Cupidon pour dieu adoréTire d'un petit arc doréDeux traicts de différente sorte;L'un d'eux rend l'amour honoré,Et l'autre trouble et malheur porte.
Cupidon pour dieu adoréTire d'un petit arc doréDeux traicts de différente sorte;L'un d'eux rend l'amour honoré,Et l'autre trouble et malheur porte.
De predikant Malthus zat aan een der ramen van zijne studeerkamer, en tuurde naar buiten.
Voor zoover het daarbij op het gebruik zijner oogen aankwam, had hij die even goed kunnen sluiten: want hij keek naar niets—en er viel ook niets te kijken, dan een Noordhollandsch weiland, overdekt met sneeuw. Dit was het uitzicht noordwaarts heen. Ook tegen het westen had het vertrek een paar vensters; maar ook daar kon de bewoner niets bespeuren dan eene besneeuwde vlakte, benevens eenen half ontwiekten watermolen aan het einde van eene dichtgevrozen wetering. Waren bovendien nog de beide andere wanden open geweest voor het karige licht van den Januari-dag—de dominee zou ook in het zuiden en in het oosten niets hebben opgemerkt, wataan zijnen lusteloozen blik eenige verstrooiing hadde kunnen verschaffen. Want de pastorie lag met het kerkje en de daaraan grenzende herberg midden in den polder, een half uur minstens van het naaste dorp, een uur wel van het naburige marktstadje. Er lagen een aantal flinke hoeven verspreid in het rond—alle ver af; er stonden een tien of twaalf iepen bij de kerk, wat schrale esschenstammetjes langs den straatweg, een rijtje knotwilgen hier en daar aan eene sloot; dan, wijd aan den horizon, eene enkele boomgroep en een paar dorpstorens,—ziedaar geheel het landschap. En dit weinige was nu door de dikke sneeuwlaag zoo goed als uitgewischt, althans tot de meest volslagene eentonigheid ineengedoezeld. In het eerst had dit schouwspel de vluchtige bekoring geboden van het nieuwe. Later, toen de zon er op scheen, was het verblindend, vermoeiend geweest. Thans echter, nu een vale, roerlooze hemel zich er over welfde, die sneeuw beloofde, nóg meer sneeuw—thans stemde het dominee Malthus onbeschrijfelijk neerslachtig. Hij was op het stuk van natuurschoon zekerlijk niet verwend; zelfs op den zonnigsten Juni-ochtend was het groen der eindelooze grasvelden van het koeienland zóó rijk niet geschakeerd met paardebloemen en roode klaver, om hem de zinnen te bedwelmen met kleurenweelde. Maar toch, deze volstrekte afwezigheid vanallekleur, reeds weken lang nu, maakte op den eenzamen man steeds dieper en dieper den indruk van eene grenzenlooze, hopelooze somberheid....... Noemwit, niet zwart, de verf des doods. In zwart liggen alle tinten verholen; uit het diepste zwart flitst te voorschijn de vuurgloed der hel:—warmte, leven dan toch. Maar wit is de ledigheid, de ijlheid—, het koude, stoffelooze, wezenlooze Niet.
Het is moeilijk te zeggen, ja dan neen, of deze zelfde gedachte ook dominee Malthus door het hoofd maalde, terwijl hij daar zoo zat te staroogen in het doffe verschiet. Te vermoeden valt het veeleer, dat op dit oogenblik zijn brein in eenen toestand van werkeloosheid verkeerde, of, zoo het al met iets bezig was, dan met mijmeringen even vaag en flets als de streep langs welke de bleeke aarde en het bleeke zwerk samenvloeiden daarginds aan de noorderkim.
Intusschen—nu opeens keek hij toch naar iets, en zeer aandachtig. Juffrouw Dientje, zijne oude huishoudster, had namelijk een overschotje van het middageten uit het keukenraam gegooid, voor de muschjes, die verkleumd tusschen het groen van een paar hulstboompjes scholen. De hongerige diertjes vlogen er gretig op af; maar nauwelijks hadden zij al tjilpend hunne vreugde te kennen gegeven over het onverwachte maal, of daar kwamen uit de iepen een paar ruwe snuiters van kraaien neergestreken, die het arme kleine grut met snavelstooten verjoegen, en nu aan het voedsel zich tegoeddeden met echten bandietenlust. „Vort, leelijkers, vort!” riep Berendina, ten toppunt van verontwaardiging. De roovers slokten er slechts te gulziger om. Eene pantoffel plofte tusschen hen neer in de sneeuw;—zij hupten even zijwaarts, doch hervatteden terstond hun festijn. Toen ondernam mejuffrouw Dina persoonlijk eenen uitval, ten einde de drieste schurken te verjagen. Te laat! Het leste brokje aardappel was juist in eene der zwarte snebben verdwenen.
De dominee glimlachte bitter. Zoo treffend paste dit kleine tooneel in het kille, meedoogenlooze winterlandschap. Was het geene satire op de leer die hij morgen weer verkondigen zou in zijne kerk: de leer van deliefde en van der liefde almacht: de leer van dien Vader der Schepping, zonder wiens wil geen muschje ter aarde valt?—Zie! hier was nu deze Schepping: eene barre ijsklomp, voor geen vogeltje zelfs maar een kruimpje voortbrengend. En daar was ook de liefde. Zie! Wat zij offerde voor de muschjes—de kraaien gingen er straffeloos op te aas.... Toch, eene satire is nooit meer dan eenehalvewaarheid. Want de ware liefde laat niet af. Zie wederom slechts! Juffrouw Dientje was naar buiten gegaan, om nogmaals haren beschermelingen wat voor te werpen. Mocht ook die tweede poging mislukken, zij waagt er eene derde. Gij kunt zeker zijn, dat zij dien namiddag hare breikous niet voor den dag gehaald en hare voeten niet op haar warm stoofje gezet heeft, alvorens zij de muschjes had verzadigd.
Dit tweede bedrijf van het stukjemorale en action, waarbij zijne getrouwe huisverzorgster en het vogelenheir de hoofdrollen vervulden, had den predikant weer een weinig opgebeurd. Hij rees van zijnen stoel, en bemerkte nu dat hij al mijmerend een stuk papier had saamgevouwen tot eene veelhoekige meetkunstige figuur. Onwillekeurig bracht hij het velletje tot zijne oorspronkelijke gedaante terug, sloeg een oog op den gedrukten inhoud van het verfrommelde strooibiljet, en las als volgt:
„Op Zaterdag den 17 Januari (volle maan) in het lokaal van Ari Harmsen, te Polderbroek,
Groote Voorstelling
door het gezelschap Acrobaten, Pantomimisten,Café ChantantesenVaudevillisten, onder directie en met medewerking van den heerVincentio Buonaventura, eersten bariton van de grooteOpera della Scalate Milaan. Schitterend succesin het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam, in het Feestgebouw te Rotterdam en inLa Sodalitéte Antwerpen.”
Dominus Malthus fronste de wenkbrauwen. Hij was voorwaar geen kunst-verfoeiend puritein; maar juist als vurig muziekvriend had hij van den tingeltangel eene niet uit te spreken walg; en dat die inrichting nu al aan de steden niet meer genoeg had, doch het platteland begon af te stroopen, om ook de boeren te verliederlijken—dit vond hij treurig en ergerlijk. En deze orgie van gemeenheid, deze muziekmoord en kunstbezoedeling zou hier plaats hebben naast zijne deur! Buurman Harmsen, anders een degelijke kerel, leende daartoe zijne eerzame bovenzaal!—En het brutale program van al die ploertigheid had zich zelfs eenen weg gebaand tot in de pastorie: tot in des dominee's studeervertrek, waar hij zijne preeken schreef, waar zijne boekenkast naast zijn harmonium stond, waar de portretten van zijne groote dichters en kunstenaars geschaard hingen aan den wand!—Hoe kwam dit vieze vod hier tusschen zijne vingers? Vermoedelijk doordien hij het in zijne verstrooidheid had opgenomen van de tafel. Maar hoe dan was het op zijne tafel verdoold geraakt?—Dáárover moest de huishoudster ter verantwoording geroepen worden. De heer Malthus schelde. Berendina kwam.
