INLEIDING.
Tegelen, één der oudste dorpen onzer gewesten, is in den loop dezer eeuw in bevolking, en bij gevolg ook in getalsterkte van woningen en gebouwen merkelijk aangegroeid. Het zou thans zeer zeker een der sierlijkste wezen onzer provincie, ware bij het bouwen van nieuwe huizen de regelmatige aanleg in acht genomen.
De gemeente telt heden nagenoeg 2200 inwoners, die allen, behalve eenige vreemde ambtenaars, den katholieken godsdienst belijden.
De dubbele rij huizen van af den ingang des dorps aan de Venloosche zijde, tot aan het statige Posthuis, alsmede de gebouwen rondom de marktplaats genaamdLichtenberg, vormen de eigenlijke kom.
Eene groep, liggende nabij de kom op gelijken afstand om een’ gemeente-put, wordt bij voortduring dealde mertgeheeten. Het naar den westkant niet ver verwijderd gehuchtEnd, vroeger het uiteinde van Tegelen, is tegenwoordig eene straat. DeHoogstraatloopende tusschen hetdorp en de Maas, leidt van End over de alde mert naar Venlo. Eene reeks schoone huizen, zuidwaarts van de kom naar het gehuchtKruis, draagt sedert het bestaan van het Station aan den staatsspoorweg 1866, den naam vanSpoorstraat. Het hagelkruis, dat aan laatstgenoemd gehucht den naam gaf, alsmede bijstaand kapelletje, zijn over weinige jaren eerst geruimd.
Men telt wijders de gehuchtenNabbenenSiep, voorheen genaamdOvertegelen,Leemhorsten deBerg, welke weinig verandering hebben ondergaan. De meeste nieuwe huizen worden nog voortdurend gevestigd in de helling der zandbergen, die Tegelen scheiden van Steijl. Meestal wonen hier fabriekarbeiders, en wordt ten deze hoofdzakelijk de zoo goedkoope prijs der bouwplaats waargenomen.
Een beduidend deel van Tegelen is wel het gehuchtSteijl, tellende ruim 250 zielen. Een sierlijke kerk, die de aloude kapel in 1857 heeft vervangen, eenige fraaije lusthuizen met aanhoorigheden, alsmede de bekoorlijke ligging op den stijlen Maasoever, maken het uiterst lief.
Er bevinden zich verder in deze gemeente twee prachtige kasteelen met grachten en boschages omgeven,Holtmolenten zuiden, en deMuntten oosten des dorps, benevens het slotWambachnabij de pruisische grenzen.
De groote landsweg van Venlo naar Maastricht doorsnijdt de gemeente Tegelen op hare gansche lengte; en terwijl de grintwegen van Steijl over Kruis, en van Tegelen over de Munt, naar Kaldenkerken alle gemeenschap op het gemakkelijkst hebben gemaakt, zijn de twee holle en bange straten, Berkerstraat (van Kruis naar Steijl) en de Bongerstraat, (van het dorp naar de Munt) geheel verdwenen.
De grond alhier is licht en zanderig; de in de laatste jaren ontgonnen en nog te ontginnen broekgronden alleen uitgezonderd. Men vindt er slechts vijf of zes pachthoeven.Het voorname bestaan der ingezetenen van Tegelen is dan ook pan- en potbakkerijen, handel en nijverheid.
Uit de grensbergen ontspringen eene menigte waterbronnen, welke, na gezamenlijk molens en vischvijvers te hebben geriefd, zich tot vier heldere beeken vormen, die zich in de Maas ontlasten. Het zijn deWilderbeekaan de Venloosche en deAalsbeekaan de Belfelder grenzen; deMunterbeekdwars door de kom, en deSteijlerbeekloopende van Broek over Kruis naar Steijl.
Over het algemeen verdient Tegelen onder de gezondste plaatsen van Limburg gerekend te worden; ook biedt het langs talrijke lanen en wandelwegen verscheidene bekoorlijke buitens aan.
Tegelen heeft eene uitgestrektheid, bestaande in bouwland, weiland, hout en moeras, van ruim 947 bunder; aan buurtwegen 57, aan kiezelwegen 5 en aan water 30 bunder, totaal 1039 bunder.
Het is van dezen ons zoo dierbaren vadergrond, dat wij eenige gebeurtenissen der vergetelheid wenschen te onttrekken, door de volgende naar tijdrekening verzamelde aanteekeningen.
In eene eerste afdeeling doorloopen wij de lotgevallen van Tegelen in het algemeen, terwijl eenige bijzonderheden den inhoud eener volgende afdeeling zullen leveren.
De oudste bescheiden die van Tegelen gewagen, noemen deze plaats:Tichlouw,Tiglau,Teglo,Tegelon.
In de handschriften der vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw vindt men den naam:Thygelen,Tyghelen,Thiegelen,Thegelen, doch nadien niet anders dan Tegelen. Er zijn er, die deze benaming afleiden van het nederduitsch woordtigchelen, dat heet baksteenen vervaardigen; anderen zoeken den oorsprong in het latijnsch woordtegula, dakpan. Een en ander wijzen op den zich alhier bevindenden klei of leemgrond tot vervaardiging van steenen, pannen en potten, die reeds vroegtijdig eene menschengroep naar deze »tigchelouw” schijnt geroepen te hebben.
Trouwens de herhaaldelijke opdelving van romeinsche zoowel als germaansche voorwerpen, staven deze bewering. In de groeven, waaruit nog voortdurend de pan- en potaardgrond wordt opgehaald, heeft men in 1841 en daarna nogmaals een menigte romeinsche baksteenen, dekpannen, urnen en andere voorwerpen van dien oorsprong opgedolven. Wel een bewijs dat onze pan- en potfabrieken reeds tijdens het romeinsch tijdvak in werking waren, en dat bij gevolg ons dorp van vóór 16 eeuwen dagteekent[1]. Dergelijke vondsten hebben op Belfelder grondgebied plaats gehad.Den Heere H. Justen, te Venlo, gelukte het tevens voor ettelijke jaren op de grenszijde van genoemde stad een romeinsche begraafplaats te ontdekken, terwijl op dezelfde heide niet ver van de hoeve »Uleshei”, ter plaatse genoemd »landweer”, een romeinsch kamp schijnt gevestigd te zijn geweest, waarvan de loopgraven zich nog zichtbaar voordoen. De ligging van Tegelen op den oever der Maas en aan den romeinschen landweg van Coriovallum op Castra Vetera, en bijzonderlijk de rijkdom van haren bodem aan potaarde, schijnen oorzaak geweest, dat zich hier eene kolonie pan- en potbakkers heeft neergeslagen, die sedert dien hare waar naar alle winden verspreid heeft. Dit verkeer heeft gewis een zekere beschaving, en genoegzamen voorspoed bij onze voorouders verwekt. Daarbij hebben de bewoners zeker, gelijk thans, landbouw en veeteelt behartigd, zoodat men hun geen betrekkelijken welstand kan ontzeggen.
