Jack Bobson's Poolreis.

„Though this be madness,Yet there's method in it.”

„Though this be madness,Yet there's method in it.”

Des avonds, zoo vaak mij de ooren begonnen te tuiten van het rumoer der wereldstad, placht ik verademing te zoeken op eene der bruggen waar tol geheven werd, en waar dus weinig verkeer den begeerige naar stilte verstoorde.

Gelijk een visioen uit het Boek der Openbaring was hier de aanblik van de rivier en hare oevers—: „eene glazen zee, met vuur gemengd”. Duizenden waren de lampen in den nacht. Londen's diepe stem, gedempt, rolde dreunend over de wateren. En zeewaarts, met dof gebruis tegen de granieten bogen, gleed in de diepte de zwarte stroom, de lampen weerspiegelend met sidderende flikkerglansen. Dan daalde vaak, in de droeve maanden November en December, een grauwe mist uit de hoogte, en legde zich neder op Babylon. Zóó moet de chaos gelegen hebben, woest en ledig, vóór de Geest des Scheppers scheiding kwam maken tusschen het licht en tusschen deduisternis. De duizenden lampen waren als uitgebluscht; onzichtbaar geworden hare trillende schijnselen in het water; al de voorwerpen rondom, ook de brug zelve, aan mijn oog onttrokken, als weggesmolten in het niet. Maar de hemel was vervuld van eenen valen gloed, waarover matte schaduwgestalten schenen heen te trekken in spokenden optocht. En de doffe stem van Londen dreunde voort, als uit eindeloozen afstand. En het doffe bruisen der rivier steeg opwaarts, als uit peillooze diepte. Een gonzen en een schemeren—anders niets.

Ik toefde ook dán nog op de brug. Maar niet lang. Geen mensch weerstaat den somberen invloed van zulk weder te Londen. Elk zoekt eenen haard, al is het zijn eigen niet; elk wil voort uit den geelgrauwen damp, die erger is dan duisternis, wijl zelfs het licht, dat hij verslindt, machteloos is tegen hem.

Zóó ook ik.

Gewoonlijk, na zulk eene melancholieke wandeling, ging ik mij wat opfleuren in zeker behaaglijk ale-huis, gelegen in eene stille zijstraat nabij de zuidzijde der brug. Het was eene kleine, doch kalme en in zekeren zin deftige inrichting. Geen verblindende lichtglans straalde den voorbijganger er uit tegen; geene verdachte heeren en verleidelijke schenksters aan het buffet. De dikke kastelein of zijne stemmige dochter bediende. Men dronk er zijn bier, echt nationaal, uit blinkende tinnen kannen—Engelsch brouwsel uit Engelsch metaal. In de ouderwetsche, met zand bestrooideparlourknapperde steeds in den open haard een vroolijk vuur, terwijl op de eiken tafels versche pijpen geschaard lagen, die den gast op het overredendst noodigden tot toeven. Alles was er, zooals men het eer op het gemoedelijke platteland, dan te Londenzoeken zou. Ook de gasten. Hier kwamen bejaarde huisvaders uit de buurt hunne courant lezen, of murmureeren over de slechte tijden. Doch het liep er nooit druk. Dikwijls, als ik vroeg gekomen was, zat ik er alleen—of met nog éénen persoon, die nu juist bestemd was de held te zijn van deze geschiedenis.

Hij mag een zestiger zijn geweest. Allereerst trok hij de aandacht door eene dikke muts van glimmend zwart berevel, die hem niet van het hoofd ging. Voorts verrieden gelaatskleur, kleeding en manieren hem dadelijk als eenen oud-zeeman: en toch had hij in zijn doen niets van het hoekige, zoomin als van het vrijmoedige of zelfgenoegzame, dat oude varenslieden veelal kenmerkt. Zijne forsche gestalte was gebogen; de zware grijze knevelbaard hing hem ongerept over lippen en borst; diepe rimpels doorgroefden zijn voorhoofd. Hij scheen lichamelijk veel geleden te hebben, of in den geest veel getobd. Altoos zat hij in denzelfden hoek, geweldig rookend, half verscholen achter zijne courant. Met niemand sprak hij; doch des te drokker scheen hij bezig met zichzelven. Vaak schudde hij geërgerd het hoofd, of liet, met omlaag turenden blik, de kin op de borst rusten. Blijkbaar had de man eene grief, die hem geheel vervulde. Hij maalde over iets.

Ook met mij, hoe dikwijls ik met hem samen geweest was in de stille gelagkamer, had hij nooit een woordgewisseld. Mijn „goeden avond!” bij het binnentreden beantwoordde hij werktuigelijk; verder was er tusschen ons geen geluid gegeven.

Men kan zich daarom mijne verwondering denken, als op zekeren namiddag (ik had pas den omtrek der dokken bezocht en mijn hoofd opgevuld met bonte beelden uit devijf werelddeelen) de geheimzinnige man plotseling opstond, zich over mij plaatste aan de tafel, en met doordringenden blik mij in de oogen begon te staren.

Ik wil bekennen dat ik eene seconde sterken aandrang voelde om den kastelein te schellen. Doch dit angstige gevoel, van alleen te zijn met eenen krankzinnige, was even snel geweken, toen de zonderling, weemoedig glimlachend, als om mij gerust te stellen, met diepe, gedempte stem tot mij de vraag richtte, of ik niet vreemdeling was.—„I thought so”, hernam hij op mijn bevestigend bescheid. En als reden voor die meening, liet hij er op volgen: „You have not the look of an Englishman: you have a look as if you could believe an honest fellow.” Daarna weer, na eene korte pauze, en terwijl hij mij een artikel aanwees in deDaily Telegraph: „Have you read this?”—Hierop, heftiger: „They are at it again, the lying rogues—and yet I told them how it is!”—En ten slotte, met eenen donderenden vuistslag op de tafel: „Curse them, Sir, they have buried me first—and now they won't believe me!”

Hij sprong op in zijne volle lengte; en ik, nu volkomen zeker van met eenen razende te doen te hebben, strekte nogmaals de hand uit naar de tafelschel. Maar dadelijk, als verschrikt door zijne heftigheid, zonk hij weer in zijnen stoel, schudde het hoofd, en hield zacht mijnen arm terug. „You take me for a madman, haha!” lachte hij droevig. „Perhaps you are right. But never mind my fits. I will tell you a great secret. And you will believe me. Won't you?”

Aan mijnen stoel gekluisterd door bevreemding, knikte ik toestemmend. Ik luisterde toen naar het volgende verhaal, dat de man met de zwarte muts mij deed, soms met levendige gebaren van aandoening, en dan weer mompelend voor zich heen, als iemand die eene honderdmaalherhaalde les opzegt. Hij had daarbij eenen stijl en vaak eene woordenkeus, die, zonder juist keurig te mogen heeten, toch eene zekere mate van beschaving en verbeeldingskracht verrieden.

„Ja! ze hebben mij begraven. Ze meenden dat Jack Bobson dood was. Maar Jack heeft ze allen overleefd!—Ik ben het, die hier tegenover u zit. Ik ben Jack Bobson—en de arme Sir John had geen knapper ijsmeester op zijn schip.

„Van Jack Bobson hebt ge zeker nooit gehoord. Maar wel van Sir John—Sir John Franklin?—Nu, ik voer met hem mee op deErebus, in het jaar '45.

„'t Ging alles best tot het Beechey-eiland, waar we dien eersten winter ons kwartier opsloegen. Doch toen de zon weer uit haar nest gekropen was, in Mei, of Juni, ging Jack Bobson te kooi liggen met eene vreemde ziekte, die bij hem in de familie zat, en deed alsof hij stierf. Dit was stom van Jack. Maar nog stommer was het van de kameraden, dat ze hem den tijd niet gunden om weer tot zijnen adem te komen, en hem wegstopten onder eenen hoop keien, alsof er haast bij was. De éénige, die bij deze gelegenheid zijn verstand gebruikte, was de witte beer die Jack opgroef, en hem wakker schudde met eenen knauw, en van schrik aan den haal ging, toen Jack hem bedankte met eenen opstopper tegen zijnen kouden neus. Goed maar, dat er in de gauwigheid geen doodkist op had kunnen overschieten voor Jack. En de kameraads schenen inderdaad geduchte haast te hebben gehad om verder te trekken. Zij waren gevlogen met hunne schepen, toen Jack door den beer was bijgeholpen. Gevlogen!—Arme kerels! Arme Sir John!—Waren ze maargebleven! dan zaten ze hier warm als ik, en we hadden samen de Pool ontdekt, en,curse me, Sir!als men ons dán niet zou gelooven!—Hier gaan ze! Op hunne eeuwige glorie!

„Ik was alleen”, ging de verteller voort, na eene teug genomen te hebben uit zijne kroes. „Ik was alleen. Bij geluk had Sir John op het Beechey-eiland in eenecairneenen ruimen voorraad achtergelaten van levensmiddelen en allerhande benoodigdheden; ook eene stevige sloep met toebehooren. Nu moet ge bovendien weten, dat die ziekte van mij eene bijzonder vreemdsoortige ziekte was geweest. Mijn vader had ze vóór mij gehad, en had drie weken op het kerkhof te Plymouth gelegen. Toen hij weer levend werd, had hij met een enkel zetsel het deksel van zijne kist gewipt, en het handjevol zand van het deksel: want hij was uit het armhuis begraven—ofschoon hij eengentlemanwas, Sir, die een aardig fortuintje tot den laatsten stuiver verspilde—gek die hij was—met het zoeken naar eene machine om de zonnestralen vloeibaar te maken en op te bottelen......Well, but that's neither here nor there!—Die ziekte, wou ik maar zeggen, was zooveel als eene schijndoodziekte. De dokters verklaren dat zij maar ééns in de honderd jaren voorkomt. Ontwaakt men er uit, en heeft men maar een goed maal eten gehad, dan voelt men zich versch man, rap en levenslustig als drie. Zoo dan, nadat ik decairnopengebroken en mij behoorlijk met spijs en drank versterkt had, was ik weer als een borst van achttien jaren.

