Marieken zeide niets.
„Ken je 't nog?” hernam hij, na weder eene pauze: „dat schoone lied van Staring”:
Toon ons uw luister, o zilveren Maan,Rijs uit het meer.Lach den zwervenden schepeling aan,Straal op 's wandelaars donkere baanIn uw lieflijkheid neer.
Toon ons uw luister, o zilveren Maan,Rijs uit het meer.Lach den zwervenden schepeling aan,Straal op 's wandelaars donkere baanIn uw lieflijkheid neer.
„O ja”, zeide het meisje—„ik ken het nog”:
Waar zonder hoop de verlatene smacht,Scheemre uw gloor.Waar, na troostlooze afscheidsklacht,Blij hereenen de minnenden wacht....
Waar zonder hoop de verlatene smacht,Scheemre uw gloor.Waar, na troostlooze afscheidsklacht,Blij hereenen de minnenden wacht....
Een snik belette haar voort te gaan; hare oogen schoten vol; in hare handen verborg zij haar gelaat.
„Marieken!” riep Justus, terwijl hij haar áán zich drukte zooals hij nog nooit tevoren gedaan had: „Kind! waarom schrei je nu zoo?”
„Omdat ik”, kreet zij, „omdat ik hier zoo verlaten zal zitten, als je heengaat!”
„Marieken, mijn lief zusje—nu dan, ik ga niet weg! wij scheiden niet!—Wat maal ik ook om je vader, zoolang jij er nog bent!—Ik blijf, hoor! en we zullen samen nog menig mooi vers lezen. Toe, schei nu maar uit!”
Zij zag hem aan, lachend door hare tranen heen. „Och ja”, zei ze.—„Je moet bij ons blijven, Just! Het was ook mijne éénige vreugde, dat lezen en praten met je. Als je wist hoe ook ik er in opga, in onze boeken!.... Maar wat is het mooiste boek, wanneer men het alléén moet lezen? Niet waar?”
Justus echter sloeg geene acht meer op hare woorden. Hij was opgestaan. Het scheen of hij een visioen had, of dat hij uit de schaduw achter het muurwerk eene demonische verschijning zag opdoemen, die hij bannen wou. Met gefronste wenkbrauwen, de armen over de borst gekruist, blikte hij naar de ruïne.
„Marieken”, sprak hij plechtig: „was je dat ernst, wat je zeide toen we in het schuitje zaten?—Dat je doen zoudt als Hildegarde de reuzin: liever in zee springen, dan verloochenen wat je dierbaar is?”
„Zeker, Justus!” antwoordde Marieken: „dat was mij heilige ernst.”
„Hoor dan!” voer de ondermeester voort. „Wij staan allebei alleen op de wereld; wij hebben niemand die deel neemt aan ons denken en voelen, dan elkander. Daarom moeten wij elkander houw en trouw blijven. Laat ons eenen eed zweren!”
„Eenen eed, Justus?”
„Eenen eed, ja! bij dien bouwval daar, die gewijd is door de eeuwen—bij Hildegarde's berg hier—bij de goede dichters en de schoone geniën die onze troosters zijn. Eenen eed: dat wij elkaar de hand zullen reiken, elkaar zullen bijspringen in nood, als trouwe vrienden en geestverwanten—nu, en later ook, levenslang, al loopen misschien onze wegen uiteen. Zweer je dat?”
„Ik zweer het, Justus!” sprak Marieken, zacht maar vast.
„En ons parool, als 't er op aankomt, zalHildegardewezen.”
„Hildegarde”, herhaalde Marieken: „Hildegardezal ons parool zijn.”
Het moet eene gril der verbeelding zijn geweest, of het spel van eene voorbijdrijvende wolk, dat Justus en Marieken op dit oogenblik de maan verduisterd zagen, en over de nevelen-zee westwaarts heenglijdende eene ontzaggelijke schaduw, die de gestalte had van eene vrouw.
Het liep zooals Marieken voorzien had. Nadat de heer Pieter van Meppen de zon had laten ondergaan en opkomenover zijnen toorn, voelde hij dien aanmerkelijk bekoeld, en was hij innerlijk zeer verblijd, toen hij, den volgenden ochtend de school binnentredende, Justus als naar gewoonte reeds bezig vond met de kinders den gebruikelijken lofzang uit te blaten ter inwijding van den nieuwen dag. De meester deed wel zijn best om uitermate grimmig te kijken, zoodat menig wichtje zijne ooren al voelde tintelen—maar overigens toonde hij door taal noch teeken dat er tusschen hem en zijnen trawant iets ongewoons was voorgevallen. Wat Justus betreft, ook hij hield zich voortreffelijk in zijne rol. Met onbevangen blik stond hij daar achter zijnen lessenaar, de maat slaande met zijne lange liniaal, en uit volle borst meezingende:
Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid,Waarmee 'k tot God genake,Als 't morgenlicht zijn stralen spreidtEn ik verkwikt ontwake.
Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid,Waarmee 'k tot God genake,Als 't morgenlicht zijn stralen spreidtEn ik verkwikt ontwake.
Intusschen, terwijl aldus de ééne helft van het banvonnis over Justus stilzwijgend herroepen werd, kwam de andere des te onverbiddelijker tot voltrekking. Het jonge mensch mocht blijven in de school—doch moest opdoeken uit de woning van Marieken's vader. Zóó was—en wijselijk—door Van Meppen besloten. De bedachtzame man oordeelde dat het méér dan tijd was om tusschen zijnen romanesken ondermeester en zijn sentimenteel dochtertje eenen scheidsmuur te stellen. „Waar het moederoog ontbreekt, daar past den vader dubbele waakzaamheid”—aldus bepleitte hij in de societeit dezen, van zijn standpunt trouwens volmaakt verdedigbaren, maatregel. Eene week daarna zag men dus Justus Eykendaalgepakt en gezakt een achterkamertje betrekken bij eene weduwvrouw, wier huisje even buiten de kom van het dorp aan den straatweg gelegen was.
Met deze schikking had Van Meppen juist bereikt wat hij beoogde: dit namelijk, dat er bij den dichterlijk-broederlijken omgang tusschen Justus en Marieken ééns voor goed een stokje was gestoken. Justus ging voortaan van zijn kamertje naar de school, en van de school naar zijn kamertje, waar hij blokte voor zijn examen. De twee zagen elkaar dus weinig meer; en het samen lezen, het samen wandelen, het samen droomen—'t was uit er mee! Uit als met het schuitjevaren en het stoeien in het groen: uit als met de lieve, onnadenkende vertrouwelijkheid!
Viel den jongeling deze scheiding aanvankelijk bitter, aan den anderen kant smaakte hem de pas verworvene zelfstandigheid als het manneken in het versje de perzik. Hij behield ook altoos zijne beminde boeken nog naast zich. Hij kon afleiding zoeken in het verkeer met anderen. Hij was jong en sterk, vol zelfvertrouwen—hij voelde zichmanworden, en zag de wereld voor zich opengaan, veel wijder nog dan het land der sprookjes, veel rijker nog dan al de tooverpaleizen van Sheherezade. Wie treurt er lang, om wat ook, wanneer hem het eerste dons begint te krullen om de lippen?
Doch met Marieken was het anders. Voor haar was met den vriendallesuit de vreugdelooze vaderlijke woning heengegaan. Voor haar geene vrijheid, maar eene steeds enger wordende gevangenschap; geene verstrooiing, maar immer strengere ontzegging van genot. Geene toekomst die haar vleide, geen horizon die zich haar ontsloot. Integendeel: de wondertuin der phantasie, welkenzij aan Justus' hand was binnengetreden, scheen haar thans een verloren paradijs, dat verder en verder van haar terugweek. Sleur was haar heden, sleur zou haar morgen zijn. Gansch haar leven was haar eene leegte geworden.
Gij jonge heeren der schepping, die onbelemmerd uwe wieken rept—in aether, in modder, al naar het u behaagt—hoort toe! Als gij genoeg naar hartelust gefladderd hebt, laat dan uwe oogen vallen op een braaf burgerkind, en neemt haar eerlijk tot uwe vrouw, en maakt haar recht gelukkig! Tien tegen één, dat gij eene slavin verlost zult hebben uit eenen kerker. Let op hoe dankbaar zij u wezen zal, wanneer gij ook haar eens laat meeproeven uit den beker der jeugd: wanneer gij ook haar vergunt de arme, zoo lang geknotte vleugels eens uit te slaan in de vrije, frissche wereld!
