Alpengloeien.

En hare plaats kent haar niet meer.

En hare plaats kent haar niet meer.

Ik smaakte dezen herfst het genoegen, een paar dagen door te brengen als gast van een oud academievriend, secretaris, en tevens archivaris van eene kleine, maar door hare oudheid belangwekkende stad in het oostelijke deel van Gelderland. Wij hadden ons voorgesteld eens flink op onzen wandel te gaan door de fraaie, houtrijke omstreken, en zoo, al dolend onder Wijnmaands bonte loovers, naar hartelust, als eertijds onder de schaduwen van de Delftsche kerktorens, weer eens te kouten over los en vast. Doch die eeuwige spellebreker, het weder, verkoos ons dit onschuldige genoegen niet te gunnen; en daar het ons wel kende als personen die zich door eene matige regenbui niet van wandelplannen laten afschrikken, zoo goot het zijnen wrok over ons beiden en de rest van het geschapene uit in den vorm van eene onophoudelijke stortvlaag, schuin gedreven door eenen killen, kwaadaardigen blazer uit het noordwesten. Toch hadden wij denhemel misschien nog durven trotseeren; maar de aarde, het mulle slib der bosch- en heidepaden—onmogelijk!—Zoo dan, nadat wij voorshands een weinig uitgepraat waren, en ook reeds van de biljart- en kegelballen in het societeitsgebouw het uiterste tot onze verstrooiing hadden gevergd, begonnen wij ons recht eendrachtiglijk te vervelen. Juist waren wij gevorderd tot dat schrikkelijke stadium van landerigheid, waarin de mensch zóó verre al zijne aanspraken op den titel van redelijk wezen vergeet, dat hij aan het uitvaren slaat tegen de elementen—toen mijn gastheer zich plotseling het bestaan herinnerde van een kabinet van oudheden in het stedeken zijner inwoning. Het was ten raadhuize, een antiek gebouw, op zichzelf al bezienswaardig.

„Heel interessant”, zeide hij: „werkelijk!”

„Ge bedoelt”, spotte ik, „als een laatste heul voor ongelukkigen, die op eenen druipnatten namiddag ten einde raad zijn met zichzelven?”

„Neen, tóch niet!” hernam hij: „het is eene wezenlijk belangrijke verzameling; en ik zal het mijzelven nooit vergeven dat ik je niet terstond bij je aankomst er heb heengesleept:—ik, die nog wel zooveel als ouderling en diaken er over ben, in goed vertrouwen aangesteld om de belangen er van te behartige en den bloei er van te bevorderen! O schande over mijn hoofd!—Doch kom! nu ook geene minuut langer hier onzen luttelen levensduur verschalkt met geeuwen. Hier is je hoed—daar je paraplu—voorwaarts!”

Wel, wij gingen;—en ik twijfel geen oogenblik, of mijn vriend had ten volle recht, wanneer hij de collectie rijk en belangwekkend noemde. Zij moet het in hooge mate wezen voor eenen kenner van vuursteenspitsen, heidenscheurnen, romeinsche munten, middeneeuwsche gedenkpenningen, verroeste wapenen, oorkonden, handvesten, gildeboeken en wat dies meer zij. Mijn leekenoog echter had van deze voorwerpen al ras zijne bekomst, en wendde zich telkens nieuwsgierig naar eene verzameling tapisseriewerk, die, aan den versten zijwand bevestigd, mij reeds op eenen afstand door hare fraaie kleuren en levendige figuren aangetrokken had. Mijn geleider bestrafte mij wegens deze afdoling mijner aandacht; hij wilde dat ik alles recht wetenschappelijk bezichtigen zou volgens den chronologisch opgemaakten catalogus: eerst de merkwaardigheden van het jaar nul, en zoo, al opklimmende, die van het jaar 1880, voor zooveel aanwezig.—„Geduld toch!” riep hij: „het jongste 't laatst!”—Nadat hij mij aldus door de antiquarische stoflagen van ik weet niet hoeveel duizend jaren had doen heenwurmen, landden wij eindelijk bij de tapisserieën aan.

„Ja”, sprak hij, terwijl wij, van het drentelen moe, op eene rustbank er vóór ons nederlieten: „dit is nu eigenlijk volstrekt niet oud—jonger nog dan de haren op onze betrekkelijk jeugdige schedels; maar over honderd jaar zal menige edele Brit zijnen cylinderhoed vol goud er voor bieden. 't Is het werk en het geschenk van eene douairière Van Nijenhorst, vóór een paar jaren op haar kasteel, hier niet ver vandaan, overleden. Bekijk het eens terdege. Het is belangwekkend, ziet ge, in eenendieperenzin.”

De nadruk dien hij op deze woorden legde, terwijl hij zich in beschouwende houding achterover vlijde, deed mij vermoeden dat hij zelf inderdaad op dit jongste stuk in zijn museum van oudheden méér prijs stelde, dan opal het gesnor uit heidensche grafheuvels of romeinsche kampen.

Het zijn twaalf stuks ramen, elk ter grootte van eenen vierkanten meter ongeveer, op zwaar doek gespannen en in eenvoudige zwarte lijsten gevat, met het geslachtswapen der Nijenhorsten gekroond. Ze bij gobelijns te vergelijken, ware aan die beroemde gewrochten der oude Fransche kunstnijverheid onrecht doen. Gij vindt hier niet de zuiverheid van lijnen, noch de rijke en zorgvuldige kleurenmengeling, die gij in gindsche groote muurtapijten zoozeer bewondert. Op de teekenkunst der douairière valt heel wat aan te merken; vele harer figuren zijn, op den keper beschouwd, niets meer of minder dan wanstaltig; om licht- en schaduwzijde heeft zij zich niet zwaar bekommerd; en niet zelden zondigde zij schromelijk tegen de regelen der perspectief. Maar ter vergoelijking van die feilen strekt, dat hier, wat de hoofdzaak betreft, niet naar modellen, doch geheel uit eigene phantasie gearbeid werd. En dan is er in de wijze van voorstellen, bij groote historische juistheid in de onderdeelen, en bij eene scherpheid van uitvoering, welke op eenigen afstand het stiksel van wol en zijde naar penseelwerk zweemen doet, eene naïeve, hoekige kracht, eene intensiteit, die u aangrijpt en u onwillekeurig aan de waarheid er van doet gelooven. Men voelt hoe het der maakster ernst was met haren arbeid: hoe het haar bij dit werk te doen moet geweest zijn om iets hoogers dan tijddoodend geknutsel.

„Gij zult zoo zonder toelichting er niet veel van begrijpen”, merkte mijn vriend na een vrij langdurig stilzwijgen op.

„Dat is wel waar”, antwoordde ik: „een beredeneerdecatalogus ware bij dit nummer, voor oningewijden, evenmin overdaad als bij uwe onkenbare muntspeciën en onleesbare perkamenten.”

„Tot zulk een boekdeel hebben we het hier nog niet gebracht. Doch wilt ge u met mijn mondelijk commentaar behelpen——”

„Onschatbare! wat kon ik beter wenschen!”

„Het eerste raam”, zoo begon hij zijne toelichting, „vertoont u de Nijenhorst zooals zij stond opgebouwd vóór vijfhonderd jaren: een geduchte burcht, met dubbele grachten en ringmuren, gekanteelde torens en valpoorten. Niets bijzonders overigens: juist een steenklomp zooals er destijds een vijftig tusschen de wouden en moerassen van het Geldersche genesteld lagen, land en landvolk verplettende onder hun gewicht. Deze afbeelding kan trouwens slechts de copie wezen van eene latere, wellicht geheel apocriefe teekening.