495. Aan de Romeinen volgden, op onzen vader-grond, de Franken, die zich na de bekeering van Clovis, tot een christelijken staat vormden[2]. Uit de geschiedenis leeren wij dat ten tijde van den H. Lambertus, bisschop van Maastricht, (690) onze streken reeds veelal tot het christendom bekeerd waren. Er woonden nog alleen heidenen in de barre zandwoestijnen der Kempen[3].
720. Uit het frankische tijdperk vernemen wij nopens Tegelen, dat er reeds ten tijde van den H. Plechelmus, omstreeks het jaar 720, eene kerk zou gesticht zijn ter eere van den H. Martinus. De geloovigen uit Venlo (alwaar eerst in 760 eene kerk werd aangelegd,) zegt men, kwamen toen alhier hunne godsdienstoefeningen verrichten.Dit feit, hetwelk, zoover wij weten, op geen oude bronnen steunt,[4]heeft op zich zelven beschouwd, niets ongeloofelijksch.
999. Op het einde der tiende eeuw, namelijk in 999, werd Tegelen onder kerkelijk opzicht, door den aartsbisschop van Keulen, tot wiens bisdom het oorspronkelijk behoorde, afgestaan aan den bisschop van Luik. Als dusdanig maakte ons dorp deel uit van het concilie vanWassenbergen het aartsdiaconaat vanKempenlandtot nog op het laatst der verloopene eeuw[5]. Ziehier op welke wijze deze ruiling plaats greep. Evergerus, aartsbisschop van Keulen, zag ongaarne dat het klooster te Gladbach, zoo rijkelijk door zijne voorgangers gedoteerd, zich in een ander bisdom bevond. Hij beriep daarom de monniken van Gladbach naar de kerk van St. Martinus te Keulen en gebood hun alle heilige relikwieën mede te voeren. De H. Vitus intusschen, ontevreden over de verplaatsing der abdij, gaf, bij een nachtelijke verschijning den bisschop hierover eene ernstige vermaning. Evergerus gansch ontroerd, legde alsdan de belofte af, van de monniken met de H. Relikwieën te laten heengaan, hun vroegere rechten en bezittingen te herstellen en eindelijk Gladbach van het bisdom Luik te scheiden. Dit volbracht hij door de drie keulsche kerken: Tegelen, Lobberich en Venlo te ruilen tegen Gladbach en Reith[6].
1202. Uit hetgeen nader blijkt, was Tegelen vroegtijdig eeneHeerlijkheid. In 1202 doet zich zekereReinier VanTegelenvoor onder de ministeriels[7]. Eene familie genaamdVan Tegeln, uit welke in 1386Bernhardonder den kleefschen adel voorkomt, voerde als wapen: drie gouden leeuwen in een rood veld: op den gekroonden helm een dubbel rechtstaanden leeuw[8].
1326. Het goedWambachonder Tegelen is ook van zeer oude dagteekening; althans wij vernemen dat »de Hoff to Wambeke, met der moelen thiende, ende rente die daertoe behooren; Item de hoff to Hadem ende dat daertoe behoort, helt:Henrick De Lange Van Criekenbeck, anno 1326”[9]. Later kwam dit goed aan de Heeren van Holtmolen.
1402. De aloude Heerlijkheid Tegelen met toebehoor,[10]zoo vinden wij vermeld, benevens de kleine tienden aldaar; verder hetjus patronatusof vergevingsrecht der kerk aldaar even als te Breijel en gedeeltelijk te Beesel; nog het huis Holtmolen met de groote en kleine tienden aldaar, en Steijl aan de Maas met den hof Bongaert kwamen in het jaar 1402 toe aan Otto van Holtmolen.
1425. Johan van Holtmolen ontving in 1425 deHeerlijkheid Tegelenmet al haar toebehoor gelijk dezelve van oudsher gelegen was in het ambt Bruggen[11].
1433. De eerste melding, die wij van de pastorij te Tegelen kunnen maken, is de volgende: Den vierden April 1433 op St. Franciscusdag, verpacht Hendrik van Holtmolen pastoor te Tegelen aan Daemen van den Bruele genaamd van Brempt, een kleinen grint gelegen teBerghop deRuyren, voor een tijdvak van tachtig jaren, tegen den jaarlijkschen pachtprijs van 20 Bodregers, Roermonds geld.
1436. Het adellijk goedHoltmolenschijnt van oude dagteekening te wezen. Althans wij vinden, dat de gebroedersGodartenEngelbertvan Holtmolen onderteekend hebben, het verbond, hetwelk de steden en de ridderschap tegen Arnold van Gelder in 1436 hadden aangegaan. Tevens wordt gezegd dat dit Holtmolen bij Tegelen was gelegen[12].
Het voormalige Slotde Muntwas omstreeks 1550 nog bewoond doorGerhard van Holtmolen[13].
1430-1450. De tegenwoordige kerk van Tegelen dagteekent uit de eerste helft der vijftiende eeuw; onder meer dan een opzicht verdient zij onze aandacht. Zij heeft een hechten en reusachtigen toren van 30 meter hoogte aan muurwerk; de spits is vierhoekig doch laag. In de twee bovenste vakken aan elke zijde des torens behalve aan den zuid-oosten kant alwaar de torentrap is opgetrokken, bevinden zich drie naast elkander staande blindvensters met sierlijke frontons uit zandsteen, die hier en daar door den tand des tijds beschadigd zijn. De kerk zelve heeft slechts eene lengte van ruim dertig meter, doch telt zestien meter in de breedte. Pijlers zijn vier in getal en vormen twee zijbeuken, die elk door drie schoon gekleurde vensters worden verlicht[14]. Dit was hare toestand in 1874, toen zij merkelijk vergroot en hersteld werd. Die vergrooting bestond in het aanbouwen van een nieuw koor ter lengte van vier meter en het doortrekken der zijpanden op gelijke lengte zoodat ze met twee pijlers en twee vensters is vermeerderd. Wijders heeft men den tempel door uitbouwen tot eenheerlijke kruiskerk hervormd. Het alles brengt thans een juiste evenredigheid te weeg tusschen toren en kerk, en, wat de voorname zaak was, vormt nu een’ tempel, die het volkrijke Tegelen kan gerieven. Was vroeger de oppervlakte der gansche kerk honderd negentig vierkante meter, thans beslaat zij drie honderd dertig meter.
Onder het voormalige koor der kerk bevindt zich een grafkelder van zes meter vierkant. Laatstelijk werden daarin bijgezet de stoffelijke overblijfsels van Pastoor Nic. Smeets in 1728, en van Jan Josef Van Wevelickhoven, Heer van de Munt, in 1742. Verder zijn er aanwezig twee kleinere kisten zonder eenige aanwijzing[15].
Zooals het opschrift aantoont, en overigens bewezen is, werd in 1609 de Tegelsche toren voorzien van de nog bestaande groote klok. Haar opschrift luidt:
»† Maria heisse ichLebendige ruf ichTodten beschrei ichJan von Trier hatt mich gegossen, anno 1609.”
