
Tchou-Tchouk had zich opgericht, een beeld van stommen schrik. (Zie bladz. 105.)Tchou-Tchouk had zich opgericht, een beeld van stommen schrik. (Zie bladz.105.)
Tchou-Tchouk had zich opgericht, een beeld van stommen schrik. (Zie bladz.105.)
Ortik en Kirschef, die niet vermoedden welk een meester Cascabelin het buikspreken was, konden hunne verbazing niet ontveinzen. Maar Kruidnagel riep vol geestdrift uit:
—Patroon, patroon, wat een genie!... Wat een slimmert!... Welk een man.... ten minste....
—Ten minste als het geen godheid is! voegde Cornelia er bij en zij boog zich voor haar man als ware hij inderdaad een afgodsbeeld.
De poets was gebakken. Het was gelukt, dank zij de onbegrijpelijke bijgeloovigheid dezer Noordsche eilandbewoners, welke alles overtreft wat iemand zich voor kan stellen. Die karaktertrek had Cascabel terdege opgemerkt en daardoor was hij op het denkbeeld gekomen om zijn buiksprekerstalent ten dienste van het algemeene belang aan te wenden.
Het spreekt van zelf dat Cascabel en zijne reisgenooten met al de eerbewijzingen, verschuldigd aan personen die onder de hooge bescherming der goden stonden, huiswaarts werden geleid. Tchou-Tchoûk was onuitputtelijk in betuigingen van eerbied, waarmede eene goede hoeveelheid angst gemengd was. Het scheelde niet veel of hij zou voor ieder lid der familie Cascabel op zijne knieën gevallen zijn, zoo goed als voor het machtigste afgodsbeeld. Hoe hadden trouwens de onwetende bewoners van Tourkef kunnen vermoeden dat zij beetgenomen werden door eenen grappenmaker? Zij konden niet twijfelen, het moesten wel de goden in deVorspükwezen, die hunne dreigende stemmen hadden doen hooren. Het was wel ter dege hun tot dusver stom gebleven snavel die deze bevelen, in goed verstaanbaar russisch, had afgekondigd. Bovendien waren zij er in zeker opzicht op voorbereid. Jako, de papegaai in deSchoone Zwerfster, praatte immers ook? Dat had toch ook niemand ooit gehoord, dat een vogel spreken kon. Even goed als dat vreemd-gevederde gedierte moesten hunne afgodsbeelden, die immers ook vogelenkoppen hadden, zich verstaanbaar kunnen maken.
Van dat oogenblik af konden Sergius, Cascabel en de anderen, de beide russische matrozen er onder begrepen, die door hen werden opgeeischt, zich als in vrijheid beschouwen. De winter was bijna voorbij en het weder begon dragelijk te worden, zoodat onze schipbreukelingen besloten hun vertrek van de Liakhoff-eilanden niet lang meer uit te stellen. Niet dat zij eene verandering in de gezindheid der inboorlingen te duchten hadden: daarvoor waren deze veel te goed “ingepakt.” Sjoe-Sjoe was nu de vertrouwdste vriend van Cascabel geworden; hij zou zijne schoenen gepoetst hebben als dat van hem verlangd was geworden. Natuurlijk had de brave man zich gehaast alles, wat uit deSchoone Zwerfstergeroofd was, terugte doen geven en hijzelf kwam, eerbiedig deknieënbuigende, Cascabel den barometer aanbieden dien hij nog altijd als een kommandeurskruis om zijnen hals droeg. Cascabel had zich toen verwaardigd hem de hand toe te steken en Tchou-Tchoûk had die onderdanig gekust, als eene hand die in staat was den bliksem te slingeren en den storm los te laten.
Kortom, op den 8stenMaart was alles voor het vertrek gereed. Cascabel had een twintigtal rendieren aangevraagd om zijnen wagen te trekken en zijn vorstelijke vriend had hem er terstond honderd aangeboden, maar Cascabel bedankte daarvoor en hield zich aan het eerstgenoemde cijfer. Alleen vroeg hij nog om het noodige voeder voor de beesten gedurende den tocht over het ijsveld.
Des morgens van den genoemden dag namen dus Sergius, de familie Cascabel en de twee russische matrozen van de bewoners van Tourkef afscheid. Het geheele dorp was uitgeloopen om hen te zien vertrekken en hun goede reis te wenschen.
De “brave Sjoe-Sjoe” stond vooraan in het eerste gelid, heelemaal ontroerd en aangedaan. Cascabel ging naar hem toe, klopte hem vriendschappelijk op den buik en voegde hem in het fransch deze welwillende woorden toe:
—Goeden dag, oude stommeling!
Die vertrouwelijke afscheidsgroet deed het opperhoofd nog weder rijzen in het ontzag zijner onderdanen.
Tien dagen daarna, den 18denMaart, had deSchoone Zwerfster, zonder gevaren ontmoet en zonder groote vermoeienissen doorgestaan te hebben, de ijsvlakte tusschen den Liakhoff-Archipel en de Siberische kust achter den rug en kwam zij vóór de monding van de Lena-rivier op het vasteland aan.
Na zoovele ontmoetingen en gevaren doorgestaan, na zulke lotswisselingen doorleefd te hebben sedert hun vertrek uit Port-Clarence, hadden onze zwervers eindelijk het Aziatische strand bereikt.
VIII.Het land der Jakoeten.Het oorspronkelijke reisplan, zooals het vastgesteld was om van de Behringstraat naar de europeesche grens te komen, had natuurlijk eene wijziging moeten ondergaan tengevolge eerst van het afdrijven onzer karavaan en daarna van hare overwintering op Nieuw-Siberië. Er viel thans niet meer te denken aan eene reis door de zuidelijke streken van Siberië. Er bestond bovendien alle kans op goed weder, zoodat er ook geene aanleiding meer was om zich in de eene of andere bewoonde plaats een tijd lang op te houden. Alles wat er in den laatsten tijd gebeurd was had ten slotte tot eene even onverwachte als gunstige uitkomst geleid.Hetgeen thans in de eerste plaats bepaald moest worden, was de richting die zij moesten volgen om langs den kortsten weg het Oeralgebergte te bereiken, dat de grens vormt tusschen Aziatisch en Europeesch Rusland. Om hierover na te denken wilde Sergius den tijd besteden die er nog verloopen moest vóór dat zij de legerplaats verlaten zouden welke zij voorloopig op het strand hadden uitgekozen.Het was stil en helder weder. De dagen duurden, in dezen tijd der dag- en nachtevening, langer dan elf uren en werden nog verlengd door de ochtend- en de avondschemering, welke op deze breedte van zeventig graden bijzonder lang aanhouden.De karavaan bestond nu uit tien personen, want ook Kirschefen Ortik waren er bij opgenomen. Wel voelde niemand zich bijzonder tot de beide russen aangetrokken, maar zij maakten niettemin deel uit van het reisgezelschap derSchoone Zwerfster, zij zaten mede aan tafel en sliepen zelfs in den wagen zoo lang het nog te koud was om de nachten onder den blooten hemel door te brengen.De thermometerstand bleef gemiddeld enkele graden beneden het vriespunt, hetgeen thans weder gemakkelijk waar te nemen viel nu de vriendelijke Tchou-Tchoûk het instrument aan zijn rechtmatigen eigenaar teruggegeven had. De grond lag zoover het gezicht reikte bedekt met sneeuw, welke echter binnen korten tijd onder de stralen der Aprilzon zou gaan smelten. De sneeuwkorst was vlak en hard als de met gras begroeide bodem der steppen, en de kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken.Om de beesten te voederen was de voorraad hooi, dien de inboorlingen medegegeven hadden, voldoende geweest sedert hun vertrek van Kotelnyi tot aan de Lena-baai. Van hier af zouden de rendieren zelven hun voedsel weder kunnen vinden, want zij weten het mos en de heesterbladen, waar de grond van Siberië bijna overal mede bedekt is, zeer goed onder de sneeuw van daan op te snuffelen. Ook valt hierbij nog te vermelden dat dit trekvee zich gedurende den overtocht zeer gewillig had getoond, zoodat Kruidnagel niet de minste moeite had gehad om de beesten voort te krijgen.Ook voor de reizigers was leeftocht genoeg voorhanden, want de voorraad ingemaakte spijzen, meel, vet, thee, buskruit en brandewijn, dien deSchoone Zwerfsterhad medegenomen, was nog niet uitgeput. Ook had Cornelia bovendien eene zekere hoeveelheid opgedaan van eene soort van boter, die de inboorlingen weten te bereiden, in berkenhouten doosjes, welke hun vriend Tchou-Tchoûk hun had medegegeven. Zoodra zij er gelegenheid toe vonden moesten zij echter in de eene of andere bewoonde plaats hunnen voorraad petroleum aanvullen. Voor het overige kon de jacht hen weder spoedig van versch wild voorzien en de bedrevenheid van Sergius en Jan zou, even als te voren, voor de keuken menigmaal veel waard kunnen wezen.De twee russische matrozen stelden zich beschikbaar voor allerlei nuttige diensten. Zij verzekerden dat zij in een gedeelte van noordelijk Siberië goed bekend waren en boden aan als gidsen de karavaan te vergezellen.Hierover werd denzelfden dag eene algemeene beraadslaging gehouden.