„Daar rees in mij eene stoute gedachte. „Jack Bobson”, sprak eene stem in mijn binnenste: „gij kunt een beroemd man worden, zoo beroemd als de grootsten van oud-Engeland's helden. Uwe makkers ontdekken de Noordwest-passage.Gij, Jack, ontdekt de Pool!”...... Ei ja! waarom zou ik niet?—Ik wist den weg; niets ontbrak mij tot de reis; 't was zomerdag; de zee lag open, en er woei eene vaste bries uit het Zuiden. Voorwaarts, Jack Bobson! voorwaarts!

„Fluks maakte ik de sloep ree met zeil en riemen, roer en tuig, en met eenen overvloed van mondkost en kleeren, wapens en kruit. Het was de handigste kleine expeditie, die ooit naar het Noorden den boeg wendde. Maar één ding vergat ik. Ik ezel! dat ik verzuimde mijn kloek plan neer te schrijven op een stuk papier, en dit stuk te teekenen met mijnen naam, en het weg te bergen in decairn! Dan hadden zij mijmoetengelooven. Ik ezel!”——Hij sloeg zich wild tegen het voorhoofd. „Zeg, Sir”, voer hij eensklaps tegen mij uit: „gelooft gij me, tot dusver?”—Een oogenblik later hervatte hij rustig zijn verhaal:

„De vaart liep prachtig. Eerst oostwaarts door Straat Lancaster. Daarna noordwaarts door de Smith-sound en het Kennedy-kanaal. En van ijs geen spoor, dan langs de verre kusten, waar de bergspitsen zoo blauw zagen als kopervitriool. En aanhoudend die mooie zuiderbries, die mij warmde en voortdreef. In dertig dagen, juist geteld, was ik waar ze nu zeggen dat Kane geweest is met zijne Yankees—aan de open Poolzee.

„Maar—look here now!Als de Yankee Kane werkelijk zóó ver geweest is, dan had hij verder moeten gaan: en als hij gezien heeft wat hij vertelt, dan had hij méér moeten zien.Curse me, Sir!ware Kane de Yankee geen lafaard geweest, zoo stond Jack Bobson thans niet geboekt als een leugenaar!

„Kane vond eene open zee en eene hooge temperatuur.Hij vond gras aan de oevers, en kudden muskusossen, en zwermen watervogels. Hij vond, terwijl zuidwaarts alles ijs was en bijtende vorst, milde regenwolken en nevel in het Noorden. Welnu! ik zeg u dat hij verder had moeten gaan en méér had moeten vinden. Achter dien nevel lag nog iets beters.

„Dát hebikgezien, Jack Bobson, die hier zijn bier met u drinkt. Ik drong heen door den mist, niet meer zeilend, maar roeiend, over eene zee die door geen zuchtje werd gerimpeld. De nevel werd al dichter—en lauwer; bloedroode flikkeringen doorgloeiden hem soms. Dagen lang, terwijl ik voortroeide met koortsig verlangen naar het einde der reis, naar de geheimzinnige oorzaak van dat lichten en van de steeds toenemende warmte—dagen lang zag ik niets om mij heen, dan dien grijzen, lauw vochtigen damp. Vaak was hij zóó dik, dat ik zelfs het roerlooze water niet onderscheiden kon, waarin mijn riemslag ploegde—ja, mijne hand niet, op armslengte uitgestoken. Ik zat als geblinddoekt; de adem werd mij zwaar; en ware er niet af en toe een snuiven hoorbaar geweest van den eenen of anderen visch in mijne nabijheid, of de wiekslag van onzichtbare vogels boven mijn hoofd—zoo hadde ik mij kunnen verbeelden voor eeuwig verloren te zijn in het rijk van de schaduwen des doods.... Eindelijk echter werd het ijler. Ik bespeurde een groenachtig schemeren in de verte. Daar brak het zonlicht door——en ik zag.... Maar gij moet me gelooven! Zult ge?——

„Ik zag eene grasgroene watervlakte, spiegelglad gespreid onder een wit betrokken zwerk. En midden uit dien groenen plas, op eenen afstand van twaalf of veertien mijlen, rees een enkele, ontzaglijke kegelberg, twintigduizend voet hoog, naar ik gis. Aan den voet was hijmet welig groen bewassen; topwaarts werd hij eene grauwe rotsmassa; en uit zijne kruin steeg, nogmaals duizenden voeten hoog, loodrecht eene dikke zuil van witten damp, die aan haar zenith zich uitspreidde naar alle kanten. In breede stroomen trok de damp door het luchtruim, om langzaam neer te dalen op de zee, en den wal van nevel te vormen, dien ik had doorboord. Het was een gewelf, een onmetelijke koepeldom van nevel, met de zuil, die te rusten scheen op den berg, in het midden, en met zijne fundamenten rondom op de wateren. Nu en dan schoten er vreeselijke vuurstralen uit den bergkrater, die de dampzuil deden gloeien, en gansch den dom van nevel in het rond verlichtten. En daaronder lag de groene zee—glad, peilloos diep, naar de kleur en helderheid te oordeelen—maar niet levenloos. Hier krielde het van walvisschen, die speelden met hunne jongen; het ruischte van hun geblaas; boven den wijden waterspiegel dansten alom de fonteinen uit hunne neusgaten. Ook bespeurde ik, terwijl ik den berg naderde, andere monsters, van ijselijker gestalten: monsters zooals ik later afgebeeld vond in boeken, met harde Latijnsche namen gedoopt—monsters van vóór den Zondvloed, zeggen de geleerden. De groote zeeslang stak in de verte zijnen gehoornden kop een vijftien ellen boven water; van verbazende salamanders werden de ruggen zichtbaar, als omgeslagen scheepsrompen; en toen ik dicht genoeg nabij den berg was, kon ik aan den oever leguanen bespieden met lange vogelhalzen en bekken als snoeischaren—en kaaimans, Sir! naast wie de kerels in de Zuid-Amerikaansche rivieren alsbabieszouden zijn.

„Hoe ik den moed had dit alles nog zoo op te nemen, begreep ik later zelf niet. Zeker had ik hem te dankenaan het fiere bewustzijn, dat mij toen doortintelde van het hoofd tot de voeten. Want, Sir!—hier was ik, Jack Bobson, van aangezicht tot aangezicht met de Noordpool. Die ontzaggelijke vulkaan (nooit vergeet ik zijnen aanblik vol eenzame majesteit) die ontzaggelijke vulkaan was het toppunt van de wereld, het uiterste eindje van het hooge Noorden. Door zijn ruggemerg moest de as loopen, om welke de aardkloot zich wentelt. De gloed zijner uitbarstingen was het Noorderlicht. De heete waterdamp uit zijnen krater was oorzaak van de warmte die het ijs verdrong, tweehonderd mijlen in den omtrek. En deze groene zee was de lang gezochte kraamzaal der walvisschen—de wijkplaats van de laatste nakomelingen der gedrochten, die toekijkers waren bij het van stapel loopen der arke Noach's—zoo zeggen de geleerden. Zie, Sir!—en dit alles hadikgevonden en ontdekt—ik, Jack Bobson, een eenvoudig ijsmeester van deErebus, geheel alleen—Jack Bobson, Sir, die hier aan deze tafel met u zit!——Gelooft ge mij?

„De monsters deden mij geen kwaad. Nu en dan gluurde er een met een oog als eene scheepslantaarn mij aan; maar geen sperde er zijnen muil open om mij en mijne boot op te slokken. Blijkbaar begrepen zij niets van ons beiden. Alleen de groote zeeslang, die een bereisd monster is, en de menschen en hunne boosheid kennen moet, zou mij bij eene ontmoeting waarschijnlijk belet hebben van mijn avontuur iets na te vertellen. Ik sidderde bij de gedachte—en het werd mij zoo bang, zoo bang, dat ik met alle macht begon weerom te roeien naar de nevelzee. Eene sterke strooming, die om den berg scheen heen te loopen, kwam mij te hulp. Haar noordwaartsche tak had mij heengevoerd naar de Pool; haar zuidwaartschevoerde mij terug er van. Ik boorde weer door den nevel. Weldra was de glasgroene zee, was de machtige vulkaan onttrokken aan mijnen blik. Alleen het roode flikkeren vergezelde mij nog, flauwer en flauwer, naarmate de damp weer dikker werd. Nogmaals dagen lang dreef ik zoo blindelings voort. De koude nam allengs toe. Straks ontmoette ik weer ijs. De horizon helderde weer op in het Zuiden. Ik zag land: bergen, met sneeuw bedekt. De strooming wierp mij tegen de kust. Eskimo's snelden toe, die mij vriendelijk opnamen, en die ik rijk maakte met de schatten in mijne boot.

