I.

I.Een man van fortuin.—Heeft er niemand geld meer bij zich? Komaan kinderen, zoekt eens in uwe zakken!—Hier heb ik nog wat, vader, antwoordde het meisje.Uit haar zak bracht zij een groen papiertje te voorschijn, vierkant, vet en beduimeld. De woordenUnited States fractional currencydie er op gedrukt stonden als randschrift rondom het borstbeeld van een heer in burgerkleeding, met het cijfer 10 zesmaal herhaald in de hoeken, waren nauwelijks meer te lezen. Dit beteekende dat het tien Amerikaansche centen, of ongeveer een hollandsch kwartje waard was.—Hoe komt ge daaraan? vroeg de moeder.—Dat heb ik den laatsten keer opgehaald, was het antwoord van Napoleona.—Hebt gij niets meer, Sander?—Niemendal vader.—En Jan?—Geen cent.—Hoeveel moet ge dan nog hebben Cesar? vroeg Cornelia aan haar man.—Als wij eene ronde som hebben willen, komen er twee centen te kort, verklaarde mijnheer Cascabel.—Hier zijn ze, patroon, kwam Kruidnagel vertellen terwijl hij een stuk kopergeld, dat hij uit de diepte van een zijner zakken had opgedoken, door de lucht liet vliegen.—Mooi zoo, Nageltje! riep de kleine meid.—Mooi, nu zijn wij er! liet Cascabel volgen.Inderdaad: »hij was er«, om de woorden van den braven kunstenmaker te gebruiken. In het geheel had hij twee duizend dollars bijeen, dat is ten naasten bij vijf duizend gulden.Vijf duizend gulden, door eigen talent en vlijt aan de goedgeefschheid van jan en alleman afgedwongen, is dat niet een fortuintje?Cornelia gaf haar man een zoen en al de kinderen volgden een voor een haar voorbeeld.—Nu moeten wij ons eene brandkast aanschaffen, hernam Cascabel, een mooie brandkast met een geheim slot, om onzen schat te bewaren.—Is dat werkelijk noodig? vroeg Cornelia, altijd een weinig bang voor buitensporige uitgaven.—Cornelia, wij kunnen er niet buiten.—Zou een geldtrommel niet voldoende zijn?—Dat is nu weer zoo’n vrouwenpraatje! riep Cascabel. Een trommel, dat is goed om oorringen en armbanden in te bewaren. Voor baar geld is eene brandkast noodig of op zijn minst een geldkist, vooral omdat wij met onze vijfduizend gulden eene lange reis hebben te maken.—Nu, koop dan een geldkist, maar denk er aan dat ge afdingt! waarschuwde de zuinige Cornelia.Het hoofd des gezins opende de deur, die toegang gaf tot het »prachtige en sterke rijtuig«, dat de reizende familie tot woning diende. Hij stapte de ijzeren trede af die vóór de deur hing en sloeg eene der straten in welke naar het hart der stad Sacramento voerden.Het kan in de maand Februari koud zijn in den staat Californië, ofschoon die op gelijke aardrijkskundige breedte ligt als Spanje. Maar gewikkeld in zijn wijden mantel met nagemaakt marterbont gevoerd en met zijne pelsmuts over de ooren, kon mijnheer Cascabel de koude weinig deren en stapte hij vroolijk voort. Een geldkist, eindelijk een geldkist te bezitten, was iets waar hij zijn leven lang van gedroomd had. Die droom stond op het punt werkelijkheid te worden!Hetgeen wij bezig zijn te vertellen viel voor in de tweede maand van het jaar 1867.Negentien jaren vóór dat tijdstip was de plek waar tegenwoordig de stad Sacramento staat, nog niets dan eene groote, ledige vlakte met een fortje in het midden, een soort van versterkt blokhuis, datdoor deSettlersen de eerste reizende kooplieden gebouwd was om tegen de aanvallen der West-Amerikaansche Indianen beveiligd te zijn. Maar nadat de Amerikanen het land van de Mexicanen afgenomen hadden, die te zwak waren om het naar behooren te verdedigen, was er in den toestand van Californië spoedig verandering gekomen. Het fortje had plaats gemaakt voor eene stad en die was na nog geen twintig jaren eene van de aanzienlijkste steden in de Vereenigde Staten geworden, zonder dat herhaalde branden en overstroomingen in staat waren geweest dien snel wassenden omvang te stuiten.In 1869 had mijnheer Cascabel dus niets meer te vreezen van vijandige Indiaansche stammen. Ook werd de publieke weg niet langer onveilig gemaakt door roofzuchtige vagebonden uit alle landen der aarde, die in 1849 Californië kwamen overstroomen. In dat jaar werden de goudmijnen ontdekt, die een weinig meer naar het noordwesten, op de vlakte van Grass-Valley gelegen zijn en onder welke de beroemde mijn van Allison-Ranch, waarvan het gesteente gemiddeld een halven gulden aan goud op iedere kilogram erts bevatte, het meest vermaard is geworden.Die tijd, met zijne ongehoorde fortuinmakerij, vaak gevolgd door een nog sneller ondergang, gepaard met de diepste armoede, was thans voorbij. Geen goudzoeker was er meer te vinden, zelfs niet in het district Caribou, een gedeelte van engelsch Columbia, noordelijk van het Washington-territorium, waar nog in 1863 de mijnwerkers bij duizenden werden aangetroffen. Geen gevaar dus dat Cascabel’s spaarduitje, in den letterlijken zin van het woord door hem in het zweet zijns aanschijns bijeengebracht en nu met zorg in de zakken van zijnen mantel geborgen, hem onderweg ontstolen kon worden. Om de waarheid te zeggen was het aanschaffen van eene geldkist dan ook voor het veilige bewaren van zijnen schat niet zóó onontbeerlijk als hij voorgaf. Maar hij hechtte er aan omdat hij voornemens was eene groote reis te ondernemen door de weinig bezochte streken van het verre Westen, waar het misschien minder veilig zou zijn dan in Californië. Het doel dier reis was naar Europa terug te keeren.Onbekommerd vervolgde mijnheer Cascabel dus zijnen weg door de breede en nette straten van Sacramento. Hij ging over statige vierkante pleinen, in den zomer beschaduwd door zware boomen die nu hun bladerenkroon misten, omringd van weelderige hôtels en particuliere huizen, sierlijk en geriefelijk gebouwd, van openbare gebouwen in nieuw-engelschen stijl, van monumentale kerken vooral, door welk een en ander de hoofdplaats van Californië geheel hetvoorkomen van eene groote stad heeft. De straten waren vol bedrijvige menschen, kooplieden, reeders, fabrikanten, sommige het hoofd vol van de scheepsladingen die over de breede rivier of naar den Stillen Oceaan op reis waren, andere op weg naar den Folson-spoorweg, die de kortste gemeenschap met het hart der Vereenigde Staten vormt.Onder het fluiten van een franschen militairen marsch richtte Cascabel zijne schreden naar de High-Street. Daar had zijn vorschend oog eenen winkel opgemerkt waar een mededinger van de beroemdste brandkastenmakers der wereld zijne waren te koop bood. Wat in het magazijn van William J. Morlan verkocht werd, had den naam van goed en niet duur te zijn, in betrekkelijken zin altijd en in aanmerking genomen den hoogen prijs van alle fabrieks-artikelen in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.William J. Morlan bevond zich in zijn magazijn toen Cascabel daar binnentrad.—Uw dienaar, mijnheer Morlan, begon hij. Ik zou mij wel eene geldkist willen aanschaffen.William Morlan kende Cascabel, even als ieder in Sacramento hem kende. Was hij niet sedert drie weken de beste straatkunstenaar die zich in de stad bevond! Heel beleefd antwoordde de fabrikant dus:—Eene geldkist mijnheer Cascabel? nu, daar wensch ik u van harte geluk mede.—Hoe bedoelt gij dat?—Wel, omdat iemand die eene geldkist komt koopen, wel eenige zakken dollars te bewaren moet hebben.—Dat zal wel waar zijn, mijnheer Morlan.—Welnu neem dan deze, antwoordde de winkelier, terwijl hij op eene manshooge brandkast wees, die goed op hare plaats geweest zou zijn in het kantoor van de gebroeders Rothschild of van andere bankiers, die in den regel goed van geld voorzien zijn.—Bedaard wat! hernam Cascabel. Die zou groot genoeg zijn om er mijn geheele gezin in te bergen. Nu is dat wel mijne kostbaarste bezitting, maar die behoef ik niet achter slot te bewaren. Zeg eens, mijnheer Morlan, hoeveel geld zou er wel in die verbazende kast gaan?—Eenige millioenen goudgeld.—Eenige millioenen zegt gij? Dan zal ik later wel eens terugkomen als ik die heb. Wat ik zoek is een kleine stevige kist, die ik onder mijn arm nemen en achter in mijn wagen zetten kan als wij op reis zijn.—Die heb ik ook voor u, mijnheer Cascabel.Uitstekend, die kist wil ik wel hebben. (Zie bladz. 6.)Uitstekend, die kist wil ik wel hebben. (Ziebladz.6.)De fabrikant haalde eene geldkist met een veiligheidsslot voor den dag. Het gewicht er van was niet meer dan een pond of twintig. Van binnen was de kist in laden en loketten verdeeld, evenals de kasten waar geld en geldswaardig papier in de banken in bewaard wordt.—Bovendien is zij tegen het vuur bestand, waar wij bij den verkoop voor instaan, voegde Morlan er bij.—Uitstekend, uitstekend! hernam Cascabel. Indien gij ook voor de deugdelijkheid van het slot instaat, wil ik die kist wel hebben.—Het is een slot met geheime sluiting, hernam de koopman, Het bestaat uit vier letters, waarvan uit vier alfabetten een woord gekozen kan worden, zoodat er bijna vier maal honderd duizend samenvoegingen te bedenken zijn. In den tijd dien een dief noodig zou hebben om het woord te vinden, zou hij een millioen keeren in de gevangenis gezet kunnen worden.—Een millioen keeren, zegt gij, mijnheer Morlan? Dat is waarlijk verbazend! Maar wat is de prijs er van? Gij begrijpt dat een geldkist te duur betaald zou zijn wanneer zij meer kostte dan hetgeen iemand er in te bergen heeft.—Volkomen juist, mijnheer Cascabel. Ik vraag er dan ook niet meer dan zes en een halven dollar voor.—Zes en een halven dollar? hernam Cascabel. Dat staat mij maar half aan, die zes en een halve dollar. Komaan mijnheer Morlan, om zaken te doen moet men wat toegeven. Zullen wij voor vijf dollars den koop sluiten?—Nu dan, omdat gij het zijt, mijnheer Cascabel.Met eenen handslag werd de koop bezegeld. Toen vroeg de fabrikant of hij de kist naar de rollende woning van den kunstenmaker wilde laten brengen, aangezien het niet te pas kwam dat de eigenaar zelf er mede onder den arm liep.—Hoe heb ik het nu met u, mijnheer Morlan? Een man als ik, die met gewichten van veertig pond speelt alsof het noten waren!—Word maar niet boos. Onder ons gezegd en gebleven, hoeveel wegen eigenlijk uwe gewichten van veertig pond?—Precies vijftien pond, maar vertel het aan niemand anders! antwoordde Cascabel.Lachende en als een paar goede vrienden namen de fabrikant en de kunstenmaker van elkander afscheid.Een half uur later hield de gelukkige bezitter van de geldkist zijnen intocht op het pleintje waar zijn wagen stond. Met niet weinig zelfvoldoening zette hij »de kas van de firma Cascabel« op hare plaats.Cesar Cascabel.CesarCascabel.Wat was het jonge volkje trotsch op het nieuwe meubel! Hoe blijde waren zij er mede! Zij werden niet moede de kist open te maken en weer te sluiten. De kleine Sander had er wel in willen kruipen om verstoppertje te spelen. Maar dat kon niet want Sander was te lang en om er krom in te liggen was de kist niet breed genoeg!Kruidnagel verklaarde nooit zoo iets moois gezien te hebben, zelfs niet in zijne droomen.—Wat een moeite moet het kosten om dat ding open te maken, zeide hij. Ten minste als het goed sluit, want anders moet het heel makkelijk gaan.—Dat is eene waarheid als eene koe, antwoordde de patroon. Op eenen toon van gezag waar niets op te antwoorden viel en met eenveelbeteekenendgebaar, waarvan de bedoeling voor niemand twijfelachtig kon zijn, liet hij toen volgen:—Komaan kinderen, neemt uwe beenen op en gaat het een en ander halen waar wij als koningen van smullen kunnen! Hier is een dollar waar gij voor koopen moogt wat gij wilt. Ik ben de man die van daag trakteert!Alsof de brave kerel niet iederen dag »trakteerde«! Maar dat was een van de grappen die hij het liefst uithaalde en waar hij zelf het hartelijkst om lachte.In een oogenblik waren Jan, Sander en Napoleona uit zicht, gevolgd door Kruidnagel met eene groote mand onder zijn arm om alles wat zij gingen aanschaffen te dragen.—Nu zijn wij alleen Cornelia, begon Cascabel. Laat ons nu een oogenblik praten.—Waarover Cesar?—Waarover? Wel over het woord dat wij kiezen moeten om het slot van onze geldkist toe te maken. Niet dat ik de kinderen niet vertrouw. Lieve hemel dat zijn engelen, en evenmin om dien onnoozelen Kruidnagel, want die is de eerlijkheid in persoon. Maar zulke woorden moeten toch geheim gehouden worden.—Neem maar een woord dat u het beste voorkomt, antwoordde Cornelia. Wat gij wilt, vind ik goed.—Hebt gij in ’t geheel geene keus?—Och neen.—Ik voor mij zou liefst den naam van iemand nemen.—Ja, ja ..., dat is goed. Den Uwen, Cesar.—Dat kan niet want die is te lang! Het moet een naam zijn van niet meer dan vier letters.—Laat dan eene letter van den uwen weg. Cesar is even goed zonder R, zou ik denken! Wij kunnen immers precies doen wat wij willen?Laat ons nu een oogenblik praten, Cornelia. (Zie bladz. 8.)Laat ons nu een oogenblik praten, Cornelia. (Ziebladz.8.)—Bravo, Cornelia! Dat is een goede inval, een van die invallen zooals gij er dikwijls hebt. Maar als wij het er over eens zijn dat wij eene letter uit eenen naam kunnen nemen, zie ik niet in waarom wij er geen vier zouden weglaten en dan uit den uwen.—Uit mijn naam?—Wel zeker! De laatste vier letters er van: E L I A. Dat klinkt zelfs nog mooier, vind ik.—Hoe bedenkt ge het, Cesar?—Zult ge het niet pleizierig vinden als uw naam de sluiting van onze geldkist wordt?—Zeker, vooral omdat hij in uw hart reeds geschreven staat, antwoordde Cornelia innig en vol geestdrift.Met ongehuichelde verrukking zoende zij haar braven man dat het klapte.Zoodoende gebeurde het dat wie ter wereld het woord ELIA niet kende, er nimmer in slagen zou de geldkist van de familie Cascabel open te krijgen.Na een half uur kwamen de kinderen terug met mondkost beladen. Het waren heerlijke sneden ham en pekelvleesch, en van die verbazende groenten zooals de vruchtbare grond van Californië ze voortbrengt, koolen met stronken als boomen, aardappelen als meloenen, wortelen ter lengte van een halven meter, die met geen andere te vergelijken zijn, was Cascabel gewoon te zeggen, dan met die welke men onderweg uit den grond trekt zonder de moeite te hebben van ze eerst te planten. Voor de dranken is er in Californië eene rijke keus uit alles wat eene amerikaansche keel kan streelen. Op het feestmaal der Cascabel’s had ieder een groot glas schuimend bier tot zijne beschikking en aan het dessert eene fijne flesch sherry voor allen.Cornelia had niet veel tijd noodig om, door Kruidnagel, haar gewonen koksknecht, geholpen, het maal te bereiden. De tafel werd gedekt in de tweede afdeeling van den reiswagen, gewoonlijk de woonkamer genoemd, waarin eene aangename warmte heerschte tengevolge van het in de aangrenzende ruimte brandende keukenfornuis. De eetlust van vader, moeder en kinderen, die nooit te wenschen overliet, was dezen dag buitengewoon. De omstandigheden in aanmerking genomen, was dat geen wonder.Toen het eten afgeloopen was, richtte mijnheer Cascabel tot allen het woord, waarbij hij den plechtigen toon aansloeg waarmede hij gewoon was het »geëerde publiek« toe te spreken.—Morgen, kinderen, zeide hij, verlaten wij Sacramento, die nobele stad, met hare nobele ingezetenen, over wie wij niet anders danroemen kunnen, onverschillig of hunne huid blank, rood of zwart ziet. Maar Sacramento ligt in Californië; Californië is een stuk van Amerika en Amerika is Europa niet. Een mensch heeft maar één vaderland. Europa, dat is Frankrijk en het is waarlijk niet te vroeg wanneer wij naar Frankrijk terug verlangen na er zoovele jaren van gescheiden te zijn geweest. Hebben wij in dien tijd fortuin gemaakt? Om de waarheid te zeggen: neen! Intusschen zijn wij eigenaars van een zeker aantal dollars, die in onze geldkist een goed figuur zullen maken nadat wij ze in fransch goud- of zilvergeld ingewisseld zullen hebben. Een deel van dat bedrag zullen wij besteden om den Atlantischen Oceaan over te steken op een der snelvarende stoomschepen van wier top de driekleur wappert die onze Napoleon weleer in de hoofdsteden aller landen geplant heeft. Cornelia, ik drink op uwe gezondheid!Moeder Cascabel knikte vriendelijk met het hoofd, in antwoord op deze beleefdheid die haar man haar dikwijls bewees, als wilde hij zijne dankbaarheid toonen voor de moeite die zij zich gegeven had om hem in de personen zijner kinderen de evenbeelden van Hercules en Achilles te schenken.Toen sprak hij weder:—Ook drink ik op onze behouden reis! Mogen gunstige winden onze zeilen doen zwellen!Hij zweeg teneinde gelegenheid te hebben allen voor het laatst uit de heerlijke sherry-flesch nog eens in te schenken.—Intusschen, mijn vriend Kruidnagel, zult gij misschien de opmerking maken dat er na het betalen van onze passage niets meer in de geldkist over zal zijn?—Daar ben ik niet bang voor patroon..... ten minste als de plaatskaart op de booten, gevoegd bij die op de spoorwegen niet zóóveel kost.......—Wat praat ge van spoorwegen, vanrail-roads, zooals de Yankees zeggen, riep Cascabel. Maar onnoozel schepsel, onbekwaam tot eenige redeneering, daar reizen wij niet mede! Van Sacramento tot New-York reken ik dat het vervoer ons niets kosten zal, want daar gebruiken wij ons huis op wielen voor. Een honderd of wat mijlen rijdens, daar zal, vermoed ik, de familie Cascabel zich niet door laten afschrikken, zij die nooit anders gewoon is geweest dan de wereld door te rollen!—Dat spreekt van zelf, bevestigde Jan.—Wat eene vreugde zal het voor ons zijn, Frankrijk terug te zien! zeide moeder Cascabel.—Frankrijk, kinderen, begon haar man weder, dat gij geen vanallen kent, want gij zijt in Amerika geboren; het schoone Frankrijk dat gij eindelijk zult aanschouwen. Welk een geluk, Cornelia, voor u die uit Provence, en voor mij die uit Normandië ben, er weder heen te gaan na eene afwezigheid van twintig jaren!—Ja, Cesar, wat een geluk!—Zie Cornelia, al werd mij nu eene plaats aangeboden in den kunstenmakerstroep van Barnum, ik zou er voor bedanken. Niets is langer in staat mij hier te houden. Ik wil naar mijn land terug, al moest ik er op mijne handen naar toe loopen. Ik voel dat ik het heimwee heb, en dat is niet anders te genezen dan door naar het vaderland terug te gaan. Dus moeten wij er zonder uitstel heen!Wat Cesar Cascabel zeide, was de waarheid. Hij en zijne vrouw dachten aan niets anders meer dan aan hunnen terugkeer naar Frankrijk. Welk eene zelfvoldoening was het voor beiden, het geld er voor eindelijk bijeen te hebben!—Morgen gaan wij op marsch, zeide Cascabel.—Zou dat misschien onze laatste reis niet kunnen zijn? vroeg Cornelia.—Vrouw, antwoordde haar man met waardigheid, ik ken maar ééne laatste reis, dat is die waarvoor er van onzen Lieven Heer geen retourbiljet te krijgen is.—Nu ja, Cesar, maar zullen wij niet, vóór dat wij die reis ondernemen, fortuin gemaakt hebben en van het werken kunnen uitrusten?—Rusten, Cornelia? Nooit. Ik wil geen fortuin maken indien het gevolg daarvan moet zijn dat ik stil moet gaan zitten. Gelooft gij dat ge het recht hebt de talenten ongebruikt te laten waarmede de natuur u zoo mild begiftigd heeft? Denkt gij dat ik met mijne armen over elkaar zal gaan loopen, op gevaar af dat mijne gewrichten hunne lenigheid verliezen zullen? Kunt gij het u voorstellen dat Jan zijne kunsten als equilibrist verzaken zal; dat Napoleona zal ophouden te dansen op het gespannen koord, met of zonder balanceerstok; dat Sander niet langer gezien zal worden als het toppunt der menschen-piramide, en dat zelfs Kruidnagel niet meer zijn half dozijn muilperen in de minuut zal waarnemen, tot groote verlustiging van het geëerde publiek? Neen, mijne Cornelia! Zeg mij dat de zon zal worden uitgedoofd door den regen, dat de oceaan verdwijnen zal in de maag der visschen, maar zeg mij niet dat er een oogenblik komen zal waarop de familie Cascabel rust zal nemen!Zij hadden nu niets anders meer te doen dan alles gereed te maken voor de reis, teneinde den volgenden ochtend, zoodra de zon boven Sacramento zou opgaan, den tocht te aanvaarden.De namiddag werd daartoe besteed. Onnoodig te zeggen dat de vermaarde geldkist op eene veilige plek in de achterste afdeeling van den wagen neergezet was.—Op deze manier, merkte Cascabel op, kunnen wij dag en nacht het oog er op houden.—Ik begin hoe langer hoe meer in te zien dat het eene goede gedachte van u geweest is, Cesar, antwoordde Cornelia. Ik heb geen spijt van het geld dat wij er voor betaald hebben.—De kist is alleen misschien wat klein, vrouw. Maar als onze »sok« grooter wordt, kunnen wij er altijd eene ruimere aanschaffen.II.De familie Cascabel.Cascabel! Die naam was bekend, ja vermaard in alle vijf werelddeelen,—»en in andere plaatsen«, was de man gewoon te zeggen die de eer had hem te dragen.Cesar Cascabel was afkomstig uit Pontorson in het hart van Normandië, en al de gauwigheid, al de slimme streken, door welke het Normandische ras beroemd is, waren hem eigen. Maar zoo geslepen en gevat als hij zijn mocht, hij was altijd een eerlijk man gebleven, en niemand had het recht hem te tellen onder de schurftige schapen van de zwervende kudde der straatkunstenmakers. Hij was een oppassend huisvader, die door zijne goede eigenschappen als mensch ruimschoots goed maakte wat zijne nederige afkomst en zijn ongeregeld beroep hem misschien te kort mochten doen komen.Hij was op het tijdstip waarop wij hem leeren kennen, vijf-en-veertig jaren oud en zag er ook uit als een man van dien leeftijd. Onder den blooten hemel geboren, in letterlijken zin, was de mand, die zijn vader op den rug droeg en waarmede hij de dorpskermissen en jaarmarkten in Normandië afreisde, zijne wieg geweest. Zijne moeder was kort na zijne geboorte gestorven, eenige jaren later verloor hij ook zijnen vader en toen had een rondreizende kunstenmakerstroep, die juist voorbijtrok, hem tot zich genomen. Zoo had hij zijne kinderjaren doorgebracht met op zijn hoofd te staan, opzijne handen te loopen en sprongen in de lucht te maken. Hij werd achtereenvolgens paljas, kunstenmaker in alle vakken en verdiende met de vlugheid zijner ledematen en de kracht zijner spieren voor zichzelf den kost, tot op het oogenblik toen hij kennis maakte met de tegenwoordige mevrouw Cascabel, van haarzelve Cornelia Vadarasse genaamd, uit Martigues in Provence geboortig, die hem achtereenvolgens drie kinderen schonk. Zoo was hij zelf de bestuurder van eenen troep geworden, waarvan zijn gezin de sujetten leverde.Hij was schrander en vernuftig, sterk en lenig, meer dan de meeste andere menschen; maar zijne zedelijke eigenschappen deden niet onder voor die van zijn lichaam en verstand. Het is wel waar dat een rollende steen geen blijvende plaats bekomt, maar onder het schuren tegen de andere steenen en de distelen van den weg wordt hij ten minste glad en glimmend en slijten de scherpe hoeken er af. In de vijf-en-veertig jaren dat hij aan ’t rollen was, had Cesar Cascabel zooveel geleerd en ondervonden, dat hij van het leven alles wist wat iemand er van te weten kan komen. Hij verwonderde zich over niets meer en niets was meer in staat hem van zijn stuk te brengen. Al zwervende van de eene kermis naar de andere in alle landen van Europa, in Amerika zoowel als in de nederlandsche en spaansche koloniën, had hij bijna alle talen leeren verstaan en wist hij er zich ten naastenbij ook in verstaanbaar te maken, »zelfs in die welke hij niet sprak« was hij gewoon te beweren. Want als de taal hem in den steek liet, had hij altijd zijne zeer sprekende gebaren tot zijne beschikking.Cesar Cascabel was iets meer dan middelmatig van lengte, krachtig van lichaamsbouw, goed geëvenredigd van ledematen. Zijn onderkaak stak een weinig naar voren, hetgeen een teeken van geestkracht is; hij had een stevigen kop, dicht bezet met een dichten haarbos; zijn gelaat was door de zon verbrand en door den wind verweerd; onder zijn grooten neus droeg hij een knevel zonder punten en aan zijne gebruinde wangen een paar heele korte bakkebaarden; zijne oogen waren blauw, levendig en doordringend en hadden eene goedaardige uitdrukking; in zijnen mond ontbrak nog maar één van de drie-en-dertig tanden en kiezen die er in behoorden. Tegenover het »geëerde publiek« was hij niet zuinig met geweldige gebaren, theatrale houdingen en bluffende volzinnen; maar in het gewone leven was hij de eenvoud en de natuurlijkheid zelve. Geen huisvader overtrof hem in hartelijke liefde voor zijn gezin.Van een ijzersterk gestel, bezat hij thans de noodige lenigheid niet meer voor het dansen op de koord of voor de kunsten aan den rekstok; maar waar het op spierkracht aankwam behoorde hij altijdnog onder de besten in zijn beroep. Buitendien was hij een meester in de edele kunst van buikspreken, eene soort van kermisvertooning welke reeds van overouden tijd dagteekent, want de kerkvader Eustachius verzekert dat de priesteres van Endor, die voor Saul waarzegde, niets anders was dan eene buikspreekster. Als Cesar het goedvond, zakten zijne stembanden tot ver beneden zijne maag. Of hij met zichzelf een duo had kunnen zingen, had hij nog nooit beproefd; maar wie weet of hij er niet toe in staat ware geweest!Om zijne beeltenis volledig te maken moeten wij hier nog bijvoegen dat Cesar Cascabel een zwak had voor beroemde krijgshelden en vooral voor Napoleon I. Zoo hoog als hij dien veroveraar vereerde, zoo diep verachtte hij diens beulen, de Engelschen, die hij allen voor nakomelingen van den gemeenen Hudson Lowe, Napoleon’s gevangenbewaarder op Sint Helena, hield. Hij had dan ook nooit verkozen te »werken« voor de koningin van Engeland, verzekerde hij, »niettegenstaande die vorstin hem door haren opperhofmeester persoonlijk had doen uitnoodigen.« Dit laatste had hij zoo dikwijls verteld, dat hij eindelijk zelf geloofde dat het waar was.Met dat al had Cascabel het nog niet kunnen brengen tot de waardigheid van directeur van een groot paardenspel, zooals een Franconi, een Carré of een Myers, met heel hunnen stoet van rijders en rijderessen, van clowns en goochelaars. Hij was niets meer dan een gewone kermisreiziger, die als het mooi weer was op de pleinen en markten in de open lucht, en als het regende onder eene tent zijne kunsten vertoonde. Met dit beroep, dat hij met zeer afwisselend geluk gedurende het vierde eener eeuw had uitgeoefend, had hij zooals wij verteld hebben het spaarduitje bijeengegaard dat thans in de kist met het letterslot bewaard lag.Hoeveel arbeid, hoeveel vermoeienis, hoeveel ellende zelfs, vertegenwoordigde dat beetje geld! Nu echter was het ergste achter den rug. De familie Cascabel maakte zich gereed naar Europa terug te keeren. Na de Vereenigde Staten over bijna hunne geheele breedte doorgetrokken te zijn, zouden zij plaats nemen op eene fransche of amerikaansche pakketboot. Van eene engelsche mocht natuurlijk geen sprake zijn.Cascabel was iemand die op alles raad wist. Hinderpalen kende hij niet; hij beschouwde die op zijn hoogst als moeielijkheden die overwonnen moesten worden. Zijnen weg door het leven te vinden, beschouwde hij als zijne bestemming. Even als de hertog van Dantzig, een der maarschalken van zijn keizerlijken held, had hij kunnen zeggen: »Waar een gaatje te vinden is, zal ik er doorheen kruipen«.Door hoeveel gaten was hij dan ook in zijn leven niet reeds gekropen!»Mevrouw Cascabel, geboren Cornelia Vadarasse, provençaalsche van het zuiverste bloed, zonder wedergade in het voorspellen van de toekomst,clairvoyanteensomnambule, de koningin aller electrische vrouwen, gesierd door alle bekoorlijkheden harer sekse, bezitster aller deugden die de kroon uitmaken eener huismoeder, met den krans der overwinning uit den grooten vrouwen-worstelstrijd te Chicago gekomen, waar de beroemdste vrouwelijke athleten der wereld waren saamgestroomd!«Dit waren de bewoordingen waarmede mijnheer Cascabel gewoon was zijne echtgenoote aan het publiek voor te stellen. Nu twintig jaar geleden was hij te New-York met haar in het huwelijk getreden. Of hij er aan gedacht had de toestemming van zijnen vader te vragen vóór dat hij tot dien stap overging? Geen oogenblik, vooreerst, zeide hij, dewijl zijn vader ook hem niet geraadpleegd had toen hij in het huwelijk trad, en in de tweede plaats dewijl die brave man niet meer leefde. Het geval was doodeenvoudig in zijn werk gegaan, met minder omslag dan in het achterlijke Europa, waar twee wezens die bestemd schijnen om met elkander vereenigd te worden, door een aantal formaliteiten daarin belemmerd worden.Op een goeden avond als toeschouwer in het Barnum-theater te New-York zijnde, was Cesar Cascabel levendig getroffen geworden door de bevalligheid, de lenigheid en de kracht, door eene jeugdige fransche kunstenmaakster, mejuffrouw Cornelia Vadarasse, aan den rekstok ten toon gespreid. Dit bekoorlijke vrouwspersoon aan zich te verbinden, hun beider levens tot één te maken, in de toekomst eene reeks van kleine Cascabels te voorschijn te roepen, die hunne ouders in alles waardig zouden zijn, dat scheen den gemoedelijken straatkunstenaar eene zaak die als van zelve sprak. Gedurende eene pauze snelde hij het tooneel op, liet zich aan Cornelia Vadarasse voorstellen en gaf haar terstond te verstaan dat zij beiden als franschen bestemd waren, elkander hart en hand te schenken. Onder de toeschouwers bevond zich een geestelijke; deze werd naar de gezelschapszaal der artisten getroond en daar werd hem gevraagd op eenen band, die zoo in alle opzichten in den hemel gelegd scheen te zijn, het zegel der kerk te drukken. In het vrije en gelukkige Amerika bestaat daar geenerlei bezwaar tegen en het geschiedde alzoo. Zijn zulke met stoom gesloten huwelijken er minder goed om? Dit moge zijn zooals het wil, dat van Cesar Cascabel en Cornelia Vadarasse was eene der gelukkigste echtverbintenissen, ooit op dit ondermaansche gesloten.Jan Cascabel.Jan Cascabel.De eerstgeborene uit dit huwelijk van twee straatkunstenmakers was Jan, thans negentien jaar oud. Het was alsof hij aan zijne afkomst ontrouw was geworden wat betreft de sterkte der spieren en den aanleg voor koorddansen, gymnastische toeren of paljas-aardigheden. Daarentegen was hij uiterst behendig in de handen en had hij eene gave van scherp opmerken, door welke eigenschappen hij het ver gebracht had in alle kunsten waar handigheid en vlugheid bij te pas kwamen, zonder dat hij zich op dit talent het minste liet voorstaan. Het was een zachtaardige, stille jongen, bruin van gelaatskleur als zijne moeder, doch met blauwe oogen. Hij had veel pleizier in lezen en maakte van alle voorkomende gelegenheden gebruik om iets te leeren. Zonder dat hij zich over het beroep zijner ouders schaamde, geloofde hij toch dat er iets beters voor hem te doen was dan kunsten voor de menschen te maken en in het geheim koesterde hij de hoop, zoodra hij in Frankrijk teruggekeerd mocht wezen, zijn tegenwoordig bedrijf te laten varen. Hij hield echter te veel van zijne ouders om zich over dit onderwerp anders dan met de grootste omzichtigheid uit te laten; trouwens op welke manier hem eene gelegenheid geopend zou kunnen worden om op eene andere wijze door de wereld te komen, wist hij in de verte niet te zeggen.In leeftijd volgde op den oudste de tweede zoon. Deze was in den volsten zin van het woord een spruit van vader en moeder Cascabel en voor kunstenmaken in de wieg gelegd. Hij was twaalf jaar oud, zoo lenig als eene kat, zoo vlug als een aap, en zoo glad als een aal. Hij was nog maar drie voet zes duim lang en niet groot dus voor zijnen leeftijd, maar hij was naar het zeggen van zijnen vader met éénen luchtsprong in de wereld gekomen en nu reeds een echte clown, daarbij een straatjongen vol grappen en streken, maar met een goed hart. Een pak slaag verdiende hij af en toe, maar hij nam dat al lachende aan, want de klappen kwamen zelden hard aan en waren nooit valsch gemeend.Wij hebben reeds gezegd dat de oudste van Cascabel’s kinderen Jan heette. Dien naam had zijne moeder hem gegeven als eene herinnering aan eenen oud-oom te Marseille, Jan Vadarasse, een zeeman die door menschen-eters heette opgegeten te zijn, iets waar zijne achternicht niet weinig trotsch op was. Jan’s vader, die zichzelf in den naam Cesar verheugen mocht, had voor zijn oudsten zoon zeker iets anders verlangd, iets meer in overeenstemming met de bewondering die hij voor beroemde krijgshelden koesterde, maar hij had bij het kiezen van eenen naam voor hunnen eerstgeborene zijne vrouw niet willen tegenspreken. Daarom had hij er in toegestemddat de jongen eenvoudig Jan zou heeten, maar met het stille voornemen om indien hun meer spruiten geschonken werden, zich voor zijne inschikkelijkheid schadeloos te stellen.Dit gebeurde ook zoodra hem een tweede zoon geboren werd. Na eenigen tijd geaarzeld te hebben tusschen Hamilcar, Attila of Hannibal, eindigde Cesar met hem Alexander te doen doopen. Bij verkorting werd hij gewoonlijk Sander genoemd.Op de twee jongens volgde mettertijd een meisje. Moeder Cascabel had deze Hersilia willen noemen, maar haar man stond er op dat zij Napoleona zou heeten als eene hulde aan den martelaar van Sint Helena.Napoleona was nu acht jaar oud. Het was een lief kind dat een mooi meisje beloofde te worden. Zij was blond en had eene frissche kleur, met een gelaat vol uitdrukking en leven. Bevallig in al hare bewegingen en goed van aanleg, bracht zij het in de edele kunst van koorddansen spoedig tot eene aanmerkelijke hoogte. Zooals zij met hare welgevormde voetjes over den stijf gespannen metalen draad zweefde, huppelend en sierlijke passen makend, was het alsof het schepseltje vleugels had om zich recht te houden.Ieder begrijpt dat Napoleona het liefste kind van het gezin was. Zij was aller oogappel en toch geen bedorven kind in den slechten zin van het woord. Hare moeder koesterde de stille hoop dat haar dochtertje eenmaal een voornaam huwelijk zou doen. Dat is immers een van die dingen welke in het wisselvallige leven van straatkunstenaars af en toe voorkomen. Waarom zou Napoleona, volwassen en eene knappe jonge dochter geworden, niet eenen prins of baron kunnen ontmoeten die op haar verlieven en haar trouwen zou?—Dat gebeurt alleen in sprookjes, meende Cesar, die de zaken kalmer opnam dan zijne vrouw.