„Zeg eens, Dientje”, begon hij, op eenen toon waarin hij vergeefs zekere strengheid poogde te leggen: „Ik vond hier dit papier liggen. Weet ge daar van?”
„Dit pampiertje?” vroeg mejuffrouw Dina, terwijl zij haren bril in positie bracht en het bewuste stuk uit de hand van haren meester overnam: „Dit pampiertje?—Ik weet van niets, dominee. Er is niets bezorgd. 't Heeft dan zeker tusschen de krant gezeten.”—Maar toen zijde eerste regels gelezen had, steeg haar het bloed naar het hoofd.—„Wel goddeloos!” riep zij, de armen over hare maagstreek kruisende: „Wie had er nu zoo iets van Arie Harmsen kunnen denken!—Kijk er eens hier!”—en zij begon uit het programma der voorstelling de zoodanige nummers af te lezen, die het levendigst hare verbolgenheid gaande maakten.—„Arabische luchtsprongen, uit te voeren door mesjeu Lamberti.En dat nog wel een gewezen ouderling!”—doelende niet op Monsieur Lamberti, maar op Arie Harmsen.—„Numero drie:Coupletten, „Als men iets verloren heeft”, te zingen door mammezel Celestine.Moesten de sletten zich niet de oogen uit haar hoofd schamen!—Numero zeven:De Broedermoord, of de Doodslag van Kaïn aan zijnen broeder Abel, tableau-vivant met bengaalsche verlichting.Ziedaar nu! niet eens Onze Lieve Heers eigen woord kunnen ze buiten het spel laten, die aterlingen! Numero negen:Duo uit de opera Don Juan: „Reik mij de hand, mijn leven!” voor te dragen door den heer Vin.... Vincentio Buona.... Buonaventura—een mooi avontuur, ja, op den avond vóór den Zondag!—en mammezel Celestine voornoemd.Nu, dat lievertje zal wel niet neen zeggen. Maar ik voór mij, eer dat ik me met zoo'n schorriemorrie——”
De goede juffrouw had in haar vuur niet opgemerkt hoe de dominee, die eerst maar met een half oor toegeluisterd had, plotseling, haast als met eenen schrik, aandachtig was geworden bij de vermelding van dit nummer negen op het biljet.—„'t Is wèl, Dientje”, zeide hij, met een kalmeerend handgebaar: „laat de rest nu maar ongelezen. We zijn dwaas, er ons zoo warm over te maken!”
„Warm over maken?” hernam Berendina: „Zou ik medaar niet warm over maken, over zulke spectakels, haast op den drempel van Gods huis, en dat wel op den avond vóór dat dominee preeken moet!—O dominee! dominee! dat er nu toch geen wet of geen autoriteit bestaat om zóó iets te verbieden!—Zie er eens aan! Dan geven ze ook nog een komedie-stuk.Kijk! „Frans en Fransientje, of het scheurtje in het kamerschut”, voddeviel met zang in één bedrijf.En dan—alsof 't dan nóg niet genoeg was—dan moeten ze nog dansen. Jawel! dan moeten me die lompe machines van boeremeiden——”
„Genoeg, Dientje, genoeg!” viel dominee haar glimlachend in de rede: „Ga nu heen: ik moet studeeren. En neem dit papier maar weer mee. Of neen—ge kunt het nú ook wel hier laten.”
„Zeker, dominee, zeker!”——en het trouwe schepsel had, onhoorbaar, de kamerdeur reeds achter zich gesloten. Geen hooger machtwoord toch voor juffrouw Dientje, dan dat de dominee „studeeren moest”. Voor des leeraars studie koesterde zij eenen onbegrensden, bijna godsdienstigen eerbied. Zij stelde zich voor hoe hij daar dan ging zitten in zijnen armstoel, met zijne lange pijp in den mond, om, als uit den hooge bezield, die stichtelijke predicaties neer te schrijven, die schoone gedachten uit te denken, die troostende waarheden te vergaren, waarmede hij elken zondag-ochtend haar ontvankelijk gemoed verkwikte. De stille, altoos zachtzinnige grijsaard, met wien zij de vijftien jongste jaren haars levens in schier volslagen afzondering gesleten had—hij was haar afgod. Zij aanbad zijnen persoon, en (uiterst zeldzaam geval bij lieden van haar slag en in hare betrekking) ook zijne leer aanbad zij. Zich het Nederlandsche Gereformeerde Kerkgenootschap te denken zonderhem, was voor Dientje even onmogelijk, als zich hare keuken te verbeelden zonder hare glanzende koperen braadpannen; en hoe Onze Lieve Heer het stellen zou op aarde, als dominee Malthus er niet meer was—ziedaar een vraagstuk in hetwelk zij zich maar liever niet verdiepte.
Hadde zij thans echter zich zóóver kunnen vergeten van door het sleutelgat te gluren, dan zou zij bespeurd hebben dat dominee's studeeren, terstond na haar vertrek, zich richtte op heel iets anders dan zijne leerrede voor morgenochtend of morgenmiddag. De heer Malthus had het strooibiljet van den tingeltangel weer van de tafel genomen; hij staarde er eene wijle op, diep in gepeins verzonken, en ging er vervolgens mee op en neer loopen, neuriënd, zachtkens voor zich heen, den onvergankelijken minnezang uitDon Giovanni:
„Là ci darem la mano,Là mi dirai di si.”
„Là ci darem la mano,Là mi dirai di si.”
Daarna zette hij zich in zijnen armstoel bij den haard, wierp brandstof op het vuur, en blikte, altoos nog met het papiertje in de hand, in den opflikkerenden gloed.
Wat hij er in zag?——Och, wat ziet men in het vuur van zijnen haard, wanneer men oud geworden is, en eenzaam op eenen grauwen winterdag in zijne kamer zit, en zoo juist een liedje geneuried heeft, waaraan de geur nog hangt van den bloeitijd eener wilde jeugd?
Dominee Malthus dacht aan iets, dat hem eigenlijk geen enkel uur uit de gedachten bleef, maar dat thans met eene ongewone levendigheid zich opdrong aan zijne herinnering.
„Là ci darem la mano!....”Veertig jaren her—jawel, het was veertig op eenen prik—, had zekere Lodewijk Malthus, student in de godgeleerdheid, het hooren zingen in den schouwburg van Neerland's grootste academie-stad. Daar kwam toen maandelijks eene Italiaansche opera-troep uit Amsterdam spelen. Op eenen avond gaven zeDon Giovanni. De bariton was voortreffelijk; Donna Anna eene fieregrandézza; Zerlina een snoepig bekje. De jonge theologant echter had oog en oor slechts voor Donna Elvira, de tragische.
Deze dame behoorde dan ook ontegenzeggelijk tot de belangwekkendste artisten van het gezelschap. Geene schoonheid naar den regel—maar een weelderige bouw, gloeiende oogen, eene milde altstem, een hartstochtelijk spel. Zij was het kind van eenen Berlijnschen bierkneiphouder, tijdens de kracht zijner jaren in zekere kringen eenige vermaardheid verwierf door zijn vermogen omweissbierte zwelgen tegen drie brouwersknechten op, en van eene Veroneesche moeder, wier veelbewogene jeugd begon met het vlechten van stroohoeden, en eindigde op de planken van een klein theater, waarna zij eerbaarheid gevonden en zwaarlijvigheid opgedaan had onder het echtelijke dak van den eigenaar der bierhalleZur goldenen Bratwurst. De dochter uit dit huwelijk sprak dus zoo vloeiend als haar vader het zuiverste Berliner Duitsch; en tevens zong zij zoo vlot als hare moeder de taal van den zwaan van Pesaro en van denAbbate del Ponte. Haar eigenlijke naam luiddeLotchen Müller; doch in de kunstwereld kende men haar niet anders dan alsCarlotta del Mulino.