„Wel, ik leefde dertien jaren onder dezen stam, vóórMac Clintonmet deFoxmij terugbracht naar Engeland. En nu eerst begon mijn lijden. Ze vertelden mij van Sir John's jammerlijk uiteinde. Hoe ik geschreid heb om hem en de arme kameraden!—Maar toen ik hun verhaalde dat ik zelf de Pool ontdekt had, en wat ik gezien had dáár—toen geloofden ze mij niet. Ze zeiden dat de kou mijne hersens moest hebben doen bevriezen, of dat de traan der Eskimo's mij naar het hoofd moest geslagen zijn. Ze zeiden dat ik gek was. Ze geloofden mij niet!

„Ik kwam hier, te Londen. Mijne betrekkingen waren alle gestorven—en vreemden kenden mij niet meer. Ze wisten wel dat er een Jack Bobson was geweest op deErebus. Maar die Jack Bobson moest omgekomen zijn als de rest. En ik, met mijne groote ontdekking—ik was een bedrieger, een dronkaard, een krankzinnige!—Ze geloofden mij niet!

„Ik schreef aan de bladen. Ik sprak met depenny-a-linersvan deze schurkachtigeDaily Telegraph, die nu weer zotteklap verkondigt over eene Pool van eeuwigdurendijs. Ze lachten mij uit! Ze wezen mij de deur!—Ze geloofden mij niet!

„En hier zit ik nu, Sir—ik, Jack Bobson—met de grootste ontdekking na Columbus in mijne hand——en,curse them, Sir! They won't believe me! They won't believe me!”.................

Kermend had mijn verteller zijnen laatsten klaagtoon uitgestooten. Zijn gerimpeld gelaat vertrok zich als tot schreien. Ik had medelijden met hem.

Toch ben ik nooit na dien avond teruggekeerd in het rustige ale-huis nabij de Waterloo-brug. Ik had het hart niet, Jack Bobson onder de oogen te treden, en hem te zeggen of te toonen dat ookikhem niet geloofde.

Sage,Gij lieflijke,Oud van den beginne,Jong totaan het einde—Verjong ons met uwe jeugd!

Sage,Gij lieflijke,Oud van den beginne,Jong totaan het einde—Verjong ons met uwe jeugd!

Hillegersberg is een Zuidhollandsch dorp, een uur gaans ongeveer van Rotterdam gelegen. Om er te komen, volgt men den Schie-stroom totaan de buurtschap de Heul, wijd berucht wegens hare eigenaardige wijze van Pinksterviering. Vervolgens slaat men rechtsaf eenen straatweg in, die—hooge zeldzaamheid in dit gedeelte van ons vaderland—beplant is met boomen, wel is waar vlijtig verminkt, maar toch nog niet gansch afgemaakt. Onder het schrale lommer beweegt men zich afwisselend langs groene weiden, groene slooten, groene moestuinen, en talrijke, aan weerszijden tusschen groen verscholen buitenplaatsjes. Aldus kuiert de duffe stadbewoner het vriendelijke dorpje binnen, genoegelijk gestemd over het bijeentreffen van zóóveel groenigheden binnen zoo luttelen afstand van winkel of kantoor.

Mijne beminde stadgenooten, de Rotterdammers, hebben deze toelichting niet van noode: want voor de deftigen onder hen is „den Berg” eene gezochte begraafplaats; en voor de niet-deftigen is het een uitverkoren ontspanningsoord. Zij allen rijden er dus heen op hunne beurt—de rijken stom en stapvoets en met groote staatsie, om er zich te laten bijzetten—de arme drommels (die na hunnen dood den zinkput in het Crooswijksche veen voor lief moeten nemen) jolend en tierend, holderdebolder in breukige kalessen en volgepropte omnibussen, om er in eenen theetuin zich te verhitten met schommelen en slechten drank.

Voor andere bewoners van Nederland echter, in de Maasstad en omstreken vreemdelingen, was de bovenstaande mededeeling misschien niet overbodig. Ter inlichting van dezen ook meen ik hier nog te moeten aanstippen, dat de gemeente Hillegersberg niet slechts boogt op een aristocratisch kerkhof en eenen plebejischen theetuin, maar bovendien op eenen heuvel, eene ruïne en eene legende. Deze drie laatste eigenhoorigheden zijn voor een dorp in het proza-land bij uitnemendheid, het ingedeukte, boomlooze, van koemest en spoeling doorweekte Schieland, iets zóó ongewoons, dat ik waarlijk wel een woordje méér er over zeggen mag.

Den heuvel, het is zeker, zou een wandelaar, die er niet opzettelijk aandachtig op werd gemaakt, allicht voorbijloopen zonder iets van zijne aanwezigheid te bespeuren;—ik geef hem vermoedelijk méér dan zijn rechtmatig deel, wanneer ik hem eene hoogte toeschrijf van wel twaalf voet boven de omliggende poldervlakte. Nochtans is hij, gelet op zijne herkomst, met vollere waarheid iets ontzagwekkends, iets kolossaals, iets titanisch te noemen, dan bij voorbeeld het Matterhorn of de Dhawalaghiri, van welkemen toch beweren mag dat zij, louter als bergen beschouwd, heel wat méér te beteekenen hebben. Het Matterhorn en de Dhawalaghiri zijn namelijk voortbrengsels van natuurkrachten—terwijl de berg van Hillegersberg....

Maar stil, mijne heeren! dempen wij onze luidruchtigheid! Want hier verschijnt, gegord met mos, met eiloofranken kuisch gesluierd, de sage op ons tooneel.

In een zeer grijs verleden (de oudste menschen van Hillegersberg herinneren zich er niets meer van) woonden er in deze landstreek zonen en dochteren Anak's, zeer vreeselijk om aan te zien: geweldige creaturen, wier grootte evenveel vademen bedroeg, als duimen de grootte van de kinderen der menschen. Hunne voetzolen waren op de aarde; maar hunne hoofden boorden in de wolken. Riepen zij elkander toe, dan was er donder in de hemelen; wandelden zij, dan dreunde de bodem als van den tred van vele heirscharen; en als zij zich nederlegden om te slapen aan het boord der meiren, zoo steigerden gelijk strijdrossen de golven bij het geronk uit hunne neusgaten.

En het geschiedde eens op eenen dag, dat eene jonge maagd uit dit geslacht, Hildegarde, die rijzig en schoon was boven alle hare zusteren, van het fijnste zand begeerde, opdat zij daarmede haar aangezicht blank mocht schuren—blank en blinkend in de oogen van Ubbo den Bruine, den jongeling dien zij liefhad. Zij dan sprak tot haren vader, Twikko den Grauwe: „Mijn vader, waar vinde ik zand zoo rein als goud, zoo fijn als water, zoo wit als melk?”

Twikko de Grauwe antwoordde, zeggende: „Ga naar het strand der zilte zee, en schep er wat zacht als eiderdons is onder uwe voeten.”

„Mijn vader”, hernam de maagd, „geef mij uwen helm van koper, opdat ik het daarin drage, dat zand.”

Maar Twikko de Grauwe ontstak in toorn, en riep haar toe: „Wat vraagt gij mijnen helm van koper, mijnen heldenhelm van glanzend metaal! Hebt gij den korf niet, den korf van popelstammen, dien Fikko de Roode u vlocht, uw bruidegom?”

Toen schoten er bliksems uit Hildegarde's oogen. „Vervloekt!” schreeuwde zij: „vervloekt zij Fikko tot in de wortels van zijne roode haren! Het is Ubbo de Bruine, dien ik min! Eer zal de aarde mij verzwelgen, eer kies ik de diepe zee mij tot bruidsbed, vóór Fikko de Roode met eene nagelspits mij beroert!”

„Ha, bastaard van eene teef!” zóó brullend sprong de oude op: „Ha, voetwisch van mijne knechten! dezen avond nog zult gij uw Ubbo's nieren mij opdragen als gebraad en zijn hartebloed als mee in mijnen gouden beker!...”

Hildegarde gaat. Weinige schreden brengen haar aan het zeestrand. Zij gaart eene blonde duin of wat in haar schortekleed; zóó beladen ijlt zij huiswaarts heen, diep bezorgd wegens den bruinen Ubbo. En als zij Twikko's haardstede nadert, zoo waait de landwind den reuk van een slagveld in hare neusgaten, en vóór haar uit speurt zij de wolken rood van bloedwalm. Haar zoekend oog doolt langs den horizon, of het de strijdenden niet ontwaart. Maar al voortsnellende stoot zij haren voet tegen het gevest van een in den grond gestoken zwaard. Zij struikelt—en ligt over het lijk van Ubbo den Bruine.

En met eenen smartkreet, dien de raven herhaald hebben tot in Nibelheim, hief zij den beminde aan hare borst. En zij droeg hem naar het strand der zilte zee. En in de branding stappend, met den dooden lief in harearmen, waadde zij verder en verder, tot de bruisende wateren zich sloten boven haar hoofd.—

Kent gij de witte krijtklippen aan den overkant der zee?—Het zijn de gebleekte beenderen van het jonge reuzenpaar, door de golven opgeworpen tegen Albion's kust. Dáár echter, waar Hildegarde struikelde, en het noodlottige duinzand in haar voorschoot werd uitgestort over den bodem—dáár welft zich sedert een heuvel boven het drassige weideveld: de heuvel van Hildegarde: Hildegard's berg.

Dus luidt de sage. Men vindt door de windvaan op het gemeentehuis en door het fraai gebeitelde dorpswapen in den gevel van dit gebouw nog ten huidigen dage Hildegarde's ongeluk in dankbaar aandenken gehouden.

Inderdaad, van dankbaarheid mag hier wel sprake wezen. Want aan dit voorhistorische treurspel hebben de Hillegersbergers alles te danken.