„Nummer twee van de rij is het portret van den bouwheer dezer sterke veste: ridder Huibert, bijgenaamd de Ever. Wèl verdiende hij dezen toenaam. Een massieve kop, een vierkante neus, een wreede mond, scherpe kleine oogen onder borstelige wenkbrauwen—eene echte wildzwijnen-tronie, niet waar?—Van beroep was hij vrijbuiter. Merkt ge die fijne roode streep wel op, om zijnen hals?—Hij werd er mee geboren, verzekert de huiskroniek der Nijenhorsten; en hij zelf wist zeer goed wat voor eenen dood deze grimmige speling der natuur hem voorspelde. Doch hij placht te zeggen dat de scherprechter zijn hoofd toch nooit hebben zou, want dat het aan den Duivel toehoorde, die het van hem gekocht had ten gebruike bij hoogstdeszelfs kegelspel. Herhaaldelijk (men schreefhet aan assistentie van Zijne Helsche Majesteit toe) wist hij aan de wraak der lang geplaagde poorters van deze stad te ontspringen. Maar ten leste deed toch het zwaard der gerechtigheid aan de roode streep bescheid, en moest de koene bandiet zijne schuld laten vereffenen—, ten minste als het zoo heeten mag, wanneer men met slechts éénen kop het gelag betaalt voor honderd welgeslaagde roof-, brand- en schaakpartijen. Zeker niet te duur! Ook had inderdaad die kop, na van den romp te zijn gescheiden, zijne rol volstrekt nog niet uitgespeeld. Een feit, waarvan ook stedelijke bescheiden gewag maken, moet het geweest zijn, dat Huibert's hoofd na de terechtstelling nergens te vinden was. Men doorsnuffelde de woningen rondom de richtplaats; men zocht in de stad en er buiten; men spande den beul, zijnen knecht, en nog een dozijn andere stakkers, die men van medeplichtigheid aan het goochelstuk verdacht, op de pijnbank,—alles vergeefs: het hoofd van den Ever bleef spoorloos verdwenen. Dit werd eene geruchtmakende rechtszaak; uit mijn archief zou ik u nog documenten kunnen voorleggen, die er betrekking op hebben. Het einde was, dat men het geval op rekening van mijnheer den Satan schoof, die, gelijk gezegd, reeds meermalen aan Huibert van de Nijenhorst dienstvaardigheid heette betoond te hebben. Het groteske verhaal leefde in den volksmond voort; en—zooals het gewoonlijk met dergelijke overleveringen ging—er werd door den eenen of anderen sterrekijker eene soort van berijmde voorspelling aan verbonden, hierop neerkomende, dat, als ooit de kop van den ridder teruggevonden werd, de val van de Nijenhorst nabij zou wezen. Legende en profetie vormden langen tijd een der geliefkoosde volkssprookjes van deze streek. „Hoor!”zeide de boeren tot elkaar, wanneer in den winternacht de rukwinden over de heide gierden: „de duivel is weer aan 't kegelen—met heer Huibert's kop!”.... Maar de revolutie en de stoom hebben ook de sprookjes uit de wereld gejaagd. Tegenwoordig zou geen boer u meer de legende van Huibert den Ever kunnen vertellen.

„De negen tafereelen die nu volgen, veraanschouwelijken een aantal heuglijke episoden uit het gulden tijdperk van de Nijenhorst en hare bewoners. Hier ziet ge Huibert's achterkleinzoon, den schoonen Reinier, als overwinnaar in het tournooi den gouden eereketen ontvangen uit de handen van Maria van Bourgondië. Dáár eenen anderen weerbaren telg, met zijn slagzwaard den schedel klievende van Aremberg te Heiligerlee. Ginds eenen Nijenhorst, met groote staatsie binnengeleid als afgezant van de Generale Staten bij het Portugeesche hof. Dan een bruiloftsfestijn: een heer van Nijenhorst huwt in 1730 de schatrijke dochter van een Amsterdamsch handelspatriciër, en beide familiën geven in praal en overdaad elkander niets gewonnen. Fraai getroffen is deze reigerjacht, door eenen der baronnen aangelegd ter eere van Prins Willem V. Die heer op het witte paard is de Prins; die rijk gekleede dame naast hem, op den isabel, de overgrootmoeder van wijlen onze douairière. Verder hebben we, nummer elf, eene voorstelling hoe Koning Willem II, als gast op de Nijenhorst, aan tafel eenen dronk wijdt aan de gezondheid van de vrouw des huizes. Een aardig regiment champagner-flesschen, dat daar op het buffet staat!.......A propos!Het moet u opvallen hoe treffend (ofschoon zeker geheel zonder oogmerk) deze reeks tafereelen de opkomst en de verbastering illustreert van de Nederlandsche aristocratie in den loop onzer geschiedenis.Eerst straatroof; dan ridderlijkheid; vervolgens echte heldenmoed; daarna staatsmansbeleid; straks weeldedienst; en eindelijk nog slechts eene slemppartij.

„Maar zoo zijn wij nu gevorderd tot het twaalfde en laatste nummer van de rij—: het schoonste misschien—stellig het zinrijkste. Zie! niets dan eene kale, eindelooze heidevlakte, gehuld in schemergrauw. Ter zijde, in het verschiet, een enkele boomstronk, versplinterd alsof de bliksem hem trof. Geen levend wezen: geen raaf zelfs, die krast op den knoest. Boven den somberen horizon slechts eene smalle streep van het matste avondrood, ter herinnering dat ook de volle middagzon de plek beschenen heeft, waar eeuwen lang de Nijenhorst te midden van haar woudpark stond.”

Zoo sprekende, had mijn vriend zich van mij afgewend en ging hij voor het venster in de grauwe regenlucht staan turen, blijkbaar in gedachten verzonken. Spoedig echter keerde hij zich weder tot mij, en zeide:

„Er is aan dit legaat, waarmede aan onze jeugdige oudheidkundige vereeniging boven menig aanzienlijker zustergenootschap eene niet geringe onderscheiding bewezen werd, eene geschiedenis verbonden: eene zonderlinge,unheimliche, en toch aandoenlijke geschiedenis. Waarlijk, om haar aandoenlijk te vinden, behoeft men geen aristocraat te zijn—zooals ik!” voegde hij er met eenen zwaarmoedigen glimlach bij.

Ik moet hier aanstippen dat mijn vriend de telg is van eene adellijke familie, eenmaal hoog gezien in den lande—thans onbemiddeld, en bij gevolg niet meer in tel. In de praktijk geen humaner en vrijzinniger man, dan hij; nooit echter heeft hij zich van zekere traditioneelebegrippen, of wanbegrippen, van zijnen stand geheel kunnen losmaken: iets wat hem, in mijne oogen althans, slechts tot eer verstrekt, en aan zijne persoonlijkheid, ook in den omgang met hen die de dingen uit een verschillend standpunt beschouwen, eene ongemeene bekoring, eene eigenaardige distinctie bijzet.

„Gij zijt”, vervolgde hij, „geen oudheidsman, jammer genoeg! Maar van het romantische, ik weet het, kan men u nooit verzaden. Komaan! het regent nog altoos voort. Ik heb lust u een klein opstel voor te lezen, dat ik kortelings in deze rustige kamer neerschreef, en dus ook hier maar wegsloot. Het handelt—zoo half beschrijving, half studie—over het bestaan van de zonderlinge oude dame, die dezen ontzaglijken arbeid daar in enkele jaren tijds met hare handen volbracht. Ik heb haar persoonlijk nog gekend—voor zoover zij zich kennen liet. In hoofdzaak is mijne schets historisch; wat nevenwerk heb ik uit mijne verbeelding moeten aanvullen—niet al te onjuist, durf ik hopen.”