—Neen Cesar, het gebeurt ook in het werkelijke leven.—Helaas, mijn goede Cornelia, de tijd is voorbij toen koningen herderinnen tot vrouw namen. Trouwens, zooals de zaken tegenwoordig gesteld zijn, weet ik niet of iedere herderin wel met eenen koning zou willen trouwen.Dit was dus de familie Cascabel, vader, moeder en drie kinderen. Met het oog op de vereischten voor de vertooning eener menschen-pyramide, waarbij de artisten twee aan twee op elkanders schouders gaan staan, ware het misschien wenschelijk geweest dat er nog een vierde kind bij was gekomen. Maar nummer vier verkoos niet te komen.Gelukkig hadden zij Kruidnagel. Deze was altijd beschikbaar om bij buitengewone gelegenheden in de bres te springen.Kruidnagel en Napoleona. (Zie bladz. 20).Kruidnagel en Napoleona. (Zie bladz.20).Kruidnagel was inderdaad een onmisbaar aanhangsel van de Cascabels en maakte de familie voltallig niettegenstaande hij een amerikaan van geboorte was. Hij was een dier arme drommels die hunne ouders nooit gekend hebben; die te nauwernood de plek weten waar zij geboren zijn; die door de liefdadigheid van vreemden groot worden gebracht en te eten krijgen voor zoover er iets voor hen overblijft; die tot oppassende menschen kunnen opgroeien wanneer hunne inborst goed is, zoodat zij weerstand weten te bieden aan de slechte voorbeelden en aan de booze inblazingen, waar de armoede maar al te gul mede is. Zulke verwaarloosde schepsels gaan meestal den verkeerden kant op en komen slecht terecht; maar is er geen reden om medelijden met hen te hebben?Met Ned Harley, die van mijnheer Cascabel den bijnaam Kruidnagel gekregen had, was het goed afgeloopen. Dien bijnaam had hij te danken aan zijn figuur, want hij was zoo mager als een spijker. Zij hadden hem dus even goed Draadnagel kunnen noemen, maar Kruidnagel klonk meer uitheemsch en kreeg de voorkeur omdat onwillekeurig de gedachte aan eene afkomst uit de Specery-eilanden er zich aan verbond.Het was nu twee jaar geleden dat Cascabel op zijne reis door de Vereenigde Staten den armen vondeling ontmoet had. Ned Harley had op dat tijdstip letterlijk niet meer te eten. De troep kunstenmakers waar hij aan verbonden was, ging uit elkander nadat de directeur er van op den loop gegaan was. Ned speelde er voor »minstreel«, zooals het in de engelsch sprekende kunstenmakerswereld heet. Dat is een treurig bestaan, al verdient men er ook ten naaste bij den kost mede. Zich insmeeren met schoensmeer, zich tot een »neger« maken, zich in een zwarten rok en broek, een wit vest en eene witte das steken, om zoo toegetakeld de malste liedjes te zingen en op eene akelige viool te krassen, vergezeld en begeleid door nog vier of vijf van zulke hansworsten, welk eene maatschappelijke bestemming! Deze bestemming was het echter, die Ned Harley tot zijne bittere droefheid kwijt was op het oogenblik toen hij zoo gelukkig was een reddenden engel te ontmoeten in den persoon van Cesar Cascabel.Deze had juist eenen helper weggestuurd die bij de voorstellingen in den regel voor paljas speelde. Wat dat voor een bedrieger was, kan iemand zich nauwelijks voorstellen. Verbeeld u dat hij zich voor een amerikaan had uitgegeven terwijl hij een geboren engelschman was! Een landgenoot van John Bull in eenen troep fransche kunstenmakers! Een afstammeling van dien beul, die Napoleon..... Wij behoeven er niets bij te voegen om te doenbegrijpen hoe Cascabel zich voelde op den dag toen hij te weten kwam wat voor een landsman zijn paljas was.—Mijn goede mijnheer Warburton, voegde hij hem toe, aangezien gij een engelschman zijt, verzoek ik u in den kortst mogelijken tijd uwe biezen te pakken, indien gij niet wilt dat ik u, in uw paljassenpak zooals gij daar staat, de deur uitsmijt.Mijnheer Warburton maakte dat hij uit de voeten kwam, want hij had anders op het breedste gedeelte van zijne paljassenbroek eenen schop gekregen die hem het wegloopen al te gemakkelijk gemaakt zou hebben.Kruidnagel kwam dus in zijne plaats. Hij werd aangenomen om van alles te doen, paljasdienst zoowel als het werk van stalknecht bij de paarden of van keukenjongen als Cornelia hulp noodig had. Natuurlijk sprak hij fransch, maar met een sterken uitheemschen tongval.Ofschoon reeds om en bij de vijf-en-dertig jaren was het toch nog een onnoozele knaap, uitgelaten genoeg als hij met zijne potsen het publiek bezig hield, maar in het gewone leven eer droefgeestig van aard. Hij bezag de meeste dingen van den donkeren kant en goed beschouwd was dat geen wonder, want hij had geene reden om zich onder de troetelkinderen der fortuin te tellen. Hij was een wonderlijk schepsel, met zijn puntig toeloopend hoofd, zijne geelachtige haren, zijne ronde, domme oogen, zijn vervaarlijk langen neus, waar hij een half dozijn brillen op wist te zetten hetgeen altijd een groot gelach onder het publiek deed opgaan, zijne wijd uitstaande ooren, zijn ooievaarshals en zijn mageren romp op een paar spillebeenen. Toch hoorde niemand hem klagen, ten minste—dit voorbehoud maakte hij gewoonlijk—als het hem niet zóó erg tegenliep dat hij wel klagen moest. Van het oogenblik af dat hij aan den troep van Cascabel verbonden was geworden, was hij begonnen zich aan het gezin te hechten en zij hadden het op dit oogenblik nauwelijks meer zonder Kruidnagel kunnen stellen.Hiermede hebben wij, als het geoorloofd is dit te zeggen, alles wat er menschelijks was in den kunstenmakerstroep aan onze lezers te zien gegeven.Er waren echter ook dierlijke bestanddeelen. In de eerste plaats een patrijshond van het echte ras, goed op de jacht, maar onmisbaar om op de rollende woning te passen. Vervolgens een poedel, een aardig en vernuftig dier, die zeker, zoodra er eene academie van geleerde honden gesticht mocht worden, daarin eene plaats zal krijgen.Behalve de beide honden moeten wij nog melding maken vaneen aap, die als het op potsen maken aankwam alle recht had om met Kruidnagel op ééne lijn gesteld te worden, zóó zelfs dat de toeschouwers niet zelden aarzelden aan wien van de twee zij de voorkeur moesten geven. Dan was er een Javaansche papegaai, antwoordende op den naam Jako, die door zijnen vriend Sander vlijtig onderricht werd en dank zij diens lessen, tien uren van de twaalf snaterde, zong of floot. Eindelijk nog twee paarden, een paar goede beesten, vrij hoog op jaren, die den kermiswagen voorttrokken. Zij hadden er sedert lang de heugenis van verloren hoeveel honderden mijlen zij met hunne gaandeweg stijf geworden beenen den wagen reeds over allerlei gebaande of ongebaande wegen hadden voortgezeuld.Is iemand er op gesteld de namen dezer kostelijke dieren te weten? Zij heetten Vermout en Gladiator, naar twee beroemde raspaarden, die op wedrennen te Parijs op engelsche mededingers den prijs behaald hebben. Maar eenige andere overeenkomst met deze wereldvermaarde rossen dan die van den naam, vertoonden de geduldige viervoeters, die den wagen der Cascabel’s trokken, niet.Van de twee honden antwoordde de poedel op den naam Marengo en de patrijshond op dien van Wagram. Niemand behoeft te vragen hoe het kwam dat zij naar deze historische plaatsen vernoemd waren.De aap heette John Bull, welke onderscheiding hij aan zijne buitengewone leelijkheid te danken had.Hieraan kunnen wij niets veranderen; het was een zwak van Cesar Cascabel dat voortsproot uit een loffelijk gevoel van vaderlandsliefde, al erkennen wij dat zulke gevoelens van haat tegen personen van anderen landaard in onzen tijd eigenlijk niet meer te pas komen.—Hoe is het mogelijk, zeide hij wel eens, dat iemand geen afgod maakt van dien grooten man, die onder eene hagelbui van kogels zijne soldaten toeriep: »Volgt de witte pluim op mijnen helm; gij vindt hem altijd in het midden der vijanden!«Iemand had hem eens doen opmerken dat het Hendrik de Vierde en niet Napoleon geweest was, die deze woorden gebruikt had.—Wel mogelijk, antwoordde hij. Maar Napoleon was er de man naar om hetzelfde te zeggen!Marengo de poedel en John Bull de aap. (Zie bladz. 24).Marengo de poedel en John Bull de aap. (Zie bladz.24).III.De Sierra Nevada.Hoevelen hebben niet wel eens verlangd eene reis te doen in een huis op wielen, op de manier van reizende kunstenmakers! Geen zorgen te hebben over logement of herberg, over het bed waar men nooit te voren zeker vankanzijn en over het middagmaal waar men nog minder op rekenen kan, ten minste wanneer de reis gaat door een land waar de dorpen en gehuchten dun gezaaid zijn. Er zijn wel enkele pleizier-reizigers die iets dergelijks doen aan boord van hunne eigen jachten, waar zij al de geriefelijkheden eener woning op medenemen, maar zeldzaam zijn zij die met een eigen reis-rijtuig een eenigszins aanmerkelijk eind weegs afleggen. Toch is zulk een reiswagen inderdaad een huis dat zich beweegt. Hoe komt het dan dat het genoegen van »eene zeereis op vasten wal« tot kermiskunstenaars beperkt blijft?De wagen van zulk een zwerver is inderdaad eene volledige woning, in vertrekken afgedeeld en van meubelen voorzien, een rollend dag- en nachtverblijf. Die van Cesar Cascabel bevatte alle gemakken die voor zijn zwervend bestaan onontbeerlijk waren.De wagen had eenen naam,De schoone Zwerfster, even alsof het een schip was, en de verschillende tochten door onderscheidene deelen der nieuwe wereld, die zij reeds had helpen doen, rechtvaardigden die dichterlijke benaming. Drie jaar geleden was het rijtuig nieuw gekocht van de spaarpenningen die het echtpaar toenhad overgegaard. Het had gediend om de oude kar te vervangen, waar zij tot dien tijd zich mede hadden beholpen, een ruw en hortend ding zonder veeren, alleen maar met een lap geteerd zeildoek overdekt, waaronder het gezin de nachten doorbracht. Met dit gebrekkige vervoermiddel hadden de Cascabels twintig jaren lang de kermissen en jaarmarkten in de amerikaansche Unie afgereisd. Het spreekt dus van zelf dat hun nieuwe rijtuig van amerikaansch maaksel was.DeSchoone Zwerfsterwas een wagen op vier wielen, rustende op beste stalen veeren, licht en toch stevig van bouw. Zij werd met zorg onderhouden, op haar tijd gewasschen, gepoetst en gepolijst, zoodat de met schitterende kleuren, goudgeel en cochenille-rood, beschilderde wanden in het zonnelicht blonken. Daarop prijkten met groote letters de woorden:Familie Cesar Cascabel. Zij was even lang als de groote reis- en goederenwagens, die gebruikt worden voor tochten door de prairieën in het verre westen, waar de spoorwegen, die in de richting van San Francisco de beide oceanen verbinden, nog niet met hunne vertakkingen zijn doorgedrongen. Twee paarden konden niet anders dan in den stap het zware voertuig voortkrijgen. De last dien zij te trekken hadden, was niet gering. Behalve de reizigers, een zeildoeksche tent met palen, touwen, en toebehooren, die boven op den wagen geborgen werd, en daar beneden, tusschen de wielen, een kleed van zeildoek, dat onder het rijden heen en weder slingerde en waarin allerlei geborgen werd, de turksche trom en de roffeltrom, de klephoorn en de trompet, en al de andere benoodigdheden die voor de vertooningen van kunstenmakers vereischt worden. Daartoe behoorden ook de kostuums voor eene vermaarde pantomime, genaamd:De roovers van het Zwarte Woud, welke sedert lang den roem der familie Cascabel uitmaakte.Het binnenste van den wagen was zeer doelmatig ingericht en zoo netjes en zindelijk als eene hollandsche boerenwoning, want Cornelia verstond, waar het op orde en reinheid aankwam, geen gekscheren.Achterin, van de buitenlucht gescheiden door eene glazen schuifdeur, bevond zich de afdeeling voor keuken bestemd, waar het fornuis stond te branden. Dan kwam het huisvertrek, tevens eetkamer, waar ook de lieden werden ontvangen die zich de toekomst wilden doen voorspellen. Vervolgens een slaapvertrek, waar de slaapplaatsen twee aan twee tegenover en boven elkaar getimmerd waren even als de kooien in een schip. Daar sliepen aan den linkerkant de twee jongens en aan de overzijde, door een gordijn vanhen gescheiden, hun zusje. Voorin eindelijk was de slaapkamer van Cascabel en zijne vrouw, wier beddegoed bestond uit een mooie matras en een veelkleurige gestikte deken. Daar had ook de lang begeerde geldkist nu eene plaats gekregen. In alle hoeken waren plankjes getimmerd, die opgeslagen en neergelaten konden worden teneinde als tafeltjes te dienen, en kleine kasten tot berging van de kleederen, de pruiken, de valsche baarden en wat verder bij de pantomime te pas kwam. Aan de zoldering hingen twee petroleumlampen, die evenals scheepslampen al de bewegingen van het rijtuig op de hobbelige wegen mede maakten. Bij dag drong het licht naar binnen door een half dozijn in de wanden gemaakte openingen, met in lood gevatte glasruiten gesloten, waar dunne gordijntjes voor hingen die door gekleurde linten werden opgehouden. Het geheel geleek van binnen op de roef eener oud-hollandsche trekschuit.Kruidnagel was voor zijn persoon met weinig tevreden. Gewoonlijk sliep hij in de keuken, waar hij des avonds aan twee in de wanden geslagen haken zijne hangmat ophing, die ’s morgens bij het krieken van den ochtend weder door hem opgerold werd.De twee honden, Wagram en Marengo, die ’s nachts de wacht te houden hadden, sliepen in het dekkleed onder den wagen. De aap John Bull hield hen daar gezelschap en maakte het hun, met zijne ongepaste aardigheden, wel eens lastiger dan noodig was. Jako de papegaai eindelijk hing in eene kooi aan de zoldering van het woonvertrek.De paarden, Gladiator en Vermout, werden gewoonlijk in de nabijheid van deSchoone Zwerfsterin vrijheid aan het grazen gelaten. Zelden was het noodig ze vast te binden. In de uitgestrekte prairieën vonden zij voedsel in overvloed, en na zich den buik volgegeten te hebben, behoefden zij maar te gaan liggen om het even goed te hebben als in eenen stal.Aldus toegerust, met geweren en revolvers onder het bereik der slapenden en met de twee honden als schildwachten, was deSchoone Zwerfstereen even veilig als geriefelijk nachtverblijf.Er waren reeds ontelbare mijlen mede afgereisd in de drie jaren dat zij dienst had gedaan. Van New-York naar Albany, van Niagara naar Buffalo, naar Saint Louis, naar Philadelphia, naar Boston, naar Washington, langs de Mississippi naar Nieuw-Orleans, langs de spoorweglijn van de Great-Trunk tot het hart van het Rotsachtige Gebergte, in het land der Mormonen en tot achter in Californië! Het scheen wel voor eene gezondheidsreis te mogen doorgaan, want niemand van den troep was ooit een oogenblik ziek geweest, alleen de gulzige John Bull uitgezonderd, die nooit eenegelegenheid verzuimde om zich de maag te overladen en daar dan ook de gevolgen van ondervond.Zij stelden zich er heel wat van voor, deSchoone Zwerfsternaar Europa te brengen en met dit voertuig over de straatwegen van het vaderland te rijden. Wat een bekijks zouden zij hebben in geheel Frankrijk, vooral onder de landelijke bevolking. Cesar Cascabel dacht aan niets anders dan aan zijn geliefd geboorteland, zijn Normandië, dat hij zijn leven lang gehoopt had terug te zien en dat hij nu werkelijk in zijne verbeelding reeds vóór zich had.Te New-York aankomende, waren zij voornemens den reiswagen uit elkaar te nemen en in te pakken en hem vervolgens als vrachtgoed met de stoomboot naar Hâvre mede te nemen. Daar kon hij weer op de wielen gezet worden en hoopten zij er de reis door Frankrijk mede te aanvaarden.Het geheele gezin, man, vrouw en kinderen had slechts éénen wensch: den tocht te beginnen. Het was alsof hunne viervoetige vrienden hun ongeduld deelden. Den 15denFebruari, des ochtends heel in de vroegte braken zij dus gezamenlijk van het pleintje te Sacramento op, sommigen te voet, anderen in den wagen, ieder zooals het hem goed dacht.Het weder was zeer koel, maar mooi. Onnoodig te zeggen dat er gezorgd was voor den noodigen leeftocht, bestaande in ingelegd vleesch en groenten. Zij rekenden er echter op dat de voorraad in steden en dorpen, welke zij door moesten trekken, aangevuld zou kunnen worden, en bovendien is er in deze streken overvloed van allerlei wild, bisons, herten, hazen en patrijzen. Jan was een geoefend schutter en zou zijn geweer niet laten roesten, terwijl hij voor geene jacht-aktebehoefdete zorgen want in de uitgestrekte prairieën van het verre Westen is er geen koddebeier of veldwachter die u daar naar vraagt. De poedel Marengo deugde voor dit soort van werk niet, maar de patrijshond Wagram was zoo goed afgericht als de beste jachthond en nooit beter in zijn schik dan wanneer hij een stuk wild achterna mocht zitten.Buiten Sacramento gekomen, reed deSchoone Zwerfsterin de richting van het Noord-Oosten. Zij wilden langs den kortsten weg de grens over en het gebergte der Sierra Nevada doortrekken. Dit was ongeveer een paar honderd kilometers, tot waar de Sonora-pas tusschen de bergen doorgaat en in de onafzienbare vlakte aan de oostzijde uitkomt.Deze streek was eigenlijk nog niet wat men het verre Westen noemt. Dáár zijn de dorpen en gehuchten zeldzamer. Het was ook niet de prairie, met haar onbegrensden gezichteinder, haar eindeloosgrasveld, bewoond door zwervende Indiaansche stammen, die naarmate de beschaving voortschrijdt, meer naar de minst bevolkte gewesten van Noord-Amerika worden teruggedrongen. Bijna dadelijk nadat zij Sacramento achter zich hadden, begon de grond reeds te rijzen. Dit waren de eerste golvingen der Sierra Nevada, die het rijke Californië omringt met eene aaneengeschakelde reeks bergen, door donkere dennenwouden overdekt, waarboven hier en daar toppen uitsteken van een vijfduizend meters hoogte. Het is alsof de natuur dit land, waar zij zoovele schatten verborgen heeft die thans reeds door de op buit beluste hand der menschen geroofd zijn, achter een zwaar gordijn van eeuwig groen heeft willen verbergen. In de richting welke deSchoone Zwerfsterwas ingeslagen, kwamen zij langs verscheidene steden van beteekenis, zooals Jackson, Mocquelenne, Placerville, voorposten als het ware van het goudland en van het district Calavaras. Maar de familie Cascabel hield alleen op waar zij inkoopen had te doen of waar zij eenen rustigen nacht wilde doorbrengen. Cesar maakte haast om den Nevada-bergketen, vervolgens de woeste streek van het Groote Zoutmeer en daarna de hooge passen van het Rotsachtige Gebergte door te komen. Gedurende dit gedeelte van den tocht moest er van het rijtuig en de paarden het meeste gevergd worden. Eenmaal in de nabijheid van Erie of Ontario gekomen, hadden zij slechts de vlakte door te trekken waar de wielsporen van andere voertuigen en de door de hoeven van andere paarden platgetreden paden hun van zelf den weg zouden wijzen.Niet dan langzaam kwamen zij in deze bergachtige streek vooruit. Ook hadden zij vrij wat last van koude want de laatste weken van den winter deden zich terdege voelen, al bevonden zij zich pas op den acht-en-dertigsten breedtegraad, dat is op gelijke aardrijkskundige hoogte als Sicilië en Spanje in Europa. Zooals bekend is ondervindt Amerika de werking niet van den Golfstroom, dien warmen zee-arm, die uit de Golf van Mexico komende, zich in oostelijke richting dwars door den oceaan naar Europa wendt. Hierdoor is het amerikaansche klimaat, op gelijke breedte, veel kouder dan dat der europeesche landen. Dit zou echter nog slechts eenige weken duren. Dan was de winter voorbij en de vruchtbare bodem van Californië zou zich weder vertoonen in al zijnen rijkdom, als het land waar het graan een honderdvoudigen oogst brengt, waar alle voortbrengselen der heete zoowel als der gematigde luchtstreek in weelderigen overvloed tieren, suikerriet, rijst, tabak, oranjeappelen, olijven, citroenen, ananassen, bananen en andere vruchten. Niet het goud maakt Californië rijk, maar de ongeëvenaarde vruchtbaarheid zijner uitgestrekte landouwen.In de Sierra Nevada. (Zie bladz. 30).In de Sierra Nevada.(Zie bladz.30).—Wij zullen nog wel eens aan dit heerlijke land denken, merkte Cornelia op, die voor eene welvoorziene keuken lang niet onverschillig was.—Snoepster die gij zijt! antwoordde Cesar.—Ik zeg het niet voor mij, maar voor de kinderen.Menige dag ging voorbij terwijl zij langs den rand der wouden en dwars door de groene vlakten hunnen weg zochten. Ontelbaar waren de troepen vee die zij in het wild tegenkwamen, en die hier overvloed van voedsel vinden zonder dat op eenige plek het weelderige grastapijt een spoor vertoont van afgegraasd te zijn. Den onuitputtelijken plantengroei van Californië, die zich zonder ophouden telkens vernieuwt, kan niemand zich voorstellen die hem niet aanschouwd heeft. Het is de korenschuur van het land langs den stillen Oceaan; alle handelsvloten, zoo die vereenigd werden om de oogsten er van weg te voeren, zouden niet in staat zijn de opbrengst uit te putten. DeSchoone Zwerfsterschreed voort met dezelfde snelheid waarmede zij in den regel hare reizen maakte, dat was eene mijl of zes, zeven daags, zelden meer. Zoo was zij met haar levenden last reeds in alle staten der Unie geweest en had zij den troep van Cascabel overal bekend gemaakt, van de monden der Mississippi tot in Nieuw-Engeland. Maar op hare vroegere tochten werd er in iedere stad halt gehouden teneinde er voorstellingen te geven en geld op te halen. Thans ging het in eene rechte lijn van het Westen naar het Oosten, zonder dat er moeite gedaan werd om op eenige manier de aandacht der bewoners te trekken. Geene kunstreis deden zij ditmaal, maar het was in de eerste plaats om het oude Europa te doen en daarna om de vriendelijke dorpen van het goede Normandië.Het was dan ook een vroolijke tocht en menig stevig gebouwd huis, dat zij tegenkwamen, had den goeden geest die in de voorbijtrekkende woning op wielen heerschte, kunnen benijden. Er werd heel wat gelachen, gezongen en gekheid gemaakt, ook maakte Sander nu en dan met zijn klephoorn de vogels aan het schrikken, wier onbezorgdheid voor het overige veel overeenkomst had met de gemoedsstemming van het zwervende gezin.Dit alles nam echter niet weg dat de dagen, gedurende welke zij op reis waren, niet in ledigheid mochten worden doorgebracht.—Kinderen, zeide Cascabel telkens, wij moeten oppassen dat wij niet verroesten!Zoo dikwijls er halt gemaakt werd om de paarden te laten rusten, was het dus met de rust der reizigers gedaan. Niet zelden gebeurde het dat er Indianen nieuwsgierig kwamen kijken, terwijlJan zich in het balanceeren oefende, de kleine Napoleona eenige nieuwe danspassen en toeren probeerde en Sander zijne ledematen uitrekte en boog alsof ze van guttapercha waren. Dan toonde ook Cornelia de kracht harer spieren en liet haar man de zeldzaamste geluiden uit zijne buik komen, terwijl Jako zat te snateren in zijne kooi, de twee honden samen allerlei kunsten uitvoerden en John Bull, door het voorbeeld aangestoken, zijne malste grimassen vertoonde.Hierbij moeten wij echter niet verzuimen te vertellen dat Jan ook op andere wijze den tijd niet ongebruikt voorbij liet gaan. De enkele boeken die hij in deSchoone Zwerfsterbergen kon, werd hij niet moede te lezen en te herlezen. Het waren nieuwe leerboeken voor aardrijkskunde en cijferkunst, benevens eenige reisbeschrijvingen. Ook hield hij wat op eene zeereis het »Scheepsjournaal« genoemd zou worden en menig reisavontuur werd op onderhoudende manier daarin verhaald.—Ge zult nog veel te knap worden, zei zijn vader wel eens. Maar ge moogt doen wat ge goed vindt.Het kwam bij Cascabel niet op den leerlust van zijn eerstgeborene tegentegaan. Hij en zijne vrouw waren er in den grond van hun hart niet weinig trotsch op dat een hunner spruiten een »geleerde« scheen te willen worden.In den namiddag van den 27stenFebruari bereikte deSchoone Zwerfsterden ingang van een der passen door de Sierra Nevada. Daar doorheen te komen was een vermoeiend vooruitzicht en zou wel een dag of vier duren. Menschen en dieren moesten tot halfweg de hoogte van den berg onafgebroken klimmen. Om den wagen naar boven te krijgen langs het nauwe pad, dat zich zigzagsgewijs om de wanden van den berg slingerde, moesten de reizigers telkens de handen aan de wielen slaan. Daarbij kwam dat naarmate zij hooger kwamen, het weer minder gunstig dreigde te worden, al begonnen zij reeds den invloed van de vroegtijdig invallende Californische lente te gevoelen. Geweldige regens, hagelbuien en sneeuwstormen maken deze bergpassen dikwijls onveilig, vooral op plaatsen waar de weg, plotseling eenen scherpen hoek makende tusschen hooge rotsen, als in eenen trechter doordringt. Het hoogste punt der passen ligt boven de grens der nimmer smeltende sneeuw, en eerst na ruim een paar duizend meters op deze hoogte te zijn voortgeschreden, begint de reiziger in het land der Mormonen langzaam te dalen.Cascabel was echter voornemens te werk te gaan zooals hij bij dergelijke gelegenheden gewoon was te doen en hulp-paarden te huren. Die kon hij gewoonlijk in het eene of andere gehucht aanden voet der bergen wel krijgen, evenals een paar mannen, hetzij Indianen of Amerikanen, om als voerlieden dienst te doen. Dit kostte wel eenig geld, maar het was onvermijdelijk indien hij zijn eigen tweespan niet wilde bederven.Des avonds van den 27stenbevonden zij zich bij den ingang van den Sonora-pas. De valleien welke zij tot dusver doorgetrokken waren, hadden geen bijzondere moeilijkheden opgeleverd en het was dus nog niet noodig geweest de taak van Vermout en Gladiator te verlichten. Maar al ware het geheele gezelschap hen te hulp gekomen, dan waren hunne vereende krachten nog niet toereikend geweest voor hetgeen hun thans te doen stond.Op korten afstand van een klein gehucht, verloren te midden der eenzaamheid van het gebergte, werd halt gehouden. Het waren slechts enkele huizen, en op een paar geweerschoten afstands stond eene landhoeve, waarheen Cascabel plan maakte zich dienzelfden avond te begeven, teneinde te zien of hij voor den volgenden dag daar paarden kon bekomen om de zijne te helpen.Eerst moesten er echter de noodige maatregelen genomen worden om hier den nacht door te brengen.Nadat alles gereed gemaakt was zooals zij het gewoon waren, gingen er een paar op uit om in het gehucht een en ander te koopen, spijs voor de menschen en voeder voor het vee.Dien avond was er geen sprake van oefeningen of toeren te maken, want allen waren moede. Het was een zware dag geweest; een groot gedeelte van den weg hadden zij te voet moeten afleggen teneinde den last voor de paarden te verlichten. Cascabel bepaalde dus dat ieder rust moest houden en tevens dat daarin geen verandering zou komen zoo lang zij in de Sierra aan het stijgen waren.Cesar wierp een laatsten blik op de toebereidselen voor den nacht en overtuigde zich dat alles in orde was. Toen vertrouwde hij deSchoone Zwerfsteraan de waakzaamheid van zijne vrouw en kinderen, en sloeg hij met Kruidnagel den weg in naar de hoeve, uit wier schoorsteenen blauwe rookwolken tusschen de boomen naar boven stegen.De boerderij bleek bewoond te worden door een Californisch gezin, dat de vreemdelingen vriendschappelijk ontving. De eigenaar beloofde drie paarden met twee geleiders te zullen leveren. De beide mannen zouden tevens als wegwijzers dienen tot aan de plek waar de helling van het gebergte naar den oostkant eenen aanvang neemt. Van daar af had deSchoone Zwerfstergeene hulp meer noodig en de mannen zouden dan de paarden terugbrengen, maar het een en ander zou vrij wat geld kosten.CesarCascabeldong en pingelde als een man die er niet van houdt om zijn geld weg te gooien. In het eind werden zij het eens tot eenen prijs, die de som niet te boven ging welke hij voor dit gedeelte der reis had bestemd.Den volgenden ochtend te zes uren waren de mannen met de drie paarden op het appèl. De dieren werden vóór Vermout en Gladiator aangespannen en spoedig was deSchoone Zwerfsterin een nauwen bergpas, waarvan de wanden aan weerszijden met dichte bosschen overdekt waren. Een paar uren verder maakte de weg een scherpen hoek en de weelderige landouwen van Californië, die onze reizigers niet zonder een gevoel van spijt vaarwel zeiden, verdwenen achter de geweldige berggevaarten der Sierra Nevada.De drie paarden van den Californischen boer waren stevige beesten, op wier trekkracht zij staat konden maken, maar of hunne geleiders even goed te vertrouwen waren, scheen tamelijk twijfelachtig.Het waren een paar sterke kerels van gemengd bloed, half Indianen en half Engelschen. Had Cascabel dat geweten, hij had hen zeker zonder verder vragen naar huis gestuurd.Cornelia vond ten minste dat zij er alles behalve eerlijk uitzagen, Jan was het met zijne moeder eens en Kruidnagel stemde met hen in. Cesar scheen het ditmaal niet gelukkig getroffen te hebben, maar in het ergste geval waren zij toch maar met hun tweeën en als zij iets kwaads in den zin mochten hebben zouden zij ondervinden dat zij niet met weerlooze lieden te doen hadden.Op het ontmoeten van slecht volk bestond in de Sierra niet veel kans, want de wegen stonden als veilig bekend. De tijd was voorbij toen de ruwe Californische mijnwerkers, die destijdsloafersenrowdiesbijgenaamd werden, met allerlei zwervend gespuis, uit alle deelen der wereld derwaarts gekomen, samenspanden om reizigers en eenzaam wonende lieden te plunderen. De goedgezinde bevolking had zoo dikwijls de lynch-wet op hen toegepast, dat er een einde was gekomen aan deze straatrooverijen.Intusschen was Cascabel een te voorzichtig man om tegenover de twee vreemden niet op zijne hoede te wezen.Dit viel niet tegen te spreken, dat het een paar flinke karrevoerders waren. De dag liep dan ook zonder eenig ongeval ten einde en dit was toch maar de hoofdzaak. Hadden zij het ongeluk gehad een wiel te verliezen of eene as te breken, dan zouden de bewoners van deSchoonste Zwerfster, op zulk eenen afstand van iedere menschelijke woning en zonder gereedschap om eenige avarij van beteekeniste herstellen, in de grootste verlegenheid geraakt zijn.De bergpas was uitermate wild en woest. Aan weerszijden niets dan dennenstammen, bijna zwart van kleur, waartusschen de steenachtige grond met een dik tapijt van mos bekleed was. Verbazende rotsklompen lagen telkens in den weg en moesten omgetrokken worden. Vooral was dit het geval langs een der zijtakken van de Walkner-rivier, die zelve haren oorsprong neemt in het meer van dien naam en wier wateren met geweldige sprongen hunnen weg nemen naar diepe afgronden. In de verte, hoog tusschen de wolken, schemerde de Castle-piek, een puntige rots, van lagere spitsen omgeven die in de grilligste fatsoenen uit diepe ravijnen oprijzen.Tegen vijf uur des namiddags begon het in den door hooge bergwanden ingesloten bergpas reeds donker te worden. De weg maakte hier weder een scherpen hoek en de helling was zoo steil dat een gedeelte der lading van den wagen moest genomen worden om hem te verlichten. Het onderaan hangende dekkleed met al wat er in was en bijna de geheele bovenlast werden voorloopig achtergelaten.Ieder stak zijne handen uit om te helpen en het moest erkend worden dat de twee karrevoerders zich niet lui toonden, waardoor Cascabel en de zijnen eenigszins terugkwamen van den ongunstigen indruk, dien de mannen aanvankelijk op hen gemaakt hadden. De tocht door de bergpas zou trouwens nog slechts twee dagen duren, dan zouden zij het hoogste punt bereiken en konden de hulppaarden met hunne geleiders weder naar de hoeve terugkeeren.Toen er eene geschikte plaats gevonden was om des nachts verblijf te houden, gingen de karrevoerders ook eene plek zoeken om hunne paarden vast te binden. Terwijl zij hierop uit waren, ging Cascabel met zijne twee zonen en Kruidnagel terug naar het punt van den weg, waar de afgeladen voorwerpen zoo lang waren neergelegd.Na den vermoeienden dag smaakte het avond-eten dubbel. Niemand talmde lang om te gaan slapen.Cascabel bood de twee vreemden eene slaapplaats aan in eene der afdeelingen van deSchoone Zwerfster, maar daarvan wilden zij niet gediend zijn. Zij zeiden dat zij onder de boomen een beter onderkomen konden vinden om in hunne dikke dekens gewikkeld tevens de paarden goed onder hun bereik te hebben.Korten tijd nadat dit aldus geregeld was, lag niemand in het kampement meer met open oogen.Zoodra het den volgenden ochtend licht begon te worden waren groot en klein weder op de been.Wij zijn bestolen. (Zie bladz. 38).Wij zijn bestolen.(Zie bladz.38).Cascabel met Jan en Kruidnagel kwamen het eerst uit deSchoone Zwerfstervoor den dag en gingen den kant op waar Gladiator en Vermout den vorigen avond vastgezet waren.Hunne paarden waren daar ook, maar die van den boer waren nergens te zien.Zij konden echter niet ver afgedwaald wezen en Jan keerde naar den wagen terug om de karrevoerders te gelasten hunne beesten weder op te zoeken. Maar ook de twee mannen waren niet bij de hand.—Waar zouden zij zitten? vroeg Jan.—Ik denk, zeide Cesar, dat zij er reeds op uit zijn om hunne paarden terug te halen.—Ohé!... Ohé!... riep Kruidnagel met zijne schelle stem, die ver in den bergpas teruggekaatst werd.Er kwam geen antwoord.Nu begonnen Jan en zijn vader samen te schreeuwen zoo hard zij konden, ook gingen zij een eind naar beide kanten den weg op, heen en weer terug.De twee karrevoerders kwamen niet te voorschijn.—Zouden wij nu toch gelijk gehad hebben toen hun tronie ons zoo weinig aanstond? zeide Cascabel.—Maar wat voor reden zouden zij hebben om ons in den steek te laten? merkte Jan op.—Zeker om ons eene leelijke poets te bakken.—Maar wat hebben zij er aan om van ons van daan te loopen?—Ja, wat hebben zij daar aan?... Wacht eens, misschien kunnen wij er gemakkelijk genoeg achter komen!Door Jan en Kruidnagel gevolgd, snelde Cascabel zoo hard hij loopen kon naar den reiswagen.De trede opvliegen, de deur openstooten, alle vertrekken doorrennen om in het achterste te gaan kijken of de goedbewaakte geldkist nog op hare plaats stond, was het werk van een oogenblik. Eene seconde later kwam Cesar weder voor den dag, met den uitroep:—Wij zijn bestolen!—De geldkist? vroeg Cornelia.—De schoeljes hebben die meegepakt!