Carlotta nu, alsDonna Elvira, overtrof dien avond zichzelve. Het was of zij meer dan ooit hare ziel legdein wat zij zong. Toen zij opkwam in hare zwartemantilla, en hare heerlijke aria voordroeg:
„Mi tradi quell' alma ingrata,quell' alma ingrata—”
„Mi tradi quell' alma ingrata,quell' alma ingrata—”
toen scheen zij inderdaad weg te krimpen van wee over hare rampzalige liefde voor den onverlaat die haar ten gronde richtte. Zij zag zoo bleek; zoo welsprekend was elk harer wanhopige gebaren; zooals hetechtesnikken van smart klonken de tonen harer weeke stem. Het gansche publiek schreeuwdebrava! bravissima!en klapte in de handen, opgetogen over zóóveel waarheid in de kunst. Alleen de student Malthus, hoewel hij slechts om harentwille scheen gekluisterd te zitten aan zijnen stoel in eene der achterste loges, verroerde hand noch lip. Toch had Elvira's zingen blijkbaar op niemand eenen dieperen indruk gemaakt, dan juist op hem: toch deed die kunst, die zoo het stempel van waarheid droeg, geen muzikaal gemoed in de gansche zaal heftiger meetrillen, dan juist het zijne..... Roerend schoon had Elvira ook in de balkon-scène gezongen; en vervolgens nog in het onvergelijkelijke sextet. Het was (men zeide het algemeen) eene puik-opvoering van Mozart's wonderwerk. Ongelukkig—tegen het eind moest er toch een kleincontretempszich voordoen. Nadat de gordijn was opgehaald voor de tweede finale, kwam namelijk de regisseur aankondigen datSignora del Mulinodoor overspanning plotseling onpasselijk was geworden, weshalve het geëerde publiek haar zeker wel haar laatste optreden bijDon Giovanni's avondmaal goedgunstig zou willen kwijtschelden. Het geëerde publiek, volstrekt niet goedgunstig, mompelde dat het niets was dan eene kwade bui van deSignora, die wel meeraan zulke plotselinge onpasselijkheden leed. Lodewijk Malthus echter had nauw de mededeeling van den gerokten man vernomen, of hij was uit zijne loge verdwenen. Hij ijlde achter de schermen, waar hij als een goede bekende toegang had. Dáár trof hijDonna AnnaenDon Ottavio, ZerlinaenMasettoen heel het personeel van mannelijke en vrouwelijke koristen in eenen staat van volslagen verwildering, door elkander loopend, elkaar iets in het oor fluisterend, de handen in de lucht slaande, met gesmoord lachen, met moeielijk bedwongen uitroepen van spot, verbazing en ergernis. Hij wilde de kleedkamer binnen. Maar voor de deur stond de heerimpresario, die hem drie woorden toevoegde, welke hem verstijven deden. DeSignorawas.... DeSignorakon.... In 't kort, de kunst derSignorawas maar al te zeer tot waarheid geworden; en de heer Lodewijk Malthus, die de opvoering vanDon Giovanniwas gaan bijwonen als toeschouwer, verliet haar als Don Giovanni in eigen persoon. Hem was achter de coulissen een zoon geboren.
De Utrechtsche burgerij kreeg eerst den volgenden ochtend lucht van het schandaal; en, gelijk zich denken laat—zij schaterde. De dames giebelden achter hare zakdoeken; de heeren sloegen zich proestend op hunne buiken. Drie weken lang had men er pret van. Het was dan ook——onbetaalbaar! kolossaal!—Die snaaksche Moeder Natuur had er eens eene grap mee willen hebben! Had zij haren tijd wel guitiger kunnen kiezen?—O Donna Elvira!Nú begreep men hoe het haar zoo ernst was met haar „Mi tradi quell' alma ingrata!” Ja ja! nú begreep men het!—En wie mocht wel de vader zijn van den jeugdigen Giovannino? Wie had er de rol vanDon Juan vervuld in dit àl te wel afgespeelde stuk?——Men kende en noemde hem weldra. Doch helaas! men had er het ware pleizier niet van. Want hij was gevlogen.
Trouwens, al zou hij gebleven, en van heel dit pelotonsvuur van hartelooze aardigheden het mikpunt geweest zijn—het zou hem luttel gedeerd hebben. Laat de wereld grinniken! Hare vroolijkheid is niet minder kortstondig dan wreed. Indien er op de overtredingen van den hartstocht geene ergere naweeën volgden, dan de vluchtige spot onzer medestruikelaars—wat zou het!
Neen, niet tegenover anderen: tegenover zichzelven had Lodewijk Malthus het zwaar te verantwoorden gehad. Zij toch, die hem al schertsend voor eenen Don Juan deden doorgaan, belasterden hem schromelijk. Hij was geen lichtmis—de statige jonge man, met het ernstige voorhoofd en de droomige oogen. Dit avontuur met eene tooneel-prinses was voor hem geen romanesk hoofdstukje in zijn levensboek, hetwelk hij later, zoo met een zuchtje en een lachje, nog af en toe eens overlas;—integendeel: het was in dat boek de ééne, de éénige bladzijde op welke iets geschreven stond—geschreven met tranen en met bloed. Al de bladen die er aan voorafgingen en er op volgden, waren ledig gebleven. Al de dagen vóór dien dag hadden hem een korte droom—al de jaren nà dien dag eene lange, lange rouw geschenen. Want hij had haar liefgehad, de jonge zangeres, uit geheel de diepte van zijne dichterlijke, innig muzikale natuur: met al de toewijding van een ridderlijk gemoed voor eene vrouw, welke het niet slechts aanbidden, maar ook redden kan. Dat die liefde, in het eerst zoo zelfverloochenend, ten slotte een verterend vuur gewordenwas—dit was meer háre fout geweest dan de zijne. Zij immers wilde wèl van hem aangebeden zijn, maar niet van hem gered. Niets had ernstiger kunnen wezen, dan zijne bedoelingen te haren opzichte. Hij had haar gesmeekt op zijne knieën, terwijl zij het pasgeboren wichtje in hare armen had, om toch haar eigen leven en het leven van dit schepseltje te beveiligen en te louteren door zijne vrouw te worden. Vergeefs! Zij had hem afgewezen. Als een wild theater-kind was zij gelukkig geweest: een wild theater-kind wilde zij blijven. Zijne liefde had haar eene pooslang geboeid gehouden; doch hare kunst en hare vrijheid waren haar dierbaarder. Niet voor het huwelijk was zij geboren—ten minste niet voor een huwelijk zooals deze Hollandsche minnaar vorderen zou: een huwelijk in vollen ernst. Hartstocht was de drijfveer van haar bestaan: maar een hart bezat zij niet. Want toen hij bleef aandringen—om hun kinds wille, om den wille vanhaarbehoud en vanzijnegemoedsrust; toen hij eenen toon aansloeg alsof hij haar wildedwingenom met hem in een nieuw land een nieuw leven te beginnen—toen klopte hij op eenen goeden ochtend vergeefs aan hare deur. Zij had voor hem een briefje achtergelaten, waarin zij hem meldde dat zij was weggereisd; dat hunne banen elkander gekruist hadden als twee vuurpijlen, maar van nu af weer uiteenliepen; dat hij haar dus nooit terug zou zien; en dat hij moest trachten haar zoo snel mogelijk te vergeten, gelijk zij het zeer stellig hem zou doen.—„Wij hebben”, schreef zij, „elkander eenige uren bezorgd van gelukzaligheid. Zou dit nu eene reden moeten wezen om elkaar geheel de rest van ons leven ondragelijk te maken?”—Wat het kind betrof, zoo deed een postscriptum hem weten dat zij het haduitbesteed bij boerenlieden in zeker Hollandsch dorp. Verkoos hij de opvoeding van den kleinen Ludovico (zoo had zij hem genoemd) voor zijne rekening te nemen—niets zou haar liever wezen. Haar beroep toch was wisselvallig, en hare toekomst onzeker. „De jongen”, voegde zij er bij, „moet eene stem in de keel hebben. Zorg dat er een fameuse Don Giovanni uit hem groeit!”