Hij kreeg uit eene lade een handschrift, zette zich naast mij op de divan, en las hetgeen hier volgt.

„Verleden jaar stond het er nog. Thans is het verdwenen.

„Het stond er als Simson onder de Philistijnen: Simson van zijn hoofdhaar beroofd, gekneveld en blindgepriemd: altoos, ook zóó nog, eene ontzaggelijke gestalte—doch de sterke en gevreesde held niet langer: een groote romp nog slechts, weerloos en machteloos, gesmaad, geschondenen ten doode gedoemd. Simson's hoofdhaar zou weder aanwassen, zoodat hij, éénmaal sterk nog vóór zijnen val, in den dood nog met vreeselijke wraak zijne beulen overstelpen zou. Voor het arme kasteel echter was niet eens zulk een heldeneinde weggelegd; geenen enkelen steen zijner torens heeft het op de hoofden van zijne sloopers kunnen doen nederploffen.

„Ik bedoel het kasteel waarin mevrouw de douairière woonde. Onder de Philistijnen versta ik den papiermolenaar, den vernisstoker en den fabrikant van zweedsche lucifers, welke zich met ploertige vrijpostigheid reeds dicht aan zijne ringgracht hadden genesteld; benevens de Aziaten, de beunhazen en de kleine industrieelen, die speculeerden op zijne afbraak. Zij wisten, deze brave burgers, tot op eenen stuiver de waarde te ramen van elken boom die er nog overeind stond in het alreeds deerlijk geslonkene en verwaarloosde slotpark; zij rekenden u voor, hoeveel honderd karrevrachten puin en lood en goede brokken eikenhout er zouden weg te rijden vallen; zij telden op hunne vingers de perceelen bouwgrond, in welke het terrein geveild zou worden, wanneer het plantsoen gerooid en de gracht gedempt, wanneer er van den burcht geen steen meer op den anderen zou zijn. Als mevrouw de douairière maar eenmaal verkoos uit te stappen! Het wonder was, hoe zoo een oud en miserabel schepsel nog zulk een taai leven hebben kon!—In waarheid, de oudroesten en opkoopers sloegen aan het wanhopen. Het geldschietend Israël begon zich de haren uit te rukken van wege zijne traag beloonde grootmoedigheid.

„Nu, aan dat taaie leven was dan toch op het lest een eind gekomen. Mevrouw de douairière had werkelijk opzekeren dag—onverwachts nog, eene ware verrassing—aan den algemeenen wensch gevolg gegeven. Zij had begrepen dat zij al die eerlijke huisvaders nu niet langer mocht laten zuchten naar hunnen rechtmatigen buit. Zij zette zich dus in haren ouden leuningstoel, en blies den adem uit haar afgesleten lichaam. En in hetzelfde oogenblik hadden onzichtbare vingeren het doodsmerk gedrukt op het breede front van de oud-adellijke huizinge harer vaderen.

„Dit doodsmerk—och! vijftien jaren geleden reeds hadden matig scherpe oogen het er op kunnen waarnemen. Ook toen reeds had sedert lang de onverbiddelijke macht, die men Tijdgeest noemt, het vonnis van ondergang geveld over burchten en kasteelen, ridders en douairières, over alles wat zijn recht op voortbestaan nog slechts ontleende aan een afgedaan verleden. Maar toch was toen onder de Geldersche boeren een edelman nog een edelman, en een adellijk slot had, in den Achterhoek althans, nog ruimte om te ademen. Zoo stond dan ook de trotsche Nijenhorst, als van eeuwen her, nog schijnbaar veilig te midden van hare uitgestrekte woudgronden; en haar bewoner, binnen hare sterke muren gezeten als op het voetstuk van eene nog niet ganschelijk neergerukte traditie, genoot, zoo niet meer de macht en de voorrechten, dan ten minste nog het aanzien van een adellijk heerschap op zijn domein. Helaas echter! zijn opvolger, de laatste baron, had het tij geheel verloopen gevonden. Het menschengeslacht, dat bij zijn opgroeien den matten naglans der feodale overleveringen nog had aanschouwd, was sedert ook in de Graafschap uitgestorven;—wat de vaders niet meer gevreesd, maar tochuit een overgeërfd gevoel nog geëerbiedigd hadden, dat bleef in het oog der zonen slechts een log en tergend anachronisme, van welks karakter zij niets meer begrepen, welks geschiedenis hun geen belang inboezemde, welks eerbiedwaardigheid hun belachelijk voorkwam: een onding, dat hun door zijne aanmatigende grootte hinderlijk was, en dat dus voort moest. Voort ging het dan ook. De Tijdgeest is als Juggernaut's wagen: eene zegekar voor wie hem volgen: doch wat hem in den weg staat, dat vermorzelt hij. De Joden en de dorpers nu kwamen àchter den wagen. De Nijenhorst en haar heer stonden er vóór. Zij moesten er dus onder.

„Was er dan voor deze beiden geen uitwijken mogelijk geweest?—Zeer zeker. Onze moderne samenleving heeft aan haren breeden boezem plaats genoeg zoowel voor den afgedankten edelman als voor den souvereinen kinkel. Hadde de Nijenhorst zich slechts laten verbouwen tot eene sigarenfabriek, of tot eene ijzersmelterij, misschien ware zij gespaard gebleven. Mocht haar heer slechts hebben kunnen besluiten om bij de Geldersche boeren de klandisie af te bedelen als wijnkooper, of als leverancier van comestibles, vermoedelijk had hij zijn hoofd boven water kunnen houden—misschien zelf den stam van zijn doorluchtig geslacht kunnen overplanten in eenen vetteren bodem, waar de oude boom in de toekomst meer eetbare, zij het dan ook minder edele vruchten zou gedragen hebben: eene goede vracht sappige peren, bij voorbeeld, in stee van eenen wrangen oranje-appel of wat. Doch men weet het: wien de Goden verderven willen, dien benemen zij eerst het verstand. Het kasteel verkoos met steenen onverzettelijkheid een kasteel te blijven, de baron met middeneeuwschen hoogmoed eenbaron. En dan—wat spreek ik van zijn geslacht!—Had hij er nog een? Hij en zijne gade—neef en nicht, die denzelfden naam droegen en de Nijenhorst tot hun gemeenschappelijk stamhuis hadden—waren zij niet de laatsten van dien naam en van dat huis? Moest niet de vloek hen treffen, die sneller nog dan de geest des tijds onzen ouden adel wegslinken doet: de vloek der kinderloosheid, vergelding misschien voor de weeldezonden van zoo menigen àl te vruchtbaren onder hunne voorvaderen?—Alles in het verleden dus; niets in de toekomst!—Zoo sloeg dan den man de moedeloosheid om het hart; en het kortehedenwerd zijn afgod. Echtelijke liefde bond hem niet. Arbeid, dien hij voor eenen zoon wellicht zich had willen getroosten, dacht hem voor hemzelven nutteloos, zoo niet vernederend. Hatelijk werd hem de aanblik van den somberen ouden burg, boven welken hij de mokers van een geminacht plebs reeds zweven zag; hatelijk de klank van den titel, die hem geene eer meer aanbracht; hatelijk het gezelschap van de reeds bedaagde vrouw, die hem geenen stamhouder had kunnen schenken. Genot slechts lachte hem nog toe. Hij volgde het voorbeeld van zoo menigen onwaardigen standgenoot, het voorbeeld zelfs van tot hooger geroepenen dan hij——en Parijs verslond hem—de lichtekooi van Europa, die in haren onverzadelijken schoot al méér deftige ridderhoven heeft te loor doen gaan, dan de Noordzee schepen in hare kolken. Zij at hem op: hem en zijn slot, zijne bosschen en zijn zilverwerk, zijne akkers en zijn porcelein.—Laden wij dus, willen wij billijk zijn, niet op Juggernaut alléén de schuld, wanneer wij van de Nijenhorst enkel de fundamenten, van hare beukenlanen slechts de reeds vermolmde wortelstronken nog overig vinden.

