XIII.

XIII.Een inval van Cornelia Cascabel.Dit gedeelte der reis tusschen de forten Selkirk en Youkon had deSchoone Zwerfsterop den rechteroever der rivier afgelegd. Zij waren echter op ongelijken afstand van den waterkant gebleven, teneinde niet al de talrijke bochten, welke de rivier maakt en die soms door onbegaanbare moerassen omgeven worden, te moeten omtrekken. Dit laatste is alleen het geval aan deze zijde, want op den linkeroever verheffen zich eenigeheuvelrijenvan matige hoogte, die naar het noordwesten uitloopen. In een anderen tijd van het jaar hadden zij moeite kunnen hebben om sommige zijtakken van de Youkon over te komen, zooals de Stewart-rivier, waar geen overzetveer op onderhouden wordt. Maar in den zomer staat er op de droogste plekken zoo weinig water dat deze kleine stroomen doorwaad kunnen worden. Toch zouden zij nog dikwijls in verlegenheid verkeerd hebben als zij Kayette niet bij zich gehad hadden, die in de vallei goed thuis was en hun de doorwaadbare plaatsen aan wist te wijzen.Het was dus waarlijk gelukkig voor hen dat het Indiaansche meisje als gids dienst kon doen. Zij was zelve blijde als zij hare vrienden op de eene of andere wijze nuttig kon zijn; zij voelde zich tevreden te midden dier lieden die als het ware hare bloedverwanten vervangen hadden, en boven alles was de moederlijke zorg, die Cornelia haar toonde en die het arme meisje zoo lang gemist had, haar onuitsprekelijk veel waard.Het land was hier en daar nog met bosschen bedekt en op verschillende plaatsen heuvelachtig. Maar over het algemeen vertoonde het landschap zich reeds anders dan in den omtrek van Sitka.De weersgesteldheid, die gedurende acht maanden van het jaar met den winter der poollanden gelijk staat, is oorzaak dat de plantengroei hier niet tot groote ontwikkeling komen kan. Behalve hier en daar eenige populieren, waarvan de toppen boogvormig gekromd zijn, behooren er in deze landstreek geene andere soorten van boomen thuis dan dennen en berken. Wat er voor het overige nog gevonden wordt, zijn armoedige wilgeboomen, schraal van loof en fletsch van kleur, die door de scherpe winden, welke over de IJszee komen aangieren, vroegtijdig van hunne bladeren beroofd worden.Op de reis van fort Selkirk naar fort Youkon had de jacht voortdurend zooveel opgeleverd dat het niet noodig was geweest den voorraad ingemaakte voedingsmiddelen aan te roeren om dagelijks de tafel van het noodige te voorzien. Er werden zooveel hazen geschoten dat onze reizigers er eindelijk bijna beu van werden, al werd de hazenpeper, de hazensoep, de gebraden haas en de hazenpastei ook nu en dan afgewisseld door eenden en ganzen, en door de eieren dier vogels, welke Sander en Napoleona goed slag hadden om uit de holten, waarin ze verstopt lagen, te voorschijn te halen. Cornelia was eene volleerde keukenprinses in het op verschillende wijze klaarmaken van eieren en andere dagelijks voorkomende spijzen, en liet zich daarop heel wat voorstaan. Aan eetlust was bovendien nooit gebrek.—Dit is nu toch eens een goed land om in te leven! riep Kruidnagel bij zekere gelegenheid uit, toen hij aan het afkluiven van eene overheerlijke ganzenbout was. Jammer dat het niet meer in het midden van Europa of Amerika ligt.—Lag het tusschen bewoonde landen, merkte Sergius op, dan zou er vermoedelijk zooveel wild niet zijn.—Ten minste.... wilde Kruidnagel antwoorden.Een blik van Cesar legde hem het zwijgen op en deed hem begrijpen dat hetgeen hij zeggen ging, onzin was.Was het land wildrijk, in de beken en riviertjes die zich in de Youkon uitstortten, wemelde het van visschen. Sander en Kruidnagel hengelden ijverig en brachten menig heerlijk zoodje thuis, vooral snoeken van de beste soort. Zij mochten vrij den hengel uitwerpen waar zij goedvonden, want naar eene visch-akte kwam niemand hen vragen, zoodat het hen niets kostte dan de moeite van het vangen.Voor kosten maken was trouwens de kleine Sander minder bevreesd dan iemand anders. Hij hield zich overtuigd dat, dank zij hem, de toekomst der familie Cascabel voor altijd verzekerd was. Hij bezat immers dien geweldigen klomp goud, dien hij in de Caribou-vallei opgeraapt en zorgvuldig in eenen hoek van den wagen verstopt had, verzekerd als hij was dat het een steen was van onschatbare waarde. Hij had zijn geheim zorgvuldig bewaard en wachtte geduldig het oogenblik af waarop hij zijnen schat in klinkende munt zou kunnen omwisselen. Wat een vreugde zou dat geven als hij plotseling zóó rijk werd! Niet voor zichzelf: de goedhartige knaap dacht er niet aan, het geld voor zich te houden. Zijnen vader en zijne moeder wilde hij er gelukkig mede maken en hen op die manier ruimschoots schadeloos stellen voor den laaghartigen diefstal, waar zij de slachtoffers van waren.Toen deSchoone Zwerfsterna ettelijke smoorheete dagen eindelijk te Youkon aankwam, waren al de reizigers uitgeput van vermoeienis. Er werd dus besloten dat zij hier niet minder dan eene week vertoeven zouden.—Gij kunt dat te geruster doen, zeide Sergius, dewijl dit fort slechts op een paar honderd mijlen afstands van Port-Clarence ligt. Het is van daag eerst de 27steJuli, en niet dan over twee of misschien drie maanden kan het ijs in de Behringstraat sterk genoeg wezen om den wagen te dragen.—Dat is zoo klaar als de dag, stemde Cascabel toe. Wij hebben dus den tijd om eene poos uit te blazen.Dit was een welkom bericht, zoowel voor het tweehandige als voor het viervoetige personeel derSchoone Zwerfster.Het fort Youkon is in het jaar 1847 opgericht. Het is de meest westelijke vestiging van de Hudsonsbaai-compagnie en ligt bijna op den poolcirkel. Dewijl het fort tot het grondgebied van Alaska behoort, is de Hudsonsbaai-compagnie verplicht jaarlijks eene schadeloosstelling te betalen aan de concurreerende vennootschap, de Russisch-Amerikaansche handelsvereeniging.Niet vóór 1864 werden de gebouwen gezet waar de vestiging thans uit bestaat. Zij werden met eene palissadeering omringd en waren juist gereed gekomen toen de troep van Cascabel in het fort aankwam, met het voornemen er eenige dagen te vertoeven.De beambten boden hun gastvrij een verblijf binnen het fort aan, want in de loodsen en pakhuizen was plaats genoeg om hen te herbergen; maar Cascabel bedankte met eenige sierlijke en klinkende volzinnen voor hunne uitnoodiging. Hij was aan de geriefelijkheden van deSchoone Zwerfstergewend en wilde die niet missen.De bevolking van het fort bestond uit een twintigtal beambten der compagnie, meerendeels amerikanen, met eenige indiaansche bedienden. In de nabijheid van het fort waren echter ettelijke honderden inboorlingen gelegerd.De oorzaak daarvan was dat het fort Youkon de voornaamste verzamelplaats in Alaska is voor den handel in bontwerk en pelterijen. Daar komen al de inlandsche stammen van het gewest bijeen, de Kotch-à-Koutchins, de An-Koutchins, de Tatantchoks, de Tananas en voornamelijk de talrijkste aller stammen, de Co-Youkons, die het meest in de nabijheid der groote rivier gevestigd zijn.Het fort is bijzonder gunstig voor dezen ruilhandel gelegen, want het is gebouwd in eenen hoek, dien deYoukonbij hare samenvloeiing met de Porcupine maakt. De rivier splitst zich op deze hoogte in vijf armen, langs welke de handelaars gemakkelijk tot in het binnenland kunnen doordringen en zelfs over de Mackenzie-rivier met de Eskimo’s in aanraking kunnen komen om met deze handel te drijven.Dit net van waterwegen is dan ook vol vaartuigen die zich voor den stroom laten afdrijven of er tegen oproeien. Dit zijn vooral de zoogenaamdebaïdarres, lichte sloepjes van geöliede beestenvellen gemaakt, die op de naden met vet worden bestreken om ze beter waterdicht te maken. Met deze broze vaartuigen zien de Indianen niet tegen groote watertochten op, terwijl zij hunne schuitjes uit het water nemen en op hunnen rug verder dragen zoodra het varen door stroomversnellingen of watervallen onmogelijk wordt gemaakt.Intusschen is het vervoer te water slechts gedurende drie maanden van het jaar open, want al de overige maanden liggen de wateren met eene dikke ijskorst bedekt. Debaïdarreverandert dan van bestemming en wordt eene slede. Het voertuig, van voren uitloopend in eene omgebogen punt als de voorsteven eener schuit, wordt met riemen van elandenvel bijeengehouden; een span honden of rendieren trekt het en het vliegt met groote snelheid voort. Voetgangers met hunne lange sneeuwschoenen aan de voeten, komen echter nog vlugger vooruit.Cesar Cascabel mocht weder van geluk spreken! Hij kwam juist op het geschikte tijdstip te fort Youkon, terwijl de pelterijenhandel het levendigst was. De Indianen hadden bij honderden in den omtrek der factory hun kamp opgeslagen.—De drommel moge mij halen, riep Cesar uit, als wij daar niet een voordeeltje van hebben. Het is hier eene echte kermis; wij zijn kermiskunstenaars; wat is dus natuurlijker dan dat wij onze kunsten eens vertoonen? Wat zegt gij er van, mijnheer Sergius?Eene baïdarre, of sloep van geoliede beestenvellen. Zie bl. 149.Eene baïdarre, of sloep van geoliede beestenvellen. Zie bl.149.—Ik heb er niets tegen mijn vriend, maar ik twijfel of de opbrengst veel te beteekenen zal nebben.—In elk geval maken wij toch onze kosten goed, want die bedragen niemendal.—Dat moge waar zijn, antwoordde Sergius, maar ik zou toch wel eens van u willen hooren hoe die eenvoudige inlanders hunne plaats moeten betalen, want zij hebben evenmin Amerikaansch als Russisch geld.—Welnu dan betalen zij met muskusrattenvellen, met beverhuiden, weet ik het, met alles wat zij hebben! In het ergste geval zullen deze vertooningen het goede gevolg hebben dat wij er onze spieren weder eens mede uitrekken, want ik ben altijd maar bang dat onze ledematen door gebrek aan oefening zullen achteruitgaan. Wij moeten nog voorstellingen geven, te Perm, teNisjnien op andere plaatsen en ik verkies geen dwaas figuur met mijnen troep te maken als wij op uw geboortegrond komen werken. Zoo iets zou ik niet overleven mijnheer Sergius, ik verzeker u dat ik er dood van zou gaan!Het fort Youkon is de voornaamste nederzetting in deze streek en op een ruim terrein aan den rechteroever der rivier gelegen. Het heeft de gedaante van een langwerpigen vierhoek, op de hoeken versterkt door vierkante torens, die vrij veel overeenkomst hebben met de molens op een bewegelijk bovenstuk, zooals die in het Noorden van Europa worden aangetroffen. Binnen het fort staan verscheidene gebouwen, dienende tot woonplaatsen voor de beambten der compagnie en hunne gezinnen; verder twee groote afgesloten loodsen, die als bergplaatsen dienen voor pelterijen en waar altijd een voorraad huiden van marters, bevers en zwarte of zilvergrijze vossen gevonden wordt, benevens verschillende vellen van minder waarde.Het is niet alleen een eentonig, maar ook een treurig leven dat door de bewoners van het fort geleid wordt. Hun voornaamste voedsel is elandenvleesch, gebraden, geroosterd, gekookt of gestoofd, eene enkele maal afgewisseld door rendierenvleesch. Alle andere benoodigdheden moeten zij doen komen uit de factorij York, aan de Hudsonsbaai, op zes of zevenhonderd mijlen afstands gelegen. Het spreekt dus van zelf dat de gemeenschap met die afgelegen plaats niet druk is.In den namiddag nadat zij deSchoone Zwerfsteronder dak gebracht hadden, ging Cascabel met zijn gezin een bezoek brengen aan de tusschen de Youkon en de Porcupine gelegerde Indianen.De tijdelijke woningen waarin deze inboorlingen verblijf hielden,verschilden naarmate van den stam waartoe zij behoorden. Het waren hutten van boomschors of van dierenvellen, steunende op palen en met bladeren overdekt; of tenten van eene katoenen stof die door de Indianen geweven wordt; of ook planken loodsen die in en uit elkaar genomen kunnen worden naarmate het noodig is.Wat eene vermakelijke verscheidenheid ook in de kleederen! Sommigen droegen ze van dierenvellen, anderen van lijnwaad; als hoofddeksel gebruikten zij allen eenen krans van bladeren, tevens een voorbehoedmiddel tegen de muggenbeten. De vrouwen droegen eene wijde jurk en sieraden van schelpen aan neus, lippen en ooren. De mannen pronkten met eene soort van nestels, waarvan de naalden dienden om des winters hun lange overjas van elandenvel, met het bont binnenwaarts gekeerd, vast te maken. Mannen en vrouwen waren bovendien niet weinig trotsch op hunne snoeren valsche paarlen, die meer op prijs gesteld worden naarmate ze grooter zijn. Onder de verschillende stammen waren de Tananas gemakkelijk te onderscheiden aan hunne met allerlei kleuren beschilderde gezichten, en aan de vederen die zij op hun hoofd droegen en die met stukken roode klei overeind gehouden werden. Zij hadden een lederen vest en een broek van rendierenvel aan, waren met vuursteengeweren gewapend en voorzien van kruithoorns, die zij met veel smaak weten uit te snijden en te versieren.Bij wijze van geld gebruiken deze Indianen schelpen van eene soort,dentaliumgeheeten, die ook bij de stammen op Vancouver-eiland in gebruik zijn. Zij dragen die bevestigd aan het kraakbeen van hun neus en nemen er zooveel af als noodig is als zij iets te betalen hebben.—Dat is een goedkoope portemonnaie, merkte Cornelia op, en zij loopen geen gevaar die te verliezen.—Ten minste als hun neus niet afvalt, meende de snuggere Kruidnagel.—Als het ’s winters erg koud is, kon dat wel eens gebeuren, antwoordde Cascabel.De legerplaats der Indianen gaf een zonderling en woelig tafereel te zien.Onnoodig te zeggen dat Cascabel spoedig een gesprek met eenige inboorlingen had aangeknoopt. Hunne taal, die veel overeenkomst met het chinouk heeft, verstond hij ten naastenbij en Sergius die russisch met hen sprak, diende voor zooveel noodig als tolk.De eerste dagen werd er tusschen de inlandsche kooplieden en de beambten der russische compagnie druk handel gedreven, en de troep van Cascabel vond toen geene gelegenheid om eene voorstelling voor het publiek te geven.De Indianen waren intusschen te weten gekomen dat zij eenen troep fransche kunstenmakers in hun midden hadden, die een grooten naam hadden wegens hunne vlugheid en hunne behendigheid in het koorddansen en duikelen. Iederen avond kwamen zij in grooten getale deSchoone Zwerfsteraangapen. Nog nooit hadden zij zulk een prachtig beschilderd rijtuig onder de oogen gehad. Wat zij er vooral aardig aan vonden, was dat het zulk eene gemakkelijk verplaatsbare verblijfplaats was, want bij het nomadenleven dat zij leidden, moest hun dit bijzonder geriefelijk voorkomen. Wie weet of ook de Indianen nog niet eens op de gedachte zullen komen om hunne hutten op wielen te zetten. Dat zullen dan geen rollende woningen, maar rijdende dorpen wezen!Onder deze omstandigheden voelde Cascabel zich hoe langer hoe meer geprikkeld om eene buitengewone voorstelling te geven. Er werd dus afgesproken dat de vertooning zou plaats hebben »op algemeen en vereerend verlangen der Indianen van het fort Youkon”!Een van de inboorlingen waarmede Cascabel terstond na zijne aankomst kennis gemaakt had, was eentyhi, dat wil zeggen het opperhoofd van eenen stam. Dit was een man met een knap uiterlijk, een jaar of vijftig oud, snugger en zelfs met iets geslepens in zijne trekken. Meermalen was hij in deSchoone Zwerfsterte gast geweest en telkens had hij te kennen gegeven dat de lieden van zijnen stam uiterst benieuwd waren om den franschen troep aan het werk te zien.Gewoonlijk had detyhieen Indiaan van een dertig jaren bij zich, Fir-Fu genaamd, met een fijn en innemend gelaat. Dit was de toovenaar van den stam, een behendig goochelaar, die overal in den omtrek van de Youkon wegens deze eigenschappen bekend was.—Dat is dus een broeder in de kunst, zeide Cascabel toen detyhihem zijnen vriend voorstelde.Zij bezegelden hunne kennismaking met een hartelijken dronk en rookten toen met hun drieën de vriendschapspijp.Na verschillende gesprekken waarin detyhitelkens er op aangedrongen had dat de Cascabels eene voorstelling zouden geven, werd die bepaald op den 3denAugustus. Zij spraken ook af dat de Indianen daarbij zouden medewerken, want deze waren er op gesteld te doen zien dat zij voor geen europeanen in sterkte, behendigheid en vlugheid onderdeden.Dit is licht te begrijpen wanneer men weet dat de Indianen in Alaska en overal in het verre Westen groote liefhebbers zijn van lichaamsoefeningen en van kunstenmaken, waarbij zij allerlei grappen en potsen verkoopen.Op den bepaalden dag en uur was er een talrijk publiek saamgestroomd en kwamen er ook een half dozijn Indianen voor den dag, die groote houten maskers met afschuwelijke monstergezichten voor hadden. Mond en oogen dier maskers konden door middel van draden bewogen worden, zoodat het was alsof de leelijke tronies leefden. De meeste gezichten liepen uit in eene punt als de snavel van eenen vogel en men kan zich nauwelijks voorstellen hoe ontzettend zij grijnsden. John Bull, de aap, had bij hen in de leer kunnen gaan.Het spreekt van zelf dat vader en moeder Cascabel, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel voor deze plechtige gelegenheid zich in hunne kermispakken gestoken hadden.De plaats der voorstelling was een groot weiland, met boomen omringd en deSchoone Zwerfsterop den achtergrond, alsof er eene tooneelvertooning gegeven moest worden. Op de voorste plaatsen zaten de europeesche beambten van het fort met hunne vrouwen en kinderen. Aan weerszijden waren eenige honderden Indiaansche mannen en vrouwen in een halven kring geschaard. Er werd menige pijp gerookt in afwachting dat de voorstelling beginnen zou.De gemaskerde inboorlingen, die ook hunne kunst zouden vertoonen, stonden op eenigen afstand.Toen het oogenblik daar was, vertoonde Kruidnagel zich op het plat van den reiswagen en hield zijne gebruikelijke aanspraak tot het »geëerd publiek”.