»† Maria heisse ichLebendige ruf ichTodten beschrei ichJan von Trier hatt mich gegossen, anno 1609.”
Zekere Louïs van de Mortel uit Venlo heeft ze in November 1609 geplaatst en het noodige ijzerwerk daartoe geleverd; hij kreeg tot loon 75 venloosche gulden. Naar deze klok werd in vorige eeuwen de onderhoorigheid aan dit kerspel vermeld door de woorden: »onder desen klockenslagh,” immers zij was de bannaalklok. Haar gewicht bedraagt 7000 kilo’s. De tweede klok, wegende nagenoeg 4500 kilo’s, werd in 1830 uit een vroegere kleine met toevoeging van nieuw metaal, vervaardigd door J. Groulard te Tongeren; zij draagt het volgende opschrift:
»Deze klok verschuldigt de gemeente aan Koning Wilm I. Burgemeester W. Kamp. Pastoor J. Orths. Peter P.M. Canoy, meter Mevr. de Rijk geb. de Koning. Zij roepe de geloovigen ten tempel.”
De derde of kleinste klok, ongeveer 80 kilo’s wegende, is uit het begin dezer eeuw; hoewel fijn van metaal en helder van klank, stemt zij geenszins met de twee vorige overeen. Men noemt haarbimke.
Het uurwerk in den toren werd aangebracht in 1664 door Frans Ter Broink uit Wachtendonck voor de som van 224 kl. gulden, gelijk eene rekening vermeldt. Van toen af tot 1680 placht jaarlijks een deskundige uit Dulken herwaarts te komen om het raderwerk te herzien en genoot daarvoor iedermaal een Rijksdaler en vrijen kost.
Onder het civiel opzicht behoorde Tegelen tot het hertogdom Gulick en maakte voortdurend daarvan deel uit tot op het laatst der vorige eeuw. De regeering van ons dorp stond onmiddelijk onder het ambt Bruggen en wijders onder het bestuur van Dusseldorp. Diensvolgens was bij onze voorouders de duitsche taal de officieele, zoodat nog in den beginne dezer eeuw gedeeltelijk duitsch en gedeeltelijk hollandsch werd onderwezen in de school en slechts in 1841 de eerste pastoor werd aangesteld die uitsluitend in de hollandsche taal predikte of onderricht gaf. Vandaar is ook nu nog bij velen in gebruik het cijferen en rekenen in kleefsch geld, en het bezigen van duitsche uitdrukkingen meer dan bij de naburen.
1473. Eene akte van wege de regeerders van Tegelen, onder dagteekening van den 30 April 1473, en strekkende ter verzekering eener jaarrente ten voordeele van den arme, meldt onder anderen de volgende omstandigheid: »want wij gemeijnde schepen geijnen seghel en hebben, hebben weij gebeden ende bidden den eersamen en weijsen mannen van Kaldenkerchen ende Bracht, dat sij aen desen brieff haeren seghel willen hangen; dat sij voirs. schepengherne gedan hebben om rede wijl der gemeijnde schepen van Thijgelen voirsbeheltenis heer van den landes rechten end mallich seijner rechten”[16]. Het latere zegel dezer gemeente droeg het beeld van den H. Martinus te paard.
1526. De bank of het gerecht van Tegelen was van oudsher samengesteld uit zeven schepenen, van welke de oudste voorzitter (vorsteher) was. Bij gebrek aan meerdere bescheiden kunnen wij alleen de volgende lijst van scholtissen en schepenen geven:
In1526wasTheodoricus Ploenis,schout.»1594»Peter Smits,vorsteher; zijne ambtgenootenverklaren niet tekunnen schrijven.»1620»Stephan Beekmann,vorsteher.Gerrit Aen gen Steijl,}schepenen.Mathis Strouck,»1631»Gisbert Kampp,Gerrit van Bakenbosch,}Thys Weggers,»1636»Gerrit Vervoort,vorsteher.Johan Smits,}schepen.Gerret Smeets,»1653»Jan Alerts,schout.Peter Rieversthal,schepen.»1667»Jost op Steijl,burgemeister.»1680»Jan Ronck,idem.Micheel in de Betouw,schepen.Wilm Franssen,idem.»1707»Conraed op Heijs,idem.Gaspar Ronck,idem.»1715»Joh. Kampp,schout.»1726»Wilm Bongerts,schepen.Jacob Canoij,idem.»1735»Ant. van Aarssen,vorsteher.Jacob Kruisbergh,schepen.»1750»Wilm Kampp,schout.Jac. Laeden,schepen.Andreas Schinck,idem.»1760»Wilh. Franssen,oudste schepen.»1771»Hendrik Theeuwen,vorsteher.Jan Mingels,schepen.»1774»Pieter Gubbels,oudste schepen.»1783»Joannes Goossens,burgemeester.Jan Denissen,schepen.
Van1798tot1806wasAnt. Thijssen,meijer van den conseil municipal.»1806—1807»Wilm Houda en Balthasar de Hasenbachfungerende meijers.»1807—1830»Wilm Kamp,burgemeester.»1831—1836»Jan Josef Ronck,idem.»1836—1848»Peter van Leipzig,idem.»1848—»Peter Kurstjens,fungerend burgem.»1848—1852»Gerard de Rijk,burgemeester.»1852—1862»Louise de Rijk,idem.»1862—»Jan van Leipzig,fungerend burgem.»1862—1868»Jacob Beelen,burgemeester.»1868—»Stephanus Houba,idem.
Op heden bestaat het bestuur verder uit twee wethouders die men schepenen pleegt te noemen en vijf andere raadsleden, benevens een secretaris. Ook heeft de gemeente zijn bode of veldwachter, naast een rijksveldwachter die voor zeker district wordt aangesteld. De gemeenteontvanger noemde zich voorheentölner[17].
Het gebouw, voorheen de school en kosterswoning, dient sedert 1818 tot vergaderplaats van het gemeente bestuur.Het is klein, en belemmert zeer den vrijen toegang tot, en het uitzicht op de kerk. Het ziet naar een beter en doelmatiger uit.
1526. Te Steijl onder Tegelen lag van oudsher eene kapel toegewijd aan de HH. Fabianus en Sebastianus. Een stuk uit 1526[18]verhaalt ons hoe de belangen van den dienstdoenden rector aan deze kapel meermalen voor het Geldersch hof waren in behandeling gekomen, en deze nu voor goed in bezit wordt gesteld van woning, tuin en landerijen gelegen deels te Steijl deels in den kring der moederkerk Tegelen.
In dit zelfde stuk wordt bij uiterste wilsbeschikking van zekereThomasenSophiaechtgenooten ten gevolge der schenking van voornoemde goederen, bepaald, dat bij elke vacatuur van het rectoraat, een geestelijke candidaat uit hunnen bloede, of bij gebrek van dezen, een geestelijke uit het stadje Kempen, mits vereischte hoedanigheden bezittende en goedkeuring des pastoors van Tegelen, aan de onderhavige kapel zou worden aangesteld. Tot last had de rector wekelijks twee missen ter intentie van de stichters te lezen. Deze akte werd opgemaakt en bekrachtigd door den toenmaligen schout Theodoricus Pleunis in 1526.