In de eerste plaats hunnen berg;—zonder die scheur in dat schortekleed immers zouden er kikkers kwaken ter plekke waar thans de gasten uit de stad een vergezicht komen genieten. In de tweede plaats hunne sage;—de berg baarde de sage, gelijk het schortekleed den berg baarde. In de derde plaats hunne ruïne;—want vermits die ruïne boven op den berg staat, zoo moet men wel aannemen dat het juist alweer de berg was, die den bouwmeester der ruïne uitlokte om dáár en niet elders te bouwen. In de vierde plaats hun zeer begunstigd kerkhof, dat mede op den berg en om de ruïne gelegen is;—de aanzienlijke Rotterdammers toch, die zich hier laten begraven, maakten voor het meerendeel hun fortuin in koffieboonen of in metallieken; en juist voor dezulken ishet zoet en eervol, den laatsten slaap te sluimeren op eene verhevenheid uit den sagen-tijd, onder eene ruïne uit de dagen der kruistochten. In de vijfde plaats....

Doch waartoe deze opsomming nog voortgezet? Het is klaar als kristal, dat Hillegersberg nooit geworden zou zijn wat het is, zonder den berg van Hildegarde. En evenzoo duidelijk is het, dat de berg van Hildegarde er nooit zou gekomen zijn zonder den ontijdig opgevlamden hartstocht van Hildegarde de reuzin voor Ubbo den reus, bijgenaamd de Bruine.

Een vierde van eene eeuw geleden woonde er in dit dorp een jeugdig ondermeester, die van zijnen vader den onbezoedelden geslachtsnaam Eykendaal, van zijne moeder den welluidenden persoonsnaam Justus, en van hen beiden te zamen een gezond en welgevormd lichaam benevens een helder hoofd en een gevoelig hart ontvangen had. Meer dan die vijf dingen lieten zijne vroeg gestorven ouders den knaap niet na; maar hij, wel verre van hun een verwijt daarvan te maken, vond dat het reeds veel was. Ware hij als Klaas Klomp of als Kees Kuit dit ondermaansche ingestuurd, toegerust met eenen bochel en eene borstkwaal, en behept met eene Judas-geaardheid—hij had er mee al niets tegen kunnen doen, begreep hij. Dit in aanmerking nemende—alsmede dat eene krachtige maag een zegen heeten mag, zelfs al kan men haar in den regel niet vullen met wildbraad of pastei, en dat welgeschapen leden ook onder een schamel jasje eenen jongen man niet misstaan—meendeJustus dat voor eenen spruit van eenen plattelands-brievengaarder het ouderlijke erfdeel heel wat kariger had kunnen uitvallen. Hieruit blijkt dat Justus, zonder het zelf te weten, van zijne ouders ook nog redelijkheid en tevredenheid had geërfd.

Te zeggen dat Justus Eykendaal arm was, is trouwens even onnoodig als de verzekering dat eene stortbui nat maakt, of dat vuur verbrandt. Wie heeft er ooit gehoord van eenen drogen regen, van eene koude vlam, van eenen bemiddelden ondermeester?—Tegenwoordig zelfs, nu de paedagoog als plechtanker van het heil der menschheid in de plaats getreden is van den Heidelbergschen catechismus, en zijne werkplaats, de school, de dame is om wier gunst de geduchtste strijders in Kerk en Staat elkander bekampen—tegenwoordig zelfs baadt de Nederlandsche hulponderwijzer zich zelden in weelde. Maar voor vijf-en-twintig jaren was het toch iets anders nog. Er liepen toen geene menschen rond, zelfs geene luitenants, die de kunst van glimlachend hongerlijden en het verduurzamen van afgesleten jasjes met taaiere volharding beoefenden, dan de adjudanten van den school-monarch. Achtenswaardige jongelingen! Hunne opleiding in de universiteit der beproeving was grondig. Indien zij naar onze hedendaagsche begrippen wat haastig waren met kastijden, schrijven wij het hieraan toe, dat ook hun het leven de plak en de roede niet kwijtschold voorwaar.

Justus Eykendaal evenwel mocht, waar het plak en roede gold, als eene uitzondering doorgaan op den toenmaligen regel. Lag het aan zijn zachtaardig temperament, aan zijne sympathieke gemoedsstemming, of aan een noodlot dat hem eenen menschenleeftijd te vroeg in de wereld zond—zóóveel is zeker, dat de toenmalige schooltucht in dezenjonkman geenen aanhanger vond. Hij wist niet hoe het kwam—maar tot beuken op kinderhoofdjes en kinderrugjes stonden nu eenmaal zijne handen niet; en van alle schoolmeesterlijke geniepigheid, als daar zijn knepen in ooren, porren met leien, kneukel-tikken met linialen, koesterde hij kortweg eenen afkeer. Hem scheen kindervleesch, inzonderheid het vleesch van kleine meisjes, iets zóó teeders toe, dat hij het wèl streelen kon, maar niet martelen. Trouwens, met zijne toonrijke stem en sprekende oogen wist hij zich door het jonge goed heel wat beter te doen gehoorzamen, dan hij ooit vermocht zou hebben met ranselen en bulderen.

Ziedaar mijnen ondermeester. Hing de jeugd om zijne minzaamheid hem aan—ik moet tot mijn leedwezen er bijvoegen dat zijn superieur, de bovenmeester Van Meppen, hem er niet best om lijden mocht. Dit feit vordert, ter wille eener juiste waardeering van den Hillegersberger magister, eene nadere uiteenzetting.

Meester Pieter Van Meppen liep om en bij de vijftig. Voor eenen onderwijzer is dit de schoonste leeftijd. Hij heeft dan nog een aardig eind weegs voor de borst (geen sterft er, zooals men weet, onder de tachtig), en toch is hij oud genoeg om gekomen te zijn tot het vol en rustig besef van zijne majesteit. Hij staat in de volheid zijner rijpheid, op het toppunt zijner macht!—Wie (zegt het spreekwoord) op zijn dertigste jaar niet sterk is, op zijn veertigste niet verstandig, en op zijn vijftigste niet rijk, die kan het er gerust voor houden dat hij zijn leven lang nooit sterk of verstandig of rijk zal worden. Nu, groote lichaamssterkte kwam den heer Van Meppen bij zijnen omgang met schoolkinderen beneden de twaalf jaren nietbijzonder te pas. Boven het streven naar rijkdom had hij, op het voetspoor van Diogenes en andere groote wijsgeeren die de druiven zuur verklaarden, zich steeds verheven geacht. Maar verstand—ja! van verstand had meester Van Meppen in zijn vijftigste levensjaar zich zijn billijk deel vergaard—althans naar zijne eigene schatting, welke immers op dit stuk oneindig vertrouwbaarder is dan de schatting van anderen!—Want wat baat het mij of mijne buren mij al voor eenen Salomo houden, indien ik mijzelven ken als eenen ezel? En wat schaadt het mij of anderen mij al voor eenen ezel verslijten, indien ik mijzelven maar op den waren prijs stel als eenen Salomo?—De heer Van Meppen wist zelf het best wat er in hem stak. Ronduit gesproken, hij was, in alle nederigheid, hier op aarde zijnen betere nog niet tegen het lijf geloopen. Deze waarheid stond te allen tijde op zijn gelaat te lezen. Daarom ook zou eene ontmoeting met hem een wezenlijk fortuintje zijn geweest voor eenen schilder, die toevallig zoekende was naar eenen model-kop voor een beeld der nooit weifelende zelfgenoegzaamheid.

De heer Pieter van Meppen had zich eene lijfspreuk verkoren, die de leidende gedachte bij zijne methode van onderwijs als formuleerde:—„het boompje dientjonggebogen.” Dit klinkt bijna wreedaardig, niet waar?—En toch, lezer, toch bid ik u, rangschik mij om dezen stelregel mijnen bovenmeester niet aanstonds onder dat slag van antieke kinderbeulen, voor wie Dante verzuimde in zijnenInfernoeene afzonderlijke verdieping in te ruimen: nietige inquisiteurs, kleine vivisectoren, kruisingen van kat en ezel, die in hun ledig brein, onder het magistrale pruikje, de valschheid en het leedvermaak van het eene schepsel geämalgameerd hadden met de balkende deftigheid vanhet andere. Neen toch! Wacht u wèl voor dergelijke overijling!—Meester Van Meppen was volstrekt geen laffe aterling van die soort. Meester Van Meppen had veeleer eenen hekel dan eenen lust aan lijfstraffelijke rechtspleging: maar hij beschouwde deze als een onvermijdelijk kwaad—„necessitas naturae”, evenals bakers, dienstmeiden, en vrouwvolk in het algemeen. Meermalen had men in de societeit, als het gesprek op zaken van onderwijs verzeilde, hem dit met klem van redenen hooren uiteenzetten. Hij wist wel dat enkele jongere collega's zich den schijn gaven alsof zij het zonder slaan konden kroppen. Doch deze schijn leekhemten hoogste bedriegelijk. „Ik voor mij”, riep hij, tuk op elke gelegenheid tot het uitkramen van zijn bijeengesprokkeld Latijn: „Ik voor mij houd mij aan het reeds door de oude Romeinen met zoo schitterend gevolg in praktijk gebrachte „Fortiter in modo, suaviter in rebus!””—waarmee hij zich verbeeldde onweerlegbaar te hebben betoogd, dat het straffen aan den lijve hem maar al te vaak werd opgelegd als eenen smartelijken, doch onvermijdelijkenplicht. En zoo ging er geen dag voorbij, waarop hij geen klappen uitgedeeld had links en rechts—zuiver uit plichtbesef—louter uit kracht van een met overtuiging toegepast beginsel. Van Meppen geloofde heilig in de weldadige werking van eene dracht slagen. „Het boompje moetjonggebogen!”—Teekende zijn eigen gemoed tegen die leer soms verzet aan: zag men soms, gelijk bij Van Alphen's even hardhandigen als weekhartigen papa, tranen glinsteren in zijne oogen wanneer hij Hieronymusjen op de broek gaf—dan verweet hij zich dit als zwakheid. De roede zwaaiend, verstaalde hij zijne ingewanden tegen het gejank der getuchtigden door het aanhalen van nog een ander gulden woord der vaderen: „Zachtemeesters maken stinkende wonden!”—Om kort te gaan, meester Pieter van Meppen was nog een onderwijzer van den ouden stempel, en koesterde omtrent de opkweeking der jeugd zoo zijne ouderwetsche en onwankelbare begrippen.