O oogenblik van harden strijd tusschen plichtbesef en zelfzucht in den jonkman!—Het eerste echter zegevierde. De meesten in zijn geval zouden gemeend hebben dat zij tegenover eene vrouw als déze nu genoeg hadden gedaan om des gewetens wille. Hij niet. Na zich vergewist te hebben dat het kind goed bezorgd was, reisde hij haar na. Maanden lang zocht hij haar aan alle Duitsche theaters. Ten leste vond hij haar terug, onder eenen anderen naam, als primadonna in eene Hongaarsche stad. Zij schrok van hem toen hij haar aansprak, meenende dat hij haar vervolgd had om het verleden haar voor de voeten te werpen. Doch toen hij haar nogmaals bezwoer terug te keeren tot haren plicht als moeder en als vrouw, en wederom zijne min en trouw haar aanbood in ruil voor de hare—toen lachte zij hem uit in zijn gezicht. Hare trouw?—Hoe kon zij geven wat niet in haar was!—Hare min?—Die had zij immers eenen anderen alweer geschonken!—Had hij dan haren brief niet begrepen?—Overigens kon zij hem niet lang te woord staan. De jonge Bojaar, wiens bezoek zij wachtte, kon elk oogenblik komen. En de man was als een tijger zoo jaloersch.... Dit was hunne laatste ontmoeting geweest. Diep verslagen aanvaardde hij de terugreis—genezen van zijne liefde, doch met eene ongeneesbare wonde in de ziel.
Twee jaren sleet Lodewijk Malthus doelloos en lusteloos in de hoofdstad. Zijne ouders hadden hem eenig vermogen nagelaten; broers of zusters bezat hij niet; aan niemand dan zichzelven was hij dus rekenschap schuldig van zijn doen. Na verloop van dien tijd echter was de zin weder in hem ontwaakt om zijne vroegere studie—in welke de kennismaking met Carlotta zulk eene min harmonische storing had gebracht—te hervatten. Sterker dan te voren was in hem weder de roeping geworden tot het predik-ambt, als het éénige dat strookte met zijne teruggetrokkene en toch sympathieke natuur, het éénige ook waarin hij meende nog nut te kunnen stichten. Persoonlijke eerzucht had er nooit in hem gewoond: tot krachtig arbeider, ontbrak hem de innerlijke prikkel zoowel als de uiterlijke drang; doch het stille, beschouwende leven in eene landelijke pastorie, met de natuur en zijne boeken en muziek tot gezelschap, en op zijne schouders geene zwaardere taak, dan een aantal eenvoudige lieden met wat zachtheid te vermanen en met wat hartelijkheid op te beuren—zie! dit lachte hem toe als eene vluchthaven na den storm, en tevens—laat mij het er bijvoegen—als eene soort boetedoening door ontzegging. Hij deed zich derhalve, op vijf-en-twintigjarigen leeftijd, nog als student inschrijven aan eene andere universiteit. Ook dáár woei het gerucht van zijn opera-avontuur hem wel na—maar och! niet tot zijn nadeel. In de oogen der jongen immers hechtte het hem de riddersporen aan de hielen; en in die der ouden——bah! zij verkneukelden zich nog eens over hunne eigene pekelzonden, en herinnerden zich meteen hoe er, van den heiligen Augustinus af, steeds uit de wildste studiosi de kloekste theologanten gegroeid waren...... Hij liet hen allen denkenwat zij wilden. Hij promoveerde; wachtte nog een paar jaren op een beroep; en zag zich eindelijk (en zelfs dit nog niet zonder veel moeite: want hij schitterde noch door het geijkte preektalent, noch door de gangbare orthodoxie) als herder en leeraar aangesteld in een Geldersch dorp aan de grens. Hem was het wèl zoo. Voor eene aanzienlijker standplaats zou hij bedankt hebben. Hij had gevonden wat hij wenschte: een rustig plekje, ver van de wereld, waar hij op zijne eigene stille wijze leven en arbeiden, mijmeren en musiceeren—kortom, zijne medemenschen en zichzelven stichten kon.
Onder die bedrijven begreep hij dat het hoog tijd geworden was om het lot van Carlotta's kind zich nader aan te trekken. De jonge predikant had geen oogenblik geweifeld over hetgeen hem op dit stuk te doen stond. Hij haalde het jongsken weg van zijne boersche pleegouders, en nam het bij zich in huis, voor niemand er een geheim van makend dat het zijn zoon was: vast besloten om door alle middelen binnen zijn bereik het levensgeluk van deze vrucht zijner rampzalige minnarij te verzekeren. De goede gemeentenaren keken wel vreemd op, en staken de hoofden bij elkander; maar daarbij bleef het. Die Gelderslui waren een schappelijk slag van menschen. Sommigen zeiden dat het royaal was van den dominee; en de anderen vonden de zaak niet erg genoeg om zich er voor in het harnas te steken. De dominee leefde immers voorbeeldig; hij preekte hun naar den zin; hij was gul voor de armen, innemend in den omgang, zachtmoedig in zijn oordeel over den naaste:—wat zouden zij dan gaan wroeten in zijn verleden? Laat men zich ook niet veel liever gezeggen door een gemoedelijk medezondaar, dan door iemand wien men het recht nietbetwisten durft van zich te plaatsen op het voetstuk van eenen heilige?—Bovendien, het bleek maar al te duidelijk: zoo de man gezondigd had, hij had er zijn kruis voor meegekregen.
Ja, dit kind van wilde passie was zijn vaders kruis. De kleine Ludovico werd hem door de boerenlieden afgeleverd als een bijster ondeugend perceeltje, waarmee al in de wieg geen huis te houden was. Nu, het zou wel aan gemis aan tact bij die brave menschen gehaperd hebben—meende de predikant. Hoe zou het fazanten-hoen in de ganzenkooi passen!....... Maar was hemzelven dan het opvoedkundige beleid, de kalme en toch onverzettelijke wilskracht geschonken, om deze woeste natuur te teugelen?—Hij moest er straks, tot zijn bitter leed, aan beginnen te twijfelen—te wanhopen. De knaap was onhandelbaar: hij scheen volslagen naar zijne moeder te aarden: enkel hartstocht—geen hart. Al wat geduld en zachtheid vermochten, werd door den vader beproefd. Strengheid alléén echter, ijzeren tucht had dit dwars gewassen riet kunnen rechtbuigen:—en dáártoe stond de hand van Lodewijk Malthus niet. Na eene lange, smartelijke worsteling, bij welke hij voelde dat hij meer en meer het onderspit dolf, moest hij het opgeven. Ten einde raad, deed hij den bengel op eene naburige kostschool, wier meester bekend stond om zijne vaardigheid als temmer. Helaas! Monsieur's methode was aan Van Aken's beestenspel ontleend: zijne overredingsmiddelen beperkten zich tot rotting-olie en hongerstraf. Toch zou het misschien nog zoo mis niet geloopen zijn, hadde het noodlot niet gewild dat er op het instituut, na verloop van een jaar of zoo, een nieuwe ondermeester moest in functie treden, die, uit het Sticht afkomstig, met geheelde historie van Lodewijk Malthus en Lotchen Müller, van Donna Elvira en Giovannino's merkwaardige geboorte, in kleuren en geuren bekend was. Deze snapper, tuk om zijnen patroon eens te doen bemerken dat hij méér wist dan tweemaal twee is vier, vertelde alles in vertrouwen aan den kostschoolhouder. Deze bracht het onder de roos aan zijne vrouw over. De vrouw weder aan hare oudste dochter; de oudste dochter aan de dienstmaagd; de dienstmaagd aan eenen kweekeling; de kweekeling aan eenen der scholieren; en de scholier aan al zijne kornuiten. Zoodat straks de zoon van dominus Malthus door zijne schoolmakkers niet anders meer toegesproken werd dan als Don Jantje, of wel, als Don Juan del Mulino. Hij ranselde zijne laffe beleedigers;—doch daar zij dertig tegen één waren, beliep hij slaag op slaag. Het gevolg van dit alles liet zich voorspellen. Op eenen fraaien ochtend had de dertienjarige Ludovico de plaat gepoetst.