1540. Van het jaar 1540 weten wij dat Gerard van Holtmolen en Elisabeth van Ympel zijne huisvrouw verkoopen aan Jan Drijvenen, Chrystoffel van Duersdal en Jan Golstein als man en momber van Heelwech van der Kranken zijne huisvrouw collatoren van het altaar van O. L. Vrouw, SS. Mathias, Remigius, Dionijsius en Margaretha in de kerk van Tegelen, eene jaarrente van 20 goudgulden ten laste der hoeve Bongaert aldaar, tot instandhouding eener dagelijksche mis. Rector van dit altaarwas toen de Heer Bernard van Besel. Wijl de hoeve Bongaert leenplichtig was van het huis Holtmolen, gaven Florens van Holtmolen en zijne leenmannen Jan Stalberge doctor in de rechten en Hendrik Berrevelt daartoe hunne goedkeuring[19].
1571. Zeer belangrijk in de geschiedenis onzer parochie is het volgende feit, dat in 1571 plaats had. Tot dusverre was de kapel van Belfeld, toegewijd aan den H. Urbanus, eene filiaal van Tegelen. Bij de oprichting van het bisdom Roermond in 1561, werd Belfeld, wijl het onder civiel opzicht tot Gelderland en het ambt Montfort behoorde, in dit nieuwe bisdom opgenomen, terwijl de moederkerk van Tegelen, op Guliks grondgebied gelegen, onder het bisdom van Luik bleef. Zulks gaf in 1571 aanleiding tot eene scheiding[20]. De beweegredenen daartoe waren: de verre afstand der ingezetenen van Belfeld en Geloo van de moederkerk, en de noodzakelijkheid waarin zij verkeerden van in aanraking te moeten komen met inwoners eener gemeente, waar men sinds eenige jaren kettersche denkbeelden was toegedaan, en waar zelfs de bedienaar der godsdienstoefeningen een aanhanger der ketterij was. Tot onderstand van den pastoor aan die nieuwe parochie, werd de helft der tiendevruchten, bestaande uit 49 malder rogge en 1 malder haver van den pastoor van Tegelen aangewezen. Deze scheiding van kerken was bewerkstelligd geworden door den bisschop van Roermond, terwijl de verdeeling der tienden was bevolen door den aartsbisschop van Mechelen, doch een en ander geschiedde ondanks het gemeentebestuur en den pastoor van Tegelen. Vandaar eene reeks van processen. De ingezetenen van Tegelen wendden zich herhaaldelijk tot dekeurvorstelijke regeering[21], en die van Belfeld tot het Geldersch hof te Roermond.
Intusschen bleef tot 1675, alzoo langer dan eene eeuw, de tijdelijke pastoor van Tegelen de nieuwe parochie voortdurend bestieren, las er des Zondags en twee maal in de week de H. mis of deed die door een’ anderen lezen. Daar evenwel gemelde tienden schier allen gevestigd waren op landerijen in Belfeld en Geloo gelegen, zoo lieten de ingezetenen dier plaatsen niet na de helft daarvan ten voordeele van een’ resideerenden pastoor te Belfeld in te vorderen.
Eerst in December 1696 besloot de pastoor van Tegelen Joan. Bongaarts, inziende dat het hof van Roermond die van Belfeld steeds zou ondersteunen, het geschil voor zich persoonlijk te staken, en kwam met het bestuur van Belfeld in dezer voege overeen: den pastoor van laatsgenoemde plaats (toen reeds benoemd) zou 24 malder rogge en 1 malder haver van de tienden toekomen, terwijl de pastoor van Tegelen zou genieten 12 malder rogge, 8 malder boekweit, 4 malder gerst en 1 malder haver[22]. Wat nog ten deze plaats vond, zullen wij nader vernemen bij de behandeling der pastorijen hier en te Belfeld.
Ons dorp schijnt in de zestiende eeuw door Luttersche en Calvinistische denkbeelden aangestoken te zijn geworden. Behalve uit het reeds aangehaalde, blijkt zulks uit een handschrift, dat wij onder de archieven opdeden, doch dat geen’ naam of dagteekening draagt[23]. Daarin wordt vermeld, dat de hooge regeering van den pastoor verlangt te vernemen, wat er te Tegelen, in zake van protestantismus,van kerk, kerkbedienaar, revenuën, school en schoolmeester bestaat. De pastoor antwoordt als volgt: »bij gebrek van documenten kan ik alleen bevestigen, eerstens: dat in de parochie Tegelen geene kerk van de zoogenaamde hervorming bestaat; doch door overlevering weten wij, dat eertijds Frans van Holtmolen, in de geschiedenis der omwenteling genaamdCanisius[24]ambtman van het district Bruggen en ijveraar der ketters, ten tijde der hervorming of onmiddelijk daarna, den pastoor van Tegelen ontzette uit alle zijne rechten en bedieningen, en een’ ketterschen bedienaar (domine) in diens plaats deed aanstellen. Gedurende vijftien jaren, zegt men, heeft laatstbedoelde alhier zijne bedieningen uitgeoefend, waardoor bijna alle goederen en renten der pastorij zijn verloren gegaan. Ook de revenuën der beneficiën van O. L. Vrouw, van St. Antonius en van het H. Kruis zijn daarbij zoek geraakt. Zonder twijfel heeft de Heer van Holtmolen, als collator der pastorij dezen predikant aangesteld. Tweedens, kerk, school of schoolmeester hebben de Lutheranen of Galvinisten hier niet. Derdens, ik weet niet, en heb ook nimmer vernomen, dat een protestantsch minister, uit hoofde zijner bediening in Tegelen eenige goederen of renten bezat”. Zoover ons document. Dit zegt genoeg wat Tegelen van den kant der zoogenaamde hervorming moest ondervinden. Zij werd met geweld ingevoerd doch schijnt bij de ingezetenen hoegenaamd geenen bijval gevonden te hebben.
1578. Edoch niet alleen gewetensdwang onder den schijn van hervorming, maar ook de onheilen des oorlogs bezochten in die jaren het vreedzame Tegelen. Althanswij lezen in eene Chronijk van Roermond[25]dat de Spaanschen op den 12 Jan. 1578 met het gros van hun leger voortrukten naar het ambt Kriekenbeck, en op hunne doortocht, behalve andere plaatsen, ook de Gulicksche dorpen Tegelen, Kaldenkerken en Breijel zeer beschadigden.