I.Een man van fortuin.—Heeft er niemand geld meer bij zich? Komaan kinderen, zoekt eens in uwe zakken!—Hier heb ik nog wat, vader, antwoordde het meisje.Uit haar zak bracht zij een groen papiertje te voorschijn, vierkant, vet en beduimeld. De woordenUnited States fractional currencydie er op gedrukt stonden als randschrift rondom het borstbeeld van een heer in burgerkleeding, met het cijfer 10 zesmaal herhaald in de hoeken, waren nauwelijks meer te lezen. Dit beteekende dat het tien Amerikaansche centen, of ongeveer een hollandsch kwartje waard was.—Hoe komt ge daaraan? vroeg de moeder.—Dat heb ik den laatsten keer opgehaald, was het antwoord van Napoleona.—Hebt gij niets meer, Sander?—Niemendal vader.—En Jan?—Geen cent.—Hoeveel moet ge dan nog hebben Cesar? vroeg Cornelia aan haar man.—Als wij eene ronde som hebben willen, komen er twee centen te kort, verklaarde mijnheer Cascabel.—Hier zijn ze, patroon, kwam Kruidnagel vertellen terwijl hij een stuk kopergeld, dat hij uit de diepte van een zijner zakken had opgedoken, door de lucht liet vliegen.—Mooi zoo, Nageltje! riep de kleine meid.—Mooi, nu zijn wij er! liet Cascabel volgen.Inderdaad: »hij was er«, om de woorden van den braven kunstenmaker te gebruiken. In het geheel had hij twee duizend dollars bijeen, dat is ten naasten bij vijf duizend gulden.Vijf duizend gulden, door eigen talent en vlijt aan de goedgeefschheid van jan en alleman afgedwongen, is dat niet een fortuintje?Cornelia gaf haar man een zoen en al de kinderen volgden een voor een haar voorbeeld.—Nu moeten wij ons eene brandkast aanschaffen, hernam Cascabel, een mooie brandkast met een geheim slot, om onzen schat te bewaren.—Is dat werkelijk noodig? vroeg Cornelia, altijd een weinig bang voor buitensporige uitgaven.—Cornelia, wij kunnen er niet buiten.—Zou een geldtrommel niet voldoende zijn?—Dat is nu weer zoo’n vrouwenpraatje! riep Cascabel. Een trommel, dat is goed om oorringen en armbanden in te bewaren. Voor baar geld is eene brandkast noodig of op zijn minst een geldkist, vooral omdat wij met onze vijfduizend gulden eene lange reis hebben te maken.—Nu, koop dan een geldkist, maar denk er aan dat ge afdingt! waarschuwde de zuinige Cornelia.Het hoofd des gezins opende de deur, die toegang gaf tot het »prachtige en sterke rijtuig«, dat de reizende familie tot woning diende. Hij stapte de ijzeren trede af die vóór de deur hing en sloeg eene der straten in welke naar het hart der stad Sacramento voerden.Het kan in de maand Februari koud zijn in den staat Californië, ofschoon die op gelijke aardrijkskundige breedte ligt als Spanje. Maar gewikkeld in zijn wijden mantel met nagemaakt marterbont gevoerd en met zijne pelsmuts over de ooren, kon mijnheer Cascabel de koude weinig deren en stapte hij vroolijk voort. Een geldkist, eindelijk een geldkist te bezitten, was iets waar hij zijn leven lang van gedroomd had. Die droom stond op het punt werkelijkheid te worden!Hetgeen wij bezig zijn te vertellen viel voor in de tweede maand van het jaar 1867.Negentien jaren vóór dat tijdstip was de plek waar tegenwoordig de stad Sacramento staat, nog niets dan eene groote, ledige vlakte met een fortje in het midden, een soort van versterkt blokhuis, datdoor deSettlersen de eerste reizende kooplieden gebouwd was om tegen de aanvallen der West-Amerikaansche Indianen beveiligd te zijn. Maar nadat de Amerikanen het land van de Mexicanen afgenomen hadden, die te zwak waren om het naar behooren te verdedigen, was er in den toestand van Californië spoedig verandering gekomen. Het fortje had plaats gemaakt voor eene stad en die was na nog geen twintig jaren eene van de aanzienlijkste steden in de Vereenigde Staten geworden, zonder dat herhaalde branden en overstroomingen in staat waren geweest dien snel wassenden omvang te stuiten.In 1869 had mijnheer Cascabel dus niets meer te vreezen van vijandige Indiaansche stammen. Ook werd de publieke weg niet langer onveilig gemaakt door roofzuchtige vagebonden uit alle landen der aarde, die in 1849 Californië kwamen overstroomen. In dat jaar werden de goudmijnen ontdekt, die een weinig meer naar het noordwesten, op de vlakte van Grass-Valley gelegen zijn en onder welke de beroemde mijn van Allison-Ranch, waarvan het gesteente gemiddeld een halven gulden aan goud op iedere kilogram erts bevatte, het meest vermaard is geworden.Die tijd, met zijne ongehoorde fortuinmakerij, vaak gevolgd door een nog sneller ondergang, gepaard met de diepste armoede, was thans voorbij. Geen goudzoeker was er meer te vinden, zelfs niet in het district Caribou, een gedeelte van engelsch Columbia, noordelijk van het Washington-territorium, waar nog in 1863 de mijnwerkers bij duizenden werden aangetroffen. Geen gevaar dus dat Cascabel’s spaarduitje, in den letterlijken zin van het woord door hem in het zweet zijns aanschijns bijeengebracht en nu met zorg in de zakken van zijnen mantel geborgen, hem onderweg ontstolen kon worden. Om de waarheid te zeggen was het aanschaffen van eene geldkist dan ook voor het veilige bewaren van zijnen schat niet zóó onontbeerlijk als hij voorgaf. Maar hij hechtte er aan omdat hij voornemens was eene groote reis te ondernemen door de weinig bezochte streken van het verre Westen, waar het misschien minder veilig zou zijn dan in Californië. Het doel dier reis was naar Europa terug te keeren.Onbekommerd vervolgde mijnheer Cascabel dus zijnen weg door de breede en nette straten van Sacramento. Hij ging over statige vierkante pleinen, in den zomer beschaduwd door zware boomen die nu hun bladerenkroon misten, omringd van weelderige hôtels en particuliere huizen, sierlijk en geriefelijk gebouwd, van openbare gebouwen in nieuw-engelschen stijl, van monumentale kerken vooral, door welk een en ander de hoofdplaats van Californië geheel hetvoorkomen van eene groote stad heeft. De straten waren vol bedrijvige menschen, kooplieden, reeders, fabrikanten, sommige het hoofd vol van de scheepsladingen die over de breede rivier of naar den Stillen Oceaan op reis waren, andere op weg naar den Folson-spoorweg, die de kortste gemeenschap met het hart der Vereenigde Staten vormt.Onder het fluiten van een franschen militairen marsch richtte Cascabel zijne schreden naar de High-Street. Daar had zijn vorschend oog eenen winkel opgemerkt waar een mededinger van de beroemdste brandkastenmakers der wereld zijne waren te koop bood. Wat in het magazijn van William J. Morlan verkocht werd, had den naam van goed en niet duur te zijn, in betrekkelijken zin altijd en in aanmerking genomen den hoogen prijs van alle fabrieks-artikelen in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.William J. Morlan bevond zich in zijn magazijn toen Cascabel daar binnentrad.—Uw dienaar, mijnheer Morlan, begon hij. Ik zou mij wel eene geldkist willen aanschaffen.William Morlan kende Cascabel, even als ieder in Sacramento hem kende. Was hij niet sedert drie weken de beste straatkunstenaar die zich in de stad bevond! Heel beleefd antwoordde de fabrikant dus:—Eene geldkist mijnheer Cascabel? nu, daar wensch ik u van harte geluk mede.—Hoe bedoelt gij dat?—Wel, omdat iemand die eene geldkist komt koopen, wel eenige zakken dollars te bewaren moet hebben.—Dat zal wel waar zijn, mijnheer Morlan.—Welnu neem dan deze, antwoordde de winkelier, terwijl hij op eene manshooge brandkast wees, die goed op hare plaats geweest zou zijn in het kantoor van de gebroeders Rothschild of van andere bankiers, die in den regel goed van geld voorzien zijn.—Bedaard wat! hernam Cascabel. Die zou groot genoeg zijn om er mijn geheele gezin in te bergen. Nu is dat wel mijne kostbaarste bezitting, maar die behoef ik niet achter slot te bewaren. Zeg eens, mijnheer Morlan, hoeveel geld zou er wel in die verbazende kast gaan?—Eenige millioenen goudgeld.—Eenige millioenen zegt gij? Dan zal ik later wel eens terugkomen als ik die heb. Wat ik zoek is een kleine stevige kist, die ik onder mijn arm nemen en achter in mijn wagen zetten kan als wij op reis zijn.—Die heb ik ook voor u, mijnheer Cascabel.Uitstekend, die kist wil ik wel hebben. (Zie bladz. 6.)Uitstekend, die kist wil ik wel hebben. (Ziebladz.6.)De fabrikant haalde eene geldkist met een veiligheidsslot voor den dag. Het gewicht er van was niet meer dan een pond of twintig. Van binnen was de kist in laden en loketten verdeeld, evenals de kasten waar geld en geldswaardig papier in de banken in bewaard wordt.—Bovendien is zij tegen het vuur bestand, waar wij bij den verkoop voor instaan, voegde Morlan er bij.—Uitstekend, uitstekend! hernam Cascabel. Indien gij ook voor de deugdelijkheid van het slot instaat, wil ik die kist wel hebben.—Het is een slot met geheime sluiting, hernam de koopman, Het bestaat uit vier letters, waarvan uit vier alfabetten een woord gekozen kan worden, zoodat er bijna vier maal honderd duizend samenvoegingen te bedenken zijn. In den tijd dien een dief noodig zou hebben om het woord te vinden, zou hij een millioen keeren in de gevangenis gezet kunnen worden.—Een millioen keeren, zegt gij, mijnheer Morlan? Dat is waarlijk verbazend! Maar wat is de prijs er van? Gij begrijpt dat een geldkist te duur betaald zou zijn wanneer zij meer kostte dan hetgeen iemand er in te bergen heeft.—Volkomen juist, mijnheer Cascabel. Ik vraag er dan ook niet meer dan zes en een halven dollar voor.—Zes en een halven dollar? hernam Cascabel. Dat staat mij maar half aan, die zes en een halve dollar. Komaan mijnheer Morlan, om zaken te doen moet men wat toegeven. Zullen wij voor vijf dollars den koop sluiten?—Nu dan, omdat gij het zijt, mijnheer Cascabel.Met eenen handslag werd de koop bezegeld. Toen vroeg de fabrikant of hij de kist naar de rollende woning van den kunstenmaker wilde laten brengen, aangezien het niet te pas kwam dat de eigenaar zelf er mede onder den arm liep.—Hoe heb ik het nu met u, mijnheer Morlan? Een man als ik, die met gewichten van veertig pond speelt alsof het noten waren!—Word maar niet boos. Onder ons gezegd en gebleven, hoeveel wegen eigenlijk uwe gewichten van veertig pond?—Precies vijftien pond, maar vertel het aan niemand anders! antwoordde Cascabel.Lachende en als een paar goede vrienden namen de fabrikant en de kunstenmaker van elkander afscheid.Een half uur later hield de gelukkige bezitter van de geldkist zijnen intocht op het pleintje waar zijn wagen stond. Met niet weinig zelfvoldoening zette hij »de kas van de firma Cascabel« op hare plaats.Cesar Cascabel.CesarCascabel.Wat was het jonge volkje trotsch op het nieuwe meubel! Hoe blijde waren zij er mede! Zij werden niet moede de kist open te maken en weer te sluiten. De kleine Sander had er wel in willen kruipen om verstoppertje te spelen. Maar dat kon niet want Sander was te lang en om er krom in te liggen was de kist niet breed genoeg!Kruidnagel verklaarde nooit zoo iets moois gezien te hebben, zelfs niet in zijne droomen.—Wat een moeite moet het kosten om dat ding open te maken, zeide hij. Ten minste als het goed sluit, want anders moet het heel makkelijk gaan.—Dat is eene waarheid als eene koe, antwoordde de patroon. Op eenen toon van gezag waar niets op te antwoorden viel en met eenveelbeteekenendgebaar, waarvan de bedoeling voor niemand twijfelachtig kon zijn, liet hij toen volgen:—Komaan kinderen, neemt uwe beenen op en gaat het een en ander halen waar wij als koningen van smullen kunnen! Hier is een dollar waar gij voor koopen moogt wat gij wilt. Ik ben de man die van daag trakteert!Alsof de brave kerel niet iederen dag »trakteerde«! Maar dat was een van de grappen die hij het liefst uithaalde en waar hij zelf het hartelijkst om lachte.In een oogenblik waren Jan, Sander en Napoleona uit zicht, gevolgd door Kruidnagel met eene groote mand onder zijn arm om alles wat zij gingen aanschaffen te dragen.—Nu zijn wij alleen Cornelia, begon Cascabel. Laat ons nu een oogenblik praten.—Waarover Cesar?—Waarover? Wel over het woord dat wij kiezen moeten om het slot van onze geldkist toe te maken. Niet dat ik de kinderen niet vertrouw. Lieve hemel dat zijn engelen, en evenmin om dien onnoozelen Kruidnagel, want die is de eerlijkheid in persoon. Maar zulke woorden moeten toch geheim gehouden worden.—Neem maar een woord dat u het beste voorkomt, antwoordde Cornelia. Wat gij wilt, vind ik goed.—Hebt gij in ’t geheel geene keus?—Och neen.—Ik voor mij zou liefst den naam van iemand nemen.—Ja, ja ..., dat is goed. Den Uwen, Cesar.—Dat kan niet want die is te lang! Het moet een naam zijn van niet meer dan vier letters.—Laat dan eene letter van den uwen weg. Cesar is even goed zonder R, zou ik denken! Wij kunnen immers precies doen wat wij willen?Laat ons nu een oogenblik praten, Cornelia. (Zie bladz. 8.)Laat ons nu een oogenblik praten, Cornelia. (Ziebladz.8.)—Bravo, Cornelia! Dat is een goede inval, een van die invallen zooals gij er dikwijls hebt. Maar als wij het er over eens zijn dat wij eene letter uit eenen naam kunnen nemen, zie ik niet in waarom wij er geen vier zouden weglaten en dan uit den uwen.—Uit mijn naam?—Wel zeker! De laatste vier letters er van: E L I A. Dat klinkt zelfs nog mooier, vind ik.—Hoe bedenkt ge het, Cesar?—Zult ge het niet pleizierig vinden als uw naam de sluiting van onze geldkist wordt?—Zeker, vooral omdat hij in uw hart reeds geschreven staat, antwoordde Cornelia innig en vol geestdrift.Met ongehuichelde verrukking zoende zij haar braven man dat het klapte.Zoodoende gebeurde het dat wie ter wereld het woord ELIA niet kende, er nimmer in slagen zou de geldkist van de familie Cascabel open te krijgen.Na een half uur kwamen de kinderen terug met mondkost beladen. Het waren heerlijke sneden ham en pekelvleesch, en van die verbazende groenten zooals de vruchtbare grond van Californië ze voortbrengt, koolen met stronken als boomen, aardappelen als meloenen, wortelen ter lengte van een halven meter, die met geen andere te vergelijken zijn, was Cascabel gewoon te zeggen, dan met die welke men onderweg uit den grond trekt zonder de moeite te hebben van ze eerst te planten. Voor de dranken is er in Californië eene rijke keus uit alles wat eene amerikaansche keel kan streelen. Op het feestmaal der Cascabel’s had ieder een groot glas schuimend bier tot zijne beschikking en aan het dessert eene fijne flesch sherry voor allen.Cornelia had niet veel tijd noodig om, door Kruidnagel, haar gewonen koksknecht, geholpen, het maal te bereiden. De tafel werd gedekt in de tweede afdeeling van den reiswagen, gewoonlijk de woonkamer genoemd, waarin eene aangename warmte heerschte tengevolge van het in de aangrenzende ruimte brandende keukenfornuis. De eetlust van vader, moeder en kinderen, die nooit te wenschen overliet, was dezen dag buitengewoon. De omstandigheden in aanmerking genomen, was dat geen wonder.Toen het eten afgeloopen was, richtte mijnheer Cascabel tot allen het woord, waarbij hij den plechtigen toon aansloeg waarmede hij gewoon was het »geëerde publiek« toe te spreken.—Morgen, kinderen, zeide hij, verlaten wij Sacramento, die nobele stad, met hare nobele ingezetenen, over wie wij niet anders danroemen kunnen, onverschillig of hunne huid blank, rood of zwart ziet. Maar Sacramento ligt in Californië; Californië is een stuk van Amerika en Amerika is Europa niet. Een mensch heeft maar één vaderland. Europa, dat is Frankrijk en het is waarlijk niet te vroeg wanneer wij naar Frankrijk terug verlangen na er zoovele jaren van gescheiden te zijn geweest. Hebben wij in dien tijd fortuin gemaakt? Om de waarheid te zeggen: neen! Intusschen zijn wij eigenaars van een zeker aantal dollars, die in onze geldkist een goed figuur zullen maken nadat wij ze in fransch goud- of zilvergeld ingewisseld zullen hebben. Een deel van dat bedrag zullen wij besteden om den Atlantischen Oceaan over te steken op een der snelvarende stoomschepen van wier top de driekleur wappert die onze Napoleon weleer in de hoofdsteden aller landen geplant heeft. Cornelia, ik drink op uwe gezondheid!Moeder Cascabel knikte vriendelijk met het hoofd, in antwoord op deze beleefdheid die haar man haar dikwijls bewees, als wilde hij zijne dankbaarheid toonen voor de moeite die zij zich gegeven had om hem in de personen zijner kinderen de evenbeelden van Hercules en Achilles te schenken.Toen sprak hij weder:—Ook drink ik op onze behouden reis! Mogen gunstige winden onze zeilen doen zwellen!Hij zweeg teneinde gelegenheid te hebben allen voor het laatst uit de heerlijke sherry-flesch nog eens in te schenken.—Intusschen, mijn vriend Kruidnagel, zult gij misschien de opmerking maken dat er na het betalen van onze passage niets meer in de geldkist over zal zijn?—Daar ben ik niet bang voor patroon..... ten minste als de plaatskaart op de booten, gevoegd bij die op de spoorwegen niet zóóveel kost.......—Wat praat ge van spoorwegen, vanrail-roads, zooals de Yankees zeggen, riep Cascabel. Maar onnoozel schepsel, onbekwaam tot eenige redeneering, daar reizen wij niet mede! Van Sacramento tot New-York reken ik dat het vervoer ons niets kosten zal, want daar gebruiken wij ons huis op wielen voor. Een honderd of wat mijlen rijdens, daar zal, vermoed ik, de familie Cascabel zich niet door laten afschrikken, zij die nooit anders gewoon is geweest dan de wereld door te rollen!—Dat spreekt van zelf, bevestigde Jan.—Wat eene vreugde zal het voor ons zijn, Frankrijk terug te zien! zeide moeder Cascabel.—Frankrijk, kinderen, begon haar man weder, dat gij geen vanallen kent, want gij zijt in Amerika geboren; het schoone Frankrijk dat gij eindelijk zult aanschouwen. Welk een geluk, Cornelia, voor u die uit Provence, en voor mij die uit Normandië ben, er weder heen te gaan na eene afwezigheid van twintig jaren!—Ja, Cesar, wat een geluk!—Zie Cornelia, al werd mij nu eene plaats aangeboden in den kunstenmakerstroep van Barnum, ik zou er voor bedanken. Niets is langer in staat mij hier te houden. Ik wil naar mijn land terug, al moest ik er op mijne handen naar toe loopen. Ik voel dat ik het heimwee heb, en dat is niet anders te genezen dan door naar het vaderland terug te gaan. Dus moeten wij er zonder uitstel heen!Wat Cesar Cascabel zeide, was de waarheid. Hij en zijne vrouw dachten aan niets anders meer dan aan hunnen terugkeer naar Frankrijk. Welk eene zelfvoldoening was het voor beiden, het geld er voor eindelijk bijeen te hebben!—Morgen gaan wij op marsch, zeide Cascabel.—Zou dat misschien onze laatste reis niet kunnen zijn? vroeg Cornelia.—Vrouw, antwoordde haar man met waardigheid, ik ken maar ééne laatste reis, dat is die waarvoor er van onzen Lieven Heer geen retourbiljet te krijgen is.—Nu ja, Cesar, maar zullen wij niet, vóór dat wij die reis ondernemen, fortuin gemaakt hebben en van het werken kunnen uitrusten?—Rusten, Cornelia? Nooit. Ik wil geen fortuin maken indien het gevolg daarvan moet zijn dat ik stil moet gaan zitten. Gelooft gij dat ge het recht hebt de talenten ongebruikt te laten waarmede de natuur u zoo mild begiftigd heeft? Denkt gij dat ik met mijne armen over elkaar zal gaan loopen, op gevaar af dat mijne gewrichten hunne lenigheid verliezen zullen? Kunt gij het u voorstellen dat Jan zijne kunsten als equilibrist verzaken zal; dat Napoleona zal ophouden te dansen op het gespannen koord, met of zonder balanceerstok; dat Sander niet langer gezien zal worden als het toppunt der menschen-piramide, en dat zelfs Kruidnagel niet meer zijn half dozijn muilperen in de minuut zal waarnemen, tot groote verlustiging van het geëerde publiek? Neen, mijne Cornelia! Zeg mij dat de zon zal worden uitgedoofd door den regen, dat de oceaan verdwijnen zal in de maag der visschen, maar zeg mij niet dat er een oogenblik komen zal waarop de familie Cascabel rust zal nemen!Zij hadden nu niets anders meer te doen dan alles gereed te maken voor de reis, teneinde den volgenden ochtend, zoodra de zon boven Sacramento zou opgaan, den tocht te aanvaarden.De namiddag werd daartoe besteed. Onnoodig te zeggen dat de vermaarde geldkist op eene veilige plek in de achterste afdeeling van den wagen neergezet was.—Op deze manier, merkte Cascabel op, kunnen wij dag en nacht het oog er op houden.—Ik begin hoe langer hoe meer in te zien dat het eene goede gedachte van u geweest is, Cesar, antwoordde Cornelia. Ik heb geen spijt van het geld dat wij er voor betaald hebben.—De kist is alleen misschien wat klein, vrouw. Maar als onze »sok« grooter wordt, kunnen wij er altijd eene ruimere aanschaffen.

