Chapter 3

»J. L. Dortanssecretaris.

Allezins geloofwaardige personen verhalen dat te dezen tijd een gevaarlijke bende vreemde nachtzwervers zich ophield, in de nabijheid van Hulsterhof. Deze met moordtuig gewapende roovers drongen des nachts niet alleen de huizen binnen en namen er mede, wat hun onder de hand viel, maar ontzagen zich ook niet schandelijk temishandelen allen, die zich durfden verweren, of hun hun hinderlijk toeschenen. Hun aanvoerder noemde menHinke de roover. Zou dit feit niet aanleiding kunnen gegeven hebben tot bovenstaande verordening?

Den 18 December van voormeld jaar verscheen ook, van wege den landrath van het ambt Bruggen, eene circulaire, waardoor op straf van 10 R. daler boete, een juiste en spoedige opgaaf werd gevorderd van den veestapel in elke gemeente. Alstoen werden hier bevonden: 34 paarden, 83 koeien, 47 runderen, 312 schapen, ossen geene. De Postmeester W. Franssen onderhield drie paarden. Twee paarden vond men op de pachthoeven, Hanert, Wambach, Bosserhof, Linksterhof en Merterhof. Op Hanert waren 50, bij den akkerman Pet. Paulussen 80 schapen; de overige bij verschillende. Thans is het getal paarden, koeien enz. verdubbeld; schapen zijn er minder, doch hierentegen worden op het oogenblik meer dan 400 geiten onderhouden.

1780. Sedert anderhalve eeuw was te Tegelen de lands-contributie (churfürsterliche steuer) slechts 50 daler gestegen; zij bedroeg in 1780 de som van 157 daler 3 albus en 8 helder.

De uitschrijving meldt onder anderen: »Hijrin geft den Heere baron van Hunt van Mevrouwe de Metternich:

12R. d.63alb.2hel.Von demselbsten:13—62—6—facit26—25—8—

Welcke 26 R. d. enz. syn het sesde deil van de gansche contributie. Den rechten aenslag des kerspels Tegelen is: die 14 stuver betaelt heeft een morgen landt. En is geschiet wegen den orlogh om te verschonen de ganse gemeynte, want in cas sy soude moeten betaelen correct, soude de geheele gemeynte geruineert syn”.

Tusschen de gemeentebesturen van Kaldenkerken en Tegelen was oneenigheid gerezen aangaande eenige gronden op de grenzen gelegen. Dit geschil werd in 1780 te Dusseldorp voor het gerecht gebracht, en eindigde met het verdrag: dat onze gemeente in bezit dier gronden kon blijven, mits zij 30 daalders wegens proceskosten, en 49 daalders voor het verkrijgen van eigendomsrecht zou storten[35].

1785. De ingezetenen van Belfeld, welke gemeente tot de Vereenigde Nederlanden behoorde, hadden in ’t jaar 1785, bij den Hoogen Raad te Venlo, eene beslissing uitgelokt omtrent het geschil betreffende hunne pastorij en die van Tegelen. De Raad besloot den 30 Mei van genoemd jaar, dat de pastoor van Tegelen voortaan 400 gulden zou genieten, mits hij en de Heer van Holtmolen zouden instaan voor eene herbouwing van de pastorij te Belfeld. Dit bracht echter geen einde aan de zaak[36].

1788. Bij besluit van den 12 October 1788 van wege den keurvorstelijken raad van Bruggen, werd goedgekeurd en bekrachtigd eene overeenkomst, gesloten tusschen den tijdelijken pastoor van Tegelen met name Pet. Eskens en het plaatselijke bestuur, samengesteld uit de Heeren: Jan Goossen en Jan Denessen schepenen, wijders Gaspar Franssen, Gaspar Ronck, Gerard Ter Poorten, Barth. Vaessen, Herman Rievers en Wijnand Gubbels. Deze overeenkomst bestond daarin, dat voortaan de dienstdoende pastoor de tegenwoordige woning rustig in bezit houden en de gemeente de lasten van onderhoud dragen zou; dat de pastoor verder het vrije genot zou hebben van de aan de pastorij grenzende kamp, tuin, boomgaard en weide, alsmede van het slaghout en weide, anderhalven morgengroot, gelegen aan den berg. Hiertegen werd voorbehouden, dat het gemeentebestuur voortaan vrij kon beschikken over alle landerijen welker tienden of renten tot hieraan gestrekt hadden tot competentie van den pastoor, zijnde nagenoeg 56 morgen. De gemeente verplichtte zich daarenboven nog aan den pastoor tot onderstand jaarlijks uit te keeren 250 Rijksdaler. Hoe dit werd nagekomen, zullen we nader zien.