„Na enkele jaren—het had niet lang meer moeten duren, of Lutetia zou den ongelukkige uitgestooten hebben, gelijk de spin eene leeggezogene vlieg uit hare webbe werpt—na enkele jaren dan, had gelukkig een hevige aanval van jicht den heer baron genoopt een einde te maken aan zijne slemperij, en naar huis te keeren, om (beter laat dan nooit) zich met den Hemel te verzoenen, en kort daarop te sterven. Niets was het zijne meer; alles was beleend: doch op eene voorwaarde, door welke hij ten minste gedurende zijn leven zijnen stand nog verzekerde, en, moest hij vóór haar heengaan, ook den stand van haar, die hij wel nooit had kunnen liefhebben, maar die toch zijnen naam nog zou blijven dragen, die van zijn eigen edel bloed was, ja, die immers niet minder dan hij zelf betrekking had op het dak dat hij boven haar hoofd zou laten—háár voorvaderlijk erfgoed ook, waarvan hij tot de laatste roede gronds verslingerd had aan de sletten van hetBal de l'Opéra. De Nijenhorst, met al wat er in en om en aan haar was—zoo bepaalde het verdrag met de firma Ruben Shylock & Co. te Amsterdam—, alles zou ongerept gelaten worden zoolang de baronesse onder de levenden verkeerde; bovendien zou de firma aan de weduwe tot haren dood een bescheiden jaargeld uitkeeren, dat, nevens het vruchtgebruik van het nog maar magere goed, haar in staat zou stellen, voor het oog der wereld althans, op den ouden voet te blijven voortleven. Zij zelve (het lag voor de hand) mocht geenen vlierstruik doen omhakken, geen meubel verwisselen; en zoodra de laatste snik haar over de lippen was, zou Shylock komen om zijn pand.

„Nu begrijpt men waarom Israël jubelde aan den Amstelstroom, toen de tijding kwam dat eindelijk, eindelijkmevrouw de douairière het besluit had kunnen vatten om uit dit tranendal te scheiden.

„Het spreekt van zelf, dat er van de bovenvermelde schikking wel iets uitgelekt was onder de bedienden en in het dorp. De vreemdelingen echter, die in vrij aanzienlijke getale uit een naburig, zeer bezocht zomerkwartier de Nijenhorst plachten te komen bekijken (van buiten, wel te verstaan: het inwendige was voor niemand toegankelijk)—de vreemdelingen, zeg ik, konden er bezwaarlijk iets van gissen. Wat zouden zij er zich ook het hoofd mee gebroken hebben! Wat raakten hen de laatste stuiptrekkingen van eenen verloopen adel!—Zij kwamen: sommigen, om een doel te hebben voor een rijtoertje; anderen, omdat men toch de weinige merkwaardigheden der streek niet onbezocht mocht laten; enkelen, die in de overtuiging geleefd hadden dat adellijke kasteelen nog slechts in de verhitte verbeelding van romanschrijvers te vinden waren, uit wezenlijke nieuwsgierigheid. Deze laatsten schenen dan in den waan, dat er straks uit de slotpoort, over de steenen brug, een geharnast ridder te voorschijn rijden moest, of minstens eene freule met ellenlangen sleep, gevolgd door eenen sierlijken page met eenen valk op de vuist; en niet weinig voelden deze naïeve zielen zich teleurgesteld, bekocht voor hun goede geld, wanneer hun aan het venster van eene der torenkamers eene oude dame gewezen werd als de burchtvrouw—eene heel alledaagsche oude-juffrouwen-figuur, die, volmaakt als nichtje Alida of tante Louise, naald en draad hanteerde, waarmede zij zóó bedrijvig scheen, dat zij zich den tijd niet gunde om even op de bezoekers van haar erf eenen blik te werpen. Allen echter, de teleurgestelden zoowel als de opgetogenen,de wereldwijzen zoowel als de onnoozelen, toonden zich min of meer getroffen, wanneer de mededeelingen van den ouden tuinman, die hun tot cicerone diende, hen tot de gevolgtrekking hadden geleid, dat deze oude dame in dit groote, holle kasteel nu al eene reeks van jaren geheel alléén had gewoond. In den regel ontspon zich dan tusschen den grijzen Bartel en de bezoekers een gesprek van den volgenden aard:—

„„Moederzoalig allinnig, joa, joa! Met Sunt Jan al zeuventien joar”, mompelde de witkop.

„„Geen sterveling”, vroeg men, „met haar in het slot?”

„„Nou joa, wijlui binnen er: ik en mijn vrouw, die de kokerij bezorgt, en Kris de huusknecht. Moar ik bedoel nou eigenlijk minschen van haar eigen slag, weet ge—zoo van haar eigen kaliber, za'k moar zeggen.”

„„Geen zoon of dochter dan? Geen bloedverwanten?”

„„Kiend noch kroai, men lieve meheer!—Wat neefkes en nichtkes in 't butenland—moar die hoeven hier niet an te kloppen—en die kommen ook alêvel niet woar niks te oazen valt. Veur de rest, vrind noch moag. Altoos allinnig!”

„„Ook geene gezelschapsjuffrouw?”

„„Niks nimmendal. Veur joaren het ze eens zoo'n pertret in huus genomen; moar die kon de kleuren niet uut mekoar houwen—van sajet, weet ge—want doar is ze den godganschbren dag mee doende. Doarom het ze die mammesel al gauw weggejoagd. En sedert wou ze er gien van dat spul meer onder hoar oogen zien. Joa joa!”

„„Maar krijgt zij geen bezoek nu en dan?”

„„Zoo veul as nooit, meheer, zoo veul as nooit. Of 't most wezen, vier moal in 't joar, een heerschap uut Amsterdam”——doch hierover scheen de oude zich niet te durven uitlaten.

„„Toen de baron nog leefde, toen was het toch anders, niet waar?”

„„Wel, nou—wat za'k oe zeggen—wel wat anders, moar alêvel niet veul beter toch. Den baron, die had zoo zen gezelligheid buten 's huus, zoo op zen eigen gelegendigheid, weet ge. Moar de baronesse—kiek, 't wordt straks al veertig jaor da'k hier dien—maar 'k kan oe wel verkloaren, nooit heb ik haar anders gekend as moar zoo oakelig op heurzelf—nooit met een schepsel eris vertrouwelijk!”

„„Dus—eene menschenhaatster?”

„„Krek, joa joa! As een uil in een boom. En altoos veur dat eigen venster doar in dien toren, metter tappestrie, zooas ze 't noemen, van den vroegen uchtend tot voak loat in den nacht. Wat zoo'n minsch zich verkniezen en vergrimmen mot, hè?”

„„Verschrikkelijk!” bracht het eene of andere vrouwelijke lid van het gezelschap in het midden. „En is zij niet bang?”

„„Bang? Hoe meint de juffer dat?”

„„Wel, voor dieven.”

„„Och jee, wat zou ze! Dievengespuus hebben we hier niet in de Graofschap; en die weten ook wel terdege goed dat hier 's nachts de deuren niet op een kier stoan. Nee nee!”