1620. Toen het na den tijd der hervorming tot vrede was gekomen, bleven de protocollen van kerkvisitatiën, testamenten, rekeningen enz., zorgvuldiger bewaard en verkrijgen wij dan ook meer en meer bijzondere gegevens over ons dorp. Zoo maken we thans op dat de gemeente Tegelen, van af het begin der zeventiende tot den aanvang van deze eeuw, weinig in zielental heeft toegenomen, alhoewel op dit oogenblik de bevolking driedubbel is. In 1620 telde Tegelen 246 communicanten, alzoo ongeveer 750 zielen. In 1815 waren nagenoeg 500 communicanten, bij gevolg niet meer dan 1300 inwoners; thans telt Tegelen 2200 zielen.
1627. Den 8 Januari 1627 verklaart koning PhilipsHans Willem van Baexemvervallen van zijn recht op de helft der tienden van Tegelen, en schenkt die aan den arme te Venlo, terwijl de andere helft aan de erfgenamen vanToon Jacobszal verblijven[26].
1637. De oudste doop- trouw- en sterf-registers te Tegelen dagteekenen van 1637 tot 1670. In plaats van familienamen vindt men daarin bij den doopnaam doorgaans dien van een of ander gehucht, straat of pachthoeve. Wel een bewijs, dat voor ruim tweehonderd jaren de familienamen hier weinig in gebruik waren. Zoo lezen we herhaaldelijk: Diedrik, Merie, Peirke enz. op gen Steijl,op de Hochstraet, aen gen Cruts, aen gen Siep, aen ’t Brukske, van den Baekenbosch, van den Haenert, van de Munt, op Heys, aen Lohé enz. Ook vindt men vaak den doopnaam gevoegd bij den naam van het ambacht des vaders, als: olieslegers, schreurs, mulders, schoemakers, custers, van den Brouwer of Brouwers, van den Smid of Smids; ofwel in het latijn ingeboekt, sartoris, molitoris, custodis, fabri-ferrarii enz. In voormelde registers staan, anno 1643, drie paar, die ten huwelijk werden ingezegend; zeven doopelingen, terwijl er even zoo velen overledene zijn opgeteekend. In 1645, huwde niemand, en werden er slechts drie ten doop gebracht; overlijden niet vermeld.
1645. De landschatting (churfürsterliche Steuer) bedroeg in de jaren 1645-1650 voor Tegelen 108 R. thaler of 589 Venlosche fl. De hoogst aangeslagene destijds waren: De Heer van Holtmolen voor 114 fl. Wilm Franssen 55 idem. Corn. In de Betouw, 38 idem. Jan van Aarssen 32 idem. De geringste betaalde 15 stuiver.
De pachthoeven, of boerderijen, waren voor tweehonderd jaren niet talrijker dan ze thans nog zijn. Ik vind de volgende:[27]Hanraetshof, thans Hanert genoemd, behoorende tot Holtmolen.Merterhof, gelegen op dealde mert, eigendom van den H. E. Receveur te Venlo.Kasteelshofbij Holtmolen.Bakenboschten zuiden van Holtmolen doch hierbij behoorend.BosserhofenLinksterhofVenlowaarts en behoorende aan de Munt. Twee oude hoeven bestaan niet meer; deDrumpsel, welke broekwaarts lag tusschen Linkster- en Bosserhof, is opgeruimd in den Franschen tijd; de laatste pachter Peter Pubben overleed in 1775; enKruitserhof, die in 1860 door een heerenhuis werd vervangen.
Voor 25 jaren is aangelegd geworden de grootsche hoeve Ulesheide op de Kaldenkerker grenzen. Op dat tijdstip worden aan den regeeringsraad te Bruggen opgegeven te Tegelen 26 paarden, 70 koeijen en 300 schapen.
Aan het Tegelsch archief ontleenen wij nog eenige bijzonderheden uit deze jaren betrekkelijk het huishoudelijk leven onzer voorvaders.—Voor pacht van één morgen land gaf men 8 vat rogge; voor kostgeld van lieden van geringen stand 7 kl. gulden per maand; voor één ton bier 5 kl. gld. de vaan[28]kostte 8 stuiver; voor bakloon van één vat rogge betaalde men 4 stuiver; voor een paar schoenen 1½ gld.; voor een linnen hemd 2½ gld.; voor één roggen brood 9 stuiver. Een kan wijn kostte 1½ schelling; eene halve dozijn kippen 1 gld.; een malder rogge 8 gld., gerst 8½ gld., haver 6 gld. en boekweit 5¼ gld. De gebrande steenen werden betaald de duizend met 7, eene kar kalk met 9 gld. Hoe gering over ’t algemeen deze prijzen ook schijnen, werden zij destijds hoog geacht; want de ontvanger der Broederschap van O. L. Vrouw o. a. verwittigde in Nov. 1645 alle belastingschuldigen van »de leveringhe te doen in claeren rog, off beij dezen continuerenden crijgh, imperial ieder malder te lossen nemlich met 8¼ gulden Venloiss current”.
1646. Het blijkt dat Tegelen nog al bezwaard werd met inkwartieringen en krijgslasten. Uit het jaar 1646 vinden we aangeteekend[29]dat de veldmaarschalk van Brederode zich van af den 10 October gedurende verscheidene dagen alhier met zeven regimenten kwam vestigen. Later meer daarover.
1670. Het kerkarchief geeft aan, dat er in de jaren 1670 en 1671 nog al belangrijke werken en herstellingenplaats vonden aan onze kerk. Vooreerst werden behoorlijk muren getrokken om het kerkhof, dat bijna de helft grooter was aangelegd. Ook werd, wegens het ingenomen voetpad langs de erven Kamp, een ruime en geregelde doorgang gemaakt naast kerk en het kerkhof naar het Betenveld. Inwendig, na schier alle meubelen te hebben geruimd, werd de kerk als ’t ware in een nieuw kleed gestoken. Een schoon en hoog hoofdaltaar uit Venlo herkomstig, kwam het oude, dat onbruikbaar was geworden vervangen; doch bij de huidige restauratie moest ook dit altaar wijken, als komende met den bouwtrant der kerk geenzins overeen. In beide zijpanden werden nieuwe altaren geplaatst; rechts dat van St. Martinus, patroon der kerk. De beneficiën van St. Antonius enz. aan dit altaar waren verloren gegaan. Links bleef het altaar van O. L. Vrouw, waaraan vroeger beneficieën van O. L. V. van SS. Mathias, Dionijsius en Margaretha gehecht waren. Een dubbel ruggewaarts aan elkander gehecht O. L. Vrouw beeld dooreen achttal engelen omringd hing oorspronkelijk in het transcept boven de Communiebank. Later heeft men deze beelden een geruimen tijd in de bergplaats opgesloten; doch het zeer verdienstig beitelwerk spoorde het tegenwoordig kerkbestuur aan om een dezer beelden te doen herstellen, hetgeen bij uitstek gelukte; het prijkt voor als nog op het altaar van O. L. Vrouw. De voormalige beelden van St. Antonius, Ste. Barbara en Ste. Lucia zijn in eere gehouden. Nog waren in 1671 uit Venlo aangebracht de twee nog bestaande biechtstoelen benevens een fraaije eiken Communiebank. De predikstoel werd in hetzelfde jaar verplaatst naar den kant waar hij zich nog bevindt; van waar dit fraai stuk kwam, hebben wij niet kunnen achterhalen. Het orgel met toebehoor,zeer voldoende voor deze kerk ook thans nog, werd gekocht in 1798, en komt uit de Munsterabdij te Roermond.