Zijn vader reisde hem niet na over de landpalen. Hij had er den moed niet toe. Hij overdacht nog hoe hij met de moeder van dien jongen woesteling gevaren was—hij legde er het hoofd bij neder, met het gevoel, dat God hem nogmaals strafte voor de overtreding zijner jeugd, en dat hij deze tuchtroede ook ditmaal niet kon afwenden. Welkom was hem een beroep naar eenen anderen uithoek van het vaderland: naar den Noordhollandschen polder, waar hij rekenen kon dat niemand hem het drama van zijn leven tot een verwijt maken zou. De tijd trouwens had al gaandeweg de stoflaag der vergetelheid gestrooid over deze gebeurtenis. Wie spreekt er nog over drama's van twintig jaren geleden?—Indien wij slechts oud genoeg mogen worden, dan is er niets in ons leven, wat niet wordt alsof het nimmer geweest ware.
En Ludovico?—Het weinige dat de heer Malthus ooit omtrent den lotsloop van zijnen verloren zoon te weten gekomen was, stond vervat in den volgenden brief, die hem, nu acht jaren geleden, door de tusschenkomst van eenen neef en naamgenoot te Amsterdam was in handen geraakt:—
„Carissimo!—Van eenen handelsreiziger uit Amsterdam vernam ik dat gij toch nogpfarrergeworden zijt, en ongetrouwd gebleven.Du lieber Kerl!—en dat om mij!—Wahrhaftig, ik denk nog dikwijls aan u, nu ik vet ben geworden en mij vergenoegen moet met de duenna-rollen. Maar hoe vet ook, eene goede predikantsvrouw zou ik ook thans nog niet wezen.—Onlangs ben ik onzen Ludovico tegen het lijf geloopen. Wij werkten eene pooslang samen aan het Regensburger theater: ik als tweede alt, hij als derde bariton. Al had hij mij niet verklapt wie hij was, ik zou hem terstond herkend hebben aan mijn eigen neus en oogen; doch natuurlijk zeide ik hem dit niet. Waartoe zenuwschokkende familiescènes, wanneer men toch niets voor elkaar wezen kan, dan opeters!... Ach, mijn brave Ludwig! gij zijt goed voor hem geweest, en hebt het beste met hem voorgehad, evenals met mij;—maar wij Zigeuners van de kunst en van de liefde, wij hebben niet gewild. Intusschen moogt ge uw fatum danken, dat hij, evenals ik, van u weggeloopen is. Onder ons gezegd,Luduigo caro—wij leggen niet veel eer in met dat zoontje van ons. De schelm moet eene prachtige stem in den gorgel hebben gehad; maar hij heeft niet willen leeren, zelfs geenesolfeggi. Eens probeerde hij den Don Juan te zingen;—hij stuurde de heele voorstelling in het honderd, en men floot hem de planken af. Sedert heeft hij den dienst vanVenus afgezworen, en zich aan Bacchus gewijd. Hij zuipt,amico mio. Van zijn kostelijk orgaan bleven nog slechts eenige flarden over. Ik zie voor hem geen ander einde dan het hospitaal.Schade um den schönen Bursch! Aber—che volete!Hij is de zoon zijner moeder!...... Wat mijzelve betreft, maak u over mij niet bezorgd. Als ik op de planken mijn laatste kruit verschoten heb, dan zet ik eene bierkneip op, gelijk mijn onvergetelijke vader zaliger...... Gij inmiddels, voortreffelijke Ludwig, trek gij u niets van al deze dingen aan. Bewandel gij, eerlijkste aller menschen, in vrede uwen vromen levensweg. En zoo gij vlijtig bidt voor de arme zielen in hel en vagevuur—doe dan ook somwijlen eens een goed woord voor een paar zondaars, wien de duivel hier op aarde het vuur al warm genoeg stookt!—Carlotta.”
Inderdaad, het was weinig geweest—maar toch méér dan genoeg; het aanvullen van deze korte schets kon dominee Malthus wel aan zijne verbeelding overlaten. Steeds had hij zich gevleid met de hoop, dat de jongen wel zijnen weg zou gevonden hebben: als soldaat, als zeeman, als opera-zanger desnoods. Maar dit! Een verloopen korist!.... Hij had terstond aan Carlotta geschreven, om haar en haren zoon de geringe geldelijke hulp te bieden, welke nog in zijn vermogen stond: eene hulp trouwens, diezijniet behoefde, en die Ludovico niet baten kon. Noch op dien brief noch op eenen tweeden was éénig antwoord gekomen. Toen had de wroeging hem opnieuw het hart doen bloeden. Hij verweet zich dat hij niet genoeg gedaan had, voor dien knaap althans: dat hij niet krachtiger geweest was in zijnen plicht: dat hij, toen de jongen ontvluchtte, hem niet nagezet en met sterke hand gegrepen en teruggehaald had. De wareliefde laat niet af!—zoo had hij ook daareven immers nog gedacht, toen zijne huishoudster de hongere muschjes voederde met zoo taaie volharding. Was hij zelf in het groot naar dit kleine voorbeeld te werk gegaan? Had zijne liefde voor die twee ongelukkigen niet afgelaten? Had hij niets ontzien: naam, noch stand, noch persoonlijk gerief, noch het oordeel van de wereld—om van die twee het verderf af te weren, dat hij over hen had helpen brengen toen hij in wellusts armen de wereld vergat?
Het woelde hem alles door het hoofd—herinnering, en zelfverwijt, en machteloos leed—terwijl hij daar zat in zijne sombere kamer, met het papiertje in de hand, staroogend, beurtelings op de haast verglommen kolen van zijn haardvuur, en naar buiten in den winternacht.
Eindelijk rees hij van zijnen stoel, zette zich in het duister aan zijn harmonium, en speelde met zachte registers:
„Là ci darem la mano,Là mi dirai di si.”
„Là ci darem la mano,Là mi dirai di si.”
En de toovermacht der melodie vaagde de nevelen weg van zijnen geest, zijne knagende smart verkeerende in stillen weemoed. Al voort-orgelend, voelde hij eenen zonnestraal doorbreken in het donker van zijn binnenste. Hij voelde de zaligheid der jeugd weer opbruisen in zijne aderen, Carlotta's kussen weer branden op zijne lippen—en Mozart's geest zwevende boven hen beiden, bemiddelend, bij den God die immers ook de min ontstak in der menschen harten:—„Vergeef hun! Zij waren jong!”
Dit echter was juffrouw Dientje niet gewoon, dat dominee op Zaterdag-avond, wanneer hij zijne preek placht te „memoriseeren”, zich vermeidde met orgelspel. Een koraal of een preludium had er misschien mee doorgekund; doch een lied van zóó wereldschen toon.... Desniettemin haastte zij zich naar het studeervertrek, om, volgens gewoonte, een paar kandelaars te ontsteken, en die aan weerszijden van de toetsen neer te zetten. Terwijl zij dit deed, brak de dominee plotseling zijn spelen af. En toen zij daarop vroeg of „dominee nog iets beliefde”, gaf hij geen antwoord, maar keek haar aan met zulk eenen vreemden glimlach, met zoo iets afgetrokkens in zijne oogen, dat de goede ziel den moed niet had om hare vraag te herhalen.—„Hij heeft zeker eene overheerlijke gedachte in zijn hoofd”, mompelde zij bij het nederdalen naar de keuken: „zoo'n gedachte alsof de engelen uit den hemel ze hem hadden ingegeven!”—Reeds spitste zij zich op de preek van morgen. En zij zou het zich even zwaar hebben toegerekend, haren leeraar bij het uitwerken zijner rede te storen, als een lekkerbek het eene zonde geacht zou hebben zijnen kok uit de keuken te roepen te midden van de bereiding eener kostelijke truffelpastei.