„„Nu ja—al is het dan niet voor dieven——hoe zal ik 't zeggen——ik bedoel, als men in zoo'n groot oud huis zoo heel alleen——”

„Dan boog de oude Bartel het hoofd diepzinnig op de borst, en zeide, terwijl hij veelbeteekenend op zijn snuifdoosje klopte: „O zoo! joa, as de juffer op dát sapiter komt—en as ik uut de school wou klappen—hè,nou—dan zou 'k oe roare dingen kunnen vertellen. Want zoo'n oud huus, zie je, dat het zoo zen griezeligheden, joa joa. Moar, juffer,za'koe eens wat zeggen?—Er binnen van die minschen, die eigenlijk gezeit geen minschen meer binnen, moar zooveul als levende doojen. Van de wereld bin ze afgesturven. Veur niks of niemand hebben ze hart meer. En as den Euvele hun temet eris over den schouwer kiekt, dan droaien ze zich om op hun stoel—en dan hebben ze zóó iets lelliks in hun oogen, weet ge, dat ie 't op een loopen zet, krek as een jonge hoas veur een windhond!—Zoo binnen er, joa joa! zoo binnen er!”

„En Bartel, zijn snuifje genietende, schuifelde naar het hek, om het gezelschap uitgeleide te doen en zijn fooitje in ontvangst te nemen. Want als een kunstenaar in zijn vak, werd hij eerst spraakzaam tegen dat de wandeling was afgeloopen, en bewaarde hij zijn geheimzinnig knaleffect, dat hij meestal op de eene of andere manier wist te pas te brengen, geregeld tot op het laatst. Hij had gesnapt, de slimmert met het domme gezicht, dat de stadslui hem zoodoende voor eenen origineel versleten, en hem daarom te milder bedachten. Wie er al niet komedie speelt!

„Zij echter, wie al dit gevraag en gebabbel betrof—wat was er van haar? Hoe leefde zij?—Was zij werkelijk zoo troosteloos aan de verlatenheid overgeleverd, zoo altoos en volslagen alleen, als de dorpsmare wilde? Verkniesde en vergrimde zij zich zoo? Had zij inderdaad haar gemoed zoo verhard tegen alles menschelijks—ja (de tuinman had er immers op gezinspeeld), tegen de booze geesten zelfs, die er spoken in de leegte welke demensch aanricht tusschen zichzelven en zijne medeschepselen?

„In zekeren zin, ja. Maar toch, de dorpspraat verkondigde slechts half de waarheid: en zelfs de wijsheidkramende Bartholomeus was met al zijne diepzinnigheid niet veel dieper in dit levensraadsel gedrongen, dan zijne schoffel placht te wroeten in de aarde. Hij toch besefte zoomin als de meeste andere lieden het verschil tusschen geestelijke en persoonlijke eenzaamheid. Niets is ondragelijker dan de eerste. De man die in zijn binnenste nog slechts eene versteening voelt, afgestorven van alles wat hem eenmaal lief of belangwekkend of heilig was—die man is als een op den oceaan verlorene te midden zelfs van het drokste maatschappelijk verkeer, ook waar hij zich opwindt om met de luidruchtigsten luidruchtig te zijn in het vroolijkste gezelschap;—aan krankzinnigheid ontsnapt hij slechts door zich te werpen in eenen tuimel van zinnelijke verstrooiingen. De andere daarentegen, de persoonlijke eenzaamheid, heeft meer den schijn dan het wezen van de zaak. Zij is eene levensgesteldheid bij welke het gemoed, na al kampend en werend geheel de have van algemeen menschelijke neigingen, behoeften, gevoeligheden en illusiën te hebben moeten prijsgeven, met zijn laatst en veelal dierbaarst goed—gelijk een monnik met een kostbaar handschrift in zijne kluis—zich heeft opgesloten in zichzelven, en, aldus gewapend, in zichzelven de genoegzaamheid gevonden heeft. Dit moogt gij, al naar uw wijsgeerig standpunt, samentrekking noemen, of afstomping, een heldhaftig individualisme, of eene treurige monomanie—zeker is het, dat die gesteldheid minder deernis behoeft te wekken, dan de naar alles grijpende, van alles proevende, maar van nietsverzadigde alledags-menschen haar in den regel meenen te moeten waardig keuren. Het leven is een puinhoop geworden; van wederopbouwen kan geene sprake meer zijn. Doch de geest heeft uit dien puinhoop éénen schat gered: eene gril, eenen waan, eene ijdelheid misschien—maar aan welken hij zich toewijdt met het gansche overschot van zijne liefde en kracht, en door welken hem op het lest soms eene stille vergoeding nog gewordt voor datgene, wat hij aan geluk in den gewonen zin heeft moeten derven.

„Zóó stond het ook met die oude vrouw daar in den slottoren. Wel als begraven woonde zij daar voor alles buiten haar om, maar nog geenszins dood voor zichzelve. Wel eenzaam was mevrouw de douairière, maar niet alleen; wel zonder vreugde, maar niet zonder troost. Want uit den bouwval van haar bestaan had zij één enkel klein talent weten te behouden, dat haar op den ouden dag geworden was als den kloosterling zijn kunstig manuscript of zijn met zorg gekweekt moestuintje.

„Natuurlijk was dit ook voor haar eerst na bitteren kamp zoo geworden. Men betrekt niet rustig eene kloostercel, dan na de schipbreuk van een fortuin of na het breken van een hart:—en geen varensman van eer laat zich in den grond boren, geen moedig hart laat zich verbrijzelen, zonder tegenweer. Lang en folterend was het lijden geweest van deze vrouw; doch met dit al van zoo bijzonderen aard, dat hare tijdgenooten, hadde zij het hun geopenbaard, het haar eenvoudig als krankzinnigheid zouden hebben toegerekend. Niet allereerst toch had zij geleden voor datgene wat elke vrouw het diepst gegriefd zou hebben: de onverholen liefdeloosheid van haren echtgenoot te haren opzichte. Och neen! Uit liefdeimmers schonk zij den bloedeigen neef hare hand niet; huiselijk geluk behoorde niet tot de traditiën van haar geslacht; en zij had van hare verlooving af geene reden gezien om zich op het stuk van echtelijke trouw met een beter lot te vleien, dan aan hare moeder en aan hare grootmoeder ten deel gevallen was. Veel minder als gade had zij geleden, dan als baronnesse; veel minder als vrouw, dan als adellijke. Geleden had zij onder hare kinderloosheid: niet, zooals andere vrouwen, uit verlangen naar de zorgen en vreugden van het moederschap, maar omdat zij eenen erfgenaam wenschte voor haar bloed, haren naam, haar wapenschild en haar kasteel. Geleden had zij onder de losbandigheid van den baron: niet omdat hij zichzelven er mee ten gronde richtte, maar wijl hij zijnen en haren oud-adellijken naam er door in smadelijke opspraak bracht: hij, de laatste drager van dien naam. Geleden had zij onder zijne latere grove verkwistingen: alweder niet uit beduchtheid voor de strenge tucht der armoede—maar omdat zij erger nog dan den hongerdood de vernedering vreesde van bij haar leven nog door de firma Shylock & Co. te worden weggedreven uit den burcht harer vaderen. Kortom, de marteling van haar leven had bestaan in de voortdurende krenking, de geleidelijke slooping en het onherroepelijk tot niet gedoemd zien worden van eenen adeltrots, die, als een machtig instinct, al haar voelen en denken en handelen beheerschte. Zij nu had dit knagende leed niet kunnen en niet willen verdooven met genot. Integendeel: zij had het levendig gehouden met alles wat haar eenzaam verblijf in het kasteel er voedsel aan bieden kon. Gespijsd had zij het gelijk eene slang met haar vleesch.