—Mijneheeren Indianen en Indiaansche dames, nu zult gij komen te zien wat er te kijken is....Maar Kruidnagel sprak de taal der Indianen niet, zoodat er alle waarschijnlijkheid bestond dat zijne welsprekendheid te eenenmale hare werking miste.Wat echter ieder begreep, dat waren de muilperen die hij als naar gewoonte van zijnen patroon opliep en de schoppen tegen zijn achterste welke hij, mede als naar gewoonte, in ontvangst nam met de gelatenheid van een hansworst, wiens bestemming het is zich daarvoor te laten gebruiken.Toen Kruidnagel uitgesproken had, nam Cesar het woord.Hij maakte eene buiging voor het publiek en gaf het kommando: De beesten op het appèl!De twee honden, Wagram en Marengo, werden op de opene plaats vóór den wagen gebracht en vertoonden hunne kunsten, tot groot vermaak der Indianen die nog nooit zulke proeven van dressuur gezien hadden. Daarna kwam John Bull, de aap, over den rug van den windhond en den poedel buitelen, wat hij zoo vlug en metzulke malle bewegingen deed, dat het ernstige Indiaansche publiek schudde van lachen.Al dien tijd blies Sander met de volle kracht zijner longen in de klephoorn, roffelde Cornelia op de kleine en Kruidnagel op de groote trom. Als de inboorlingen door deze muziek geen juist denkbeeld gekregen hebben van een europeesch orkest, heeft het alleen aan hun muzikaal gehoor gelegen.De gemaskerde Indianen zagen dit alles aan zonder een vin te verroeren. Klaarblijkelijk achtten zij het oogenblik nog niet gekomen om handelend op te treden en bewaarden zij hunne krachten.—De jongejuffrouw Napoleona op de gespannen koord! riep Kruidnagel door eenen roeper.Door haren vader begeleid, maakte de kleine meid een sierlijk compliment voor de menigte.Eerst danste zij op den grond, bevallig en vlug, tot groote tevredenheid der toeschouwers, die echter hunnen bijval niet toonden door in de handen te klappen maar door telkens goedkeurend met hunne hoofden te knikken. Dit verminderde niet toen zij op het koord sprong dat tusschen de twee bokken gespannen was en zij daarover huppelde, sprong en danste met eene lichtheid, die voornamelijk de bewondering der Indiaansche vrouwen opwekte.—Nu is het mijne beurt! riep Sander toen zijn zusje gedaan had. Daar kwam hij aan, maakte eene buiging, buitelde over zijn hoofd, liep op zijne handen, duikelde weder, wrong zijne ledematen in allerlei bochten, zoodat nu eens zijne armen als beenen en dan weder zijne voeten als handen dienst deden, of zijn hoofd onder zijn bovenlijf door kwam kijken. Met een vervaarlijken luchtsprong bekroonde hij zijne vertooning.Ook Sander vond bijval, zooals trouwens altijd het geval was. Maar hij had tenauwernood tijd gehad om het publiek te bedanken door zijn voorhoofd tot op den grond te doen nederbuigen, of daar kwam een Indiaansche knaap, van Sander’s leeftijd, uit het zestal te voorschijn. Zijn masker had hij afgezet.Al de kunsten die de jonge Cascabel verricht had, deed de wilde hem na en dat met zulk eene vlugheid en zoo gemakkelijk dat de beste acrobaat het niet had kunnen verbeteren. Misschien deed hij het niet zoo bevallig als Sander, maar in geoefendheid stond hij zeker niet bij dezen achter. De toekijkende Indianen knikten dan ook met nog grooter ingenomenheid hunnen landsman toe.Natuurlijk waren alle leden van den troep van Cascabel beleefd genoeg om hunne toejuichingen aan die van het publiek te paren. Maar hun aanvoerder wilde niet dat zij het onderspit zouden delven.Daarom gaf hij Jan een teeken om zijne kunsten te vertoonen waarin hij meende dat niemand hem kon overtreffen.Jan begreep dat hij de eer der familie op te houden had. Aangemoedigd door een goedkeurend gebaar van Sergius en een vriendelijk knikje van Kayette, bracht hij achtereenvolgens zijne flesschen, borden, ballen, messen, schijven en stokjes op het tapijt. Door eerzucht geprikkeld, overtrof hij bij deze gelegenheid zichzelf.Vader Cascabel kon niet nalaten de gemaskerde Indianen een uitdagenden en zelfvoldanen blik toe te werpen, als wilde hij hun toeroepen:—Welnu, wat zegt ge daarvan? Doet dat eens na als ge kunt!”Blijkbaar namen de gemaskerden het ook zoo op, want nadat detyhieen teeken gegeven had, trad een hunner naar voren en wierp zijn masker af.Dit was Fir-Fu, de toovenaar van den stam. Ook hij had zijnen naam op te houden en tevens de eer van het Indiaansche ras te handhaven.Al de voorwerpen waarmede Jan gewerkt had, nam de Indiaan achtereenvolgens ter hand. De een na de ander deed hij al de kunsten van den jongen Cascabel na. Messen en flesschen, schijven en ringen, ballen en stokken, hij liet ze allen over en door elkaar buitelen dat het een lust was en het moest erkend worden dat hij het niet minder sierlijk, vlug en onberispelijk deed als Jan.Kruidnagel, die niet gewoon was iemand anders te zien werken dan de leden der familie Cascabel, stond beteuterd. Wijd spalkte hij zijne oogen open en zijn mond bleef eindelijk geopend staan van verbazing.Ditmaal was het alleen uit beleefdheid en om zich goed te houden, dat Cascabel hielp toejuichen.—’t Is wat moois, mompelde hij, met die Roodhuiden. Wie had dat ooit kunnen denken! Waar hebben de kerels het geleerd? Maar wij mogen ons niet laten overbluffen!In den grond van zijn hart zat hij deerlijk in de klem. Hier waar hij als een wonder dacht aangegaapt te zullen worden, vond hij mededingers die tegen hem opgewassen waren. En wat voor mededingers? Inboorlingen van Alaska, niet veel beter dan wilden! Wat eene vernedering voor zijne kunstenaars-ijdelheid! Men is kunstenmaker met hart en ziel, of men is het in het geheel niet!—Komaan kinderen, riep hij met eene stentorstem, vooruit met de menschen-pyramide.Fir-Fu, de Indiaansche kunstenmaker. Zie bl. 156.Fir-Fu, de Indiaansche kunstenmaker. Zie bl.156.In een oogwenk stormden zij allen naar hem toe en klommen tegen hem op. Hij had zijne voeten stevig op den grond gezet,wijdbeens, de lendenen strak, de borstkas zoo wijd mogelijk uitgezet. Vlug als een eekhoorn was Jan op zijnen rechterschouder gesprongen. Daar gaf hij de hand aan Kruidnagel, die op den linkerschouder post had gevat. Sander stond op het hoofd van zijnen vader en boven op Sander was Napoleona geklommen, die van deze verhevene standplaats kushanden aan de menigte toewierp.Maar de fransche pyramide stond te nauwernood, of tegenover haar verrees de Indiaansche. Zonder hunne maskers af te leggen hadden de inboorlingen eenen toren van menschen gevormd, niet van vijf maar van zeven geledingen, zoodat zij met eene verdieping boven die der Cascabels uitstak. De eene pyramide tegenover de andere!Ditmaal konden de toeschouwers zich niet inhouden, maar barstten zij in daverende toejuichingen ter eere hunner landslieden los. Het oude Europa was overwonnen door het jonge Amerika! En nog wel een jong Amerika van Co-Youkons, van Tananas en van Tatanchoks!Cesar Cascabel zonk bijna door den grond van ergernis. Het scheelde weinig of eene onhandige beweging, die hij niet inhouden kon, had zijn geheelen menschenlast tegen den grond doen tuimelen.—Die beroerde kerels! mompelde hij, nadat zijne pyramide weder afgetuigd was.Tevergeefs poogde Sergius hem te troosten, door op te merken dat het de moeite niet waard was om het zich aan te trekken.—De moeite niet waard? Ik kan wel merken dat gij geen kunstenaar zijt.Toen wendde hij zich tot zijne vrouw.—Komaan Cornelia, riep hij, laat hun eens zien wat voor klappen met de vlakke hand gij geven kunt! Het zal mij toch benieuwen of er onder die wilden een is die de »overwinnares van Chicago” aandurft.Maar moeder Cascabel kwam niet van hare plaats.—Welnu Cornelia?—Neen Cesar!—Wat, wilt gij die apen geen lesje geven en meteen de eer van onze familie weder herstellen?—Die zal ik herstellen, antwoordde Cornelia bedaard. Laat mij maar begaan. Ik heb mijn plan in mijn hoofd.Nu was het zoo gesteld, dat als deze buitengewone vrouw een plan had, men het best deed met zich daarmede in het geheel niet te bemoeien en alles stil aan haar over te laten. Het ergerde haar niet minder dan haar man dat de Indianen hen de baas waren,en als zij er kans toe zag zou zij zeker niet nalaten hen op hare manier dat in te peperen.De fransche en de indiaansche pyramide. Zie bl. 158.De fransche en de indiaansche pyramide. Zie bl.158.Zonder iets meer te zeggen was Cornelia in den reiswagen verdwenen. Ongerust en niet wetende wat hij er van denken moest, hoeveel vertrouwen hij ook in zijne vrouw stelde, oogde Cascabel haar na.Na een oogenblik oponthoud kwam moeder Cascabel weer voor den dag. Zij plaatste zich tegenover de Indiaansche kunstenmakers, die zich in eene groep om haar heen schaarden.Toen verzocht zij den voornaamsten beambte van het fort, hetgeen zij te zeggen had aan de inboorlingen te vertolken.Ziehier hetgeen zij woord voor woord liet overbrengen in onberispelijke Alaska’sche taal:—Indiaansche mannen en vrouwen, in de lichaamsoefeningen die kracht en vlugheid vereischen, hebt gij talenten aan den dag gelegd die niet onbeloond mogen blijven. Ik kom u uwe belooning aanbieden....Het publiek luisterde met onverdeelde aandacht.—Ziet hier mijne handen, vervolgde Cornelia. De hoogstgeplaatste personen in Europa hebben die meermalen gedrukt! Ziet hier mijne wangen. De machtigste souvereinen van de oude wereld hebben het zich eene eer gerekend die te mogen kussen! Welnu, deze handen, deze wangen, ik bied ze u aan! Indianen van Amerika, drukt en kust ze!De inlanders lieten zich niet lang bidden. Eene gelegenheid als deze, om eene hand en eenen zoen te krijgen van zulk eene kranige vrouw, werd hun niet iederen dag geboden.Een hunner, een knappe kerel van den Tanana-stam, wilde de hand, die Cornelia hem toestak, grijpen. Maar op dat oogenblik ontving hij eenen schok, die hem deed opspringen als eene veer. Hij gaf een schreeuw van ontzetting en deinsde terug.—O Cornelia! riep Cascabel uit. Nu begrijp ik alles. Hoe kan ik u genoeg bewonderen!Sergius, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel hielden zich den buik vast van het lachen over het koopje dat de slimme vrouw de wilden leverde.—Komaan, hernam zij, terwijl zij hare armen weder uitgestrekt hield. Wie heeft er lust?Maar de Indianen waren bang geworden. Zij geloofden dat er eene bovennatuurlijke macht in het spel was.Na eene poos vatte echter detyhimoed. Langzaam stapte hij op Cornelia toe, bleef op twee passen van haar af staan en nam hare indrukwekkende persoonlijkheid op met oogen, die van niets minder dan gerustheid getuigenis gaven.—Komaan oude! riep Cesar Cascabel. Wees niet bang! Geef mijne vrouw een zoen! Ik verzeker u dat het niet moeilijk, maar heel pleizierig is!Detyhistak schuchter de hand uit en raakte even eenen vinger van de schoone Europeesche aan.Ook hij kreeg een schok en viel bijna onderste boven. Hij brulde van schrik en het geheele publiek stond verbaasd. Indien het zoo gevaarlijk was de hand van Cornelia te beroeren, wat zou er dan niet gebeuren als iemand probeerde hare wangen aan te raken, »die de machtigste potentaten van Europa gekust hadden!”Het duurde eene poos, maar eindelijk kwam er toch een die het wilde wagen. Dat was de toovenaar Fir-Fu. Als er iemand was die zich boven duivelskunstenarijen verheven mocht achten, dan was hij het. Onbeschroomd ging hij vlak tegenover Cornelia staan. Hij beschreef eenen kring om haar heen, liet zich door het geschreeuw der inboorlingen moed inspreken, vatte haar toen met zijne armen aan en gaf haar tegelijk midden op haar gelaat een zoen die klapte.Maar ditmaal was het niet een, maar eene reeks buitelingen die de waaghals maakte. De toovenaar veranderde opeens in een acrobaat! Zonder er iets tegen te kunnen doen maakte hij een paar luchtsprongen en kwam te midden zijner ontzette landslieden terecht.Dien raadselachtigen invloed oefende Cornelia op den toovenaar en op degenen, die hem voorgegaan waren, eenvoudig uit door op het knopje te drukken van eene kleine draagbare electrische batterij, die zij in hare zak verborgen had, en met behulp waarvan zij anders de »electrische vrouw” vertoonde.—Vrouw, vrouw! riep haar man uit, terwijl hij voor de oogen der verbaasde Indianen haar in zijne armen sloot zonder dat het hem iets deerde. Hoe slim bedacht! Hoe....—Even slim als electrisch! zeide Sergius.De inboorlingen konden niet anders denken dan dat dit wonderdadige vrouwspersoon de macht had om den donder te doen gehoorzamen aan haren wil. Wie haar maar even aanraakte, werd immers tegen den grond geslagen! Blijkbaar kon zij niemand minder wezen dan de gemalin van den Grooten Geest, die zich verwaardigd had op de aarde af te dalen en mijnheer Cascabel voor tweeden man te nemen.XIV.Van Fort Youkon naar Port-Clarence.Dien avond, terwijl het geheele gezin bijeen was, werd er na eenige beraadslaging besloten dat de karavaan twee dagen na deze gedenkwaardige voorstelling, van fort Youkon zou opbreken.Het was duidelijk—dit was de slotsom van eenige zeer verstandige opmerkingen van mijnheer Cascabel—dat indien het hem te doen ware geweest om nieuwe leden voor zijnen troep aan te werven, hij die onder de inboorlingen van Alaska voor het kiezen zou gehad hebben. Al kostte het hem eenige moeite het te erkennen, hij moest toegeven dat deze Indianen een buitengewonen aanleg voor het vak van kunstenmaker aan den dag legden. In het turnen, in de oefeningen op het koord, als goochelaars of als equilibristen, onverschillig op welk deel der kunst zij zich toe wilden leggen, zij zouden het er altijd ver in kunnen brengen. Men mocht veronderstellen dat hunne verkregene behendigheid voor een goed deel de vrucht van oefening was; maar de natuur had toch nog meer voor hen gedaan, want zij waren van hunne geboorte af gespierd, lenig en vlug. Hij kon zonder onbillijk te zijn niet ontkennen dat zij zich op gelijken voet met de familie Cascabel hadden gemeten. Het was een geluk dat de laatstgenoemde het veld had kunnen behouden, dank zij de vindingrijkheid van »de koningin aller electrische vrouwen.”Wij mogen niet verzwijgen dat de beambten van het fort, voor het meerendeel weinig ontwikkelde lieden die nooit iets van dewereld gezien hadden, even verbaasd als de inboorlingen hadden gestaan over hetgeen er onder hunne oogen was voorgevallen. Maar er werd na overleg besloten dat ook hun het geheim niet geopenbaard zou worden, teneinde den geheimzinnigen stralenkrans van Cornelia’s verborgen talenten niet te doen verflauwen. Het gevolg daarvan was dat de bewoners van het fort den volgenden dag, toen zij als naar gewoonte een praatje kwamen maken in deSchoone Zwerfster, zich niet al te dicht dorsten te wagen in de nabijheid der vrouw, die iemand aan zulke schokken bloot kon stellen, niettegenstaande zij hen thans met haar innemendsten glimlach ontving. Niet zonder eenige aarzeling staken zij haar de hand toe. Ook detyhien de toovenaar kwamen weder schuchter te voorschijn. Dolgraag hadden zij willen weten wat er eigenlijk achter stak, want met dit geheim hadden zij hun voordeel kunnen doen en hun aanzien onder de lieden van hunnen stam zou er niet weinig door verhoogd zijn. Maar het werd hun niet geopenbaard.Alle toebereidselen voor de afreis waren nu afgeloopen. Des ochtends van den 6denAugustus namen de Cascabels van hunne gastheeren afscheid en de karavaan, terdege van de vermoeienissen der reis uitgerust, hervatte haren tocht langs den rechteroever der rivier in de richting van het Westen.De kaart van het terrein was door Sergius en Jan zorgvuldig geraadpleegd, waarbij Kayette hun weder eenige nuttige inlichtingen gaf. De meeste dorpen, waar zij door moesten, had zij vroeger bezocht en zij verzekerde hun dat er niet eene rivier van eenige beteekenis op hunnen weg lag.In den eersten tijd behoefden zij er nog niet aan te denken om de Youkon-vallei te verlaten. Den rechteroever der rivier volgende tot aan den post Nelu, zouden zij eerst aan het dorp Nuclakayette komen. Van daar tot het fort Noulato hadden zij nog ongeveer tachtig mijlen af te leggen. Daar zouden zij de Youkon-rivier verlaten en in recht Westelijke richting verder gaan.De tijd van het jaar was nog altijd gunstig, de warmte over dag dragelijk, maar des nachts werd het merkbaar koeler. Kwam er niets in den weg, dan mocht Cascabel er zeker van zijn dat hij te Port-Clarence kon wezen vóór dat de winter hem het voorttrekken onmogelijk maakte.Het zal misschien iemand verwonderen dat de geheele reis tot dusver zoo zonder onoverkomelijke moeielijkheden werd afgelegd. Maar men dient in aanmerking te nemen dat de tocht ging door een tamelijk vlak land, in het goede seizoen, terwijl de dagen op hun langst waren en het weer niets te wenschen overliet. Naderhand,aan gene zijde van de Behringstraat, als de onafzienbare vlakten van Siberië, door stormen geteisterd en diep met sneeuw bedekt, vóór hen zouden liggen, stond hun heel wat anders te wachten. Over al deze gevaren, die zij te gemoet gingen, liep op zekeren avond hun gesprek.—Ik ben er niet bang voor, zeide Cascabel, die nooit den moed verloor. Wij zullen er ons wel doorheen slaan.—Ik help het u wenschen, antwoordde Sergius. Maar ik raad u, zoodra gij den voet op den Siberischen grond gezet hebt, terstond in zuid-westelijke richting verder te trekken, zóó dat gij spoedig op zuidelijker breedte komt waar gij met deSchoone Zwerfsterminder van de koude te lijden zult hebben.—Dat was ook ons voornemen, mijnheer Sergius, stemde Jan toe.—Gij kunt dat te veiliger doen, dewijl gij van de Siberische bevolking niets te duchten hebt, ten minste—zou Kruidnagel zeggen—indien gij niet te midden der meer noordelijk rondzwervende stammen terecht komt. Uw ergste vijand zal de koude zijn.—Wij zullen op onze hoede wezen, zeide Cascabel en ik twijfel niet of wij zullen het er goed afbrengen. Alleen spijt het ons, mijnheer Sergius, dat gij de verdere reis niet met ons medemaakt.