Een half uur later echter, toen zij dominee zijne thee bracht, trof zij hem bij het raam zittende, en welgevallig de sleden in oogenschouw nemende, die uit de vier richtingen van den kruisweg met hare vrachten „concertbezoekers” kwamen aangestoven. Het waren meest plompe baksleden; maar er liepen knappe paarden voor, die inhun tingelend tuig blijkbaar even veel schik hadden als een kind in zijne rinkelbel. De boereknapen schreeuwden elkander toe; terwijl hunne roodwangige en breedgerokte vrijsters groepjes vormden op het brugje over de sloot, om dan, gearmd, al gichelend naar binnen te hollen, zoo vlug en sierlijk ongeveer als eene kudde vaarzen die men in de klaver drijft. Baas Harmsen had, tot opluistering van het feest, en mede tot het practische doeleinde van verlichting, aan weerskanten van zijn hek een paar brandende pektoortsen in den grond gestoken, wier walmende vlammen het geheel in eenen helrooden gloed wikkelden, in schilderachtig contrast met het bleekgrauwe duister van den besneeuwden achtergrond. Een verbazende ommekeer, na de kleurlooze, roerlooze stilte van een uur te voren.
„Wat een oploop!” riep Berendina. „'t Is of er de zaligheid mee te verdienen valt!”
„Och”, sprak de predikant vergoelijkend: „de meesten zijn jongelui, zie ik.”—Hij wist immers zelf zoo goed wat het zeggen wil, jong te zijn.
„Als ze ooit maar zoo druk naar de kerk liepen!” hernam juffrouw Dientje.
„Nu—de kerk hebben ze altijd bij zich.... En wie weet”, liet de dominee er op volgen:—„Misschien ligt het wel aan mijne manier van preeken, dat de opkomst niet meer is als vroeger. Ik word oud, Dientje. Ik voel wel dat ik den geest van het jonge geslacht zoo niet meer vatten kan. Als men eenmaal de zestig achter den rug heeft—”
Doch verder wou Dientje niet hooren. Haar leeraar aldus zelf twijfelend aan datgene wat voor haar zoo vast stond als de kerktoren: de onovertrefbaarheid van zijnepreeken—dit was de bescheidenheid wat al te ver gedreven.—„Foei neen!” riep zij: „zóó mag dominee niet spreken!—Maar ik zie het wel: dominee haalt zich van avond allerlei muizenissen in het hoofd!—Kom! die mooie vertooning bij Arie Harmsen is begonnen. Laat mij den boel nu eens wat opfleuren: dan kan dominee aan den slag. 't Is niet goed voor een mensch, zoo alleen in het donker te zitten turen!”—Meteen paarde de trouwe zorg de daad aan het woord. Zij stak de lamp aan, liet de gordijnen neder, legde haar meesters lange pijp naast zijnen tabakspot, schoof zijnen stoel bij de schrijftafel—en wenschte dominee verder „eene gezegende studie”; hetwelk zooveel gezegd was als: „Nu niet langer gesuft en getreuzeld! Aan uwe preek!—anders zitten ik en uwe gemeente morgen zonder!”
De waarheid was, dat de heer Malthus dien avond geene nieuwe preek behoefde gereed te maken, aangezien hij van zins was zich morgen maar eens met eene oude te behelpen. Onder het uitkijken echter naar de bezoekers van Signor Buonaventura's concert, had hij plotseling den lust in zich voelen opkomen om zijne kudde eens te onderhouden over een onderwerp, dat in eene dorpskerk al zeer zelden tot tekst dient, maar dat morgen in dezijnenu juist bijzonder van pas zou komen:—de kunst, en haar invloed op het leven van den mensch. Kon hij den tingeltangel niet weren, hij zou ten minste het onding in al deszelfs gedrochtelijke leelijkheid ten toon kunnen stellen, en daar nevens in reine vormen het beeld ontwerpen van hetgeen waarlijk schoon en liefelijk is. Het landvolk zou er misschien luttel van meedragen; maar licht toch zou er een woord of een wenk hier en daar in goede aarde belanden. Hoe hetwezen mocht—het denkbeeld sleepte hem mee: de stof bezielde hem.
Geen wonder. Was hij er niet altoos nog vol van? Kon hij over deze zaak niet spreken uit rijke, al te rijke ervaring?—Muziek was levenslang zijne aangebedene geweest; en zijn verleden had meegebracht dat hij de wereld der muziek doorwandelde in al hare rijken: van het hoogste tot het laagste. Hij had menschen vol schoone belofte zich zien verliederlijken in hare prostitutie; en anderen, die der vertwijfeling nabij schenen, had hij redding en heil zien vinden in haren eeredienst. Behoorde hij zelf niet tot die laatsten? Was diezelfde kunst, die hem in zijne jeugd op een struikelpad gelokt had, en die hij later bij zijne omzwervingen had leeren kennen in hare diepste vernedering, als eene verworpelinge, eene veile, schaamtelooze voetwisch—, was diezelfde kunst, van alle zinnelijks gelouterd, niet zijne troosteresse geworden, zijne heilige, zijne godin?—Ja waarlijk! over kunst en hare zedelijke waarde kon hij iets meepraten—zoo niet voor boeren, dan tot zijne eigene stichting allicht.
Hij schreef. Gedachte bij gedachte welde er op uit zijnen geest, sneller dan zijne pen ze kon neerkladden op het papier;—gedachten, waarvan hij er vele ook bannen moest, omdat zij geheel buiten de bevatting zouden gelegen hebben van zijne gemeentenaren. Want mocht hij soms vergeten hebben voor wiehijschreef—het zou hem wel herinnerd zijn geworden door den wind, die, allengs opstekend uit het noordoosten, telkens een flauw gerucht van het tieren in de nabijzijnde herberg tot hem overdroeg.... Het programma moest wel uitermate in den smaak vallen. Hoor! Werd temet dit algemeenegelach uitgelokt door hetgeen Frans en Fransientje van elkaar bespieden konden door „het scheurtje in het kamerschut”? Loonde wellicht dit daverende getrappel, vermengd met schor gebrul, het duo vanSignor Vincentio BuonaventuraenMademoiselle Celestine: „Reik mij de hand, mijn leven! Kom in mijn slot met mij!”——Och, och! „Là ci darem la mano!”—Men kan het voordragen op verschillende wijs: als een gevallen engel, en als een krolsche kater—gelijk men aan Eros offeren kan als eene Aspasia, en als eene straatdeern...... Maar dominee Malthus verdiepte zich hierin niet. Hij schreef. Hoe echte kunst uit God is, en tot God ons opvoert; hoe kunst-verachtersgelijk zijn aan hen die, hongerende, een hemelsch manna zouden versmaden—en kunst-misbruikersde zonde begaan, die er met straf bedreigd staat in het tweede gebod; hoe op het gemoed niets verfrisschender werkt danwarekunst, en niets verderfelijker danvalsche; hoe het ook aan den kleinste gegeven is, aan den veldarbeider in zijne hut, aan den landman op zijne hoeve, kunst te beoefenen, aan de bron van het eeuwig liefelijke zich met eene teug te laven, elk naar zijnen aard, zijne behoeften en zijne vermogens—dit alles schreef hij neder met gloed en klaarheid.
Middelerwijl scheen daar naast het concert afgeloopen te zijn, en de dans eenen aanvang te hebben genomen. De al aanzwellende noordooster toch woei af en toe de gillende tonen over van eene viool en eene klarinet—arme instrumenten, die in hunne betere dagen misschien eervol hadden dienst gedaan in eene symphonie-orkest, en nu te klaaglijker jankten over de vernedering van te moeten opspelen bij eene klompen-polka....... Maardominee Malthus lette er niet op en ergerde zich er niet aan. Hij schreef.