„Dit had vele jaren zoo geduurd. Jaren lang nog, nahet overlijden van den baron, had zij gehaat te leven, en toch gevreesd te sterven. De dood—hoe welkom zou hij haar zijn geweest, indien hij slechts als de verderver van haar lichaam ware opgedaagd. Maar o! die folterende gedachte, dat alles, wat haar gewijd en dierbaar was, tegelijk met haar aan het einde zou gekomen zijn; dat haar naam en titels mèt haar in het graf zouden zinken; dat al hare deftige erfstukken, de oude meubelen en het familie-zilver, de wapenrustingen en de schilderijen, verstrooid zouden raken onder de Semieten; dat de boomen van haar park vallen zouden tot den laatsten; dat haar slot zelfs, eeuw op eeuw de trots en het bolwerk der landstreek, zou weggekruid worden om als puin eenen modderkuil te dempen, of als gruis op eenen kleiweg door boerenklompen vertreden te worden!.... Neen! en dit was geen schrikbeeld, dat zij zich maar in het hoofd haalde;—eene onafwendbare zekerheid was het. Hetmoestgebeuren—spoedig al—morgen reeds, indien zij heden kwam te sterven..... Dan sprong zij van haar leger, in het holle van den nacht, en ontstak eene kaars, en waarde rond door de zalen en kamers, om het oude slot en wat er in was—dat alles waarmede hare verbeelding, haar trots, geheel haar wezen zoo onafscheidelijk inééngevlochten was—nog ééns, nog éénmaal toch te zien. Want morgen, straks reeds, kon zij weggeroepen worden——en dan moest dit alles verstuiven als het tooverpaleis in een sprookje!

„Was het wonder, dat destijds onder het landvolk het gerucht zich verspreidde van een spooksel in het kasteel?—Een licht, flikkerend van kamer in kamer—eene witte gedaante, voorbij een venster sluipend——wat wilde men méér!

„En deze spookmare was in hoogere mate belangwekkend geworden, toen men op zekeren ochtend, nadat in den nacht wederom de verschijning dolende was gezien, mevrouw de douairière bewusteloos had vinden liggen in de groote ridderzaal, vlak nabij het portret en de daaronder geplaatste helmlooze wapenrusting van den bouwheer der Nijenhorst, den grimmigen heer Huibert. Men nam haar op en bracht haar te bed. Verscheidene dagen lag zij in ijlende koortsen. Toen zij na bangen strijd weder tot zichzelve kwam, waren hare haren als witte zijde geworden.

„Wat haar overkomen was—niemand heeft het ooit uit haren mond vernomen. Men mompelde in keuken en tuinmanswoning, straks ook in de dorpskroeg, vreemde dingen: iets van eene oude voorspelling die vervuld, van een vreeselijk voorteeken dat geschied zou zijn—doch waarvan geen mensch, zelfs de oude Bartel niet, het eigenlijke meer wist. De tuinmansvrouw, die de zieke opgepast had, verzekerde dat deze van tijd tot tijd zich plotseling in haar bed had opgericht, en dan met een gebaar vol ontzetting had uitgeroepen: „Het hoofd! het hoofd! Genade!” Ook beweerde Kris de huisknecht bij hoog en bij laag, dat hij dien ochtend, toen men de baronnesse zoo vond, op den stalen kraag van ridder Huibert's harnas eene vlek ontdekt had, die er te voren niet op was geweest, en die——„'t kon wel roest zijn, maar 't had veel meer van bloed!”—En toen deze geruchten zich verspreidden, liet er zich ergens achter het plaggenvuur van eenen heiboer een stokoud, reeds half versuft besje vinden, dat, zeker door deze reminiscentiën geprikkeld, zich de geheele legende van Huibert den Ever weer herinneren kon: hoe hij met den Booze heulde,hoe zijn afgeslagen hoofd den Duivel tot kegelbal werd, en hoe de voorspelling luidde, dat

Werd de kop ooit weergevonden,Dan was Nienhorst voor de honden—

Werd de kop ooit weergevonden,Dan was Nienhorst voor de honden—

—of iets in dien trant! En liefhebbers van curiositeiten snuffelden er oude kronieken op na, waarin werkelijk breedvoerig te lezen stond——

„Maar gij kent reeds die historie. Dit kan ik dus overslaan.”

Hier poosde de lezer. Hij stond op, stapte een paar malen de kamer op en neer, en sprak, half tot mij, half tot zichzelven:

„Het heugt mij nog heel goed hoe de menschen hier in de stad over het geval redeneerden. 't Is nu—laat eens zien .... vijftien, zeventien, negentien jaren geleden. Juist was ik met kerstvacantie naar huis gekomen.

„Sommigen geloofden stellig en vast, dat de douairière eene verschijning gezien had; anderen, dat zij nu volslagen krankzinnig geworden was; nog anderen, onder welken een plattelandsheelmeester, dat zij den avond te voren wat zwaar gesoupeerd moest hebben. Ikzelf, in die dagen eenesprit des plus forts, deelde het gevoelen dezer laatsten; en ik herinner mij hoe ik, met al de beslistheid van mijne achttien jaren, mij in dien zin uitliet tegenover mijnen vader, die een weinig naar mysticisme overhelde. Ik schreeuwde dat het niets kon geweest zijn dan eene hallucinatie, eenedeceptio visus.

„„Inderdaad?” antwoordde mijn vader: „is dat zoo zeker?”

„Ik vroeg hem of hij dan werkelijk in het algemeenaan de mogelijkheid van geestverschijningen geloofde.

„„De ónmogelijkheid er van”, hernam hij, „is althans onbewezen en onbewijsbaar. En wat dit bijzonder geval aangaat, zoo is het niet de vraag watikgeloof, of watgijgelooft, maar wat de baronnesse geloofde; en, bijgevolg, wat de baronnesse gezien kan hebben in dien nacht—methareoogen namelijk: niet met de uwe, ook niet met de mijne, maar met dehare. Het eene oog ziet niet als het andere. De hond is in het donker blind voor dingen die de kat zeer duidelijk waarneemt; evenals de nachtvogel in het zonlicht datgene niet zien kan, wat de wakkere hen er met eenen oogopslag in bespiedt.”

„„Maar”, voerde ik aan, „dit heeft betrekking op tastbare, niet op ontastbare zaken: op feiten, niet op hersenschimmen.”

„„En heeft ooit iemand”, riep hij,„heeft ooit iemand nog tusschen het tastbare en het ontastbare de grens kunnen bepalen? of ooit kunnen aanwijzen wáár het rijk der feiten eindigt, het rijk der schimmen begint?.... Loop heen toch met uwe quasi-wetenschappelijke machtwoorden! Er overkomt mij iets, dat noch ik noch gij noch iemand verklaren kan, maar dat mij vreeselijk aangrijpt. O! roept gij: dat is niets! belachelijk!—eene hersenschim! eene hallucinatie!... Maar hier: mijne haren zijn er wit door geworden, mijne gemoedsstemming is er door omgeslagen, levenslang moet ik onder den indruk er van blijven.... Wat raakt het mij nu, of gij heel wijsgeerig mij komt vertellen datzoo iets niet wezen kan, dat het eene hersenschim van mij geweest moet zijn!—Te drommel! kunnen of niet, voor mijwashet.Het moge voor u en uwe philosophie eene hersenschim zijn geweest—voor mij en mijn leven was het een feit!”