—Ja, zeker spijt ons dat! voegde Jan er met eenen zucht bij.Sergius merkte niet zonder ontroering op hoe zij allen aan hem gehecht waren en omgekeerd was dit met hem niet minder het geval. Naarmate zij langer in elkanders gezelschap verkeerden, werd de vriendschap tusschen hen inniger. Voor allen zou de scheiding smartelijk wezen, en wie weet of het hun gegeven zou zijn, bij eene zoo uiteenloopende bestemming als de hunne, elkander ooit terug te zien? Daar kwam nog bij dat Sergius Kayette zou medenemen en het was hem niet ontgaan dat Jan’s broederlijke genegenheid voor het jonge meisje eigenlijk een anderen naam verdiende. Of Cascabel reeds iets gemerkt had van hetgeen er in het gemoed van zijnen zoon omging, wist Sergius niet, maar wat Cornelia betreft, aangezien deze verstandige vrouw het niet dienstig oordeelde er iets van te zeggen, wilde ook hij er niet over beginnen. Eene verklaring zou trouwens tot niets hebben kunnen leiden, want als de aangenomen dochter van Sergius ging het meisje eene andere toekomst tegemoet en Jan gaf zich dus over aan verwachtingen die toch niet verwezenlijkt schenen te kunnen worden.Zonder ernstige hinderpalen en zonder overgroote vermoeienis, werd de reis voortgezet. Vóór dat het ijs in de Behringstraat zich vastgezet had zou deSchoone Zwerfsterte Port Clarence zijn. Daar zou zij stellig nog verscheidene weken hebben te wachten ener was dus niet de minste reden om van menschen of paarden buitengewone inspanning te vorderen.Intusschen kon alles van eene onvoorziene kleinigheid afhangen. Werd een van de paarden ziek of gewond, of brak er een wiel, dan zouden zij zich in groote moeielijkheid bevinden. De grootste voorzichtigheid bleef dus wenschelijk.De eerste drie dagen volgden zij eenvoudig den loop der rivier, recht westelijk; maar toen de Youkon eene richting naar het Zuiden begon te nemen, vonden zij het geraden niet van den vijfenzestigsten breedtegraad af te wijken1.De rivier maakt hier vele bochten door eene steeds nauwer wordende vallei, tusschen eenige rijen heuvelen van matige hoogte, welke op de kaart »wallen” genoemd worden dewijl ze in hunnen vorm veel overeenkomst met borstweringen hebben.Het ging niet heel gemakkelijk om door dit heuvelachtige terrein heen te komen, te meer dewijl zij alle voorzorgen moesten gebruiken om geen ongeluk aan hun voertuig te krijgen. Waar de weg te steil was, werd de wagen voor een gedeelte afgeladen en hielpen zij allen de wielen voortduwen, hetgeen te meer raadzaam was, merkte Cascabel op, »dewijl waarschijnlijk niemand in dit land iets van een wagenmaker vernomen had.”Zij hadden ook enkele riviertjes door te trekken, zooals de Nocolocargout, de Shetehaut en de Klakencot. Gelukkig stond er in dezen tijd van het jaar niet veel water en het viel hun nergens moeilijk eene doorwaadbare plek te vinden.Indianen worden er tegenwoordig weinig meer aangetroffen in dit gedeelte van het land, dat vroeger nog doorkruist werd door eenige stammen, die thans bijna geheel uitgestorven zijn. Nu en dan kwamen zij een enkel troepje tegen dat op weg was naar de kuststreek in het zuidwesten, om daar in het najaar op de visscherij uit te gaan.Ook ontmoetten zij eenige handelaars die van de monding der Youkon-rivier kwamen en naar de verschillende nederzettingen der russisch-amerikaansche handelsvereeniging bestemd waren. Niet zonder verwondering staarden deze reizigers het helbeschilderde rijtuig en zijne passagiers aan. Er werd een groet en een »goede reis!” gewisseld en daarna ging ieder zijns weegs.Den 13denAugustus kwam deSchoone Zwerfsterin het fort Nuclakayette, op honderd-twintig mijlen afstands van fort Youkon. Dit is niets dan een kantoor voor den pelterijenhandel; de beambten komen er zelden buiten. Uit verschillende punten van Aziatisch-Ruslanden van het noordelijk deel van Amerika komen zij daar bijeen en drijven er handel ten spijt van hunne concurrenten, de lieden van de Hudsonsbaai-compagnie.Intusschen werd de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Zie bl. 167.Intusschen werd de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Zie bl.167.Nuclakayette is dus ook voor de inboorlingen eene verzamelplaats waar zij de pelterijen, die zij gedurende den winter machtig hebben weten te worden, afgeven.Nadat zij een eindweegs de rivier op zijde hadden laten liggen teneinde niet al hare bochten te moeten medemaken, waren zij nu den stroom weder genaderd, ter plaatse waar dit dorp vriendelijk te midden van lage heuvels en groene boschjes gelegen is. Het fort is omringd van eene omrastering en daar buiten staan eenige houten hutten. Door het malsche weiland stroomden murmelende beekjes en een drietal vaartuigen lagen in de Youkon aan den oever vastgemaakt. Het geheel bood een aangenaam tafereel aan, dat tot rust scheen uit te noodigen. De hier verblijf houdende Indianen behoorden tot den Tanana-stam. Dat is, zegt men, het mooiste inboorlingen-type van noordelijk Alaska.Zoo uitlokkend als het er echter uitzag, deSchoone Zwerfstervertoefde er toch niet langer dan een etmaal, want de paarden hadden geen behoefte aan meer rust. Cascabel was voornemens zich langer op te houden te Noulato, wat eene vrij aanzienlijke plaats is en waar meer gelegenheid bestond om nog het een en ander aan te schaffen dat zij voor hunne reis door Siberië noodig zouden hebben.Natuurlijk werd intusschen de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Soms namen zij Sander op hunne tochten mede. Het groote wild bestond nog altijd uit elanden en rendieren, die onbeschroomd over de vlakten draafden, of zich in de boschjes en boomgroepen, welke tamelijk schaars hier aangetroffen worden, ophielden. Op de moerassige plekken hadden zij gelegenheid tot menig mooi schot op ganzen, watersnippen, langstaart-eenden, gewone wilde eenden en maakten zij ook enkele reigers buit, die echter om te eten niet veel waarde hebben.Toch beweerde Kayette dat de Indianen veel van reigervleesch houden, voornamelijk echter wanneer zij niets anders op schotel hebben. Den 13denAugustus werd daarmede de proef genomen aan het ontbijt, maar al de ervaring en het talent van Cornelia waren niet in staat te beletten dat het een taai en droog eten gevonden werd. Alleen Wagram en Marengo hadden er vrede meê en die knaagden dan ook het laatste vezeltje van het karkas af.Soms namen zij Sander mee. (Zie bl. 167).Soms namen zij Sander mee. (Zie bl.167).In tijden van gebrek worden trouwens ook uilen, valken en zelfs marters niet door de Indianen versmaad. Maar zij nemendaartoe toch alleen hunne toevlucht wanneer zij niets anders hebben.Den 14denAugustus moest deSchoone Zwerfsterdoor eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen, die den oever der rivier vormen, heengeholpen worden. Ditmaal was het pad zoo ongebaand en hobbelig alsof het de uitgedroogde bedding eener beek was, en ondanks alle genomen voorzorgen gebeurde er een klein ongeval. Gelukkig brak er alleen een van de lamoenen van den wagen en geen wiel, zoodat de breuk met touwen tijdelijk weder te heelen was en zij geen langdurig oponthoud ondervonden.Nadat zij achtereenvolgens de dorpen Suquongilla en Newicargout, aan het riviertje van dien naam, voorbijgetrokken waren, werd de weg verder op minder bezwaarlijk. Zij hadden nu de heuvels achter den rug en zoo ver het oog reikte zagen zij niets dan eene vlakte vóór zich. Een viertal kleine rivieren liepen er doorheen, doch in dezen tijd des jaars waren hare beddingen geheel droog. In het seizoen der stortregens en sneeuwstormen had de karavaan onmogelijk deze richting kunnen volgen.Toen zij een dezer kreekjes, de Milo-cargout, waar nauwelijks een voet water stond, doorwaadden, merkte Cascabel op dat er een dam dwars door de rivier gelegd was.—Kijk, zeide hij, nu er toch een dam in dit water gebouwd werd, hadden zij ook even goed eene brug er over kunnen leggen, hetgeen met hoog water gemakkelijker wezen zou.—Dat is zeker vader, antwoordde Jan, maar de werklieden die dezen dam gemaakt hebben, zouden niet in staat zijn geweest eene brug te bouwen.—Waarom niet?—Omdat het werklieden zijn op vier pooten, anders gezegd bevers.Jan’s vermoeden was juist en zij hadden gelegenheid het vernuft dezer nijvere dieren te bewonderen, die bij het leggen hunner dammen zorgvuldig rekening houden met de richting van den stroom, en ze tevens hoog genoeg maken om boven den hoogsten waterstand uit te steken. Ook de helling der zijden van zulk eenen dam wordt nauwkeurig zóó gemaakt dat die het best aan de persing van het water weerstand kunnen bieden.—Dat hebben die bevers toch niet op school kunnen leeren! riep Sander uit.Door eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen. (Zie bl. 169.)Door eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen.(Zie bl.169.)—Zij behoefden er ook niet voor school te gaan, antwoordde Sergius. Schoolgeleerdheid, die het niet altijd bij het rechte eind heeft, is niet noodig om te leeren wat men door instinct weet, en dit vergist zich nimmer. De bevers hebben dezen dam opgeworpen zoo als de mieren hunne nesten, zooals de spinnen hunne webben enzooals de bijen de cellen in hunne woningen maken. Ook de boomen en kruiden brengen hunne bloesems en vruchten voort bij instinct. Zij maken nooit eene fout, maar gaan ook nooit vooruit en in het werk, dat zij te verrichten hebben, is ook geen vooruitgang mogelijk. De bever bouwt in onzen tijd even zorgvuldig als de eerste bever die ooit op den aardbol gezien werd. Ontwikkeling ligt niet in de bestemming der dieren; deze is den mensch voorbehouden en hij alleen is in staat, van trap tot trap zich te verheffen, zoowel waar het de kunst, als de nijverheid of de wetenschap betreft. Het bewonderenswaardige instinct der dieren, dat hen in staat stelt zoo vernuftig te werk te gaan, perst ons rechtmatige bewondering af, maar wij mogen uit die wonderen der natuur geen gevolg trekken voor hetgeen ons menschen te doen staat.—Ik begrijp volkomen uwe bedoeling, mijnheer Sergius, antwoordde Jan. Dat is het onderscheid tusschen instinct en rede. Al staat de rede bloot aan dwalingen, toch moet zij op hooger prijs geschat worden.—Dat valt niet tegen te spreken, zeide Sergius. Al onze dwalingen, die wij mettertijd leeren inzien en verbeteren, vormen den weg van den vooruitgang.—Maar in elk geval, hield Sander vol, blijf ik bij hetgeen ik gezegd heb. Die bevers hebben niet school behoeven te gaan.—Zeker niet, maar menschen die geen onderwijs genoten hebben, zijn ook niets meer dan beesten, was Sergius antwoord.—Maar nu wat anders, kwam Cornelia tusschenbeide, die altijd een oog had op den practischen kant der dingen. Kan men die bevers eten?—Zonder twijfel, antwoordde Kayette.—Ik heb zelfs ergens gelezen, voegde Jan er bij, dat een beverstaart een lekkere schotel is.Zij waren niet in de gelegenheid zich daarvan te overtuigen, want op dit oogenblik waren er geen bevers in de kreek te zien.Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken, hield deSchoone Zwerfsterop het dorp Sacherteloutain, een van de voornaamste vestigingen der Co-Youkon-Indianen aan. Op raad van Kayette namen zij eenige voorzorgen tegen deze van nature zeer diefachtige wilden. Zij kwamen nieuwsgierig naar den wagen kijken, maar er werd goed opgepast dat niet een er in kwam. Uit vrije beweging werden er echter eenige kralen en andere snuisterijen aan de voornaamsten van den stam ten geschenke gegeven, hetgeen een goeden indruk maakte zoodat beide partijen in vrede van elkaar scheidden.Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken. (Zie bl. 171).Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken. (Zie bl.171).Langs den smallen voet der walachtige heuvels gaande, werdhun tocht weder een weinig moeilijker, maar zij konden geen anderen weg kiezen zonder op een nog bergachtiger terrein te komen.Het ging dus nu langzamer vooruit en toch begon het zaak te worden om niet onnoodig te talmen. Hoewel het overdag nog altijd zacht bleef, werd het des nachts hoe langer hoe kouder. Zij konden trouwens niets anders verwachten, want zij bevonden zich nu reeds op korten afstand van de Poolstreek.De karavaan was hier op eene plek gekomen waar de Youkon-rivier met eenen vrij scherpen hoek zich naar het Noorden keert. Zij moesten nog den oever houden tot waar de Co-Youkon, die zich in twee bochtige armen splitst, hare wateren in de Youkon uitstort en zij hadden bijna eenen dag noodig om eene doorwaadbare plaats te vinden, want Kayette was niet in staat, dewijl het water reeds merkbaar gerezen was, die terstond aantewijzen.Voorbij deze laatste hindernis konden zij met deSchoone Zwerfsterrecht Zuid op, totdat zij door een weder tamelijk heuvelachtige streek in het fort Noulato aankwamen.Dit is voor derussisch-amerikaansche handelsvereeniging eene belangrijke nederzetting. Het is de noordelijkste factorij in het Westen van Amerika. Volgens de waarnemingen van den reizigerFrederickWhymper, ligt zij op 64° 42′ noorderbreedte en 155° 36′westerlengte.Toch zou niemand op het eerste gezicht vermoed hebben dat hij zich in dit gedeelte van Alaska zoo dicht bij het pool-ijs bevond.De bodem is hier ontegenzeggelijk vruchtbaarder dan in den omtrek van fort Youkon. Overal ziet men hoog opgaande boomen, overal malsche groene weilanden, zonder nog te spreken van de uitgestrekte vlakten die voor den landbouw groote waarde zouden hebben, want er ligt eene dikke laag teelaarde op den vetten kleibodem. Aan water is ook geen gebrek: de Noulato loopt met een aantal bochten in zuidwestelijke richting en een geheel net van kreeken, ofCargout’s, stroomt naar het noordoosten. De plantengroei bepaalt zich echter, behalve de straks bedoelde boomen, tot eenige heestergewassen, die wilde bessen voortbrengen en aan de natuur overgelaten blijven.Het fort Noulato bestaat weder uit verscheidene gebouwen, ingesloten door eene omrastering, versterkt met twee torens. De Indianen mogen des nachts in het geheel niet en over dag nooit in grooten getale binnenkomen. Binnen het omrasterde gedeelte staan hutten, loodsen en houten pakhuizen; in plaats van glasruiten zijn de vensters voorzien van robbenblazen. Al deze afgelegen posten inhet verre Westen van Amerika zijn zoo eenvoudig en armoedig mogelijk.Cascabel en zijn gezin werden er dan ook met vreugde ontvangen. Verloren in eene eenzame wildernis en van alle geregelde gemeenschap met de buitenwereld verstoken, is het voor de bewoners niet alleen eene welkome afleiding maar een waar feest als er eens bezoekers komen. Zoo lang kunnen zij niet onder weg geweest zijn, of het nieuws dat zij medebrengen is altijd versch.De ingezetenen van het fort Noulato waren een twintigtal russische of amerikaansche beambten. Zij verklaarden zich terstond bereid de reizigers alles te bezorgen wat zij noodig konden hebben. De handelsvereeniging voorziet hen van alle levensbehoeften, maar bovendien gaan zij in den zomer druk op de elanden- en de rendierenjacht en visschen zij geregeld in de Youkon. Deze is tamelijk vischrijk, vooral wordt er ééne soort veel gevangen, dienalienagenaamd en in den regel als voedsel aan de honden gegeven wordt. Denaliena-lever wordt echter voor degenen die er aan gewend zijn, voor een goed eten gehouden. Het spreekt van zelf dat de bewoners van Noulato vreemd stonden te kijken toen zij deSchoone Zwerfsterzagen aankomen. Nog meer verbaasd waren zij echter toen zij van Cascabel’s voornemen hoorden om door Siberië naar Europa te trekken. Van zoo iets hadden zij nog nooit gehoord. Dat konden alleen franschen bedenken! Zij bevestigden echter dat het gedeelte der reis tot Port-Clarence geen bezwaar zou opleveren en dat de reizigers dit achter den rug konden hebben vóór dat de grond in Alaska met de langdurige sneeuw van den winter bedekt zou zijn.Op raad van Sergius werd er overgegaan tot het aankoopen van verschillende benoodigdheden voor den tocht over de steppen. In de eerste plaats eenige brillen die onmisbaar zijn voor een langen tocht over sneeuwvelden. De Indianen stonden hen voor eenige kralen een dozijn van die toestellen af. Het waren houten brillen zonder glazen, of eigenlijk oogkleppen die het geheele oog bedekken, met eene nauwe spleet om doorheen te zien. Dit weinige is genoeg om zooveel gewaar te worden als men noodig heeft om te zien waar men loopt; ware het oog onbedekt of de spleet wijder, dan zou de felle weerkaatsing der sneeuw onvermijdelijk eene ontsteking te weeg brengen. Alle leden van ons reisgezelschap moesten die oogkleppen aanpassen, en het bleek dat zij er spoedig aan gewennen zouden.Na aldus het gezicht beveiligd te hebben, moest er ook aan hunne voeten gedacht worden. Want met gelakte schoenen of zelfsmet gewone laarzen is het niet mogelijk in den winter over de siberische steppen te trekken.In het pakhuis te Noulato was een voorraad laarzen van robbenvel voorhanden. Dezen worden ingesmeerd met eene laag vet en zijn dan volkomen waterdicht, zoodat ze voor eene lange voetreis over sneeuw en ijs het best geschikt zijn.Cascabel maakte bij deze gelegenheid weder eene zeer verstandige opmerking.—Het is altijd het doelmatigst, zich te kleeden op de manier van de dieren in het land waar men zich bevindt. In Siberië hooren robben thuis; niets natuurlijker dus dan dat wij ons als robben toetakelen.—Als robben met brillen op! kwam Sander vertellen en deze bijvoeging droeg de hooge goedkeuring van zijnen vader weg.Twee dagen vertoefde de karavaan te Noulato en dit was voldoende om het trouwe span paarden te doen uitrusten. Zij hadden haast om te Port-Clarence te komen. Den 21stenAugustus in de ochtendschemering ging deSchoone Zwerfsterweder op marsch. Van nu af lieten zij den rechteroever der Youkon voorgoed achter zich liggen.Deze groote rivier buigt zich namelijk op dit punt naar het zuidwesten om zich een eind verder in de Norton-golf uit te storten. Met den oever verder te volgen zouden zij zonder eenig nut hunne reis langer gemaakt hebben, want de riviermonding is beneden de Behringstraat gelegen. Zij zouden dus van daar verder noordwaarts op Port-Clarence hebben moeten trekken, over een strand vol kreeken, inhammen en moerassen, dat voor de paarden hoogst vermoeiend geweest zou zijn.Het begon nu reeds fijn koud te worden. De zonnestralen vallen hier in zeer schuinsche richting op de aarde en geven veel licht maar weinig warmte. Veeltijds hingen er groote grijze wolken, die er uitzagen alsof zij spoedig als sneeuw zouden neerkomen. Er werd niet veel klein wild meer gezien en de trekvogels begonnen reeds een milder verblijf in zuidelijker streken op te zoeken.Tot dusverre mocht ons reisgezelschap van geluk spreken dewijl het nog zoo weinig hinder van de vermoeienissen der reis gehad had. Dit hadden zij echter zeker ook te danken aan hunne ijzersterke gestellen, een gevolg van hun leven in de open lucht onder de meest verschillende klimaten, en van de gehardheid die zij door aanhoudende lichaamsoefening gekregen hadden. Zij mochten dus de verwachting koesteren dat zij behouden en wel te Port-Clarence zouden komen.Dit gebeurde dan ook op den 5denSeptember. Zij hadden toen ruim vijfhonderd mijlen afgelegd sedert Sitka en ruim elfhonderd van de Sacramento tot daar, in het geheel dus ongeveer zeventien honderd mijlen. Zij hadden daar zeven maanden over gedaan en waren nu het Westen van Amerika in zijne volle lengte doorgetrokken.1Dit is dezelfde breedte als Drontheim in Noorwegen.