—Aangezien gij reeds vroeger in dit land gereisd hebt, zeide Sergius tegen Ortik, kunt gij er ons den weg wijzen.De kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken. (Zie bladz. 110.)De kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken. (Zie bladz.110.)—Dat is wel het minste wat wij voor u doen kunnen, antwoordde Ortik, nu wij onze vrijheid aan mijnheer Cascabel te danken hebben.—Aan mij? vroeg Cascabel. In het geheel niet. Alleen mijn buik, die van de natuur de kunst van praten gekregen heeft, zijt gij dank schuldig.—Welke richting zoudt gij ons aanraden te volgen Ortik, vroeg Sergius weder, wanneer wij hier uit de Lena-baai opbreken?—De kortste weg is de beste, mijnheer Sergius, als gij dat goedvindt. Deze heeft wel het nadeel dat wij de voornaamste steden van dit land, die meer zuidelijk gelegen zijn, laten liggen, maar daarentegen brengt hij ons het spoedigst naar het Oeral-gebergte. Bovendien zijn er dorpen genoeg in deze richting, waar wij het noodige aanschaffen en ook verblijf houden kunnen, indien dit gewenscht mocht wezen.—Waartoe zou dat dienen? viel Cascabel hem in de rede. Wij hebben in geen dorpen te maken. De hoofdzaak is dat wij geen tijd verliezen en met spoed vooruitkomen. De streek waar wij doorheenkomen, is immers niet onveilig?—In het minst niet, antwoordde Ortik.—Bovendien zijn wij met ons allen heel wat mans en indien er bandieten mochten zijn die iets tegen deSchoone Zwerfsterwilden ondernemen, kunnen zij op eene meer dan hartelijke ontvangst staat maken.—Stel u gerust mijnheer Cascabel, gij hebt niets te vreezen, verzekerde Kirschef.Onze lezers zullen reeds opgemerkt hebben dat die Kirschef slechts zelden een woord sprak. Hij toonde zich weinig gezellig, somber en stilzwijgend en liet zijn kameraad meest het woord voeren. Ortik was blijkbaar veel schranderder dan hij. Deze toonde in vele zaken een goed oordeel, hetgeen Sergius reeds lang had opgemerkt.Ook de richting die Ortik thans op wilde gaan, was zeer aanbevelenswaardig. De groote steden te mijden, waar zij kans hadden militaire bezetting te ontmoeten, scheen voor graaf Narkine het meest wenschelijk, terwijl het tegelijkertijd in den geest viel van de beide zoogenaamde matrozen. Naarmate zij echter dichter bij de grens kwamen, zou het moeilijker worden de steden van eenige beteekenis te laten liggen en voor dat geval zouden zij dan ook eenige voorzorgen dienen te nemen. Zoo ver waren zij echter vooreerst nog niet en in de dorpen op de steppen liepen zij weinig of geen gevaar.Toen zij het over de richting van hunnen tocht eens waren, moesten zij alleen nog hunnen weg bepalen door de provinciën heen,welke zij van de Lena-rivier tot het Oeral-gebergte dwars moesten doorsnijden.Jan haalde dus uit zijnen atlas de kaarten van noordelijk Siberië voor den dag en Sergius nam dit terrein terdege op, waar de Siberische groote rivieren, in stede van eene reis uit het Oosten naar het Westen gemakkelijker te maken, daarentegen groote hinderpalen in hunnen weg konden leggen. Na overleg, werd er tot het volgende besloten:1o. Het Jakoeten-land, waar slechts weinige dorpen gevonden worden, in zuidwestelijke richting doortrekken.2o. In deze richting eerst het gebied van de Lena-rivier doorsnijden, daarna dat van de Anabara-rivier, vervolgens dat van de Khatanga, de Jenisei- en de Obi-rivier, te zamen eenen afstand van ongeveer zevenhonderdvijftig mijlen.3o. Van het Obi-gebied naar het Oeral-gebergte trekken, zijnde honderdvijfentwintig mijlen tot aan de europeesche grens.4o. Eindelijk van het Oeral-gebergte tot Perm, dat is weder een honderdtal mijlen, altijd naar het zuidwesten.Te zamen dus ten naasten bij duizend mijlen.Indien zij geen oponthoud op deze reis ondervonden, indien er geen noodzakelijkheid bestond om op de eene of andere bewoonde plaats te vertoeven, kon de geheele afstand in minder dan vier maanden tijds afgelegd worden. Daarbij werd dan gerekend op zeven of acht mijlen per dag, hetgeen van de rendieren niet te veel gevergd was en zij zouden naar deze berekening met deSchoone Zwerfsterin den loop der maand Juli eerst te Perm en vervolgens te Nisjni aankomen, op het tijdstip dat de beroemde kermissen dier plaatsen in vollen gang zouden zijn.—Gaat gij tot Perm met ons mede? vroeg Sergius aan Ortik.—Dat denk ik niet, antwoordde deze. Zoodra wij de grens achter den rug hebben, zijn wij voornemens onzen weg naar St. Petersburg te nemen om van daar naar Riga terug te keeren.—Dit is van later zorg, meende Cascabel. Eerst moeten wij maken dat wij over de grens komen.Zij hadden afgesproken dat er vierentwintig uren rust gehouden zou worden, zoodra zij zich op het vasteland bevonden. Na hun voorspoedigen tocht over het ijsveld was dit oponthoud noodzakelijk. Dien dag gingen zij dus niet verder.De Lena-rivier stort zich in de golf van dien naam, na een net van vertakkingen en armen te hebben doorloopen. De geheele lengte van deze prachtige rivier, die een aantal kleinere stroomen in haren loop opneemt, bedraagt vijftienhonderd mijlen, van harenoorsprong tot waar zij hare wateren met die der IJszee vermengt. Het gebied dat zij besproeit, wordt gerekend niet minder dan honderdvijf millioenen hectaren te bedragen.Na eene grondige studie van de kaart gemaakt te hebben, kwam Sergius tot de slotsom dat het best zou zijn de kustlijn der baai vooreerst te volgen, teneinde niet in de vele vertakkingen van de Lena verward te raken. Wel lag het water nog toegevroren, maar het zou desniettemin een waagstuk geweest zijn, zich te midden van dit net van waterwegen te begeven, want de ijsschotsen lagen op vele plaatsen tot eene aanmerkelijke hoogte op elkaar gekruid en vormden ware ijsbergen, zeer schilderachtig om te zien, maar hoogst moeilijk om er over heen te komen.Aan de andere zijde der baai nam de uitgestrekte steppenvlakte eenen aanvang, waar slechts hier en daar eenige heuvels zich verhieven en waar de tocht geene moeilijkheden kon opleveren.Het was duidelijk dat Ortik en Kirschef aan het reizen in dit klimaat gewend waren. De anderen hadden dit reeds opgemerkt bij den tocht over het ijsveld van den Liakhoff-archipel naar de kust van Siberië. De twee matrozen hadden er slag van om eene legerplaats te vinden en desnoods eene stevige hut in het ijs te maken, ook kenden zij het kunstje van de visschers langs de kust, die nat geworden kleederen droog weten te krijgen door ze onder de sneeuw te stoppen, waar al de vochtigheid uit het goed in opgezogen wordt. Een blok bevroren rivierwater wisten zij op het eerste gezicht te onderscheiden van het ijs uit zeewater gevormd. De verschillende manieren waarop de karavanen in het Noorden hare tochten door de ijs- en sneeuwwoestijn afleggen, waren hun ook goed bekend.Dien avond, nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, liep het gesprek over de aardrijkskundige gesteldheid van noordelijk Siberië en bij deze gelegenheid vertelde Ortik hoe het gekomen was dat hij en Kirschef reeds vroeger in dit land gereisd hadden.Sergius deed hun namelijk deze vraag:—Wat was toch de oorzaak dat een paar zeelieden, zooals gij beiden, zulk eene groote reis over land moesten maken?—Dat zal ik u zeggen, mijnheer Sergius, was het antwoord. Twee jaar geleden zijn Kirschef en ik met nog een tiental andere matrozen te Archangel geweest, waar wij op walvischvaarders wilden aanmonsteren. Daar werden wij aangezocht om naar een schip te gaan, dat in eene der mondingen van de Lena tusschen het ijs beklemd zat. Op die reis van Archangel naar de Lena-baai hebben wij het noordelijke gedeelte van Siberië doorgereisd. Nadatwij aan boord van deSeraski—zoo heette het schip—gekomen waren, hebben wij het vlot gebracht en zijn wij er mede op de walvischvangst gegaan. Maar zooals ik u reeds vroeger verhaald heb, deSeraskiis met man en muis vergaan en alleen Kirschef en ik zijn van de bemanning overgebleven. Door stormweer zijn wij toen naar de Liakhoff-eilanden afgedreven en daar hebben wij u allen ontmoet.