Justus, zeide ik, was druk aan het blokken getogen voor zijn onderwijzers-examen; en daar hij vlug van leeren was, zoo vorderde hij aardig hiermede. Nog veel vlugger evenwel, dan in Strootman en Baudet, schoot hij op in eene kunst, die haren beoefenaars nooit anders dan verdriet gebaard heeft: het bekladden namelijk van goed papier met slechte verzen—en wel (wat de zaak niet beter maakt) verzen van zeer beslist erotischen aard. Justus, in wien waarlijk een dichter stak, zoolang hij maar geen poëet wilde wezen—Justus was „in 't rijm vergaan”! Justus schreef minnezangen!
Dit mocht voorzeker treurig heeten. Edoch, mijne vrienden! wie uwer, in eigen boezem getast hebbende, durft deswege den eersten steen werpen op mijn ondermeesterken?Wie zelfs kan, met de hand op het hart, betuigen dat hij behoed bleef voor een nog veel grooter kwaad, aan hetwelk mijn bescheiden held zich althans niet bezondigde: het neerschrijven niet slechts, maar het aan den medemensen mee te slikken geven van de overkookselen zijner dichtaar?—
Die minnezangen nu—aan wie waren zij gericht?
Aan Marieken?—
Helaas! neen. Terwijl Marieken zoo heel veel dacht aan Justus, was Justus al minder en minder gaan denken aan Marieken, en al meer en meer....
AAN MARY.Licht van mijn oogen,Ster in mijn nacht,Vlam van mijn leven,'k Zing van uw pracht.Bleek wordt Aurora,Kleurloos en mat,Treedt gij naar buiten,Zon op mijn pad!Lustig als ZefirZweeft er uw tred:Bloemen ontluikenWaar gij hem zet.Frisscher geen dauwdrup,Slanker geen ree,Blanker geen parel.Diepst uit de zee.Goud zijn uw tressen,Glans is uw oog,Stralend als VenusMild van omhoog.Rozen uw lippen,Leliën uw hals,Golven uw boezem,Zwoegend en malsch.Jaagt mij uw aanblikVuur door het bloed,Steekt mij uw lonkenLaai in een gloed—Ziedend verlangen!Zalige pijn!Jonkvrouw, erbarm u!Mary, wees mijn!—
AAN MARY.
Licht van mijn oogen,Ster in mijn nacht,Vlam van mijn leven,'k Zing van uw pracht.
Bleek wordt Aurora,Kleurloos en mat,Treedt gij naar buiten,Zon op mijn pad!
Lustig als ZefirZweeft er uw tred:Bloemen ontluikenWaar gij hem zet.
Frisscher geen dauwdrup,Slanker geen ree,Blanker geen parel.Diepst uit de zee.
Goud zijn uw tressen,Glans is uw oog,Stralend als VenusMild van omhoog.
Rozen uw lippen,Leliën uw hals,Golven uw boezem,Zwoegend en malsch.
Jaagt mij uw aanblikVuur door het bloed,Steekt mij uw lonkenLaai in een gloed—
Ziedend verlangen!Zalige pijn!Jonkvrouw, erbarm u!Mary, wees mijn!—
Ziedaar van Justus' minneliederen de eersteling. De talloos vele die er volgden, in alle maten en op alle voeten—ik spaar ze mijnen lezer. Dit ééne staaltje kan intusschen doen blijken, dat de hartstocht van onzen vriend niet juist een platonisch karakter droeg, en dat hij al terstond als met den stormpas op Amor's duursten prijs afwilde. Er zijn ridders die zich reeds den hemel te rijk voelen, wanneer Dulcinea de weergalooze hun veroorlooft eenen handschoen voor haar van den grond te rapen, of hen begenadigt met een hoofdknikje ten antwoord op hunnen nederigsten groet. Van deze stroopbloedige soort had Justus Eykendaal tot vervelens gelezen; maar hij behoorde tot haar geenszins. Veeleer mochthij vergeleken worden bij die Orlando Furioso's onder Ero's vanen, wier leuze luidt: „alles of niets!”—Trouwens, het uiterlijke wezen der schoone Mary mocht wèl in eenen bewonderaar eenig ongeduld rechtvaardigen. Zelfs de bezadigde blik, dien wij uit dezen afstand van jaren (zij moet thans de vijftig naderen) op de jonge dame werpen willen, zal ons dit doen erkennen.
Mary was de éénige dochter van een bemiddeld Hillegersbergsch wethouder en notaris, wiens buitengoed slechts door eene smalle sloot gescheiden was van het erf der weduwe, Justus' hospita. Herlezen wij de hierboven aangehaalde coupletten, dan vinden wij de oogen der maagd gecatalogiseerd als avondstarren, en haren tressen als klinkklaar goud. In waarheid prijkte zij met mooi blond haar en met een paar heldere bruine kijkers. De vergelijking van hare lippen met rozen, van haren hals met leliën en van haar welig ontwikkeld bovenlijf met de golven der zee, kon insgelijks, hoe weinig oorspronkelijk ook, er tamelijk wel mee door. Alleenlijk ware er tegen den versregel „slanker geen ree” eenige critische bedenking te opperen geweest. En gaan wij terug tot de derde strophe, dan moet ik zeer stellig protest aanteekenen tegen het beweren des dichters, dat er bloemen ontloken ter plaatse waar Mary hare voetjes zette.Magna est veritas et proclamavit!zooals meester Pieter van Meppen zou hebben gezegd. Het strookt veeleer met de nuchtereveritas, dat elk bloempje reddeloos geknakt en verpletterd den geest moet gegeven hebben, na het geluk te hebben gesmaakt van met den onderkant dier voetjes in aanraking gekomen te zijn. Want mocht Mary's tred eenen minzieken jonkman zwevende gelijken—een zefir was Mary niet. Integendeel: het stoffelijk gewicht van haarbevallig kopje en mollige schouders, van hare ronde armen en rijzige gestalte—kortom van hare bekoorlijkheden gezamenlijk, moet lang niet onaanzienlijk zijn geweest. Zoo wij dus onzen poëet hier betrappen op eene verregaande dichterlijke onnauwkeurigheid—over het geheel kunnen wij hem nageven dat hij flink uit de oogen had gekeken, en dat zijne gevleugelde beschrijving van het meisje in menig opzicht der werkelijkheid getrouw was. Mary mocht inderdaad een toonbeeld heeten van die weelderige blondinen—blanke, bloedrijke dochteren van den zeewind en de vochtige aarde—, met welke het aan frissche vrouwen zoo vruchtbaar Nederland den palm behaalt boven zijne nabuurlanden. Half steedsch en half boersch, half fier en half lokkend, met eenen gullen, ietwat dartelen lach steeds gereed om de rijpe lippen en in de vroolijke oogen, was zij juist het slag van schoone, waarvoor een gezonde achttienjarige jonkman in eenen draf zijn zieleheil zou hebben willen verspelen. Dat zij, strikt berekend, vier jaren en zes maanden vroeger dan hij het levenslicht aanschouwde, gold natuurlijk in Justus' oog als eene aantrekkelijkheid te meer slechts. Eene eerste liefde heeft ook dit éénige, dat de knaap, onbewust, in de aangebedene nog iets terug wil vinden van zijne moeder.