Welnu dan—was het vreemd, dat het den man hinderde, die begrippen gekleinacht, ja, zwijgend maar met de daad te schande gemaakt te zien door eenen aankomenden kwâjongen? Lag er voor den bovenmeester, als verantwoordelijk opperheer in de school, in des ondermeesters meerdere en zuiver zedelijke macht niet iets krenkends? Schuilde daarachter tevens niet een opstaan tegen zekere, door de eeuwen geijkte, denkwijzen, gebruiken en instellingen—iets eigenzinnigs, iets weerbarstigs, iets revolutionnairs?.... Revolutie! Gerechte hemel! Het woord al zou den meester een kruis hebben doen slaan, ware hij niet zoo rechtzinnig gereformeerd geweest.

Ten overvloede had Van Meppen tegen Justus Eykendaal nog eene andere en meer ernstige grief. Hij meende namelijk in den jongeling eene aanwassende neiging te bespeuren tot—hoe zou hij het noemen?—tot vreemddoenerij, sentimentaliteit, romanziekigheid, kluisjes bouwen in den maneschijn—: eene neiging, die den stijven, dorren, met de kerkelijke witkalk dik bestreken man vervulde van dien gerechten weerzin, welken menschen als hij plegen te koesteren tegen alle zóódanige aandoeningen, waarvan zij zelven nu eenmaal geen tittel of jota meegevoelen.

Onder deze omstandigheden zou hij zeker al lang zich eenen anderen ondermeester hebben aangeschaft, indien niet twee beweegredenen hem daarvan hadden teruggehouden. Vooreerst zijn gevoel van recht: Justus, hoe zonderling ook, deed immers trouw zijn werk. Ten tweede zijn welbegrepen eigenbelang: want nergens zou hij eenen helpertreffen, die hem knapper zijne taak verlichtte, en aan wien hij geruster heel het schoolbewind kon overlaten, wanneer hij op mooie zomerochtenden met den dominee er eens uit wou op het verschalken van een zootje waterbaars.

Hoe de heer Pieter Van Meppen op dien romanesken trek, waarvan hij zoo huiverig was, zijnen ondermeester het eerst recht tastbaar—in fragrante delicto, gelijk hij zich uitdrukte—betrapt had?—

Ja zie—dat gebeurde heel bij toeval. En zonder dit toeval, vrees ik, zou de man er niet licht achter gekomen zijn, wat het dan toch voor heidensche grillen waren, die zijnen assistent soms zoo wonderlijk deden doen—zoo geheel anders dan alle andere jeugdige Hillegersbergenaren.

Vooraf dient men te vernemen dat meester Van Meppen een éénig stuk kroost bezat: een dochtertje, Marieken geheeten. Als een Zuidhollandsch burgerkind, Maria gedoopt, had het meisje eigenlijk een Mietje moeten wezen; doch hare moeder, die uit het Geldersche, of eigenlijk uit het land van Cleve was, en de taal harer kindsheid maar niet verleeren kon, had de kleine altoos genoemd bij den naam dien zij zelve gedragen had: Mariechen. Wel—Mariechen (of Marieken op zijn Hollandsch) klonk ook wèl zoo aardig tusschen al die Mietjes in, waarvan het wemelde te Hillegersberg. Dat vond een ieder.

Een stil en vroegrijp wijfje, dit Marieken—zooals éénige kinderen, die vroeg de moeder derven moeten, veelal worden. Flink uit de kluiten geschoten, met haar ernstig gezichtje en mijmerende oogen, kon zij in haardertiende jaar wel haast voor vijftien doorgaan. Maar den blijden stoeilust, den overmoedigen lach van de kalverjaren zocht men bij haar vergeefs. Hoe zou zij ook vroolijk zijn geworden?—Spelen had zij nooit geleerd; huismoederlijk zorgen des te spoediger. En met wie zou zij gelachen hebben?—Hare moeder, lang ziekelijk, ontviel haar vroeg, na haar al in hare eerste jeugd te hebben doen meeproeven uit den kelk van pijn en lijden. De dorpskinderen ontweken des schoolmeesters weinig aanlokkelijke woning. En de éénige die haar overbleef, haar strenge, stijve vader—ach! hij stond zoo ver van haar. Zij rilde van zijne klappen; zij schrok van zijne bijbelteksten en zijn deurwaarders-latijn; zij deinsde terug voor zijne in haar oog alomvattende geleerdheid. Van zijnen kant ook geene toenadering tot haar. Wel hield hij van zijn kind—niet minder al dan het gros der vaders, die niet kortweg onmenschen zijn. Maar dóórdringen in het jonge gemoed, meeleven met het jonge leven—de man had er nooit aan gedacht; en wie hem dit onder het oog zou hebben gebracht als eene tekortkoming, die zou Hebreeuwsch tot hem gesproken hebben. Marieken was een goed kind, meende hij; maar daarvoorhadMarieken het dan ook goed. Marieken deed als kind haren plicht, door haren vader gehoorzaam te zijn, en te zorgen dat haar vaders rok netjes geschuierd, haar vaders pijp luchtig gestopt, haar vaders koffie warm ingeschonken werd. Daarvoor genoot Marieken de gastvrijheid van het vaderlijke dak, de vaderlijke bescherming, het vaderlijk onderwijs, de vaderlijke opleiding tot orthodoxe deugd, en—de vaderlijke liefde.... Voor dezen man, tusschen kinderen vergrijsd, met kinder-adempjes als gevoederd, was het hartje van zijn eigen kind nog als het boek met de zeven zegelen.

Jammer voor hem! Want in dat boek—in dat hartje wil ik zeggen—had hij zooveel liefs kunnen lezen; en om de zegelen er van te ontsluiten, was ook geen wonderdier noodig met zeven hoornen en zeven oogen. Och neen! Een eenvoudige ondermeester had ze verbroken. JustusEykendaalkende bladzijde bij bladzijde van buiten. Niets van hetgeen daar geschreven stond (het was zoo veel niet trouwens: wat stille behoefte maar om lief te hebben, wat geloof en wat gevoel en wat ingeborene verbeeldingsgave)—niets van het schrijfsel in dit boek was den jongeling geheim. En evenzoo—maar dit vermoedde Justus, van zijne hoogte als man en ondermeester zelf zoo niet—evenzoo lagen voor het kind de roerselen bloot van het gemoed des jongelings.

Justus, na in zijn twaalfde jaar ouderloos te zijn geworden, was bij meester Van Meppen als kweekeling op school gekomen. Marieken was toen even negen. Destijds leefde ook juffrouw Van Meppen nog; en daar die brave vrouw met de moeder van Justus heel bevriend was geweest, zoo had het schoolmeesterlijke echtpaar den jongen in huis genomen. De vrouw zag daarin jegens den wees eene liefdedaad, terwijl de man de schikking beschouwde als voor het ondermeestertje heilzaam uit een zedelijk en paedagogisch oogpunt, en tevens (nademaal een Indische oom zich verbonden had tot het uitkeeren van een billijk kostgeld) voor hemzelven niet onvoordeelig met betrekking tot het huishoudelijke budget. Dus dakgenooten geworden, bleven toch aanvankelijk, zoolang juffrouw Van Meppen leefde, de knaap en het meisje elkander innerlijk vreemd; want nog ontbrak de band, die hunne schuwe naturen tot elkander brengen kon. Eerst een paar jarenlater, na den dood van des schoolmeesters vrouw, was hierin snel verandering gekomen. Marieken, in hare verlatenheid, was tot Justus—en Justus, in zijne deelneming, was tot Marieken genaderd. Samen hadden zij de moederlijke doode betreurd; samen hadden zij haar graf bezocht op den heuvel; samen—eerst aarzelend, maar weldra vol uit het hart—hadden zij gepraat over hunne eenzaamheid in deze groote en wreede wereld, van wier grootheid en wreedheid zij toch op hun dorpje pas zulk een klein en zwak denkbeeld zich hadden kunnen vormen. Elkander troosten, elkander aanvullen, was de grondslag geweest van hunne vriendschap; dit alvast had uit hunne jonge harten de kiem van bitterheid geweerd, die binnensluipenmoetin elk zieltje dat in geene enkele andere borst den weerklank verneemt van zijn zuchten en van zijn lachen. En allengs—naar gelang het meisje zich mee ontwikkelde, zoodat het verschil in leeftijd al minder en minder eene belemmering werd voor hunnen innerlijken omgang—allengs was er op dien grondslag voor hen beiden een heerlijk lustslot verrezen, waarin zij samen woonden als prins en prinses: een lustslot met gouden zuilen en torens van kristal: de koene, hooge burcht der phantasie.