—Zijt gij dan nooit in Alaska geweest? vroeg Kayette, die zooals men weet russisch sprak en verstond.—Alaska? vroeg Ortik. Is dat niet ergens in Amerika?—Ja, antwoordde Sergius. Alaska ligt in het Noordoostelijkste gedeelte van Noord-Amerika en het is het geboorteland van Kayette. Zijt gij op uwe omzwervingen daar nooit geweest?—Wij hebben van dat land nooit hooren spreken, zeide Ortik op den natuurlijksten toon van de wereld.—Wij zijn ook nooit verder dan de Behringstraat geweest, voegde Kirschef er bij.Ook nu maakte de stem van dezen op Kayette denzelfden indruk als anders, zonder dat zij zich echter wist te herinneren waar zij die vroeger gehoord kon hebben. Het kon niet anders zijn dan in een van de districten van Alaska, want zij zelve was nooit buiten haar vaderland geweest.Na de stellige ontkentenis van Ortik en Kirschef, deed Kayette, met de bescheidenheid die aan de lieden van haren stam meestal eigen is, dan ook geen verdere vragen meer. Maar zij kon toch eene zekere verwondering niet van zich zetten, die tegenover de twee matrozen onwillekeurig een karakter van wantrouwen aannam.Gedurende het oponthoud van een etmaal hadden de rendieren de noodige rust kunnen nemen. Hunne voorpooten waren met touwen vastgebonden, doch niet zóó nauw dat hun dit belette in den omtrek der legerplaats te zwerven en het struikgewas afteknagen of het mos, dat onder de sneeuw bedolven lag, op te snuffelen.Den 20steMaart ging de karavaan te acht uur des morgens op weg. Het was droog, helder weder, met eene frissche koelte uit het noord-oosten. De steppe strekte zich uit zoo ver het oog reikte, als een blank sneeuwveld dat nog hard genoeg was om er met gemak op te rijden. De twintig rendieren werden bij vieren aangespannen, op vijf rijen dus, met behulp van een goed ingericht stel leidsels, die aan den eenen kant door Ortik en aan den anderen door Kruidnagel in de hand gehouden werden.Gedurende zes dagen werd de reis op deze manier voortgezet zonder dat er iets voorviel dat verteld verdient te worden. Sergiusen Cascabel met Jan en Sander gingen meestal te voet tot dat het nachtkwartier betrokken werd, en Cornelia met Napoleona en Kayette hielden hen gezelschap zoo dikwijls de huishoudelijke werkzaamheden haar niet bezig hielden.Iederen voormiddag legde deSchoone Zwerfsterongeveer eenKoesaf, dat is een russische lengtemaat, gelijk staande met twintig wersten of twee en een halve mijl. In den namiddag werd dezelfde afstand nog eens gemaakt, altijd in westelijke richting, zoodat zij elken dag ruim vijf mijlen vooruit kwamen.Den 29stenMaart trokken zij het riviertje Olenek over, dat nog toegevroren lag en denzelfden dag kwamen Cascabel en zijne reisgenooten in het vlek Maksimova, twee en veertig mijlen zuidoostelijk van het strand derLena-baai.Er bestond niet het minste bezwaar tegen dat Sergius een etmaal in dit plaatsje vertoefde, dat in het noordelijkste uiteinde der steppe als verloren ligt. Er bevond zich geen gezaghebber of geen kozakken-garnizoen, die op de gedachte hadden kunnen komen om graaf Narkine met vragen lastig te vallen.Zij waren hier midden in het land der Jakoeten en de familie Cascabel werd door de bewoners van Maksimova gastvrij ontvangen.Het oostelijke en zuidelijke gedeelte van dit gewest is berg- en boschachtig, maar in het noorden worden niets dan effen vlakten aangetroffen, welke hier en daar met groepen boomen bezet zijn, die nu, onder den invloed van den naderenden zomer, spoedig zouden uitloopen. Er is een overvloed van wild, hetgeen veroorzaakt wordt door dat het klimaat in noordelijk Siberië, van eene felle koude in den winter, tot eene gloeiende hitte in de zomermaanden afwisselt.De Jakoeten-bevolking telt ongeveer honderdduizend zielen, allen belijders van den griekschen godsdienst. Het zijn godvreezende en gastvrije lieden; hunne zeden zijn zuiver en zij zijn even dankbaar voor de weldaden der Voorzienigheid als gelaten te midden der harde ontberingen die hen door het barre klimaat soms worden opgelegd.Op de reis van den mond der Lena naar dit plaatsje hadden zij ook eenige Siberiërs ontmoet die tot een nomadenstam behoorden. Het waren stevig gebouwde lieden, middelmatig van lengte, met platte gezichten, zwarte oogen, weligen haartooi en zonder baard of knevel. Te Maksimova zagen de inwoners er even zoo uit; het zijn vriendelijke arbeidzame, schrandere en bedaarde menschen, die zich niet gemakkelijk iets wijs laten maken.De Jakoeten die een zwervend leven leiden, zitten bijna altijd tepaard en zijn nooit ongewapend; zij zijn eigenaars van kudden die in grooten getale over de steppen rondzwerven. Die welke in huizen in de dorpen of stadjes bijeenwonen, houden zich voornamelijk bezig met de vischvangst, welke in de menigte beken en waterloopen, die zich in de groote rivier uitstorten, overvloedigen buit oplevert.De Jakoeten hebben dus vele maatschappelijke en huiselijke deugden; alleen zijn zij hartstochtelijke tabakrookers en bovendien—wat erger is—aan het misbruik van brandewijn en andere sterke dranken veeltijds verslaafd.—Tot zekere hoogte is dit hun echter niet kwalijk te nemen, merkte Jan op. Drie maanden van het jaar hebben zij niets dan water om te drinken en pijnboomschors om op te knabbelen.—Wat zegt gij, hebben ze dan niet eens brood? vroeg Kruidnagel, die zich zoo iets niet kon voorstellen.—Neen, niets dan de bast van denneboomen. Na zulk eenen tijd van ontbering is het hun bijna te vergeven dat zij zich soms te buiten gaan.De nomadische Jakoeten wonen inyourten, dat zijn kegelvormige tenten van witte stof. De huizen der anderen zijn gewoonlijk van hout gebouwd en verschillend van vorm en inrichting naarmate van ieders smaak. Deze huizen worden zorgvuldig onderhouden en hebben steile, puntige daken, zoodat de smeltende sneeuw in April, als de zonnestralen kracht krijgen, er gemakkelijk afvalt. Het stadje Maksimova ziet er dan ook vriendelijk uit. De mannen hebben een gunstig voorkomen, openhartig, met eene oprechte uitdrukking in de oogen, gepaard met zekere fierheid. De vrouwen zien er niet onaardig uit, sommige zijn zelfs mooi, al is haar gelaat getatoueerd, zij zijn zeer ingetogen en streng van zeden; zij vertoonen zich nooit blootshoofds of zonder schoenen aan hare voeten.Onze reizigers werden door de Jakoeten-hoofden voorkomend ontvangen. Deze mannen wordenkïnoesgenaamd, terwijl de oudsten, of de aanzienlijksten van het dorpStarsynasgeheeten worden. De gastvrije lieden betwistten elkander het voorrecht van de vreemdelingen te herbergen en te onthalen, maar Cornelia wilde niets aannemen zonder betaling. Op deze voorwaarde sloeg zij ook een goeden voorraad petroleum in, die tevens als brandstof voor het keukenfornuis gebruikt kon worden.DeSchoone Zwerfstermaakte ook hier weder, evenals gewoonlijk, veel opzien, want nog nooit te voren was er een kunstenmakerswagen in dit land gezien. Een aantal Jakoeten van beiderlei geslacht kwamen het wonder aanschouwen en er gebeurde niets datreden had kunnen geven om daar spijt van te hebben. Diefstallen worden in dit land zelden bedreven, zelfs niet ten nadeele van reizigers, maar wanneer ze voorkomen, volgt de straf in den regel op het misdrijf. Wordt de schuld van den dader bewezen, dan wordt hij in het openbaar met roeden gegeeseld en op die lichamelijke kastijding volgt nog eene zedelijke straf, want hij is voor zijn leven geschandvlekt, wordt van zijne burgerlijke rechten vervallen verklaard en krijgt nimmer den naam van een eerlijk man terug.Den 3deApril kwam onze karavaan aan den oever van de Oden, eene kleine rivier, die na eenen afstand van vijftig mijlen te hebben afgelegd, in den zeeboezem van Anabara uitloopt.Het weder was tot dusver zeer gunstig geweest, doch er kwam nu eenige verandering; het begon spoedig zwaar te regenen en het eerste gevolg daarvan was het smelten van de sneeuw. Dat duurde een dag of acht. Gedurende dien tijd raakte de wagen herhaaldelijk in den modder vast en zonk ettelijke malen zoo diep weg, dat de toestand, als de weg over een moerassig terrein liep, niet zonder gevaar genoemd kon worden. Dit waren de voorboden van de lente, welke op deze hooge breedte eene temperatuur medebrengt van een graad of