1790. Langen tijd was niets meer, zelfs niet het noodzakelijke, aan onze kerk verricht. De schuld lag deels aan de onrustige tijden, deels ook aan het verzuim der tiendenaars, die zulks in last hadden. Wij vinden onder anderen vermeld, dat sedert meer dan tien jaren de groote of bannaalklok, onbruikbaar was geworden, en dien ten gevolge sommigen te laat, sommigen te vroeg, en zeer velen niet ter kerke kwamen. Het kerkbestuur had over weinige middelen te beschikken. Daar intusschen de finantieëlen toestand der gemeente gunstiger was geworden, verkreeg het bestuur machtiging om 100 R. daler aan de noodige herstellingen der kerk te Tegelen te besteden. Deze herstellingswerken geschiedden in 1790 en 1791.

Thans zijn wij het tijdstip van groote veranderingen op elk gebied, dat der Fransche revolutie, genaderd. De eerste verschijning der Franschen ten onzent geschiedde in 1790, toen de generaalCompairestadswaarts toog. Hij deed eene brug van pontons over de Maas slaan; men herkent hiervan nog de sporen op de oevers der rivier tegen over Tegelen.

1794. In October van het jaar 1794 kwam generaal Moreau met een ontzaglijk leger tot voor Venlo. De brigaad-generaal Laurent sloeg zijn hoofdkwartier te Tegelen op. Het hevige geschut van de stadswallen dwong hem de opgeslagen brug te verleggen tot boven Tegelenaan den zoogenaamden Paulussenweert. In den nacht van 9 op 10 October werden op zijn bevel verscheidene batterijen opgeworpen nabij den Roskam, om alzoo de toenadering van den vijand op Tegelen te beletten. Nu ving Laurent met een korps van 5000 man de belegering der stad aan.

De overgaaf van Venlo geschiedde den 26 October 1794. Dit jaar wordt genoemd het jaar III der Fransche republiek, de 26 October is de 5 Brumaire. Na drie dagen waren de Hollandsche troepen uit Venlo en omstreken verdwenen.

1795. Door de wet van 1 October 1795 werden onze streken bij het departement der Nedermaas (Meuse-Inférieure) ingelijft met Maastricht tot hoofdstad. Het schepengerecht van voorheen werd ingetrokken en vervangen door eenconseil municipalmet een maire (meijer) aan het hoofd. Dit bestuur was in voormeld jaar samengesteld uit: Antoon Thijssen, maire, Gerard Ter Poorten rekenmeester, Peter Beekmans, P. Peeters, Jan Denissen. Onder kerkekelijk opzicht bleef Tegelen wat het was tot in 1801, toen echter werd het bij het bisdom van Aken gevoegd. Alle broederschappen, beneficiën, gilden enz. werden sinds 1795-1796 domein verklaard. Onder het Franschedirectoirevan 1795 tot 1799 had Tegelen veel te verduren door het heen en weer trekken van regimenten en door zware inkwartiering. De schatheffing was ook verpletterend; Tegelen moest in dezen tijd opbrengen: 1471 franken. Te Venlo en te Belfeld waren intusschen ook de kerkelijke diensten verboden. Van 1797 tot 1799 moesten velen van genoemde parochiën te Tegelen de H. H. Sakramenten, Doopsel en Huwelijk komen ontvangen en het H. Misoffer bijwonen.

1804. Den 18 Mei 1804 werd Napoleon tot Keizer uitgeroepen. Hij trok door Tegelen den 12 September vandat jaar, en kwam van Venlo. Na in 1809 in Oostenrijk en Duitschland overwinning op overwinning behaald te hebben, wilde hij in 1812 ook Rusland bedwingen. Al wie wapenen kon dragen werd opgeeischt. Wij hebben meer dan eenen hooren verzekeren, dat lotelingen uit ons vaderdorp tot tweemaal toe, tegen hooge bezoldiging, een plaatsvervanger hadden aangewezen, en niet te min, ten koste van hun leven, persoonlijk moesten optreden. Slechts weinigen ontkwamen aan de felle koude en ontberingen in Rusland.