Om het zakelijker uit te drukken: Justus en Marieken waren samen aan het lezen, aan het wandelen en aan het droomen gegaan.

Het lezen .... och heilige onnoozelheid! De hedendaagsche collega's van mijnen vriend zouden meewarig geglimlacht hebben, indien zij zijnen boekenschat bijeen hadden gezien. De Nederlandsche ondermeester in die donkere, langvervlogene dagen was nog niet de verbazend geleerde kop van tegenwoordig: de jonge wijsgeer, die van alle devruchten in den boomgaard der kennis geproefd, en de meesten derzelve wrang bevonden heeft. Och hemel, neen! Een professor was destijds een professor, en een ondermeester was een ondermeester. Er stond eene maat tot de kennis die men vergde voor de somma van twee-honderd-en-vijftig gulden 's jaars. Zoo bij voorbeeld zou Justus, indien hij pedant ware geweest en bluf had willen slaan, onder zijne ranggenooten bij de paedagogiek zich gemakkelijk hebben kunnen doen huldigen als een genie, omdat hij, behalve goed lezen, net schrijven, vlug cijferen en eene tamelijke dosis aardrijkskunde en geschiedenis, zich aardig wat Duitsch had eigen gemaakt: de taal die hem uit juffrouw Van Meppen's mond zoo zacht, zoo „heimlich” geklonken had, en in welke hij den rijksten schat wist te kunnen vinden van zijne lievelings-lectuur: sprookjes en sagen, balladen, liederen, overleveringen.....

Naïef, niet waar?—Ja, dat was heel iets anders dan Vogt en Büchner, Douwes Dekker en Stuart Mill, en meer van die klokspijs, waarmede onze huidige, zoo oneindig degelijker onderlegde jeugd zich de hersenen voedt! Inderdaad, dat was heel iets anders!....

En dit malle goed, dit zotte, zoete gephantaseer van bijgeloovig volk en onnoozele dwepers, dat leerde de jongen nu ook Marieken lezen. In dePalmblättervan Herder of in deMärchenvan Grimm—om maar iets te noemen—konden die twee te zamen zich dermate verdiepen, dat er zoo eenen ganschen zondag-achtermiddag geene school en geene schoolmeesterij, geen Hillegersberg en geen tredmolen voor hen op de wereld waren. Justus las voor; hij lasgoed, heb ik reeds gezegd. Marieken luisterde. En het een en ander was te genotrijker, omdat het contrabande was, aangezien meester Van Meppen (vanwiens boekenrek na den dood zijner vrouw zelfsMaurits Lijnslagerverwijderd was als een loszinnige, en Zschokke'sAlamontadeals ijdelheid der ijdelheden) er volstrekt niets van bespeuren mocht. Des winters moesten de jongelui hunne kans waarnemen bij eene vetkaars in de school, terwijl Van Meppen zijn uiltje knapte na het eten; of in de huiskamer, wanneer de geduchte zijn societeit-avondje genoot. Des zomers kropen zij weg in de ruïne op het kerkhof. Justus had aan een der afgebrokkelde stukken muur eene soort van trap gevonden, die naar eene nis leidde, een voet of acht boven den grond. Hier zaten zij verholen te lezen en te babbelen in het avondlicht, van aangezicht tot aangezicht met den ouden kerktoren, die aandachtig scheen mee te luisteren naar de verhalen van feeën en eenjers, nixen en dwergen en roovers en ridders, als waarden er echo's om hem henen van liederen uit zijne eigene jeugd. Hier ook was het, dat Justus aan Marieken de geschiedenis verteld had van Hildegarde en Ubbo. Het duurde een heel poosje, vóór Marieken zich uit het hoofd kon zetten dat de beide Delftsche torens, van deze verhevenheid juist zichtbaar als twee donkere staken waarachter het westen glom, niet Twikko en Fikko waren, de bloedige reuzen, uittrekkende op maagdenroof!

Dan het wandelen!.... De meesten mijner lezers zouden van die tochten door de Schielandsche dreven ras genoeg hebben gehad; maar enkelen hunner—bedenkende dat het blauw des hemels en het wit der wolken en het groen der velden heerlijk zijn alom, en dat zelfs eene wandeling door eenen polder beter is dan in het geheel geene wandeling—zouden lustig hebben meegestapt door dik en dun, blijde al dat zij den zuiveren wind hadden om in te happen, en den vrijen, wijden horizon om hunnen blik erlangs te laten dwalen. Men vergete ook niet, dat Justus en Marieken nooit eene andere natuur gekend hadden dan deze; de Duitsche wouden, de Zwitsersche bergen mocht hunne phantasie hun voorspiegelen, gelijk zij hun ook beelden maalde van het hemelsche paradijs; maar die wouden te doorkruisen, die bergen te beklimmen—de mogelijkheid van zoo iets kwam niet in hen op, laat staan de begeerte er naar. En eindelijk herinnere men zich hoe elke natuur ons sympathiek wordt, in welke wij ons bewegen als kinderen: in welke wij het eerst de vleugelen leeren uitslaan van onze verbeelding, het eerst de voor het jong gemoed zoo onuitsprekelijk aangrijpende indrukken ontvangen van de grootheid en de majesteit der Schepping, het eerst de zaligheid leeren smaken van bewonderen, van twijfelloos, critiekloos aanbidden.

Zoo wandelden de jongelieden, telkens als hun een vrije zaterdag-middag of een schoone zomer-avond gegund was, frisch er op los; ver langs de eenzame boorden van de Rotte, rondom de golvende, van wilgen en biezen omzoomde plassen, dwars door de velden naar een dorp in den omtrek—samen zingend in den wind met den rietvink, kruiden lezend, sproken dichtend, droomen droomend, muziek vernemend en wonderen speurend, waar de zinnen van anderen niets zouden opgemerkt hebben dan kaalheid en platheid—vunzig water en drassig veen.

Dit lezen en wandelen en droomen....

Maar ik zou vermelden op wat wijze de heer Van Meppen de volle maat te meten kwam van het ontuig, dat zijnen ondermeester door het brein spookte, en hoe hij tevenstot de wetenschap geraakte van hetgeen die jonge snuiter en Marieken dan toch zoo samen altoos te verhandelen hadden. Ik ga nu zonder verderen omhaal daartoe over.

Justus was tot eenen flinken zeventienjarigen borst, Marieken tot eene stemmige veldbloem van vijftien opgegroeid.

Eens op eenen warmen Juni-avond hadden onze jeugdige vriend en zijn vriendinnetje zich de weelde veroorloofd van een watertochtje. Na bij „Vrouw Romein” (ook bij de huidige Rotterdamsche jonkheid nog welbekend en veelgeliefd) een schuitje te hebben gehuurd, waren zij den plas opgedobberd, en hadden door het spelende briesje zich laten heendrijven in eene kleine kreek, die door twee smalle, met dicht elzenhout begroeide landtongen bijna geheel omsloten werd. Hier had Justus de riemen binnen boord getrokken, en uit zijn jasje een klein boekdeel voor den dag gehaald, welks genummerde rug en beduimelde omslag deszelfs afkomst vermoeden deden van een der stalletjes, die zoo lang het standbeeld van Desiderius Erasmus omschansten als met een bolwerk van geleerdheid. Dit boeksken was deUndinevanDe la Motte Fouqué.

„Wat nieuws en wat moois!” zeide de ondermeester op geheimzinnigen toon. „De historie van eene waternimf. Zullen we een hoofdstuk snoepen?”

„Graag! o graag!” riep Marieken; en meteen stak zij, het nijvere kind, de naald met roode zijde in het fluweelen calotje, dat zij werkte voor haar vaders verjaardag. Nu begon Justus met zachte stem te lezen, hoe de ridder tot den visscher kwam:—

„Es mögen nun wohl schon viele hundert Jahre her sein, da gab es einmal einen alten guten Fischer; der sass eines schönen Abends vor der Thür, und flickte seine Netze. Erwohnte aber in einer überaus anmuthigen Gegend. Der grüne Boden worauf seine Hütte gebaut war, streckte sich weit in einen grossen Landsee hinaus; und es schien eben so wohl, die Erdzunge habe sich aus Liebe zu der bläulich-klaren wunderhellen Fluth in diese hineingedrängt, als auch das Wasser habe mit verliebten Armen nach der schönen Aue gegriffen, nach ihren hochschwänkenden Gräsern und Blumen und nach dem erquicklichen Schatten ihrer Bäume. Eins ging bei dem andern zu Gaste, und eben desshalb war jegliches so schön. Von Menschen freilich war an dieser hübschen Stelle wenig oder gar nichts an zu treffen, den Fischer und seine Hausleute ausgenommen. Denn hinter der Erdzunge lag ein sehr wilder Wald”....

En zoo verder, tot het hoofdstuk uit was. Toen sloot hij het boekje, en zei dat het voor heden genoeg was: want met zulk een litterarisch banket moest men spaarzaam wezen, meende hij, als wijze kinderen met hun Sint-Nikolaas-lekkers. Niet alles opeens; dagelijks een brokje; dan duurde de vreugd het langst.

„Kijk!” riep hij, bij wijze van nabetrachting: „het heeft er hier wel iets van. Hier is óók een meer, en eene landtong, op welke wij een huisje zouden kunnen bouwen.”

„Om er met ons beidjes in te wonen, niet waar?” viel Marieken hem in de rede. „Zoo heel alleen met ons beidjes!”

„Zeker, kind! En daarachter zouden we boomen kunnen planten, die bosch zouden geworden zijn tegen dat we oude luidjes waren.”