—Heeft er niemand geld meer bij zich? Komaan kinderen, zoekt eens in uwe zakken!

—Hier heb ik nog wat, vader, antwoordde het meisje.

Uit haar zak bracht zij een groen papiertje te voorschijn, vierkant, vet en beduimeld. De woordenUnited States fractional currencydie er op gedrukt stonden als randschrift rondom het borstbeeld van een heer in burgerkleeding, met het cijfer 10 zesmaal herhaald in de hoeken, waren nauwelijks meer te lezen. Dit beteekende dat het tien Amerikaansche centen, of ongeveer een hollandsch kwartje waard was.

—Hoe komt ge daaraan? vroeg de moeder.

—Dat heb ik den laatsten keer opgehaald, was het antwoord van Napoleona.

—Hebt gij niets meer, Sander?

—Niemendal vader.

—En Jan?

—Geen cent.

—Hoeveel moet ge dan nog hebben Cesar? vroeg Cornelia aan haar man.

—Als wij eene ronde som hebben willen, komen er twee centen te kort, verklaarde mijnheer Cascabel.

—Hier zijn ze, patroon, kwam Kruidnagel vertellen terwijl hij een stuk kopergeld, dat hij uit de diepte van een zijner zakken had opgedoken, door de lucht liet vliegen.

—Mooi zoo, Nageltje! riep de kleine meid.

—Mooi, nu zijn wij er! liet Cascabel volgen.

Inderdaad: »hij was er«, om de woorden van den braven kunstenmaker te gebruiken. In het geheel had hij twee duizend dollars bijeen, dat is ten naasten bij vijf duizend gulden.

Vijf duizend gulden, door eigen talent en vlijt aan de goedgeefschheid van jan en alleman afgedwongen, is dat niet een fortuintje?

Cornelia gaf haar man een zoen en al de kinderen volgden een voor een haar voorbeeld.

—Nu moeten wij ons eene brandkast aanschaffen, hernam Cascabel, een mooie brandkast met een geheim slot, om onzen schat te bewaren.

—Is dat werkelijk noodig? vroeg Cornelia, altijd een weinig bang voor buitensporige uitgaven.

—Cornelia, wij kunnen er niet buiten.

—Zou een geldtrommel niet voldoende zijn?

—Dat is nu weer zoo’n vrouwenpraatje! riep Cascabel. Een trommel, dat is goed om oorringen en armbanden in te bewaren. Voor baar geld is eene brandkast noodig of op zijn minst een geldkist, vooral omdat wij met onze vijfduizend gulden eene lange reis hebben te maken.

—Nu, koop dan een geldkist, maar denk er aan dat ge afdingt! waarschuwde de zuinige Cornelia.

Het hoofd des gezins opende de deur, die toegang gaf tot het »prachtige en sterke rijtuig«, dat de reizende familie tot woning diende. Hij stapte de ijzeren trede af die vóór de deur hing en sloeg eene der straten in welke naar het hart der stad Sacramento voerden.

Het kan in de maand Februari koud zijn in den staat Californië, ofschoon die op gelijke aardrijkskundige breedte ligt als Spanje. Maar gewikkeld in zijn wijden mantel met nagemaakt marterbont gevoerd en met zijne pelsmuts over de ooren, kon mijnheer Cascabel de koude weinig deren en stapte hij vroolijk voort. Een geldkist, eindelijk een geldkist te bezitten, was iets waar hij zijn leven lang van gedroomd had. Die droom stond op het punt werkelijkheid te worden!

Hetgeen wij bezig zijn te vertellen viel voor in de tweede maand van het jaar 1867.

Negentien jaren vóór dat tijdstip was de plek waar tegenwoordig de stad Sacramento staat, nog niets dan eene groote, ledige vlakte met een fortje in het midden, een soort van versterkt blokhuis, datdoor deSettlersen de eerste reizende kooplieden gebouwd was om tegen de aanvallen der West-Amerikaansche Indianen beveiligd te zijn. Maar nadat de Amerikanen het land van de Mexicanen afgenomen hadden, die te zwak waren om het naar behooren te verdedigen, was er in den toestand van Californië spoedig verandering gekomen. Het fortje had plaats gemaakt voor eene stad en die was na nog geen twintig jaren eene van de aanzienlijkste steden in de Vereenigde Staten geworden, zonder dat herhaalde branden en overstroomingen in staat waren geweest dien snel wassenden omvang te stuiten.

In 1869 had mijnheer Cascabel dus niets meer te vreezen van vijandige Indiaansche stammen. Ook werd de publieke weg niet langer onveilig gemaakt door roofzuchtige vagebonden uit alle landen der aarde, die in 1849 Californië kwamen overstroomen. In dat jaar werden de goudmijnen ontdekt, die een weinig meer naar het noordwesten, op de vlakte van Grass-Valley gelegen zijn en onder welke de beroemde mijn van Allison-Ranch, waarvan het gesteente gemiddeld een halven gulden aan goud op iedere kilogram erts bevatte, het meest vermaard is geworden.

Die tijd, met zijne ongehoorde fortuinmakerij, vaak gevolgd door een nog sneller ondergang, gepaard met de diepste armoede, was thans voorbij. Geen goudzoeker was er meer te vinden, zelfs niet in het district Caribou, een gedeelte van engelsch Columbia, noordelijk van het Washington-territorium, waar nog in 1863 de mijnwerkers bij duizenden werden aangetroffen. Geen gevaar dus dat Cascabel’s spaarduitje, in den letterlijken zin van het woord door hem in het zweet zijns aanschijns bijeengebracht en nu met zorg in de zakken van zijnen mantel geborgen, hem onderweg ontstolen kon worden. Om de waarheid te zeggen was het aanschaffen van eene geldkist dan ook voor het veilige bewaren van zijnen schat niet zóó onontbeerlijk als hij voorgaf. Maar hij hechtte er aan omdat hij voornemens was eene groote reis te ondernemen door de weinig bezochte streken van het verre Westen, waar het misschien minder veilig zou zijn dan in Californië. Het doel dier reis was naar Europa terug te keeren.

Onbekommerd vervolgde mijnheer Cascabel dus zijnen weg door de breede en nette straten van Sacramento. Hij ging over statige vierkante pleinen, in den zomer beschaduwd door zware boomen die nu hun bladerenkroon misten, omringd van weelderige hôtels en particuliere huizen, sierlijk en geriefelijk gebouwd, van openbare gebouwen in nieuw-engelschen stijl, van monumentale kerken vooral, door welk een en ander de hoofdplaats van Californië geheel hetvoorkomen van eene groote stad heeft. De straten waren vol bedrijvige menschen, kooplieden, reeders, fabrikanten, sommige het hoofd vol van de scheepsladingen die over de breede rivier of naar den Stillen Oceaan op reis waren, andere op weg naar den Folson-spoorweg, die de kortste gemeenschap met het hart der Vereenigde Staten vormt.

Onder het fluiten van een franschen militairen marsch richtte Cascabel zijne schreden naar de High-Street. Daar had zijn vorschend oog eenen winkel opgemerkt waar een mededinger van de beroemdste brandkastenmakers der wereld zijne waren te koop bood. Wat in het magazijn van William J. Morlan verkocht werd, had den naam van goed en niet duur te zijn, in betrekkelijken zin altijd en in aanmerking genomen den hoogen prijs van alle fabrieks-artikelen in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

William J. Morlan bevond zich in zijn magazijn toen Cascabel daar binnentrad.

—Uw dienaar, mijnheer Morlan, begon hij. Ik zou mij wel eene geldkist willen aanschaffen.

William Morlan kende Cascabel, even als ieder in Sacramento hem kende. Was hij niet sedert drie weken de beste straatkunstenaar die zich in de stad bevond! Heel beleefd antwoordde de fabrikant dus:

—Eene geldkist mijnheer Cascabel? nu, daar wensch ik u van harte geluk mede.

—Hoe bedoelt gij dat?

—Wel, omdat iemand die eene geldkist komt koopen, wel eenige zakken dollars te bewaren moet hebben.

—Dat zal wel waar zijn, mijnheer Morlan.

—Welnu neem dan deze, antwoordde de winkelier, terwijl hij op eene manshooge brandkast wees, die goed op hare plaats geweest zou zijn in het kantoor van de gebroeders Rothschild of van andere bankiers, die in den regel goed van geld voorzien zijn.

—Bedaard wat! hernam Cascabel. Die zou groot genoeg zijn om er mijn geheele gezin in te bergen. Nu is dat wel mijne kostbaarste bezitting, maar die behoef ik niet achter slot te bewaren. Zeg eens, mijnheer Morlan, hoeveel geld zou er wel in die verbazende kast gaan?

—Eenige millioenen goudgeld.

—Eenige millioenen zegt gij? Dan zal ik later wel eens terugkomen als ik die heb. Wat ik zoek is een kleine stevige kist, die ik onder mijn arm nemen en achter in mijn wagen zetten kan als wij op reis zijn.

—Die heb ik ook voor u, mijnheer Cascabel.

Uitstekend, die kist wil ik wel hebben. (Zie bladz. 6.)Uitstekend, die kist wil ik wel hebben. (Ziebladz.6.)

Uitstekend, die kist wil ik wel hebben. (Ziebladz.6.)

De fabrikant haalde eene geldkist met een veiligheidsslot voor den dag. Het gewicht er van was niet meer dan een pond of twintig. Van binnen was de kist in laden en loketten verdeeld, evenals de kasten waar geld en geldswaardig papier in de banken in bewaard wordt.

—Bovendien is zij tegen het vuur bestand, waar wij bij den verkoop voor instaan, voegde Morlan er bij.

—Uitstekend, uitstekend! hernam Cascabel. Indien gij ook voor de deugdelijkheid van het slot instaat, wil ik die kist wel hebben.

—Het is een slot met geheime sluiting, hernam de koopman, Het bestaat uit vier letters, waarvan uit vier alfabetten een woord gekozen kan worden, zoodat er bijna vier maal honderd duizend samenvoegingen te bedenken zijn. In den tijd dien een dief noodig zou hebben om het woord te vinden, zou hij een millioen keeren in de gevangenis gezet kunnen worden.

—Een millioen keeren, zegt gij, mijnheer Morlan? Dat is waarlijk verbazend! Maar wat is de prijs er van? Gij begrijpt dat een geldkist te duur betaald zou zijn wanneer zij meer kostte dan hetgeen iemand er in te bergen heeft.

—Volkomen juist, mijnheer Cascabel. Ik vraag er dan ook niet meer dan zes en een halven dollar voor.

—Zes en een halven dollar? hernam Cascabel. Dat staat mij maar half aan, die zes en een halve dollar. Komaan mijnheer Morlan, om zaken te doen moet men wat toegeven. Zullen wij voor vijf dollars den koop sluiten?

—Nu dan, omdat gij het zijt, mijnheer Cascabel.

Met eenen handslag werd de koop bezegeld. Toen vroeg de fabrikant of hij de kist naar de rollende woning van den kunstenmaker wilde laten brengen, aangezien het niet te pas kwam dat de eigenaar zelf er mede onder den arm liep.

—Hoe heb ik het nu met u, mijnheer Morlan? Een man als ik, die met gewichten van veertig pond speelt alsof het noten waren!

—Word maar niet boos. Onder ons gezegd en gebleven, hoeveel wegen eigenlijk uwe gewichten van veertig pond?

—Precies vijftien pond, maar vertel het aan niemand anders! antwoordde Cascabel.

Lachende en als een paar goede vrienden namen de fabrikant en de kunstenmaker van elkander afscheid.

Een half uur later hield de gelukkige bezitter van de geldkist zijnen intocht op het pleintje waar zijn wagen stond. Met niet weinig zelfvoldoening zette hij »de kas van de firma Cascabel« op hare plaats.

Cesar Cascabel.CesarCascabel.

CesarCascabel.

Wat was het jonge volkje trotsch op het nieuwe meubel! Hoe blijde waren zij er mede! Zij werden niet moede de kist open te maken en weer te sluiten. De kleine Sander had er wel in willen kruipen om verstoppertje te spelen. Maar dat kon niet want Sander was te lang en om er krom in te liggen was de kist niet breed genoeg!

Kruidnagel verklaarde nooit zoo iets moois gezien te hebben, zelfs niet in zijne droomen.

—Wat een moeite moet het kosten om dat ding open te maken, zeide hij. Ten minste als het goed sluit, want anders moet het heel makkelijk gaan.

—Dat is eene waarheid als eene koe, antwoordde de patroon. Op eenen toon van gezag waar niets op te antwoorden viel en met eenveelbeteekenendgebaar, waarvan de bedoeling voor niemand twijfelachtig kon zijn, liet hij toen volgen:

—Komaan kinderen, neemt uwe beenen op en gaat het een en ander halen waar wij als koningen van smullen kunnen! Hier is een dollar waar gij voor koopen moogt wat gij wilt. Ik ben de man die van daag trakteert!

Alsof de brave kerel niet iederen dag »trakteerde«! Maar dat was een van de grappen die hij het liefst uithaalde en waar hij zelf het hartelijkst om lachte.

In een oogenblik waren Jan, Sander en Napoleona uit zicht, gevolgd door Kruidnagel met eene groote mand onder zijn arm om alles wat zij gingen aanschaffen te dragen.

—Nu zijn wij alleen Cornelia, begon Cascabel. Laat ons nu een oogenblik praten.

—Waarover Cesar?

—Waarover? Wel over het woord dat wij kiezen moeten om het slot van onze geldkist toe te maken. Niet dat ik de kinderen niet vertrouw. Lieve hemel dat zijn engelen, en evenmin om dien onnoozelen Kruidnagel, want die is de eerlijkheid in persoon. Maar zulke woorden moeten toch geheim gehouden worden.

—Neem maar een woord dat u het beste voorkomt, antwoordde Cornelia. Wat gij wilt, vind ik goed.

—Hebt gij in ’t geheel geene keus?

—Och neen.

—Ik voor mij zou liefst den naam van iemand nemen.

—Ja, ja ..., dat is goed. Den Uwen, Cesar.

—Dat kan niet want die is te lang! Het moet een naam zijn van niet meer dan vier letters.

—Laat dan eene letter van den uwen weg. Cesar is even goed zonder R, zou ik denken! Wij kunnen immers precies doen wat wij willen?

Laat ons nu een oogenblik praten, Cornelia. (Zie bladz. 8.)Laat ons nu een oogenblik praten, Cornelia. (Ziebladz.8.)

Laat ons nu een oogenblik praten, Cornelia. (Ziebladz.8.)

—Bravo, Cornelia! Dat is een goede inval, een van die invallen zooals gij er dikwijls hebt. Maar als wij het er over eens zijn dat wij eene letter uit eenen naam kunnen nemen, zie ik niet in waarom wij er geen vier zouden weglaten en dan uit den uwen.

—Uit mijn naam?