XIII.Een inval van Cornelia Cascabel.Dit gedeelte der reis tusschen de forten Selkirk en Youkon had deSchoone Zwerfsterop den rechteroever der rivier afgelegd. Zij waren echter op ongelijken afstand van den waterkant gebleven, teneinde niet al de talrijke bochten, welke de rivier maakt en die soms door onbegaanbare moerassen omgeven worden, te moeten omtrekken. Dit laatste is alleen het geval aan deze zijde, want op den linkeroever verheffen zich eenigeheuvelrijenvan matige hoogte, die naar het noordwesten uitloopen. In een anderen tijd van het jaar hadden zij moeite kunnen hebben om sommige zijtakken van de Youkon over te komen, zooals de Stewart-rivier, waar geen overzetveer op onderhouden wordt. Maar in den zomer staat er op de droogste plekken zoo weinig water dat deze kleine stroomen doorwaad kunnen worden. Toch zouden zij nog dikwijls in verlegenheid verkeerd hebben als zij Kayette niet bij zich gehad hadden, die in de vallei goed thuis was en hun de doorwaadbare plaatsen aan wist te wijzen.Het was dus waarlijk gelukkig voor hen dat het Indiaansche meisje als gids dienst kon doen. Zij was zelve blijde als zij hare vrienden op de eene of andere wijze nuttig kon zijn; zij voelde zich tevreden te midden dier lieden die als het ware hare bloedverwanten vervangen hadden, en boven alles was de moederlijke zorg, die Cornelia haar toonde en die het arme meisje zoo lang gemist had, haar onuitsprekelijk veel waard.Het land was hier en daar nog met bosschen bedekt en op verschillende plaatsen heuvelachtig. Maar over het algemeen vertoonde het landschap zich reeds anders dan in den omtrek van Sitka.De weersgesteldheid, die gedurende acht maanden van het jaar met den winter der poollanden gelijk staat, is oorzaak dat de plantengroei hier niet tot groote ontwikkeling komen kan. Behalve hier en daar eenige populieren, waarvan de toppen boogvormig gekromd zijn, behooren er in deze landstreek geene andere soorten van boomen thuis dan dennen en berken. Wat er voor het overige nog gevonden wordt, zijn armoedige wilgeboomen, schraal van loof en fletsch van kleur, die door de scherpe winden, welke over de IJszee komen aangieren, vroegtijdig van hunne bladeren beroofd worden.Op de reis van fort Selkirk naar fort Youkon had de jacht voortdurend zooveel opgeleverd dat het niet noodig was geweest den voorraad ingemaakte voedingsmiddelen aan te roeren om dagelijks de tafel van het noodige te voorzien. Er werden zooveel hazen geschoten dat onze reizigers er eindelijk bijna beu van werden, al werd de hazenpeper, de hazensoep, de gebraden haas en de hazenpastei ook nu en dan afgewisseld door eenden en ganzen, en door de eieren dier vogels, welke Sander en Napoleona goed slag hadden om uit de holten, waarin ze verstopt lagen, te voorschijn te halen. Cornelia was eene volleerde keukenprinses in het op verschillende wijze klaarmaken van eieren en andere dagelijks voorkomende spijzen, en liet zich daarop heel wat voorstaan. Aan eetlust was bovendien nooit gebrek.—Dit is nu toch eens een goed land om in te leven! riep Kruidnagel bij zekere gelegenheid uit, toen hij aan het afkluiven van eene overheerlijke ganzenbout was. Jammer dat het niet meer in het midden van Europa of Amerika ligt.—Lag het tusschen bewoonde landen, merkte Sergius op, dan zou er vermoedelijk zooveel wild niet zijn.—Ten minste.... wilde Kruidnagel antwoorden.Een blik van Cesar legde hem het zwijgen op en deed hem begrijpen dat hetgeen hij zeggen ging, onzin was.Was het land wildrijk, in de beken en riviertjes die zich in de Youkon uitstortten, wemelde het van visschen. Sander en Kruidnagel hengelden ijverig en brachten menig heerlijk zoodje thuis, vooral snoeken van de beste soort. Zij mochten vrij den hengel uitwerpen waar zij goedvonden, want naar eene visch-akte kwam niemand hen vragen, zoodat het hen niets kostte dan de moeite van het vangen.Voor kosten maken was trouwens de kleine Sander minder bevreesd dan iemand anders. Hij hield zich overtuigd dat, dank zij hem, de toekomst der familie Cascabel voor altijd verzekerd was. Hij bezat immers dien geweldigen klomp goud, dien hij in de Caribou-vallei opgeraapt en zorgvuldig in eenen hoek van den wagen verstopt had, verzekerd als hij was dat het een steen was van onschatbare waarde. Hij had zijn geheim zorgvuldig bewaard en wachtte geduldig het oogenblik af waarop hij zijnen schat in klinkende munt zou kunnen omwisselen. Wat een vreugde zou dat geven als hij plotseling zóó rijk werd! Niet voor zichzelf: de goedhartige knaap dacht er niet aan, het geld voor zich te houden. Zijnen vader en zijne moeder wilde hij er gelukkig mede maken en hen op die manier ruimschoots schadeloos stellen voor den laaghartigen diefstal, waar zij de slachtoffers van waren.Toen deSchoone Zwerfsterna ettelijke smoorheete dagen eindelijk te Youkon aankwam, waren al de reizigers uitgeput van vermoeienis. Er werd dus besloten dat zij hier niet minder dan eene week vertoeven zouden.—Gij kunt dat te geruster doen, zeide Sergius, dewijl dit fort slechts op een paar honderd mijlen afstands van Port-Clarence ligt. Het is van daag eerst de 27steJuli, en niet dan over twee of misschien drie maanden kan het ijs in de Behringstraat sterk genoeg wezen om den wagen te dragen.—Dat is zoo klaar als de dag, stemde Cascabel toe. Wij hebben dus den tijd om eene poos uit te blazen.Dit was een welkom bericht, zoowel voor het tweehandige als voor het viervoetige personeel derSchoone Zwerfster.Het fort Youkon is in het jaar 1847 opgericht. Het is de meest westelijke vestiging van de Hudsonsbaai-compagnie en ligt bijna op den poolcirkel. Dewijl het fort tot het grondgebied van Alaska behoort, is de Hudsonsbaai-compagnie verplicht jaarlijks eene schadeloosstelling te betalen aan de concurreerende vennootschap, de Russisch-Amerikaansche handelsvereeniging.Niet vóór 1864 werden de gebouwen gezet waar de vestiging thans uit bestaat. Zij werden met eene palissadeering omringd en waren juist gereed gekomen toen de troep van Cascabel in het fort aankwam, met het voornemen er eenige dagen te vertoeven.De beambten boden hun gastvrij een verblijf binnen het fort aan, want in de loodsen en pakhuizen was plaats genoeg om hen te herbergen; maar Cascabel bedankte met eenige sierlijke en klinkende volzinnen voor hunne uitnoodiging. Hij was aan de geriefelijkheden van deSchoone Zwerfstergewend en wilde die niet missen.De bevolking van het fort bestond uit een twintigtal beambten der compagnie, meerendeels amerikanen, met eenige indiaansche bedienden. In de nabijheid van het fort waren echter ettelijke honderden inboorlingen gelegerd.De oorzaak daarvan was dat het fort Youkon de voornaamste verzamelplaats in Alaska is voor den handel in bontwerk en pelterijen. Daar komen al de inlandsche stammen van het gewest bijeen, de Kotch-à-Koutchins, de An-Koutchins, de Tatantchoks, de Tananas en voornamelijk de talrijkste aller stammen, de Co-Youkons, die het meest in de nabijheid der groote rivier gevestigd zijn.Het fort is bijzonder gunstig voor dezen ruilhandel gelegen, want het is gebouwd in eenen hoek, dien deYoukonbij hare samenvloeiing met de Porcupine maakt. De rivier splitst zich op deze hoogte in vijf armen, langs welke de handelaars gemakkelijk tot in het binnenland kunnen doordringen en zelfs over de Mackenzie-rivier met de Eskimo’s in aanraking kunnen komen om met deze handel te drijven.Dit net van waterwegen is dan ook vol vaartuigen die zich voor den stroom laten afdrijven of er tegen oproeien. Dit zijn vooral de zoogenaamdebaïdarres, lichte sloepjes van geöliede beestenvellen gemaakt, die op de naden met vet worden bestreken om ze beter waterdicht te maken. Met deze broze vaartuigen zien de Indianen niet tegen groote watertochten op, terwijl zij hunne schuitjes uit het water nemen en op hunnen rug verder dragen zoodra het varen door stroomversnellingen of watervallen onmogelijk wordt gemaakt.Intusschen is het vervoer te water slechts gedurende drie maanden van het jaar open, want al de overige maanden liggen de wateren met eene dikke ijskorst bedekt. Debaïdarreverandert dan van bestemming en wordt eene slede. Het voertuig, van voren uitloopend in eene omgebogen punt als de voorsteven eener schuit, wordt met riemen van elandenvel bijeengehouden; een span honden of rendieren trekt het en het vliegt met groote snelheid voort. Voetgangers met hunne lange sneeuwschoenen aan de voeten, komen echter nog vlugger vooruit.Cesar Cascabel mocht weder van geluk spreken! Hij kwam juist op het geschikte tijdstip te fort Youkon, terwijl de pelterijenhandel het levendigst was. De Indianen hadden bij honderden in den omtrek der factory hun kamp opgeslagen.—De drommel moge mij halen, riep Cesar uit, als wij daar niet een voordeeltje van hebben. Het is hier eene echte kermis; wij zijn kermiskunstenaars; wat is dus natuurlijker dan dat wij onze kunsten eens vertoonen? Wat zegt gij er van, mijnheer Sergius?Eene baïdarre, of sloep van geoliede beestenvellen. Zie bl. 149.Eene baïdarre, of sloep van geoliede beestenvellen. Zie bl.149.—Ik heb er niets tegen mijn vriend, maar ik twijfel of de opbrengst veel te beteekenen zal nebben.—In elk geval maken wij toch onze kosten goed, want die bedragen niemendal.—Dat moge waar zijn, antwoordde Sergius, maar ik zou toch wel eens van u willen hooren hoe die eenvoudige inlanders hunne plaats moeten betalen, want zij hebben evenmin Amerikaansch als Russisch geld.—Welnu dan betalen zij met muskusrattenvellen, met beverhuiden, weet ik het, met alles wat zij hebben! In het ergste geval zullen deze vertooningen het goede gevolg hebben dat wij er onze spieren weder eens mede uitrekken, want ik ben altijd maar bang dat onze ledematen door gebrek aan oefening zullen achteruitgaan. Wij moeten nog voorstellingen geven, te Perm, teNisjnien op andere plaatsen en ik verkies geen dwaas figuur met mijnen troep te maken als wij op uw geboortegrond komen werken. Zoo iets zou ik niet overleven mijnheer Sergius, ik verzeker u dat ik er dood van zou gaan!Het fort Youkon is de voornaamste nederzetting in deze streek en op een ruim terrein aan den rechteroever der rivier gelegen. Het heeft de gedaante van een langwerpigen vierhoek, op de hoeken versterkt door vierkante torens, die vrij veel overeenkomst hebben met de molens op een bewegelijk bovenstuk, zooals die in het Noorden van Europa worden aangetroffen. Binnen het fort staan verscheidene gebouwen, dienende tot woonplaatsen voor de beambten der compagnie en hunne gezinnen; verder twee groote afgesloten loodsen, die als bergplaatsen dienen voor pelterijen en waar altijd een voorraad huiden van marters, bevers en zwarte of zilvergrijze vossen gevonden wordt, benevens verschillende vellen van minder waarde.Het is niet alleen een eentonig, maar ook een treurig leven dat door de bewoners van het fort geleid wordt. Hun voornaamste voedsel is elandenvleesch, gebraden, geroosterd, gekookt of gestoofd, eene enkele maal afgewisseld door rendierenvleesch. Alle andere benoodigdheden moeten zij doen komen uit de factorij York, aan de Hudsonsbaai, op zes of zevenhonderd mijlen afstands gelegen. Het spreekt dus van zelf dat de gemeenschap met die afgelegen plaats niet druk is.In den namiddag nadat zij deSchoone Zwerfsteronder dak gebracht hadden, ging Cascabel met zijn gezin een bezoek brengen aan de tusschen de Youkon en de Porcupine gelegerde Indianen.De tijdelijke woningen waarin deze inboorlingen verblijf hielden,verschilden naarmate van den stam waartoe zij behoorden. Het waren hutten van boomschors of van dierenvellen, steunende op palen en met bladeren overdekt; of tenten van eene katoenen stof die door de Indianen geweven wordt; of ook planken loodsen die in en uit elkaar genomen kunnen worden naarmate het noodig is.Wat eene vermakelijke verscheidenheid ook in de kleederen! Sommigen droegen ze van dierenvellen, anderen van lijnwaad; als hoofddeksel gebruikten zij allen eenen krans van bladeren, tevens een voorbehoedmiddel tegen de muggenbeten. De vrouwen droegen eene wijde jurk en sieraden van schelpen aan neus, lippen en ooren. De mannen pronkten met eene soort van nestels, waarvan de naalden dienden om des winters hun lange overjas van elandenvel, met het bont binnenwaarts gekeerd, vast te maken. Mannen en vrouwen waren bovendien niet weinig trotsch op hunne snoeren valsche paarlen, die meer op prijs gesteld worden naarmate ze grooter zijn. Onder de verschillende stammen waren de Tananas gemakkelijk te onderscheiden aan hunne met allerlei kleuren beschilderde gezichten, en aan de vederen die zij op hun hoofd droegen en die met stukken roode klei overeind gehouden werden. Zij hadden een lederen vest en een broek van rendierenvel aan, waren met vuursteengeweren gewapend en voorzien van kruithoorns, die zij met veel smaak weten uit te snijden en te versieren.Bij wijze van geld gebruiken deze Indianen schelpen van eene soort,dentaliumgeheeten, die ook bij de stammen op Vancouver-eiland in gebruik zijn. Zij dragen die bevestigd aan het kraakbeen van hun neus en nemen er zooveel af als noodig is als zij iets te betalen hebben.—Dat is een goedkoope portemonnaie, merkte Cornelia op, en zij loopen geen gevaar die te verliezen.—Ten minste als hun neus niet afvalt, meende de snuggere Kruidnagel.—Als het ’s winters erg koud is, kon dat wel eens gebeuren, antwoordde Cascabel.De legerplaats der Indianen gaf een zonderling en woelig tafereel te zien.Onnoodig te zeggen dat Cascabel spoedig een gesprek met eenige inboorlingen had aangeknoopt. Hunne taal, die veel overeenkomst met het chinouk heeft, verstond hij ten naastenbij en Sergius die russisch met hen sprak, diende voor zooveel noodig als tolk.De eerste dagen werd er tusschen de inlandsche kooplieden en de beambten der russische compagnie druk handel gedreven, en de troep van Cascabel vond toen geene gelegenheid om eene voorstelling voor het publiek te geven.De Indianen waren intusschen te weten gekomen dat zij eenen troep fransche kunstenmakers in hun midden hadden, die een grooten naam hadden wegens hunne vlugheid en hunne behendigheid in het koorddansen en duikelen. Iederen avond kwamen zij in grooten getale deSchoone Zwerfsteraangapen. Nog nooit hadden zij zulk een prachtig beschilderd rijtuig onder de oogen gehad. Wat zij er vooral aardig aan vonden, was dat het zulk eene gemakkelijk verplaatsbare verblijfplaats was, want bij het nomadenleven dat zij leidden, moest hun dit bijzonder geriefelijk voorkomen. Wie weet of ook de Indianen nog niet eens op de gedachte zullen komen om hunne hutten op wielen te zetten. Dat zullen dan geen rollende woningen, maar rijdende dorpen wezen!Onder deze omstandigheden voelde Cascabel zich hoe langer hoe meer geprikkeld om eene buitengewone voorstelling te geven. Er werd dus afgesproken dat de vertooning zou plaats hebben »op algemeen en vereerend verlangen der Indianen van het fort Youkon”!Een van de inboorlingen waarmede Cascabel terstond na zijne aankomst kennis gemaakt had, was eentyhi, dat wil zeggen het opperhoofd van eenen stam. Dit was een man met een knap uiterlijk, een jaar of vijftig oud, snugger en zelfs met iets geslepens in zijne trekken. Meermalen was hij in deSchoone Zwerfsterte gast geweest en telkens had hij te kennen gegeven dat de lieden van zijnen stam uiterst benieuwd waren om den franschen troep aan het werk te zien.Gewoonlijk had detyhieen Indiaan van een dertig jaren bij zich, Fir-Fu genaamd, met een fijn en innemend gelaat. Dit was de toovenaar van den stam, een behendig goochelaar, die overal in den omtrek van de Youkon wegens deze eigenschappen bekend was.—Dat is dus een broeder in de kunst, zeide Cascabel toen detyhihem zijnen vriend voorstelde.Zij bezegelden hunne kennismaking met een hartelijken dronk en rookten toen met hun drieën de vriendschapspijp.Na verschillende gesprekken waarin detyhitelkens er op aangedrongen had dat de Cascabels eene voorstelling zouden geven, werd die bepaald op den 3denAugustus. Zij spraken ook af dat de Indianen daarbij zouden medewerken, want deze waren er op gesteld te doen zien dat zij voor geen europeanen in sterkte, behendigheid en vlugheid onderdeden.Dit is licht te begrijpen wanneer men weet dat de Indianen in Alaska en overal in het verre Westen groote liefhebbers zijn van lichaamsoefeningen en van kunstenmaken, waarbij zij allerlei grappen en potsen verkoopen.Op den bepaalden dag en uur was er een talrijk publiek saamgestroomd en kwamen er ook een half dozijn Indianen voor den dag, die groote houten maskers met afschuwelijke monstergezichten voor hadden. Mond en oogen dier maskers konden door middel van draden bewogen worden, zoodat het was alsof de leelijke tronies leefden. De meeste gezichten liepen uit in eene punt als de snavel van eenen vogel en men kan zich nauwelijks voorstellen hoe ontzettend zij grijnsden. John Bull, de aap, had bij hen in de leer kunnen gaan.Het spreekt van zelf dat vader en moeder Cascabel, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel voor deze plechtige gelegenheid zich in hunne kermispakken gestoken hadden.De plaats der voorstelling was een groot weiland, met boomen omringd en deSchoone Zwerfsterop den achtergrond, alsof er eene tooneelvertooning gegeven moest worden. Op de voorste plaatsen zaten de europeesche beambten van het fort met hunne vrouwen en kinderen. Aan weerszijden waren eenige honderden Indiaansche mannen en vrouwen in een halven kring geschaard. Er werd menige pijp gerookt in afwachting dat de voorstelling beginnen zou.De gemaskerde inboorlingen, die ook hunne kunst zouden vertoonen, stonden op eenigen afstand.Toen het oogenblik daar was, vertoonde Kruidnagel zich op het plat van den reiswagen en hield zijne gebruikelijke aanspraak tot het »geëerd publiek”.—Mijneheeren Indianen en Indiaansche dames, nu zult gij komen te zien wat er te kijken is....Maar Kruidnagel sprak de taal der Indianen niet, zoodat er alle waarschijnlijkheid bestond dat zijne welsprekendheid te eenenmale hare werking miste.Wat echter ieder begreep, dat waren de muilperen die hij als naar gewoonte van zijnen patroon opliep en de schoppen tegen zijn achterste welke hij, mede als naar gewoonte, in ontvangst nam met de gelatenheid van een hansworst, wiens bestemming het is zich daarvoor te laten gebruiken.Toen Kruidnagel uitgesproken had, nam Cesar het woord.Hij maakte eene buiging voor het publiek en gaf het kommando: De beesten op het appèl!De twee honden, Wagram en Marengo, werden op de opene plaats vóór den wagen gebracht en vertoonden hunne kunsten, tot groot vermaak der Indianen die nog nooit zulke proeven van dressuur gezien hadden. Daarna kwam John Bull, de aap, over den rug van den windhond en den poedel buitelen, wat hij zoo vlug en metzulke malle bewegingen deed, dat het ernstige Indiaansche publiek schudde van lachen.Al dien tijd blies Sander met de volle kracht zijner longen in de klephoorn, roffelde Cornelia op de kleine en Kruidnagel op de groote trom. Als de inboorlingen door deze muziek geen juist denkbeeld gekregen hebben van een europeesch orkest, heeft het alleen aan hun muzikaal gehoor gelegen.De gemaskerde Indianen zagen dit alles aan zonder een vin te verroeren. Klaarblijkelijk achtten zij het oogenblik nog niet gekomen om handelend op te treden en bewaarden zij hunne krachten.—De jongejuffrouw Napoleona op de gespannen koord! riep Kruidnagel door eenen roeper.Door haren vader begeleid, maakte de kleine meid een sierlijk compliment voor de menigte.Eerst danste zij op den grond, bevallig en vlug, tot groote tevredenheid der toeschouwers, die echter hunnen bijval niet toonden door in de handen te klappen maar door telkens goedkeurend met hunne hoofden te knikken. Dit verminderde niet toen zij op het koord sprong dat tusschen de twee bokken gespannen was en zij daarover huppelde, sprong en danste met eene lichtheid, die voornamelijk de bewondering der Indiaansche vrouwen opwekte.—Nu is het mijne beurt! riep Sander toen zijn zusje gedaan had. Daar kwam hij aan, maakte eene buiging, buitelde over zijn hoofd, liep op zijne handen, duikelde weder, wrong zijne ledematen in allerlei bochten, zoodat nu eens zijne armen als beenen en dan weder zijne voeten als handen dienst deden, of zijn hoofd onder zijn bovenlijf door kwam kijken. Met een vervaarlijken luchtsprong bekroonde hij zijne vertooning.Ook Sander vond bijval, zooals trouwens altijd het geval was. Maar hij had tenauwernood tijd gehad om het publiek te bedanken door zijn voorhoofd tot op den grond te doen nederbuigen, of daar kwam een Indiaansche knaap, van Sander’s leeftijd, uit het zestal te voorschijn. Zijn masker had hij afgezet.Al de kunsten die de jonge Cascabel verricht had, deed de wilde hem na en dat met zulk eene vlugheid en zoo gemakkelijk dat de beste acrobaat het niet had kunnen verbeteren. Misschien deed hij het niet zoo bevallig als Sander, maar in geoefendheid stond hij zeker niet bij dezen achter. De toekijkende Indianen knikten dan ook met nog grooter ingenomenheid hunnen landsman toe.Natuurlijk waren alle leden van den troep van Cascabel beleefd genoeg om hunne toejuichingen aan die van het publiek te paren. Maar hun aanvoerder wilde niet dat zij het onderspit zouden delven.Daarom gaf hij Jan een teeken om zijne kunsten te vertoonen waarin hij meende dat niemand hem kon overtreffen.Jan begreep dat hij de eer der familie op te houden had. Aangemoedigd door een goedkeurend gebaar van Sergius en een vriendelijk knikje van Kayette, bracht hij achtereenvolgens zijne flesschen, borden, ballen, messen, schijven en stokjes op het tapijt. Door eerzucht geprikkeld, overtrof hij bij deze gelegenheid zichzelf.Vader Cascabel kon niet nalaten de gemaskerde Indianen een uitdagenden en zelfvoldanen blik toe te werpen, als wilde hij hun toeroepen:—Welnu, wat zegt ge daarvan? Doet dat eens na als ge kunt!”Blijkbaar namen de gemaskerden het ook zoo op, want nadat detyhieen teeken gegeven had, trad een hunner naar voren en wierp zijn masker af.Dit was Fir-Fu, de toovenaar van den stam. Ook hij had zijnen naam op te houden en tevens de eer van het Indiaansche ras te handhaven.Al de voorwerpen waarmede Jan gewerkt had, nam de Indiaan achtereenvolgens ter hand. De een na de ander deed hij al de kunsten van den jongen Cascabel na. Messen en flesschen, schijven en ringen, ballen en stokken, hij liet ze allen over en door elkaar buitelen dat het een lust was en het moest erkend worden dat hij het niet minder sierlijk, vlug en onberispelijk deed als Jan.Kruidnagel, die niet gewoon was iemand anders te zien werken dan de leden der familie Cascabel, stond beteuterd. Wijd spalkte hij zijne oogen open en zijn mond bleef eindelijk geopend staan van verbazing.Ditmaal was het alleen uit beleefdheid en om zich goed te houden, dat Cascabel hielp toejuichen.—’t Is wat moois, mompelde hij, met die Roodhuiden. Wie had dat ooit kunnen denken! Waar hebben de kerels het geleerd? Maar wij mogen ons niet laten overbluffen!In den grond van zijn hart zat hij deerlijk in de klem. Hier waar hij als een wonder dacht aangegaapt te zullen worden, vond hij mededingers die tegen hem opgewassen waren. En wat voor mededingers? Inboorlingen van Alaska, niet veel beter dan wilden! Wat eene vernedering voor zijne kunstenaars-ijdelheid! Men is kunstenmaker met hart en ziel, of men is het in het geheel niet!—Komaan kinderen, riep hij met eene stentorstem, vooruit met de menschen-pyramide.Fir-Fu, de Indiaansche kunstenmaker. Zie bl. 156.Fir-Fu, de Indiaansche kunstenmaker. Zie bl.156.In een oogwenk stormden zij allen naar hem toe en klommen tegen hem op. Hij had zijne voeten stevig op den grond gezet,wijdbeens, de lendenen strak, de borstkas zoo wijd mogelijk uitgezet. Vlug als een eekhoorn was Jan op zijnen rechterschouder gesprongen. Daar gaf hij de hand aan Kruidnagel, die op den linkerschouder post had gevat. Sander stond op het hoofd van zijnen vader en boven op Sander was Napoleona geklommen, die van deze verhevene standplaats kushanden aan de menigte toewierp.Maar de fransche pyramide stond te nauwernood, of tegenover haar verrees de Indiaansche. Zonder hunne maskers af te leggen hadden de inboorlingen eenen toren van menschen gevormd, niet van vijf maar van zeven geledingen, zoodat zij met eene verdieping boven die der Cascabels uitstak. De eene pyramide tegenover de andere!Ditmaal konden de toeschouwers zich niet inhouden, maar barstten zij in daverende toejuichingen ter eere hunner landslieden los. Het oude Europa was overwonnen door het jonge Amerika! En nog wel een jong Amerika van Co-Youkons, van Tananas en van Tatanchoks!Cesar Cascabel zonk bijna door den grond van ergernis. Het scheelde weinig of eene onhandige beweging, die hij niet inhouden kon, had zijn geheelen menschenlast tegen den grond doen tuimelen.—Die beroerde kerels! mompelde hij, nadat zijne pyramide weder afgetuigd was.Tevergeefs poogde Sergius hem te troosten, door op te merken dat het de moeite niet waard was om het zich aan te trekken.—De moeite niet waard? Ik kan wel merken dat gij geen kunstenaar zijt.Toen wendde hij zich tot zijne vrouw.—Komaan Cornelia, riep hij, laat hun eens zien wat voor klappen met de vlakke hand gij geven kunt! Het zal mij toch benieuwen of er onder die wilden een is die de »overwinnares van Chicago” aandurft.Maar moeder Cascabel kwam niet van hare plaats.—Welnu Cornelia?—Neen Cesar!—Wat, wilt gij die apen geen lesje geven en meteen de eer van onze familie weder herstellen?—Die zal ik herstellen, antwoordde Cornelia bedaard. Laat mij maar begaan. Ik heb mijn plan in mijn hoofd.Nu was het zoo gesteld, dat als deze buitengewone vrouw een plan had, men het best deed met zich daarmede in het geheel niet te bemoeien en alles stil aan haar over te laten. Het ergerde haar niet minder dan haar man dat de Indianen hen de baas waren,en als zij er kans toe zag zou zij zeker niet nalaten hen op hare manier dat in te peperen.De fransche en de indiaansche pyramide. Zie bl. 158.De fransche en de indiaansche pyramide. Zie bl.158.Zonder iets meer te zeggen was Cornelia in den reiswagen verdwenen. Ongerust en niet wetende wat hij er van denken moest, hoeveel vertrouwen hij ook in zijne vrouw stelde, oogde Cascabel haar na.Na een oogenblik oponthoud kwam moeder Cascabel weer voor den dag. Zij plaatste zich tegenover de Indiaansche kunstenmakers, die zich in eene groep om haar heen schaarden.Toen verzocht zij den voornaamsten beambte van het fort, hetgeen zij te zeggen had aan de inboorlingen te vertolken.Ziehier hetgeen zij woord voor woord liet overbrengen in onberispelijke Alaska’sche taal:—Indiaansche mannen en vrouwen, in de lichaamsoefeningen die kracht en vlugheid vereischen, hebt gij talenten aan den dag gelegd die niet onbeloond mogen blijven. Ik kom u uwe belooning aanbieden....Het publiek luisterde met onverdeelde aandacht.—Ziet hier mijne handen, vervolgde Cornelia. De hoogstgeplaatste personen in Europa hebben die meermalen gedrukt! Ziet hier mijne wangen. De machtigste souvereinen van de oude wereld hebben het zich eene eer gerekend die te mogen kussen! Welnu, deze handen, deze wangen, ik bied ze u aan! Indianen van Amerika, drukt en kust ze!De inlanders lieten zich niet lang bidden. Eene gelegenheid als deze, om eene hand en eenen zoen te krijgen van zulk eene kranige vrouw, werd hun niet iederen dag geboden.Een hunner, een knappe kerel van den Tanana-stam, wilde de hand, die Cornelia hem toestak, grijpen. Maar op dat oogenblik ontving hij eenen schok, die hem deed opspringen als eene veer. Hij gaf een schreeuw van ontzetting en deinsde terug.—O Cornelia! riep Cascabel uit. Nu begrijp ik alles. Hoe kan ik u genoeg bewonderen!Sergius, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel hielden zich den buik vast van het lachen over het koopje dat de slimme vrouw de wilden leverde.—Komaan, hernam zij, terwijl zij hare armen weder uitgestrekt hield. Wie heeft er lust?Maar de Indianen waren bang geworden. Zij geloofden dat er eene bovennatuurlijke macht in het spel was.Na eene poos vatte echter detyhimoed. Langzaam stapte hij op Cornelia toe, bleef op twee passen van haar af staan en nam hare indrukwekkende persoonlijkheid op met oogen, die van niets minder dan gerustheid getuigenis gaven.—Komaan oude! riep Cesar Cascabel. Wees niet bang! Geef mijne vrouw een zoen! Ik verzeker u dat het niet moeilijk, maar heel pleizierig is!Detyhistak schuchter de hand uit en raakte even eenen vinger van de schoone Europeesche aan.Ook hij kreeg een schok en viel bijna onderste boven. Hij brulde van schrik en het geheele publiek stond verbaasd. Indien het zoo gevaarlijk was de hand van Cornelia te beroeren, wat zou er dan niet gebeuren als iemand probeerde hare wangen aan te raken, »die de machtigste potentaten van Europa gekust hadden!”Het duurde eene poos, maar eindelijk kwam er toch een die het wilde wagen. Dat was de toovenaar Fir-Fu. Als er iemand was die zich boven duivelskunstenarijen verheven mocht achten, dan was hij het. Onbeschroomd ging hij vlak tegenover Cornelia staan. Hij beschreef eenen kring om haar heen, liet zich door het geschreeuw der inboorlingen moed inspreken, vatte haar toen met zijne armen aan en gaf haar tegelijk midden op haar gelaat een zoen die klapte.Maar ditmaal was het niet een, maar eene reeks buitelingen die de waaghals maakte. De toovenaar veranderde opeens in een acrobaat! Zonder er iets tegen te kunnen doen maakte hij een paar luchtsprongen en kwam te midden zijner ontzette landslieden terecht.Dien raadselachtigen invloed oefende Cornelia op den toovenaar en op degenen, die hem voorgegaan waren, eenvoudig uit door op het knopje te drukken van eene kleine draagbare electrische batterij, die zij in hare zak verborgen had, en met behulp waarvan zij anders de »electrische vrouw” vertoonde.—Vrouw, vrouw! riep haar man uit, terwijl hij voor de oogen der verbaasde Indianen haar in zijne armen sloot zonder dat het hem iets deerde. Hoe slim bedacht! Hoe....—Even slim als electrisch! zeide Sergius.De inboorlingen konden niet anders denken dan dat dit wonderdadige vrouwspersoon de macht had om den donder te doen gehoorzamen aan haren wil. Wie haar maar even aanraakte, werd immers tegen den grond geslagen! Blijkbaar kon zij niemand minder wezen dan de gemalin van den Grooten Geest, die zich verwaardigd had op de aarde af te dalen en mijnheer Cascabel voor tweeden man te nemen.

Dit gedeelte der reis tusschen de forten Selkirk en Youkon had deSchoone Zwerfsterop den rechteroever der rivier afgelegd. Zij waren echter op ongelijken afstand van den waterkant gebleven, teneinde niet al de talrijke bochten, welke de rivier maakt en die soms door onbegaanbare moerassen omgeven worden, te moeten omtrekken. Dit laatste is alleen het geval aan deze zijde, want op den linkeroever verheffen zich eenigeheuvelrijenvan matige hoogte, die naar het noordwesten uitloopen. In een anderen tijd van het jaar hadden zij moeite kunnen hebben om sommige zijtakken van de Youkon over te komen, zooals de Stewart-rivier, waar geen overzetveer op onderhouden wordt. Maar in den zomer staat er op de droogste plekken zoo weinig water dat deze kleine stroomen doorwaad kunnen worden. Toch zouden zij nog dikwijls in verlegenheid verkeerd hebben als zij Kayette niet bij zich gehad hadden, die in de vallei goed thuis was en hun de doorwaadbare plaatsen aan wist te wijzen.

Het was dus waarlijk gelukkig voor hen dat het Indiaansche meisje als gids dienst kon doen. Zij was zelve blijde als zij hare vrienden op de eene of andere wijze nuttig kon zijn; zij voelde zich tevreden te midden dier lieden die als het ware hare bloedverwanten vervangen hadden, en boven alles was de moederlijke zorg, die Cornelia haar toonde en die het arme meisje zoo lang gemist had, haar onuitsprekelijk veel waard.

Het land was hier en daar nog met bosschen bedekt en op verschillende plaatsen heuvelachtig. Maar over het algemeen vertoonde het landschap zich reeds anders dan in den omtrek van Sitka.

De weersgesteldheid, die gedurende acht maanden van het jaar met den winter der poollanden gelijk staat, is oorzaak dat de plantengroei hier niet tot groote ontwikkeling komen kan. Behalve hier en daar eenige populieren, waarvan de toppen boogvormig gekromd zijn, behooren er in deze landstreek geene andere soorten van boomen thuis dan dennen en berken. Wat er voor het overige nog gevonden wordt, zijn armoedige wilgeboomen, schraal van loof en fletsch van kleur, die door de scherpe winden, welke over de IJszee komen aangieren, vroegtijdig van hunne bladeren beroofd worden.

Op de reis van fort Selkirk naar fort Youkon had de jacht voortdurend zooveel opgeleverd dat het niet noodig was geweest den voorraad ingemaakte voedingsmiddelen aan te roeren om dagelijks de tafel van het noodige te voorzien. Er werden zooveel hazen geschoten dat onze reizigers er eindelijk bijna beu van werden, al werd de hazenpeper, de hazensoep, de gebraden haas en de hazenpastei ook nu en dan afgewisseld door eenden en ganzen, en door de eieren dier vogels, welke Sander en Napoleona goed slag hadden om uit de holten, waarin ze verstopt lagen, te voorschijn te halen. Cornelia was eene volleerde keukenprinses in het op verschillende wijze klaarmaken van eieren en andere dagelijks voorkomende spijzen, en liet zich daarop heel wat voorstaan. Aan eetlust was bovendien nooit gebrek.

—Dit is nu toch eens een goed land om in te leven! riep Kruidnagel bij zekere gelegenheid uit, toen hij aan het afkluiven van eene overheerlijke ganzenbout was. Jammer dat het niet meer in het midden van Europa of Amerika ligt.

—Lag het tusschen bewoonde landen, merkte Sergius op, dan zou er vermoedelijk zooveel wild niet zijn.

—Ten minste.... wilde Kruidnagel antwoorden.

Een blik van Cesar legde hem het zwijgen op en deed hem begrijpen dat hetgeen hij zeggen ging, onzin was.

Was het land wildrijk, in de beken en riviertjes die zich in de Youkon uitstortten, wemelde het van visschen. Sander en Kruidnagel hengelden ijverig en brachten menig heerlijk zoodje thuis, vooral snoeken van de beste soort. Zij mochten vrij den hengel uitwerpen waar zij goedvonden, want naar eene visch-akte kwam niemand hen vragen, zoodat het hen niets kostte dan de moeite van het vangen.

Voor kosten maken was trouwens de kleine Sander minder bevreesd dan iemand anders. Hij hield zich overtuigd dat, dank zij hem, de toekomst der familie Cascabel voor altijd verzekerd was. Hij bezat immers dien geweldigen klomp goud, dien hij in de Caribou-vallei opgeraapt en zorgvuldig in eenen hoek van den wagen verstopt had, verzekerd als hij was dat het een steen was van onschatbare waarde. Hij had zijn geheim zorgvuldig bewaard en wachtte geduldig het oogenblik af waarop hij zijnen schat in klinkende munt zou kunnen omwisselen. Wat een vreugde zou dat geven als hij plotseling zóó rijk werd! Niet voor zichzelf: de goedhartige knaap dacht er niet aan, het geld voor zich te houden. Zijnen vader en zijne moeder wilde hij er gelukkig mede maken en hen op die manier ruimschoots schadeloos stellen voor den laaghartigen diefstal, waar zij de slachtoffers van waren.

Toen deSchoone Zwerfsterna ettelijke smoorheete dagen eindelijk te Youkon aankwam, waren al de reizigers uitgeput van vermoeienis. Er werd dus besloten dat zij hier niet minder dan eene week vertoeven zouden.

—Gij kunt dat te geruster doen, zeide Sergius, dewijl dit fort slechts op een paar honderd mijlen afstands van Port-Clarence ligt. Het is van daag eerst de 27steJuli, en niet dan over twee of misschien drie maanden kan het ijs in de Behringstraat sterk genoeg wezen om den wagen te dragen.

—Dat is zoo klaar als de dag, stemde Cascabel toe. Wij hebben dus den tijd om eene poos uit te blazen.

Dit was een welkom bericht, zoowel voor het tweehandige als voor het viervoetige personeel derSchoone Zwerfster.

Het fort Youkon is in het jaar 1847 opgericht. Het is de meest westelijke vestiging van de Hudsonsbaai-compagnie en ligt bijna op den poolcirkel. Dewijl het fort tot het grondgebied van Alaska behoort, is de Hudsonsbaai-compagnie verplicht jaarlijks eene schadeloosstelling te betalen aan de concurreerende vennootschap, de Russisch-Amerikaansche handelsvereeniging.

Niet vóór 1864 werden de gebouwen gezet waar de vestiging thans uit bestaat. Zij werden met eene palissadeering omringd en waren juist gereed gekomen toen de troep van Cascabel in het fort aankwam, met het voornemen er eenige dagen te vertoeven.

De beambten boden hun gastvrij een verblijf binnen het fort aan, want in de loodsen en pakhuizen was plaats genoeg om hen te herbergen; maar Cascabel bedankte met eenige sierlijke en klinkende volzinnen voor hunne uitnoodiging. Hij was aan de geriefelijkheden van deSchoone Zwerfstergewend en wilde die niet missen.

De bevolking van het fort bestond uit een twintigtal beambten der compagnie, meerendeels amerikanen, met eenige indiaansche bedienden. In de nabijheid van het fort waren echter ettelijke honderden inboorlingen gelegerd.

De oorzaak daarvan was dat het fort Youkon de voornaamste verzamelplaats in Alaska is voor den handel in bontwerk en pelterijen. Daar komen al de inlandsche stammen van het gewest bijeen, de Kotch-à-Koutchins, de An-Koutchins, de Tatantchoks, de Tananas en voornamelijk de talrijkste aller stammen, de Co-Youkons, die het meest in de nabijheid der groote rivier gevestigd zijn.

Het fort is bijzonder gunstig voor dezen ruilhandel gelegen, want het is gebouwd in eenen hoek, dien deYoukonbij hare samenvloeiing met de Porcupine maakt. De rivier splitst zich op deze hoogte in vijf armen, langs welke de handelaars gemakkelijk tot in het binnenland kunnen doordringen en zelfs over de Mackenzie-rivier met de Eskimo’s in aanraking kunnen komen om met deze handel te drijven.

Dit net van waterwegen is dan ook vol vaartuigen die zich voor den stroom laten afdrijven of er tegen oproeien. Dit zijn vooral de zoogenaamdebaïdarres, lichte sloepjes van geöliede beestenvellen gemaakt, die op de naden met vet worden bestreken om ze beter waterdicht te maken. Met deze broze vaartuigen zien de Indianen niet tegen groote watertochten op, terwijl zij hunne schuitjes uit het water nemen en op hunnen rug verder dragen zoodra het varen door stroomversnellingen of watervallen onmogelijk wordt gemaakt.

Intusschen is het vervoer te water slechts gedurende drie maanden van het jaar open, want al de overige maanden liggen de wateren met eene dikke ijskorst bedekt. Debaïdarreverandert dan van bestemming en wordt eene slede. Het voertuig, van voren uitloopend in eene omgebogen punt als de voorsteven eener schuit, wordt met riemen van elandenvel bijeengehouden; een span honden of rendieren trekt het en het vliegt met groote snelheid voort. Voetgangers met hunne lange sneeuwschoenen aan de voeten, komen echter nog vlugger vooruit.

Cesar Cascabel mocht weder van geluk spreken! Hij kwam juist op het geschikte tijdstip te fort Youkon, terwijl de pelterijenhandel het levendigst was. De Indianen hadden bij honderden in den omtrek der factory hun kamp opgeslagen.

—De drommel moge mij halen, riep Cesar uit, als wij daar niet een voordeeltje van hebben. Het is hier eene echte kermis; wij zijn kermiskunstenaars; wat is dus natuurlijker dan dat wij onze kunsten eens vertoonen? Wat zegt gij er van, mijnheer Sergius?

Eene baïdarre, of sloep van geoliede beestenvellen. Zie bl. 149.Eene baïdarre, of sloep van geoliede beestenvellen. Zie bl.149.

Eene baïdarre, of sloep van geoliede beestenvellen. Zie bl.149.

—Ik heb er niets tegen mijn vriend, maar ik twijfel of de opbrengst veel te beteekenen zal nebben.

—In elk geval maken wij toch onze kosten goed, want die bedragen niemendal.

—Dat moge waar zijn, antwoordde Sergius, maar ik zou toch wel eens van u willen hooren hoe die eenvoudige inlanders hunne plaats moeten betalen, want zij hebben evenmin Amerikaansch als Russisch geld.

—Welnu dan betalen zij met muskusrattenvellen, met beverhuiden, weet ik het, met alles wat zij hebben! In het ergste geval zullen deze vertooningen het goede gevolg hebben dat wij er onze spieren weder eens mede uitrekken, want ik ben altijd maar bang dat onze ledematen door gebrek aan oefening zullen achteruitgaan. Wij moeten nog voorstellingen geven, te Perm, teNisjnien op andere plaatsen en ik verkies geen dwaas figuur met mijnen troep te maken als wij op uw geboortegrond komen werken. Zoo iets zou ik niet overleven mijnheer Sergius, ik verzeker u dat ik er dood van zou gaan!

Het fort Youkon is de voornaamste nederzetting in deze streek en op een ruim terrein aan den rechteroever der rivier gelegen. Het heeft de gedaante van een langwerpigen vierhoek, op de hoeken versterkt door vierkante torens, die vrij veel overeenkomst hebben met de molens op een bewegelijk bovenstuk, zooals die in het Noorden van Europa worden aangetroffen. Binnen het fort staan verscheidene gebouwen, dienende tot woonplaatsen voor de beambten der compagnie en hunne gezinnen; verder twee groote afgesloten loodsen, die als bergplaatsen dienen voor pelterijen en waar altijd een voorraad huiden van marters, bevers en zwarte of zilvergrijze vossen gevonden wordt, benevens verschillende vellen van minder waarde.

Het is niet alleen een eentonig, maar ook een treurig leven dat door de bewoners van het fort geleid wordt. Hun voornaamste voedsel is elandenvleesch, gebraden, geroosterd, gekookt of gestoofd, eene enkele maal afgewisseld door rendierenvleesch. Alle andere benoodigdheden moeten zij doen komen uit de factorij York, aan de Hudsonsbaai, op zes of zevenhonderd mijlen afstands gelegen. Het spreekt dus van zelf dat de gemeenschap met die afgelegen plaats niet druk is.

In den namiddag nadat zij deSchoone Zwerfsteronder dak gebracht hadden, ging Cascabel met zijn gezin een bezoek brengen aan de tusschen de Youkon en de Porcupine gelegerde Indianen.

De tijdelijke woningen waarin deze inboorlingen verblijf hielden,verschilden naarmate van den stam waartoe zij behoorden. Het waren hutten van boomschors of van dierenvellen, steunende op palen en met bladeren overdekt; of tenten van eene katoenen stof die door de Indianen geweven wordt; of ook planken loodsen die in en uit elkaar genomen kunnen worden naarmate het noodig is.

Wat eene vermakelijke verscheidenheid ook in de kleederen! Sommigen droegen ze van dierenvellen, anderen van lijnwaad; als hoofddeksel gebruikten zij allen eenen krans van bladeren, tevens een voorbehoedmiddel tegen de muggenbeten. De vrouwen droegen eene wijde jurk en sieraden van schelpen aan neus, lippen en ooren. De mannen pronkten met eene soort van nestels, waarvan de naalden dienden om des winters hun lange overjas van elandenvel, met het bont binnenwaarts gekeerd, vast te maken. Mannen en vrouwen waren bovendien niet weinig trotsch op hunne snoeren valsche paarlen, die meer op prijs gesteld worden naarmate ze grooter zijn. Onder de verschillende stammen waren de Tananas gemakkelijk te onderscheiden aan hunne met allerlei kleuren beschilderde gezichten, en aan de vederen die zij op hun hoofd droegen en die met stukken roode klei overeind gehouden werden. Zij hadden een lederen vest en een broek van rendierenvel aan, waren met vuursteengeweren gewapend en voorzien van kruithoorns, die zij met veel smaak weten uit te snijden en te versieren.

Bij wijze van geld gebruiken deze Indianen schelpen van eene soort,dentaliumgeheeten, die ook bij de stammen op Vancouver-eiland in gebruik zijn. Zij dragen die bevestigd aan het kraakbeen van hun neus en nemen er zooveel af als noodig is als zij iets te betalen hebben.

—Dat is een goedkoope portemonnaie, merkte Cornelia op, en zij loopen geen gevaar die te verliezen.

—Ten minste als hun neus niet afvalt, meende de snuggere Kruidnagel.

—Als het ’s winters erg koud is, kon dat wel eens gebeuren, antwoordde Cascabel.

De legerplaats der Indianen gaf een zonderling en woelig tafereel te zien.

Onnoodig te zeggen dat Cascabel spoedig een gesprek met eenige inboorlingen had aangeknoopt. Hunne taal, die veel overeenkomst met het chinouk heeft, verstond hij ten naastenbij en Sergius die russisch met hen sprak, diende voor zooveel noodig als tolk.

De eerste dagen werd er tusschen de inlandsche kooplieden en de beambten der russische compagnie druk handel gedreven, en de troep van Cascabel vond toen geene gelegenheid om eene voorstelling voor het publiek te geven.

De Indianen waren intusschen te weten gekomen dat zij eenen troep fransche kunstenmakers in hun midden hadden, die een grooten naam hadden wegens hunne vlugheid en hunne behendigheid in het koorddansen en duikelen. Iederen avond kwamen zij in grooten getale deSchoone Zwerfsteraangapen. Nog nooit hadden zij zulk een prachtig beschilderd rijtuig onder de oogen gehad. Wat zij er vooral aardig aan vonden, was dat het zulk eene gemakkelijk verplaatsbare verblijfplaats was, want bij het nomadenleven dat zij leidden, moest hun dit bijzonder geriefelijk voorkomen. Wie weet of ook de Indianen nog niet eens op de gedachte zullen komen om hunne hutten op wielen te zetten. Dat zullen dan geen rollende woningen, maar rijdende dorpen wezen!

Onder deze omstandigheden voelde Cascabel zich hoe langer hoe meer geprikkeld om eene buitengewone voorstelling te geven. Er werd dus afgesproken dat de vertooning zou plaats hebben »op algemeen en vereerend verlangen der Indianen van het fort Youkon”!

Een van de inboorlingen waarmede Cascabel terstond na zijne aankomst kennis gemaakt had, was eentyhi, dat wil zeggen het opperhoofd van eenen stam. Dit was een man met een knap uiterlijk, een jaar of vijftig oud, snugger en zelfs met iets geslepens in zijne trekken. Meermalen was hij in deSchoone Zwerfsterte gast geweest en telkens had hij te kennen gegeven dat de lieden van zijnen stam uiterst benieuwd waren om den franschen troep aan het werk te zien.

Gewoonlijk had detyhieen Indiaan van een dertig jaren bij zich, Fir-Fu genaamd, met een fijn en innemend gelaat. Dit was de toovenaar van den stam, een behendig goochelaar, die overal in den omtrek van de Youkon wegens deze eigenschappen bekend was.

—Dat is dus een broeder in de kunst, zeide Cascabel toen detyhihem zijnen vriend voorstelde.

Zij bezegelden hunne kennismaking met een hartelijken dronk en rookten toen met hun drieën de vriendschapspijp.

Na verschillende gesprekken waarin detyhitelkens er op aangedrongen had dat de Cascabels eene voorstelling zouden geven, werd die bepaald op den 3denAugustus. Zij spraken ook af dat de Indianen daarbij zouden medewerken, want deze waren er op gesteld te doen zien dat zij voor geen europeanen in sterkte, behendigheid en vlugheid onderdeden.

Dit is licht te begrijpen wanneer men weet dat de Indianen in Alaska en overal in het verre Westen groote liefhebbers zijn van lichaamsoefeningen en van kunstenmaken, waarbij zij allerlei grappen en potsen verkoopen.

Op den bepaalden dag en uur was er een talrijk publiek saamgestroomd en kwamen er ook een half dozijn Indianen voor den dag, die groote houten maskers met afschuwelijke monstergezichten voor hadden. Mond en oogen dier maskers konden door middel van draden bewogen worden, zoodat het was alsof de leelijke tronies leefden. De meeste gezichten liepen uit in eene punt als de snavel van eenen vogel en men kan zich nauwelijks voorstellen hoe ontzettend zij grijnsden. John Bull, de aap, had bij hen in de leer kunnen gaan.

Het spreekt van zelf dat vader en moeder Cascabel, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel voor deze plechtige gelegenheid zich in hunne kermispakken gestoken hadden.

De plaats der voorstelling was een groot weiland, met boomen omringd en deSchoone Zwerfsterop den achtergrond, alsof er eene tooneelvertooning gegeven moest worden. Op de voorste plaatsen zaten de europeesche beambten van het fort met hunne vrouwen en kinderen. Aan weerszijden waren eenige honderden Indiaansche mannen en vrouwen in een halven kring geschaard. Er werd menige pijp gerookt in afwachting dat de voorstelling beginnen zou.

De gemaskerde inboorlingen, die ook hunne kunst zouden vertoonen, stonden op eenigen afstand.

Toen het oogenblik daar was, vertoonde Kruidnagel zich op het plat van den reiswagen en hield zijne gebruikelijke aanspraak tot het »geëerd publiek”.

—Mijneheeren Indianen en Indiaansche dames, nu zult gij komen te zien wat er te kijken is....