En thans, nu gij mejuffrouw Mary geschetst zaagt in rijm en in onrijm, met de bezielde ganzeveder van den aanbidder, en met de koel ontledende stalen pen van den geschiedschrijver—kan het thans u wonderen, lezer, dat mijn ondermeester, die in sage en kroniek zooveel sterke ridders had zien zwichten voor Cupido's dwingelandij—dat Justus, zeg ik, zelf door het godje deerlijkaangeschoten, niet sterker poogde te zijn dan al die helden in het staal, maar weerstandloos zich aan zijnen hartstocht prijsgaf?—Werd ook zijne vlam niet onophoudelijk gevoed en aangewakkerd? Zag hij niet elken ochtend, vóór hij schoolwaarts ging, terwijl hij aan zijn venstertje over zijne vierkantsvergelijkingen zat te broeden—zag hij de hemelsche niet door den tuin trippelen, om hare witte eendjes in den vijver mee te laten eten van hare boterham? Was zij niet verleidelijk als Venus dan, in haar lichtgeel ochtendgewaad met bessensapkleurige moesjes, de voeten in roode muiltjes gestoken, de gulden lokkenschat tegen regen of zonnesteken beschut door eene hemelsblauwe parasol?—En 's avonds, als zij met haar borduurwerk in het priëel kwam zitten aan den waterkant, blijkbaar om welgevallig te luisteren naar de zoet verliefde nachtegaal-tonen, die Justus ontlokte aan zijne klarinet (want Justus, ik vergat nog het mee te deelen, beoefende naast de dichtkunst ook de toonkunst: hij bespeelde het kerkorgel voor den hemel, en blies de klarinet voor de aarde)—'s avonds dan, als zij daar meemijmerde in de stille schemering, een enkel maal zelfs—o, hij had zich niet vergist!—dankbaar opblikkend naar het van wijnloof omkranste venster, waaruit de zachte melodieën haar zoo schuchter tegentrilden—was zij niet nóg bekoorlijker dan, zoo mogelijk?—
Zotte vragen!—Alsof mijn held het antwoord er op zou hebben afgewacht! Alsof hij niet veeleer geloofd zou hebben dat er champagner voor water stroomde door de Rotte, dan dat Mary minder schoon dan de schoonste, Mary minder engelachtig dan de engelen was! Een schilder mocht haar voor een model van de uit zeeschuimverrezene wat te plomp van voet en wat te rossig van wangen geoordeeld hebben; een menschenkenner mocht met eenen oogopslag zijnen blik hebben geboord in de leegte van haar brein en in de ijdelheid van haar hart—: voor Justus was Mary Aphrodite—voor Justus was Mary Madonna.
Ik wil niemand vervelen (allerminst mijzelven) met een relaas van al het hopen en vertwijfelen, al de verzuchtingen en versmachtingen eens tot over de ooren verliefden ondermeesters. Ik moet de gebeurtenissen samenvatten. Snel als de veldslagen van den grooten Napoleon volgden zij van nu af elkander op den voet.
Ruim een jaar was er vervlogen sedert de ure van den grooten eed, den heiligen eed van bondgenootschap, dien Justus en Marieken elkander zwoeren tusschen de graven, onder het schijnsel van de volle Juni-maan.
September had hare intree gehouden met eenen snikheeten dag: eenen kostelijken dag voor den Hillegersbergschen theetuin;—want in eenen theetuin moet het tropisch wezen, anders vlot maar half het kozen in priëeltjes, het dolle gestoei der jeugd, het welbehaaglijke suffen van den ouderdom. Eerst de avond schonk wat verademing, zoodat, terwijl de schemering daalde, alle dorpelingen in hunne tuintjes of op hunne stoepen al koutend en rookend zich zaten te laven aan de verkwikkelijke koelte. Dit was eene heerlijkheid! En wie er eenefrissche teug wijn bij bekostigen kon, die vergat zorgen en muggen tegader.
Ook Marieken was voor de deur van de schoolmeesterswoning aan het scheppen van wat koele lucht. Maar geen gezellig woord, noch huiselijk gerinkel van theegoed, noch gemoedelijk smakken aan eene goudsche pijp deed zich naast haar vernemen;—zoo levendig het daar beneden onder de pretmakers toeging, zoo stil was het hier op het bergje van de dooden. Zij zat alleen, gebogen over een handwerk. Nu en dan sloeg zij de oogen peinzend op. Het laatste avondgloren achter de twee Delftsche torens legde over hare wangen zijnen weerglans van karmijn.
Opeens hoorde zij eenen voetstap naderen. Een jonge man trad behoedzaam om den hoek van den kerkhofmuur heen. Justus Eykendaal stond vóór haar.
Wanneer men eenzaam zit, en een goed oud vriend....
Maar hoe nu! Wat deed er Marieken zoo van kleur verschieten? Wat zette er haar hartje zoo aan het bonzen, dat zij hare hand zich in de zijde moest drukken?.... Was Justus Eykendaal temet haar goede vriend niet langer? Kon hij haar vreemd geworden zijn, wellicht?—
Vreemd?—ja en neen. Vreemd van aangezicht, neen: want dagelijks nog zag zij hem komen en gaan. Maar vreemd van hart, ja. Hij had haar ontweken, sinds maanden al. Hij had vermeden wat hij vroeger zocht: zamen met haar te zijn, haar zijn gemoed te openen, met haar te praten over alles wat hem lief was of verdroot. En waaróm dit?—Wist zij het niet? Ha! van den beginne af had zij het geweten. Eer ontgaat den diamantklover een smetje in eenen kostbaren steen, dan dat de vrouweene vreemde minne niet speurt in het hart van den man dien zij liefheeft.
Thans dus—nu hij voor het eerst sedert lang haar opzocht terwijl zij alleen was—thans, Marieken voelde het, moest hij haar wel iets zeer gewichtigs te zeggen hebben. Het kon haar niets nieuws wezen. Toch beefde zij om het te hooren.
„Is je vader uit?” fluisterde Justus; en hij blikte daarbij zóó geheimzinnig rond, dat het meisje van ontsteldheid geen geluid kon geven.
Zij knikte slechts bevestigend.
„Kom mee dan!” hernam de ondermeester, haast gebiedend.
Zwijgend rees zij van haren stoel. Justus liep haastig vooruit, het kerkhof op, en verdween achter de ruïne. Marieken achter hem, wat langzamer. Eerst toen hij bij den hoogen grafsteen was—den bewusten, met het bronzen geslachtswapen er op—hield hij stil.
„Marieken!” sprak hij gejaagd, en hij greep wild haar bij de hand: „ben je mijne zus nog? mijne vriendin?”
„Zeker, Justus. Ik .... ik ben nooit anders geweest.”
„Kan ik nog altijd op je rekenen?”
„Dat weet je wel.”
„Ook als ik .... Marieken—ik mag geene geheimen voor je hebben. Ik ben.... Er is eene jonge dame, aan wie ik iets te schrijven heb: iets dat mijn levensgeluk betreft, mijne dierbaarste wenschen. Wil je dezen brief voor mij bezorgen, aan .... aan het adres?”—Hij hield haar een met lak verzegeld briefje voor, en zij las.
Had zij uit tienduizend moeten raden, zij zou geen ommezien in onzekerheid verkeerd hebben ofdienaam, en geen andere, moest er geschreven staan op het couvertvan dien brief. Toch werd zij gloeiend rood, en terstond daarop doodelijk wit. Hare anders zoo zachte oogen bliksemden.
„Neen!” riep zij, en op de zerk stampend, die hol klonk onder haren voet: „neen, Justus! dát doe ik niet!”
„Waarom niet?”
„Omdat .... omdat ik weet wat er staat in dien brief.”
„Dát is licht te gissen, na hetgeen ik je gezegd heb.”
„En omdat ik niet wil meehelpen om je ongelukkig te maken!”
„Ongelukkig? .... ik? .... met die engel, die .... ken je haar dan?”
„Ongelukkig, zeg ik. Ik ken die vrouw, ja. Die vrouw heeft je niet lief.”
Nu was hetzijnebeurt om met den voet op de zerk te stampen. „Dit is te gek!” riep hij. „Hoe zou jij dat weten!”..... Inderdaad, wèl mocht Justus het vragen: Hoe zou Marieken nu kunnen weten wie er Justus liefhad, en wie niet!—
„Ik heb haar waargenomen al sinds maanden—sinds ik merkte dat je hart aan haar hing”, voer het meisje voort: „Zij is coquet en valsch. Zij spot maar wat met je.”
„Spotten!—Maar ik zeg je dat ze mij toegelachen heeft, dat ik in hare oogen gelezen heb wat ze voor mij voelt! En ik zeg je dat die oogen nietkunnenliegen, en dat er geen reiner engel leeft op heel Gods aardbodem!”
Zij glimlachte pijnlijk. Zij voelde dat zij niets te antwoorden had. Justus zou er haar trouwens den tijd niet toe hebben gelaten.