„O heerlijk! heerlijk! Hoe gezellig!—En den kost zouden we verdienen met visschen, niet waar?”

Justus moest lachen. „Met visschen?—De paling is schaarsch in den Bergschen plas; en dat de baars ende voren er elkaar niet in den weg zwemmen, daarvoor zorgen je vader en de dominee en de liefhebbers uit de stad wel! Dat visschen zou ons een mager kostje opbrengen, Marieken!”

„Nu ja! maar we zouden zoo zuinig kunnen leven!” riep het meisje. „En als er dan eens zoo'n ridder kwam....”

„Een ridder, haha!—Ik vrees eer dat Hannes de diender komen zou, om ons te callanzeeren!.... Er zijn tegenwoordig zoo geen ridders meer, Marieken.”

„Ook geen betooverde wouden meer?”

„O, die zeker niet!”

„Ook geen waternimfen?”

„'k Zou denken van neen .... ofschoon .... in de zee, en in heel diepe meren .... wie weet 't! Er is zoo véél dat we niet zien kunnen....”

Dit stukje philosophie bracht beiden aan het mijmeren. Marieken stikte naarstig voort aan haar calotje; maar hare gedachten toefden in het visschershutje op de groene landtong. Justus pelde met zijn zakmes den bast van een wilgetakje: maar zijn geest zweefde ver weg over de diepe blauwe wateren, in welke de blanke nixen met de gulden haren nog wel wonen mochten. Hij zag in zijne verbeelding zijnen koensten wensch vervuld. Hij zeilde mee op een der groote schepen, die daar gemeerd lagen aan den rivierkant voor de stad. De wimpels flapten in den wind, de zeilen zwollen, de golven bruisten, gekapt met sprankelend schuim. Zeemonsters doken blazend op langs den boeg. Aan de kimme doemden blauwe bergen. Bij een zonnig eiland viel het anker. Justus wandelde onder de palmen van Taprobane, over welks wonderen hij kort tevoren gelezen had in het boek van vader Haafner.

Middelerwijl deed rondom den droomenden jongeling de wereld der werkelijkheid al haar best om in liefelijkheid de wereld der verbeelding te evenaren. Het was bladstil geworden, zoodat de gouden baan, die de neigende zon over den waterspiegel wierp, haast door geen rimpeltje verbroken werd. Om het bootje heen wipten de dartele vischjes uit het nat, met eene flikkering en een plompje. In de verte riep de koekoek. Vlak bij in het elzenhout kweelde de boerennachtegaal. Hoog in de bleekblauwe lucht kruisten tjilpend de zwaluwen.

Marieken had haar borduurwerk ter zijde gelegd. Haar ééne handje rustte in haren schoot; haar andere hing over den kant van het schuitje, de vingertoppen gedoopt in het groene water. Zij tuurde met groote oogen over den plas naar den weerhaan op den kerktoren, die blonk als eene ster boven het geboomte.

„Justus!” sprak zij plotseling.

„Wel?” vroeg de ondermeester, in zijnen droom van het wondereiland nog verzonken.

„Zouden ze er wel ooit geweest zijn?”

„Wat? De boschduivels en de dolle olifanten?—O zeker!”

„Neen!—de ridders, wou ik zeggen.”

Justus ontwaakte. „Aha, de ridders!—Ridders, kind? of die er wel ooit geweest zijn?.... Mooie vraag!—Heele legers van ridders!—En onze ruïne dan, die eens een groot en sterk kasteel was? Wie zou dat gebouwd hebben, als er geen ridders waren geweest?”

„En had elke ridder zoo zijne jonkvrouw?”

„Elke ridder had zijne eigene jonkvrouw, zoo mooi als de avondzon, voor wie hij den ganschen dag verzen opzei, en lanzen brak in het steekspel, en andere ridders bevocht.”

„En .... Justus....”

„Nu?”

„Wie zou jij wel kiezen tot je jonkvrouw?”

„Ik!” lachte Justus:—„maar ik ben immers geen ridder! Ik ben maar een arme ondermeester. Voor mij komen geene jonkvrouwen te pas!”

„Goed! Maaralsje nu eens een ridder waart? Wie zou je dan kiezen om mee te wonen in je kasteel?”

„Dan?.... jou, Marieken, jou.... Ik houd immers van niemand zoo veel!”

Marieken's oogen glinsterden; er vloog een lach over haar gelaat, die het bleeke kopje waarlijk schoon maakte. Na een kort zwijgen sprak zij verder:

„Justus, we hebben nu al heel wat sproken en legenden zoo samen gelezen. Maar de mooiste vind ik nog altoos die, welke ik 't eerst van je hoorde: de sage van Hildegarde en Ubbo.”

„En waarom dat?”

„Omdat zij zoo trouw was, die arme reuzin. En”—liet zij met ingehouden geestdrift er op volgen—„zal ik je eens wat zeggen?.... Ik zou het net zóó gedaan hebben!”

„Wat, mal kind?”

„Wel .... als ze mij den ridder niet hadden willen geven, van wien ik hield .... dan .... dan zou ik zijn weggeloopen .... dan zou ik in de zee gesprongen zijn.... O, ik zou hem hebben aangehangen tot in den dood. Al zouden er vijf-en-twintig reuzen gekomen zijn om mij te dwingen, of driehonderd draken met vurige muilen....”

Daar deed in het elzenboschje een verdacht gerucht zich hooren. Eerst een ritselen: daarna een gekraak enrumoer in het gebladerte, alsof een hongerige beer of een verbolgen everzwijn zich onstuimig eenen weg er doorheen brak. Justus dacht aan Hannes den koddebeier;—Marieken aan Twikko en Fikko. Maar ziet! vóór zij zelven eigenlijk wisten wat zij dachten, vóór zij tijd hadden om het schuitje van den wal te duwen en het ruime sop te kiezen .... ziet! de twijgen openden zich, en tegenover de vervaarde blikken der kinderen stond .... geen reus, geen vuurspuwende griffioen, geen al te ijverige dienaar der plattelandsche gerechtigheid .... edoch, omstuwd door eene wolk van opgejaagde muggen, bezaaid met groene houtluizen, de hengelroede in de hand, den vischkorf op den rug, den pierenbak voor den buik, meester Petrus van Meppen, zeer rood in het aangezicht van wegen inspanning en grooten toorn. Hij had, aan de andere zijde van de landtong gezeten om een baarsje te snappen, woord voor woord afgeluisterd wat de jongelieden in het bootje hadden gelezen en gepraat.

„Zoo, zoo, juffertje!” siste hij tusschen de tanden, met eenen centenaar nadruk op elke lettergreep: „Zoo, zoo .... vijf-en-twintig reuzen! driehonderd draken! wegloopen! in zee springen!—zoo, zoo! zou je dat?.... Ik moet zeggen, je bent een snugger nest voor je jaren! Je meester heeft pleizier van zijn onderricht!.... Hier! zeg ik. Aan wal! Oogenblikkelijk!”

Vervolgens zich tot Justus wendende, terwijl de hengel in zijne hand met vreeselijke slagen dood en verderf spreidde onder de muggen in het rond, bulderde hij met heel de kracht zijner longen, zoodat er eene siddering voer door de biezen aan den kant:

„En jij, aap van een jongen! Is dát de manier waarop jij je hooge roeping als onderwijzer der jeugd opvat?—DitDit onschuldige kind in hoeken en holen te vergiftigen met heidenschen zotteklap, onchristelijke bakerpraatjes, zedebedervend gebazel?—Haha! Loon je mij zóó al mijne goedheid en zorg en de gastvrijheid van mijn huis?—Serpent, dat ik aan mijnen boezem gekoesterd heb .... ik .... ik .... ik verban je uit mijne school, uit mijne woning!.... Ga weg van onder mijn oog!Vade mecum, Satanas! Vade mecum!”

Dit was de banvloek van meester Petrus van Meppen, tegen Justus Eykendaal door hem uitgesproken in de meest dramatische stonde zijns levens.

De verschrikte zon dook dien avond in haar golvenbed veel haastiger onder, dan zij van den almanak permissie had. De koekoek liet af van slaan. Het boerennachtegaaltje verstomde. En de nacht, de alvertrooster, spoedde zich om onder zijne vleugelen de deerlijk ontstelde schepping vergetelheid te doen vinden van zóóveel ontzettends.

Zijn interdictum tegen den ongelukkigen ondermeester geslingerd hebbende, aanvaardde met opgegeven hoofd, brieschende neusgaten en den tred eens veldmaarschalks, de heer Pieter van Meppen den terugtocht door het elzenboschje, zijn dochtertje met ijzeren greep nà zich sleepende.

Justus bleef dus alleen in het schuitje—alleen met zijne grimmigheid. Hij zag den handkus niet, dien Marieken hem toewierp terwijl zij tusschen het gebladerte verdween. Niets zag hij, dan den hoon hem aangedaan. Hij baldede vuisten, hij rolde wild met de oogen. Toen, over de riemen zich buigend als een galeislaaf, deed hij het onzalige pleiziervaartuigje heenscheren naar de overzijde van den plas, waar hij het aan den eigenaar terug te bezorgen en de huur er voor nog te betalen had.... Ziet hem roeien! Hoe zweepten de spanen het water tot schuim! Te drommel, wie had er achter den stillen jongen zóóveel spierkracht vermoed en zóóveel vuur?.... Maar hij was dan ook door en door boos. Het kookte hem in zijn binnenste, minder, weet ge, om Van Meppen's redeloos uitvallen tegen hemzelven, dan wel om de lastertaal, ja, de blasphemie van dien man tegen Undine, Hildegarde en heel de Germaansche dichter- en sprokenwereld. Ha! smaad op hemzelven deerde hem minder. Maar dit schimpen op zijn heiligdom, dát was te veel geweest!—Dienzelfden avond nog wilde hij zijne gansche wereldsche have zich op den nek laden, en elders eerst een nachtverblijf, vervolgens eene betrekking gaan zoeken.