Maar Kruidnagel sprak de taal der Indianen niet, zoodat er alle waarschijnlijkheid bestond dat zijne welsprekendheid te eenenmale hare werking miste.

Wat echter ieder begreep, dat waren de muilperen die hij als naar gewoonte van zijnen patroon opliep en de schoppen tegen zijn achterste welke hij, mede als naar gewoonte, in ontvangst nam met de gelatenheid van een hansworst, wiens bestemming het is zich daarvoor te laten gebruiken.

Toen Kruidnagel uitgesproken had, nam Cesar het woord.

Hij maakte eene buiging voor het publiek en gaf het kommando: De beesten op het appèl!

De twee honden, Wagram en Marengo, werden op de opene plaats vóór den wagen gebracht en vertoonden hunne kunsten, tot groot vermaak der Indianen die nog nooit zulke proeven van dressuur gezien hadden. Daarna kwam John Bull, de aap, over den rug van den windhond en den poedel buitelen, wat hij zoo vlug en metzulke malle bewegingen deed, dat het ernstige Indiaansche publiek schudde van lachen.

Al dien tijd blies Sander met de volle kracht zijner longen in de klephoorn, roffelde Cornelia op de kleine en Kruidnagel op de groote trom. Als de inboorlingen door deze muziek geen juist denkbeeld gekregen hebben van een europeesch orkest, heeft het alleen aan hun muzikaal gehoor gelegen.

De gemaskerde Indianen zagen dit alles aan zonder een vin te verroeren. Klaarblijkelijk achtten zij het oogenblik nog niet gekomen om handelend op te treden en bewaarden zij hunne krachten.

—De jongejuffrouw Napoleona op de gespannen koord! riep Kruidnagel door eenen roeper.

Door haren vader begeleid, maakte de kleine meid een sierlijk compliment voor de menigte.

Eerst danste zij op den grond, bevallig en vlug, tot groote tevredenheid der toeschouwers, die echter hunnen bijval niet toonden door in de handen te klappen maar door telkens goedkeurend met hunne hoofden te knikken. Dit verminderde niet toen zij op het koord sprong dat tusschen de twee bokken gespannen was en zij daarover huppelde, sprong en danste met eene lichtheid, die voornamelijk de bewondering der Indiaansche vrouwen opwekte.

—Nu is het mijne beurt! riep Sander toen zijn zusje gedaan had. Daar kwam hij aan, maakte eene buiging, buitelde over zijn hoofd, liep op zijne handen, duikelde weder, wrong zijne ledematen in allerlei bochten, zoodat nu eens zijne armen als beenen en dan weder zijne voeten als handen dienst deden, of zijn hoofd onder zijn bovenlijf door kwam kijken. Met een vervaarlijken luchtsprong bekroonde hij zijne vertooning.

Ook Sander vond bijval, zooals trouwens altijd het geval was. Maar hij had tenauwernood tijd gehad om het publiek te bedanken door zijn voorhoofd tot op den grond te doen nederbuigen, of daar kwam een Indiaansche knaap, van Sander’s leeftijd, uit het zestal te voorschijn. Zijn masker had hij afgezet.

Al de kunsten die de jonge Cascabel verricht had, deed de wilde hem na en dat met zulk eene vlugheid en zoo gemakkelijk dat de beste acrobaat het niet had kunnen verbeteren. Misschien deed hij het niet zoo bevallig als Sander, maar in geoefendheid stond hij zeker niet bij dezen achter. De toekijkende Indianen knikten dan ook met nog grooter ingenomenheid hunnen landsman toe.

Natuurlijk waren alle leden van den troep van Cascabel beleefd genoeg om hunne toejuichingen aan die van het publiek te paren. Maar hun aanvoerder wilde niet dat zij het onderspit zouden delven.Daarom gaf hij Jan een teeken om zijne kunsten te vertoonen waarin hij meende dat niemand hem kon overtreffen.

Jan begreep dat hij de eer der familie op te houden had. Aangemoedigd door een goedkeurend gebaar van Sergius en een vriendelijk knikje van Kayette, bracht hij achtereenvolgens zijne flesschen, borden, ballen, messen, schijven en stokjes op het tapijt. Door eerzucht geprikkeld, overtrof hij bij deze gelegenheid zichzelf.

Vader Cascabel kon niet nalaten de gemaskerde Indianen een uitdagenden en zelfvoldanen blik toe te werpen, als wilde hij hun toeroepen:

—Welnu, wat zegt ge daarvan? Doet dat eens na als ge kunt!”

Blijkbaar namen de gemaskerden het ook zoo op, want nadat detyhieen teeken gegeven had, trad een hunner naar voren en wierp zijn masker af.

Dit was Fir-Fu, de toovenaar van den stam. Ook hij had zijnen naam op te houden en tevens de eer van het Indiaansche ras te handhaven.

Al de voorwerpen waarmede Jan gewerkt had, nam de Indiaan achtereenvolgens ter hand. De een na de ander deed hij al de kunsten van den jongen Cascabel na. Messen en flesschen, schijven en ringen, ballen en stokken, hij liet ze allen over en door elkaar buitelen dat het een lust was en het moest erkend worden dat hij het niet minder sierlijk, vlug en onberispelijk deed als Jan.

Kruidnagel, die niet gewoon was iemand anders te zien werken dan de leden der familie Cascabel, stond beteuterd. Wijd spalkte hij zijne oogen open en zijn mond bleef eindelijk geopend staan van verbazing.

Ditmaal was het alleen uit beleefdheid en om zich goed te houden, dat Cascabel hielp toejuichen.

—’t Is wat moois, mompelde hij, met die Roodhuiden. Wie had dat ooit kunnen denken! Waar hebben de kerels het geleerd? Maar wij mogen ons niet laten overbluffen!

In den grond van zijn hart zat hij deerlijk in de klem. Hier waar hij als een wonder dacht aangegaapt te zullen worden, vond hij mededingers die tegen hem opgewassen waren. En wat voor mededingers? Inboorlingen van Alaska, niet veel beter dan wilden! Wat eene vernedering voor zijne kunstenaars-ijdelheid! Men is kunstenmaker met hart en ziel, of men is het in het geheel niet!

—Komaan kinderen, riep hij met eene stentorstem, vooruit met de menschen-pyramide.

Fir-Fu, de Indiaansche kunstenmaker. Zie bl. 156.Fir-Fu, de Indiaansche kunstenmaker. Zie bl.156.

Fir-Fu, de Indiaansche kunstenmaker. Zie bl.156.

In een oogwenk stormden zij allen naar hem toe en klommen tegen hem op. Hij had zijne voeten stevig op den grond gezet,wijdbeens, de lendenen strak, de borstkas zoo wijd mogelijk uitgezet. Vlug als een eekhoorn was Jan op zijnen rechterschouder gesprongen. Daar gaf hij de hand aan Kruidnagel, die op den linkerschouder post had gevat. Sander stond op het hoofd van zijnen vader en boven op Sander was Napoleona geklommen, die van deze verhevene standplaats kushanden aan de menigte toewierp.

Maar de fransche pyramide stond te nauwernood, of tegenover haar verrees de Indiaansche. Zonder hunne maskers af te leggen hadden de inboorlingen eenen toren van menschen gevormd, niet van vijf maar van zeven geledingen, zoodat zij met eene verdieping boven die der Cascabels uitstak. De eene pyramide tegenover de andere!

Ditmaal konden de toeschouwers zich niet inhouden, maar barstten zij in daverende toejuichingen ter eere hunner landslieden los. Het oude Europa was overwonnen door het jonge Amerika! En nog wel een jong Amerika van Co-Youkons, van Tananas en van Tatanchoks!

Cesar Cascabel zonk bijna door den grond van ergernis. Het scheelde weinig of eene onhandige beweging, die hij niet inhouden kon, had zijn geheelen menschenlast tegen den grond doen tuimelen.

—Die beroerde kerels! mompelde hij, nadat zijne pyramide weder afgetuigd was.

Tevergeefs poogde Sergius hem te troosten, door op te merken dat het de moeite niet waard was om het zich aan te trekken.

—De moeite niet waard? Ik kan wel merken dat gij geen kunstenaar zijt.

Toen wendde hij zich tot zijne vrouw.

—Komaan Cornelia, riep hij, laat hun eens zien wat voor klappen met de vlakke hand gij geven kunt! Het zal mij toch benieuwen of er onder die wilden een is die de »overwinnares van Chicago” aandurft.

Maar moeder Cascabel kwam niet van hare plaats.

—Welnu Cornelia?

—Neen Cesar!

—Wat, wilt gij die apen geen lesje geven en meteen de eer van onze familie weder herstellen?

—Die zal ik herstellen, antwoordde Cornelia bedaard. Laat mij maar begaan. Ik heb mijn plan in mijn hoofd.

Nu was het zoo gesteld, dat als deze buitengewone vrouw een plan had, men het best deed met zich daarmede in het geheel niet te bemoeien en alles stil aan haar over te laten. Het ergerde haar niet minder dan haar man dat de Indianen hen de baas waren,en als zij er kans toe zag zou zij zeker niet nalaten hen op hare manier dat in te peperen.

De fransche en de indiaansche pyramide. Zie bl. 158.De fransche en de indiaansche pyramide. Zie bl.158.

De fransche en de indiaansche pyramide. Zie bl.158.

Zonder iets meer te zeggen was Cornelia in den reiswagen verdwenen. Ongerust en niet wetende wat hij er van denken moest, hoeveel vertrouwen hij ook in zijne vrouw stelde, oogde Cascabel haar na.

Na een oogenblik oponthoud kwam moeder Cascabel weer voor den dag. Zij plaatste zich tegenover de Indiaansche kunstenmakers, die zich in eene groep om haar heen schaarden.

Toen verzocht zij den voornaamsten beambte van het fort, hetgeen zij te zeggen had aan de inboorlingen te vertolken.

Ziehier hetgeen zij woord voor woord liet overbrengen in onberispelijke Alaska’sche taal:

—Indiaansche mannen en vrouwen, in de lichaamsoefeningen die kracht en vlugheid vereischen, hebt gij talenten aan den dag gelegd die niet onbeloond mogen blijven. Ik kom u uwe belooning aanbieden....

Het publiek luisterde met onverdeelde aandacht.

—Ziet hier mijne handen, vervolgde Cornelia. De hoogstgeplaatste personen in Europa hebben die meermalen gedrukt! Ziet hier mijne wangen. De machtigste souvereinen van de oude wereld hebben het zich eene eer gerekend die te mogen kussen! Welnu, deze handen, deze wangen, ik bied ze u aan! Indianen van Amerika, drukt en kust ze!

De inlanders lieten zich niet lang bidden. Eene gelegenheid als deze, om eene hand en eenen zoen te krijgen van zulk eene kranige vrouw, werd hun niet iederen dag geboden.

Een hunner, een knappe kerel van den Tanana-stam, wilde de hand, die Cornelia hem toestak, grijpen. Maar op dat oogenblik ontving hij eenen schok, die hem deed opspringen als eene veer. Hij gaf een schreeuw van ontzetting en deinsde terug.

—O Cornelia! riep Cascabel uit. Nu begrijp ik alles. Hoe kan ik u genoeg bewonderen!

Sergius, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel hielden zich den buik vast van het lachen over het koopje dat de slimme vrouw de wilden leverde.

—Komaan, hernam zij, terwijl zij hare armen weder uitgestrekt hield. Wie heeft er lust?

Maar de Indianen waren bang geworden. Zij geloofden dat er eene bovennatuurlijke macht in het spel was.

Na eene poos vatte echter detyhimoed. Langzaam stapte hij op Cornelia toe, bleef op twee passen van haar af staan en nam hare indrukwekkende persoonlijkheid op met oogen, die van niets minder dan gerustheid getuigenis gaven.

—Komaan oude! riep Cesar Cascabel. Wees niet bang! Geef mijne vrouw een zoen! Ik verzeker u dat het niet moeilijk, maar heel pleizierig is!

Detyhistak schuchter de hand uit en raakte even eenen vinger van de schoone Europeesche aan.

Ook hij kreeg een schok en viel bijna onderste boven. Hij brulde van schrik en het geheele publiek stond verbaasd. Indien het zoo gevaarlijk was de hand van Cornelia te beroeren, wat zou er dan niet gebeuren als iemand probeerde hare wangen aan te raken, »die de machtigste potentaten van Europa gekust hadden!”

Het duurde eene poos, maar eindelijk kwam er toch een die het wilde wagen. Dat was de toovenaar Fir-Fu. Als er iemand was die zich boven duivelskunstenarijen verheven mocht achten, dan was hij het. Onbeschroomd ging hij vlak tegenover Cornelia staan. Hij beschreef eenen kring om haar heen, liet zich door het geschreeuw der inboorlingen moed inspreken, vatte haar toen met zijne armen aan en gaf haar tegelijk midden op haar gelaat een zoen die klapte.

Maar ditmaal was het niet een, maar eene reeks buitelingen die de waaghals maakte. De toovenaar veranderde opeens in een acrobaat! Zonder er iets tegen te kunnen doen maakte hij een paar luchtsprongen en kwam te midden zijner ontzette landslieden terecht.

Dien raadselachtigen invloed oefende Cornelia op den toovenaar en op degenen, die hem voorgegaan waren, eenvoudig uit door op het knopje te drukken van eene kleine draagbare electrische batterij, die zij in hare zak verborgen had, en met behulp waarvan zij anders de »electrische vrouw” vertoonde.

—Vrouw, vrouw! riep haar man uit, terwijl hij voor de oogen der verbaasde Indianen haar in zijne armen sloot zonder dat het hem iets deerde. Hoe slim bedacht! Hoe....

—Even slim als electrisch! zeide Sergius.

De inboorlingen konden niet anders denken dan dat dit wonderdadige vrouwspersoon de macht had om den donder te doen gehoorzamen aan haren wil. Wie haar maar even aanraakte, werd immers tegen den grond geslagen! Blijkbaar kon zij niemand minder wezen dan de gemalin van den Grooten Geest, die zich verwaardigd had op de aarde af te dalen en mijnheer Cascabel voor tweeden man te nemen.

XIV.Van Fort Youkon naar Port-Clarence.Dien avond, terwijl het geheele gezin bijeen was, werd er na eenige beraadslaging besloten dat de karavaan twee dagen na deze gedenkwaardige voorstelling, van fort Youkon zou opbreken.Het was duidelijk—dit was de slotsom van eenige zeer verstandige opmerkingen van mijnheer Cascabel—dat indien het hem te doen ware geweest om nieuwe leden voor zijnen troep aan te werven, hij die onder de inboorlingen van Alaska voor het kiezen zou gehad hebben. Al kostte het hem eenige moeite het te erkennen, hij moest toegeven dat deze Indianen een buitengewonen aanleg voor het vak van kunstenmaker aan den dag legden. In het turnen, in de oefeningen op het koord, als goochelaars of als equilibristen, onverschillig op welk deel der kunst zij zich toe wilden leggen, zij zouden het er altijd ver in kunnen brengen. Men mocht veronderstellen dat hunne verkregene behendigheid voor een goed deel de vrucht van oefening was; maar de natuur had toch nog meer voor hen gedaan, want zij waren van hunne geboorte af gespierd, lenig en vlug. Hij kon zonder onbillijk te zijn niet ontkennen dat zij zich op gelijken voet met de familie Cascabel hadden gemeten. Het was een geluk dat de laatstgenoemde het veld had kunnen behouden, dank zij de vindingrijkheid van »de koningin aller electrische vrouwen.”Wij mogen niet verzwijgen dat de beambten van het fort, voor het meerendeel weinig ontwikkelde lieden die nooit iets van dewereld gezien hadden, even verbaasd als de inboorlingen hadden gestaan over hetgeen er onder hunne oogen was voorgevallen. Maar er werd na overleg besloten dat ook hun het geheim niet geopenbaard zou worden, teneinde den geheimzinnigen stralenkrans van Cornelia’s verborgen talenten niet te doen verflauwen. Het gevolg daarvan was dat de bewoners van het fort den volgenden dag, toen zij als naar gewoonte een praatje kwamen maken in deSchoone Zwerfster, zich niet al te dicht dorsten te wagen in de nabijheid der vrouw, die iemand aan zulke schokken bloot kon stellen, niettegenstaande zij hen thans met haar innemendsten glimlach ontving. Niet zonder eenige aarzeling staken zij haar de hand toe. Ook detyhien de toovenaar kwamen weder schuchter te voorschijn. Dolgraag hadden zij willen weten wat er eigenlijk achter stak, want met dit geheim hadden zij hun voordeel kunnen doen en hun aanzien onder de lieden van hunnen stam zou er niet weinig door verhoogd zijn. Maar het werd hun niet geopenbaard.Alle toebereidselen voor de afreis waren nu afgeloopen. Des ochtends van den 6denAugustus namen de Cascabels van hunne gastheeren afscheid en de karavaan, terdege van de vermoeienissen der reis uitgerust, hervatte haren tocht langs den rechteroever der rivier in de richting van het Westen.De kaart van het terrein was door Sergius en Jan zorgvuldig geraadpleegd, waarbij Kayette hun weder eenige nuttige inlichtingen gaf. De meeste dorpen, waar zij door moesten, had zij vroeger bezocht en zij verzekerde hun dat er niet eene rivier van eenige beteekenis op hunnen weg lag.In den eersten tijd behoefden zij er nog niet aan te denken om de Youkon-vallei te verlaten. Den rechteroever der rivier volgende tot aan den post Nelu, zouden zij eerst aan het dorp Nuclakayette komen. Van daar tot het fort Noulato hadden zij nog ongeveer tachtig mijlen af te leggen. Daar zouden zij de Youkon-rivier verlaten en in recht Westelijke richting verder gaan.De tijd van het jaar was nog altijd gunstig, de warmte over dag dragelijk, maar des nachts werd het merkbaar koeler. Kwam er niets in den weg, dan mocht Cascabel er zeker van zijn dat hij te Port-Clarence kon wezen vóór dat de winter hem het voorttrekken onmogelijk maakte.Het zal misschien iemand verwonderen dat de geheele reis tot dusver zoo zonder onoverkomelijke moeielijkheden werd afgelegd. Maar men dient in aanmerking te nemen dat de tocht ging door een tamelijk vlak land, in het goede seizoen, terwijl de dagen op hun langst waren en het weer niets te wenschen overliet. Naderhand,aan gene zijde van de Behringstraat, als de onafzienbare vlakten van Siberië, door stormen geteisterd en diep met sneeuw bedekt, vóór hen zouden liggen, stond hun heel wat anders te wachten. Over al deze gevaren, die zij te gemoet gingen, liep op zekeren avond hun gesprek.—Ik ben er niet bang voor, zeide Cascabel, die nooit den moed verloor. Wij zullen er ons wel doorheen slaan.—Ik help het u wenschen, antwoordde Sergius. Maar ik raad u, zoodra gij den voet op den Siberischen grond gezet hebt, terstond in zuid-westelijke richting verder te trekken, zóó dat gij spoedig op zuidelijker breedte komt waar gij met deSchoone Zwerfsterminder van de koude te lijden zult hebben.—Dat was ook ons voornemen, mijnheer Sergius, stemde Jan toe.—Gij kunt dat te veiliger doen, dewijl gij van de Siberische bevolking niets te duchten hebt, ten minste—zou Kruidnagel zeggen—indien gij niet te midden der meer noordelijk rondzwervende stammen terecht komt. Uw ergste vijand zal de koude zijn.—Wij zullen op onze hoede wezen, zeide Cascabel en ik twijfel niet of wij zullen het er goed afbrengen. Alleen spijt het ons, mijnheer Sergius, dat gij de verdere reis niet met ons medemaakt.—Ja, zeker spijt ons dat! voegde Jan er met eenen zucht bij.Sergius merkte niet zonder ontroering op hoe zij allen aan hem gehecht waren en omgekeerd was dit met hem niet minder het geval. Naarmate zij langer in elkanders gezelschap verkeerden, werd de vriendschap tusschen hen inniger. Voor allen zou de scheiding smartelijk wezen, en wie weet of het hun gegeven zou zijn, bij eene zoo uiteenloopende bestemming als de hunne, elkander ooit terug te zien? Daar kwam nog bij dat Sergius Kayette zou medenemen en het was hem niet ontgaan dat Jan’s broederlijke genegenheid voor het jonge meisje eigenlijk een anderen naam verdiende. Of Cascabel reeds iets gemerkt had van hetgeen er in het gemoed van zijnen zoon omging, wist Sergius niet, maar wat Cornelia betreft, aangezien deze verstandige vrouw het niet dienstig oordeelde er iets van te zeggen, wilde ook hij er niet over beginnen. Eene verklaring zou trouwens tot niets hebben kunnen leiden, want als de aangenomen dochter van Sergius ging het meisje eene andere toekomst tegemoet en Jan gaf zich dus over aan verwachtingen die toch niet verwezenlijkt schenen te kunnen worden.Zonder ernstige hinderpalen en zonder overgroote vermoeienis, werd de reis voortgezet. Vóór dat het ijs in de Behringstraat zich vastgezet had zou deSchoone Zwerfsterte Port Clarence zijn. Daar zou zij stellig nog verscheidene weken hebben te wachten ener was dus niet de minste reden om van menschen of paarden buitengewone inspanning te vorderen.Intusschen kon alles van eene onvoorziene kleinigheid afhangen. Werd een van de paarden ziek of gewond, of brak er een wiel, dan zouden zij zich in groote moeielijkheid bevinden. De grootste voorzichtigheid bleef dus wenschelijk.De eerste drie dagen volgden zij eenvoudig den loop der rivier, recht westelijk; maar toen de Youkon eene richting naar het Zuiden begon te nemen, vonden zij het geraden niet van den vijfenzestigsten breedtegraad af te wijken1.De rivier maakt hier vele bochten door eene steeds nauwer wordende vallei, tusschen eenige rijen heuvelen van matige hoogte, welke op de kaart »wallen” genoemd worden dewijl ze in hunnen vorm veel overeenkomst met borstweringen hebben.Het ging niet heel gemakkelijk om door dit heuvelachtige terrein heen te komen, te meer dewijl zij alle voorzorgen moesten gebruiken om geen ongeluk aan hun voertuig te krijgen. Waar de weg te steil was, werd de wagen voor een gedeelte afgeladen en hielpen zij allen de wielen voortduwen, hetgeen te meer raadzaam was, merkte Cascabel op, »dewijl waarschijnlijk niemand in dit land iets van een wagenmaker vernomen had.”Zij hadden ook enkele riviertjes door te trekken, zooals de Nocolocargout, de Shetehaut en de Klakencot. Gelukkig stond er in dezen tijd van het jaar niet veel water en het viel hun nergens moeilijk eene doorwaadbare plek te vinden.Indianen worden er tegenwoordig weinig meer aangetroffen in dit gedeelte van het land, dat vroeger nog doorkruist werd door eenige stammen, die thans bijna geheel uitgestorven zijn. Nu en dan kwamen zij een enkel troepje tegen dat op weg was naar de kuststreek in het zuidwesten, om daar in het najaar op de visscherij uit te gaan.Ook ontmoetten zij eenige handelaars die van de monding der Youkon-rivier kwamen en naar de verschillende nederzettingen der russisch-amerikaansche handelsvereeniging bestemd waren. Niet zonder verwondering staarden deze reizigers het helbeschilderde rijtuig en zijne passagiers aan. Er werd een groet en een »goede reis!” gewisseld en daarna ging ieder zijns weegs.Den 13denAugustus kwam deSchoone Zwerfsterin het fort Nuclakayette, op honderd-twintig mijlen afstands van fort Youkon. Dit is niets dan een kantoor voor den pelterijenhandel; de beambten komen er zelden buiten. Uit verschillende punten van Aziatisch-Ruslanden van het noordelijk deel van Amerika komen zij daar bijeen en drijven er handel ten spijt van hunne concurrenten, de lieden van de Hudsonsbaai-compagnie.Intusschen werd de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Zie bl. 167.Intusschen werd de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Zie bl.167.Nuclakayette is dus ook voor de inboorlingen eene verzamelplaats waar zij de pelterijen, die zij gedurende den winter machtig hebben weten te worden, afgeven.Nadat zij een eindweegs de rivier op zijde hadden laten liggen teneinde niet al hare bochten te moeten medemaken, waren zij nu den stroom weder genaderd, ter plaatse waar dit dorp vriendelijk te midden van lage heuvels en groene boschjes gelegen is. Het fort is omringd van eene omrastering en daar buiten staan eenige houten hutten. Door het malsche weiland stroomden murmelende beekjes en een drietal vaartuigen lagen in de Youkon aan den oever vastgemaakt. Het geheel bood een aangenaam tafereel aan, dat tot rust scheen uit te noodigen. De hier verblijf houdende Indianen behoorden tot den Tanana-stam. Dat is, zegt men, het mooiste inboorlingen-type van noordelijk Alaska.Zoo uitlokkend als het er echter uitzag, deSchoone Zwerfstervertoefde er toch niet langer dan een etmaal, want de paarden hadden geen behoefte aan meer rust. Cascabel was voornemens zich langer op te houden te Noulato, wat eene vrij aanzienlijke plaats is en waar meer gelegenheid bestond om nog het een en ander aan te schaffen dat zij voor hunne reis door Siberië noodig zouden hebben.Natuurlijk werd intusschen de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Soms namen zij Sander op hunne tochten mede. Het groote wild bestond nog altijd uit elanden en rendieren, die onbeschroomd over de vlakten draafden, of zich in de boschjes en boomgroepen, welke tamelijk schaars hier aangetroffen worden, ophielden. Op de moerassige plekken hadden zij gelegenheid tot menig mooi schot op ganzen, watersnippen, langstaart-eenden, gewone wilde eenden en maakten zij ook enkele reigers buit, die echter om te eten niet veel waarde hebben.Toch beweerde Kayette dat de Indianen veel van reigervleesch houden, voornamelijk echter wanneer zij niets anders op schotel hebben. Den 13denAugustus werd daarmede de proef genomen aan het ontbijt, maar al de ervaring en het talent van Cornelia waren niet in staat te beletten dat het een taai en droog eten gevonden werd. Alleen Wagram en Marengo hadden er vrede meê en die knaagden dan ook het laatste vezeltje van het karkas af.Soms namen zij Sander mee. (Zie bl. 167).Soms namen zij Sander mee. (Zie bl.167).In tijden van gebrek worden trouwens ook uilen, valken en zelfs marters niet door de Indianen versmaad. Maar zij nemendaartoe toch alleen hunne toevlucht wanneer zij niets anders hebben.Den 14denAugustus moest deSchoone Zwerfsterdoor eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen, die den oever der rivier vormen, heengeholpen worden. Ditmaal was het pad zoo ongebaand en hobbelig alsof het de uitgedroogde bedding eener beek was, en ondanks alle genomen voorzorgen gebeurde er een klein ongeval. Gelukkig brak er alleen een van de lamoenen van den wagen en geen wiel, zoodat de breuk met touwen tijdelijk weder te heelen was en zij geen langdurig oponthoud ondervonden.Nadat zij achtereenvolgens de dorpen Suquongilla en Newicargout, aan het riviertje van dien naam, voorbijgetrokken waren, werd de weg verder op minder bezwaarlijk. Zij hadden nu de heuvels achter den rug en zoo ver het oog reikte zagen zij niets dan eene vlakte vóór zich. Een viertal kleine rivieren liepen er doorheen, doch in dezen tijd des jaars waren hare beddingen geheel droog. In het seizoen der stortregens en sneeuwstormen had de karavaan onmogelijk deze richting kunnen volgen.Toen zij een dezer kreekjes, de Milo-cargout, waar nauwelijks een voet water stond, doorwaadden, merkte Cascabel op dat er een dam dwars door de rivier gelegd was.—Kijk, zeide hij, nu er toch een dam in dit water gebouwd werd, hadden zij ook even goed eene brug er over kunnen leggen, hetgeen met hoog water gemakkelijker wezen zou.—Dat is zeker vader, antwoordde Jan, maar de werklieden die dezen dam gemaakt hebben, zouden niet in staat zijn geweest eene brug te bouwen.—Waarom niet?—Omdat het werklieden zijn op vier pooten, anders gezegd bevers.Jan’s vermoeden was juist en zij hadden gelegenheid het vernuft dezer nijvere dieren te bewonderen, die bij het leggen hunner dammen zorgvuldig rekening houden met de richting van den stroom, en ze tevens hoog genoeg maken om boven den hoogsten waterstand uit te steken. Ook de helling der zijden van zulk eenen dam wordt nauwkeurig zóó gemaakt dat die het best aan de persing van het water weerstand kunnen bieden.—Dat hebben die bevers toch niet op school kunnen leeren! riep Sander uit.Door eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen. (Zie bl. 169.)Door eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen.(Zie bl.169.)—Zij behoefden er ook niet voor school te gaan, antwoordde Sergius. Schoolgeleerdheid, die het niet altijd bij het rechte eind heeft, is niet noodig om te leeren wat men door instinct weet, en dit vergist zich nimmer. De bevers hebben dezen dam opgeworpen zoo als de mieren hunne nesten, zooals de spinnen hunne webben enzooals de bijen de cellen in hunne woningen maken. Ook de boomen en kruiden brengen hunne bloesems en vruchten voort bij instinct. Zij maken nooit eene fout, maar gaan ook nooit vooruit en in het werk, dat zij te verrichten hebben, is ook geen vooruitgang mogelijk. De bever bouwt in onzen tijd even zorgvuldig als de eerste bever die ooit op den aardbol gezien werd. Ontwikkeling ligt niet in de bestemming der dieren; deze is den mensch voorbehouden en hij alleen is in staat, van trap tot trap zich te verheffen, zoowel waar het de kunst, als de nijverheid of de wetenschap betreft. Het bewonderenswaardige instinct der dieren, dat hen in staat stelt zoo vernuftig te werk te gaan, perst ons rechtmatige bewondering af, maar wij mogen uit die wonderen der natuur geen gevolg trekken voor hetgeen ons menschen te doen staat.—Ik begrijp volkomen uwe bedoeling, mijnheer Sergius, antwoordde Jan. Dat is het onderscheid tusschen instinct en rede. Al staat de rede bloot aan dwalingen, toch moet zij op hooger prijs geschat worden.—Dat valt niet tegen te spreken, zeide Sergius. Al onze dwalingen, die wij mettertijd leeren inzien en verbeteren, vormen den weg van den vooruitgang.—Maar in elk geval, hield Sander vol, blijf ik bij hetgeen ik gezegd heb. Die bevers hebben niet school behoeven te gaan.—Zeker niet, maar menschen die geen onderwijs genoten hebben, zijn ook niets meer dan beesten, was Sergius antwoord.—Maar nu wat anders, kwam Cornelia tusschenbeide, die altijd een oog had op den practischen kant der dingen. Kan men die bevers eten?—Zonder twijfel, antwoordde Kayette.—Ik heb zelfs ergens gelezen, voegde Jan er bij, dat een beverstaart een lekkere schotel is.Zij waren niet in de gelegenheid zich daarvan te overtuigen, want op dit oogenblik waren er geen bevers in de kreek te zien.Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken, hield deSchoone Zwerfsterop het dorp Sacherteloutain, een van de voornaamste vestigingen der Co-Youkon-Indianen aan. Op raad van Kayette namen zij eenige voorzorgen tegen deze van nature zeer diefachtige wilden. Zij kwamen nieuwsgierig naar den wagen kijken, maar er werd goed opgepast dat niet een er in kwam. Uit vrije beweging werden er echter eenige kralen en andere snuisterijen aan de voornaamsten van den stam ten geschenke gegeven, hetgeen een goeden indruk maakte zoodat beide partijen in vrede van elkaar scheidden.Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken. (Zie bl. 171).Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken. (Zie bl.171).Langs den smallen voet der walachtige heuvels gaande, werdhun tocht weder een weinig moeilijker, maar zij konden geen anderen weg kiezen zonder op een nog bergachtiger terrein te komen.Het ging dus nu langzamer vooruit en toch begon het zaak te worden om niet onnoodig te talmen. Hoewel het overdag nog altijd zacht bleef, werd het des nachts hoe langer hoe kouder. Zij konden trouwens niets anders verwachten, want zij bevonden zich nu reeds op korten afstand van de Poolstreek.De karavaan was hier op eene plek gekomen waar de Youkon-rivier met eenen vrij scherpen hoek zich naar het Noorden keert. Zij moesten nog den oever houden tot waar de Co-Youkon, die zich in twee bochtige armen splitst, hare wateren in de Youkon uitstort en zij hadden bijna eenen dag noodig om eene doorwaadbare plaats te vinden, want Kayette was niet in staat, dewijl het water reeds merkbaar gerezen was, die terstond aantewijzen.Voorbij deze laatste hindernis konden zij met deSchoone Zwerfsterrecht Zuid op, totdat zij door een weder tamelijk heuvelachtige streek in het fort Noulato aankwamen.Dit is voor derussisch-amerikaansche handelsvereeniging eene belangrijke nederzetting. Het is de noordelijkste factorij in het Westen van Amerika. Volgens de waarnemingen van den reizigerFrederickWhymper, ligt zij op 64° 42′ noorderbreedte en 155° 36′westerlengte.Toch zou niemand op het eerste gezicht vermoed hebben dat hij zich in dit gedeelte van Alaska zoo dicht bij het pool-ijs bevond.De bodem is hier ontegenzeggelijk vruchtbaarder dan in den omtrek van fort Youkon. Overal ziet men hoog opgaande boomen, overal malsche groene weilanden, zonder nog te spreken van de uitgestrekte vlakten die voor den landbouw groote waarde zouden hebben, want er ligt eene dikke laag teelaarde op den vetten kleibodem. Aan water is ook geen gebrek: de Noulato loopt met een aantal bochten in zuidwestelijke richting en een geheel net van kreeken, ofCargout’s, stroomt naar het noordoosten. De plantengroei bepaalt zich echter, behalve de straks bedoelde boomen, tot eenige heestergewassen, die wilde bessen voortbrengen en aan de natuur overgelaten blijven.Het fort Noulato bestaat weder uit verscheidene gebouwen, ingesloten door eene omrastering, versterkt met twee torens. De Indianen mogen des nachts in het geheel niet en over dag nooit in grooten getale binnenkomen. Binnen het omrasterde gedeelte staan hutten, loodsen en houten pakhuizen; in plaats van glasruiten zijn de vensters voorzien van robbenblazen. Al deze afgelegen posten inhet verre Westen van Amerika zijn zoo eenvoudig en armoedig mogelijk.Cascabel en zijn gezin werden er dan ook met vreugde ontvangen. Verloren in eene eenzame wildernis en van alle geregelde gemeenschap met de buitenwereld verstoken, is het voor de bewoners niet alleen eene welkome afleiding maar een waar feest als er eens bezoekers komen. Zoo lang kunnen zij niet onder weg geweest zijn, of het nieuws dat zij medebrengen is altijd versch.De ingezetenen van het fort Noulato waren een twintigtal russische of amerikaansche beambten. Zij verklaarden zich terstond bereid de reizigers alles te bezorgen wat zij noodig konden hebben. De handelsvereeniging voorziet hen van alle levensbehoeften, maar bovendien gaan zij in den zomer druk op de elanden- en de rendierenjacht en visschen zij geregeld in de Youkon. Deze is tamelijk vischrijk, vooral wordt er ééne soort veel gevangen, dienalienagenaamd en in den regel als voedsel aan de honden gegeven wordt. Denaliena-lever wordt echter voor degenen die er aan gewend zijn, voor een goed eten gehouden. Het spreekt van zelf dat de bewoners van Noulato vreemd stonden te kijken toen zij deSchoone Zwerfsterzagen aankomen. Nog meer verbaasd waren zij echter toen zij van Cascabel’s voornemen hoorden om door Siberië naar Europa te trekken. Van zoo iets hadden zij nog nooit gehoord. Dat konden alleen franschen bedenken! Zij bevestigden echter dat het gedeelte der reis tot Port-Clarence geen bezwaar zou opleveren en dat de reizigers dit achter den rug konden hebben vóór dat de grond in Alaska met de langdurige sneeuw van den winter bedekt zou zijn.Op raad van Sergius werd er overgegaan tot het aankoopen van verschillende benoodigdheden voor den tocht over de steppen. In de eerste plaats eenige brillen die onmisbaar zijn voor een langen tocht over sneeuwvelden. De Indianen stonden hen voor eenige kralen een dozijn van die toestellen af. Het waren houten brillen zonder glazen, of eigenlijk oogkleppen die het geheele oog bedekken, met eene nauwe spleet om doorheen te zien. Dit weinige is genoeg om zooveel gewaar te worden als men noodig heeft om te zien waar men loopt; ware het oog onbedekt of de spleet wijder, dan zou de felle weerkaatsing der sneeuw onvermijdelijk eene ontsteking te weeg brengen. Alle leden van ons reisgezelschap moesten die oogkleppen aanpassen, en het bleek dat zij er spoedig aan gewennen zouden.Na aldus het gezicht beveiligd te hebben, moest er ook aan hunne voeten gedacht worden. Want met gelakte schoenen of zelfsmet gewone laarzen is het niet mogelijk in den winter over de siberische steppen te trekken.In het pakhuis te Noulato was een voorraad laarzen van robbenvel voorhanden. Dezen worden ingesmeerd met eene laag vet en zijn dan volkomen waterdicht, zoodat ze voor eene lange voetreis over sneeuw en ijs het best geschikt zijn.Cascabel maakte bij deze gelegenheid weder eene zeer verstandige opmerking.—Het is altijd het doelmatigst, zich te kleeden op de manier van de dieren in het land waar men zich bevindt. In Siberië hooren robben thuis; niets natuurlijker dus dan dat wij ons als robben toetakelen.—Als robben met brillen op! kwam Sander vertellen en deze bijvoeging droeg de hooge goedkeuring van zijnen vader weg.Twee dagen vertoefde de karavaan te Noulato en dit was voldoende om het trouwe span paarden te doen uitrusten. Zij hadden haast om te Port-Clarence te komen. Den 21stenAugustus in de ochtendschemering ging deSchoone Zwerfsterweder op marsch. Van nu af lieten zij den rechteroever der Youkon voorgoed achter zich liggen.Deze groote rivier buigt zich namelijk op dit punt naar het zuidwesten om zich een eind verder in de Norton-golf uit te storten. Met den oever verder te volgen zouden zij zonder eenig nut hunne reis langer gemaakt hebben, want de riviermonding is beneden de Behringstraat gelegen. Zij zouden dus van daar verder noordwaarts op Port-Clarence hebben moeten trekken, over een strand vol kreeken, inhammen en moerassen, dat voor de paarden hoogst vermoeiend geweest zou zijn.Het begon nu reeds fijn koud te worden. De zonnestralen vallen hier in zeer schuinsche richting op de aarde en geven veel licht maar weinig warmte. Veeltijds hingen er groote grijze wolken, die er uitzagen alsof zij spoedig als sneeuw zouden neerkomen. Er werd niet veel klein wild meer gezien en de trekvogels begonnen reeds een milder verblijf in zuidelijker streken op te zoeken.Tot dusverre mocht ons reisgezelschap van geluk spreken dewijl het nog zoo weinig hinder van de vermoeienissen der reis gehad had. Dit hadden zij echter zeker ook te danken aan hunne ijzersterke gestellen, een gevolg van hun leven in de open lucht onder de meest verschillende klimaten, en van de gehardheid die zij door aanhoudende lichaamsoefening gekregen hadden. Zij mochten dus de verwachting koesteren dat zij behouden en wel te Port-Clarence zouden komen.Dit gebeurde dan ook op den 5denSeptember. Zij hadden toen ruim vijfhonderd mijlen afgelegd sedert Sitka en ruim elfhonderd van de Sacramento tot daar, in het geheel dus ongeveer zeventien honderd mijlen. Zij hadden daar zeven maanden over gedaan en waren nu het Westen van Amerika in zijne volle lengte doorgetrokken.1Dit is dezelfde breedte als Drontheim in Noorwegen.

Dien avond, terwijl het geheele gezin bijeen was, werd er na eenige beraadslaging besloten dat de karavaan twee dagen na deze gedenkwaardige voorstelling, van fort Youkon zou opbreken.

Het was duidelijk—dit was de slotsom van eenige zeer verstandige opmerkingen van mijnheer Cascabel—dat indien het hem te doen ware geweest om nieuwe leden voor zijnen troep aan te werven, hij die onder de inboorlingen van Alaska voor het kiezen zou gehad hebben. Al kostte het hem eenige moeite het te erkennen, hij moest toegeven dat deze Indianen een buitengewonen aanleg voor het vak van kunstenmaker aan den dag legden. In het turnen, in de oefeningen op het koord, als goochelaars of als equilibristen, onverschillig op welk deel der kunst zij zich toe wilden leggen, zij zouden het er altijd ver in kunnen brengen. Men mocht veronderstellen dat hunne verkregene behendigheid voor een goed deel de vrucht van oefening was; maar de natuur had toch nog meer voor hen gedaan, want zij waren van hunne geboorte af gespierd, lenig en vlug. Hij kon zonder onbillijk te zijn niet ontkennen dat zij zich op gelijken voet met de familie Cascabel hadden gemeten. Het was een geluk dat de laatstgenoemde het veld had kunnen behouden, dank zij de vindingrijkheid van »de koningin aller electrische vrouwen.”

Wij mogen niet verzwijgen dat de beambten van het fort, voor het meerendeel weinig ontwikkelde lieden die nooit iets van dewereld gezien hadden, even verbaasd als de inboorlingen hadden gestaan over hetgeen er onder hunne oogen was voorgevallen. Maar er werd na overleg besloten dat ook hun het geheim niet geopenbaard zou worden, teneinde den geheimzinnigen stralenkrans van Cornelia’s verborgen talenten niet te doen verflauwen. Het gevolg daarvan was dat de bewoners van het fort den volgenden dag, toen zij als naar gewoonte een praatje kwamen maken in deSchoone Zwerfster, zich niet al te dicht dorsten te wagen in de nabijheid der vrouw, die iemand aan zulke schokken bloot kon stellen, niettegenstaande zij hen thans met haar innemendsten glimlach ontving. Niet zonder eenige aarzeling staken zij haar de hand toe. Ook detyhien de toovenaar kwamen weder schuchter te voorschijn. Dolgraag hadden zij willen weten wat er eigenlijk achter stak, want met dit geheim hadden zij hun voordeel kunnen doen en hun aanzien onder de lieden van hunnen stam zou er niet weinig door verhoogd zijn. Maar het werd hun niet geopenbaard.

Alle toebereidselen voor de afreis waren nu afgeloopen. Des ochtends van den 6denAugustus namen de Cascabels van hunne gastheeren afscheid en de karavaan, terdege van de vermoeienissen der reis uitgerust, hervatte haren tocht langs den rechteroever der rivier in de richting van het Westen.

De kaart van het terrein was door Sergius en Jan zorgvuldig geraadpleegd, waarbij Kayette hun weder eenige nuttige inlichtingen gaf. De meeste dorpen, waar zij door moesten, had zij vroeger bezocht en zij verzekerde hun dat er niet eene rivier van eenige beteekenis op hunnen weg lag.

In den eersten tijd behoefden zij er nog niet aan te denken om de Youkon-vallei te verlaten. Den rechteroever der rivier volgende tot aan den post Nelu, zouden zij eerst aan het dorp Nuclakayette komen. Van daar tot het fort Noulato hadden zij nog ongeveer tachtig mijlen af te leggen. Daar zouden zij de Youkon-rivier verlaten en in recht Westelijke richting verder gaan.

De tijd van het jaar was nog altijd gunstig, de warmte over dag dragelijk, maar des nachts werd het merkbaar koeler. Kwam er niets in den weg, dan mocht Cascabel er zeker van zijn dat hij te Port-Clarence kon wezen vóór dat de winter hem het voorttrekken onmogelijk maakte.

Het zal misschien iemand verwonderen dat de geheele reis tot dusver zoo zonder onoverkomelijke moeielijkheden werd afgelegd. Maar men dient in aanmerking te nemen dat de tocht ging door een tamelijk vlak land, in het goede seizoen, terwijl de dagen op hun langst waren en het weer niets te wenschen overliet. Naderhand,aan gene zijde van de Behringstraat, als de onafzienbare vlakten van Siberië, door stormen geteisterd en diep met sneeuw bedekt, vóór hen zouden liggen, stond hun heel wat anders te wachten. Over al deze gevaren, die zij te gemoet gingen, liep op zekeren avond hun gesprek.

—Ik ben er niet bang voor, zeide Cascabel, die nooit den moed verloor. Wij zullen er ons wel doorheen slaan.

—Ik help het u wenschen, antwoordde Sergius. Maar ik raad u, zoodra gij den voet op den Siberischen grond gezet hebt, terstond in zuid-westelijke richting verder te trekken, zóó dat gij spoedig op zuidelijker breedte komt waar gij met deSchoone Zwerfsterminder van de koude te lijden zult hebben.

—Dat was ook ons voornemen, mijnheer Sergius, stemde Jan toe.

—Gij kunt dat te veiliger doen, dewijl gij van de Siberische bevolking niets te duchten hebt, ten minste—zou Kruidnagel zeggen—indien gij niet te midden der meer noordelijk rondzwervende stammen terecht komt. Uw ergste vijand zal de koude zijn.

—Wij zullen op onze hoede wezen, zeide Cascabel en ik twijfel niet of wij zullen het er goed afbrengen. Alleen spijt het ons, mijnheer Sergius, dat gij de verdere reis niet met ons medemaakt.

—Ja, zeker spijt ons dat! voegde Jan er met eenen zucht bij.

Sergius merkte niet zonder ontroering op hoe zij allen aan hem gehecht waren en omgekeerd was dit met hem niet minder het geval. Naarmate zij langer in elkanders gezelschap verkeerden, werd de vriendschap tusschen hen inniger. Voor allen zou de scheiding smartelijk wezen, en wie weet of het hun gegeven zou zijn, bij eene zoo uiteenloopende bestemming als de hunne, elkander ooit terug te zien? Daar kwam nog bij dat Sergius Kayette zou medenemen en het was hem niet ontgaan dat Jan’s broederlijke genegenheid voor het jonge meisje eigenlijk een anderen naam verdiende. Of Cascabel reeds iets gemerkt had van hetgeen er in het gemoed van zijnen zoon omging, wist Sergius niet, maar wat Cornelia betreft, aangezien deze verstandige vrouw het niet dienstig oordeelde er iets van te zeggen, wilde ook hij er niet over beginnen. Eene verklaring zou trouwens tot niets hebben kunnen leiden, want als de aangenomen dochter van Sergius ging het meisje eene andere toekomst tegemoet en Jan gaf zich dus over aan verwachtingen die toch niet verwezenlijkt schenen te kunnen worden.

Zonder ernstige hinderpalen en zonder overgroote vermoeienis, werd de reis voortgezet. Vóór dat het ijs in de Behringstraat zich vastgezet had zou deSchoone Zwerfsterte Port Clarence zijn. Daar zou zij stellig nog verscheidene weken hebben te wachten ener was dus niet de minste reden om van menschen of paarden buitengewone inspanning te vorderen.

Intusschen kon alles van eene onvoorziene kleinigheid afhangen. Werd een van de paarden ziek of gewond, of brak er een wiel, dan zouden zij zich in groote moeielijkheid bevinden. De grootste voorzichtigheid bleef dus wenschelijk.

De eerste drie dagen volgden zij eenvoudig den loop der rivier, recht westelijk; maar toen de Youkon eene richting naar het Zuiden begon te nemen, vonden zij het geraden niet van den vijfenzestigsten breedtegraad af te wijken1.

De rivier maakt hier vele bochten door eene steeds nauwer wordende vallei, tusschen eenige rijen heuvelen van matige hoogte, welke op de kaart »wallen” genoemd worden dewijl ze in hunnen vorm veel overeenkomst met borstweringen hebben.

Het ging niet heel gemakkelijk om door dit heuvelachtige terrein heen te komen, te meer dewijl zij alle voorzorgen moesten gebruiken om geen ongeluk aan hun voertuig te krijgen. Waar de weg te steil was, werd de wagen voor een gedeelte afgeladen en hielpen zij allen de wielen voortduwen, hetgeen te meer raadzaam was, merkte Cascabel op, »dewijl waarschijnlijk niemand in dit land iets van een wagenmaker vernomen had.”

Zij hadden ook enkele riviertjes door te trekken, zooals de Nocolocargout, de Shetehaut en de Klakencot. Gelukkig stond er in dezen tijd van het jaar niet veel water en het viel hun nergens moeilijk eene doorwaadbare plek te vinden.

Indianen worden er tegenwoordig weinig meer aangetroffen in dit gedeelte van het land, dat vroeger nog doorkruist werd door eenige stammen, die thans bijna geheel uitgestorven zijn. Nu en dan kwamen zij een enkel troepje tegen dat op weg was naar de kuststreek in het zuidwesten, om daar in het najaar op de visscherij uit te gaan.

Ook ontmoetten zij eenige handelaars die van de monding der Youkon-rivier kwamen en naar de verschillende nederzettingen der russisch-amerikaansche handelsvereeniging bestemd waren. Niet zonder verwondering staarden deze reizigers het helbeschilderde rijtuig en zijne passagiers aan. Er werd een groet en een »goede reis!” gewisseld en daarna ging ieder zijns weegs.

Den 13denAugustus kwam deSchoone Zwerfsterin het fort Nuclakayette, op honderd-twintig mijlen afstands van fort Youkon. Dit is niets dan een kantoor voor den pelterijenhandel; de beambten komen er zelden buiten. Uit verschillende punten van Aziatisch-Ruslanden van het noordelijk deel van Amerika komen zij daar bijeen en drijven er handel ten spijt van hunne concurrenten, de lieden van de Hudsonsbaai-compagnie.

Intusschen werd de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Zie bl. 167.Intusschen werd de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Zie bl.167.

Intusschen werd de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Zie bl.167.

Nuclakayette is dus ook voor de inboorlingen eene verzamelplaats waar zij de pelterijen, die zij gedurende den winter machtig hebben weten te worden, afgeven.

Nadat zij een eindweegs de rivier op zijde hadden laten liggen teneinde niet al hare bochten te moeten medemaken, waren zij nu den stroom weder genaderd, ter plaatse waar dit dorp vriendelijk te midden van lage heuvels en groene boschjes gelegen is. Het fort is omringd van eene omrastering en daar buiten staan eenige houten hutten. Door het malsche weiland stroomden murmelende beekjes en een drietal vaartuigen lagen in de Youkon aan den oever vastgemaakt. Het geheel bood een aangenaam tafereel aan, dat tot rust scheen uit te noodigen. De hier verblijf houdende Indianen behoorden tot den Tanana-stam. Dat is, zegt men, het mooiste inboorlingen-type van noordelijk Alaska.

Zoo uitlokkend als het er echter uitzag, deSchoone Zwerfstervertoefde er toch niet langer dan een etmaal, want de paarden hadden geen behoefte aan meer rust. Cascabel was voornemens zich langer op te houden te Noulato, wat eene vrij aanzienlijke plaats is en waar meer gelegenheid bestond om nog het een en ander aan te schaffen dat zij voor hunne reis door Siberië noodig zouden hebben.

Natuurlijk werd intusschen de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Soms namen zij Sander op hunne tochten mede. Het groote wild bestond nog altijd uit elanden en rendieren, die onbeschroomd over de vlakten draafden, of zich in de boschjes en boomgroepen, welke tamelijk schaars hier aangetroffen worden, ophielden. Op de moerassige plekken hadden zij gelegenheid tot menig mooi schot op ganzen, watersnippen, langstaart-eenden, gewone wilde eenden en maakten zij ook enkele reigers buit, die echter om te eten niet veel waarde hebben.

Toch beweerde Kayette dat de Indianen veel van reigervleesch houden, voornamelijk echter wanneer zij niets anders op schotel hebben. Den 13denAugustus werd daarmede de proef genomen aan het ontbijt, maar al de ervaring en het talent van Cornelia waren niet in staat te beletten dat het een taai en droog eten gevonden werd. Alleen Wagram en Marengo hadden er vrede meê en die knaagden dan ook het laatste vezeltje van het karkas af.

Soms namen zij Sander mee. (Zie bl. 167).Soms namen zij Sander mee. (Zie bl.167).

Soms namen zij Sander mee. (Zie bl.167).

In tijden van gebrek worden trouwens ook uilen, valken en zelfs marters niet door de Indianen versmaad. Maar zij nemendaartoe toch alleen hunne toevlucht wanneer zij niets anders hebben.

Den 14denAugustus moest deSchoone Zwerfsterdoor eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen, die den oever der rivier vormen, heengeholpen worden. Ditmaal was het pad zoo ongebaand en hobbelig alsof het de uitgedroogde bedding eener beek was, en ondanks alle genomen voorzorgen gebeurde er een klein ongeval. Gelukkig brak er alleen een van de lamoenen van den wagen en geen wiel, zoodat de breuk met touwen tijdelijk weder te heelen was en zij geen langdurig oponthoud ondervonden.

Nadat zij achtereenvolgens de dorpen Suquongilla en Newicargout, aan het riviertje van dien naam, voorbijgetrokken waren, werd de weg verder op minder bezwaarlijk. Zij hadden nu de heuvels achter den rug en zoo ver het oog reikte zagen zij niets dan eene vlakte vóór zich. Een viertal kleine rivieren liepen er doorheen, doch in dezen tijd des jaars waren hare beddingen geheel droog. In het seizoen der stortregens en sneeuwstormen had de karavaan onmogelijk deze richting kunnen volgen.

Toen zij een dezer kreekjes, de Milo-cargout, waar nauwelijks een voet water stond, doorwaadden, merkte Cascabel op dat er een dam dwars door de rivier gelegd was.

—Kijk, zeide hij, nu er toch een dam in dit water gebouwd werd, hadden zij ook even goed eene brug er over kunnen leggen, hetgeen met hoog water gemakkelijker wezen zou.

—Dat is zeker vader, antwoordde Jan, maar de werklieden die dezen dam gemaakt hebben, zouden niet in staat zijn geweest eene brug te bouwen.

—Waarom niet?

—Omdat het werklieden zijn op vier pooten, anders gezegd bevers.

Jan’s vermoeden was juist en zij hadden gelegenheid het vernuft dezer nijvere dieren te bewonderen, die bij het leggen hunner dammen zorgvuldig rekening houden met de richting van den stroom, en ze tevens hoog genoeg maken om boven den hoogsten waterstand uit te steken. Ook de helling der zijden van zulk eenen dam wordt nauwkeurig zóó gemaakt dat die het best aan de persing van het water weerstand kunnen bieden.

—Dat hebben die bevers toch niet op school kunnen leeren! riep Sander uit.

Door eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen. (Zie bl. 169.)Door eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen.(Zie bl.169.)

Door eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen.(Zie bl.169.)

—Zij behoefden er ook niet voor school te gaan, antwoordde Sergius. Schoolgeleerdheid, die het niet altijd bij het rechte eind heeft, is niet noodig om te leeren wat men door instinct weet, en dit vergist zich nimmer. De bevers hebben dezen dam opgeworpen zoo als de mieren hunne nesten, zooals de spinnen hunne webben enzooals de bijen de cellen in hunne woningen maken. Ook de boomen en kruiden brengen hunne bloesems en vruchten voort bij instinct. Zij maken nooit eene fout, maar gaan ook nooit vooruit en in het werk, dat zij te verrichten hebben, is ook geen vooruitgang mogelijk. De bever bouwt in onzen tijd even zorgvuldig als de eerste bever die ooit op den aardbol gezien werd. Ontwikkeling ligt niet in de bestemming der dieren; deze is den mensch voorbehouden en hij alleen is in staat, van trap tot trap zich te verheffen, zoowel waar het de kunst, als de nijverheid of de wetenschap betreft. Het bewonderenswaardige instinct der dieren, dat hen in staat stelt zoo vernuftig te werk te gaan, perst ons rechtmatige bewondering af, maar wij mogen uit die wonderen der natuur geen gevolg trekken voor hetgeen ons menschen te doen staat.

—Ik begrijp volkomen uwe bedoeling, mijnheer Sergius, antwoordde Jan. Dat is het onderscheid tusschen instinct en rede. Al staat de rede bloot aan dwalingen, toch moet zij op hooger prijs geschat worden.

—Dat valt niet tegen te spreken, zeide Sergius. Al onze dwalingen, die wij mettertijd leeren inzien en verbeteren, vormen den weg van den vooruitgang.

—Maar in elk geval, hield Sander vol, blijf ik bij hetgeen ik gezegd heb. Die bevers hebben niet school behoeven te gaan.

—Zeker niet, maar menschen die geen onderwijs genoten hebben, zijn ook niets meer dan beesten, was Sergius antwoord.

—Maar nu wat anders, kwam Cornelia tusschenbeide, die altijd een oog had op den practischen kant der dingen. Kan men die bevers eten?

—Zonder twijfel, antwoordde Kayette.

—Ik heb zelfs ergens gelezen, voegde Jan er bij, dat een beverstaart een lekkere schotel is.

Zij waren niet in de gelegenheid zich daarvan te overtuigen, want op dit oogenblik waren er geen bevers in de kreek te zien.

Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken, hield deSchoone Zwerfsterop het dorp Sacherteloutain, een van de voornaamste vestigingen der Co-Youkon-Indianen aan. Op raad van Kayette namen zij eenige voorzorgen tegen deze van nature zeer diefachtige wilden. Zij kwamen nieuwsgierig naar den wagen kijken, maar er werd goed opgepast dat niet een er in kwam. Uit vrije beweging werden er echter eenige kralen en andere snuisterijen aan de voornaamsten van den stam ten geschenke gegeven, hetgeen een goeden indruk maakte zoodat beide partijen in vrede van elkaar scheidden.

Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken. (Zie bl. 171).Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken. (Zie bl.171).

Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken. (Zie bl.171).

Langs den smallen voet der walachtige heuvels gaande, werdhun tocht weder een weinig moeilijker, maar zij konden geen anderen weg kiezen zonder op een nog bergachtiger terrein te komen.

Het ging dus nu langzamer vooruit en toch begon het zaak te worden om niet onnoodig te talmen. Hoewel het overdag nog altijd zacht bleef, werd het des nachts hoe langer hoe kouder. Zij konden trouwens niets anders verwachten, want zij bevonden zich nu reeds op korten afstand van de Poolstreek.

De karavaan was hier op eene plek gekomen waar de Youkon-rivier met eenen vrij scherpen hoek zich naar het Noorden keert. Zij moesten nog den oever houden tot waar de Co-Youkon, die zich in twee bochtige armen splitst, hare wateren in de Youkon uitstort en zij hadden bijna eenen dag noodig om eene doorwaadbare plaats te vinden, want Kayette was niet in staat, dewijl het water reeds merkbaar gerezen was, die terstond aantewijzen.

Voorbij deze laatste hindernis konden zij met deSchoone Zwerfsterrecht Zuid op, totdat zij door een weder tamelijk heuvelachtige streek in het fort Noulato aankwamen.

Dit is voor derussisch-amerikaansche handelsvereeniging eene belangrijke nederzetting. Het is de noordelijkste factorij in het Westen van Amerika. Volgens de waarnemingen van den reizigerFrederickWhymper, ligt zij op 64° 42′ noorderbreedte en 155° 36′westerlengte.

Toch zou niemand op het eerste gezicht vermoed hebben dat hij zich in dit gedeelte van Alaska zoo dicht bij het pool-ijs bevond.

De bodem is hier ontegenzeggelijk vruchtbaarder dan in den omtrek van fort Youkon. Overal ziet men hoog opgaande boomen, overal malsche groene weilanden, zonder nog te spreken van de uitgestrekte vlakten die voor den landbouw groote waarde zouden hebben, want er ligt eene dikke laag teelaarde op den vetten kleibodem. Aan water is ook geen gebrek: de Noulato loopt met een aantal bochten in zuidwestelijke richting en een geheel net van kreeken, ofCargout’s, stroomt naar het noordoosten. De plantengroei bepaalt zich echter, behalve de straks bedoelde boomen, tot eenige heestergewassen, die wilde bessen voortbrengen en aan de natuur overgelaten blijven.

Het fort Noulato bestaat weder uit verscheidene gebouwen, ingesloten door eene omrastering, versterkt met twee torens. De Indianen mogen des nachts in het geheel niet en over dag nooit in grooten getale binnenkomen. Binnen het omrasterde gedeelte staan hutten, loodsen en houten pakhuizen; in plaats van glasruiten zijn de vensters voorzien van robbenblazen. Al deze afgelegen posten inhet verre Westen van Amerika zijn zoo eenvoudig en armoedig mogelijk.

Cascabel en zijn gezin werden er dan ook met vreugde ontvangen. Verloren in eene eenzame wildernis en van alle geregelde gemeenschap met de buitenwereld verstoken, is het voor de bewoners niet alleen eene welkome afleiding maar een waar feest als er eens bezoekers komen. Zoo lang kunnen zij niet onder weg geweest zijn, of het nieuws dat zij medebrengen is altijd versch.

De ingezetenen van het fort Noulato waren een twintigtal russische of amerikaansche beambten. Zij verklaarden zich terstond bereid de reizigers alles te bezorgen wat zij noodig konden hebben. De handelsvereeniging voorziet hen van alle levensbehoeften, maar bovendien gaan zij in den zomer druk op de elanden- en de rendierenjacht en visschen zij geregeld in de Youkon. Deze is tamelijk vischrijk, vooral wordt er ééne soort veel gevangen, dienalienagenaamd en in den regel als voedsel aan de honden gegeven wordt. Denaliena-lever wordt echter voor degenen die er aan gewend zijn, voor een goed eten gehouden. Het spreekt van zelf dat de bewoners van Noulato vreemd stonden te kijken toen zij deSchoone Zwerfsterzagen aankomen. Nog meer verbaasd waren zij echter toen zij van Cascabel’s voornemen hoorden om door Siberië naar Europa te trekken. Van zoo iets hadden zij nog nooit gehoord. Dat konden alleen franschen bedenken! Zij bevestigden echter dat het gedeelte der reis tot Port-Clarence geen bezwaar zou opleveren en dat de reizigers dit achter den rug konden hebben vóór dat de grond in Alaska met de langdurige sneeuw van den winter bedekt zou zijn.

Op raad van Sergius werd er overgegaan tot het aankoopen van verschillende benoodigdheden voor den tocht over de steppen. In de eerste plaats eenige brillen die onmisbaar zijn voor een langen tocht over sneeuwvelden. De Indianen stonden hen voor eenige kralen een dozijn van die toestellen af. Het waren houten brillen zonder glazen, of eigenlijk oogkleppen die het geheele oog bedekken, met eene nauwe spleet om doorheen te zien. Dit weinige is genoeg om zooveel gewaar te worden als men noodig heeft om te zien waar men loopt; ware het oog onbedekt of de spleet wijder, dan zou de felle weerkaatsing der sneeuw onvermijdelijk eene ontsteking te weeg brengen. Alle leden van ons reisgezelschap moesten die oogkleppen aanpassen, en het bleek dat zij er spoedig aan gewennen zouden.

Na aldus het gezicht beveiligd te hebben, moest er ook aan hunne voeten gedacht worden. Want met gelakte schoenen of zelfsmet gewone laarzen is het niet mogelijk in den winter over de siberische steppen te trekken.

In het pakhuis te Noulato was een voorraad laarzen van robbenvel voorhanden. Dezen worden ingesmeerd met eene laag vet en zijn dan volkomen waterdicht, zoodat ze voor eene lange voetreis over sneeuw en ijs het best geschikt zijn.

Cascabel maakte bij deze gelegenheid weder eene zeer verstandige opmerking.

—Het is altijd het doelmatigst, zich te kleeden op de manier van de dieren in het land waar men zich bevindt. In Siberië hooren robben thuis; niets natuurlijker dus dan dat wij ons als robben toetakelen.

—Als robben met brillen op! kwam Sander vertellen en deze bijvoeging droeg de hooge goedkeuring van zijnen vader weg.

Twee dagen vertoefde de karavaan te Noulato en dit was voldoende om het trouwe span paarden te doen uitrusten. Zij hadden haast om te Port-Clarence te komen. Den 21stenAugustus in de ochtendschemering ging deSchoone Zwerfsterweder op marsch. Van nu af lieten zij den rechteroever der Youkon voorgoed achter zich liggen.

Deze groote rivier buigt zich namelijk op dit punt naar het zuidwesten om zich een eind verder in de Norton-golf uit te storten. Met den oever verder te volgen zouden zij zonder eenig nut hunne reis langer gemaakt hebben, want de riviermonding is beneden de Behringstraat gelegen. Zij zouden dus van daar verder noordwaarts op Port-Clarence hebben moeten trekken, over een strand vol kreeken, inhammen en moerassen, dat voor de paarden hoogst vermoeiend geweest zou zijn.

Het begon nu reeds fijn koud te worden. De zonnestralen vallen hier in zeer schuinsche richting op de aarde en geven veel licht maar weinig warmte. Veeltijds hingen er groote grijze wolken, die er uitzagen alsof zij spoedig als sneeuw zouden neerkomen. Er werd niet veel klein wild meer gezien en de trekvogels begonnen reeds een milder verblijf in zuidelijker streken op te zoeken.

Tot dusverre mocht ons reisgezelschap van geluk spreken dewijl het nog zoo weinig hinder van de vermoeienissen der reis gehad had. Dit hadden zij echter zeker ook te danken aan hunne ijzersterke gestellen, een gevolg van hun leven in de open lucht onder de meest verschillende klimaten, en van de gehardheid die zij door aanhoudende lichaamsoefening gekregen hadden. Zij mochten dus de verwachting koesteren dat zij behouden en wel te Port-Clarence zouden komen.

Dit gebeurde dan ook op den 5denSeptember. Zij hadden toen ruim vijfhonderd mijlen afgelegd sedert Sitka en ruim elfhonderd van de Sacramento tot daar, in het geheel dus ongeveer zeventien honderd mijlen. Zij hadden daar zeven maanden over gedaan en waren nu het Westen van Amerika in zijne volle lengte doorgetrokken.

1Dit is dezelfde breedte als Drontheim in Noorwegen.

1Dit is dezelfde breedte als Drontheim in Noorwegen.


Back to IndexNext