—Wel zeker! De laatste vier letters er van: E L I A. Dat klinkt zelfs nog mooier, vind ik.

—Hoe bedenkt ge het, Cesar?

—Zult ge het niet pleizierig vinden als uw naam de sluiting van onze geldkist wordt?

—Zeker, vooral omdat hij in uw hart reeds geschreven staat, antwoordde Cornelia innig en vol geestdrift.

Met ongehuichelde verrukking zoende zij haar braven man dat het klapte.

Zoodoende gebeurde het dat wie ter wereld het woord ELIA niet kende, er nimmer in slagen zou de geldkist van de familie Cascabel open te krijgen.

Na een half uur kwamen de kinderen terug met mondkost beladen. Het waren heerlijke sneden ham en pekelvleesch, en van die verbazende groenten zooals de vruchtbare grond van Californië ze voortbrengt, koolen met stronken als boomen, aardappelen als meloenen, wortelen ter lengte van een halven meter, die met geen andere te vergelijken zijn, was Cascabel gewoon te zeggen, dan met die welke men onderweg uit den grond trekt zonder de moeite te hebben van ze eerst te planten. Voor de dranken is er in Californië eene rijke keus uit alles wat eene amerikaansche keel kan streelen. Op het feestmaal der Cascabel’s had ieder een groot glas schuimend bier tot zijne beschikking en aan het dessert eene fijne flesch sherry voor allen.

Cornelia had niet veel tijd noodig om, door Kruidnagel, haar gewonen koksknecht, geholpen, het maal te bereiden. De tafel werd gedekt in de tweede afdeeling van den reiswagen, gewoonlijk de woonkamer genoemd, waarin eene aangename warmte heerschte tengevolge van het in de aangrenzende ruimte brandende keukenfornuis. De eetlust van vader, moeder en kinderen, die nooit te wenschen overliet, was dezen dag buitengewoon. De omstandigheden in aanmerking genomen, was dat geen wonder.

Toen het eten afgeloopen was, richtte mijnheer Cascabel tot allen het woord, waarbij hij den plechtigen toon aansloeg waarmede hij gewoon was het »geëerde publiek« toe te spreken.

—Morgen, kinderen, zeide hij, verlaten wij Sacramento, die nobele stad, met hare nobele ingezetenen, over wie wij niet anders danroemen kunnen, onverschillig of hunne huid blank, rood of zwart ziet. Maar Sacramento ligt in Californië; Californië is een stuk van Amerika en Amerika is Europa niet. Een mensch heeft maar één vaderland. Europa, dat is Frankrijk en het is waarlijk niet te vroeg wanneer wij naar Frankrijk terug verlangen na er zoovele jaren van gescheiden te zijn geweest. Hebben wij in dien tijd fortuin gemaakt? Om de waarheid te zeggen: neen! Intusschen zijn wij eigenaars van een zeker aantal dollars, die in onze geldkist een goed figuur zullen maken nadat wij ze in fransch goud- of zilvergeld ingewisseld zullen hebben. Een deel van dat bedrag zullen wij besteden om den Atlantischen Oceaan over te steken op een der snelvarende stoomschepen van wier top de driekleur wappert die onze Napoleon weleer in de hoofdsteden aller landen geplant heeft. Cornelia, ik drink op uwe gezondheid!

Moeder Cascabel knikte vriendelijk met het hoofd, in antwoord op deze beleefdheid die haar man haar dikwijls bewees, als wilde hij zijne dankbaarheid toonen voor de moeite die zij zich gegeven had om hem in de personen zijner kinderen de evenbeelden van Hercules en Achilles te schenken.

Toen sprak hij weder:

—Ook drink ik op onze behouden reis! Mogen gunstige winden onze zeilen doen zwellen!

Hij zweeg teneinde gelegenheid te hebben allen voor het laatst uit de heerlijke sherry-flesch nog eens in te schenken.

—Intusschen, mijn vriend Kruidnagel, zult gij misschien de opmerking maken dat er na het betalen van onze passage niets meer in de geldkist over zal zijn?

—Daar ben ik niet bang voor patroon..... ten minste als de plaatskaart op de booten, gevoegd bij die op de spoorwegen niet zóóveel kost.......

—Wat praat ge van spoorwegen, vanrail-roads, zooals de Yankees zeggen, riep Cascabel. Maar onnoozel schepsel, onbekwaam tot eenige redeneering, daar reizen wij niet mede! Van Sacramento tot New-York reken ik dat het vervoer ons niets kosten zal, want daar gebruiken wij ons huis op wielen voor. Een honderd of wat mijlen rijdens, daar zal, vermoed ik, de familie Cascabel zich niet door laten afschrikken, zij die nooit anders gewoon is geweest dan de wereld door te rollen!

—Dat spreekt van zelf, bevestigde Jan.

—Wat eene vreugde zal het voor ons zijn, Frankrijk terug te zien! zeide moeder Cascabel.

—Frankrijk, kinderen, begon haar man weder, dat gij geen vanallen kent, want gij zijt in Amerika geboren; het schoone Frankrijk dat gij eindelijk zult aanschouwen. Welk een geluk, Cornelia, voor u die uit Provence, en voor mij die uit Normandië ben, er weder heen te gaan na eene afwezigheid van twintig jaren!

—Ja, Cesar, wat een geluk!

—Zie Cornelia, al werd mij nu eene plaats aangeboden in den kunstenmakerstroep van Barnum, ik zou er voor bedanken. Niets is langer in staat mij hier te houden. Ik wil naar mijn land terug, al moest ik er op mijne handen naar toe loopen. Ik voel dat ik het heimwee heb, en dat is niet anders te genezen dan door naar het vaderland terug te gaan. Dus moeten wij er zonder uitstel heen!

Wat Cesar Cascabel zeide, was de waarheid. Hij en zijne vrouw dachten aan niets anders meer dan aan hunnen terugkeer naar Frankrijk. Welk eene zelfvoldoening was het voor beiden, het geld er voor eindelijk bijeen te hebben!

—Morgen gaan wij op marsch, zeide Cascabel.

—Zou dat misschien onze laatste reis niet kunnen zijn? vroeg Cornelia.

—Vrouw, antwoordde haar man met waardigheid, ik ken maar ééne laatste reis, dat is die waarvoor er van onzen Lieven Heer geen retourbiljet te krijgen is.

—Nu ja, Cesar, maar zullen wij niet, vóór dat wij die reis ondernemen, fortuin gemaakt hebben en van het werken kunnen uitrusten?

—Rusten, Cornelia? Nooit. Ik wil geen fortuin maken indien het gevolg daarvan moet zijn dat ik stil moet gaan zitten. Gelooft gij dat ge het recht hebt de talenten ongebruikt te laten waarmede de natuur u zoo mild begiftigd heeft? Denkt gij dat ik met mijne armen over elkaar zal gaan loopen, op gevaar af dat mijne gewrichten hunne lenigheid verliezen zullen? Kunt gij het u voorstellen dat Jan zijne kunsten als equilibrist verzaken zal; dat Napoleona zal ophouden te dansen op het gespannen koord, met of zonder balanceerstok; dat Sander niet langer gezien zal worden als het toppunt der menschen-piramide, en dat zelfs Kruidnagel niet meer zijn half dozijn muilperen in de minuut zal waarnemen, tot groote verlustiging van het geëerde publiek? Neen, mijne Cornelia! Zeg mij dat de zon zal worden uitgedoofd door den regen, dat de oceaan verdwijnen zal in de maag der visschen, maar zeg mij niet dat er een oogenblik komen zal waarop de familie Cascabel rust zal nemen!

Zij hadden nu niets anders meer te doen dan alles gereed te maken voor de reis, teneinde den volgenden ochtend, zoodra de zon boven Sacramento zou opgaan, den tocht te aanvaarden.

De namiddag werd daartoe besteed. Onnoodig te zeggen dat de vermaarde geldkist op eene veilige plek in de achterste afdeeling van den wagen neergezet was.

—Op deze manier, merkte Cascabel op, kunnen wij dag en nacht het oog er op houden.

—Ik begin hoe langer hoe meer in te zien dat het eene goede gedachte van u geweest is, Cesar, antwoordde Cornelia. Ik heb geen spijt van het geld dat wij er voor betaald hebben.

—De kist is alleen misschien wat klein, vrouw. Maar als onze »sok« grooter wordt, kunnen wij er altijd eene ruimere aanschaffen.

II.De familie Cascabel.Cascabel! Die naam was bekend, ja vermaard in alle vijf werelddeelen,—»en in andere plaatsen«, was de man gewoon te zeggen die de eer had hem te dragen.Cesar Cascabel was afkomstig uit Pontorson in het hart van Normandië, en al de gauwigheid, al de slimme streken, door welke het Normandische ras beroemd is, waren hem eigen. Maar zoo geslepen en gevat als hij zijn mocht, hij was altijd een eerlijk man gebleven, en niemand had het recht hem te tellen onder de schurftige schapen van de zwervende kudde der straatkunstenmakers. Hij was een oppassend huisvader, die door zijne goede eigenschappen als mensch ruimschoots goed maakte wat zijne nederige afkomst en zijn ongeregeld beroep hem misschien te kort mochten doen komen.Hij was op het tijdstip waarop wij hem leeren kennen, vijf-en-veertig jaren oud en zag er ook uit als een man van dien leeftijd. Onder den blooten hemel geboren, in letterlijken zin, was de mand, die zijn vader op den rug droeg en waarmede hij de dorpskermissen en jaarmarkten in Normandië afreisde, zijne wieg geweest. Zijne moeder was kort na zijne geboorte gestorven, eenige jaren later verloor hij ook zijnen vader en toen had een rondreizende kunstenmakerstroep, die juist voorbijtrok, hem tot zich genomen. Zoo had hij zijne kinderjaren doorgebracht met op zijn hoofd te staan, opzijne handen te loopen en sprongen in de lucht te maken. Hij werd achtereenvolgens paljas, kunstenmaker in alle vakken en verdiende met de vlugheid zijner ledematen en de kracht zijner spieren voor zichzelf den kost, tot op het oogenblik toen hij kennis maakte met de tegenwoordige mevrouw Cascabel, van haarzelve Cornelia Vadarasse genaamd, uit Martigues in Provence geboortig, die hem achtereenvolgens drie kinderen schonk. Zoo was hij zelf de bestuurder van eenen troep geworden, waarvan zijn gezin de sujetten leverde.Hij was schrander en vernuftig, sterk en lenig, meer dan de meeste andere menschen; maar zijne zedelijke eigenschappen deden niet onder voor die van zijn lichaam en verstand. Het is wel waar dat een rollende steen geen blijvende plaats bekomt, maar onder het schuren tegen de andere steenen en de distelen van den weg wordt hij ten minste glad en glimmend en slijten de scherpe hoeken er af. In de vijf-en-veertig jaren dat hij aan ’t rollen was, had Cesar Cascabel zooveel geleerd en ondervonden, dat hij van het leven alles wist wat iemand er van te weten kan komen. Hij verwonderde zich over niets meer en niets was meer in staat hem van zijn stuk te brengen. Al zwervende van de eene kermis naar de andere in alle landen van Europa, in Amerika zoowel als in de nederlandsche en spaansche koloniën, had hij bijna alle talen leeren verstaan en wist hij er zich ten naastenbij ook in verstaanbaar te maken, »zelfs in die welke hij niet sprak« was hij gewoon te beweren. Want als de taal hem in den steek liet, had hij altijd zijne zeer sprekende gebaren tot zijne beschikking.Cesar Cascabel was iets meer dan middelmatig van lengte, krachtig van lichaamsbouw, goed geëvenredigd van ledematen. Zijn onderkaak stak een weinig naar voren, hetgeen een teeken van geestkracht is; hij had een stevigen kop, dicht bezet met een dichten haarbos; zijn gelaat was door de zon verbrand en door den wind verweerd; onder zijn grooten neus droeg hij een knevel zonder punten en aan zijne gebruinde wangen een paar heele korte bakkebaarden; zijne oogen waren blauw, levendig en doordringend en hadden eene goedaardige uitdrukking; in zijnen mond ontbrak nog maar één van de drie-en-dertig tanden en kiezen die er in behoorden. Tegenover het »geëerde publiek« was hij niet zuinig met geweldige gebaren, theatrale houdingen en bluffende volzinnen; maar in het gewone leven was hij de eenvoud en de natuurlijkheid zelve. Geen huisvader overtrof hem in hartelijke liefde voor zijn gezin.Van een ijzersterk gestel, bezat hij thans de noodige lenigheid niet meer voor het dansen op de koord of voor de kunsten aan den rekstok; maar waar het op spierkracht aankwam behoorde hij altijdnog onder de besten in zijn beroep. Buitendien was hij een meester in de edele kunst van buikspreken, eene soort van kermisvertooning welke reeds van overouden tijd dagteekent, want de kerkvader Eustachius verzekert dat de priesteres van Endor, die voor Saul waarzegde, niets anders was dan eene buikspreekster. Als Cesar het goedvond, zakten zijne stembanden tot ver beneden zijne maag. Of hij met zichzelf een duo had kunnen zingen, had hij nog nooit beproefd; maar wie weet of hij er niet toe in staat ware geweest!Om zijne beeltenis volledig te maken moeten wij hier nog bijvoegen dat Cesar Cascabel een zwak had voor beroemde krijgshelden en vooral voor Napoleon I. Zoo hoog als hij dien veroveraar vereerde, zoo diep verachtte hij diens beulen, de Engelschen, die hij allen voor nakomelingen van den gemeenen Hudson Lowe, Napoleon’s gevangenbewaarder op Sint Helena, hield. Hij had dan ook nooit verkozen te »werken« voor de koningin van Engeland, verzekerde hij, »niettegenstaande die vorstin hem door haren opperhofmeester persoonlijk had doen uitnoodigen.« Dit laatste had hij zoo dikwijls verteld, dat hij eindelijk zelf geloofde dat het waar was.Met dat al had Cascabel het nog niet kunnen brengen tot de waardigheid van directeur van een groot paardenspel, zooals een Franconi, een Carré of een Myers, met heel hunnen stoet van rijders en rijderessen, van clowns en goochelaars. Hij was niets meer dan een gewone kermisreiziger, die als het mooi weer was op de pleinen en markten in de open lucht, en als het regende onder eene tent zijne kunsten vertoonde. Met dit beroep, dat hij met zeer afwisselend geluk gedurende het vierde eener eeuw had uitgeoefend, had hij zooals wij verteld hebben het spaarduitje bijeengegaard dat thans in de kist met het letterslot bewaard lag.Hoeveel arbeid, hoeveel vermoeienis, hoeveel ellende zelfs, vertegenwoordigde dat beetje geld! Nu echter was het ergste achter den rug. De familie Cascabel maakte zich gereed naar Europa terug te keeren. Na de Vereenigde Staten over bijna hunne geheele breedte doorgetrokken te zijn, zouden zij plaats nemen op eene fransche of amerikaansche pakketboot. Van eene engelsche mocht natuurlijk geen sprake zijn.Cascabel was iemand die op alles raad wist. Hinderpalen kende hij niet; hij beschouwde die op zijn hoogst als moeielijkheden die overwonnen moesten worden. Zijnen weg door het leven te vinden, beschouwde hij als zijne bestemming. Even als de hertog van Dantzig, een der maarschalken van zijn keizerlijken held, had hij kunnen zeggen: »Waar een gaatje te vinden is, zal ik er doorheen kruipen«.Door hoeveel gaten was hij dan ook in zijn leven niet reeds gekropen!»Mevrouw Cascabel, geboren Cornelia Vadarasse, provençaalsche van het zuiverste bloed, zonder wedergade in het voorspellen van de toekomst,clairvoyanteensomnambule, de koningin aller electrische vrouwen, gesierd door alle bekoorlijkheden harer sekse, bezitster aller deugden die de kroon uitmaken eener huismoeder, met den krans der overwinning uit den grooten vrouwen-worstelstrijd te Chicago gekomen, waar de beroemdste vrouwelijke athleten der wereld waren saamgestroomd!«Dit waren de bewoordingen waarmede mijnheer Cascabel gewoon was zijne echtgenoote aan het publiek voor te stellen. Nu twintig jaar geleden was hij te New-York met haar in het huwelijk getreden. Of hij er aan gedacht had de toestemming van zijnen vader te vragen vóór dat hij tot dien stap overging? Geen oogenblik, vooreerst, zeide hij, dewijl zijn vader ook hem niet geraadpleegd had toen hij in het huwelijk trad, en in de tweede plaats dewijl die brave man niet meer leefde. Het geval was doodeenvoudig in zijn werk gegaan, met minder omslag dan in het achterlijke Europa, waar twee wezens die bestemd schijnen om met elkander vereenigd te worden, door een aantal formaliteiten daarin belemmerd worden.Op een goeden avond als toeschouwer in het Barnum-theater te New-York zijnde, was Cesar Cascabel levendig getroffen geworden door de bevalligheid, de lenigheid en de kracht, door eene jeugdige fransche kunstenmaakster, mejuffrouw Cornelia Vadarasse, aan den rekstok ten toon gespreid. Dit bekoorlijke vrouwspersoon aan zich te verbinden, hun beider levens tot één te maken, in de toekomst eene reeks van kleine Cascabels te voorschijn te roepen, die hunne ouders in alles waardig zouden zijn, dat scheen den gemoedelijken straatkunstenaar eene zaak die als van zelve sprak. Gedurende eene pauze snelde hij het tooneel op, liet zich aan Cornelia Vadarasse voorstellen en gaf haar terstond te verstaan dat zij beiden als franschen bestemd waren, elkander hart en hand te schenken. Onder de toeschouwers bevond zich een geestelijke; deze werd naar de gezelschapszaal der artisten getroond en daar werd hem gevraagd op eenen band, die zoo in alle opzichten in den hemel gelegd scheen te zijn, het zegel der kerk te drukken. In het vrije en gelukkige Amerika bestaat daar geenerlei bezwaar tegen en het geschiedde alzoo. Zijn zulke met stoom gesloten huwelijken er minder goed om? Dit moge zijn zooals het wil, dat van Cesar Cascabel en Cornelia Vadarasse was eene der gelukkigste echtverbintenissen, ooit op dit ondermaansche gesloten.Jan Cascabel.Jan Cascabel.De eerstgeborene uit dit huwelijk van twee straatkunstenmakers was Jan, thans negentien jaar oud. Het was alsof hij aan zijne afkomst ontrouw was geworden wat betreft de sterkte der spieren en den aanleg voor koorddansen, gymnastische toeren of paljas-aardigheden. Daarentegen was hij uiterst behendig in de handen en had hij eene gave van scherp opmerken, door welke eigenschappen hij het ver gebracht had in alle kunsten waar handigheid en vlugheid bij te pas kwamen, zonder dat hij zich op dit talent het minste liet voorstaan. Het was een zachtaardige, stille jongen, bruin van gelaatskleur als zijne moeder, doch met blauwe oogen. Hij had veel pleizier in lezen en maakte van alle voorkomende gelegenheden gebruik om iets te leeren. Zonder dat hij zich over het beroep zijner ouders schaamde, geloofde hij toch dat er iets beters voor hem te doen was dan kunsten voor de menschen te maken en in het geheim koesterde hij de hoop, zoodra hij in Frankrijk teruggekeerd mocht wezen, zijn tegenwoordig bedrijf te laten varen. Hij hield echter te veel van zijne ouders om zich over dit onderwerp anders dan met de grootste omzichtigheid uit te laten; trouwens op welke manier hem eene gelegenheid geopend zou kunnen worden om op eene andere wijze door de wereld te komen, wist hij in de verte niet te zeggen.In leeftijd volgde op den oudste de tweede zoon. Deze was in den volsten zin van het woord een spruit van vader en moeder Cascabel en voor kunstenmaken in de wieg gelegd. Hij was twaalf jaar oud, zoo lenig als eene kat, zoo vlug als een aap, en zoo glad als een aal. Hij was nog maar drie voet zes duim lang en niet groot dus voor zijnen leeftijd, maar hij was naar het zeggen van zijnen vader met éénen luchtsprong in de wereld gekomen en nu reeds een echte clown, daarbij een straatjongen vol grappen en streken, maar met een goed hart. Een pak slaag verdiende hij af en toe, maar hij nam dat al lachende aan, want de klappen kwamen zelden hard aan en waren nooit valsch gemeend.Wij hebben reeds gezegd dat de oudste van Cascabel’s kinderen Jan heette. Dien naam had zijne moeder hem gegeven als eene herinnering aan eenen oud-oom te Marseille, Jan Vadarasse, een zeeman die door menschen-eters heette opgegeten te zijn, iets waar zijne achternicht niet weinig trotsch op was. Jan’s vader, die zichzelf in den naam Cesar verheugen mocht, had voor zijn oudsten zoon zeker iets anders verlangd, iets meer in overeenstemming met de bewondering die hij voor beroemde krijgshelden koesterde, maar hij had bij het kiezen van eenen naam voor hunnen eerstgeborene zijne vrouw niet willen tegenspreken. Daarom had hij er in toegestemddat de jongen eenvoudig Jan zou heeten, maar met het stille voornemen om indien hun meer spruiten geschonken werden, zich voor zijne inschikkelijkheid schadeloos te stellen.Dit gebeurde ook zoodra hem een tweede zoon geboren werd. Na eenigen tijd geaarzeld te hebben tusschen Hamilcar, Attila of Hannibal, eindigde Cesar met hem Alexander te doen doopen. Bij verkorting werd hij gewoonlijk Sander genoemd.Op de twee jongens volgde mettertijd een meisje. Moeder Cascabel had deze Hersilia willen noemen, maar haar man stond er op dat zij Napoleona zou heeten als eene hulde aan den martelaar van Sint Helena.Napoleona was nu acht jaar oud. Het was een lief kind dat een mooi meisje beloofde te worden. Zij was blond en had eene frissche kleur, met een gelaat vol uitdrukking en leven. Bevallig in al hare bewegingen en goed van aanleg, bracht zij het in de edele kunst van koorddansen spoedig tot eene aanmerkelijke hoogte. Zooals zij met hare welgevormde voetjes over den stijf gespannen metalen draad zweefde, huppelend en sierlijke passen makend, was het alsof het schepseltje vleugels had om zich recht te houden.Ieder begrijpt dat Napoleona het liefste kind van het gezin was. Zij was aller oogappel en toch geen bedorven kind in den slechten zin van het woord. Hare moeder koesterde de stille hoop dat haar dochtertje eenmaal een voornaam huwelijk zou doen. Dat is immers een van die dingen welke in het wisselvallige leven van straatkunstenaars af en toe voorkomen. Waarom zou Napoleona, volwassen en eene knappe jonge dochter geworden, niet eenen prins of baron kunnen ontmoeten die op haar verlieven en haar trouwen zou?—Dat gebeurt alleen in sprookjes, meende Cesar, die de zaken kalmer opnam dan zijne vrouw.—Neen Cesar, het gebeurt ook in het werkelijke leven.—Helaas, mijn goede Cornelia, de tijd is voorbij toen koningen herderinnen tot vrouw namen. Trouwens, zooals de zaken tegenwoordig gesteld zijn, weet ik niet of iedere herderin wel met eenen koning zou willen trouwen.Dit was dus de familie Cascabel, vader, moeder en drie kinderen. Met het oog op de vereischten voor de vertooning eener menschen-pyramide, waarbij de artisten twee aan twee op elkanders schouders gaan staan, ware het misschien wenschelijk geweest dat er nog een vierde kind bij was gekomen. Maar nummer vier verkoos niet te komen.Gelukkig hadden zij Kruidnagel. Deze was altijd beschikbaar om bij buitengewone gelegenheden in de bres te springen.Kruidnagel en Napoleona. (Zie bladz. 20).Kruidnagel en Napoleona. (Zie bladz.20).Kruidnagel was inderdaad een onmisbaar aanhangsel van de Cascabels en maakte de familie voltallig niettegenstaande hij een amerikaan van geboorte was. Hij was een dier arme drommels die hunne ouders nooit gekend hebben; die te nauwernood de plek weten waar zij geboren zijn; die door de liefdadigheid van vreemden groot worden gebracht en te eten krijgen voor zoover er iets voor hen overblijft; die tot oppassende menschen kunnen opgroeien wanneer hunne inborst goed is, zoodat zij weerstand weten te bieden aan de slechte voorbeelden en aan de booze inblazingen, waar de armoede maar al te gul mede is. Zulke verwaarloosde schepsels gaan meestal den verkeerden kant op en komen slecht terecht; maar is er geen reden om medelijden met hen te hebben?Met Ned Harley, die van mijnheer Cascabel den bijnaam Kruidnagel gekregen had, was het goed afgeloopen. Dien bijnaam had hij te danken aan zijn figuur, want hij was zoo mager als een spijker. Zij hadden hem dus even goed Draadnagel kunnen noemen, maar Kruidnagel klonk meer uitheemsch en kreeg de voorkeur omdat onwillekeurig de gedachte aan eene afkomst uit de Specery-eilanden er zich aan verbond.Het was nu twee jaar geleden dat Cascabel op zijne reis door de Vereenigde Staten den armen vondeling ontmoet had. Ned Harley had op dat tijdstip letterlijk niet meer te eten. De troep kunstenmakers waar hij aan verbonden was, ging uit elkander nadat de directeur er van op den loop gegaan was. Ned speelde er voor »minstreel«, zooals het in de engelsch sprekende kunstenmakerswereld heet. Dat is een treurig bestaan, al verdient men er ook ten naaste bij den kost mede. Zich insmeeren met schoensmeer, zich tot een »neger« maken, zich in een zwarten rok en broek, een wit vest en eene witte das steken, om zoo toegetakeld de malste liedjes te zingen en op eene akelige viool te krassen, vergezeld en begeleid door nog vier of vijf van zulke hansworsten, welk eene maatschappelijke bestemming! Deze bestemming was het echter, die Ned Harley tot zijne bittere droefheid kwijt was op het oogenblik toen hij zoo gelukkig was een reddenden engel te ontmoeten in den persoon van Cesar Cascabel.Deze had juist eenen helper weggestuurd die bij de voorstellingen in den regel voor paljas speelde. Wat dat voor een bedrieger was, kan iemand zich nauwelijks voorstellen. Verbeeld u dat hij zich voor een amerikaan had uitgegeven terwijl hij een geboren engelschman was! Een landgenoot van John Bull in eenen troep fransche kunstenmakers! Een afstammeling van dien beul, die Napoleon..... Wij behoeven er niets bij te voegen om te doenbegrijpen hoe Cascabel zich voelde op den dag toen hij te weten kwam wat voor een landsman zijn paljas was.—Mijn goede mijnheer Warburton, voegde hij hem toe, aangezien gij een engelschman zijt, verzoek ik u in den kortst mogelijken tijd uwe biezen te pakken, indien gij niet wilt dat ik u, in uw paljassenpak zooals gij daar staat, de deur uitsmijt.Mijnheer Warburton maakte dat hij uit de voeten kwam, want hij had anders op het breedste gedeelte van zijne paljassenbroek eenen schop gekregen die hem het wegloopen al te gemakkelijk gemaakt zou hebben.Kruidnagel kwam dus in zijne plaats. Hij werd aangenomen om van alles te doen, paljasdienst zoowel als het werk van stalknecht bij de paarden of van keukenjongen als Cornelia hulp noodig had. Natuurlijk sprak hij fransch, maar met een sterken uitheemschen tongval.Ofschoon reeds om en bij de vijf-en-dertig jaren was het toch nog een onnoozele knaap, uitgelaten genoeg als hij met zijne potsen het publiek bezig hield, maar in het gewone leven eer droefgeestig van aard. Hij bezag de meeste dingen van den donkeren kant en goed beschouwd was dat geen wonder, want hij had geene reden om zich onder de troetelkinderen der fortuin te tellen. Hij was een wonderlijk schepsel, met zijn puntig toeloopend hoofd, zijne geelachtige haren, zijne ronde, domme oogen, zijn vervaarlijk langen neus, waar hij een half dozijn brillen op wist te zetten hetgeen altijd een groot gelach onder het publiek deed opgaan, zijne wijd uitstaande ooren, zijn ooievaarshals en zijn mageren romp op een paar spillebeenen. Toch hoorde niemand hem klagen, ten minste—dit voorbehoud maakte hij gewoonlijk—als het hem niet zóó erg tegenliep dat hij wel klagen moest. Van het oogenblik af dat hij aan den troep van Cascabel verbonden was geworden, was hij begonnen zich aan het gezin te hechten en zij hadden het op dit oogenblik nauwelijks meer zonder Kruidnagel kunnen stellen.Hiermede hebben wij, als het geoorloofd is dit te zeggen, alles wat er menschelijks was in den kunstenmakerstroep aan onze lezers te zien gegeven.Er waren echter ook dierlijke bestanddeelen. In de eerste plaats een patrijshond van het echte ras, goed op de jacht, maar onmisbaar om op de rollende woning te passen. Vervolgens een poedel, een aardig en vernuftig dier, die zeker, zoodra er eene academie van geleerde honden gesticht mocht worden, daarin eene plaats zal krijgen.Behalve de beide honden moeten wij nog melding maken vaneen aap, die als het op potsen maken aankwam alle recht had om met Kruidnagel op ééne lijn gesteld te worden, zóó zelfs dat de toeschouwers niet zelden aarzelden aan wien van de twee zij de voorkeur moesten geven. Dan was er een Javaansche papegaai, antwoordende op den naam Jako, die door zijnen vriend Sander vlijtig onderricht werd en dank zij diens lessen, tien uren van de twaalf snaterde, zong of floot. Eindelijk nog twee paarden, een paar goede beesten, vrij hoog op jaren, die den kermiswagen voorttrokken. Zij hadden er sedert lang de heugenis van verloren hoeveel honderden mijlen zij met hunne gaandeweg stijf geworden beenen den wagen reeds over allerlei gebaande of ongebaande wegen hadden voortgezeuld.Is iemand er op gesteld de namen dezer kostelijke dieren te weten? Zij heetten Vermout en Gladiator, naar twee beroemde raspaarden, die op wedrennen te Parijs op engelsche mededingers den prijs behaald hebben. Maar eenige andere overeenkomst met deze wereldvermaarde rossen dan die van den naam, vertoonden de geduldige viervoeters, die den wagen der Cascabel’s trokken, niet.Van de twee honden antwoordde de poedel op den naam Marengo en de patrijshond op dien van Wagram. Niemand behoeft te vragen hoe het kwam dat zij naar deze historische plaatsen vernoemd waren.De aap heette John Bull, welke onderscheiding hij aan zijne buitengewone leelijkheid te danken had.Hieraan kunnen wij niets veranderen; het was een zwak van Cesar Cascabel dat voortsproot uit een loffelijk gevoel van vaderlandsliefde, al erkennen wij dat zulke gevoelens van haat tegen personen van anderen landaard in onzen tijd eigenlijk niet meer te pas komen.—Hoe is het mogelijk, zeide hij wel eens, dat iemand geen afgod maakt van dien grooten man, die onder eene hagelbui van kogels zijne soldaten toeriep: »Volgt de witte pluim op mijnen helm; gij vindt hem altijd in het midden der vijanden!«Iemand had hem eens doen opmerken dat het Hendrik de Vierde en niet Napoleon geweest was, die deze woorden gebruikt had.—Wel mogelijk, antwoordde hij. Maar Napoleon was er de man naar om hetzelfde te zeggen!Marengo de poedel en John Bull de aap. (Zie bladz. 24).Marengo de poedel en John Bull de aap. (Zie bladz.24).

Cascabel! Die naam was bekend, ja vermaard in alle vijf werelddeelen,—»en in andere plaatsen«, was de man gewoon te zeggen die de eer had hem te dragen.

Cesar Cascabel was afkomstig uit Pontorson in het hart van Normandië, en al de gauwigheid, al de slimme streken, door welke het Normandische ras beroemd is, waren hem eigen. Maar zoo geslepen en gevat als hij zijn mocht, hij was altijd een eerlijk man gebleven, en niemand had het recht hem te tellen onder de schurftige schapen van de zwervende kudde der straatkunstenmakers. Hij was een oppassend huisvader, die door zijne goede eigenschappen als mensch ruimschoots goed maakte wat zijne nederige afkomst en zijn ongeregeld beroep hem misschien te kort mochten doen komen.

Hij was op het tijdstip waarop wij hem leeren kennen, vijf-en-veertig jaren oud en zag er ook uit als een man van dien leeftijd. Onder den blooten hemel geboren, in letterlijken zin, was de mand, die zijn vader op den rug droeg en waarmede hij de dorpskermissen en jaarmarkten in Normandië afreisde, zijne wieg geweest. Zijne moeder was kort na zijne geboorte gestorven, eenige jaren later verloor hij ook zijnen vader en toen had een rondreizende kunstenmakerstroep, die juist voorbijtrok, hem tot zich genomen. Zoo had hij zijne kinderjaren doorgebracht met op zijn hoofd te staan, opzijne handen te loopen en sprongen in de lucht te maken. Hij werd achtereenvolgens paljas, kunstenmaker in alle vakken en verdiende met de vlugheid zijner ledematen en de kracht zijner spieren voor zichzelf den kost, tot op het oogenblik toen hij kennis maakte met de tegenwoordige mevrouw Cascabel, van haarzelve Cornelia Vadarasse genaamd, uit Martigues in Provence geboortig, die hem achtereenvolgens drie kinderen schonk. Zoo was hij zelf de bestuurder van eenen troep geworden, waarvan zijn gezin de sujetten leverde.

Hij was schrander en vernuftig, sterk en lenig, meer dan de meeste andere menschen; maar zijne zedelijke eigenschappen deden niet onder voor die van zijn lichaam en verstand. Het is wel waar dat een rollende steen geen blijvende plaats bekomt, maar onder het schuren tegen de andere steenen en de distelen van den weg wordt hij ten minste glad en glimmend en slijten de scherpe hoeken er af. In de vijf-en-veertig jaren dat hij aan ’t rollen was, had Cesar Cascabel zooveel geleerd en ondervonden, dat hij van het leven alles wist wat iemand er van te weten kan komen. Hij verwonderde zich over niets meer en niets was meer in staat hem van zijn stuk te brengen. Al zwervende van de eene kermis naar de andere in alle landen van Europa, in Amerika zoowel als in de nederlandsche en spaansche koloniën, had hij bijna alle talen leeren verstaan en wist hij er zich ten naastenbij ook in verstaanbaar te maken, »zelfs in die welke hij niet sprak« was hij gewoon te beweren. Want als de taal hem in den steek liet, had hij altijd zijne zeer sprekende gebaren tot zijne beschikking.

Cesar Cascabel was iets meer dan middelmatig van lengte, krachtig van lichaamsbouw, goed geëvenredigd van ledematen. Zijn onderkaak stak een weinig naar voren, hetgeen een teeken van geestkracht is; hij had een stevigen kop, dicht bezet met een dichten haarbos; zijn gelaat was door de zon verbrand en door den wind verweerd; onder zijn grooten neus droeg hij een knevel zonder punten en aan zijne gebruinde wangen een paar heele korte bakkebaarden; zijne oogen waren blauw, levendig en doordringend en hadden eene goedaardige uitdrukking; in zijnen mond ontbrak nog maar één van de drie-en-dertig tanden en kiezen die er in behoorden. Tegenover het »geëerde publiek« was hij niet zuinig met geweldige gebaren, theatrale houdingen en bluffende volzinnen; maar in het gewone leven was hij de eenvoud en de natuurlijkheid zelve. Geen huisvader overtrof hem in hartelijke liefde voor zijn gezin.

Van een ijzersterk gestel, bezat hij thans de noodige lenigheid niet meer voor het dansen op de koord of voor de kunsten aan den rekstok; maar waar het op spierkracht aankwam behoorde hij altijdnog onder de besten in zijn beroep. Buitendien was hij een meester in de edele kunst van buikspreken, eene soort van kermisvertooning welke reeds van overouden tijd dagteekent, want de kerkvader Eustachius verzekert dat de priesteres van Endor, die voor Saul waarzegde, niets anders was dan eene buikspreekster. Als Cesar het goedvond, zakten zijne stembanden tot ver beneden zijne maag. Of hij met zichzelf een duo had kunnen zingen, had hij nog nooit beproefd; maar wie weet of hij er niet toe in staat ware geweest!

Om zijne beeltenis volledig te maken moeten wij hier nog bijvoegen dat Cesar Cascabel een zwak had voor beroemde krijgshelden en vooral voor Napoleon I. Zoo hoog als hij dien veroveraar vereerde, zoo diep verachtte hij diens beulen, de Engelschen, die hij allen voor nakomelingen van den gemeenen Hudson Lowe, Napoleon’s gevangenbewaarder op Sint Helena, hield. Hij had dan ook nooit verkozen te »werken« voor de koningin van Engeland, verzekerde hij, »niettegenstaande die vorstin hem door haren opperhofmeester persoonlijk had doen uitnoodigen.« Dit laatste had hij zoo dikwijls verteld, dat hij eindelijk zelf geloofde dat het waar was.

Met dat al had Cascabel het nog niet kunnen brengen tot de waardigheid van directeur van een groot paardenspel, zooals een Franconi, een Carré of een Myers, met heel hunnen stoet van rijders en rijderessen, van clowns en goochelaars. Hij was niets meer dan een gewone kermisreiziger, die als het mooi weer was op de pleinen en markten in de open lucht, en als het regende onder eene tent zijne kunsten vertoonde. Met dit beroep, dat hij met zeer afwisselend geluk gedurende het vierde eener eeuw had uitgeoefend, had hij zooals wij verteld hebben het spaarduitje bijeengegaard dat thans in de kist met het letterslot bewaard lag.

Hoeveel arbeid, hoeveel vermoeienis, hoeveel ellende zelfs, vertegenwoordigde dat beetje geld! Nu echter was het ergste achter den rug. De familie Cascabel maakte zich gereed naar Europa terug te keeren. Na de Vereenigde Staten over bijna hunne geheele breedte doorgetrokken te zijn, zouden zij plaats nemen op eene fransche of amerikaansche pakketboot. Van eene engelsche mocht natuurlijk geen sprake zijn.

Cascabel was iemand die op alles raad wist. Hinderpalen kende hij niet; hij beschouwde die op zijn hoogst als moeielijkheden die overwonnen moesten worden. Zijnen weg door het leven te vinden, beschouwde hij als zijne bestemming. Even als de hertog van Dantzig, een der maarschalken van zijn keizerlijken held, had hij kunnen zeggen: »Waar een gaatje te vinden is, zal ik er doorheen kruipen«.

Door hoeveel gaten was hij dan ook in zijn leven niet reeds gekropen!

»Mevrouw Cascabel, geboren Cornelia Vadarasse, provençaalsche van het zuiverste bloed, zonder wedergade in het voorspellen van de toekomst,clairvoyanteensomnambule, de koningin aller electrische vrouwen, gesierd door alle bekoorlijkheden harer sekse, bezitster aller deugden die de kroon uitmaken eener huismoeder, met den krans der overwinning uit den grooten vrouwen-worstelstrijd te Chicago gekomen, waar de beroemdste vrouwelijke athleten der wereld waren saamgestroomd!«

Dit waren de bewoordingen waarmede mijnheer Cascabel gewoon was zijne echtgenoote aan het publiek voor te stellen. Nu twintig jaar geleden was hij te New-York met haar in het huwelijk getreden. Of hij er aan gedacht had de toestemming van zijnen vader te vragen vóór dat hij tot dien stap overging? Geen oogenblik, vooreerst, zeide hij, dewijl zijn vader ook hem niet geraadpleegd had toen hij in het huwelijk trad, en in de tweede plaats dewijl die brave man niet meer leefde. Het geval was doodeenvoudig in zijn werk gegaan, met minder omslag dan in het achterlijke Europa, waar twee wezens die bestemd schijnen om met elkander vereenigd te worden, door een aantal formaliteiten daarin belemmerd worden.

Op een goeden avond als toeschouwer in het Barnum-theater te New-York zijnde, was Cesar Cascabel levendig getroffen geworden door de bevalligheid, de lenigheid en de kracht, door eene jeugdige fransche kunstenmaakster, mejuffrouw Cornelia Vadarasse, aan den rekstok ten toon gespreid. Dit bekoorlijke vrouwspersoon aan zich te verbinden, hun beider levens tot één te maken, in de toekomst eene reeks van kleine Cascabels te voorschijn te roepen, die hunne ouders in alles waardig zouden zijn, dat scheen den gemoedelijken straatkunstenaar eene zaak die als van zelve sprak. Gedurende eene pauze snelde hij het tooneel op, liet zich aan Cornelia Vadarasse voorstellen en gaf haar terstond te verstaan dat zij beiden als franschen bestemd waren, elkander hart en hand te schenken. Onder de toeschouwers bevond zich een geestelijke; deze werd naar de gezelschapszaal der artisten getroond en daar werd hem gevraagd op eenen band, die zoo in alle opzichten in den hemel gelegd scheen te zijn, het zegel der kerk te drukken. In het vrije en gelukkige Amerika bestaat daar geenerlei bezwaar tegen en het geschiedde alzoo. Zijn zulke met stoom gesloten huwelijken er minder goed om? Dit moge zijn zooals het wil, dat van Cesar Cascabel en Cornelia Vadarasse was eene der gelukkigste echtverbintenissen, ooit op dit ondermaansche gesloten.

Jan Cascabel.Jan Cascabel.

Jan Cascabel.

De eerstgeborene uit dit huwelijk van twee straatkunstenmakers was Jan, thans negentien jaar oud. Het was alsof hij aan zijne afkomst ontrouw was geworden wat betreft de sterkte der spieren en den aanleg voor koorddansen, gymnastische toeren of paljas-aardigheden. Daarentegen was hij uiterst behendig in de handen en had hij eene gave van scherp opmerken, door welke eigenschappen hij het ver gebracht had in alle kunsten waar handigheid en vlugheid bij te pas kwamen, zonder dat hij zich op dit talent het minste liet voorstaan. Het was een zachtaardige, stille jongen, bruin van gelaatskleur als zijne moeder, doch met blauwe oogen. Hij had veel pleizier in lezen en maakte van alle voorkomende gelegenheden gebruik om iets te leeren. Zonder dat hij zich over het beroep zijner ouders schaamde, geloofde hij toch dat er iets beters voor hem te doen was dan kunsten voor de menschen te maken en in het geheim koesterde hij de hoop, zoodra hij in Frankrijk teruggekeerd mocht wezen, zijn tegenwoordig bedrijf te laten varen. Hij hield echter te veel van zijne ouders om zich over dit onderwerp anders dan met de grootste omzichtigheid uit te laten; trouwens op welke manier hem eene gelegenheid geopend zou kunnen worden om op eene andere wijze door de wereld te komen, wist hij in de verte niet te zeggen.

In leeftijd volgde op den oudste de tweede zoon. Deze was in den volsten zin van het woord een spruit van vader en moeder Cascabel en voor kunstenmaken in de wieg gelegd. Hij was twaalf jaar oud, zoo lenig als eene kat, zoo vlug als een aap, en zoo glad als een aal. Hij was nog maar drie voet zes duim lang en niet groot dus voor zijnen leeftijd, maar hij was naar het zeggen van zijnen vader met éénen luchtsprong in de wereld gekomen en nu reeds een echte clown, daarbij een straatjongen vol grappen en streken, maar met een goed hart. Een pak slaag verdiende hij af en toe, maar hij nam dat al lachende aan, want de klappen kwamen zelden hard aan en waren nooit valsch gemeend.

Wij hebben reeds gezegd dat de oudste van Cascabel’s kinderen Jan heette. Dien naam had zijne moeder hem gegeven als eene herinnering aan eenen oud-oom te Marseille, Jan Vadarasse, een zeeman die door menschen-eters heette opgegeten te zijn, iets waar zijne achternicht niet weinig trotsch op was. Jan’s vader, die zichzelf in den naam Cesar verheugen mocht, had voor zijn oudsten zoon zeker iets anders verlangd, iets meer in overeenstemming met de bewondering die hij voor beroemde krijgshelden koesterde, maar hij had bij het kiezen van eenen naam voor hunnen eerstgeborene zijne vrouw niet willen tegenspreken. Daarom had hij er in toegestemddat de jongen eenvoudig Jan zou heeten, maar met het stille voornemen om indien hun meer spruiten geschonken werden, zich voor zijne inschikkelijkheid schadeloos te stellen.

Dit gebeurde ook zoodra hem een tweede zoon geboren werd. Na eenigen tijd geaarzeld te hebben tusschen Hamilcar, Attila of Hannibal, eindigde Cesar met hem Alexander te doen doopen. Bij verkorting werd hij gewoonlijk Sander genoemd.

Op de twee jongens volgde mettertijd een meisje. Moeder Cascabel had deze Hersilia willen noemen, maar haar man stond er op dat zij Napoleona zou heeten als eene hulde aan den martelaar van Sint Helena.

Napoleona was nu acht jaar oud. Het was een lief kind dat een mooi meisje beloofde te worden. Zij was blond en had eene frissche kleur, met een gelaat vol uitdrukking en leven. Bevallig in al hare bewegingen en goed van aanleg, bracht zij het in de edele kunst van koorddansen spoedig tot eene aanmerkelijke hoogte. Zooals zij met hare welgevormde voetjes over den stijf gespannen metalen draad zweefde, huppelend en sierlijke passen makend, was het alsof het schepseltje vleugels had om zich recht te houden.

Ieder begrijpt dat Napoleona het liefste kind van het gezin was. Zij was aller oogappel en toch geen bedorven kind in den slechten zin van het woord. Hare moeder koesterde de stille hoop dat haar dochtertje eenmaal een voornaam huwelijk zou doen. Dat is immers een van die dingen welke in het wisselvallige leven van straatkunstenaars af en toe voorkomen. Waarom zou Napoleona, volwassen en eene knappe jonge dochter geworden, niet eenen prins of baron kunnen ontmoeten die op haar verlieven en haar trouwen zou?

—Dat gebeurt alleen in sprookjes, meende Cesar, die de zaken kalmer opnam dan zijne vrouw.

—Neen Cesar, het gebeurt ook in het werkelijke leven.

—Helaas, mijn goede Cornelia, de tijd is voorbij toen koningen herderinnen tot vrouw namen. Trouwens, zooals de zaken tegenwoordig gesteld zijn, weet ik niet of iedere herderin wel met eenen koning zou willen trouwen.

Dit was dus de familie Cascabel, vader, moeder en drie kinderen. Met het oog op de vereischten voor de vertooning eener menschen-pyramide, waarbij de artisten twee aan twee op elkanders schouders gaan staan, ware het misschien wenschelijk geweest dat er nog een vierde kind bij was gekomen. Maar nummer vier verkoos niet te komen.

Gelukkig hadden zij Kruidnagel. Deze was altijd beschikbaar om bij buitengewone gelegenheden in de bres te springen.

Kruidnagel en Napoleona. (Zie bladz. 20).Kruidnagel en Napoleona. (Zie bladz.20).

Kruidnagel en Napoleona. (Zie bladz.20).

Kruidnagel was inderdaad een onmisbaar aanhangsel van de Cascabels en maakte de familie voltallig niettegenstaande hij een amerikaan van geboorte was. Hij was een dier arme drommels die hunne ouders nooit gekend hebben; die te nauwernood de plek weten waar zij geboren zijn; die door de liefdadigheid van vreemden groot worden gebracht en te eten krijgen voor zoover er iets voor hen overblijft; die tot oppassende menschen kunnen opgroeien wanneer hunne inborst goed is, zoodat zij weerstand weten te bieden aan de slechte voorbeelden en aan de booze inblazingen, waar de armoede maar al te gul mede is. Zulke verwaarloosde schepsels gaan meestal den verkeerden kant op en komen slecht terecht; maar is er geen reden om medelijden met hen te hebben?

Met Ned Harley, die van mijnheer Cascabel den bijnaam Kruidnagel gekregen had, was het goed afgeloopen. Dien bijnaam had hij te danken aan zijn figuur, want hij was zoo mager als een spijker. Zij hadden hem dus even goed Draadnagel kunnen noemen, maar Kruidnagel klonk meer uitheemsch en kreeg de voorkeur omdat onwillekeurig de gedachte aan eene afkomst uit de Specery-eilanden er zich aan verbond.

Het was nu twee jaar geleden dat Cascabel op zijne reis door de Vereenigde Staten den armen vondeling ontmoet had. Ned Harley had op dat tijdstip letterlijk niet meer te eten. De troep kunstenmakers waar hij aan verbonden was, ging uit elkander nadat de directeur er van op den loop gegaan was. Ned speelde er voor »minstreel«, zooals het in de engelsch sprekende kunstenmakerswereld heet. Dat is een treurig bestaan, al verdient men er ook ten naaste bij den kost mede. Zich insmeeren met schoensmeer, zich tot een »neger« maken, zich in een zwarten rok en broek, een wit vest en eene witte das steken, om zoo toegetakeld de malste liedjes te zingen en op eene akelige viool te krassen, vergezeld en begeleid door nog vier of vijf van zulke hansworsten, welk eene maatschappelijke bestemming! Deze bestemming was het echter, die Ned Harley tot zijne bittere droefheid kwijt was op het oogenblik toen hij zoo gelukkig was een reddenden engel te ontmoeten in den persoon van Cesar Cascabel.

Deze had juist eenen helper weggestuurd die bij de voorstellingen in den regel voor paljas speelde. Wat dat voor een bedrieger was, kan iemand zich nauwelijks voorstellen. Verbeeld u dat hij zich voor een amerikaan had uitgegeven terwijl hij een geboren engelschman was! Een landgenoot van John Bull in eenen troep fransche kunstenmakers! Een afstammeling van dien beul, die Napoleon..... Wij behoeven er niets bij te voegen om te doenbegrijpen hoe Cascabel zich voelde op den dag toen hij te weten kwam wat voor een landsman zijn paljas was.

—Mijn goede mijnheer Warburton, voegde hij hem toe, aangezien gij een engelschman zijt, verzoek ik u in den kortst mogelijken tijd uwe biezen te pakken, indien gij niet wilt dat ik u, in uw paljassenpak zooals gij daar staat, de deur uitsmijt.

Mijnheer Warburton maakte dat hij uit de voeten kwam, want hij had anders op het breedste gedeelte van zijne paljassenbroek eenen schop gekregen die hem het wegloopen al te gemakkelijk gemaakt zou hebben.

Kruidnagel kwam dus in zijne plaats. Hij werd aangenomen om van alles te doen, paljasdienst zoowel als het werk van stalknecht bij de paarden of van keukenjongen als Cornelia hulp noodig had. Natuurlijk sprak hij fransch, maar met een sterken uitheemschen tongval.

Ofschoon reeds om en bij de vijf-en-dertig jaren was het toch nog een onnoozele knaap, uitgelaten genoeg als hij met zijne potsen het publiek bezig hield, maar in het gewone leven eer droefgeestig van aard. Hij bezag de meeste dingen van den donkeren kant en goed beschouwd was dat geen wonder, want hij had geene reden om zich onder de troetelkinderen der fortuin te tellen. Hij was een wonderlijk schepsel, met zijn puntig toeloopend hoofd, zijne geelachtige haren, zijne ronde, domme oogen, zijn vervaarlijk langen neus, waar hij een half dozijn brillen op wist te zetten hetgeen altijd een groot gelach onder het publiek deed opgaan, zijne wijd uitstaande ooren, zijn ooievaarshals en zijn mageren romp op een paar spillebeenen. Toch hoorde niemand hem klagen, ten minste—dit voorbehoud maakte hij gewoonlijk—als het hem niet zóó erg tegenliep dat hij wel klagen moest. Van het oogenblik af dat hij aan den troep van Cascabel verbonden was geworden, was hij begonnen zich aan het gezin te hechten en zij hadden het op dit oogenblik nauwelijks meer zonder Kruidnagel kunnen stellen.

Hiermede hebben wij, als het geoorloofd is dit te zeggen, alles wat er menschelijks was in den kunstenmakerstroep aan onze lezers te zien gegeven.

Er waren echter ook dierlijke bestanddeelen. In de eerste plaats een patrijshond van het echte ras, goed op de jacht, maar onmisbaar om op de rollende woning te passen. Vervolgens een poedel, een aardig en vernuftig dier, die zeker, zoodra er eene academie van geleerde honden gesticht mocht worden, daarin eene plaats zal krijgen.

Behalve de beide honden moeten wij nog melding maken vaneen aap, die als het op potsen maken aankwam alle recht had om met Kruidnagel op ééne lijn gesteld te worden, zóó zelfs dat de toeschouwers niet zelden aarzelden aan wien van de twee zij de voorkeur moesten geven. Dan was er een Javaansche papegaai, antwoordende op den naam Jako, die door zijnen vriend Sander vlijtig onderricht werd en dank zij diens lessen, tien uren van de twaalf snaterde, zong of floot. Eindelijk nog twee paarden, een paar goede beesten, vrij hoog op jaren, die den kermiswagen voorttrokken. Zij hadden er sedert lang de heugenis van verloren hoeveel honderden mijlen zij met hunne gaandeweg stijf geworden beenen den wagen reeds over allerlei gebaande of ongebaande wegen hadden voortgezeuld.

Is iemand er op gesteld de namen dezer kostelijke dieren te weten? Zij heetten Vermout en Gladiator, naar twee beroemde raspaarden, die op wedrennen te Parijs op engelsche mededingers den prijs behaald hebben. Maar eenige andere overeenkomst met deze wereldvermaarde rossen dan die van den naam, vertoonden de geduldige viervoeters, die den wagen der Cascabel’s trokken, niet.

Van de twee honden antwoordde de poedel op den naam Marengo en de patrijshond op dien van Wagram. Niemand behoeft te vragen hoe het kwam dat zij naar deze historische plaatsen vernoemd waren.

De aap heette John Bull, welke onderscheiding hij aan zijne buitengewone leelijkheid te danken had.

Hieraan kunnen wij niets veranderen; het was een zwak van Cesar Cascabel dat voortsproot uit een loffelijk gevoel van vaderlandsliefde, al erkennen wij dat zulke gevoelens van haat tegen personen van anderen landaard in onzen tijd eigenlijk niet meer te pas komen.

—Hoe is het mogelijk, zeide hij wel eens, dat iemand geen afgod maakt van dien grooten man, die onder eene hagelbui van kogels zijne soldaten toeriep: »Volgt de witte pluim op mijnen helm; gij vindt hem altijd in het midden der vijanden!«

Iemand had hem eens doen opmerken dat het Hendrik de Vierde en niet Napoleon geweest was, die deze woorden gebruikt had.

—Wel mogelijk, antwoordde hij. Maar Napoleon was er de man naar om hetzelfde te zeggen!

Marengo de poedel en John Bull de aap. (Zie bladz. 24).Marengo de poedel en John Bull de aap. (Zie bladz.24).

Marengo de poedel en John Bull de aap. (Zie bladz.24).