„Ik heb dat antwoord nooit vergeten. En ik wil u wel zeggen dat eene andere gedachtenrichting dan die van mijne jeugd, misschien ook eene enkele ervaring, mij sedert met het aanwenden van die quasi-wetenschappelijke machtwoorden, zooals mijn brave vader ze noemde——

„Doch waartoe eene bekentenis, die nu eenmaal in de wereld van het hedendaagsche denken niet meer thuis behoort, en die bij mijne meer verlichte tijdgenooten slechts lachlust wekken kan!....... Kom! het begint zoowaar al te schemeren. Willen we ons etensuur niet verzuimen, dan moet ik met het slot van mijne historie wat spoed maken. Gij wilt het toch hooren?”

„Tot elken prijs!”

Hij zette zich weer tegenover mij, en las verder.

„Wat er dan ook in dien nacht gebeurd moge zijn, wat de baronesse gezien hebbe, of zich verbeeld hebbe te zien—zóóveel is zeker, dat zij, toen zij van haar leger verrees, een veranderd mensch bleek te zijn. De zware ziekte, die haar lichaam had verzwakt, bleek ook haren wrevel gebroken, den geest van verzet in haar gesust te hebben. Of wel, had inderdaad een onheilspellend visioen haar verschrikt, zoo scheen daaruit kalmte over haar neergedaald te zijn: berusting, die zich wellicht hierdoor verklaren laat, dat zij van nu af in den aanstaanden ondergang van haar huis niet langer het werk van menschen zag, doch de vervulling van het fatum haars geslachts. Moest de Nijenhorst verdwijnen—zij deed het ten minste zooals van haren aanvang af verordend was, volgens hare eigene aloude legende.

„Nogeens, hoe dit geweest zij—op de kranke ziel der oude dame scheen de geheimzinnige gebeurtenisheelend te hebben gewerkt. Geene nachtelijke dwaaltochten weder; geene doffe wanhoop meer in haar traanloos oog, geen werkeloos neerzitten in stomme vertwijfeling. Het heden kwelde, de toekomst benauwde haar niet langer; van nu af verkeerde haar geest enkel nog in het verleden. Zij sloot zich op in de ronde torenkamer, verdiepte zich in oude familie-papieren, sloeg eenen grooten voorraad benoodigdheden voor vrouwelijk handwerk in, en wierp zich met rusteloozen ijver op den éénigen arbeid dien zij verstond: het tijdverdrijf dat door haar zelve en door de vrouwen van haar voorgeslacht steeds met smaak en vaardigheid beoefend was: de kunst van de borduurnaald. Voor haar echter was thans dit werk geen ijdel tijdverdrijf meer, doch eene heilige taak, tot wier voltooiing zij zich haasten moest gedurende het korte overschot haars levens. Voor haar werd van nu af die kunst, die kleuren en beelden stikt in het stramien, een als uit den hooge haar aangewezen middel om nog, zooveel in haar vermogen was, der wereld een gedenkstuk na te laten van den glans der adellijke familie die straks uitgestorven, van de sterkte des stamburgs die weldra spoorloos weggevaagd zou wezen. Dag en nacht repte zij de naald; tafereel op tafereel, uit de geschiedenis van haar huis, maalden de bonte draden op het gaas. Hoe sloofde zij zich af over dezen arbeid, tot vaak de oude oogen en de stramme vingers haar den dienst weigerden. Dan, als zij een beeld voltooid had, hing zij het op aan den wand harer kluis, en zat uren lang in beschouwing er van, met eene schier kinderlijke voldoening. Want dit toch behoorde haarzélve nu toe: dit was niet begrepen onder Shylock's inventaris: dit toch zou na haren dood de uitdrager niet te koop kunnen hangen in zijne voddenkraam.Het zou haar en haar slot nog eeuwen kunnen overleven, om te midden eener passende omgeving haren naam in aandenken te houden. Zij had het bij testament vermaakt, dit harer handen werk, aan eene naburige stad. Dáár zou het prijken in de oudhedenkamer van het antieke raadhuis, als eenmonumentum aere perenniusvan de Nijenhorst en haren ridderstam.

„Zóó dus had die vrouw in hare stille afzondering datgene gevonden, wat aan vele dier drokke wereldlingen, die haar uit den slottuin aanstaarden als ware zij een levend fossiel, wellicht nog niet toebedacht was: eene roeping, die haar heure eenzaamheid bevolkte met de schepselen der herinnering en der phantasie.

„Achttien jaren was zij onafgebroken met dit naaldwerk bezig. Ter wereld niets anders beslommerde haar meer.

„Toen zij met het laatste en twaalfde stuk gereed was, bevestigde zij ook dit nevens de elf vorige aan den wand. Vervolgens tooide zij zich met een oud satijnen staatsiekleed—hetzelfde dat zij, veertig jaren geleden, gedragen had toen haar Koning gast was aan hare tafel. Hare ringen stak zij zich aan de vingers; hare diamanten hing zij zich in de ooren; hare witte tressen kapte zij zich als voor een feest. Zóó gedost, verliet zij de torenkamer, met langzamen, statigen tred. Geheel het slot doorwandelde zij—al de gangen en zalen en kamers; en voor elk der antieke meubelen stond zij even stil, als om er afscheid van te nemen, met eenen kalmen blik en eene lichte hoofdbuiging. Ook voor elk der portretten in de ridderzaal hield zij stand, met dien blik en die buiging: het eerst en het kortst voor dat van wijlen haren echtgenoot;toen voor dat van diens vader—en zoo de rij af, het laatst en het langst voor het dreigende gelaat en het helmlooze harnas van Huibert den Ever. Dan klom zij op den grooten toren, en zag rond over het landschap, dat met vredigen glimlach zich koesterde in de namiddagzon. Hierna daalde zij weder af, keerde terug in haar vertrek, schoof den grendel op de deur, kreeg uit eene kast in den muur eene wijnkaraf en een fleschje, schonk zich uit beiden eenen roemer vol, en zette zich daarmede in haren armstoel.—„Zoo!” prevelde zij: „zoo is het wel!..... God, mijn Heer! vergeef het mij!—het is genoeg geweest!—laat alles zich nu vervullen!”..... Aandachtig beschouwde zij nog eens, beeld na beeld, het werk van hare handen. Voor elk der ramen, datzelfde hoofdneigen. En toen haar blik op het twaalfde te rusten kwam, toen speelde er een straal van de middagzon, door het looverschut der beuken heengebroken, op dit tafereel eener troostelooze verlatenheid. Zij tuurde, en tuurde, alsof zij iets vreemds bespeurde aan het doek;—iets vreemds inderdaad: want het gulden licht had al de somberheid van het schemergrauw uit het beeld doen verdwijnen; en het leende aan de bruine erica's er op eenen weerschijn als stonden zij in bloei; en het deed de bleekroode zijde van het avondluchtje glanzen, als ware het een vroolijk morgenwolkje, vóórboô van den schoonsten dag. En ach!—de lippen der oude vrouw begonnen te trillen, hare handen te beven, hare oogen zich te benevelen met eene vochtigheid, die zij er sinds lange, lange jaren niet meer in had voelen opwellen. Zij zag op de zonnige heide zichzelve weder dartelen—vlinders jagend en bloempjes plukkend—een argeloos meisken, een kind als andere kinderen, dat van adel nog niet afwist en van een fatumnog nooit had gehoord. Zij zag er zich als jonkvrouw wandelen, mijmerend wellicht over eene verbodene teederheid—eene maagd als andere maagden, óók met eene kans nog op geluk, vóór zij tusschen haar hart en haren naam, tusschen hare liefde en haren trots, hetslechtedeel gekozen had.... En plotseling liet zij het glas aan scherven vallen, en de saamgevouwen handen preste zij zich heftig op de borst.... „Neen, mijn God!” snikte zij: „zóó toch niet!... Het einde! het einde!... Neem mij weg, o God! neem mij weg!... Maar zóó toch niet!”