drie boven het vriespunt.Dit eind weegs was hoogst vermoeiend. De hulp van de twee russische matrozen, wier gedienstigheid en ijver inderdaad niets te wenschen overlieten, kwam hier dikwijls goed te pas.Den 8stenApril had deSchoone Zwerfsternagenoeg veertig mijlen sedert Maksimova afgelegd en kwam zij op den rechteroever van de Anabara-rivier.Er bestond nog mogelijkheid om over het ijs de overzijde te bereiken, maar meer benedenstrooms was de dooi reeds begonnen. De ijsblokken, die met vaart naar de monding der rivier dreven, stortten met groot geweld op en over elkander. Waren zij eene week later gekomen, dan zouden zij eene doorwaadbare plaats hebben moeten zoeken, hetgeen niet gemakkelijk ware geweest, want met het smelten der sneeuw stegen de rivieren binnen korten tijd aanmerkelijk.De steppe begon reeds een groenachtig waas te vertoonen door het ontspruiten der jonge grasplantjes, die voor de rendieren eene ware lekkernij waren. Aan de heesters vertoonden zich knoppen; nog een dag of wat en de eerste blaadjes zouden zich aan de takken beginnen te ontplooien. Het ontwakende leven gaf aan de magere geraamten der boomen, die door de winterkoude een aanzien gekregen hadden alsof zij dood waren, een heel ander uiterlijk.Dit eind was hoogst vermoeiend. (Zie blz. 118.)Dit eind was hoogst vermoeiend.(Zie blz.118.)Hier en daar stonden berke- en lorkeboomen in groepjes bijelkaar, die onder de voorjaarskoelte heen en weder wiegelden. De geheele Noordsche natuur, zoo bar en doodsch, kreeg nieuw leven onder den bezielenden adem der zon.De streken van Siberië welke het verst van de kust verwijderd liggen, zijn het dichtst bevolkt. Enkele malen ontmoetten onze reizigers eenen ontvanger, die van dorp tot dorp trok om de belastingen op te halen. Dan werd er eenige oogenblikken halt gemaakt ten einde met dien ambtenaar een praatje te houden; hij nam zonder plichtplegingen het hem aangeboden glasvodkaaan, en vervolgens werd van weerskanten de reis hervat.Op zekeren dag kruiste de weg, dien deSchoone Zwerfstervolgde, dien van eenen troep gevangenen. Deze ongelukkigen waren bestemd naar de zoutpannen op de oostelijkste grenzen van Siberië; een detachement kozakken begeleidde hen, en aan mishandelingen lieten deze ruwe geleiders het niet ontbreken. Natuurlijk had de aanvoerder van het geleide geen enkele aanleiding om Sergius met vragen lastig te vallen; maar Kayette, die nog niet van haar wantrouwen tegenover de russische matrozen genezen was, meende op te merken dat deze hun best deden om buiten het gezicht der Kozakken te blijven.Den 19denApril had deSchoone Zwerfstervijf en zeventig mijlen afgelegd en hield zij halt op den rechteroever der Khatanga, welke rivier zich in de golf van dien naam ontlast. Ditmaal was er geen ijsbrug te vinden, die dienst kon doen om den wagen naar den overkant te doen komen. Eenige afdrijvende ijsschotsen gaven blijk dat de dooi bijna haar werk volbracht had. Zij waren nu verplicht den stroom te doorwaden, hetgeen een heel oponthoud had kunnen veroorzaken indien Ortik er niet geweest was om eene goede plaats te wijzen. Hij vond die eene halve werst hooger op, doch de overtocht ging met vrij wat moeielijkheid gepaard, want de wagen ging tot aan de assen der wielen door het water. Aan den overkant gekomen, werd de reis terstond voortgezet, en vijf en twintig mijlen verderop sloegen de reizigers hun leger op aan den oever van het Jege-meer.Welk eene tegenstelling leverde dit op met den eentonigen aanblik der steppe! Het was als eene oase te midden der zandwoestijn van Sahara. Men stelle zich een helderen waterspiegel voor, omringd door het altijddurende groen van pijn- en denneboomen, door verschillende heesters prijkende met hun versch loof, door mirtenbeziën met purpere vruchten, zwarte en roodachtige aalbessenboompjes en wilde rozelaars, die ook reeds onder den zachten invloed der lente met bloemen getooid begonnen te worden.Het was als eene oase. (Zie blz. 120.)Het was als eene oase. (Zie blz.120.)Ten Oosten en ten Westen strekten tamelijk uitgestrekte wouden zich uit, te midden waarvan Wagram en Marengo zonder twijfel het een of andere wild konden opjagen indien het hun vergund werd daarin een paar uren te gaan snuffelen.Ook op het water vertoonden zich troepen ganzen, eenden en wilde zwanen, terwijl vluchten kraanvogels en ooievaars, die uit de streken van Midden-Azië kwamen, met lange vleugelslagen de lucht doorkliefden. Onze reizigers hadden volgaarne door handgeklap hunne vreugde over dit ongewone schouwspel aan den dag gelegd.Op voorstel van Sergius werd er besloten hier twee etmalen rust te houden. Aan het uiteinde van het meer, in het lommer van hooge dennen, werd de legerplaats gekozen en in orde gebracht.De jagers van het gezelschap voorzagen zich nu van hunne geweren en gingen er op uit, van Wagram vergezeld, nadat zij beloofd hadden niet te ver af te dwalen. Het duurde geen kwartier of hunne schoten knalden door de lucht.Dien tijd besloten Cascabel, Sander, Ortik en Kirschef te gebruiken om hun geluk met den hengel te beproeven. Zij hadden niets dan eenen voorraad kunst-aas, dien zij van de bewoners van Port-Clarence hadden gekocht, doch met deze gebrekkige hulpmiddelen kan een geoefend visscher, die deze groote kunst verstaat en de manier weet om in slimheid met eenen visch te wedijveren, als hij geduld genoeg heeft om te wachten tot het dier zich verwaardigt te bijten, buit genoeg opdoen.Geduld hadden zij echter bij deze gelegenheid niet veel noodig, want de hengelsnoeren waren ternauwernood tot op de vereischte diepte gezonken of het water werd door de bijtlustige visschen in beweging gebracht. Er was zulk een overvloed dat zij in een halven dag genoeg hadden kunnen vangen om er een paar weken van te leven. Dat was juist een kolfje naar Sander’s hand en toen Napoleona, zijn zusje, kwam vragen om ook den hengel eens te mogen houden, verkoos hij dit niet toetelaten, zoodat zij samen twist kregen en Cornelia tusschen beide komen moest. Deze vond echter dat er visch genoeg gevangen was, waarom zij haren man en de kinderen gelastte het vischtuig optebergen. Als moeder Cascabel het een of ander bepaald verkoos, dan dacht niemand er aan zich te verzetten.Twee uren later kwamen ook Sergius en Jan terug, op eenigen afstand gevolgd door Wagram, wien de jacht veel te vroeg eindigde, want dolgraag had hij nog in deze wildrijke bosschen eene poos huis gehouden.De jagers waren even gelukkig geweest als de visschers, zoodatde dagelijksche disch een tijdlang vol afwisseling en altijd smakelijk beloofde te zijn. De visschen uit het meer Jege lieten zich best gebruiken, maar het wild, dat in deze noordelijke streken van Siberië bijzonder uitmunt, spande toch de kroon.De fijnste soorten die de jagers onder het lood gekregen hadden, waren eenige troepjes “karallys”, die in vluchten bij elkaar vliegen, alsmede een koppel of wat “dikouta’s” een dom soort van vogels, kleiner dan korhoenders, maar bijzonder smakelijk van vleesch.Ieder kan zich voorstellen welk een feestmaal er dien dag werd aangericht. De tafel was onder de boomen gedekt en niemand der aanzittenden voelde er iets van dat het voor een festijn in de open lucht wel wat koud was. Cornelia had zichzelve overtroffen in het bakken van de visch en het braden van het gevogelte. In het vorige dorp was de voorraad meel aangevuld en hadden zij opnieuw Jakoeten-boter aangeschaft, zoodat al het noodige aanwezig was voor het bakken van eene goudgele taart, met knappende korst, die op het dessert te voorschijn kwam. Eenige teugen brandewijn spoelden deze traktatie door, waartoe de winkels te Maksimova het noodige geleverd hadden, en het einde van dezen vreugdevollen dag liet niets te wenschen over.Het scheen waarlijk alsof de tijd der beproevingen voorbij was en alsof de familie Cascabel hare avontuurlijke reis voordeelig en voorspoedig ten einde zou brengen.Ook den volgenden dag werd er rust gehouden en de rendieren maakten daar gebruik van om op hunne manier zich te goed te doen.Den 21stenApril ging deSchoone Zwerfsterdes ochtends te zes uur op reis. Vier dagen daarna bereikte zij de westelijke grens van het land der Jakoeten.
Het oorspronkelijke reisplan, zooals het vastgesteld was om van de Behringstraat naar de europeesche grens te komen, had natuurlijk eene wijziging moeten ondergaan tengevolge eerst van het afdrijven onzer karavaan en daarna van hare overwintering op Nieuw-Siberië. Er viel thans niet meer te denken aan eene reis door de zuidelijke streken van Siberië. Er bestond bovendien alle kans op goed weder, zoodat er ook geene aanleiding meer was om zich in de eene of andere bewoonde plaats een tijd lang op te houden. Alles wat er in den laatsten tijd gebeurd was had ten slotte tot eene even onverwachte als gunstige uitkomst geleid.
Hetgeen thans in de eerste plaats bepaald moest worden, was de richting die zij moesten volgen om langs den kortsten weg het Oeralgebergte te bereiken, dat de grens vormt tusschen Aziatisch en Europeesch Rusland. Om hierover na te denken wilde Sergius den tijd besteden die er nog verloopen moest vóór dat zij de legerplaats verlaten zouden welke zij voorloopig op het strand hadden uitgekozen.
Het was stil en helder weder. De dagen duurden, in dezen tijd der dag- en nachtevening, langer dan elf uren en werden nog verlengd door de ochtend- en de avondschemering, welke op deze breedte van zeventig graden bijzonder lang aanhouden.
De karavaan bestond nu uit tien personen, want ook Kirschefen Ortik waren er bij opgenomen. Wel voelde niemand zich bijzonder tot de beide russen aangetrokken, maar zij maakten niettemin deel uit van het reisgezelschap derSchoone Zwerfster, zij zaten mede aan tafel en sliepen zelfs in den wagen zoo lang het nog te koud was om de nachten onder den blooten hemel door te brengen.
De thermometerstand bleef gemiddeld enkele graden beneden het vriespunt, hetgeen thans weder gemakkelijk waar te nemen viel nu de vriendelijke Tchou-Tchoûk het instrument aan zijn rechtmatigen eigenaar teruggegeven had. De grond lag zoover het gezicht reikte bedekt met sneeuw, welke echter binnen korten tijd onder de stralen der Aprilzon zou gaan smelten. De sneeuwkorst was vlak en hard als de met gras begroeide bodem der steppen, en de kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken.
Om de beesten te voederen was de voorraad hooi, dien de inboorlingen medegegeven hadden, voldoende geweest sedert hun vertrek van Kotelnyi tot aan de Lena-baai. Van hier af zouden de rendieren zelven hun voedsel weder kunnen vinden, want zij weten het mos en de heesterbladen, waar de grond van Siberië bijna overal mede bedekt is, zeer goed onder de sneeuw van daan op te snuffelen. Ook valt hierbij nog te vermelden dat dit trekvee zich gedurende den overtocht zeer gewillig had getoond, zoodat Kruidnagel niet de minste moeite had gehad om de beesten voort te krijgen.
Ook voor de reizigers was leeftocht genoeg voorhanden, want de voorraad ingemaakte spijzen, meel, vet, thee, buskruit en brandewijn, dien deSchoone Zwerfsterhad medegenomen, was nog niet uitgeput. Ook had Cornelia bovendien eene zekere hoeveelheid opgedaan van eene soort van boter, die de inboorlingen weten te bereiden, in berkenhouten doosjes, welke hun vriend Tchou-Tchoûk hun had medegegeven. Zoodra zij er gelegenheid toe vonden moesten zij echter in de eene of andere bewoonde plaats hunnen voorraad petroleum aanvullen. Voor het overige kon de jacht hen weder spoedig van versch wild voorzien en de bedrevenheid van Sergius en Jan zou, even als te voren, voor de keuken menigmaal veel waard kunnen wezen.
De twee russische matrozen stelden zich beschikbaar voor allerlei nuttige diensten. Zij verzekerden dat zij in een gedeelte van noordelijk Siberië goed bekend waren en boden aan als gidsen de karavaan te vergezellen.
Hierover werd denzelfden dag eene algemeene beraadslaging gehouden.
—Aangezien gij reeds vroeger in dit land gereisd hebt, zeide Sergius tegen Ortik, kunt gij er ons den weg wijzen.
De kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken. (Zie bladz. 110.)De kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken. (Zie bladz.110.)
De kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken. (Zie bladz.110.)
—Dat is wel het minste wat wij voor u doen kunnen, antwoordde Ortik, nu wij onze vrijheid aan mijnheer Cascabel te danken hebben.
—Aan mij? vroeg Cascabel. In het geheel niet. Alleen mijn buik, die van de natuur de kunst van praten gekregen heeft, zijt gij dank schuldig.
—Welke richting zoudt gij ons aanraden te volgen Ortik, vroeg Sergius weder, wanneer wij hier uit de Lena-baai opbreken?
—De kortste weg is de beste, mijnheer Sergius, als gij dat goedvindt. Deze heeft wel het nadeel dat wij de voornaamste steden van dit land, die meer zuidelijk gelegen zijn, laten liggen, maar daarentegen brengt hij ons het spoedigst naar het Oeral-gebergte. Bovendien zijn er dorpen genoeg in deze richting, waar wij het noodige aanschaffen en ook verblijf houden kunnen, indien dit gewenscht mocht wezen.
—Waartoe zou dat dienen? viel Cascabel hem in de rede. Wij hebben in geen dorpen te maken. De hoofdzaak is dat wij geen tijd verliezen en met spoed vooruitkomen. De streek waar wij doorheenkomen, is immers niet onveilig?
—In het minst niet, antwoordde Ortik.
—Bovendien zijn wij met ons allen heel wat mans en indien er bandieten mochten zijn die iets tegen deSchoone Zwerfsterwilden ondernemen, kunnen zij op eene meer dan hartelijke ontvangst staat maken.
—Stel u gerust mijnheer Cascabel, gij hebt niets te vreezen, verzekerde Kirschef.
Onze lezers zullen reeds opgemerkt hebben dat die Kirschef slechts zelden een woord sprak. Hij toonde zich weinig gezellig, somber en stilzwijgend en liet zijn kameraad meest het woord voeren. Ortik was blijkbaar veel schranderder dan hij. Deze toonde in vele zaken een goed oordeel, hetgeen Sergius reeds lang had opgemerkt.
Ook de richting die Ortik thans op wilde gaan, was zeer aanbevelenswaardig. De groote steden te mijden, waar zij kans hadden militaire bezetting te ontmoeten, scheen voor graaf Narkine het meest wenschelijk, terwijl het tegelijkertijd in den geest viel van de beide zoogenaamde matrozen. Naarmate zij echter dichter bij de grens kwamen, zou het moeilijker worden de steden van eenige beteekenis te laten liggen en voor dat geval zouden zij dan ook eenige voorzorgen dienen te nemen. Zoo ver waren zij echter vooreerst nog niet en in de dorpen op de steppen liepen zij weinig of geen gevaar.
Toen zij het over de richting van hunnen tocht eens waren, moesten zij alleen nog hunnen weg bepalen door de provinciën heen,welke zij van de Lena-rivier tot het Oeral-gebergte dwars moesten doorsnijden.
Jan haalde dus uit zijnen atlas de kaarten van noordelijk Siberië voor den dag en Sergius nam dit terrein terdege op, waar de Siberische groote rivieren, in stede van eene reis uit het Oosten naar het Westen gemakkelijker te maken, daarentegen groote hinderpalen in hunnen weg konden leggen. Na overleg, werd er tot het volgende besloten:
1o. Het Jakoeten-land, waar slechts weinige dorpen gevonden worden, in zuidwestelijke richting doortrekken.
2o. In deze richting eerst het gebied van de Lena-rivier doorsnijden, daarna dat van de Anabara-rivier, vervolgens dat van de Khatanga, de Jenisei- en de Obi-rivier, te zamen eenen afstand van ongeveer zevenhonderdvijftig mijlen.
3o. Van het Obi-gebied naar het Oeral-gebergte trekken, zijnde honderdvijfentwintig mijlen tot aan de europeesche grens.
4o. Eindelijk van het Oeral-gebergte tot Perm, dat is weder een honderdtal mijlen, altijd naar het zuidwesten.
Te zamen dus ten naasten bij duizend mijlen.
Indien zij geen oponthoud op deze reis ondervonden, indien er geen noodzakelijkheid bestond om op de eene of andere bewoonde plaats te vertoeven, kon de geheele afstand in minder dan vier maanden tijds afgelegd worden. Daarbij werd dan gerekend op zeven of acht mijlen per dag, hetgeen van de rendieren niet te veel gevergd was en zij zouden naar deze berekening met deSchoone Zwerfsterin den loop der maand Juli eerst te Perm en vervolgens te Nisjni aankomen, op het tijdstip dat de beroemde kermissen dier plaatsen in vollen gang zouden zijn.
—Gaat gij tot Perm met ons mede? vroeg Sergius aan Ortik.
—Dat denk ik niet, antwoordde deze. Zoodra wij de grens achter den rug hebben, zijn wij voornemens onzen weg naar St. Petersburg te nemen om van daar naar Riga terug te keeren.
—Dit is van later zorg, meende Cascabel. Eerst moeten wij maken dat wij over de grens komen.
Zij hadden afgesproken dat er vierentwintig uren rust gehouden zou worden, zoodra zij zich op het vasteland bevonden. Na hun voorspoedigen tocht over het ijsveld was dit oponthoud noodzakelijk. Dien dag gingen zij dus niet verder.
De Lena-rivier stort zich in de golf van dien naam, na een net van vertakkingen en armen te hebben doorloopen. De geheele lengte van deze prachtige rivier, die een aantal kleinere stroomen in haren loop opneemt, bedraagt vijftienhonderd mijlen, van harenoorsprong tot waar zij hare wateren met die der IJszee vermengt. Het gebied dat zij besproeit, wordt gerekend niet minder dan honderdvijf millioenen hectaren te bedragen.
Na eene grondige studie van de kaart gemaakt te hebben, kwam Sergius tot de slotsom dat het best zou zijn de kustlijn der baai vooreerst te volgen, teneinde niet in de vele vertakkingen van de Lena verward te raken. Wel lag het water nog toegevroren, maar het zou desniettemin een waagstuk geweest zijn, zich te midden van dit net van waterwegen te begeven, want de ijsschotsen lagen op vele plaatsen tot eene aanmerkelijke hoogte op elkaar gekruid en vormden ware ijsbergen, zeer schilderachtig om te zien, maar hoogst moeilijk om er over heen te komen.
Aan de andere zijde der baai nam de uitgestrekte steppenvlakte eenen aanvang, waar slechts hier en daar eenige heuvels zich verhieven en waar de tocht geene moeilijkheden kon opleveren.
Het was duidelijk dat Ortik en Kirschef aan het reizen in dit klimaat gewend waren. De anderen hadden dit reeds opgemerkt bij den tocht over het ijsveld van den Liakhoff-archipel naar de kust van Siberië. De twee matrozen hadden er slag van om eene legerplaats te vinden en desnoods eene stevige hut in het ijs te maken, ook kenden zij het kunstje van de visschers langs de kust, die nat geworden kleederen droog weten te krijgen door ze onder de sneeuw te stoppen, waar al de vochtigheid uit het goed in opgezogen wordt. Een blok bevroren rivierwater wisten zij op het eerste gezicht te onderscheiden van het ijs uit zeewater gevormd. De verschillende manieren waarop de karavanen in het Noorden hare tochten door de ijs- en sneeuwwoestijn afleggen, waren hun ook goed bekend.
Dien avond, nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, liep het gesprek over de aardrijkskundige gesteldheid van noordelijk Siberië en bij deze gelegenheid vertelde Ortik hoe het gekomen was dat hij en Kirschef reeds vroeger in dit land gereisd hadden.
Sergius deed hun namelijk deze vraag:
—Wat was toch de oorzaak dat een paar zeelieden, zooals gij beiden, zulk eene groote reis over land moesten maken?
—Dat zal ik u zeggen, mijnheer Sergius, was het antwoord. Twee jaar geleden zijn Kirschef en ik met nog een tiental andere matrozen te Archangel geweest, waar wij op walvischvaarders wilden aanmonsteren. Daar werden wij aangezocht om naar een schip te gaan, dat in eene der mondingen van de Lena tusschen het ijs beklemd zat. Op die reis van Archangel naar de Lena-baai hebben wij het noordelijke gedeelte van Siberië doorgereisd. Nadatwij aan boord van deSeraski—zoo heette het schip—gekomen waren, hebben wij het vlot gebracht en zijn wij er mede op de walvischvangst gegaan. Maar zooals ik u reeds vroeger verhaald heb, deSeraskiis met man en muis vergaan en alleen Kirschef en ik zijn van de bemanning overgebleven. Door stormweer zijn wij toen naar de Liakhoff-eilanden afgedreven en daar hebben wij u allen ontmoet.
—Zijt gij dan nooit in Alaska geweest? vroeg Kayette, die zooals men weet russisch sprak en verstond.
—Alaska? vroeg Ortik. Is dat niet ergens in Amerika?
—Ja, antwoordde Sergius. Alaska ligt in het Noordoostelijkste gedeelte van Noord-Amerika en het is het geboorteland van Kayette. Zijt gij op uwe omzwervingen daar nooit geweest?
—Wij hebben van dat land nooit hooren spreken, zeide Ortik op den natuurlijksten toon van de wereld.
—Wij zijn ook nooit verder dan de Behringstraat geweest, voegde Kirschef er bij.
Ook nu maakte de stem van dezen op Kayette denzelfden indruk als anders, zonder dat zij zich echter wist te herinneren waar zij die vroeger gehoord kon hebben. Het kon niet anders zijn dan in een van de districten van Alaska, want zij zelve was nooit buiten haar vaderland geweest.
Na de stellige ontkentenis van Ortik en Kirschef, deed Kayette, met de bescheidenheid die aan de lieden van haren stam meestal eigen is, dan ook geen verdere vragen meer. Maar zij kon toch eene zekere verwondering niet van zich zetten, die tegenover de twee matrozen onwillekeurig een karakter van wantrouwen aannam.
Gedurende het oponthoud van een etmaal hadden de rendieren de noodige rust kunnen nemen. Hunne voorpooten waren met touwen vastgebonden, doch niet zóó nauw dat hun dit belette in den omtrek der legerplaats te zwerven en het struikgewas afteknagen of het mos, dat onder de sneeuw bedolven lag, op te snuffelen.
Den 20steMaart ging de karavaan te acht uur des morgens op weg. Het was droog, helder weder, met eene frissche koelte uit het noord-oosten. De steppe strekte zich uit zoo ver het oog reikte, als een blank sneeuwveld dat nog hard genoeg was om er met gemak op te rijden. De twintig rendieren werden bij vieren aangespannen, op vijf rijen dus, met behulp van een goed ingericht stel leidsels, die aan den eenen kant door Ortik en aan den anderen door Kruidnagel in de hand gehouden werden.
Gedurende zes dagen werd de reis op deze manier voortgezet zonder dat er iets voorviel dat verteld verdient te worden. Sergiusen Cascabel met Jan en Sander gingen meestal te voet tot dat het nachtkwartier betrokken werd, en Cornelia met Napoleona en Kayette hielden hen gezelschap zoo dikwijls de huishoudelijke werkzaamheden haar niet bezig hielden.
Iederen voormiddag legde deSchoone Zwerfsterongeveer eenKoesaf, dat is een russische lengtemaat, gelijk staande met twintig wersten of twee en een halve mijl. In den namiddag werd dezelfde afstand nog eens gemaakt, altijd in westelijke richting, zoodat zij elken dag ruim vijf mijlen vooruit kwamen.
Den 29stenMaart trokken zij het riviertje Olenek over, dat nog toegevroren lag en denzelfden dag kwamen Cascabel en zijne reisgenooten in het vlek Maksimova, twee en veertig mijlen zuidoostelijk van het strand derLena-baai.
Er bestond niet het minste bezwaar tegen dat Sergius een etmaal in dit plaatsje vertoefde, dat in het noordelijkste uiteinde der steppe als verloren ligt. Er bevond zich geen gezaghebber of geen kozakken-garnizoen, die op de gedachte hadden kunnen komen om graaf Narkine met vragen lastig te vallen.
Zij waren hier midden in het land der Jakoeten en de familie Cascabel werd door de bewoners van Maksimova gastvrij ontvangen.
Het oostelijke en zuidelijke gedeelte van dit gewest is berg- en boschachtig, maar in het noorden worden niets dan effen vlakten aangetroffen, welke hier en daar met groepen boomen bezet zijn, die nu, onder den invloed van den naderenden zomer, spoedig zouden uitloopen. Er is een overvloed van wild, hetgeen veroorzaakt wordt door dat het klimaat in noordelijk Siberië, van eene felle koude in den winter, tot eene gloeiende hitte in de zomermaanden afwisselt.
De Jakoeten-bevolking telt ongeveer honderdduizend zielen, allen belijders van den griekschen godsdienst. Het zijn godvreezende en gastvrije lieden; hunne zeden zijn zuiver en zij zijn even dankbaar voor de weldaden der Voorzienigheid als gelaten te midden der harde ontberingen die hen door het barre klimaat soms worden opgelegd.
Op de reis van den mond der Lena naar dit plaatsje hadden zij ook eenige Siberiërs ontmoet die tot een nomadenstam behoorden. Het waren stevig gebouwde lieden, middelmatig van lengte, met platte gezichten, zwarte oogen, weligen haartooi en zonder baard of knevel. Te Maksimova zagen de inwoners er even zoo uit; het zijn vriendelijke arbeidzame, schrandere en bedaarde menschen, die zich niet gemakkelijk iets wijs laten maken.
De Jakoeten die een zwervend leven leiden, zitten bijna altijd tepaard en zijn nooit ongewapend; zij zijn eigenaars van kudden die in grooten getale over de steppen rondzwerven. Die welke in huizen in de dorpen of stadjes bijeenwonen, houden zich voornamelijk bezig met de vischvangst, welke in de menigte beken en waterloopen, die zich in de groote rivier uitstorten, overvloedigen buit oplevert.
De Jakoeten hebben dus vele maatschappelijke en huiselijke deugden; alleen zijn zij hartstochtelijke tabakrookers en bovendien—wat erger is—aan het misbruik van brandewijn en andere sterke dranken veeltijds verslaafd.
—Tot zekere hoogte is dit hun echter niet kwalijk te nemen, merkte Jan op. Drie maanden van het jaar hebben zij niets dan water om te drinken en pijnboomschors om op te knabbelen.
—Wat zegt gij, hebben ze dan niet eens brood? vroeg Kruidnagel, die zich zoo iets niet kon voorstellen.
—Neen, niets dan de bast van denneboomen. Na zulk eenen tijd van ontbering is het hun bijna te vergeven dat zij zich soms te buiten gaan.
De nomadische Jakoeten wonen inyourten, dat zijn kegelvormige tenten van witte stof. De huizen der anderen zijn gewoonlijk van hout gebouwd en verschillend van vorm en inrichting naarmate van ieders smaak. Deze huizen worden zorgvuldig onderhouden en hebben steile, puntige daken, zoodat de smeltende sneeuw in April, als de zonnestralen kracht krijgen, er gemakkelijk afvalt. Het stadje Maksimova ziet er dan ook vriendelijk uit. De mannen hebben een gunstig voorkomen, openhartig, met eene oprechte uitdrukking in de oogen, gepaard met zekere fierheid. De vrouwen zien er niet onaardig uit, sommige zijn zelfs mooi, al is haar gelaat getatoueerd, zij zijn zeer ingetogen en streng van zeden; zij vertoonen zich nooit blootshoofds of zonder schoenen aan hare voeten.
Onze reizigers werden door de Jakoeten-hoofden voorkomend ontvangen. Deze mannen wordenkïnoesgenaamd, terwijl de oudsten, of de aanzienlijksten van het dorpStarsynasgeheeten worden. De gastvrije lieden betwistten elkander het voorrecht van de vreemdelingen te herbergen en te onthalen, maar Cornelia wilde niets aannemen zonder betaling. Op deze voorwaarde sloeg zij ook een goeden voorraad petroleum in, die tevens als brandstof voor het keukenfornuis gebruikt kon worden.
DeSchoone Zwerfstermaakte ook hier weder, evenals gewoonlijk, veel opzien, want nog nooit te voren was er een kunstenmakerswagen in dit land gezien. Een aantal Jakoeten van beiderlei geslacht kwamen het wonder aanschouwen en er gebeurde niets datreden had kunnen geven om daar spijt van te hebben. Diefstallen worden in dit land zelden bedreven, zelfs niet ten nadeele van reizigers, maar wanneer ze voorkomen, volgt de straf in den regel op het misdrijf. Wordt de schuld van den dader bewezen, dan wordt hij in het openbaar met roeden gegeeseld en op die lichamelijke kastijding volgt nog eene zedelijke straf, want hij is voor zijn leven geschandvlekt, wordt van zijne burgerlijke rechten vervallen verklaard en krijgt nimmer den naam van een eerlijk man terug.
Den 3deApril kwam onze karavaan aan den oever van de Oden, eene kleine rivier, die na eenen afstand van vijftig mijlen te hebben afgelegd, in den zeeboezem van Anabara uitloopt.
Het weder was tot dusver zeer gunstig geweest, doch er kwam nu eenige verandering; het begon spoedig zwaar te regenen en het eerste gevolg daarvan was het smelten van de sneeuw. Dat duurde een dag of acht. Gedurende dien tijd raakte de wagen herhaaldelijk in den modder vast en zonk ettelijke malen zoo diep weg, dat de toestand, als de weg over een moerassig terrein liep, niet zonder gevaar genoemd kon worden. Dit waren de voorboden van de lente, welke op deze hooge breedte eene temperatuur medebrengt van een graad of drie boven het vriespunt.
Dit eind weegs was hoogst vermoeiend. De hulp van de twee russische matrozen, wier gedienstigheid en ijver inderdaad niets te wenschen overlieten, kwam hier dikwijls goed te pas.
Den 8stenApril had deSchoone Zwerfsternagenoeg veertig mijlen sedert Maksimova afgelegd en kwam zij op den rechteroever van de Anabara-rivier.
Er bestond nog mogelijkheid om over het ijs de overzijde te bereiken, maar meer benedenstrooms was de dooi reeds begonnen. De ijsblokken, die met vaart naar de monding der rivier dreven, stortten met groot geweld op en over elkander. Waren zij eene week later gekomen, dan zouden zij eene doorwaadbare plaats hebben moeten zoeken, hetgeen niet gemakkelijk ware geweest, want met het smelten der sneeuw stegen de rivieren binnen korten tijd aanmerkelijk.
De steppe begon reeds een groenachtig waas te vertoonen door het ontspruiten der jonge grasplantjes, die voor de rendieren eene ware lekkernij waren. Aan de heesters vertoonden zich knoppen; nog een dag of wat en de eerste blaadjes zouden zich aan de takken beginnen te ontplooien. Het ontwakende leven gaf aan de magere geraamten der boomen, die door de winterkoude een aanzien gekregen hadden alsof zij dood waren, een heel ander uiterlijk.
Dit eind was hoogst vermoeiend. (Zie blz. 118.)Dit eind was hoogst vermoeiend.(Zie blz.118.)
Dit eind was hoogst vermoeiend.(Zie blz.118.)
Hier en daar stonden berke- en lorkeboomen in groepjes bijelkaar, die onder de voorjaarskoelte heen en weder wiegelden. De geheele Noordsche natuur, zoo bar en doodsch, kreeg nieuw leven onder den bezielenden adem der zon.
De streken van Siberië welke het verst van de kust verwijderd liggen, zijn het dichtst bevolkt. Enkele malen ontmoetten onze reizigers eenen ontvanger, die van dorp tot dorp trok om de belastingen op te halen. Dan werd er eenige oogenblikken halt gemaakt ten einde met dien ambtenaar een praatje te houden; hij nam zonder plichtplegingen het hem aangeboden glasvodkaaan, en vervolgens werd van weerskanten de reis hervat.
Op zekeren dag kruiste de weg, dien deSchoone Zwerfstervolgde, dien van eenen troep gevangenen. Deze ongelukkigen waren bestemd naar de zoutpannen op de oostelijkste grenzen van Siberië; een detachement kozakken begeleidde hen, en aan mishandelingen lieten deze ruwe geleiders het niet ontbreken. Natuurlijk had de aanvoerder van het geleide geen enkele aanleiding om Sergius met vragen lastig te vallen; maar Kayette, die nog niet van haar wantrouwen tegenover de russische matrozen genezen was, meende op te merken dat deze hun best deden om buiten het gezicht der Kozakken te blijven.
Den 19denApril had deSchoone Zwerfstervijf en zeventig mijlen afgelegd en hield zij halt op den rechteroever der Khatanga, welke rivier zich in de golf van dien naam ontlast. Ditmaal was er geen ijsbrug te vinden, die dienst kon doen om den wagen naar den overkant te doen komen. Eenige afdrijvende ijsschotsen gaven blijk dat de dooi bijna haar werk volbracht had. Zij waren nu verplicht den stroom te doorwaden, hetgeen een heel oponthoud had kunnen veroorzaken indien Ortik er niet geweest was om eene goede plaats te wijzen. Hij vond die eene halve werst hooger op, doch de overtocht ging met vrij wat moeielijkheid gepaard, want de wagen ging tot aan de assen der wielen door het water. Aan den overkant gekomen, werd de reis terstond voortgezet, en vijf en twintig mijlen verderop sloegen de reizigers hun leger op aan den oever van het Jege-meer.
Welk eene tegenstelling leverde dit op met den eentonigen aanblik der steppe! Het was als eene oase te midden der zandwoestijn van Sahara. Men stelle zich een helderen waterspiegel voor, omringd door het altijddurende groen van pijn- en denneboomen, door verschillende heesters prijkende met hun versch loof, door mirtenbeziën met purpere vruchten, zwarte en roodachtige aalbessenboompjes en wilde rozelaars, die ook reeds onder den zachten invloed der lente met bloemen getooid begonnen te worden.
Het was als eene oase. (Zie blz. 120.)Het was als eene oase. (Zie blz.120.)
Het was als eene oase. (Zie blz.120.)
Ten Oosten en ten Westen strekten tamelijk uitgestrekte wouden zich uit, te midden waarvan Wagram en Marengo zonder twijfel het een of andere wild konden opjagen indien het hun vergund werd daarin een paar uren te gaan snuffelen.
Ook op het water vertoonden zich troepen ganzen, eenden en wilde zwanen, terwijl vluchten kraanvogels en ooievaars, die uit de streken van Midden-Azië kwamen, met lange vleugelslagen de lucht doorkliefden. Onze reizigers hadden volgaarne door handgeklap hunne vreugde over dit ongewone schouwspel aan den dag gelegd.
Op voorstel van Sergius werd er besloten hier twee etmalen rust te houden. Aan het uiteinde van het meer, in het lommer van hooge dennen, werd de legerplaats gekozen en in orde gebracht.
De jagers van het gezelschap voorzagen zich nu van hunne geweren en gingen er op uit, van Wagram vergezeld, nadat zij beloofd hadden niet te ver af te dwalen. Het duurde geen kwartier of hunne schoten knalden door de lucht.
Dien tijd besloten Cascabel, Sander, Ortik en Kirschef te gebruiken om hun geluk met den hengel te beproeven. Zij hadden niets dan eenen voorraad kunst-aas, dien zij van de bewoners van Port-Clarence hadden gekocht, doch met deze gebrekkige hulpmiddelen kan een geoefend visscher, die deze groote kunst verstaat en de manier weet om in slimheid met eenen visch te wedijveren, als hij geduld genoeg heeft om te wachten tot het dier zich verwaardigt te bijten, buit genoeg opdoen.
Geduld hadden zij echter bij deze gelegenheid niet veel noodig, want de hengelsnoeren waren ternauwernood tot op de vereischte diepte gezonken of het water werd door de bijtlustige visschen in beweging gebracht. Er was zulk een overvloed dat zij in een halven dag genoeg hadden kunnen vangen om er een paar weken van te leven. Dat was juist een kolfje naar Sander’s hand en toen Napoleona, zijn zusje, kwam vragen om ook den hengel eens te mogen houden, verkoos hij dit niet toetelaten, zoodat zij samen twist kregen en Cornelia tusschen beide komen moest. Deze vond echter dat er visch genoeg gevangen was, waarom zij haren man en de kinderen gelastte het vischtuig optebergen. Als moeder Cascabel het een of ander bepaald verkoos, dan dacht niemand er aan zich te verzetten.
Twee uren later kwamen ook Sergius en Jan terug, op eenigen afstand gevolgd door Wagram, wien de jacht veel te vroeg eindigde, want dolgraag had hij nog in deze wildrijke bosschen eene poos huis gehouden.
De jagers waren even gelukkig geweest als de visschers, zoodatde dagelijksche disch een tijdlang vol afwisseling en altijd smakelijk beloofde te zijn. De visschen uit het meer Jege lieten zich best gebruiken, maar het wild, dat in deze noordelijke streken van Siberië bijzonder uitmunt, spande toch de kroon.
De fijnste soorten die de jagers onder het lood gekregen hadden, waren eenige troepjes “karallys”, die in vluchten bij elkaar vliegen, alsmede een koppel of wat “dikouta’s” een dom soort van vogels, kleiner dan korhoenders, maar bijzonder smakelijk van vleesch.
Ieder kan zich voorstellen welk een feestmaal er dien dag werd aangericht. De tafel was onder de boomen gedekt en niemand der aanzittenden voelde er iets van dat het voor een festijn in de open lucht wel wat koud was. Cornelia had zichzelve overtroffen in het bakken van de visch en het braden van het gevogelte. In het vorige dorp was de voorraad meel aangevuld en hadden zij opnieuw Jakoeten-boter aangeschaft, zoodat al het noodige aanwezig was voor het bakken van eene goudgele taart, met knappende korst, die op het dessert te voorschijn kwam. Eenige teugen brandewijn spoelden deze traktatie door, waartoe de winkels te Maksimova het noodige geleverd hadden, en het einde van dezen vreugdevollen dag liet niets te wenschen over.
Het scheen waarlijk alsof de tijd der beproevingen voorbij was en alsof de familie Cascabel hare avontuurlijke reis voordeelig en voorspoedig ten einde zou brengen.
Ook den volgenden dag werd er rust gehouden en de rendieren maakten daar gebruik van om op hunne manier zich te goed te doen.
Den 21stenApril ging deSchoone Zwerfsterdes ochtends te zes uur op reis. Vier dagen daarna bereikte zij de westelijke grens van het land der Jakoeten.