III.De Sierra Nevada.Hoevelen hebben niet wel eens verlangd eene reis te doen in een huis op wielen, op de manier van reizende kunstenmakers! Geen zorgen te hebben over logement of herberg, over het bed waar men nooit te voren zeker vankanzijn en over het middagmaal waar men nog minder op rekenen kan, ten minste wanneer de reis gaat door een land waar de dorpen en gehuchten dun gezaaid zijn. Er zijn wel enkele pleizier-reizigers die iets dergelijks doen aan boord van hunne eigen jachten, waar zij al de geriefelijkheden eener woning op medenemen, maar zeldzaam zijn zij die met een eigen reis-rijtuig een eenigszins aanmerkelijk eind weegs afleggen. Toch is zulk een reiswagen inderdaad een huis dat zich beweegt. Hoe komt het dan dat het genoegen van »eene zeereis op vasten wal« tot kermiskunstenaars beperkt blijft?De wagen van zulk een zwerver is inderdaad eene volledige woning, in vertrekken afgedeeld en van meubelen voorzien, een rollend dag- en nachtverblijf. Die van Cesar Cascabel bevatte alle gemakken die voor zijn zwervend bestaan onontbeerlijk waren.De wagen had eenen naam,De schoone Zwerfster, even alsof het een schip was, en de verschillende tochten door onderscheidene deelen der nieuwe wereld, die zij reeds had helpen doen, rechtvaardigden die dichterlijke benaming. Drie jaar geleden was het rijtuig nieuw gekocht van de spaarpenningen die het echtpaar toenhad overgegaard. Het had gediend om de oude kar te vervangen, waar zij tot dien tijd zich mede hadden beholpen, een ruw en hortend ding zonder veeren, alleen maar met een lap geteerd zeildoek overdekt, waaronder het gezin de nachten doorbracht. Met dit gebrekkige vervoermiddel hadden de Cascabels twintig jaren lang de kermissen en jaarmarkten in de amerikaansche Unie afgereisd. Het spreekt dus van zelf dat hun nieuwe rijtuig van amerikaansch maaksel was.DeSchoone Zwerfsterwas een wagen op vier wielen, rustende op beste stalen veeren, licht en toch stevig van bouw. Zij werd met zorg onderhouden, op haar tijd gewasschen, gepoetst en gepolijst, zoodat de met schitterende kleuren, goudgeel en cochenille-rood, beschilderde wanden in het zonnelicht blonken. Daarop prijkten met groote letters de woorden:Familie Cesar Cascabel. Zij was even lang als de groote reis- en goederenwagens, die gebruikt worden voor tochten door de prairieën in het verre westen, waar de spoorwegen, die in de richting van San Francisco de beide oceanen verbinden, nog niet met hunne vertakkingen zijn doorgedrongen. Twee paarden konden niet anders dan in den stap het zware voertuig voortkrijgen. De last dien zij te trekken hadden, was niet gering. Behalve de reizigers, een zeildoeksche tent met palen, touwen, en toebehooren, die boven op den wagen geborgen werd, en daar beneden, tusschen de wielen, een kleed van zeildoek, dat onder het rijden heen en weder slingerde en waarin allerlei geborgen werd, de turksche trom en de roffeltrom, de klephoorn en de trompet, en al de andere benoodigdheden die voor de vertooningen van kunstenmakers vereischt worden. Daartoe behoorden ook de kostuums voor eene vermaarde pantomime, genaamd:De roovers van het Zwarte Woud, welke sedert lang den roem der familie Cascabel uitmaakte.Het binnenste van den wagen was zeer doelmatig ingericht en zoo netjes en zindelijk als eene hollandsche boerenwoning, want Cornelia verstond, waar het op orde en reinheid aankwam, geen gekscheren.Achterin, van de buitenlucht gescheiden door eene glazen schuifdeur, bevond zich de afdeeling voor keuken bestemd, waar het fornuis stond te branden. Dan kwam het huisvertrek, tevens eetkamer, waar ook de lieden werden ontvangen die zich de toekomst wilden doen voorspellen. Vervolgens een slaapvertrek, waar de slaapplaatsen twee aan twee tegenover en boven elkaar getimmerd waren even als de kooien in een schip. Daar sliepen aan den linkerkant de twee jongens en aan de overzijde, door een gordijn vanhen gescheiden, hun zusje. Voorin eindelijk was de slaapkamer van Cascabel en zijne vrouw, wier beddegoed bestond uit een mooie matras en een veelkleurige gestikte deken. Daar had ook de lang begeerde geldkist nu eene plaats gekregen. In alle hoeken waren plankjes getimmerd, die opgeslagen en neergelaten konden worden teneinde als tafeltjes te dienen, en kleine kasten tot berging van de kleederen, de pruiken, de valsche baarden en wat verder bij de pantomime te pas kwam. Aan de zoldering hingen twee petroleumlampen, die evenals scheepslampen al de bewegingen van het rijtuig op de hobbelige wegen mede maakten. Bij dag drong het licht naar binnen door een half dozijn in de wanden gemaakte openingen, met in lood gevatte glasruiten gesloten, waar dunne gordijntjes voor hingen die door gekleurde linten werden opgehouden. Het geheel geleek van binnen op de roef eener oud-hollandsche trekschuit.Kruidnagel was voor zijn persoon met weinig tevreden. Gewoonlijk sliep hij in de keuken, waar hij des avonds aan twee in de wanden geslagen haken zijne hangmat ophing, die ’s morgens bij het krieken van den ochtend weder door hem opgerold werd.De twee honden, Wagram en Marengo, die ’s nachts de wacht te houden hadden, sliepen in het dekkleed onder den wagen. De aap John Bull hield hen daar gezelschap en maakte het hun, met zijne ongepaste aardigheden, wel eens lastiger dan noodig was. Jako de papegaai eindelijk hing in eene kooi aan de zoldering van het woonvertrek.De paarden, Gladiator en Vermout, werden gewoonlijk in de nabijheid van deSchoone Zwerfsterin vrijheid aan het grazen gelaten. Zelden was het noodig ze vast te binden. In de uitgestrekte prairieën vonden zij voedsel in overvloed, en na zich den buik volgegeten te hebben, behoefden zij maar te gaan liggen om het even goed te hebben als in eenen stal.Aldus toegerust, met geweren en revolvers onder het bereik der slapenden en met de twee honden als schildwachten, was deSchoone Zwerfstereen even veilig als geriefelijk nachtverblijf.Er waren reeds ontelbare mijlen mede afgereisd in de drie jaren dat zij dienst had gedaan. Van New-York naar Albany, van Niagara naar Buffalo, naar Saint Louis, naar Philadelphia, naar Boston, naar Washington, langs de Mississippi naar Nieuw-Orleans, langs de spoorweglijn van de Great-Trunk tot het hart van het Rotsachtige Gebergte, in het land der Mormonen en tot achter in Californië! Het scheen wel voor eene gezondheidsreis te mogen doorgaan, want niemand van den troep was ooit een oogenblik ziek geweest, alleen de gulzige John Bull uitgezonderd, die nooit eenegelegenheid verzuimde om zich de maag te overladen en daar dan ook de gevolgen van ondervond.Zij stelden zich er heel wat van voor, deSchoone Zwerfsternaar Europa te brengen en met dit voertuig over de straatwegen van het vaderland te rijden. Wat een bekijks zouden zij hebben in geheel Frankrijk, vooral onder de landelijke bevolking. Cesar Cascabel dacht aan niets anders dan aan zijn geliefd geboorteland, zijn Normandië, dat hij zijn leven lang gehoopt had terug te zien en dat hij nu werkelijk in zijne verbeelding reeds vóór zich had.Te New-York aankomende, waren zij voornemens den reiswagen uit elkaar te nemen en in te pakken en hem vervolgens als vrachtgoed met de stoomboot naar Hâvre mede te nemen. Daar kon hij weer op de wielen gezet worden en hoopten zij er de reis door Frankrijk mede te aanvaarden.Het geheele gezin, man, vrouw en kinderen had slechts éénen wensch: den tocht te beginnen. Het was alsof hunne viervoetige vrienden hun ongeduld deelden. Den 15denFebruari, des ochtends heel in de vroegte braken zij dus gezamenlijk van het pleintje te Sacramento op, sommigen te voet, anderen in den wagen, ieder zooals het hem goed dacht.Het weder was zeer koel, maar mooi. Onnoodig te zeggen dat er gezorgd was voor den noodigen leeftocht, bestaande in ingelegd vleesch en groenten. Zij rekenden er echter op dat de voorraad in steden en dorpen, welke zij door moesten trekken, aangevuld zou kunnen worden, en bovendien is er in deze streken overvloed van allerlei wild, bisons, herten, hazen en patrijzen. Jan was een geoefend schutter en zou zijn geweer niet laten roesten, terwijl hij voor geene jacht-aktebehoefdete zorgen want in de uitgestrekte prairieën van het verre Westen is er geen koddebeier of veldwachter die u daar naar vraagt. De poedel Marengo deugde voor dit soort van werk niet, maar de patrijshond Wagram was zoo goed afgericht als de beste jachthond en nooit beter in zijn schik dan wanneer hij een stuk wild achterna mocht zitten.Buiten Sacramento gekomen, reed deSchoone Zwerfsterin de richting van het Noord-Oosten. Zij wilden langs den kortsten weg de grens over en het gebergte der Sierra Nevada doortrekken. Dit was ongeveer een paar honderd kilometers, tot waar de Sonora-pas tusschen de bergen doorgaat en in de onafzienbare vlakte aan de oostzijde uitkomt.Deze streek was eigenlijk nog niet wat men het verre Westen noemt. Dáár zijn de dorpen en gehuchten zeldzamer. Het was ook niet de prairie, met haar onbegrensden gezichteinder, haar eindeloosgrasveld, bewoond door zwervende Indiaansche stammen, die naarmate de beschaving voortschrijdt, meer naar de minst bevolkte gewesten van Noord-Amerika worden teruggedrongen. Bijna dadelijk nadat zij Sacramento achter zich hadden, begon de grond reeds te rijzen. Dit waren de eerste golvingen der Sierra Nevada, die het rijke Californië omringt met eene aaneengeschakelde reeks bergen, door donkere dennenwouden overdekt, waarboven hier en daar toppen uitsteken van een vijfduizend meters hoogte. Het is alsof de natuur dit land, waar zij zoovele schatten verborgen heeft die thans reeds door de op buit beluste hand der menschen geroofd zijn, achter een zwaar gordijn van eeuwig groen heeft willen verbergen. In de richting welke deSchoone Zwerfsterwas ingeslagen, kwamen zij langs verscheidene steden van beteekenis, zooals Jackson, Mocquelenne, Placerville, voorposten als het ware van het goudland en van het district Calavaras. Maar de familie Cascabel hield alleen op waar zij inkoopen had te doen of waar zij eenen rustigen nacht wilde doorbrengen. Cesar maakte haast om den Nevada-bergketen, vervolgens de woeste streek van het Groote Zoutmeer en daarna de hooge passen van het Rotsachtige Gebergte door te komen. Gedurende dit gedeelte van den tocht moest er van het rijtuig en de paarden het meeste gevergd worden. Eenmaal in de nabijheid van Erie of Ontario gekomen, hadden zij slechts de vlakte door te trekken waar de wielsporen van andere voertuigen en de door de hoeven van andere paarden platgetreden paden hun van zelf den weg zouden wijzen.Niet dan langzaam kwamen zij in deze bergachtige streek vooruit. Ook hadden zij vrij wat last van koude want de laatste weken van den winter deden zich terdege voelen, al bevonden zij zich pas op den acht-en-dertigsten breedtegraad, dat is op gelijke aardrijkskundige hoogte als Sicilië en Spanje in Europa. Zooals bekend is ondervindt Amerika de werking niet van den Golfstroom, dien warmen zee-arm, die uit de Golf van Mexico komende, zich in oostelijke richting dwars door den oceaan naar Europa wendt. Hierdoor is het amerikaansche klimaat, op gelijke breedte, veel kouder dan dat der europeesche landen. Dit zou echter nog slechts eenige weken duren. Dan was de winter voorbij en de vruchtbare bodem van Californië zou zich weder vertoonen in al zijnen rijkdom, als het land waar het graan een honderdvoudigen oogst brengt, waar alle voortbrengselen der heete zoowel als der gematigde luchtstreek in weelderigen overvloed tieren, suikerriet, rijst, tabak, oranjeappelen, olijven, citroenen, ananassen, bananen en andere vruchten. Niet het goud maakt Californië rijk, maar de ongeëvenaarde vruchtbaarheid zijner uitgestrekte landouwen.In de Sierra Nevada. (Zie bladz. 30).In de Sierra Nevada.(Zie bladz.30).—Wij zullen nog wel eens aan dit heerlijke land denken, merkte Cornelia op, die voor eene welvoorziene keuken lang niet onverschillig was.—Snoepster die gij zijt! antwoordde Cesar.—Ik zeg het niet voor mij, maar voor de kinderen.Menige dag ging voorbij terwijl zij langs den rand der wouden en dwars door de groene vlakten hunnen weg zochten. Ontelbaar waren de troepen vee die zij in het wild tegenkwamen, en die hier overvloed van voedsel vinden zonder dat op eenige plek het weelderige grastapijt een spoor vertoont van afgegraasd te zijn. Den onuitputtelijken plantengroei van Californië, die zich zonder ophouden telkens vernieuwt, kan niemand zich voorstellen die hem niet aanschouwd heeft. Het is de korenschuur van het land langs den stillen Oceaan; alle handelsvloten, zoo die vereenigd werden om de oogsten er van weg te voeren, zouden niet in staat zijn de opbrengst uit te putten. DeSchoone Zwerfsterschreed voort met dezelfde snelheid waarmede zij in den regel hare reizen maakte, dat was eene mijl of zes, zeven daags, zelden meer. Zoo was zij met haar levenden last reeds in alle staten der Unie geweest en had zij den troep van Cascabel overal bekend gemaakt, van de monden der Mississippi tot in Nieuw-Engeland. Maar op hare vroegere tochten werd er in iedere stad halt gehouden teneinde er voorstellingen te geven en geld op te halen. Thans ging het in eene rechte lijn van het Westen naar het Oosten, zonder dat er moeite gedaan werd om op eenige manier de aandacht der bewoners te trekken. Geene kunstreis deden zij ditmaal, maar het was in de eerste plaats om het oude Europa te doen en daarna om de vriendelijke dorpen van het goede Normandië.Het was dan ook een vroolijke tocht en menig stevig gebouwd huis, dat zij tegenkwamen, had den goeden geest die in de voorbijtrekkende woning op wielen heerschte, kunnen benijden. Er werd heel wat gelachen, gezongen en gekheid gemaakt, ook maakte Sander nu en dan met zijn klephoorn de vogels aan het schrikken, wier onbezorgdheid voor het overige veel overeenkomst had met de gemoedsstemming van het zwervende gezin.Dit alles nam echter niet weg dat de dagen, gedurende welke zij op reis waren, niet in ledigheid mochten worden doorgebracht.—Kinderen, zeide Cascabel telkens, wij moeten oppassen dat wij niet verroesten!Zoo dikwijls er halt gemaakt werd om de paarden te laten rusten, was het dus met de rust der reizigers gedaan. Niet zelden gebeurde het dat er Indianen nieuwsgierig kwamen kijken, terwijlJan zich in het balanceeren oefende, de kleine Napoleona eenige nieuwe danspassen en toeren probeerde en Sander zijne ledematen uitrekte en boog alsof ze van guttapercha waren. Dan toonde ook Cornelia de kracht harer spieren en liet haar man de zeldzaamste geluiden uit zijne buik komen, terwijl Jako zat te snateren in zijne kooi, de twee honden samen allerlei kunsten uitvoerden en John Bull, door het voorbeeld aangestoken, zijne malste grimassen vertoonde.Hierbij moeten wij echter niet verzuimen te vertellen dat Jan ook op andere wijze den tijd niet ongebruikt voorbij liet gaan. De enkele boeken die hij in deSchoone Zwerfsterbergen kon, werd hij niet moede te lezen en te herlezen. Het waren nieuwe leerboeken voor aardrijkskunde en cijferkunst, benevens eenige reisbeschrijvingen. Ook hield hij wat op eene zeereis het »Scheepsjournaal« genoemd zou worden en menig reisavontuur werd op onderhoudende manier daarin verhaald.—Ge zult nog veel te knap worden, zei zijn vader wel eens. Maar ge moogt doen wat ge goed vindt.Het kwam bij Cascabel niet op den leerlust van zijn eerstgeborene tegentegaan. Hij en zijne vrouw waren er in den grond van hun hart niet weinig trotsch op dat een hunner spruiten een »geleerde« scheen te willen worden.In den namiddag van den 27stenFebruari bereikte deSchoone Zwerfsterden ingang van een der passen door de Sierra Nevada. Daar doorheen te komen was een vermoeiend vooruitzicht en zou wel een dag of vier duren. Menschen en dieren moesten tot halfweg de hoogte van den berg onafgebroken klimmen. Om den wagen naar boven te krijgen langs het nauwe pad, dat zich zigzagsgewijs om de wanden van den berg slingerde, moesten de reizigers telkens de handen aan de wielen slaan. Daarbij kwam dat naarmate zij hooger kwamen, het weer minder gunstig dreigde te worden, al begonnen zij reeds den invloed van de vroegtijdig invallende Californische lente te gevoelen. Geweldige regens, hagelbuien en sneeuwstormen maken deze bergpassen dikwijls onveilig, vooral op plaatsen waar de weg, plotseling eenen scherpen hoek makende tusschen hooge rotsen, als in eenen trechter doordringt. Het hoogste punt der passen ligt boven de grens der nimmer smeltende sneeuw, en eerst na ruim een paar duizend meters op deze hoogte te zijn voortgeschreden, begint de reiziger in het land der Mormonen langzaam te dalen.Cascabel was echter voornemens te werk te gaan zooals hij bij dergelijke gelegenheden gewoon was te doen en hulp-paarden te huren. Die kon hij gewoonlijk in het eene of andere gehucht aanden voet der bergen wel krijgen, evenals een paar mannen, hetzij Indianen of Amerikanen, om als voerlieden dienst te doen. Dit kostte wel eenig geld, maar het was onvermijdelijk indien hij zijn eigen tweespan niet wilde bederven.Des avonds van den 27stenbevonden zij zich bij den ingang van den Sonora-pas. De valleien welke zij tot dusver doorgetrokken waren, hadden geen bijzondere moeilijkheden opgeleverd en het was dus nog niet noodig geweest de taak van Vermout en Gladiator te verlichten. Maar al ware het geheele gezelschap hen te hulp gekomen, dan waren hunne vereende krachten nog niet toereikend geweest voor hetgeen hun thans te doen stond.Op korten afstand van een klein gehucht, verloren te midden der eenzaamheid van het gebergte, werd halt gehouden. Het waren slechts enkele huizen, en op een paar geweerschoten afstands stond eene landhoeve, waarheen Cascabel plan maakte zich dienzelfden avond te begeven, teneinde te zien of hij voor den volgenden dag daar paarden kon bekomen om de zijne te helpen.Eerst moesten er echter de noodige maatregelen genomen worden om hier den nacht door te brengen.Nadat alles gereed gemaakt was zooals zij het gewoon waren, gingen er een paar op uit om in het gehucht een en ander te koopen, spijs voor de menschen en voeder voor het vee.Dien avond was er geen sprake van oefeningen of toeren te maken, want allen waren moede. Het was een zware dag geweest; een groot gedeelte van den weg hadden zij te voet moeten afleggen teneinde den last voor de paarden te verlichten. Cascabel bepaalde dus dat ieder rust moest houden en tevens dat daarin geen verandering zou komen zoo lang zij in de Sierra aan het stijgen waren.Cesar wierp een laatsten blik op de toebereidselen voor den nacht en overtuigde zich dat alles in orde was. Toen vertrouwde hij deSchoone Zwerfsteraan de waakzaamheid van zijne vrouw en kinderen, en sloeg hij met Kruidnagel den weg in naar de hoeve, uit wier schoorsteenen blauwe rookwolken tusschen de boomen naar boven stegen.De boerderij bleek bewoond te worden door een Californisch gezin, dat de vreemdelingen vriendschappelijk ontving. De eigenaar beloofde drie paarden met twee geleiders te zullen leveren. De beide mannen zouden tevens als wegwijzers dienen tot aan de plek waar de helling van het gebergte naar den oostkant eenen aanvang neemt. Van daar af had deSchoone Zwerfstergeene hulp meer noodig en de mannen zouden dan de paarden terugbrengen, maar het een en ander zou vrij wat geld kosten.CesarCascabeldong en pingelde als een man die er niet van houdt om zijn geld weg te gooien. In het eind werden zij het eens tot eenen prijs, die de som niet te boven ging welke hij voor dit gedeelte der reis had bestemd.Den volgenden ochtend te zes uren waren de mannen met de drie paarden op het appèl. De dieren werden vóór Vermout en Gladiator aangespannen en spoedig was deSchoone Zwerfsterin een nauwen bergpas, waarvan de wanden aan weerszijden met dichte bosschen overdekt waren. Een paar uren verder maakte de weg een scherpen hoek en de weelderige landouwen van Californië, die onze reizigers niet zonder een gevoel van spijt vaarwel zeiden, verdwenen achter de geweldige berggevaarten der Sierra Nevada.De drie paarden van den Californischen boer waren stevige beesten, op wier trekkracht zij staat konden maken, maar of hunne geleiders even goed te vertrouwen waren, scheen tamelijk twijfelachtig.Het waren een paar sterke kerels van gemengd bloed, half Indianen en half Engelschen. Had Cascabel dat geweten, hij had hen zeker zonder verder vragen naar huis gestuurd.Cornelia vond ten minste dat zij er alles behalve eerlijk uitzagen, Jan was het met zijne moeder eens en Kruidnagel stemde met hen in. Cesar scheen het ditmaal niet gelukkig getroffen te hebben, maar in het ergste geval waren zij toch maar met hun tweeën en als zij iets kwaads in den zin mochten hebben zouden zij ondervinden dat zij niet met weerlooze lieden te doen hadden.Op het ontmoeten van slecht volk bestond in de Sierra niet veel kans, want de wegen stonden als veilig bekend. De tijd was voorbij toen de ruwe Californische mijnwerkers, die destijdsloafersenrowdiesbijgenaamd werden, met allerlei zwervend gespuis, uit alle deelen der wereld derwaarts gekomen, samenspanden om reizigers en eenzaam wonende lieden te plunderen. De goedgezinde bevolking had zoo dikwijls de lynch-wet op hen toegepast, dat er een einde was gekomen aan deze straatrooverijen.Intusschen was Cascabel een te voorzichtig man om tegenover de twee vreemden niet op zijne hoede te wezen.Dit viel niet tegen te spreken, dat het een paar flinke karrevoerders waren. De dag liep dan ook zonder eenig ongeval ten einde en dit was toch maar de hoofdzaak. Hadden zij het ongeluk gehad een wiel te verliezen of eene as te breken, dan zouden de bewoners van deSchoonste Zwerfster, op zulk eenen afstand van iedere menschelijke woning en zonder gereedschap om eenige avarij van beteekeniste herstellen, in de grootste verlegenheid geraakt zijn.De bergpas was uitermate wild en woest. Aan weerszijden niets dan dennenstammen, bijna zwart van kleur, waartusschen de steenachtige grond met een dik tapijt van mos bekleed was. Verbazende rotsklompen lagen telkens in den weg en moesten omgetrokken worden. Vooral was dit het geval langs een der zijtakken van de Walkner-rivier, die zelve haren oorsprong neemt in het meer van dien naam en wier wateren met geweldige sprongen hunnen weg nemen naar diepe afgronden. In de verte, hoog tusschen de wolken, schemerde de Castle-piek, een puntige rots, van lagere spitsen omgeven die in de grilligste fatsoenen uit diepe ravijnen oprijzen.Tegen vijf uur des namiddags begon het in den door hooge bergwanden ingesloten bergpas reeds donker te worden. De weg maakte hier weder een scherpen hoek en de helling was zoo steil dat een gedeelte der lading van den wagen moest genomen worden om hem te verlichten. Het onderaan hangende dekkleed met al wat er in was en bijna de geheele bovenlast werden voorloopig achtergelaten.Ieder stak zijne handen uit om te helpen en het moest erkend worden dat de twee karrevoerders zich niet lui toonden, waardoor Cascabel en de zijnen eenigszins terugkwamen van den ongunstigen indruk, dien de mannen aanvankelijk op hen gemaakt hadden. De tocht door de bergpas zou trouwens nog slechts twee dagen duren, dan zouden zij het hoogste punt bereiken en konden de hulppaarden met hunne geleiders weder naar de hoeve terugkeeren.Toen er eene geschikte plaats gevonden was om des nachts verblijf te houden, gingen de karrevoerders ook eene plek zoeken om hunne paarden vast te binden. Terwijl zij hierop uit waren, ging Cascabel met zijne twee zonen en Kruidnagel terug naar het punt van den weg, waar de afgeladen voorwerpen zoo lang waren neergelegd.Na den vermoeienden dag smaakte het avond-eten dubbel. Niemand talmde lang om te gaan slapen.Cascabel bood de twee vreemden eene slaapplaats aan in eene der afdeelingen van deSchoone Zwerfster, maar daarvan wilden zij niet gediend zijn. Zij zeiden dat zij onder de boomen een beter onderkomen konden vinden om in hunne dikke dekens gewikkeld tevens de paarden goed onder hun bereik te hebben.Korten tijd nadat dit aldus geregeld was, lag niemand in het kampement meer met open oogen.Zoodra het den volgenden ochtend licht begon te worden waren groot en klein weder op de been.Wij zijn bestolen. (Zie bladz. 38).Wij zijn bestolen.(Zie bladz.38).Cascabel met Jan en Kruidnagel kwamen het eerst uit deSchoone Zwerfstervoor den dag en gingen den kant op waar Gladiator en Vermout den vorigen avond vastgezet waren.Hunne paarden waren daar ook, maar die van den boer waren nergens te zien.Zij konden echter niet ver afgedwaald wezen en Jan keerde naar den wagen terug om de karrevoerders te gelasten hunne beesten weder op te zoeken. Maar ook de twee mannen waren niet bij de hand.—Waar zouden zij zitten? vroeg Jan.—Ik denk, zeide Cesar, dat zij er reeds op uit zijn om hunne paarden terug te halen.—Ohé!... Ohé!... riep Kruidnagel met zijne schelle stem, die ver in den bergpas teruggekaatst werd.Er kwam geen antwoord.Nu begonnen Jan en zijn vader samen te schreeuwen zoo hard zij konden, ook gingen zij een eind naar beide kanten den weg op, heen en weer terug.De twee karrevoerders kwamen niet te voorschijn.—Zouden wij nu toch gelijk gehad hebben toen hun tronie ons zoo weinig aanstond? zeide Cascabel.—Maar wat voor reden zouden zij hebben om ons in den steek te laten? merkte Jan op.—Zeker om ons eene leelijke poets te bakken.—Maar wat hebben zij er aan om van ons van daan te loopen?—Ja, wat hebben zij daar aan?... Wacht eens, misschien kunnen wij er gemakkelijk genoeg achter komen!Door Jan en Kruidnagel gevolgd, snelde Cascabel zoo hard hij loopen kon naar den reiswagen.De trede opvliegen, de deur openstooten, alle vertrekken doorrennen om in het achterste te gaan kijken of de goedbewaakte geldkist nog op hare plaats stond, was het werk van een oogenblik. Eene seconde later kwam Cesar weder voor den dag, met den uitroep:—Wij zijn bestolen!—De geldkist? vroeg Cornelia.—De schoeljes hebben die meegepakt!

Hoevelen hebben niet wel eens verlangd eene reis te doen in een huis op wielen, op de manier van reizende kunstenmakers! Geen zorgen te hebben over logement of herberg, over het bed waar men nooit te voren zeker vankanzijn en over het middagmaal waar men nog minder op rekenen kan, ten minste wanneer de reis gaat door een land waar de dorpen en gehuchten dun gezaaid zijn. Er zijn wel enkele pleizier-reizigers die iets dergelijks doen aan boord van hunne eigen jachten, waar zij al de geriefelijkheden eener woning op medenemen, maar zeldzaam zijn zij die met een eigen reis-rijtuig een eenigszins aanmerkelijk eind weegs afleggen. Toch is zulk een reiswagen inderdaad een huis dat zich beweegt. Hoe komt het dan dat het genoegen van »eene zeereis op vasten wal« tot kermiskunstenaars beperkt blijft?

De wagen van zulk een zwerver is inderdaad eene volledige woning, in vertrekken afgedeeld en van meubelen voorzien, een rollend dag- en nachtverblijf. Die van Cesar Cascabel bevatte alle gemakken die voor zijn zwervend bestaan onontbeerlijk waren.

De wagen had eenen naam,De schoone Zwerfster, even alsof het een schip was, en de verschillende tochten door onderscheidene deelen der nieuwe wereld, die zij reeds had helpen doen, rechtvaardigden die dichterlijke benaming. Drie jaar geleden was het rijtuig nieuw gekocht van de spaarpenningen die het echtpaar toenhad overgegaard. Het had gediend om de oude kar te vervangen, waar zij tot dien tijd zich mede hadden beholpen, een ruw en hortend ding zonder veeren, alleen maar met een lap geteerd zeildoek overdekt, waaronder het gezin de nachten doorbracht. Met dit gebrekkige vervoermiddel hadden de Cascabels twintig jaren lang de kermissen en jaarmarkten in de amerikaansche Unie afgereisd. Het spreekt dus van zelf dat hun nieuwe rijtuig van amerikaansch maaksel was.

DeSchoone Zwerfsterwas een wagen op vier wielen, rustende op beste stalen veeren, licht en toch stevig van bouw. Zij werd met zorg onderhouden, op haar tijd gewasschen, gepoetst en gepolijst, zoodat de met schitterende kleuren, goudgeel en cochenille-rood, beschilderde wanden in het zonnelicht blonken. Daarop prijkten met groote letters de woorden:Familie Cesar Cascabel. Zij was even lang als de groote reis- en goederenwagens, die gebruikt worden voor tochten door de prairieën in het verre westen, waar de spoorwegen, die in de richting van San Francisco de beide oceanen verbinden, nog niet met hunne vertakkingen zijn doorgedrongen. Twee paarden konden niet anders dan in den stap het zware voertuig voortkrijgen. De last dien zij te trekken hadden, was niet gering. Behalve de reizigers, een zeildoeksche tent met palen, touwen, en toebehooren, die boven op den wagen geborgen werd, en daar beneden, tusschen de wielen, een kleed van zeildoek, dat onder het rijden heen en weder slingerde en waarin allerlei geborgen werd, de turksche trom en de roffeltrom, de klephoorn en de trompet, en al de andere benoodigdheden die voor de vertooningen van kunstenmakers vereischt worden. Daartoe behoorden ook de kostuums voor eene vermaarde pantomime, genaamd:De roovers van het Zwarte Woud, welke sedert lang den roem der familie Cascabel uitmaakte.

Het binnenste van den wagen was zeer doelmatig ingericht en zoo netjes en zindelijk als eene hollandsche boerenwoning, want Cornelia verstond, waar het op orde en reinheid aankwam, geen gekscheren.

Achterin, van de buitenlucht gescheiden door eene glazen schuifdeur, bevond zich de afdeeling voor keuken bestemd, waar het fornuis stond te branden. Dan kwam het huisvertrek, tevens eetkamer, waar ook de lieden werden ontvangen die zich de toekomst wilden doen voorspellen. Vervolgens een slaapvertrek, waar de slaapplaatsen twee aan twee tegenover en boven elkaar getimmerd waren even als de kooien in een schip. Daar sliepen aan den linkerkant de twee jongens en aan de overzijde, door een gordijn vanhen gescheiden, hun zusje. Voorin eindelijk was de slaapkamer van Cascabel en zijne vrouw, wier beddegoed bestond uit een mooie matras en een veelkleurige gestikte deken. Daar had ook de lang begeerde geldkist nu eene plaats gekregen. In alle hoeken waren plankjes getimmerd, die opgeslagen en neergelaten konden worden teneinde als tafeltjes te dienen, en kleine kasten tot berging van de kleederen, de pruiken, de valsche baarden en wat verder bij de pantomime te pas kwam. Aan de zoldering hingen twee petroleumlampen, die evenals scheepslampen al de bewegingen van het rijtuig op de hobbelige wegen mede maakten. Bij dag drong het licht naar binnen door een half dozijn in de wanden gemaakte openingen, met in lood gevatte glasruiten gesloten, waar dunne gordijntjes voor hingen die door gekleurde linten werden opgehouden. Het geheel geleek van binnen op de roef eener oud-hollandsche trekschuit.

Kruidnagel was voor zijn persoon met weinig tevreden. Gewoonlijk sliep hij in de keuken, waar hij des avonds aan twee in de wanden geslagen haken zijne hangmat ophing, die ’s morgens bij het krieken van den ochtend weder door hem opgerold werd.

De twee honden, Wagram en Marengo, die ’s nachts de wacht te houden hadden, sliepen in het dekkleed onder den wagen. De aap John Bull hield hen daar gezelschap en maakte het hun, met zijne ongepaste aardigheden, wel eens lastiger dan noodig was. Jako de papegaai eindelijk hing in eene kooi aan de zoldering van het woonvertrek.

De paarden, Gladiator en Vermout, werden gewoonlijk in de nabijheid van deSchoone Zwerfsterin vrijheid aan het grazen gelaten. Zelden was het noodig ze vast te binden. In de uitgestrekte prairieën vonden zij voedsel in overvloed, en na zich den buik volgegeten te hebben, behoefden zij maar te gaan liggen om het even goed te hebben als in eenen stal.

Aldus toegerust, met geweren en revolvers onder het bereik der slapenden en met de twee honden als schildwachten, was deSchoone Zwerfstereen even veilig als geriefelijk nachtverblijf.

Er waren reeds ontelbare mijlen mede afgereisd in de drie jaren dat zij dienst had gedaan. Van New-York naar Albany, van Niagara naar Buffalo, naar Saint Louis, naar Philadelphia, naar Boston, naar Washington, langs de Mississippi naar Nieuw-Orleans, langs de spoorweglijn van de Great-Trunk tot het hart van het Rotsachtige Gebergte, in het land der Mormonen en tot achter in Californië! Het scheen wel voor eene gezondheidsreis te mogen doorgaan, want niemand van den troep was ooit een oogenblik ziek geweest, alleen de gulzige John Bull uitgezonderd, die nooit eenegelegenheid verzuimde om zich de maag te overladen en daar dan ook de gevolgen van ondervond.

Zij stelden zich er heel wat van voor, deSchoone Zwerfsternaar Europa te brengen en met dit voertuig over de straatwegen van het vaderland te rijden. Wat een bekijks zouden zij hebben in geheel Frankrijk, vooral onder de landelijke bevolking. Cesar Cascabel dacht aan niets anders dan aan zijn geliefd geboorteland, zijn Normandië, dat hij zijn leven lang gehoopt had terug te zien en dat hij nu werkelijk in zijne verbeelding reeds vóór zich had.

Te New-York aankomende, waren zij voornemens den reiswagen uit elkaar te nemen en in te pakken en hem vervolgens als vrachtgoed met de stoomboot naar Hâvre mede te nemen. Daar kon hij weer op de wielen gezet worden en hoopten zij er de reis door Frankrijk mede te aanvaarden.

Het geheele gezin, man, vrouw en kinderen had slechts éénen wensch: den tocht te beginnen. Het was alsof hunne viervoetige vrienden hun ongeduld deelden. Den 15denFebruari, des ochtends heel in de vroegte braken zij dus gezamenlijk van het pleintje te Sacramento op, sommigen te voet, anderen in den wagen, ieder zooals het hem goed dacht.

Het weder was zeer koel, maar mooi. Onnoodig te zeggen dat er gezorgd was voor den noodigen leeftocht, bestaande in ingelegd vleesch en groenten. Zij rekenden er echter op dat de voorraad in steden en dorpen, welke zij door moesten trekken, aangevuld zou kunnen worden, en bovendien is er in deze streken overvloed van allerlei wild, bisons, herten, hazen en patrijzen. Jan was een geoefend schutter en zou zijn geweer niet laten roesten, terwijl hij voor geene jacht-aktebehoefdete zorgen want in de uitgestrekte prairieën van het verre Westen is er geen koddebeier of veldwachter die u daar naar vraagt. De poedel Marengo deugde voor dit soort van werk niet, maar de patrijshond Wagram was zoo goed afgericht als de beste jachthond en nooit beter in zijn schik dan wanneer hij een stuk wild achterna mocht zitten.

Buiten Sacramento gekomen, reed deSchoone Zwerfsterin de richting van het Noord-Oosten. Zij wilden langs den kortsten weg de grens over en het gebergte der Sierra Nevada doortrekken. Dit was ongeveer een paar honderd kilometers, tot waar de Sonora-pas tusschen de bergen doorgaat en in de onafzienbare vlakte aan de oostzijde uitkomt.

Deze streek was eigenlijk nog niet wat men het verre Westen noemt. Dáár zijn de dorpen en gehuchten zeldzamer. Het was ook niet de prairie, met haar onbegrensden gezichteinder, haar eindeloosgrasveld, bewoond door zwervende Indiaansche stammen, die naarmate de beschaving voortschrijdt, meer naar de minst bevolkte gewesten van Noord-Amerika worden teruggedrongen. Bijna dadelijk nadat zij Sacramento achter zich hadden, begon de grond reeds te rijzen. Dit waren de eerste golvingen der Sierra Nevada, die het rijke Californië omringt met eene aaneengeschakelde reeks bergen, door donkere dennenwouden overdekt, waarboven hier en daar toppen uitsteken van een vijfduizend meters hoogte. Het is alsof de natuur dit land, waar zij zoovele schatten verborgen heeft die thans reeds door de op buit beluste hand der menschen geroofd zijn, achter een zwaar gordijn van eeuwig groen heeft willen verbergen. In de richting welke deSchoone Zwerfsterwas ingeslagen, kwamen zij langs verscheidene steden van beteekenis, zooals Jackson, Mocquelenne, Placerville, voorposten als het ware van het goudland en van het district Calavaras. Maar de familie Cascabel hield alleen op waar zij inkoopen had te doen of waar zij eenen rustigen nacht wilde doorbrengen. Cesar maakte haast om den Nevada-bergketen, vervolgens de woeste streek van het Groote Zoutmeer en daarna de hooge passen van het Rotsachtige Gebergte door te komen. Gedurende dit gedeelte van den tocht moest er van het rijtuig en de paarden het meeste gevergd worden. Eenmaal in de nabijheid van Erie of Ontario gekomen, hadden zij slechts de vlakte door te trekken waar de wielsporen van andere voertuigen en de door de hoeven van andere paarden platgetreden paden hun van zelf den weg zouden wijzen.

Niet dan langzaam kwamen zij in deze bergachtige streek vooruit. Ook hadden zij vrij wat last van koude want de laatste weken van den winter deden zich terdege voelen, al bevonden zij zich pas op den acht-en-dertigsten breedtegraad, dat is op gelijke aardrijkskundige hoogte als Sicilië en Spanje in Europa. Zooals bekend is ondervindt Amerika de werking niet van den Golfstroom, dien warmen zee-arm, die uit de Golf van Mexico komende, zich in oostelijke richting dwars door den oceaan naar Europa wendt. Hierdoor is het amerikaansche klimaat, op gelijke breedte, veel kouder dan dat der europeesche landen. Dit zou echter nog slechts eenige weken duren. Dan was de winter voorbij en de vruchtbare bodem van Californië zou zich weder vertoonen in al zijnen rijkdom, als het land waar het graan een honderdvoudigen oogst brengt, waar alle voortbrengselen der heete zoowel als der gematigde luchtstreek in weelderigen overvloed tieren, suikerriet, rijst, tabak, oranjeappelen, olijven, citroenen, ananassen, bananen en andere vruchten. Niet het goud maakt Californië rijk, maar de ongeëvenaarde vruchtbaarheid zijner uitgestrekte landouwen.

In de Sierra Nevada. (Zie bladz. 30).In de Sierra Nevada.(Zie bladz.30).

In de Sierra Nevada.(Zie bladz.30).

—Wij zullen nog wel eens aan dit heerlijke land denken, merkte Cornelia op, die voor eene welvoorziene keuken lang niet onverschillig was.

—Snoepster die gij zijt! antwoordde Cesar.

—Ik zeg het niet voor mij, maar voor de kinderen.

Menige dag ging voorbij terwijl zij langs den rand der wouden en dwars door de groene vlakten hunnen weg zochten. Ontelbaar waren de troepen vee die zij in het wild tegenkwamen, en die hier overvloed van voedsel vinden zonder dat op eenige plek het weelderige grastapijt een spoor vertoont van afgegraasd te zijn. Den onuitputtelijken plantengroei van Californië, die zich zonder ophouden telkens vernieuwt, kan niemand zich voorstellen die hem niet aanschouwd heeft. Het is de korenschuur van het land langs den stillen Oceaan; alle handelsvloten, zoo die vereenigd werden om de oogsten er van weg te voeren, zouden niet in staat zijn de opbrengst uit te putten. DeSchoone Zwerfsterschreed voort met dezelfde snelheid waarmede zij in den regel hare reizen maakte, dat was eene mijl of zes, zeven daags, zelden meer. Zoo was zij met haar levenden last reeds in alle staten der Unie geweest en had zij den troep van Cascabel overal bekend gemaakt, van de monden der Mississippi tot in Nieuw-Engeland. Maar op hare vroegere tochten werd er in iedere stad halt gehouden teneinde er voorstellingen te geven en geld op te halen. Thans ging het in eene rechte lijn van het Westen naar het Oosten, zonder dat er moeite gedaan werd om op eenige manier de aandacht der bewoners te trekken. Geene kunstreis deden zij ditmaal, maar het was in de eerste plaats om het oude Europa te doen en daarna om de vriendelijke dorpen van het goede Normandië.

Het was dan ook een vroolijke tocht en menig stevig gebouwd huis, dat zij tegenkwamen, had den goeden geest die in de voorbijtrekkende woning op wielen heerschte, kunnen benijden. Er werd heel wat gelachen, gezongen en gekheid gemaakt, ook maakte Sander nu en dan met zijn klephoorn de vogels aan het schrikken, wier onbezorgdheid voor het overige veel overeenkomst had met de gemoedsstemming van het zwervende gezin.

Dit alles nam echter niet weg dat de dagen, gedurende welke zij op reis waren, niet in ledigheid mochten worden doorgebracht.

—Kinderen, zeide Cascabel telkens, wij moeten oppassen dat wij niet verroesten!

Zoo dikwijls er halt gemaakt werd om de paarden te laten rusten, was het dus met de rust der reizigers gedaan. Niet zelden gebeurde het dat er Indianen nieuwsgierig kwamen kijken, terwijlJan zich in het balanceeren oefende, de kleine Napoleona eenige nieuwe danspassen en toeren probeerde en Sander zijne ledematen uitrekte en boog alsof ze van guttapercha waren. Dan toonde ook Cornelia de kracht harer spieren en liet haar man de zeldzaamste geluiden uit zijne buik komen, terwijl Jako zat te snateren in zijne kooi, de twee honden samen allerlei kunsten uitvoerden en John Bull, door het voorbeeld aangestoken, zijne malste grimassen vertoonde.

Hierbij moeten wij echter niet verzuimen te vertellen dat Jan ook op andere wijze den tijd niet ongebruikt voorbij liet gaan. De enkele boeken die hij in deSchoone Zwerfsterbergen kon, werd hij niet moede te lezen en te herlezen. Het waren nieuwe leerboeken voor aardrijkskunde en cijferkunst, benevens eenige reisbeschrijvingen. Ook hield hij wat op eene zeereis het »Scheepsjournaal« genoemd zou worden en menig reisavontuur werd op onderhoudende manier daarin verhaald.

—Ge zult nog veel te knap worden, zei zijn vader wel eens. Maar ge moogt doen wat ge goed vindt.

Het kwam bij Cascabel niet op den leerlust van zijn eerstgeborene tegentegaan. Hij en zijne vrouw waren er in den grond van hun hart niet weinig trotsch op dat een hunner spruiten een »geleerde« scheen te willen worden.

In den namiddag van den 27stenFebruari bereikte deSchoone Zwerfsterden ingang van een der passen door de Sierra Nevada. Daar doorheen te komen was een vermoeiend vooruitzicht en zou wel een dag of vier duren. Menschen en dieren moesten tot halfweg de hoogte van den berg onafgebroken klimmen. Om den wagen naar boven te krijgen langs het nauwe pad, dat zich zigzagsgewijs om de wanden van den berg slingerde, moesten de reizigers telkens de handen aan de wielen slaan. Daarbij kwam dat naarmate zij hooger kwamen, het weer minder gunstig dreigde te worden, al begonnen zij reeds den invloed van de vroegtijdig invallende Californische lente te gevoelen. Geweldige regens, hagelbuien en sneeuwstormen maken deze bergpassen dikwijls onveilig, vooral op plaatsen waar de weg, plotseling eenen scherpen hoek makende tusschen hooge rotsen, als in eenen trechter doordringt. Het hoogste punt der passen ligt boven de grens der nimmer smeltende sneeuw, en eerst na ruim een paar duizend meters op deze hoogte te zijn voortgeschreden, begint de reiziger in het land der Mormonen langzaam te dalen.

Cascabel was echter voornemens te werk te gaan zooals hij bij dergelijke gelegenheden gewoon was te doen en hulp-paarden te huren. Die kon hij gewoonlijk in het eene of andere gehucht aanden voet der bergen wel krijgen, evenals een paar mannen, hetzij Indianen of Amerikanen, om als voerlieden dienst te doen. Dit kostte wel eenig geld, maar het was onvermijdelijk indien hij zijn eigen tweespan niet wilde bederven.

Des avonds van den 27stenbevonden zij zich bij den ingang van den Sonora-pas. De valleien welke zij tot dusver doorgetrokken waren, hadden geen bijzondere moeilijkheden opgeleverd en het was dus nog niet noodig geweest de taak van Vermout en Gladiator te verlichten. Maar al ware het geheele gezelschap hen te hulp gekomen, dan waren hunne vereende krachten nog niet toereikend geweest voor hetgeen hun thans te doen stond.

Op korten afstand van een klein gehucht, verloren te midden der eenzaamheid van het gebergte, werd halt gehouden. Het waren slechts enkele huizen, en op een paar geweerschoten afstands stond eene landhoeve, waarheen Cascabel plan maakte zich dienzelfden avond te begeven, teneinde te zien of hij voor den volgenden dag daar paarden kon bekomen om de zijne te helpen.

Eerst moesten er echter de noodige maatregelen genomen worden om hier den nacht door te brengen.

Nadat alles gereed gemaakt was zooals zij het gewoon waren, gingen er een paar op uit om in het gehucht een en ander te koopen, spijs voor de menschen en voeder voor het vee.

Dien avond was er geen sprake van oefeningen of toeren te maken, want allen waren moede. Het was een zware dag geweest; een groot gedeelte van den weg hadden zij te voet moeten afleggen teneinde den last voor de paarden te verlichten. Cascabel bepaalde dus dat ieder rust moest houden en tevens dat daarin geen verandering zou komen zoo lang zij in de Sierra aan het stijgen waren.

Cesar wierp een laatsten blik op de toebereidselen voor den nacht en overtuigde zich dat alles in orde was. Toen vertrouwde hij deSchoone Zwerfsteraan de waakzaamheid van zijne vrouw en kinderen, en sloeg hij met Kruidnagel den weg in naar de hoeve, uit wier schoorsteenen blauwe rookwolken tusschen de boomen naar boven stegen.

De boerderij bleek bewoond te worden door een Californisch gezin, dat de vreemdelingen vriendschappelijk ontving. De eigenaar beloofde drie paarden met twee geleiders te zullen leveren. De beide mannen zouden tevens als wegwijzers dienen tot aan de plek waar de helling van het gebergte naar den oostkant eenen aanvang neemt. Van daar af had deSchoone Zwerfstergeene hulp meer noodig en de mannen zouden dan de paarden terugbrengen, maar het een en ander zou vrij wat geld kosten.

CesarCascabeldong en pingelde als een man die er niet van houdt om zijn geld weg te gooien. In het eind werden zij het eens tot eenen prijs, die de som niet te boven ging welke hij voor dit gedeelte der reis had bestemd.

Den volgenden ochtend te zes uren waren de mannen met de drie paarden op het appèl. De dieren werden vóór Vermout en Gladiator aangespannen en spoedig was deSchoone Zwerfsterin een nauwen bergpas, waarvan de wanden aan weerszijden met dichte bosschen overdekt waren. Een paar uren verder maakte de weg een scherpen hoek en de weelderige landouwen van Californië, die onze reizigers niet zonder een gevoel van spijt vaarwel zeiden, verdwenen achter de geweldige berggevaarten der Sierra Nevada.

De drie paarden van den Californischen boer waren stevige beesten, op wier trekkracht zij staat konden maken, maar of hunne geleiders even goed te vertrouwen waren, scheen tamelijk twijfelachtig.

Het waren een paar sterke kerels van gemengd bloed, half Indianen en half Engelschen. Had Cascabel dat geweten, hij had hen zeker zonder verder vragen naar huis gestuurd.

Cornelia vond ten minste dat zij er alles behalve eerlijk uitzagen, Jan was het met zijne moeder eens en Kruidnagel stemde met hen in. Cesar scheen het ditmaal niet gelukkig getroffen te hebben, maar in het ergste geval waren zij toch maar met hun tweeën en als zij iets kwaads in den zin mochten hebben zouden zij ondervinden dat zij niet met weerlooze lieden te doen hadden.

Op het ontmoeten van slecht volk bestond in de Sierra niet veel kans, want de wegen stonden als veilig bekend. De tijd was voorbij toen de ruwe Californische mijnwerkers, die destijdsloafersenrowdiesbijgenaamd werden, met allerlei zwervend gespuis, uit alle deelen der wereld derwaarts gekomen, samenspanden om reizigers en eenzaam wonende lieden te plunderen. De goedgezinde bevolking had zoo dikwijls de lynch-wet op hen toegepast, dat er een einde was gekomen aan deze straatrooverijen.

Intusschen was Cascabel een te voorzichtig man om tegenover de twee vreemden niet op zijne hoede te wezen.

Dit viel niet tegen te spreken, dat het een paar flinke karrevoerders waren. De dag liep dan ook zonder eenig ongeval ten einde en dit was toch maar de hoofdzaak. Hadden zij het ongeluk gehad een wiel te verliezen of eene as te breken, dan zouden de bewoners van deSchoonste Zwerfster, op zulk eenen afstand van iedere menschelijke woning en zonder gereedschap om eenige avarij van beteekeniste herstellen, in de grootste verlegenheid geraakt zijn.

De bergpas was uitermate wild en woest. Aan weerszijden niets dan dennenstammen, bijna zwart van kleur, waartusschen de steenachtige grond met een dik tapijt van mos bekleed was. Verbazende rotsklompen lagen telkens in den weg en moesten omgetrokken worden. Vooral was dit het geval langs een der zijtakken van de Walkner-rivier, die zelve haren oorsprong neemt in het meer van dien naam en wier wateren met geweldige sprongen hunnen weg nemen naar diepe afgronden. In de verte, hoog tusschen de wolken, schemerde de Castle-piek, een puntige rots, van lagere spitsen omgeven die in de grilligste fatsoenen uit diepe ravijnen oprijzen.

Tegen vijf uur des namiddags begon het in den door hooge bergwanden ingesloten bergpas reeds donker te worden. De weg maakte hier weder een scherpen hoek en de helling was zoo steil dat een gedeelte der lading van den wagen moest genomen worden om hem te verlichten. Het onderaan hangende dekkleed met al wat er in was en bijna de geheele bovenlast werden voorloopig achtergelaten.

Ieder stak zijne handen uit om te helpen en het moest erkend worden dat de twee karrevoerders zich niet lui toonden, waardoor Cascabel en de zijnen eenigszins terugkwamen van den ongunstigen indruk, dien de mannen aanvankelijk op hen gemaakt hadden. De tocht door de bergpas zou trouwens nog slechts twee dagen duren, dan zouden zij het hoogste punt bereiken en konden de hulppaarden met hunne geleiders weder naar de hoeve terugkeeren.

Toen er eene geschikte plaats gevonden was om des nachts verblijf te houden, gingen de karrevoerders ook eene plek zoeken om hunne paarden vast te binden. Terwijl zij hierop uit waren, ging Cascabel met zijne twee zonen en Kruidnagel terug naar het punt van den weg, waar de afgeladen voorwerpen zoo lang waren neergelegd.

Na den vermoeienden dag smaakte het avond-eten dubbel. Niemand talmde lang om te gaan slapen.

Cascabel bood de twee vreemden eene slaapplaats aan in eene der afdeelingen van deSchoone Zwerfster, maar daarvan wilden zij niet gediend zijn. Zij zeiden dat zij onder de boomen een beter onderkomen konden vinden om in hunne dikke dekens gewikkeld tevens de paarden goed onder hun bereik te hebben.

Korten tijd nadat dit aldus geregeld was, lag niemand in het kampement meer met open oogen.

Zoodra het den volgenden ochtend licht begon te worden waren groot en klein weder op de been.

Wij zijn bestolen. (Zie bladz. 38).Wij zijn bestolen.(Zie bladz.38).

Wij zijn bestolen.(Zie bladz.38).

Cascabel met Jan en Kruidnagel kwamen het eerst uit deSchoone Zwerfstervoor den dag en gingen den kant op waar Gladiator en Vermout den vorigen avond vastgezet waren.

Hunne paarden waren daar ook, maar die van den boer waren nergens te zien.

Zij konden echter niet ver afgedwaald wezen en Jan keerde naar den wagen terug om de karrevoerders te gelasten hunne beesten weder op te zoeken. Maar ook de twee mannen waren niet bij de hand.

—Waar zouden zij zitten? vroeg Jan.

—Ik denk, zeide Cesar, dat zij er reeds op uit zijn om hunne paarden terug te halen.

—Ohé!... Ohé!... riep Kruidnagel met zijne schelle stem, die ver in den bergpas teruggekaatst werd.

Er kwam geen antwoord.

Nu begonnen Jan en zijn vader samen te schreeuwen zoo hard zij konden, ook gingen zij een eind naar beide kanten den weg op, heen en weer terug.

De twee karrevoerders kwamen niet te voorschijn.

—Zouden wij nu toch gelijk gehad hebben toen hun tronie ons zoo weinig aanstond? zeide Cascabel.

—Maar wat voor reden zouden zij hebben om ons in den steek te laten? merkte Jan op.

—Zeker om ons eene leelijke poets te bakken.

—Maar wat hebben zij er aan om van ons van daan te loopen?

—Ja, wat hebben zij daar aan?... Wacht eens, misschien kunnen wij er gemakkelijk genoeg achter komen!

Door Jan en Kruidnagel gevolgd, snelde Cascabel zoo hard hij loopen kon naar den reiswagen.

De trede opvliegen, de deur openstooten, alle vertrekken doorrennen om in het achterste te gaan kijken of de goedbewaakte geldkist nog op hare plaats stond, was het werk van een oogenblik. Eene seconde later kwam Cesar weder voor den dag, met den uitroep:

—Wij zijn bestolen!

—De geldkist? vroeg Cornelia.

—De schoeljes hebben die meegepakt!


Back to IndexNext