„Kom”, zoo draafde hij door: „al dat kibbelen dient tot niets. Marieken—ik heb haar zóó lief, zóó lief, dat ik dol zal worden als ik het haar langer verzwijgen moet.
Ik kan niet zonder haar leven!—en ik sterf, ik maak me van kant, als ik het haar niet zeggen mag. O, kind! je kunt niet begrijpen wat dát is, zóó'n liefde, zóó'n liefde——neen! van zóó eene liefde kun je niets begrijpen!—En als jij nu dien brief niet bezorgen wilt .... kijk! hem zelf haar geven, kan ik niet; ik durf niet—ik heb haar nog nooit aangesproken—ik ben zoo bang haar te beleedigen. Met de post gaat het óók niet: want vooreerst kent Jaap de bode mijn schrift; en bovendien, wat per post komt, blijft geen geheim. Jij, Marieken, jij bent de éénige die ik met den brief belasten kan: de éénige die hem zóó haar in de hand kan stoppen, dat niemand er iets van merkt. Toe! pak hem aan, en breng hem haar! Marieken, ik zou voor jou door het vuur loopen!—en weiger jij me nu zoo'n kleinigheid?—Toe! doe het toch! Ik smeek het je!”—
Zijne spanning, zijn hartstocht roerden haar. Zij beet zich op de lip—maar zij stak de vingers niet uit om den brief te nemen. „Ik mag niet, Justus!” sprak zij stellig: „ik houd te veel .... ik denk te goed over je, om je zóó'n slechten dienst te willen bewijzen. Ik mag niet!”
„Maar je moet!” riep hij, eensklaps veranderd van houding en toon.
Weer plooide die smartelijke glimlach hare wangen. „Ik moet?—Ben ik dan je dienstmaagd temet?”
„Je moet, ja!—Je hebt het gezworen.”
Zij verbleekte.
„Hier, hier op deze eigen plek heb je het gezworen, dat je mij helpen zoudt als ik het noodig had—levenslang, al liepen onze wegen nóg zoo ver uiteen. Bij al wat ons lief en heilig was, heb je mij dat gezworen, Marieken!—Is het niet?”
Zonder te antwoorden, staarde zij strak op den grond.
„En ons parool zou wezen:Hildegarde. Zou het niet?”
Zij knikte met het hoofd, nog altoos bleek en stom.
„Welnu dan—eenen eed breekt men niet. Dit is het oogenblik!—Ik zeg:Hildegarde, Marieken!—Bij Hildegarde vraag ik je: wil je mij helpen?”—
Nu eerst hief zij de oogen op. Zij zag hem aan met eenen blik vol fierheid en vol smart.—„Geef den brief maar hier, Justus,” sprak zij kalm: „Van avond nog zal juffrouw Mary hem lezen.”
Daarop, zonder groet, wendde zij zich om en ging heen. Maar zij had geen zes stappen gedaan, of zij keerde zich nogmaals tot hem, en met fonkelenden blik en opgeheven arm, in eenen stand en op eenen toon die men veeleer van eene Ristori verwacht zou hebben dan van een eenvoudig schoolmeesterskind, riep zij den verbaasden jongeling toe:
„Hildegarde, Justus!—Denk er aan, als de beurt aan mij komt: het parool isHildegarde!”
De volgende dag was een zondag. Meester Van Meppen had zich de ontspanning veroorloofd van een bezoek bijSa Majesté son très-cher frèreden schoolmonarch van Berkel en Rodenrijs. Bij gevolg was Justus Eykendaal de aangewezen persoon om bij ochtend- en middagbeurt in de kerk het orgel te bedienen.
Altoos was hij trotsch geweest op het vervullen van die taak. Hij speelde gaarne; en algemeen zeide men immers dat hij veel mooier preludeerde en wel tweemaalmeer tonen uit het oude instrument wist te halen, dan zijn superieur. Maar ditmaal—ha! ditmaal zou hij voor de mijnen van Golconda, voor den troon van den Beheerscher der Geloovigen het baantje van vice-organist zich niet uit de handen hebben laten nemen. Want men wete het, wijl het niet langer een geheim kan wezen: hij had aan zijn schrijven aan mejuffrouw Mary een postscriptum toegevoegd, waarin hij haar bad, of zij, ten teeken dat zij niet verstoord was over zijnen brief—neen, dat zij hem wel een sprankje wilde geven van hoop—den volgenden dag in de kerk wou komen, en dan, terstond nadat het eerste gezang zou gezongen wezen, even wou opzien naar het orgel, en even haar kerkboekje brengen aan haren mond. Zonder dit teeken zou voor hem alles verloren zijn.
Men begrijpt dus: hadde Justus dien ochtend beide zijne beenen gebroken, dan zou hij zich naar het orgel hebben doendragen.
Bij den ochtenddienst evenwel, geene Mary;—en, wat iets werkelijk ongehoords was: ook Marieken's stoel, vlak onder het bord met de tien geboden, bleef ledig staan. Justus speelde dien morgen zóó lam en lusteloos, dat de gemeente tot tweemaal toe van de wijs geraakte.
Hoe hij zich heensleepte door de uren tusschen ochtenddienst en middagdienst, zou hij u zelf niet hebben kunnen zeggen. Eindelijk echter had de schare het Hillegersbergsche bedehuis weder gevuld. De dominee was al in den kansel, het gebed al uitgesproken—en nog, nog stonden er twee plaatsen ledig: ééne onder het bord met de tien geboden, de andere in het hoekjevan de damesbank: Mary's hoekje!..... Maar of de noten al schemerden voor Justus' oogen, het opgegeven gezang moest gespeeld worden. Voor de gemeente duurde het ongeveer zes minuten; voor den organist hield het langer aan dan het duizendjarigeMiserereder zielen in het vagevuur. Toch kwam er een einde aan. En als Justus nu zijn groen gordijntje wilde dichtschuiven, om in het donker zijne wanhoop uit te schreien .... o God! daar zat zij!—daar zag hij haar vlak in het schuin opgeheven gelaat, vlak in de heerlijk opziende oogen!—daar rees hare blanke hand zachtkens uit haren schoot!—daar beroerden hare rozelippen als met eenen gloeienden kus haar kerkboekje met de twee gouden sloten!..... Justus speelde dien namiddag zóó woest en wereldsch, dat de vromen meenden, de baarlijke duivel voer door de pijpen; en dat de dominee 's avonds bij Van Meppen klaagde: hij vreesde dat de kwâjongen zoowaar vóór kerktijd een bittertje gedronken had!
Maar Justus—, wat deerden hem orgelpijpen en vromen en dominees en bovenmeesters!—Hij stoof naar buiten, zoekende wáár zich te verbergen, zich en zijn geluk. Hij had het willen uitschreeuwen: „Mary! Mary! Zij gaf mij het teeken! Zij geeft mij te hopen! Zij mint mij, mint mij weer!”..... Op eenen draf liep hij een paar polders om. Maar de eenzaamste paden waren hem nog te bevolkt: want hadden niet alle boomen en vogelen en bloemen en golfjes, hadden zij niet allen stemmen, die hem jubelend toezongen: Zij mint u, zij mint u weer!..... Hij liep en liep, zorgvuldig den straatweg vermijdend: want hij voelde wel, als hij haar ontmoet had, dan zou hij zich niet hebben kunnen intoomen: dan zou hij haar te voet gevallen zijn, om haar te dankenvoor hare genade. Hij liep en hij liep—tot de schemering daalde. Toen, vreezend dat de menschen zijn zalig geheim hem lezen zouden op het gelaat, sloop hij als een dief naar het dorp terug, om Marieken op te zoeken, Marieken te verpletteren onder zijnen triomf—zij, die getwijfeld had aan het hart van zijne engel!—
Marieken echter was nergens te vinden. Marieken .... het leek wel of zij pruilde. Zou zij .... voor het eerst vloog het Justus door zijn brein ... zou zij jaloersch wezen bij geval?... Och wat! zij was immers zijn zusje!...
Doch ook daaraan dacht Justus niet lang. Hij dacht aan dat ééne slechts: aan zijn geluk. Hij was er vol van: hij meende dat het zijne slagaderen zou doen springen, zijn hoofd zou doen uiteenbarsten. En daar hij het voor de levenden niet uitstorten mocht, zoo wilde hij het toevertrouwen aan de dooden. Hij trad het kerkhof binnen, en koelde zich de bonzende slapen aan het gesteente van de oude ruïne. Tegen het muurbrok, geplant in eenen grond die doorweekt is met tranen, tegen het eeuwenheugende muurbrok had nooit tevoren misschien de wild jagende polsslag geklopt van menschelijke blijdschap.
Alvorens met de geschiedenis van dezen onstuimigst bewogenen zondag in de jeugd van Justus Eykendaal voort te gaan, moet ik met juistheid het tijdstip bepalen, waartoe wij thans gevorderd zijn. De tweelingwijzer van de Hillegersbergsche torenklok hield ongeveer het midden tusschen de cijfers zeven en acht. Op die avondurepleegt het in het begin van September niet meer licht te zijn, maar ook nog niet donker.
Terwijl dan onze jongeling daar zoo stond, zijne zaligheid toefluisterend aan de verweerde baksteenen, hoorde hij van de andere zijde van den lagen muur, die de begraafplaats omsingelt, een helder lachen klinken. Hij spitste de ooren als een schichtig paard. Want die lach—hij droomde het niet—was Mary's lach!—Eer zou een kapelmeester zich vergist hebben in den klank van de trombone en van de dwarsfluit, eer zou de tortel het krassen van de schorre kraai gehouden hebben voor de roepstem van zijn gaaiken, dan dat Justus dien lach verward had met den lach van éénig ander schepsel op aarde. Zóó immers kon slechts Mary lachen. Welluidender muziek kende Justus niet—neen! niet onder al wat er gecomponeerd was voor het orgel en voor de klarinet. Toch was het op dit oogenblik—hij kon zich geene rekenschap geven waaróm—of dat lachen hem meer pijnlijk aandeed dan liefelijk.
Hij sloop zachtkens naar den muur, om te zien. Pas echter had hij het eerste woord vernomen, dat vrij luide gesproken werd, of hij bleef als aan den grond genageld—om te luisteren. Justus Eykendaal was de ridderlijkheid in persoon;—toch kuchte hij niet, noch snoot hij zijnen neus. Er zijn van die gelegenheden, bij welke een ridder precies doet als een lakei. Bayard zelfs zou zijn oor niet hebben teruggetrokken van een sleutelgat, wanneer hij er door had opgevangen hoe de dame van zijn hart bezig was critiek te leveren op eenen minnebrief van hem.
„Eene declaratie, jawel!” zeide de jonge dame: „In optima forma, hoor!”
„Wat je zegt!” antwoordde de tweede stem, die Justus mede herkende. Zij behoorde namelijk aan eenen neef van juffrouw Mary, den zoon van een Rotterdamsch wijnhandelaar. Men had Justus vroeger eens verzekerd dat de dochter van den notaris en dit vaalkleurige individu wel een paar zouden worden; doch de zeldzaamheid van 's heertjes bezoeken en zijne onverschillige houding tegenover het meisje hadden spoedig alle bezorgdheid op dit stuk uit het gemoed van den ondermeester verdreven.
„Wat je zegt!” riep het fatje: „En van een schoolvos?”
„Een schoolvos zonder school, wel te verstaan!—Een stuk van een kweekeling, moet je begrijpen, bij dat oude monster van een Van Meppen!”
„Onbetaalbaar!—Op schrift, hoop ik?”
„Op rozerood postpapier, en in een pootje of het gedrukt was!.... Als je niet zoo'n onbarmhartige spotvogel waart, neef Edmund, dan zou ik haast lust hebben het document je voor te lezen.”
„O toe! ik bid je! Lees op! Dát zal me nu eens een waar feest zijn!”
„Nu dan”, hernam het meisje. „Maar stil eens .... kan geen mensch ons hier beluisteren?”
„De heeren en dames dáár misschien!” grinnikte de snaak, met een handgebaar naar het kerkhof. „Haha! Die zullen er toch niet veel van navertellen!”—
Justus hoorde het frommelen van papier, en daarop Mary met koddige deftigheid lezende als volgt:
Mejuffrouw!
Sinds ruim een jaar leefde er op twintig passen afstand van uwe woning een mensch, wiens zoetste lust het geweestis de lucht in te ademen, die hem kwam toegewaaid uit uwe nabijheid.
„Goed! waarachtig goed!” verklaarde de heer Edmund: „A propos, waar woont het ventje?”
„Wel, vlak naast ons, rechts”, antwoordde Mary. „Zoo is 't gekomen, begrijp je? Hij kon uit zijn raampje precies in onzen tuin kijken; en van die gelegenheid schijnt hij méér gebruik te hebben gemaakt, dan wel te pas kwam. Onder ons gezegd, Edmund, hij moet me nog al eensen négligéhebben gezien, als ik zoo 's ochtends de eenden voederde—”
„De gelukkige!”
„En 's avonds verveelde hij me gruwelijk met zijne klarinet. Lieve hemel! die klarinet heeft me wat dikwijls zenuwachtig gemaakt. De zeurigste, lamentabelste deunen.... Maar hoor verder”:
Zijn naam werd misschien nooit genoemd in uwe tegenwoordigheid; want hij behoort niet tot diegenen die van zich spreken doen in de wereld. Maar zijn kunstloos klarinetspel, zoo durft hij zich vleien, was menigmaal uw oor niet ongevallig—
„Nota bene! Azor de hond sloeg er soms van aan het janken!”
„Haha!”
—en méér dan eens, als gij minzaam zijnen bescheiden groet beantwoorddet, bescheen de glans van uwe oogen zijn aangezicht, gelijk een vluchtige zonnestraal heenglijdt over donkere wateren.
„Bravo! Maar dat is waarachtig een poëet, die knul!” riep de heer Edmund.
Mary vervolgde:
Dit u te herinneren, mag u onkiesch dunken—
„Wel een beetje!”
—Zoo ja, vergeef het mijnen hartstocht. Want o, mejuffrouw....
„Nu zal je 't hebben!”
„Stil toch!”
—Want o, mejuffrouw—ik bemin u!
„We zijn er, komaan!”
—Sedert veertien maanden bemin en aanbid ik u, zooals nog nooit op aarde eene vrouw door eenen man bemind en aangebeden werd.
„Ah bah!” critiseerde weer de neef van Mary: „Neen! die is oudbakken! Die moet hij uitDe volleerde briefschrijvergestolen hebben!—Lees voort, schoone nicht!”
Hoe ik den moed vind om u dit te schrijven—Amor alleen weet het, die helden maakt uit lammeren.
„Uit kalveren! had er moeten staan.”
Want wie ben ik?
„Een verliefde ezel!”
—Een arme ondermeester. Wat kan ik u bieden?—
„Eene plak en een dozijn griffels.”
Niets immers; terwijl gij, met alles toegerust: met alle deugden die een hart versieren kunnen, met lieftalligheid zonder weerga, met eene schoonheid, eene schoonheid .... o, mejuffrouw! Mary! indien gij wist hoe schoon gij zijt!—
„Nu wordt hij al familiaar ook! Maar dàt moet ik zeggen, het kereltje heeft eenen goeden smaak. Want mooi ben je, nichtje!—zóó mooi, dat ik haast niet laten kan....”
„Malle kwibus!” riep Mary; en Justus hoorde hoe zij hem eenen tik gaf op zijne hand.—„Wil je me nu laten uitlezen?—Waar bleef ik ook weer—ahem—”
Doch ja! uit mijnen hartstocht, uit mijne maatlooze liefdevoor u put ik mijnen moed. Mary! ik ben arm, ik ben niets nog—het is waar. Maar door u begunstigd, met het uitzicht op uwe wederliefde als mijne rijzende morgenzon in het verschiet—
„Alle duivels!wat neemt hij me daar eene vaart!”
—kan ik alles nog worden. Ik kan werken, door bergen heen.
„Van rijstebrij!”