Het uurwerk op den schoorsteenmantel sloeg twaalf—: en de preek was af. Nooit had de dominee geschreven met zooveel bezieling; en toch nooit ook had hij eene preek opgesteld, die zóó weinig op eene preek geleek, als deze. Innig tevreden over zijnen arbeid, wilde hij ter ruste gaan; hij wilde insluimeren met het gevoel van bijna goddelijke weelde, dat den dichter, den kunstenaar, den leeraar vervult, wanneer hij met een goed stuk werk het bewijs mocht afleggen hoe de vonk in hem nog niet uitgedoofd is. Opeens echter werd hij uit de kalme vreugde van dit zelfbehagen opgeschrikt door een wild rumoer.
Wat was er?——
Bij Harmsen viel eene deur met eenen zwaren slag dicht; vensters werden opgerukt; schorre stemmen schreeuwden door elkander—een kluwen van rauwe vloeken en bitse uitroepen. Hier had men het obligate naspel van eene muziekuitvoering met dans ten plattelande: eene kloppartij.
Het was iets zóó gewoons, en de veldslagen van Noordhollandsche boerejongens, hoe rijk aan grof kanonvuur van verwenschingen, veroorzaakten in den regel zóó weinig bloedvergieten, dat de heer Malthus zeer zeker in deze gebeurtenis geene aanleiding zou gevonden hebben om zijne welverdiende nachtrust op te schorten—indien het hem niet duidelijk ware geworden, dat de strijdenden, langs den weg elkander nazettende, zich met groote snelheid over het brugje van de pastorie bewogen: dat daarop de wijkende partij zich in den rug zocht te schutten met behulp van dominees huisdeur, en dat aanstondsdus het gevecht op dominees stoep dreigde beslecht te worden. Dit liep den man des vredes nu toch te spaansch. Hij schoof zachtkens een raam open, stak het hoofd buiten, en zag (want de donkere gestalten teekenden zich tegen den sneeuwgrond scherp genoeg af) eenen man, die zich met eenen stok zoo goed hij kon verweerde tegen een drietal jonge kinkels. Het liet zich denken dat de aldus besprongene, uit de danszaal gegooid en verder met een duchtig pak slaag bedreigd, al vluchtende deze strategische beweging naar de pastorie had volvoerd, in de hoop van daar binnen, waar hij nog licht had zien branden, wijkplaats of bescherming te zullen vinden.
„Pakt beet den Spanjool!” brulden de boeren: „Wacht, snoeshaan, sinjeur Bonneventuur!—Als je avonturen wilt, hier heb je er een! We zullen jou leeren om een braaf Hollandsch meissie te behandelen als een....... Hier, schoelje! Draait hem den nek om, jongens!”
De aangevallene schold met heesche stem terug; zuiver Hollandsche scheldwoorden, die niemand dan een geboren Nederlander ter beschikking heeft, doch die hij uitsprak met eenen sterk Duitschen tongval. Tevens verdedigde hij zich als een wanhopige. Hij scheen in het schermen met den korten stok niet onbedreven, zoodat hij nog steeds het drietal op zekeren afstand hield. Eindelijk echter gelukte het eenen der boeren, hem achter den rug te komen. In eenen oogwenk was de rotting hem uit de vuisten gewrongen—lijf aan lijf grepen de woedenden elkander aan. Hunne schoppen en stooten bonsden tegen de deur.
Daar kon een moord uit worden, meende de predikant: want hem dacht dat hij in de hand des vreemdelingseen mes had zien blinken. IJlings stak hij eene kaars aan, greep uit eene kast—meer instinctmatig dan met bewustheid—een ouden maskerade-degen, haastte zich naar beneden, rukte de deur open, en stond op den drempel.
Zijn plotseling opdagen werkte op de worstelenden als een tooverslag: zij lieten elkander los, en deinsden hijgende achterwaarts. Licht verklaarbaar. Zooals de grijsaard daar stond, in zijne lange kamerjapon, blootshoofds, met bestraffenden blik, den degen in de rechter, den kandelaar in de linker hand, zweemde hij voor de drie boeren naar eene geestverschijning. Zichzelven echter, hadde hij zich in eenen spiegel weerkaatst gezien, moest hij op treffende wijze het beeld te binnen geroepen hebben van den Gouverneur in het eerste tooneel vanDon Juan, als deze naar buiten treedt om zijne dochter te ontzetten. Inderdaad, deze overeenkomst bleek ook terstond in het oog te vallen van den persoon, dien de boeren afgerost en Bonneventuur genoemd hadden.
„Davvéro!” riep hij, met een dronken lachje, te gelijk naar adem happend en zich met de mouw het voorhoofd afwisschend: „Davvéro!—il commendatore!”
Het kaarslicht viel op des sprekers gelaat——en de kandelaar plofte uit dominees hand op de steenen.
„Animo, Signore!” hernam de vreemde man, terwijl hij, om de onthutste boeren blijkbaar zich niet meer bekommerend, zich in postuur zette als een duellist:—„Hebt ge lust, oude patroon?—Frisch auf! Zieh' den Degen!Il CommendatoretegenDon Giovanni——ha ha ha ha ha!——Don Juan del Mulino!——Of wilt ge mij helpen tegen deze lompe vlegels, die zich zoo boos maken om een kus?——Nun!bedankt inmiddels voorde tusschenkomst.Buona notte!——En u ook, heeren”, (dit was tot de drie boerenlummels gericht)—„u ook, heeren!schönen dankvoor de hartelijkeaufnahme!—Addio!Wel te rusten!—Wir treffen uns schon wieder, Halunkenpack!”——Met dezen groet keerde hij zich om, en liep het brugje over, den weg op, terug naar Harmsen's herberg.
Dominee Malthus had nog geen woord gesproken. Eerst nu de vreemdeling uit het gezicht was, opende hij de lippen.
„Vrienden”, stamelde hij tot de boeren: „'t is zondag-nacht.... Gij hebt me .... erg doen schrikken. Gaat nu rustig naar huis .... en .... wat ik u bidden mag .... laat .... laat dien man verder ongemoeid.”
Hij sloot de deur, gaf op de vragen van zijne doodelijk ontstelde huishoudster geen antwoord, en waggelde de trap op naar zijne kamer, waar hij voor de sofa geknield bleef liggen.
Nu wist hij alles. Het lange gissen was knaging geweest. Maar de plotselinge zekerheid trof als een dolkstoot.
En als na slapeloozen nacht de ochtend grauwde voor dominee Malthus, sloeg hij zich voor het hoofd, zich nogmaals verwijtend zijne zwakheid, zijne lafheid, zijn plichtverzuim. Beklonken echter was zijn besluit in die bange uren. Wat hij gisteren niet hadkunnenvan zich krijgen, dat zou hij heden volvoeren—dezen zelfden dag nog, onverwijld. Er was gevaar in dralen. Die man kon heden zijnen naam vernemen, en tot hem komen met debedreiging: „Ik ken u: geef mij geld: of ik stel u op de kaak!”—Dit mocht niet wezen. Hij zelf wilde tot dien ongelukkige gaan, en tot hem zeggen: „Ik ben Lodewijk Malthus: ik erken u als vleesch van mijn vleesch: deel met mij wat ik heb!”—Daarna zou hij zich tot de wereld wenden, en openlijk verklaren, voor allen die het hooren wilden: „Deze ellendige hier, deze dronkaard, deze verloopen kermisschuimer, deze zedelooze potsenmaker—is (hoort ge wel?) ismijn zoon!”...... God wist wat het hem kosten zou! Zijn ambt, de achting zijner medemenschen, zijn gerief en zijne liefhebberijen—waaraan een grijsaard nog méér gehecht is dan een kind aan zijn speelgoed—, letterlijk alles! En dit voor eenen rampzalige, die toch door geene menschenmacht meer tot mensch te maken was...... Doch zóó zou het geschieden. Hoe zwaarder en oogenschijnlijk nutteloozer dit tweede zoenoffer wezen zou, des te meer kans dat het den Hemel aannemelijker zou zijn dan het vroegere.