Met dit voornemen bezield, kwam hij thuis, waar Marieken hem over den drempel te gemoet ijlde. Zij hunkerde naar hem. Haar vader was op de societeit zijne verontwaardiging wat gaan verzetten. Nu konden zij vrijuit praten.

„Justus!” begon het meisje, hem hare handen op de schouders leggende: „Justus, je zult niet gaan!”

„Toch, kind, toch! toch!” antwoordde de jongeling met gemaakte kalmte: „Toch, Marieken, ik zal wèl gaan. En dit heden avond nog: op staanden voet. Ik kom mijn boeltje inpakken, en afscheid van je nemen.”

„Justus! je raast. Wààr zou je heen kunnen? En waaróm zou je gaan?”

„Waaróm!” barstte Justus los. „Waaróm!” riep hij mettrillende lippen, geweldige moeite doende om zijne tranen te bedwingen. „Kun je dát nog vragen—jij, die ik meende dat mij begreep, dat met mij sympathiseerde!... Waaróm! Hahaha! Maar heb je dan niet gehoord wat je vader tot mij gezegd heeft?—Ik schiet hier immers uit hoeken en holen als eene slang....”

„Justus!”

„Om zijn onschuldig kind te vergiftigen!”

„O! stil toch!”

„Te vergiftigen, jawel! met heidenschen zotteklap, en onchristelijke bakerpraatjes, en—en wat zei hij ook nog meer?—zedebedervend gebazel, ja juist!... Zie je, Marieken, dat mag zoo niet langer duren. 't Is duidelijk: daar moet een eind aan komen. Zedebedervers en serpenten mogen hier niet langer met zóóveel vroomheid en onschuld onder één dak wonen!—Laat mij! Laat mij naar boven gaan, om mijne boeken en mijne kleeren bijeen te rapen. Ik wil weg! Satanas wil weg van hier!”

Marieken echter, in stee van hem door te laten, trad hem vlak voor den voet, en keek hem een poosje met hare groote blauwe oogen strak in de zijne. Hij sloeg de wimpers neder voor dien stil verwijtenden blik: want in die twee heldere zielespiegels had hij weerkaatst gezien hoe bitter en onbillijk hij daareven geweest was:—hoe voor één driftig woord, hem in het oor geworpen, zijn hart er twintig uitgebroed, zijn mond er twintig weergegeven had. De storm in zijn gemoed ging liggen onder dien blik.

„En zou je dan”, sprak het meisje zacht, maar met eenen nadruk die haar uit het diepste van haar zieltje welde: „zou je dan, Justus, zookunnenheengaan?”—

Kunnen?.... De knaap was veel te groen in de diplomatie,om met voordacht het antwoord op eene vraag te ontwijken. Wij moeten dus aannemen dat hij geen flauw besef had, wat teederheid, half kinderlijk nog, half vrouwelijk reeds, er tot hem sprak uit dat ééne woord. Och och! er trillen toontjes in maagdeboezems, wier fijne, zoete klank aan een zeventienjarig jongensoor even verspild is, als een strijkquartet van Mozart aan een gezelschap Kaffers. Oudere ooren, die ze wèl vernemen kunnen—voor die, helaas, zijn zij niet meer bestemd.

„Kunnen?” riep dus Justus, hoorende doof: „Er is immers geen sprake van kunnen! Ik moet immers wel. Je vader heeft me immers weggejaagd!”

„Dwaasheid!” hernam Marieken: „Je kent vader wel beter. Je weet wel dat hij niet alles meent wat hij in zijne drift zich zoo ontvallen laat. Je weet ook wel dat hij je niet graag missen zou op school.”

„'t Kan zijn. Maar wie zou hier dan de minste moeten wezen?—Zouiksoms moeten vragen om te mogen blijven? .... ik .... ik die”.... Hij begon weer op te bruisen, bij de gedachte aan al de grieven van dien avondstond.

„Tut, tut!” suste hem Marieken: „laat dat aan mij maar over! Voor het vragen zorgik!”

„Lief kind!” zeide Justus, terwijl hij hare hand vatte.... „Hoor eens—ik was buiten mijzelven daareven. Ik had ongelijk. Maar toch, in alle kalmte nu—'t is beter, geloof ik, dat ik heenga, Marieken. Je vader en ik kunnen tóch op den duur met elkaar niet overweg. Wij zijn contrasten, water en vuur, tot zelfs in onze opvatting van de schooltaak. Mijne boeken, die ik zoo liefheb, hij zou ze verbranden, als hij durfde. Mijne idealen, waarmee ik zoo dweep, en waarin ik zoo opga, omdat ze mijals mijn adem zijn—hij zou er den spot mee drijven, als hij ze kende. Wat mij eene openbaring is, dat is hem zoo veel als praat uit het dolhuis, nog goddeloos op den koop toe. Ik ben voor hem een ingebeelde droomer. Hij is voor mij een bekrompen schoolvos. Zeg zelf—hoe zal dit langer samen passen?”

Daar biggelden twee groote tranen Marieken langs de wangen. Het was zoo waar, wat zij hooren moest; en juist dáárom was 't zoo hard het te moeten hooren. Justus' drift had zij gemakkelijk vermeesterd; tegen zijne rede wist zij niets in te brengen.

„Och!” snikte zij, met haren witten boezelaar voor hare oogen: „wij waren zoo gelukkig samen!”....

Zacht trok hij haar naar zich toe, bewogen, meer dan half verwonnen reeds. Wanneer men nog geen twintig zomers telt, dan kan men het grootste gelijk willen hebben tegen drie dozijn professoren—het argument van meisjestranen weerstaat men niet licht. Hij legde haren arm in den zijnen, en, zonder zelf te bedenken waarheen zij gingen, slenterden zij samen het aan de school grenzende heuveltje op—de kerk voorbij—het oude pad op tusschen de graven.

Het was donker geworden, zoo donker het namelijk in eenen helderen Juni-nacht worden kan, als des nachtegaals avondlied en des leeuweriks morgenzang elkander opvolgen gelijk adagio en scherzo eener symphonie; als de sterren den tijd nauw vinden om even te flonkeren tusschen de schemering die ze ontsteekt en de schemering die ze doet verbleeken; als het amber aande westerkimme even pas vergrauwd is, of ziet—Auroor begint in het oosten den sluier al weg te schuiven van haar rozig aangezicht!

De maan bovendien.... Ei ja, lezer, sta ook mij toe van dit hemellichaam een passend gebruik te maken ter illuminatie van deze mijne vertelling. Ik geef u mijn woord, dat ik aan de vergunning mij niet zal te buiten gaan. Het is trouwens een feit, het is historisch boven allen twijfel verheven, dat in Juni van den jare 1858 verscheidene nachten achtereenvolgens de satelliet van onzen aardbol ook het dorpje Hillegersberg en omstreken met zijn zilveren licht bestraald heeft.

De maan alzoo, juist boven den lindenkrans rondom het kerkhof verrezen, dreef met het landschap haar welbekend goochelspel. Aan vlakheid leende zij diepte, aan dofheid glans, aan schaduwen lichaam. Den kerktoren herschiep zij in eenen wachter met metalen helm en pantserkraag; het boschje in eenen zuilentempel; het grasperk onder de boomen in wemelend mozaïek; den dauw, die wijd gestrekt lag over Schieland's velden, in eene zee van ongepeilde diepte, bezaaid met dreigende klippen, die koebeesten, en met geheimzinnige eilanden, die boerenhofsteden waren. Doch dit alles haalde nog niet bij hetgeen zij aan de ruïne tooverde. Ruïnen en de maan (die zelve een oude puinhoop is) zijn van eeuwen her boezemvrienden geweest; vandaar dat men een oud stuk muur zoo bijzonder indrukwekkend vindt bij maneschijn, en dat men de maan zoo op haar minnelijkst ziet lonken door een kijkgat in een oud stuk muur. De ruïne van Hillegersberg dus was méér dan schoon dien avond. Zij scheen hooger en ranker geworden, jonkvrouwelijk haast van gestalte. Haar rood gesteente leek doortinteldvan eenen warmen goudglans; de schaduw aan haren voet was als een sleep van zwart fluweel; op hare kruin glom het natte mos als smaragden, en vonkten de bedrupte graspluimen als brillanten, gestengeld op eenen diadeem.

Onze jonge lieden, naast elkander gezeten op eene hooge zerk, op welke een groot bronzen blazoen prijkte, hadden eene pooslang al peinzend meegezwegen met de roerlooze stilte om hen heen. Justus brak eindelijk het mijmeren af:

„Is het niet als een sprookje?.... En dat er menschen zijn, die voor zoo iets niet het geringste gevoel hebben! Die er niets in zien kunnen, dan eene gelegenheid om olie te besparen in de straatlantarens! Ha ha ha!”

Een zucht was Marieken's éénig antwoord op deze sarcastische overdenking.

Beiden zwegen weer eene wijle.

„Die lieve maan!” sprak Justus toen: „Hoe vaak heeft zij ons getroost hier op dit heuveltje!”

„Al menigmaal—ja, Justus!”

„En als ze nu wéér vol is—wie weet hoe ver ik dan al weg ben van hier!”


Back to IndexNext