„Stond werkelijk hare ure alreeds op het slaan? Of heeft dezelfde wilskracht, die den dood op eenen afstand hield zoolang de taak haars levens nog niet volbracht was, thans, nu het genoeg was geweest, haar hart gedwongen het kloppen te staken?

„Ik weet het niet.

„Weinige dagen later reeds zag men het zaad Abraham's vergaderd in de Nijenhorst, door de poorten in- en uitgaande met gansch zeer groote bedrijvigheid. De wijze Ruben zelf pakte het familie-zilver in; Zebulon de voorzichtige het kostbare porcelein. Middelerwijl torschte Isaschar, de sterke, het portret van Huibert den Ever onder zijnen arm; en Naphtali, die schoone woorden geeft, laadde op zijn handwagentje de helmlooze wapenrusting.—„Nah!” riep hij—„heeft meneer de ridder in de bathalje zijn khopshtuk feloren?—'k Zal meneer helpen, wacht!”—En hij duwde in den ijzeren halskraag eene mutsenbol, roodwangig en onnoozel——waaromal de twaalf stammen lachen moesten, dat hun de tranen langs de neuzen biggelden.

„Wandelt gij thans naar de plek waar de Nijenhorst gestaan heeft, en denkt gij daar neer te zitten om u door den heidewind te laten vertellen van den luister en den trots, het verval en het lijden, den langen doodstrijd en de smadelijke verstrooiing van het fiere huis—zoo wacht u eene teleurstelling, mijn vriend. Gij zult er niets hooren dan het geklop van hamers en het tikken van troffels—eenen vloek en een deuntje wellicht ook uit den mond der werklieden, die bezig zijn er eene plankenzagerij te bouwen.”

Het stond bij het brugje, dat den bruisenden bergstroom overspant. Een paal, manshoog; en daar op een houten hokje of nisje, zoo ruim als twee handen saamgebogen; en daar in een madonna-beeldje, zoo groot als een pink—een tinnen popje zoowaar, geen zier kunstiger of kostbaarder dan de soldaatjes, waarvan er een heel bataljon zich kazerneeren laat in eene spanen doos. 't Was het kinderachtigste wat ik ooit ontmoet heb van dien aard.

Glimlachend hielden wij even er bij stil. „Hoe 't mogelijk is!” zweefde ons beiden op de lippen. „Hoe 't mogelijk is, voor zóó iets te gaan knielen in een land, waar de Schepper als met eigene hand de zegeteekenen van zijne grootheid uit de aarde oprijzen deed!”

En wij slenterden verder, opklimmende naar het doel van onze wandeling.

Toen wij boven waren, en ons nederlieten op de mosbank onder de sparren, prijkte bij dalenden avond het Alpenland in volle heerlijkheid. Diep in het dal wasreeds de schemering begonnen haar floers te spreiden. Purpere dauw zweefde over de akkers. Donker legerden zich de wouden langs de hellingen. Maar omhoog baadde nog alles zich in stralenglorie. Sneeuwtop bij sneeuwtop stond nog te glanzen in den kring—zonnig verlicht, zilverhel, zoo koel en kuisch zich spitsend tegen het diepe blauw des hemels.

Wonderbeelden, voor hem die getreden komt uit de drassigheid der polderstreek, uit het kille slib der venen. Wonderbeelden, welker pracht de stoute phantasie dan eindelijk rusten doet, verwonnen, ontvleugeld door de stoutere werkelijkheid!—Het oog staart ze aan, opgetogen—hetzij een woeste nevel ze omkleedt met ontzetting, of een zonnestraal ze pralen doet in milde majesteit. En de herinnering neemt ze in zich op, om zich er aan te verlustigen na jaren nog, wanneer des wandelaars leden stram worden en zijne middagen grauw.

Wonderbeelden!... Wij tuurden rond en opwaarts. Wij blikten elkander in de oogen;—wij vonden geen woord te zeggen. Maar stil in die heilige stilte bad vurig en innig ons hart.

Och, dat eene ure als deze wat toeven wilde! De macht van eenen Jozua, om te gebieden: zonne, sta stil! Om den avondstond te doen luisteren naar het smeeken: „Verweile doch! du bist so schön!”

Maar de tijd weet van geen talmen. Of pijn u slapeloos woelen doet op uw leger—de slinger schommelt er niet sneller om. Of gij voor 't eerst arm in arm gaat met de geliefde—niet trager bewegen de wijzers zich over de plaat. Zelfs niet voor zaligen staken de seconden hare vlucht.

Aldus was ook de weelde van het alpengloeien, zoozeldzaam, zoo onbeschrijfbaar heerlijk, slechts weinige oogenblikken ons gegund. Het zilver der sneeuwspitsen zagen wij goud worden. In vuur ontstoken, blonken de toppen ons toe: een vuur, dat weldra verglommen was—vergrauwd, door karmijn en purper heen, tot doffe, looden kleurloosheid.Hooger en hooger klom het duister uit de diepte. De laatste landelijke klanken van het dal verstierven: het laatste getingel van het stalwaarts gedreven rund, het laatste gejodel van den zangerig gestemden herder. De nacht brak aan, in welken geene stem gehoord zou worden, dan die van de stortende wateren.

Wij daalden afwaarts. En zie! wat kwam daar aangestrompeld over het brugje?

Een vrouwtje, eindeloos oud—een bundeltje knoken en lompen—met eene vracht gesprokkelde takken op den krommen rug. Van onder den rooden hoofddoek golfden hare witte lokken te voorschijn, zilver als het schuim der beek. Tokke, tokke, ging haar stokje; loom sloften hare schreden elkander na over de planken. Zij leek wel moe, tot stervens moe. Moe van het sprokkelen? Moe van het leven?—Ik weet het niet. De bergen zag zij niet aan, noch de rozeroode wolkjes, noch den wild voortschietenden stroom, noch de zwarte wouden rechts en links. Maar bij het madonna-popje richtte zij het hoofd op, liet den takkebos zich van de schouders zakken, en knielde neder in het stof, ongezien, zoo meende zij, behalve van God en van Maria.

Ook zij aanbad. Ook zij stortte daar, stil in de heilige stilte, vurig en innig hare ziel uit voor het Hoogere.

Kort, moedertje! maak het kort, opdat het duister niette ver van huis u verrasse. Een kruis geslagen, den last u weer opgeladen—en verder het oude lichaam opgezeuld tegen het steile bergpad.

Doch Maria de Maagd had er een wonder verricht aan deze grootmoeder van vele kinderen. Want trots het klimmen, was des oudjes tred veerkrachtiger geworden. Rechter droeg zij het grijze hoofd; minder zwaar scheen de vracht haar te drukken. En ik zeg u: daar speelde een trekje van jeugd om haren mond, daar lichtte een vonkje van blijmoedigheid in hare half gebroken oogen, als zij op zijde stapte om voor ons ruimte te maken op het smalle pad, ons nazendend de vrome begroeting van vóór duizend jaren: „Grüss Gott, Herrschaften! Grüss Gott!”

Wij hebben niet geglimlacht, toen wij wederom voorbij het popje gingen over de brug.

Gij Eeuwige, leer ons wormen elkander begrijpen!—Wat raakt het, welk het teeken zij, waarin wij U erkennen?—Zou een sneeuwberg ook méér zijn in Uw oog, dan de boersche beeltenis eener kinderdragende vrouw?—Wat raakt het: Montblanc of een tinnen figuurtje—indien slechts degedachteer door gewekt wordt, die loutert en sterkt en opheft?

Gij Eeuwige, leer ons elkander verstaan!


Back to IndexNext