1676. Langen tijd moet het treurig jaar 1676 in het geheugen der Tegelschen gebleven zijn, immers zooals in den doopregister staat aangemerkt, woedde de dissenterie in zoo hevige mate, dat van Juli tot November niet minder dan drie en twintig inwoners overleden, van welke drie uit een huisgezin.
1679. Nauwelijks was deze geesel gekeerd, of de lasten van den oorlog deden zich gevoelen. Sedert eenigen tijd hadden de Franschen ons land overweldigd; zij eischten van de gemeente zeer drukkende contributiën en namen verscheidene reizen alhier met hunne troepen inkwartiering. De ingezetenen, toch al ruim bezwaard door allerlei uitgaven, konden bij hoofdelijken omslag niet voldoen aan het gevorderde, weshalve het bestuur in April 1679 eene leening van 100 R. daler moest aangaan. Bijna hetzelfde viel aan onze gemeente ten deel van den kant der Hollandsche troepen, toen deze ettelijke jaren later Venlo wilden hernemen[30].
1697. In October 1697, zoo lezen we in een aanteekeningsboekje van Pastoor Joan. Bongaerts, was de aartsdiaken van Kempenland, graaf van Berlo, benevens een secretaris, twee kapellaans en nog een bediende, per rijtuig met zes paarden bespannen, te Kaldenkerken aangekomen. Hij was vergezeld door een commissaris der hooge regeering van Dusseldorp. Deze Heeren kwamen den toestand der kerkelijke zaken opnemen[31]. Die stoet zou ook Tegelenwaarts zijn afgedaald, doch om den pastooralhier, die ten naauwer nood genoeg bezat om volgens zijn staat te leven, onkosten te besparen, had de commissaris verkregen dat de herder tegen geringe bezoldiging, kon voldoen met persoonlijk naar Kaldenkerken te komen en aangifte te doen over zijne parochiale aangelegenheden.
Wat wij hier verder tot 1745 over ons vaderdorp mededeelen is getrokken uit de tamelijk nauwkeurige aanteekeningen van de twee pastoors Joan. Bongaerts en Nic. Smeets.
1700. Een beduidende diefstal greep plaats binnen onze kerk in den nacht van den 7 op den 8 April 1700. De dieven hadden zich onder de torendeur eene opening weten te maken en waren vandaar doorgedrongen tot in de sacristie, alwaar zij een’ zilveren kelk ontvreemden. Hierna openden zij geweldadig het tabernakel, en namen daaruit een zilveren ciborie benevens de zilveren vaten voor de HH. Oliën. In de kast van den zijmuur tegenover het hoofdaltaar stalen zij voorts de vaten voor het H. Chrisma en den H. Olie der doopelingen, benevens eene som gelds aldaar opgesloten. Nooit heeft men de daders kunnen achterhalen. Ettelijke dagen daarna zond de toenmalige pastoor van Blerick: Theod. van Panhuizen een’ noodkelk, kunnende dienen tot ciborie, een metalen kelk, twee vaten voor de HH. Oliën der kranken en twee voor die der doopelingen. De Blericksche pastoor behield zich echter voor, dat zoo ooit Blerick door diefstal, brand of ander ongeval mocht ontriefd worden, deze voorwerpen moesten teruggegeven worden. De begane diefstal scheen alom medelijden verwekt te hebben; althans op den vooravond van St. Martinus in dat zelfde jaar stapte de Prior van Kevelaar met name Féron, op zijne reis naar Roermond hier af, en verraschte den pastoor, in tegenwoordigheid van den toevallig aanwezigen pastoor van Neer en den schepen W. Franssen, op aangenamewijze, door de schenking van een’ fraaijen zilveren miskelk op welks voet men ook nu nog leest: »desen kelck wert geoffert aen onse Lieve Vrouw tot Kevelaer” 1642. Ook gaf de pastoor van Velden bij Venlo aan onze beroofde kerk een’ tweeden zilveren miskelk ten geschenke. Eindelijk een jaar later ontving de pastoor van Tegelen uit handen van den kaplaan Leon. Mouts, uit Venlo, ook nog tot aanschaffing van het benoodigde, zes zilveren lepels en drie zilveren vorken van wege een onbekende weldoenster. Deze gift werd aangewend tot vervaardiging van een ciborie.
1701. Dit jaar bracht woelige en onveilige dagen. Men hoorde schier dagelijks van stelen, wanordelijkheden en oorlog. In den nacht van den 2 op 3 Juli, doorkruiste eene bende stroopers, voorzien van gevaarlijke wapenen en eenige wagens met zich voerende, de streken tusschen Kessel en Venlo; zij plunderden wat ze konden, tot zelfs de hooimijten van de grasweide, en lieten voornamelijk tusschen Tegelen en gemelde stad de sporen hunner vernieling achter.
De milde giften, waartoe gemelde diefstal velen had bewogen, deden gewis aan deze stroopers vermoeden, dat er schatten op de pastorij van Tegelen waren verborgen. Althans den 6 April vond men de deuren der pastorij ’s morgens onder de vroegmis door middel van sleutels en andere werktuigen geopend. Niemand was aanwezig. Op het slaapvertrek der dienstmeid hadden de ingedrongenen 10 of 11 patacons medegenomen; en van de kamer des pastoors hadden zij ongeveer 30 patacons geroofd. Dezen diefstal schreven sommigen toe aan twee Egyptenaars of Zigueners die in vrouwenkleederen vermomd, te voren om een aalmoes vragende waren bemerkt geworden. Omstreeks tien uren waren zij in de richtingvan Luith vertrokken alwaar zich destijds een troep dezer lieden had neêrgeslagen, doch toen ook van daar de wijk nam.
Den 27 Juli hieropvolgende, kwamen andermaal de Fransche troepen Tegelen bezoeken waarbij al de te veldstaande vruchten werden vernield. Bij die en dergelijke gelegenheden, kwamen de inwoners nog al eens in aanraking met de overmoedige soldaten. Zoo vinden we dat zekere Gerrit Bachus door een’ Fransch militair, nabij Bakenbosch door een baijonetsteek werd afgemaakt.
1702. In den oorlog der Spaansche troonsopvolging, stonden, gelijk bekend is, de Franschen den Spanjaarden ter zijde, tegen Duitschland, Nederland enz. Ten jare 1702, op Zondag na Paschen, trok Maarschalk Bouflers met een legerkorps van 30,000 man naar het ambt Bruggen, en kampeerde een tijd lang in het uitgestrekt Breijelsche veld.