Ik kan wachten, langen tijd, zoo noodig. Geen zwoegen zal mij verdrieten. Geene jaren zullen den gloed doen bekoelen, waarmede—of gij hem tot u opheft, of dat gij hem vàn u stoot, Mary!—eeuwig trouw u aan zal hangen, hij die zich teekent
Uw dienaar tot in den dood,
JUSTUS EYKENDAAL.
„Bravissimo!” schreeuwde de zoon van den wijnhandelaar. „Ik maak je mijn compliment, nichtje! Zoo'n partij doet zich niet alle dagen voor!—Ik begrijp dan ook levendig, dat voor mij, rampzalige, de kans nu wel verkeken zal zijn!”
„St!” riep Mary: „Ik ben er nog niet. Er is nog een postscriptum”:—
Indien mijne stoutheid u niet vertoornt; indien mijne overmoedige liefde eenen kleinen, kleinen weerklank gevonden heeft in uw hart—zie dan morgen, wanneer gij ter kerk komt, na afloop van het eerste gezang even op naar het orgel, en breng uw kerkboekje even aan uwe lippen. Aan dien blik, aan dat gebaar hangt mijne zaligheid.
„Je moet namelijk weten”, voegde de lieve lezeres ertoelichtend bij, „dat hij wel eens voor Van Meppen het orgel bespeelt onder kerktijd.”
De heer Edmund hinnikte het uit van plezier, en sloeg op zijne dij dat het klapte. „Heb ik ooit van mijn leven! Zoo'n romaneske aap!—En jij, nichtje, wat heb je wel gedaan?—Natuurlijk de kerk aan de boeren overgelaten?”
„Integendeel”, antwoordde Mary, met schampere waardigheid: „Ik heb den vlegel voor zijne onbeschaamdheid willen straffen. Daarom ben ik behoorlijk mijn preekje gaan knappen. En toen het eerste gezang uit was, heb ik heel betooverend opgekeken naar de orgelpijpen, en mijn nieuw testamentje heel vurig gekust. Durft hij nu van avond of morgen mij nabij te komen, dan zal ik hem zóó zijn vet geven, dat hij er ineens genoeg van heeft!”
„Kostelijk! hihihi!” kraaide de andere. „O! maar hij is onbetaalbaar!—Mary! ik moet je verklaren dat ik je admireer. Je hebt een tact over je, eensavoir faire, die op mijn woord van eer niet van de poes zijn. Dat mag ik graag in eene vrouw. Ja waarachtig! als we onze oudjes nu nog dat groote pleizier doen, en onze duitjes bij elkaar leggen, en samen er mee in het bootje stappen—ik aan het roer, en jij op de riemen....”
Wat het heertje verder snapte, ging voor den luisteraar verloren, daar het tweetal langs den muur zich verwijderde. Justus had echter, ook zonder dit, volop genoeg gehoord. Geen woord te weinig. Misschien ook geen woord te veel.
Eene pooslang zat hij roerloos, als wezenloos, op eene grafzerk. Daarna rees hij op, en waggelde naar de ruïne, tegen welke hij kreunend zich aanleunde.
Toen legde zich eene hand op zijnen schouder; en er klonk eene stem in zijn oor, zoo zacht, zoo hemelsch na het schaterlachen van die twee demonen:—„Justus, heb ik je dan niet lief?”
Zijne zenuwen ontspanden zich; zijne oogen schoten vol; in heftig snikken brak hij los. Maar opeens hield hij zich in bedwang.—„'t Is niets, Marieken!” stootte hij uit: „Breek je om mij het hoofd niet, kind!—Vaarwel! Vergeet mij!..... Er is goddank nog water in de zee!”
Met dien uitroep drukte hij zich de vuisten tegen het gelaat—en weg was hij: het hek uit, den heuvel af, den kant op naar de stad.
Eerst, na den schok van het ongeluk, de verdooving die maar half beseft. Dan het volle bewustzijn van wat er gebeurde: de pijn, het deerlijke medelijden met zichzelven—de tranenvloed. Vervolgens de terugsprong van het geplette weerstands-vermogen: de wrok, de toorn, de lust tot verzet, de dorst naar vergelding. Eindelijk het ergste van alles: het cynisme—het zelfbedrog.
Justus Eykendaal's gemoedsstemming verkeerde in de derde van die drie stadiën, terwijl hij het dorp den rug toewendde en snel den weg stadwaarts insloeg.
Waar wilde hij heen? Wat ging hij doen?—Hij wist het niet. Het raakte hem niet. Mits hij maar voort was van deze plek zijner vernedering, waar de lucht hem als pestdamp, zijn hemel hem eene hel geworden was.
Woedende gedachten doorjoegen zijn brein. Gelijk de schandletters in het voorhoofd van den boef, zoo stonden hem in het hart gebrand al de smalende woorden, doorhaar, door zijne Mary hem toegedacht. Ha, zoo! Was hij een schoolvos zonder school, een onbeschaamde vlegel! Verveelde hij haar zoo gruwelijk met zijn klarinetspel, waarnaar zij toch zoo vaak en zoo lang met schijnbaar genoegen had zitten luisteren—de heks, de slang, de....
Stil! neen!—scheldenkon hij haar toch niet, die hij pas een uur tevoren nog aangebeden had. En wilde zij hem nu beleedigen—zóó beleedigen, dat hij zijne oogen niet meer zou durven opslaan tot haar?.... O! maar dat behoefde immers niet meer! Dat had zij immers al gedaan, grievender dan zij het ooit bedoeld kon hebben!.... Dit echter, dit was niets. Smaad had hij van haar kunnen dulden. Als zij maar zichzelve niet zoo had gesmaad en beleedigd en verlaagd!—Hadde zij hem weggestooten met haren voet, het zou zijnen hartstocht voor haar slechts opgezweept hebben. Fier mocht, fier moest de jonkvrouw zich gedragen, die zijner ridderlijke min waardig zou wezen. Doch deze valschheid, dit kleine, lage, platte gemoed, vreemd aan alle begrip van geestdrift, aan alle mededoogen, aan alle vrouwelijk eergevoel zelfs.... o foei! foei!—Hij kon haar nog begeeren, dat schoone schepsel:—ja, wonderlijk! het begeeren, waaraan hij tot heden nooit rechtstreeks had durven denken, was opeens sterk geworden over hem. Maar zijne teedere achting, zijnen innigen eerbied voor haar—als twee lentebloemen had haar giftig spotten ze gedood.
Onder zulke overpeinzingen valt den wandelaar hetloopen niet lang. Leed is een even knappe weg-bekorter als vreugde.
Justus kwam voorbijVrouw Romein, waar hij op dien achtermiddag, verleden zomer, toen zijne ziel nog kalm was als gindsche plas onder den avondnevel, het roeibootje gehuurd had met Marieken. Arm, lief, heilig kind! Hij dacht aan haar. Hij dacht aan dat laatste woord van haar tot hem: „hebikje dan niet lief?”—en zijn hart verweet hem bitter dat hij haar alleen en ongetroost had laten staan daar op het kerkhof. Ja! déze had hem waarlijk lief!... Maar juist dáárom immers was het voor haar ook beter, dat hij heenging en haar nooit terugzag. Hij zou haar immers nooit hare liefde kunnen vergelden.
Een kwartier verder—daar lagPax Intrantibusaan den weg, destijds het Tivoli der gegoede Rotterdammenaren—later.... OPax! Pax Intrantibus!wat is er van u geworden!—Hic jacet gloria mundi!zou meester Van Meppen thans u toeroepen, ware hij nog onder de levenden om Latijn te radbraken.... Oude heeren zaten in het duister lange pijpen te smoken achter hunne flesschen wijn. Paartjes kuierden fluisterend door de lanen. De schommels kraakten onder de vrachten van gillende jonge maagden.... Justus grijnslachte. Hoevele Mary's waren er onder die engelen van melk en bloed?—
Voorwaarts!—Straks was de stad bereikt.
Hier, te midden van het gewoel der duizenden, die elk hun eigen pak van zorg en leed te dragen hadden, ademde de vluchteling vrijer. Hier voor 't minst kende hem niemand, en zou niemand hem op het gelaat lezen wat razernij er ziedde in zijn binnenste.
Hij liep straat in, straat uit. Het drokke gewemel en de lichtglans der winkels deden hem goed; zij verstrooiden hem, meende hij; althans zij hielpen hem in eene soort van roes, in welke hij zichzelven en zijne bitterheid minder voelde. Om zijnen dorst te lesschen, liep hij een koffiehuis binnen, en dronk er een glas bier; en daar het bier hem smaakte, zoo ledigde hij er een tweede. Eene behaaglijke warmte begon hem te doortintelen. Zijne matheid verdween. Half met weerzin, half met genot, voelde hij eenen lust in zich opkomen om te lachen. Ha ha ha!—zulk een lach klonk schor en wrang—maar beter toch nog zulk een lach, zoo maakte hij zichzelven wijs, dan het hopelooze, vruchtelooze tandenknarsen van daareven. Wat zou hij voorhaar, voor die onwaardige, zich zijn jonge leven tot eene foltering maken? de hand aan zichzelven slaan misschien? Zou hij haardievoldoening nog gunnen?.... Hij zag de deernen aan, die er zwierden langs het trottoir:—en hij zag dat er mooie onder waren—even mooi haast als Mary!
Al dolende, onverschillig waarheen, belandde hij in den omtrek van de St. Laurens-kerk bij een gebouw, waaruit het tjingelen van eene piano en eene gillende vrouwestem naar buiten drongen. Hij kende die inrichting, al was ze pas jong te Rotterdam; want vrienden hadden hem van haar verteld. Het was een der eerstecafés-chantantsin ons vaderland: een der eerste van die, sedert zoo snel in bloei en aantal toegenomen tempelen Babylon's, waar men te gelijk met den mensch ook nog de kunst en de taal prostitueert. Holen, in welke onze Hollandsche jongelingen, ja al meer en meer ook onze Hollandsche werklui, hunne vrije avonden zijn gaanslijten, om er gezellig, onder eene sigaar en een grogje, zich hart en verbeelding te zitten bevuilen met het aanhooren van liederlijkheden in de drie moderne talen.
Gisteren nog zou Justus er eer aan gedacht hebben zich in eene kroeg te gaan bedrinken aan jenever, dan hier binnen te treden. Maar wat was gisteren voor hem! Aan gisteren bond hem immers niets meer! Met gisteren had hij voor altoos immers afgedaan!—En heden wilde hij óók eens zien wat zoovele anderen zagen, die er toch niets minder om geacht werden in de wereld! Bah! wat had zijne ingetogenheid, wat hadden zijne brave en reine beginselen hem gebaat!—Deugd, poëzie?—valsche droombeelden, die u eeuwig lieten grijpen in het ledige! Genot alléén was tastbaar en loonde wie het zochten!.... Om kort te gaan, hij rukte de deur open, en was er binnen vóór hij het eigenlijk wist.
In hetzelfde oogenblik voelde een diender, die daar op en neer drentelde voor de deur, zich schuchter bij de mouw getrokken.
„Meneer”, fluisterde eene donkere gestalte hem toe: „wat is dat daar voor een huis?”
De man keek de verschijning gramstorig aan: hij scheen eerst te vermoeden dat er eene hem wat voor het lapje wou houden. Maar het „meneer” had hem in zijn zwak getast, en aan stem en kleeding merkte hij wel dat de vraag te goeder trouw moest wezen.
„Dat”, zeide hij—„wel, dat is zoo'n gelegenheid waar ze muziek maken. Niet veel bijzonders, voor de rest, dat vrouwvolk dat daar zingt!”
„Zou ik er binnen kunnen gaan?” vroeg weer de gemantelde.
„Kwalijk alléén, hoor juffrouwtje—kwalijk alléén, als je een fatsoenlijk mans kind wilt heeten. Wat zou je er ook doen?—Ah maar, temet zit er een kennis van je verzeild?—Nu, die komt er wel weer uit. En wie daar hun plezier zoeken, die zijn meest toch ook niet waard dat je ze naloopt. Kom”, vermaande de man, „ik ging naar huis als ik u was. Warempel, als ik u was, dan ging ik stil naar huis.”
't Was een gemoedelijke diender, naar men ziet. Och, zoo loopen er mee al onder den hoop door.
Eene duffe, heete lucht sloeg Justus in het gelaat. Hij zag, door den tabakswalm heen, vele gasvlammen, vele tafeltjes met rookende en lachende gasten, en aan het einde van de smalle, lage zaal een half dozijn zwierig gekleede vrouwen op een klein tooneel gezeten.
Een oogenblik stond hij bedremmeld:—hij vreesde dat al die menschen zouden omzien, en met een honend lachje hem als toeroepen zouden: „Zoo, Eykendaal, brave jongen! kom je óók eens naar de dames kijken?”—Doch niemand wijdde hem de geringste aandacht. Aller blikken waren op het tooneel gericht, waar juist, terwijl de pianist een vroolijk ritornel oprammelde, eene der vrouwen van haren stoel rees, voor het klappende en trappelende publiek zich lachend neeg, en met eene brutale, hoewel nog frissche en zuivere altstem eenen deun aanhief van het allerlichtste allooi.
Justus moest zich vastgrijpen aan eenen stoel.... Wasdit tooverij? Had de Booze hem nú reeds in zijne netten verstrikt?.... Mary! Mary stond daar!—Dat was Mary, die daar zong! Mary in al hare valsche, duivelsche schoonheid!
Neen. Mary uit Hillegersberg was dit wel niet;diezat op dit tijdstip eerbaar onder de vleugelen van papa en mama te giggelen met haren neef Edmund. Maar gewis, voor een ietwat beneveld oog mocht de gelijkenis treffend schijnen tusschen de jonge dame en die mamsel daar. Dezelfde rijzige en weelderige bouw; dezelfde blonde krullen; dezelfde lokkende oogopslag; dezelfde wufte lach om de volle, half geopende lippen. Alleen verving op de wangen van déze hier een verfje den voor goed gevloden blos, en was in hare bruine oogen het fonkelen van behaagzucht al lang geweken voor den phosphor-glans der schaamteloosheid. Doch dat deze vrouw eenmaal als Mary geweest was, en dat Mary eenmaal als deze vrouw zou kunnen worden—dit was wel zeker.
Middelerwijl was Justus, bleek van ontroering, onafgebroken starend naar die vrouw die daar zong, tot vlak onder het tooneel gedrongen, en had hij, zonder het zich recht bewust te zijn, plaats genomen op eene bank in het voorste gelid. Het lied was uit; het ruwe refrein en het handgeklap verstomden; de zangster zat weer op haren stoel. Daar trof haar blik des jongelings gretig oog—en aan het purper dat zijne wangen overgoot, erkende zij terstond de prooi op welke deze harpijen bij voorkeur zich werpen. Zij glimlachte hem toe.... Wee hem! Had ook Mary niet zóó hem toegelachen, dienzelfden namiddag, toen zij opblikte naar het kerkorgel!
Van nu af was hij in hare macht. Hij voelde het!—maarbovenal, hijwildehet!—Onder den invloed van den drank dien hij dronk, van de wulpsche muziek die hij hoorde, van de blikken en de lonken dier vrouw, begon eene brandende drift zich van hem meester te maken—half begeerte, half wraakzucht. Het scheen hem dat hij zich aan Mary wreken zou, door naar zijn welgevallen te doen met dit haar vernederd evenbeeld. Gene had hem verachtelijk weggestooten—déze hier boeleerde om zijne gunst.... Geld zou zij eischen. Welnu, geldhadhij, méér misschien dan één der heertjes die er brasten om hem heen. De arme ondermeester was rijk dien avond. Want het toeval wilde, dat hij de som bij zich droeg, die hij sinds een jaar opgespaard had, gulden bij gulden, om er eene Sint-Nikolaas verrassing mee te koopen voorhaar. Dat geld nu—het denkbeeld prikkelde hem nog te meer—dat geld zou voorhaarniet wezen, maar voor deze andere, die even bekoorlijk, en stellig niet zoo valsch en koud en hardvochtig was als zij. Ging Magdalena de zondares niet boven Herodias?—Hij dacht aan Maria Stuart: hoe zwak zij was en hoe teeder. Hij dacht aan koningin Elisabeth: hoe kuisch zij was en hoe wreed. Al de schoone gestalten uit zijne sprookjeswereld, vroeger hem zoo engelrein: de burchtvrouwen met sleepend gewaad, de nixen met gouden tressen, de peri's en hoeri's met lokkenmantels en gazelle-oogen—zij verrezen voor zijne koortsige verbeelding als losbandige sirenen. „Geniet!” fluisterden zij hem toe: „Doe als wij allen—geniet! Alle ontzegging is nuttelooze pijniging! Geniet!”
Ja! Eén nacht van wilden zwijmel! Eén nacht van gloeienden lust!—En dan een schip gezocht! Gevlucht! De wijde wereld voor het enge schoolhok!... Ha! erwas water genoeg in de zee, om de smet van dien éénen nacht af te wasschen!
Het had middernacht geslagen van den grijzen Sint-Laurens-toren, die statig het hoofd gericht houdt naar de sterren, onbewogen om al wat er struikelt en zondigt aan zijnen voet—als wist hij wel dat alles omlaag voorbijgaat, en dat het oordeel aan God is in den hooge.
De zaal die wij kennen was ontruimd. Twee personen slechts, behalve de stommelende bedienden, toefden er nog bij het licht van de reeds half neergedraaide gasvlammen. Straks traden ook die twee laatsten naar buiten:—Justus Eykendaal en de blonde deerne, Mary's evenbeeld.
Driest stak zij haren arm onder den zijnen. „Dépêchons-nous! J'ai faim!”—
En inderdaad, zij talmden geen van beiden.
Maar tegelijk haast voelde de jonge man zich bij den anderen arm gevat door eene andere hand, wier vingers hem nepen als veeren van staal. Den rotting vaster gegrepen—het hoofd omgewend, met eenen vloek op de lippen.... Slaan echter behoefde hij niet, en het booze woord bestierf hem op de tong.
„Marieken!” stamelde hij.
Ja waarlijk, daar naast hem stond, als ware zij uit den bodem opgerezen, de dochter van den schoolmeester. Met haren blik doorboorde zij hem. Hij bleef als versteend.
„Eh bien!” schreeuwde de vrouw aan zijnen rechter kant: „Que nous veut-elle, cette gaillarde?”
De ondermeester wilde zich losrukken uit den greep van het dorpsmeisje. „Laat mij!” riep hij. En tevens maakte hij zich vrij van den arm waarmede die anderenog steeds hem vasthield. Want er was opeens, als een stortbad van ijskoud water, eene schaamte over hem gekomen, een gevoel van onteering en onredbaarheid.... „Laat mij!” herhaalde hij met heesch geluid.
Doch wie hem liet, niet Marieken.
„Justus!” sprak zij hem toe, met iets wonderlijk plechtigs in hare stem: „De beurt is aan mij!”
„Wat wil je van me?” hijgde hij.
„Ik wil dat je mij woord houdt.Hildegarde! zeg ik. Ga met mij mee, Justus!”
Hij keek haar aan alsof hij haar niet begreep. „Ik kan niet!” sprak hij: „Laat me aan mijn lot over!”
„Est-ce que ça va durer? Viens-tu?” riep de Fransche vrouw.
„Justus!” hernam Marieken: „Ga met mij mee! Gedenk je eed! Gedenk al wat je eenmaal lief en heilig was. Het parool is:Hildegarde!”—
Hij hief het hoofd op, streek zich boven de oogen, als iemand die tot bezinning komt, hapte naar adem, en stamelde toonloos: „Hildegarde, zeg je?... Ja Marieken, 't is waar!... ik kom!”—En hij liet zich door haar wegleiden als een kind.
„Ah ça, mon beau villageois! Voilà donc ta paysanne qui te rattrape!”—
Maar Justus lette niet op den schorren lach, waarmede de ongelukkige om den hoek der straat verdween. „Hildegarde!” prevelde hij: „Hildegarde, zegt ze.... Ja kind, je hebt gelijk, ik kom!... Ik wist niet wat ik deed, Marieken. Ik geloof dat ik krankzinnig ben!”.... Mèt gaf een krampachtig schreien aan zijne geweldig overspannen zenuwen lucht. „O!” kermde hij: „nu isallesverloren!”
„Wel neen!” sprak Marieken, thans weer met haar welluidend stemmetje als vanouds: „Nu is alles behouden. Want nu, Justus, zijn wijbeidengehoorzaam geweest aan het parool. Nu staat er niemand meer tusschen ons. Na déze beproeving kan niets ons meer vervreemden.”
Aan elke historie pleegt een slot te zijn. Hoe, indien wij déze eens zónder lieten? Indien wij onzen held en onze heldin, lang vóór wij hen per huwelijksboot goed en wel hadden in het ruime sop doen stevenen, eens in het middernachtelijk uur onder den blooten hemel aan hun lot overlieten, te midden van de waarlijk niet arcadische omgeving der Rotterdamsche Sint-Laurens-kerk?
Doch dit zou wreed wezen. Het is al erg genoeg, dat wij hen zonder geleide hunnen weg terug laten vinden naar Hillegersberg, om daar den orkaan te gaan tarten, die er hen van wege hun nachtelijk avontuur verbeidde. Dit, meen ik, is al kwaad; en ik, als hun geschiedschrijver, heb dáárvoor reeds te vreezen dat zij morgen vóór mij zullen staan, om mij verwijtend af te vragen wáármede zij dit aan mij verdiend hebben.
Want ziet! er is alle kans, dat dit waarachtig verhaal ook hun onder de oogen kome. Justus en Marieken immers leven nog. En zij zijn werkelijk een paar geworden.
Maar niet zoo overhaast als het gewoonlijk in vertellingen toegaat. Niet alvorens de heer Pieter van Meppen, als de uitzondering die den regel staaft, in betrekkelijkvroegen ouderdom het tijdelijke gezegend had. Niet alvorens Marieken geraakt was tot het inzicht, hoe uit het veld geslagen jongelingen maar niet zoo dadelijk (gelijk zij duchtte) zich gaan verdrinken, al is er nóg zooveel water in de zee; en hoe het in geen geval pas heeft voor een meisje, over radelooze ondermeesters bij hunne nachtelijke omdolingen door de straten van Rotterdam den beschermengel te spelen. Niet ook alvorens Justus zelf door harde en lange ervaring in de wereld der werkelijkheid geleerd had, dat er voor eenen man nog iets anders te doen valt dan droomen en dwepen; dat niet géniën, maar menschen deze aarde bevolken; dat poëzie niet de arbeid zelf is, maar de geest die den arbeid opheft en adelt, die hem zijne wijding geeft en vruchtbaar en duurzaam maakt. Toen het alles zóó ver gekomen was (er verliepen ettelijke jaren mee: jaren van inspanning en ontzegging), toen was Justus man, en Marieken was vrouw geworden. En op zekeren dag, als hij haar na eene vrij lange afwezigheid terugzag, voelde hij plotseling dat hij haar nog om iets anders dan hare deugden liefhad. Het is wonderlijk, hoe sommige vrouwen eensklaps schoon worden; of wel, hoe sommigen mannen opeens voor hare schoonheid de oogen opengaan.
Justus en Marieken houden in zeker vriendelijk Geldersch dorp eene bloeiende kostschool. Nog altoos doordrongen van den adem der Germaansche sage, prediken zij daar samen, met woord en voorbeeld, aan een dertigtal gelukkige knapen het evangelium der frischheid. Gezonde studie, meer in de natuur dan in de school, is het geestelijke voedsel van die kleine keurbende. Volop wandelen en gymnastiek voor het lichaam; volop verzenen sproken voor gemoed en verbeelding. Strenge tucht—maar geene roede dan het eigen eergevoel. Vrome aanbidding—maar geen priester dan de eigene geestdrift. De lijfspreuk der Duitsche turners—„frisch, from, fröhlich, frei!”—is ook de lijfspreuk van meester Justus Eykendaal en zijne leerlingen.
Van tijd tot tijd bezoeken de meester en zijne vrouw Rotterdam. Zij verzuimen dan niet, eenen achtermiddag te besteden aan eene wandeling naar het naburige dorpje—eene bedevaart naar het plekje waar zij hunnen heiligen eed zwoeren tusschen de graven: naar den heuvel van de lange Hildegarde, de jonkvrouw van Hillegersberg.