Over een uur moest hij preeken..... Wat preeken!—Hij had heel zijn leven te veel al gepreekt. Nu eindelijk zou hij eens handelen!.... Maar stil: hij wilde ook hierin zijnen plicht vervullen tot het laatste. Preeken zou hij dus. Doch niet de preek die hij gisteren-avond zoo vol edel vuur had neergeschreven. Thans over kunst en wankunst te spreken, zou hem onmogelijk zijn, al hadde hij met elk woord zijn leven een jaar kunnen verlengen.
Het deed er trouwens weinig toe, wat of hoe hij leeraarde dien ochtend. Want de jongere helft zijner gemeente sliep hare roes uit van den vorigen avond; en de oudere helft bleef tehuis om den sneeuwstorm, die al wilder en dichter kwam aangereden sedert hetochtend-uur. Ware juffrouw Berendina niet in de kerk geweest, aandachtig voor eene gansche schare, de dominee zou in den kansel gestaan hebben voor stoelen en banken.
Terstond na kerktijd begaf hij zich naar Arie Harmsen, die zich al schrap zette toen hij hem naderen zag, verwachtende dat dominee hem een strafsermoen kwam houden wegens het gebeurde in dien nacht. Tot 's mans verbazing repte de heer Malthus over het geheele concert en bal geen woord, en wenschte hij enkel het adres te weten van den directeur der troep, Vincentio Buonaventura. Die inlichtingen kon de kastelein verstrekken:Monsieur Bonneventuur en gezelschap hadden hun hoofdkwartier opgeslagen in een armoedig logement van het naburige marktstadje; van daar uit bereisden zij de omliggende dorpen...... „Maar wat” (vroeg Arie Harmsen aan zijne vrouw) „wat drommel kon dit den dommenei schelen?”—Dien dag vroegen al de bezoekers van de herberg, en den volgenden dag vroegen al de bewoners van den polder elkander af: „wat, in liefdes naam, den dommenei nu toch met dien Spanjoolschen liedjeszanger kon uitstaande hebben?”
In het middaguur reeds was des dominees tuinman op weg naar de stad, met een briefje van zijnen meester aan den heer Vincentio Buonaventura, houdende verzoek aan dien persoon om zich dienzelfden dag nog te vervoegen bij den predikant, ten einde van dezen zekere omstandigheden te vernemen, voor hem, Buonaventura, van het grootste belang.
Zoo bracht dan elke schrede van den minuutwijzer het oogenblik der vreeselijke ontmoeting nader. En elk uur deed ook het noodweer nog aanwakkeren, daar buitenover de uitgestorvene velden. De gierende stormwind joeg de poedersneeuw schier horizontaal voor zich heen, of deed, wanneer een plotseling uitschietende zijwind hem in de flank tastte, haar opstuiven in toomeloos gedwarrel, om straks te woedender haar tegen den bodem te ploffen. De binten van het oude huis kraakten onder den last en den druk; het geboomte steende als in doodsstrijd.
Zou hij komen?—Geen twijfel.
Maar zou hijkunnenkomen?....... De dominee wachtte en keek uit. Zijne koortsige gejaagdheid maakte plaats voor eene onbegrijpelijke kalmte. Des te beter; kalmte juist zou hij wel noodig hebben. Toch speet het hem, dat hij geen uur had bepaald. Wachten is zoo pijnlijk—vooral wanneer men weet dat hetgeen er komen moet het pijnlijkst zal zijn van alles.
De schemering daalde; het duister viel. Niemand!—De avond verstreek; de nacht was aangebroken. Niemand nog!
Dien nacht ook weder kwam geen slaap den gemartelden grijsaard verkwikken. Hij bleef zitten wachten, of die man nog komen zou. Hij luisterde naar het razen van den storm, naar het ritselen van de scherpe sneeuwkorrels tegen de glasruiten. Elk rammelen van een venster, elk klepperen van een blind deed hem de ooren spitsen, ofschoon hij wel wist dat nu zijn wachten ijdel was. In het huilen der vlagen door den schoorsteen meende hij soms een kermend hulpgeroep te hooren—in het gieren der rukwinden over het dak, het wraakgeschrei der hellegeesten die Don Juan ten afgrond sleurden.... Eindelijk, verstijfd van koude, legde hij zich te bed, waar een stuipachtig sluimeren hem zwevendehield tusschen angstig waken en benauwd gedroom.
Des morgens was het weder bedaard. Vroeg reeds maakte hij zich op, gedreven door eenen martelenden angst, en tegelijk door eene heimelijke, ontzettende hoop,die hij met alle macht zocht terug te dringen in den afgrond van zijn binnenste. De angst was uit God, de hoop was uit den Duivel. Zóó zijn wij arme stervelingen geschapen.
Hij wilde naar het stadje. Rijtuig of slede kon door de opgehoopte sneeuw niet heen. Te voet ging hij dus.
Een moeizame tocht. Hier en daar was er haast geen dóórkomen aan den weg, die van de volgesneeuwde slooten nauwelijks te onderscheiden viel. De halve gang echter werd den wandelaar uitgespaard. Want ginds op het veld bespeurde hij een viertal mannen, zelf tot hunne heupen in de sneeuw verzonken, bezig met iets zwarts uit eene greppel te zeulen. Hij zag niet wat het was; maar hij voelde wat het wezenmoest...... „Triomf!” juichte de stem der zelfzucht in hem: „Lodewijk Malthus, gij kunt blijven wie ge zijt!”....... De schok deed hem wankelen. Bewusteloos zeeg hij neder in de sneeuw.
„Ja”, zeiden de boeren: „was dat nu ook een tocht voor den dommenei! Wat deed zoo'n ouwe man met zulk een weer nu alleenig op den weg!——Maar” (lieten zij er fluisterend op volgen), „dat hij zoo deerlijk bedroefd en verslagen stond bij het dooje lijk van dien dronken spullevent—dát was toch rarig, hè?”
Hij liet ook nu de menschen praten. Kalm, na die ééne losbarsting van vadersmart, heeft hij zijnen dooden zoon aanschouwd, toen het lijk was neergelegd in zijnestille binnenkamer. Dien nacht, bij het kaarslicht, had hij Carlotta's trekken in hem herkend, verwrongen door dronkenschap en strijd. Thans, nu de dood de rimpels van vermoeienis en uitspatting had weggestreken: nu de arme verworpeling daar rustte in zijnen eeuwigen slaap, koud en bleek, en schoon haast als zijne móeder in hare jeugd—thans was de gelijkenis nog sprekender.
Onwaardige moeder! onwaardige zoon!....... Maar wat!—Hijhad ze liefgehad, die twee onwaardigen! Boven alles op aarde had hij ze liefgehad!
Onder de iepen achter het polderkerkje ligtDon Juan del Mulinobegraven.
Vaak in den vroegen ochtend, of 's avonds in het schemeruur, slentert dominee Malthus achter het bedehuis om, en staat hij even in gepeins bij het schamele graf.
De oude man is nog stiller geworden. Maar Dientje—die trouw hare muschjes blijft voederen, en niet aflaat, al zijn de kraaien brutaal—, juffrouw Dientje verklaart dat hij in zichzelven gelukkiger is dan vroeger ..... vroeger, weet ge—vóór dat ongeluk met dien liedjeszanger, dat dominee zich zoo aantrok—niemand begreep waarom. „Ja ja”, zucht Berendina, als het hierover te praten komt: „We meenen elkaar te kennen—maar we zijn allemaal raadselen voor elkander; en God alleen weet wat ieder onzer zoo al in zijn binnenste verborgen houdt!”
Vaker dan ooit zit dominee Malthus aan zijn harmonium. Soms breekt hij plotseling den stroom van zijne geliefde koralen en preludiën af, om met zachte registers aan te heffen: