Harmonia.

Eenen groenen boom gelijk, die eene bron beschaduwt te midden eener brandende vlakte.

Het is verscheidene jaren geleden, dat ik op het kerkhof van een Hollandsch stadje achter de baar trad van eenen man, die mij zeer lief en eerwaardig was. Ik wil hem Werner noemen. De oude veste, zijne geboorteplaats, buiten wier wallen hij sluimert onder de groene zoden, heete Vreeburg.

Van beroep was hij musicus; van beroep, en van roeping—wat lang niet hetzelfde is. Het spijt mij, dat ik een uitheemsch woord moet bezigen om een juist denkbeeld te geven van 's mans werkzaamheid hier op aarde. Werner kon zich voor virtuoos niet doen verslijten; op beteekenis als componist mocht hij niet bogen. Maar hij had meer dan één instrument terdege in zijne macht; hij stond met recht bekend als voortreffelijk muziekonderwijzer en volleerd organist; en voor het dirigentschapwas hij al geboren. Ik weet dit alles niet beter saam te vatten, dan met het woordmusicus. Wil men liever dat iktoonkunstenaarzegge, mij is het wèl, ofschoon ik vrees dat deze lange en deftige term nooit het burgerrecht verkrijgen zal in onze van deftigheid zoo schuwe spreektaal.

Toen ik een jongeling was, en met zekeren trots mij telde onder zijne leerlingen, had Werner de zeventig al achter den rug. Maar het kostte moeite dit te gelooven, als men hem gadesloeg in zijn doen. Hoe menige levenszatte snuiter van even dertig had vanhemnog kunnen afzien wat jeugd is: jeugd van het lichaam en jeugd van den geest. Hoe frisch en groen was hij nog in zijne grijsheid, gelijk een eeuwenoude eik, die in de lente zich uitdost met nieuwe loovers. Ik heb den man nooit jong gekend, en toch, in den gewonen zin vanoudkan ik hem mij niet voorstellen.

Wanneer ik mij hem recht levendig voor den geest wil halen, dan sla ik niet mijn album open en tuur op zijne beeltenis—maar dan denk ik aan de kostelijke uren die ik met hem sleet, van mijn veertiende tot mijn een-en-twintigste jaar, elkenzaterdag-avondvast.

Wij maakten viool-duetten van Spohr, Hauptmann, Viotti; of keur van sonaten voor piano en viool; later, met twee andere liefhebbers, strijkquartetten. Een wonderlijk saamgebracht gezelschap, die eerste quatuor waarvan ik lid was! Achter de twee violen een grijsaard en een knaap; achter de alt een geneesheer, een man van rijpe, veelzijdige ervaring en ietwat cynische gemoedsstemming; achter de cello een dikke jonge pater, die te lui, en ik geloof ook te onverschillig was, om het in zijneKerk ooit verder te brengen dan tot kapelaan. „De vier jaargetijden”, zoo placht Werner het vierspan te noemen. Zichzelven zag hij daarbij voor den winter aan—hoewel er zeker in hem nog méér fleur en zonnigheid van de lente staken, dan in al de drie overigen te zamen. Het voorjaar was ik—versch uit den grond als eene paardebloem in April. Zijn weleerwaarde met de blozende ronde konen vertegenwoordigde den zomer; Esculapius den herfst. Die twee laatsten nu konden duchtig van leer trekken, zoo tusschen eenefinalevan Haydn en eenallegrovan Mozart. 't Was hak om hak—en raak óók, naar ik u verzeker. De medicus haalde papen en nonnen over den hekel; de priester veegde dokters en apothekers den mantel uit. Met bijtende scherts gingen zij dan elkander te lijf, de pater bij Molière, de arts bij Rabelais in den zadel;—een kruisvuur van geestige, maar toch goedige kwinkslagen—totdat Werner lachend tusschenbeide kwam met een: „Komaan heeren! gunt elkander den kost voor 't eten, en bederft elkaar de praktijk toch niet! Aan den slag!Andante con espressione!Als broeders er op losgestreken!”.... Inderdaad, wanneer zij weer speelden, was het enkel harmonie tusschen hen. In den grond mochten zij elkander ook hartelijk lijden, geloofden zij beiden in denzelfden God, en zouden zij pest en dood voor elkaar getrotseerd hebben—de dokter om des paters lichaam, de pater om des dokters ziel te behouden.

Het liefst echter musiceerde ik met mijnen braven meester alleen: want dan eerst was het musiceeren, en niets dan musiceeren, wat wij deden. Die man electriseerde mij. Hij had over de snaren eenen streek, waardoor ik meemoestalssecondo, fluks over de lastigstepassages heen, die ik bij het instudeeren vergeefs getracht had onder den duim te krijgen. Hij had op de toetsen eene voordracht, die mijn eigen spel mee bezielde en ophief, zoodat ik soms zelf (ja, 't klinkt zot!) welbravissimo!had willen roepen over het vloeiende van mijnen eigen toon. Spelen, spelen, naar onzer harten lust! en als er onder het rusten even gesproken werd, 't was over niets dan muziek en musici.—„Jongen!” begon hij dan, met eenen glanzenden blik naar de boven het klavier prijkende borstbeelden van zijne drie hoogst gevierde meesters—Haydn, tot wien hij nooit anders dan kortweg „vader” zei—Mozart, dien hij liefhad boven allen, en Phoebus Apollo noemde—en Beethoven, dien hij vreesde en aanriep als den dondergod, den Jupiter Tonans onder de componisten:—„Jongen!” begon hij, „wat waren ze toch machtig en groot! Hoe hadden ze toch alles, wat de goede God eenen kunstenaar maar schenken kan: wetenschap, vorm, melodie, hartstocht, teederheid, humor, vroomheid, gloed! En hoe gelukkig zijnwijtoch, dat we nà hen kwamen, om te mogen spelen wat zij voor ons schreven! En, jongenlief, wat arme zielen, wat beklagenswaardige stumpers zijn het toch, dieditniet mee aanhooren, niet mee begrijpen en genieten kunnen!”——Daarop volgde meestal de eene of andere anecdote, allersmakelijkst opgedischt; want van muzikale herinneringen, vroolijk en aandoenlijk, was hij vol—eene wandelende verzameling. Al spoedig echter brak hij zijn vertellen af, draaide zich om op zijne tabouret, greep in de toetsen, preludeerde, en riep: „Pak aan, amice, pak aan! We verbabbelen weer onzen kostbaren tijd. Dit goddelijkeadagioherhalen we nog eens! Breed, hoor! en pas op hetcrescendo, dat je ziel er uit zingt tot je Schepper!”

Halverwege den avond, tusschen klokke negen en tien, placht zijne goede vrouw boven te komen, met een paar glazen warmen drank voor de spelers. Zij zette zich in eenen der ouderwetsche stoelen bij het haardvuur, om te luisteren naar een nummer—te luisteren, als de erntfeste koppen aan den wand. „Wel, moedertje?” vroeg Werner haar, als het uit was, terwijl hij haar vriendelijk toeknikte: „Ken je 't nog?—We loopen op een eind, mijn kind! Maar hoe ouder wij worden, des te jonger klinkt mij deze muziek!”

En eens (ik mag het nú wel verklappen)—eens legde hij mij eene gavotte van Bach voor, en zei: „Jongenlief, strijk er eens op los!” Daarna trad hij op zijn oudje toe maakte voor haar eene klassieke buiging, nam haar bij de hand, en leidde haar ten dans met eene sierlijkheid, die menige achttiend'eeuwsche saletjonker hem niet verbeterd zou hebben. Zag ik wèl, dan hebben bij dit tooneel uit hunne jonkheid al de gepruikte portretten en busten hunne hoofden bewogen op de maat. Bach en Händel kropten hunne onderkinnen op. Phoebus Apollo schoot rondweg in eenen lach. Vader Haydn blies zich de magere wangen bol. Zelfs Beethoven's leeuwekop bleef niet rustig op zijn voetstuk. Om den strengen mond des machtigen viel eene plooi vol goedheid en humor. Als een vader op zijn spelend kroost, zóó blikte Jupiter Tonans welgevallig neder op dit paar huppelende grijze kinderen.

Beminnenswaardige figuur, die ik daar uit het verleden weer verrijzen deed! Hoe echt als kunstenaar, hoe edel als mensch!

Vraagt gij naar het geheim van dit blijmoedig en bescheiden wezen, dan wijs ik u op de geschiedenis zijner jeugd, en op de kunst zijner jeugd.

Het was een vreeselijke tijd, toen hij geboren werd; en ook jaren daarnà nog, terwijl hij opgroeide tot man. Met bloed werd de aarde gedrenkt; roode nevelen hingen over Europa, die geen licht schier doorlieten, dan de bliksems van het kanon en het flikkeren der zwaarden. Wie kon er denken aan de kunst der harmonie, daar de natiën elkander als wolven bij de keel hielden gevat? Wie kon er luisteren naar muziek, daar men steeds eenen roffel in het ééne oor had, en den donder van het geschut in het andere?

Toch zijn er geene jaren vruchtbaarder geweest voor de heilige Musica, dan juist deze twee of drie schrikkelijke decenniën, die de vorige eeuw sloten en de huidige openden. Het was of de poëzie, des Eeuwigen openbaring, juist dit tijdstip, waarop zij in ellende versmoord scheen, had uitverkoren om hare almacht te doen blijken ter vertroosting. Mozart was al dood; maar zijne hemelsche zangen, voor zijne tijdgenooten te hoog, begonnen te trillen door gansch Europa. En Beethoven schiep uit zijne jonge kracht. Vader Haydn kon zelf nog naar zijneSchöpfunggaan luisteren. Méhul en Cherubini wrochten onvergankelijks. Spohr verrukte de wereld met zijne tooverviool en zijn edel romantisme. Weber zette zich tot zijneFreischütz. Schubert dichtte lied op lied. En straks zou dester verrijzen van nog een ander die het menschdom verheugen en stichten zou met zijnen citherslag: Felix Mendelssohn Bartholdy. Ja! er waren er velen in die sombere dagen, die als machtige geesten op wolken wandelden, hoog boven 's werelds strijdrumoer—maar menschen toch, en weldoeners der menschen. Het waren dagen vol hartstocht en woede en smart—dagen vol jammer en vertwijfeling—maar zoo vol stout genot, zoo vol koene belofte toch!

En toen eindelijk de worsteling bij Waterloo beslecht had tusschen recht en roof, toen brak er voor het afgebeulde Europa een lange rusttijd aan, en voor de muziek een tijdperk, dat ik, in zeker opzicht, hare gouden eeuw durf noemen, omdat zij toen was wat zij tegenwoordignietmeer is: eene kunst der huislijkheid en eene kunst des vredes. Dit was de bloeitijd van het strijkquartet, van de gezellige huismuziek. De burgers hadden ook toen hunne zorgen en hun krakeel; maar éénmaal 's weeks schuddeden zij alle leed en leelijks af, wanneer zij te avond bijeenkwamen, en vriendschappelijk hun trio of hunnenquatuorvedelden, tot hunne zielen gelijk hunne snaren samenklonken in harmonie. Haydn en Mozart heerschten, met eene schaar van jongeren uit hunne school: en húnne kunst, wij weten 't, had het knarsetanden zich nog niet aangewend, het wroeten in raadselen, het vuistenballen tegen den hemel en tegen de menschheid en tegen zichzelve. Húnne kunst zocht en vond nog harewarebestemming: den horizon van 's menschen gemoed telouterenvan nevel—niet hem nog dichter te doen bestormen van jagende buien en dwarrelenden mist. Húnne kunst mocht in waarheid nog eene kunst heeten des vredes en des lichts.

Hij nu, mijn grijze meester—warm van gemoed, levendig van geest, ontvankelijk voor koene indrukken—hij had in den volsten zin al die machtige aandoeningen gedeeld, die wisselingen mee doorleefd. Hij had meegeleden van het lijden, meegegloeid voor de grootheid van zijnen jongen tijd. Zelfkennis had die harde en rijke ervaring hem geleerd. Vandaar zijne bescheidenheid. De jaren zijner jeugd waren te zorgelijk geweest voor ijdelheid: te vol van daden, ook op het gebied der kunst, dan dat er veel plaats in zou gebleven zijn voor louter waan. Hij had zóóveel groots om zich heen niet zien opkomen en ondergaan, zonder temoetengeraken tot het besef van zijne eigene kleinheid. Hijmoestvan zichzelven wel weten dat hij geen genie was: dat zijn aanleg meer tot waardeeren en bewonderen, dan tot voortbrengen—meer tot het weerkaatsen van anderer licht, dan tot het uitstralen van eigen schijnsel hem bestemde. Ha! wantgenieën—hij had ze immers gekend! De heroën, die ónze tijd als halfgoden vereert, tot welken de hedendaagsche componisten terugblikken met een gevoel van half aanbiddende, half benijdende onmacht—hijhad ze in hunne vlucht aanschouwd—als adelaars hen zien zweven boven de Alpen. Kon hij hen in het luchtruim niet volgen, hij wijdde hun den eeredienst van eene kunstenaarsziel; hij had hen lief met volle geestdrift, met innigen ernst; en zijn levenswerk was, die geestdrift en dien ernst mee te deelen aan anderen. Zóó was hij musicus. Zóó bleef het vuur van jongen ijver glimmende in zijne oogen, en spreidde zich over zijne kruin het zilver, als een weerglans uit den hooge van de glorie der goede geniën die hij diende. Zóó was hij priester.

Maar als een braaf priester, boog hij dan ook, oud geworden,de knie niet voor andere, nieuwere goden. Hij bleef zeer beslist, ietwat uitsluitend zelfs, een vereerder der klassieken. Schumann trok hem nog slechts ten halve aan; over de modernen schudde hij bedenkelijk het hoofd; zelfs tegen de allerlaatste gewrochten van Beethoven koesterde hij, bij alle bewondering, eenen heimelijken weerzin. Want juist omdat hij zooveel kamp en troebelheid gekend had in het leven, was hij zoo beducht voor kamp en troebelheid in de kunst. Die oude kunst des vredes en des lichts, die voortkwam uit eene godsdienstige wereldbeschouwing—van die kunst en haren geest was de oude Werner als doortrokken. Vandaar zijne blijmoedigheid, zijne zielekalmte, zijne vroomheid. Muziek moesthemeene openbaring blijven—niet van twijfel enweltschmerz, maar van geloof en hoop; niet van den mensch in zijnen waan, maar van den Schepper in zijne goedheid. Hij wilde dus bij muziek eenen traan en eenen glimlach, geen wenkbrauw-fronsen, geen oogen-rollen zien. Daarom had hij het ouderwetsche huisquartet zoo lief. Voor hem geene muziek zoo echt, zoo verkwikkelijk, als die daar gemaakt werdt door vier bevriende menschen in de stille binnenkamer—de lampen brandende op de tafel, het wintervuur flikkerende in den haard, en in eenen kring de huisgenooten, luisterend naar het onaanmatigend spel. Dan gloorde er avondlicht in zijn gemoed. „Harmonia”, fluisterde hij: „Gods liefste engel—Harmonia is in ons midden!”

Ons eerste strijkquartet, waarin de dokter en de pater zaten, was na een jaar of vier uiteengespat. De dood had er eene bom in geworpen, die den braven medicus snevendeed; en de goede, dikke kapelaan—misschien opdat hij wat minder de violoncel en wat meer het misboek aan zijne borst drukken mocht—was door zijnen bisschop verplaatst naar een ander kerspel. Wij twee overgeblevenen echter hadden vergoeding gevonden in eene aanwinst, die Werner bijzonder lief moet zijn geweest. Zijne éénige dochter namelijk, weduwe geworden, kwam met hare drie kinderen, twee zoons en een meisje, metterwoon zich vestigen in de aanzienlijke provinciale hoofdstad, waar haar vader het kapelmeesterschap bekleedde. De beide jongelingen hanteerden niet onverdienstelijk de cello en de alt, terwijl hunne zuster eene degelijke klavierschool had doorloopen. Fluks was dus het nieuwe viermanschap saamgeklonken. De zaterdag-avonden werden hervat, en gewoonlijk hadden wij nu—dank zij het talent der jonge dame—bij onze twee of drie strijkquartetten een pianoquintet als middenstuk of als toegift.

Ik heb geene aanleiding om de persoonlijkheid van Werner's kleinkinderen hier breeder uiteen te zetten, dan noodig is tot het begrijpelijk maken van hetgeen er volgt in mijn verhaal. Gisela was een meisje met meer gevoel dan schoonheid; doch ook haar gevoel zat diep verholen, en scheen dán eerst mild naar het daglicht te wellen, wanneer zij muziek maakte, of als het er op aankwam een blijk te geven van hare innige zusterlijke gehechtheid aan beide hare broeders. Walter en Hugo waren een tweelingpaar—een merkwaardig menschelijk duplicaat. Ik zou nooit, vóór ik hen kende, hebben willen gelooven dat onder de vijftienhonderd millioenen bewoners van onzen aardbol er twee elkander zóó gelijk konden wezen, als dit broederspan. Niet zoozeer wathun uiterlijk betrof: men kon hen met eenen oogopslag van elkander onderscheiden; maar wegens hunne neigingen, hun gemoed en hunne gaven. Geen hunner, voorwaar, had een karakter om ooit den ander naar den mond te praten; flink stond elk op eigen beenen, en oordeelde met eigen brein. En toch sloegen zij op elkander als de twee oogen in één hoofd. Wat de een schoon of leelijk vond, dat bewonderde of verfoeide ook de ander; wat Walter trof, dat roerde ook Hugo. In studie, in muziek, in lichaamsoefening—in alle dingen werkten zij tegen elkander op, volmaakt alsof het zoo afgesproken ware, eene stilzwijgende overeenkomst om elkaar de loef niet af te steken. Nochtans was het zuiver natuur. En het „gelijk besnaard” gold evenzeer van hunne diepere inborst. Bij beiden dezelfde geslotenheid, voor allen—behalve voor elkander, en voor hunne zuster misschien. Maar onder die schijnbaar koele en onbewogene oppervlakte smeulde eene hartstochtelijkheid, wier plotseling opvlammen mij soms angstig maakte voor hen. Met beiden ging ik om, als quartet- en als academie-makker. Ik wist hoe zij elkander liefhadden, al zag ik hen nooit daarvan eene vertooning maken. Tevens echter kon ik enkele malen opmerken hoe fel en onbuigzaam zij ook krakeelen konden, wanneer de een door den ander zich meende tekortgedaan in zijn recht. Anders altoos onafscheidelijk, plachten zij dan dagen lang elkander uit den weg te treden—Hugo in zijne eenzaamheid even ongelukkig als Walter—maar Walter ook even onwillig als Hugo om den eersten stap te doen tot verzoening. Het scheen of juist het besef van de zeldzame gelijkheid hunner krachten en vermogens hen over en weer naijverig maakte op het geringste overwicht, datde een op den ander mocht behalen. Gewoonlijk, na zulk eene vredebreuk, was het hunne zuster, die hun de handen weer in elkander lei—tot onuitsprekelijke vreugde van zuster en broeders alle drie.

Ziedaar den kleinen kring, in welken ik de liefelijkste avonden mijner jongelingschap heb mogen doorbrengen. Echte kunstmin riep hem samen en wijdde hem; een eerwaardig grijsaard was de ziel er van; jeugd en vriendschap verlevendigden hem met haren gloed en humor; en het bijzijn van eene beschaafde jonge vrouw deed met zachten dwang den toon der gezelligheid, onder enkel mannen zoo licht óverbruisend, binnen de perken blijven van wat rein en voegzaam is. Och! dat ook hij moest aan stukken vallen—en zoo spoedig reeds—gelijk alle bonden door menschen gesmeed: bonden van koningen, bonden van natiën, bonden bedoeld voor de eeuwigheid!—Slechts één bond is er, dat eenen menschenleeftijd trotseeren kan, en méér: het bond van twee die onder lijden elkander liefhebben. Maar zóó hoog reikt zelfs een strijkquartet niet.

Wij jongelieden moesten na volbrachte studie de wereld in. Wij wisten dat het oogenblik van scheiden komen moest. Wij zagen het naderen—en weldra klopte het aan.

Onze laatste bijeenkomst stemde ons allen weemoedig;—er is zoo iets bitter droevigs in dat korte, onverbiddelijke vonnis: „voor 't laatst”—zelfs als het geveld wordt over tamelijk onbeduidende zaken; hoeveel te meer dan waar het eenen vriendenkring uiteenscheurt, en eene onzer liefste levensvreugden verbant naar het schimmenrijk der herinnering. Wij spraken weinig. Vergeefs poogde Werner onder een opbeurend woord zijne aandoeningte verbergen. Nadat wij wat gespeeld hadden, en terwijl de glazen tot afscheid werden volgeschonken, zette onze oude meester voor ons vieren een beschreven muziekblad op de lessenaars.

„Zietdaar!” riep hij: „dit tot slotstuk. 't Is een liedeken van Chamisso, dat ik sinds vele jaren al zoo waar bevonden heb als eene evangeliespreuk—een beproefd recept,—en dat ik voor u op muziek heb gezet, voor eene zangstem met begeleiding—: ziet ge, zoo tot een aandenken van onze schoone avondjes—om te spelen als ge samen zijt, en als de oude man....... Nu dan, laat eens hooren! Gisela, vrienden—andantemaar—zoo kalm en stillekens maarandante!”

Het bleek eene melodie van wonderlijke bekoring—voor ons althans, op dat oogenblik. Zij werd ingeleid met eene zacht golvende piano-figuur, boven welke straks de zangstem zich verhief, op de woorden van het eerste couplet:

„Hab' oft im Kreise der LiebenIn duftigem Grase geruht,Und mir ein Liedlein gesungen,Und alles war hübsch und gut”

„Hab' oft im Kreise der LiebenIn duftigem Grase geruht,Und mir ein Liedlein gesungen,Und alles war hübsch und gut”

Bij het tweede vers kwam de viool, eerst klagend, dan opgewekt, de zangstem omspelen:

„Hab' einsam auch mich gehärmet,In bangem, düsterem Muth,Und habe wieder gesungen,Und alles war wieder gut.”

„Hab' einsam auch mich gehärmet,In bangem, düsterem Muth,Und habe wieder gesungen,Und alles war wieder gut.”

Zij voegde zich ook bij het klavier in het ietwat breeduitgewerkte tusschenspel, dat op elke volgende strophe den overgang vormde.

Alt en viool te samen wierpen op de melodie eene diepere schakeering bij het derde couplet:

„Und manches, was ich erfahren,Verkocht' ich in stiller Wuth;Und kam ich wieder zu singen,War alles auch wieder gut.”

„Und manches, was ich erfahren,Verkocht' ich in stiller Wuth;Und kam ich wieder zu singen,War alles auch wieder gut.”

En eindelijk hief ook de cello aan, met zijne ernstige stem kracht en volheid bijzettende aan den breederen accoordenstroom, die het slotvers omgolfde en met eenen jubelzang van al het snarentuig besloot:

„Sollst nicht uns lange klagenWas alles dir wehe thut;Nur frisch, nur frisch gesungen!Und alles wird wieder gut.”

„Sollst nicht uns lange klagenWas alles dir wehe thut;Nur frisch, nur frisch gesungen!Und alles wird wieder gut.”

Er sprak uit dit bagatel zóóveel innigheid en frischheid van geest, zulk een weemoed, en toch ook weer zulk eene blijmoedigheid, dat ik niet beter weet te zeggen dan: geheel de maker sprak er uit: geheel de man zooals hij was en voelde.

Hij had er bij gestaan, en meegeneuried met trillende stem. „Kinderen”, zeide hij, toen het uit was: „wij gaan uit elkaar—, en 't is twijfelachtig, althans watmijbetreft, of we ooit weer zoo met ons vijven muziek zullen maken. Belooft mij nu één ding: dat ge telkens, als ge later weer samenkomt, en als ik er misschien niet meer bij ben, dit lied zult spelen te mijner gedachtenis. Ook tusschen u zou er wel eens iets kunnen rijzen, dat den onderlingen vrede en de goede harmonie verstoorde.Denkt dan aan onze schoone avonden, aan Haydn en Mozart, en aan je oudenviolino primo. Grijpt dan in de toetsen en in de snaren, dat het weer samenklinkt als uit één gemoed. Niet gemokt en gewrokt! Harmonia, kinderen—laat Harmonia in uw midden blijven! Samen een quartet gemaakt, samen een lied aangeheven—

Nur frisch, nur frisch gesungen!Und alles wird wieder gut.”

Nur frisch, nur frisch gesungen!Und alles wird wieder gut.”

Dat de oude man eene bijzondere reden had voor deze dichterlijk ingekleede vermaning tot broederzin, dit wist ik toen nog niet.

In twee jaren zag of hoorde ik van Werner en zijne kleinkinderen niets. Ik kwam in het vaderland terug, en—daar was een wervelwind heengevaren over des grijsaards hoofd. Eerst had hij zijn ontslag genomen uit het kapelmeesterschap; vervolgens had de dood zijne dochter weggerukt, de moeder van het drietal; en eindelijk, nadat hij zich metterwoon te Vreeburg gevestigd had, was ook zijne trouwe gade hem ontvallen.

Ik zeide dat hij zijn ontslaggenomenhad. Eigenlijkkreeghij het—in zóóverre, dat de heeren hem op uiterst kiesche maar toch zeer duidelijke wijze in bedenking gaven, of de dirigeerstok niet wat zwaar voor hem werd, en of wat rust hem op zijnen leeftijd niet toekwam. De waarheid was, dat een jonger geslacht eene andere kunstrichting inwilde: eene richting, aan welke Werner in geenen deele haren naloop misgunde, doch bij welke hij zich evenmin meer had kunnen of willen aansluiten, alsdat hij eenen ommekeer had kunnen of willen brengen in heel zijne denkwijze omtrent den aard en de roeping der toonkunst. Hij besefte het, en ging heen—met geschenken overladen—wel gekrenkt een weinig, maar toch niet wrevelig—neen, in zeker opzicht getroost veeleer. Want nu immers kon hij eenen stillen hartewensch bevredigen. Nu kon hij den avond zijns levens gaan slijten in het oord, waar hij jong was geweest, waar zijn ouderlijk huis nog stond, waar hij zijne kunst had leeren lief krijgen, waar hij zijne vrouw gevonden had. Zoo riep hij der groote stad vaarwel toe, en ging in zijne geboorteplaats wonen. Juist was de betrekking van organist aan de kerk daar open. Zijn vader had haar bekleed indertijd; des te gretiger dus nam hij op zich haar te vervullen. Als grijsaard voor het orgel te mogen zitten op den stoel zijns vaders, vrome zangen te ontlokken aan diezelfde toetsen, waarover vóór zeventig jaren de oude man met het staartpruikje hem de vingers had leeren spannen,—welk eene liefelijke gedachte voor hem!—Als organist was hij begonnen: als organist zou hij eindigen:—voorspel en naspel van zijne loopbaan zouden sluiten op elkander. Metandanteving zij aan, overgaande, steedscrescendoenaccelerando, in een lang en woeligallegro, waarbij hetforteniet was gespaard. Metlarghettozou zij sluiten,sempre diminuendo—tot in een fluisterendpianissimode schoone symphonie zijns levens verstierf.

Het zij mij vergund, den lezer getuige te doen zijn van mijne laatste ontmoeting met den man.

Vreeburg, moet men weten, is een dier weinige gelukkige stadjes in Nederland, welke nog verstokenbleven van de zegeningen eener directe spoorwegverbinding. De woningen en het vleesch zijn er dus nog goedkoop, de menschen gemoedelijk. Dit lokt er een aantal kleine renteniers en gepensioneerden heen: vreedzame, gezellige lieden, die er eenen beschaafden toon doen heerschen en er in hunne tuintjes macht van lieve bloemen en fijne vruchten kweeken. Men rookt er nog lange pijpen, kolft er nog, en leeft er zonder hurrie en hoofdpijn, niet jagend van den eenen dag op den anderen—niet luierend toch ook, maar voor alle dingen zich den tijd gunnend die er voor staat. Alles een gevolg der niet-aanwezigheid van den ijzeren weg. Ik durf zelfs op rekening van die afwezigheid het feit brengen, dat rondom Vreeburg nog niet al de buitenplaatsen gesloopt en al de bosschages gerooid zijn, om ruimte te maken voor de vetweiderijen van den onverzadelijken Engelschman.

Zóó, in eene houtrijke streek gelegen, met zijne tuinen en landhuizen buiten, zijne heldere, schilderachtig gegevelde straten binnen den hoogen groenen wal, heeft Vreeburg zoowel uitwendig als inwendig een aangenaam, ja, om der zeldzaamheid wille, een haast romanesk voorkomen. En als om aan die landelijk steedsche liefelijkheid eenen achtergrond bij te zetten van het eerbiedwekkende—zie! daar is het waarlijk grootsche kerkgebouw, de pronk en de trots van het stedeken—het fier en sprekend overblijfsel van zijne vervlogene grootheid. Hoog en machtig verheft zich boven den dichten looverkrans der lindenrijen op den wal de afgeknotte toren, van den adem der eeuwen grauw verweerd, als een strenge, eenzame wachter uren wijd heenblikkend over de groene beemden, en over de gele duinen in het verschiet, enover de verre, glinsterende zee daar achter. De kerk staat op eene kleine verhevenheid, eene terp vermoedelijk uit overoude dagen, toen de zilte golven hier soms nog eenen inval deden. Om haar henen schaart zich een dubbele kring van populieren. Slentert gij onder hun lispelen mijmerend voort, dan zult gij hier en daar den voet zetten op zerken, in welke gij de namen zult gegrift vinden van menschen, die——och! die misschien in hunnen tijd hetIö vivathebben meegezongen met uwen eigen grootvader.

Dit is het bedehuis waarin Werner's vader organist was—en waarin hij zelf thans, haast een tachtiger, dag aan dag voor de registers zat, om de harmonieën te doen ruischen, van welke zijne ziel nog altoos vol was.

Dicht bij de donkere poort uit de trekschuit gestapt—die mij, wel niet vliegend, maar toch snel genoeg, en inderdaad met eene allergenoegelijkste kalmte, naar de veste Vreeburg had heengebracht—liet ik mij door des schippers knecht de woning wijzen van mijnen vriend. Zij lag een groot kwartier verwijderd—een minzaam buitentje, aan eenen zwaar belommerden straatweg.

Ik schelde en gaf mijn kaartje over. Mijnheer werkte op zijn moesland, zeide men mij. Men zou hem onmiddellijk roepen. Onderwijl liet men mij in zijn studeervertrek. Ik zou daar wel even willen wachten.

Het was eene tuinkamer, die al bij den eersten aanblik mij bekoorde door hare lachende gezelligheid, haren zonnigen, rustigen eenvoud. Bij het eene venster stond een korf vol fijne bloemen; bij het andere een aquarium met goudvischjes, door welks helder vocht juist een zonnestraal met tintelenden, veelkleurigen glans zichhenenboog. Een concertvleugel en eenige viool-dozen, eene cello in eenen hoek, eene antieke boekenkast, een quartet-lessenaar, een fraai ouderwetsch uurwerk en vroolijke ornamenten op den schoorsteenmantel, eene groote, met bladen en partituren bedekte tafel en een half dozijn geriefelijke stoelen—ziedaar wat het vertrek nagenoeg vulde. Aan de wanden hingen de oude prenten: droomgezichten van Beethoven en Weber, papa Haydn op zee, Mozart, op het klavier zijnenDon Juanvoordragende; voorts portretten van meesters en virtuozen groot en klein—en, smaakvol gerangschikt, eene gansche tropee van gedenkstukken. Hier was zijn eerste lauwerkrans; en daar was zijn laatste. Den laatsten kreeg hij bij zijn afscheid van den kapelmeesters-staf; den eersten bij zijne aanstelling, nu zestig jaren geleden. Dezen zilveren penning won hij als knaap, bij een examen, na voor 't eerst in het openbaar gespeeld te hebben. Hoe trotsch hij er op was! Zijne goede moeder had hem uitgelachen, omdat hij haar verzocht had het groote ronde ding op zijn buisje te hechten, bij wijze van ridderteeken!—Dit vergulde harpje was zijn insigne als eerelid van de dilettanten-vereeniging, op wier gezellige avondjes hijhaarontmoette: zijn mooi meisje en lieve vrouw. En hier was de met zilver ingelegde dirigeerstok, dien eenige vrienden hem schonken nadat hij voor het eerst in de stad eene symphonie van Beethoven had doen uitvoeren. Het was deEroïcageweest. Hemel, welk eene geestdrift! En hoe gloeide hemzelven het hoofd dien avond, in eene roes van opgewondenheid!.... Ook kostbaarder geschenken bezat hij—dat is, die meer geld gekost hadden; maar dááraan, ik wist het, hechtte hij niet; hij hield ze weggeborgen. Aan deze voddekens hechtte hij, die voor hemlevendig waren van droevig zoete herinneringen. Och! wij allen garen van die nesterijen op, zonder er veel naar om te zien, zoolang we 't goed en gezellig hebben. Wij weten nog niet hoe dierbaar zij ons kunnen worden, als wij oud en eenzaam geworden zijn, en de trouwe handen, uit welke wij ze vóór jaren ontvingen, de onze niet meer drukken kunnen.

Terwijl ik zoo rondkeek over al dit oude gedoe, van vroeger mij zoo welbekend, hoorde ik in de gang zijne stem. De deur ging open—en handschuddend stonden wij tegenover elkander.

„Wel!” riep hij: „dáár doe je goed aan, jongenlief, dat je nog eens naar den ouden man komt omzien vóór hij het kaarsje uitblaast! Dáár doe je braaf aan!—'t Is leeg om mij heen geworden, mijn jongen! Ze hebben mij hier deerlijk in mijn eentje gelaten!—Om je de waarheid te zeggen”, liet hij er na eene korte pauze op volgen: „om je de waarheid te zeggen—ik had óók maar liever mee gewild!”

Ik vond hem erg verouderd. Versuft of vervallen nog geenszins. Nog blonk er wakkerheid in zijn donker oog; nog droeg hij recht den kop, en was zijn handdruk krachtig; nog kon hij de lange, zilverwitte haren zich achter de ooren werpen met diezelfde schuddende hoofdbeweging, die ook zijnen allereersten zwaai met den dirigeerstok begeleid mag hebben. Maar toch, de smart over zijne dooden, méér dan de tijd, had zichtbaar zijn lichaam gesloopt. Ook meende ik onder het praten op te merken, dat hij stiller was dan voorheen, en dat hij dikwijls, als hij iets gezegd of gevraagd had, het antwoord niet scheen te hooren, maar staroogend in zichzelven zat gekeerd. In hartelijkheid evenwel was hij dezelfde gebleven,en aan het oprechte genoegen, dat ik met mijn bezoek hem deed, liet hij mij geen oogenblik twijfelen.

Ik vroeg hem naar Gisela en de tweelingen. Daar betrok weder zijn gelaat. „O!” zeide hij, „die maken 't goed—gezond ten minste. Gisela is bij hare zieke tante in huis, die haar in haar testament wel niet onbedacht zal laten. Wat de jongens betreft”——Hij hield zich in, en schudde het hoofd.

„Nu, de jongens?”

„Ja, nu—gezond en wel, zooals ik je zei—en redelijk goed geplaatst, de een bij de spoorwegen, de ander bij den waterstaat. Heb je ze al ontmoet, sedert ge in het land terug zijt?”

„Nog niet. Ik denk hen in de volgende week eens op te zoeken. Ze komen hier zeker druk?”

„Hier?—O ja! druk, erg druk!.... 't Zal nu wel haast een jaar geleden zijn, dat ik ze een van beiden gezien heb!”

„Een jaar?—een van beiden?—Is er dan—”

„Maar heb je dan van niets geweten?” viel hij mij levendig in de rede. „Niets bemerkt, in de laatste weken vóór je vertrek?”

Ik verklaarde in de verte niet te kunnen gissen wat hij bedoelde.

„Ja ja!” prevelde hij: „het waren een paar gesloten boeken, behalve voor hun zusje—, en die had voormijweer geen geheimen...... Maar vertel mij eerst eens: heb je dat lied nog bewaard—dat liedje van Chamisso, dat we speelden bij ons afscheid?”

„Of ik het nog bewaard heb?—Hoe kunt ge 't vragen? Het zit ingebonden bij mijne lijfstukken.”

„Zoo? Braaf!—Dan wil ik je zeggen, dat ik hetniet zoo maar voor de aardigheid, niet zonder een ernstig opzet schreef. Ik wist wat er broeide—en ik hoopte—ik dwaas! ik hoopte het te keeren met een notenblad!”

Hierop begon hij mij mee te deelen hoe, reeds in het laatste van hunnen studietijd, de twee broeders, als altoos één van zin, verzot waren geraakt op eene zelfde jonge dame; hoe zij beiden haar met gelijken ijver het hof hadden gemaakt, beiden haar met gelijke hartstochtelijkheid hunne eerste liefde hadden voor de voeten gelegd—en beiden met een gelijkluidend schrijven van het dametje den zak hadden gekregen. Er was tusschen hen een hevig tooneel voorgevallen, waarbij de een den ander in woedende verwijtingen niets gewonnen gaf. „En nu”, vervolgde Werner, „nu haten zij elkander onverzoenlijk. In geen anderhalf jaar hebben zij elkaar willen zien. Hunne schoone Helena (onder ons gezegd, een nestig nufje) is onderwijl getrouwd met eenen rijken ouden paai; maar niettemin zijn alle pogingen van hunne zuster en mij, om het geschil bij te leggen, vruchteloos gebleven. Gisela trekt het zich deerlijk aan. En ik, die niemand anders meer op de wereld bezit—ik, die mijn leven lang harmonie gezocht heb en harmonie gepreekt—voor mij is het een nagel aan mijne doodkist, dat ik in mijnen hoogen ouderdom nog haat en woede moet zien heerschen tusschen de kinderen van mijn éénig kind.... Harmonia! och, Harmonia!—op mijnen ouden dag heeft zij mij begeven! Geen quartet meer, geen orkest meer, geen gezin meer, geene eendracht meer onder mijne kinderen!... Ik heb mijn laatste liedje vergeefs gezongen, amice!—ik heb mijn laatste liedje vergeefs gezongen!”

Zóó klaagde hij. Het ging mij aan het hart, méér dan ik zeggen kon, hem zoo eenzaam en treurig terug te vinden. Ik beloofde (hoewel met weinig hoop op slagen) mede mijn best te zullen doen om eene verzoening tusschen Walter en Hugo te bewerken. Verder werd er over dit pijnlijke onderwerp niet meer gesproken.

Al koutende over andere dingen, herwon mijn gastheer ook weder een goed deel van zijne vroegere levendigheid. Bijzonder op te wekken scheen hem het uitzicht, dat hij mij straks zijn orgel zou doen hooren, zijn éénig heul en liefsten trooster in zijne muzikale ballingschap. Zoodra wij het middagmaal gebruikt hadden, richtten wij dus naar het Vreeburgsche bedehuis onze schreden.

Het moet, daar wij om den stadswal heen tamelijk geslenterd hadden, al goed naar klokke zeven geloopen hebben, toen wij door de kleine zijdeur naast den toren het huis des Heeren binnentraden. Buiten spreidde de ter kimme neigende Augustus-zon haren luister nog over het houtrijke landschap. Een koeltje, aangestreken over de frissche zee, stoeide met de ranke populieren; hoog rondom den torentop zwierden al krassend de huiswaarts gekeerde kouwen; en op de weiden in de verte loeiden de brave koeien elkander hare ontboezemingen toe—arcadisch bazuingeschal. Daar binnen echter—o heilige stilte! o plechtige schemering!—In half-donker lag reeds het geheele beneden-gedeelte van de eenzame ruimte. Doch hoogerop kleurde het zonlicht, heenbrekend door de beschilderde vensterruiten, pilaren en bogen met phantastische pracht—eenen weergloed van de diepe, rijke verven, die er gloeiden op het glas. De grijze zandsteen geleek opaal. Zacht bewogen zich, wuivend als vredepalmen,de schaduwen der popel-twijgen over deze wonderbaar bonte schijnselen. Eene mystische tinten-mengeling:—duisternis omlaag—hemelsche lichtgestalten in den hooge.

Pas had ik mij in eene der banken tegenover het orgel neergezet, of de tonen van Schumann'sAbendliedgolfden door den tempel. De dichterlijke grijsaard! Dat hij zoo de stemming voelde van het oogenblik! dat hij, terwijl de kleuren van den avond mijne zinnen omstrikten met rust en glans, niet terstond mij overstelpte met eene wildetoccata, maar sussend ook het oor mij streelde als met een avondrood van tonen.

Het orgel zweeg, als om mij tijd te gunnen nog eenen afscheidsblik te doen dwalen over de ras verbleekende kleurvisioenen. Daar preludeerde de speler weder. Hij was een meester in het phantaseeren op bekende koralen. Ditmaal begon hij met nog eenen anderen vromen avondzang:

„Nun ruhen alle Wälder,Die Menschen, Städt' und Felder,Es schläft die ganze Welt.Ihr aber, meine Sinnen,Auf, auf! ihr sollt beginnenWas eurem Schöpfer wohlgefällt.”

„Nun ruhen alle Wälder,Die Menschen, Städt' und Felder,Es schläft die ganze Welt.Ihr aber, meine Sinnen,Auf, auf! ihr sollt beginnenWas eurem Schöpfer wohlgefällt.”

En zoo, met schoone wendingen en kunstig registreeren zijn speeltuig leidende van melodie op melodie, vlocht hij eenen krans tesaam uit die aloude hymnen vol godsvrucht en kinderlijk vertrouwen, die ons allen gesticht en vertroost hebben, wanneer wij ze meezongen met kinderlijken zin.

De schemering sloop hooger langs de pilaren; hetbegon somber te worden tusschen die holle muren. Maar wat deerde het hem, die daar speelde—wat deerde het mij, die daar luisterde, toen straks het koraal van Luther dreunde—

„Ein' feste Burg ist unser Gott,ein' gute Wehr und Waffen”—

„Ein' feste Burg ist unser Gott,ein' gute Wehr und Waffen”—

zwellend al breeder en machtiger, als om voor zich heen te jagen de duisternis en hare verschrikkingen!

Wederom eene pauze. Ik hoorde de torenklok acht slaan. Achter de beschilderde vensters, tusschen de popels door, glom nog het ambergeel van den westelijken hemel; diep gloorden nog de purperen gewaden der evangelisten, de gulden stralenkransen om hunne hoofden. Maar in de kerk zelve had het duister alle kleuren en lijnen uitgewischt. Nissen en bogen verloren zich in nachtelijk grauw. Alleen van achter het orgel schoot een enkele straal te voorschijn: het licht van de lamp bij welke Werner speelde.

„Zal ik eindigen?” riep hij mij toe.

„Nog niet, nog niet, bid ik u! Eén nummer nog!”

Het was eene orgel-sonate van Sebastiaan Bach.

Eerst eenadagio, kalm en breed—weemoedig,blijmoedig—zang van herinnering en dankbaarheid en hoop—zielszang van het gemoed dat terugblikt over het leven, en opwaarts blikt naar de eeuwigheid....... En terwijl ik luisterde, enkel aandacht, daar in het donker niets anders dan deze muziek mijne zinnen beroerde—zoo was het mij of ik den ouden man voor zijn orgel zag zitten in hemelschen lichtglans—mensch niet langer, maar verheerlijkt al. Hij tuurde omhoog. Gelijk eene wolk in het luchtruim, zoo trok zijn gansche verledenhem voorbij: de honderden menschen die hij kende en zag heengaan, de duizenden melodieën welke hij hoorde en zong, zijne jeugd, zijn arbeid, zijne grijsheid, al wat hij hoopte en bereikte, liefhad en leed. Tevreden sloot hij de oogen—een zalige glimlach spreidde zich over zijn gelaat—op de laatste tonen van zijn spel was zijne ziel ontvloden.... Harmonia!

Maar plotseling .... neen! Hij leefde nog wel.... Halleluja! brak het speeltuig los. God is kracht—en hij wil dat ook wij krachtig zijn.... Er daverde een storm door de orgelpijpen. Geweldig rolden de golven der fuga op mij los. Ik voelde huiverend ze henengaan over mijn hoofd. Eener wild bewogene zee gelijk, die aanbeukt tegen rotsen, zóó liepen zij op tegen de trillende zuilen, en sloegen zij samen in de ronding der verwulven.... En de tempelruimte werd haar te eng: in de hoogte baanden zij zich eenen uitweg. Daar openden zich de steenen bogen: sterren flonkerden mij toe: de hemelen lagen bloot boven mij. En de fuga-tonen, steeds voortjagend achter elkander, werden als het geraas van eenen grooten veldslag, met geschetter en gedreun en de kreten van strijdenden. Een woest gewemel trok voorbij:—groepen van antieke en middeneeuwsche gestalten, profeten en heiligen, martelaren en hervormers, wanhopig zich werend tegen eenen drom van duivelen. Vreeselijk was de slachting; ik kon ze niet tellen, de edelen die er bezweken voor de overmacht.... Maar toen de kamp op het heetst was, en de legioenen der hel overal dreigden te zegevieren, toen trad de bleeke Nazarener voorwaarts op de wolken, met het kruis over den schouder, de doornenkroon op het hoofd. En de duivelen namen gillend de vlucht—en al de gevallenen herrezen—enmet eengloria! gloria!begroetten duizendstemmig hem allen.Gloria! Hosannah in excelsis!

Het majestueuse slot-accoord stierf weg. Nog luisterde ik naar den nagalm er van, die mij scheen door te dringen tot in des hemels hoogste, tot in der aarde kern. Nog zat ik verslagen en verplet—toen ik Werner's vingerdruk op mijnen arm voelde en zijn vriendelijk aangezicht vóór mij zag, blakend van voldoening, bij het licht van eene lantaarn in zijne hand.

„Wel?” sprak hij: „nog niet in slaap?—Kom, vriendlief, kom! we zouden er nachtwerk van gaan maken!——Maar wat zegt ge? Stroomt er nog vuur door mijne stramme kneukels? Heb ik je hart nog kunnen warmen, je ziel nog kunnen verheffen—zooals vroeger, amice, zooals vroeger?——Niet waar? hier is Harmonia nog machtig!—Och! had ik mijne jongens eens hier! Ik zou er hunne harten wel zóó week orgelen, dat ze weer aanéénsmolten als was!”

Zes weken na dien dag moest ik hem in de aarde helpen leggen.

Ik kwam te Vreeburg des namiddags vóór de begrafenis. In het sterfhuis trof ik niemand dan Gisela en de beide broeders—de laatsten nog altoos even hardnekkig op elkander gebeten. Somber gingen zij elkaar uit den weg; geen woord werd er tusschen hen gewisseld; zelfs van een vertrouwelijk gesprek met het zusje scheen elk hunner zich weerhouden te voelen door eene mengeling van schaamte en trots. Het was pijnlijk om tezien—te pijnlijker wanneer men den doode herdacht, die over dezen onzinnigen wrok nog getobd had, wiens dagen er nog door verkort waren, misschien. Zoo ooit, dan was nú het oogenblik aangebroken om tusschen de tweelingen vrede te stichten.

Doch hoe dit aangevangen, zonder eene losbarsting uit te lokken, wier heftigheid wellicht van kwaad tot erger voeren zou?

De broeders zwierven eenzaam door den tuin, angstvallig elkanders pad vermijdend. Dik gestrooid lagen onder hunne voetstappen de dorre bladers van October.

Ik wendde mij tot Walter met mijne bemiddeling.—„Laat blijven! laat blijven!” kreeg ik ten antwoord: „De schuld is aanhem. Die vrouw was nevenzaak, begrijpt ge? Maar ik kwam het eerst. En overigens—laat ongelijk bekennen wie lust heeft,mijwil het nu eenmaal niet over de lippen!”

Ik sprak Hugo aan—al met geen beter gevolg.—„Bemoei je er niet mee!” klonk zijn bescheid: „Het was niet zoozeer om het meisje, ziet ge? maar om het recht van 't spel. Vóór hem kwam ik. En ook al ware ditnietzoo—de minste zijnkanik nu eenmaal niet!”

Mij bleek dus klaar, dat elk der twee zijnrechtwel wou gewonnen geven, mits zijntrotsmaar schampvrij liep. Met trots nu is het veel moeilijker onderhandelen, dan met recht. Hadde ik hen naar elkaar kunnen toetrekken, ik zou tot hen gezegd hebben: „Beste vrienden! Geen van u beiden was ooit den anderen eene seconde vóór. Gij kwaamt te gelijk in de wereld; zoogt te gelijk aan de moederborst; leerdet te gelijk den strijkstok hanteeren; bestudeerdet te gelijk de vervoeging van het werkwoordamare; voeldet te gelijk uw hartontvlammen; verklaardet te gelijk uwe passie, en liept te gelijk een blauwtje. Kunt ge nu ook niet te gelijk elkaar bekennen dat ge een paar dwazen zijt geweest, en dat eene zotte minnegril niet waard is dat twee edele harten er elkaar om kwellen?”——Dit alles zou ik tot hen gezegd hebben, indien ik hen bijeen had kunnen krijgen. Maar juist hen bijeen te krijgen, was de kunst.

Ontmoedigd zette ik mij naast Gisela, die op eene bank voor het huis zat. Haar vertelde ik uitvoerig van mijn laatste samenzijn met Werner. Toen ik ook kwam op hetgeen hij gezegd had van zijn lied, dat hij het vergeefs had geschreven voor deze vijandige broeders—toen wischte zij hare tranen weg, keek mij aan met eenen zonderlingen blik, en stond plotseling op. „Help mij!” fluisterde zij mij toe—en zij verdween in het huis.

Wat ging zij doen?—

Ik meende haar plan te raden:—ik vergiste mij niet. Eerst hoorde ik haar in Werner's tuinkamer zachtkens de instrumenten stemmen. Een oogenblik later zweefden hare vingers over het klavier.

Nooit heeft een gevoelvol spel mij dieper aangegrepen.

Door de open vensters stroomden de accoorden, kalm uiteenvloeiend in de stilte van den herfstavond, gelijk het water van eene rivier zich verliest in den oceaan. EenLied ohne Wortevan Mendelssohn, een Beethoven'schadagio——en dan—eene siddering beving mij: het was of ik de spraak van den doode vernam—dan paarde zich hare weeke altstem aan eene welbekende begeleiding:


Back to IndexNext