1814. In het jaar 1814 den 9 April, alzoo in hetzelfde jaar en dezelfde maand, dat Napoleon I als banneling naar het eiland Elba werd verwezen, had te Tegelen een gedenkwaardig voorval plaats. De Franschen, die te Venlo door de geallieerden belegerd werden, deden tegen den middag eenen uitval om zich te Steijl meester te maken van een magazijn, dat, voorzien van levensmiddelen, bestemd was voor de vesting Wesel. Deze goederen waren te Steijl gelost wijl een bende Kosakken aan deze zijde van den Rijn den doortocht onveilig hadden gemaakt. Reeds was de Fransche krijgsmacht, vergezeld van grof geschut, over de Hoogstraat genaderd tot voorbij het pastoreele huis, toen men eenklaps vernam, dat de vrijwillige jagers van Berlijn den berg waren afgedaald en zich in tirailleurs vertoonden op het Betenveld bij de kerk. De Franschen trokken spoedig naar het dorp tot voor het Posthuis; een tambour beklom een heuvel en sloeg alarm; doch nauwelijks had hij den trommelslag doen hooren of een Pruisische jager maakte door een geweerschot diens trom onbruikbaar. Hierop drongen de Franschen door tot op het kerkhof, en tusschen de kerkhofmuren verschanst, richtten zij een hevig vuur op de Pruisische jagers. Deze naderden evenwel al meer enmeer, zoodat de Franschen goedvonden terug te trekken en wijl de poorten toevallig gesloten waren, over den muur de vlucht te nemen. Gekomen tot op den alden mert, vonden zij zich gedekt door twee veldstukken, doch bij het lossen daarvan werden wel boomen in den Meulenpas, maar geen Pruissen getroffen. Zekere Hendrik Roemen uit Tegelen werd bij deze eerste ontmoeting door een’ kogel ernstig getroffen: hij werd door den pastoor Freybenter bijgestaan doch het bleek, dat de ontvangene wonde niet doodelijk was. De terugtocht der Franschen naar Venlo, werd langzaam bewerkstelligd, tot dat eensklaps tegenover den Links de Pruissen een geweldig vuur op hen losbrandden; verscheidene Franschen sneuvelden; de overigen vluchtten eerst in de richting naar de Maas, vervolgens langs de Wilderbeek naar Venlo.[37]In de verte hadden zich ook eenige Kosakken die te Belfeld gekampeerd waren vertoond, doch hebben, naar het schijnt, geen deel aan den strijd genomen. Een oberjager der Pruissen werd achter een’ boom door een kogel gedood. Toen de pachter van Mertenhof dezen stervenden man naar het dorp voerde, loste deze nog morrend tegen de Franschen zijne geladen karabijn. Van dit gevecht waren P. J. van Dinter en vier missedienaars de onvoorzichtige ooggetuigen van uit de klankgaten des torens. De toenmalige koster en onderwijzer heeft dit gevecht in een lied bezongen dat later nog langen tijd bij kermissen en volksfeesten heeft dienst gedaan.

’s Anderendaags, zijnde Paaschdag, voerden de Pruissen het magazijn met den inhoud naar Wachtendonck. De maire W. Kamp, de adjunct M. Thyssen en de kanunnik B. Canoy werden te dier oorzake naar Gelder in verhoor geroepen, alwaar ze zeer hoflijk bejegend werden.

Om op de Kosakken terug te komen, thans nog levende personen geheugen het zich, hoe dit volk dagelijks ons dorp doortrok, om vôór zonnenopgang te bespieden of er geen Franschen uit Venlo opdaagden. Eenige Franschen hiervan bewust, hadden zich op zeker vroegen morgen in de herberg deDriekroonenverscholen. Toen nu de Kosakken als naar gewoonte aan den kastelijn de vraag steldennikski de fransouski?schoten de Franschen door deuren en vensters op hen en namen een’ der vluchtenden gevangen, dien zij onder veel pret en gejuich naar Venlo leidden. Het kan overigens niet ontkend worden, dat deze Kosakken hun kamp goed bewaakten en den Franschen nog al zorg en moeiten baarden. Zij hielden flink wacht, en hadden op onderscheidene punten vedetten uitgezet, die hun van alles verwittigden; onder anderen stond er eene op den zoogenaamden Bergel en eene andere op de heuvels nabij de Mergelstraat, die nog heden Kosakkenberg heet. Op zekeren dag trachtte een Fransche kolonne, die ’s nachts over Blerick en Baarlo te Kessel de Maas overtrok de Kosakken langs Schelkensbeek, tusschen Reuver en Belfeld, in den rug te vallen; doch in de verte ontdekt zagen deze zich genoodzaakt in aller ijl de vlucht te nemen naar de Brachter bosschen. De Kosakken waren bijzonder knappe ruiters, maar ruw en onbeleefd. Jenever met peper was hun geliefkoosde drank; van de vrouwen rokken, die zij hier en daar opdeden, bedienden zij zich als van doelmatige mantels zonder mouwen.

1815. Tegelen was van 1814 tot 1816, ter oorzake van een verkeerde uitlegging van het Weener tractaat aan Pruissen onderworpen gebleven; desniet tegenstaande namen nog dikwijls Fransche troepen hier den doortocht op hunne reis naar hun vaderland. De laatsten daarvan behoorden tot de bezetting van Hamburg, in 1815, toende geallieerden Parijs reeds hadden ingenomen. Een twaalftal jongelingen van Tegelen werden in voornoemd jaar door de Pruisische regeering tot den krijgsdienst opgeroepen en bij de landwehr ingelijfd om des noods tegen Frankrijk op te trekken[38].

1816. De groothandel op Steijl verontruste destijds onze stadsnaburen. Toen Koning Willem I den 7 Juni 1815 Venlo bezocht, stelde hij de gemoederen aldaar gerust, met de verklaring, dat eene omwisseling van gemeenten in onderhandeling was tusschen Pruissen en Nederland. Werkelijk den 18 Maart 1816 werd onze gemeente door ruiling tegen eene plaats nabij Aken, bij het koningrijk der Nederlanden gevoegd. Toen in dit jaar, bekend onder den naam vannatjaarschier alle vruchten mislukten, en hetduurjaar1817 daarop aanbrak, waren de prijzen der levensmiddelen uitermate gestegen. De tarwe klom in prijs tot 90, de rogge tot 72, de gerst tot 54, de haver tot 46 en de aardappelen tot 36 kl. gulden het malder. Er werd dan ook in die dagen meer haver dan tarwe of rogge tot brood gebakken.

1820. In weerwil van den overlast der aanhoudende militaire doortochten, had de gemeente tot dusver geringe schulden gemaakt. Zoodra de vrede gekomen was en men een normaal budget kon opmaken, was men er op bedacht om de gemeente eigendommen te doen afmeten en een deel daarvan tot dekking der schuld te verkoopen. In 1820 beliep deze schuld eene som van 8652, 40 N. gulden. Deze zijn in eens tot genoegen der schuldeischers, die meestal aankoopers waren van gemeentegronden, gedelgd. De verkooping geschiedde den 6 November.

1822. Op bevel van den vicaris-generaal van het bisdom Aken, waartoe Tegelen sedert 1801 behoorde, moest den10 Januari 1822 eene kerkfabriek opgericht worden; deze werd samengesteld uit Mathias Houba president, Cornelius Beekmans, Joan. Peeters, Wilm Kamp, Christiaan Janssen en Jozef Orths pastoor.

Over het algemeen mogen de jaren, die men hier »den eersten Hollandschen tijd” noemt, voor Tegelen gelukkig heeten; want zooals wij nader breedvoerig zullen aanmerken, waren er handel en nijverheid in vollen bloei.

1830. In 1830 brak de Belgische omwenteling uit. Den 10 November kwam het corps van den Belgischen generaal Daine in Tegelen post vatten. Het bestond uit één bataillon infanterie, anderhalve batterij Brusselsche artilleristen en verscheidene compagniën vrijwilligers uit Luik, Mechelen enz. Het garnisoen van Venlo geenen aanval vermoedende, had verwaarloosd de stadspoorten te sluiten, zoodat een vrijwilliger, A. Düfhous genoemd, met lossen toom, de stad binnenreed. Hij zat echter spoedig achter slot. Nadat de bruggen in allerijl opgehaald waren schoot, de artillerie van de wallen op de Belgische troepen, die aan de Wilderbeek gestationeerd waren. De twee eerste schoten velden ook twee paarden neer. De Belgen trokken dien dag terug. Een gedeelte hunner troepen logeerde op Tegelsch grondgebied, de staf met generaal Daine bleef in het dorp. Den 11 November gaf de stad, na eene overeenkomst getroffen te hebben met den vijand, zich over, en Daine nam bezit van Venlo. Van de Hollandsche soldaten kwamen velen ’s anderendaags door Tegelen om te Ath in België geinterneerd te worden.

Ook te Tegelen werd in 1830 in de kom der gemeente een vrijheidsboom geplant, die in 1867 weggeruimd, door een’ jeugdigen lindenboom vervangen is.

1831. Gedurende den beruchten tiendaagschen veldtocht in 1831 moest ook alhier de garde-civique onder het geweer.Onze mannen daarbij ingelijfd, werden in de dorpen Helden, Panningen en Meijel gecantonneerd. In dit jaar verscheen eene compagnie vrijwilligers, staande onder het bevel van den colonel Milisini, en bleef een’ gansche maand te Tegelen. Onze inlijving bij België was slechts voorloopig; want ingevolge het tractaat van Londen 22 Juni 1839 werd Limburg voor het grootste deel aan Nederland teruggegeven. Tegelen kwam toen bij het arrondissement Roermond en het kanton Venlo. De tweevoudige rede, waarom men aanvankelijk weinig genegenheid koesterde om wederom Hollandsch te worden; was: de hoogstijgende belastingen bij hoofdelijken omslag, »kopgeld” genaamd, en de dienstplichtigheid der lotelingen ten getale van zeven elk jaar, waaraan men sedert een tiental jaren niet meer gewoon was.

1840. Onder kerkelijk opzicht had de Fransche revolutie, onze parochie, zooals we reeds aanduidden, gebracht onder het bisdom van Aken. Tengevolge eener omschrijving der Pruissische bisdommen door Paus Pius VII, liet de vicaris-generaal M. W. Fonck van Aken, bij brieven van den 28 Juli 1823 onzen pastoor J. Orths weten, dat Tegelen wederom onder het bisdom Luik, alwaar de vicaris-capitularis Barett toenmaals het bestuur in handen had, terugkeerde. Deze toestand duurde tot 12 Juli 1840, toen koning Willem II een nieuwe regeling van Paus Gregorius XVI goedkeurde. Hierbij werd bepaald, dat bij het apostolisch vicariaat van Limburg (thans bisdom Roermond) zouden behooren, alle Limburgsche steden, die vroeger tot Luik behoord hebben, mede de parochiën Tegelen, Velden, Arcen, Herkenbosch Melick en Well; alsnog die van Afferden, Bergen, Gennep, Heijen, Middelaer, Mook en Ottersum, tot dusver onder het vicariaat van Grave, en eindelijk de parochiën der kantons Horst en Sittard.

1847. De felle en late vorst des jaars 1847 trachtte men ook hier heugelijk te maken. Op Paaschmaandag reden en zwenkten naar hartelust de schaatsenliefhebbers van, Venlo, Tegelen en Steijl op het dikke Maas-ijs. Naast eene tent waarin geschonken werd, had men zelfs eene gaarkeuken op het bloote ijs opgericht; de schoon gekleurde Paascheijeren vonden algemeenen aftrek.

In Februari 1848 werd hier onder Gods zegen eene eerste, in 1854 eene tweede, in 1866 eene derde en eindelijk in 1867 eene vierde H. Missie gegeven, door de Eerw. Paters Redemptoristen.

1854. Ten slotte zij nog vermeld, dat in den nazomer van 1854, de cholera ziekte te Steijl uitbrak en binnen weinige dagen negen slachtoffers ten grave voerde.

1876. Toen Tegelen den 4 Januari 1876, dag waarop tevens de nieuw benoemde herder F. R. Pennings plechtig werd ingehuldigd, de eer genoot Z. D. H. Monseigneur K. Claessens apostolisch vicaris van Batavia ter inwijding van de vergrootte kerk, in zijn midden te ontvangen, konden honderde toegesnelde vreemdelingen zich overtuigen, hoe ons vaderdorp door kunstsmaak en eensgezindheid, in slaat is bij dergelijke gelegenheden zelfs met grootere plaatsen te wedijveren.

Verdere merkwaardigheden der laatste tijden komen voor in de nu volgende afdeeling.


Back to IndexNext