Nog dienzelfden dag kwam ook een leger infanterie hier aan en sloeg zijne tenten op aan Boschkamp. Wat toen nog van veldgewas en struikhout was overgebleven werd door dezen buit gemaakt, de stroodaken zelfs bleven niet gespaard. Den 15 derzelfde maand keerden van de eerstgemelde de cavaleristen terug en legerden aan de Zandheuvels die Steyl van Tegelen seheiden; overal brachten zij de schandelijkste verwoestingen aan en vertoefden langer dan eene gansche week. Eene herbergierster, te Steyl, werd bij die gelegenheid ter oorzake van moeijelijkheid bij betaling, in haar eigene woning vermoord. Dit leger bestaande uit 10,000 manschappen voerde eene kudde ossen met zich van minstens 1000 stuks. Deze moesten gevoed worden, en nu, als zich licht laat denken, verdween letterlijk alles uit het veld tot zelfs de opschietende rogge en tarwe. Den 27 Juli, alzoo twee maandenlater, keerden de overigen van Rouflers leger terug onder het opperbevel van den hertog van Bourgondië. Zij moesten te Tegelen overnachten. Het voetvolk zocht plaats in het broek en aangrenzende bosschen, terwijl de kale weilanden en velden, de ledige schuren en stallen door de ruiters werden ingenomen. Ook kwamen op den 29 Juli, de Brandenburgsche troepen alhier, namelijk toen het zich gold het fort St. Michaël te bestormen.
1703. Op deze droevige tijden, volgde gelukkig een allervruchtbaarst jaar. De meergenoemde pastoor Bongaerts noemt 1703 »annus fertilissimus in campis et pratis, in vineis et hortis,” een jaar zeer vruchtbaar zoowel wat veld en weiland, als wat vruchtboomen en kruiden betreft, en hij laat volgen: »crijgh en brandt, segent Got met voller handt.”
1712. De reeds vroeger gemelde aartsdiaken, graaf Ferdinand Maximiliaan Van Berlo, deed in 1712 andermaal eene kerkvisitatie ten onzent. Bevindende dat de pastoor van Tegelen zeer ontriefd was geworden door de scheiding van Belfeld, beval hij dat het plaatselijk bestuur zich te dien aanzien zoude wenden tot de keurvorstelijke regeering van Dusseldorp. Ook gebood hij den Heer van Holtmolen, Baron Van Hunt, het middenschip der kerk in behoorlijken staat te brengen, en voorts den benoodigden olie voor de godslamp te verschaffen, waartoe genoemde baron als collator en bezitter der meeste groote tiende, verplicht was. De overige tiendenaars, werden mede ernstig aangespoord om fe zorgen voor de herstelling van den toren en de zijpanden der kerk, welke taak sinds eenigen tijd ten onrechte der kerkfabriek was opgedrongen geworden[32].
1718. Op het jaar 1718 treffen wij den Baronde Wittenhorst, als keizerlijke Postmeester; (magister postarum;) en in 1720Balthasar von Rees, als Postbestierder; (officialis postarum).
Hieruit maken wij op, dat de van oudsher alhier bekendepaarden- en brievenposterij, ten minste dagteekent van den beginne der vorige eeuw. Latere postdirecteuren alhier waren WilhelmFranssenin 1714, JacobFranssenin 1785 en laatstelijk GasparFranssen.
Het grootsche gebouw, dat van 1730 tot aan de Fransche revolutie tot posterij diende, is gelegen in de kom der gemeente en wordt voortdurend hetPosthuisgenoemd. Het is thans het eigendom van den Heer L. Gitmans wethouder.
De briefwisseling werd onderhouden door courriers te paard. Een uit Arcen kwam hier geregeld de brieven afhalen die voor Nijmegen bestemd waren, terwijl een ander uit Dahlem de brieven van hier medenam naar Gulick. De paardenposterij had hier acht paarden in dienst; doch dikwijls ook moesten de boeren, tegen bezoldiging, eenige diensten verrichten met het aanspannen van benoodigde hulppaarden. In 1800 verlegden de Franschen onze briefposterij naar Venlo, terwijl in 1812 ook de paardenposterij derwaarts verplaatst werd. Nimmer was de paardenposterij zoo druk in de weer als op het laatst van het Fransche keizerrijk[33].
1735. De pastoor van regelen HeerNicolaas Smeets, heeft over het jaar 1735 het volgende ingeboekt: »In dit jaar sijn geweest dry groote plaegen te weten: Hagelslagh, waerdoor over de halfscheidt der vruchten sijn beschaedigt; deze kwam ten tijde dat de rogge voor een grootdeel gemaijt was. Daerna is gevolgt hevige windslach, en toen overvloedighe regen, waerom ick genoodzaakt ben geweest de tienden door pachters voor kaef en stroo laten in te vaeren. Voor wat ick heb getrokken hebben sij gedorsen omtrent veertien dagen, want hebben sovele dagen eenen dorser naer Belfeld gesonden, denwelken ick selfs betaelt heb veor iederen dag 9 stuiver en darenboven is mij opgedrongen, dat ich voor dien dorser moest missen: een cop vruchten daags, wesende soveel als kostgeld; hetwelck in het toekomende niet mag geschieden, want die dorser werkt voor de pachters.”
1740. Nog verhaalt hij, hoe in 1740 een lange en allerstrengste winter heerschte. De Maas zette zich dicht den 9 Januarij om eerst den 12 Maart los te breken. Daarna viel nog in de maand Mei overvloedige sneeuw, zoodat de rivier verscheidene reizen hare bedding verliet. En wij noemen 1840 het koud jaar!
1745. In de jaren, die den vrede van Aken voorafgingen (1748) en gedurende welke de keizerskroon aan Maria Theresia werd betwist, had Tegelen meer dan ooit door overlast van krijgsbezetting te lijden. Wat wij daaromtrent laten volgen is getrokken uit de breedvoerige opgaaf van den schepen en postmeester Wilm Franssen, met het doel om van de keurvorstelijke regeering schadeloostelling te bekomen[34]. Van de bondgenooten waren het vooral de Engelsche, de Hollanders en de Hanoveranen, die ons lastig vielen. In den zomer des jaars 1745 bleven zij gedurende zeven weken alhier kamperen. Op het huis deMuntwaren gedurende drie dagen gelogeerd de Engelsche generaal, MilordRothes, benevens hofmeester en secretaris, en nog twaalf bedienden met even zoovele paarden.Gedurende 42 dagen vertoefden aldaar de generaal-en-chef van het Hanoveraansch leger, met nameVon Somerfeld, ook met hofmeester, secretaris en al wat bij een hoofdkwartier behoort, zoodat het geheele kasteel al dien tijd tot hunne beschikking stond. Nog verbleven een paar dagen op de Munt de Engelsche generaalOkdon40 knechten en 14 paarden, en de Hanoversche generaalMontignémet 15 paarden, gedurende 40 dagen. Tusschen beide kwamen zich aldaar nog vestigen de Hollandsche generaal Glinstrà met twee luitenants, de Engelsche generaal graaf vanAlbermarleen de Hanoversche generaalHamersteinmet een groot gevolg van ruiters. Voor den eigenaar van de Munt waren de gedane onkosten en geleden schade geraamd op 370 Rijksdaler. Het huisHoltmolenhad 42 dagen lang geherbergd den Hanoverschen generaalDrûcklebenmet diens zoon, eenige adjudanten en een twintigtal bedienden met 30 paarden. Nog hebben aldaar gelogeerd gedurende drie dagen, de Engelsche generaalLigoniesmet eenige adjudanten en 20 knechten. Voor den Heer van Holtmolen was eene rekening opgemaakt van 135 R. daler. BijWilm Franssenvertoefden zes weken zekereBrùckmann, generaal van een Hanoversch regiment, met zijn zoon, den kapitein en verscheidene bedienden met 40 paarden. De rekening voorW. Franssenbeliep 156 R. daler.Jacob Canoyhad 40 dagen lang ter inkwartiering een’ Hanoverschen generaal en een’ cipier, en 42 paarden; de kosten werden berekend aan 126 daler. OpBosserhofverbleven zeven weken lang de generaalvan Vredemet acht bedienden en 27 paarden; onkosten geschat op 115 daler.Leonard Van Dijkkreeg 42 dagen ter inkwartiering twee Hanoversche majoors, vier trompetters benevens 16 knechten met 21 paarden; onkosten: 114 daler. BijWilm op Kleefbleven zeven weken deHannoversche kolonelvan Harderbergmet 15 knechten; onkosten 90 daler. BijJoan Engelseen generaal-adjudant der Engelschen met verscheidene bedienden; onkosten 70 daler. Een oberauditeur der Hannoveranen woonde eenigen tijd bijElias Bourgondis, die daarenboven vele zaken geleverd had aan de Hollandsche troepen, wanneer deze over de heide naar Venlo rukten; kosten gewaardeerd aan 50 d. AanJan van de Speelhofkwamen van wege het Hannoversch lazareth gedurende 42 dagen, 54 daler toe. AanW. van der Coulenwegens eene vrijpartei, die wacht hield, eene Hannoversche ordinance en 18 sergeanten, beliep 44 daler. Een kwartiermeester der Hannoveranen met knechten waren 42 dagen bijPet. Fegers; daarvoor 33 daler opgegeven.Jan op Kleefgaf onderdak aan vier Engelsche luitenants, vier ammunitie-aanvoerders en eene marketenster met twee knechten, onkosten 45 daler. BijPaulus Theeuwenlogeerden de Hannoversche majoor Piquord met zes bedienden en 22 paarden gedurende zes weken, onkosten 52 daler; bijHubert Thijssen, logeerde een’ veldpostmeester van de Engelschen met 10 paarden, benevens een’ opperkwartiermeester, gedurende zes weken, onkosten 53 daler.Gerard Märts, moest zijne woning afstaan en verhuizen voor een Hannoversch obrist-luitenant, waarvoor berekend werden 34 daler. Zoo waren er nog vele anderen in Tegelen, die aldien tijd kost en woning moesten verschaffen aan de troepen. De Hollandsche en Hessische soldaten hadden minder hinder gebracht. De slotsom der onkosten van deze inkwartiering beliep 6684Rijksdaler. De schade veroorzaakt aan veldvruchten, huizen, houtgewas enz., alsmede de onkosten der leveringen voor manschappen en paarden gaven een totale rekening van niet minder dan 26338 daler. Wij hebben niet kunnenachterhalen, in hoever hieraan door de Hooge Regeering is voldaan geworden. Deze rekening werd opgezonden in 1755.
1749. Den 7 Juli 1749 werd te Bruggen aan een groot getal parochianen van Tegelen het H. Vormsel toegediend.
Bescheiden van latere dagteekening houden in, dat dit H. Sakrament aan onze parochianen nog werd toegediend: den 5 Januari 1817, door Caspar Maximiliaan, bisschop van Jericho, i. p. i. te Hinsbeck aan 203 vormelingen; in 1829, den 24 Juni, door den bisschop van Munster te Kaldenkerken aan 185; in 1831 te Venlo door Corn. Van Bommel, bisschop van Luik, aan 79; in 1836, den 19 October, te Tegelen door denzelfden aan 130 personen. Wijders in 1842 den 13 October, door J. A. Paredis bisschop van Hirenen, i. p. i. te Venlo aan 80; in 1849 den 17 October te Venlo aan 103; in 1855 ook te Venlo door denzelfden, toen bisschop van Roermond, aan 90. Nogmaals in 1860 te Venlo aan 112; in 1867 te Tegelen den 22 October aan 120, en laatstelijk den 7 October 1873 te Venlo aan 98 vormelingen.
1758. Wilm Kamp, schout te Tegelen, diende in dit jaar een verzoek in aan den veldoverste Callignon die zich te Beesel bevond, dat deze toch maatregelen zou nemen, om Tegelen te ontlasten van de husaren, welke hier voortdurend patrouilleerden; of althans met behoorlijke macht en gezag herwaarts zou komen, om de tucht en de rust onder de soldaten te herstellen. Peter Dings, die met dit smeekschrift was belast, werd onder weg door vier zwarte husaren aangevallen, van zijn lastbrief beroofd en met verscheiden doodelijke wonden overdekt.
1766. Door Karel d’Oultremont, Prins-bisschop van Luik, was in Januari 1766 een schrijven uitgevaardigd, waarbij hetveertigurengebeden degedurige aanbiddingvan hetAllerheiligste Sakrament werden ingevoerd. De gedurige aanbidding wordt alhier sinds dien den 14 Maart, en het veertigurengebed sedert 1767 gedurende de Kerstdagen gehouden.
1773. Te verwonderen is het niet, dat onze gemeente na de reeks van woelige krijgsjaren, onder zedelijk oogpunt veel geleden had. Eene verordening van den 7 October 1773 uit Bruggen aan het bestuur van Tegelen gezonden, duidt aan, dat in deze jaren jammerlijke buitensporigheden plaats vonden, die de rust en de veiligheid der ingezetenen stoorden. Daarin wordt onder anderen gezegd: »dat de voorstand van Tegelen zal bevel geven, dat de nachtwachten gestadig geschieden en bij voorvallen gelijk sinds eenigen tijd zelfs, tot rust en zekerheid der burgers, dienen verdubbeld te worden. Alzoo wordt bij dezen aan het gemeentebestuur de taak opgedragen om aanhoudend eene patrouille van twaalf goed gewapende mannen aan te stellen, op boete van 25 R. daler, tot nadere ordonnantie. Een ieder moet op zijne beurt van deze wacht deel maken op straf van 12 R. daler. Elke nachtzwerver, of wie eenig misdrijf pleegt, of iets doet, wat gevaarlijk of nadeelig is voor de ingezetenen, zal ten strengste bewaakt, en bij verkenning in hechtenis genomen worden. De raad van Tegelen wordt voor de uitvoering dezer bepalingen verantwoordelijk gesteld. Gegeven te Bruggen den 7 October 1773, was geteekend: