III.

[Inhoud]III.Een vriend.Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein behoorde ook een jongmensch, zekere Willem Victor. ’t Was iemand van even twintig jaar en sinds twee jaar student aan de Polytechnische school te Delft. Student zijn beteekende voor hem in de eerste plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen leven—haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de rechterlijke macht in Indië—geen wonder dus, dat Willem het als student „kalm moest aanleggen”. Hij had dat dadelijk ingezien en begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens moest doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon[43]hij eenig kind was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om als student te leven. ’t Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur te worden, het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te overtuigen, dat hij door zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel te verdienen, als aan hetgeen zij hem geven kon mocht ontbreken. ’t Was hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig gulden in de maand, en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer geld hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al zeer spoedig evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid van het Studenten-corps te worden en met matigheid „mee te doen”. Dit echter beteekende bij hem niet den gewonen buitensporigen Venus- en Bacchus-dienst, zonder welken, naar ’t schijnt de meeste studeerende jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel en ten andere, omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn voornemens. Hij moest en zou binnen[44]eenige jaren „klaar” zijn en dan geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn kundigheden zou hij wel spoedig na zijn examen een duizend ’s jaars kunnen verdienen, een luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den eersten tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen hem „akelig solied” vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was, miste Willem die twijfelachtige eer maar zeer weinig; ’t kon hem al heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede vrienden maar had. En die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, van gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte inborst maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke omgang door iederen jongen man van karakter op prijs gesteld moest worden. Bovendien was hij geestig, en wist hij zonder pedanterie zijn groote belezenheid en smaak voor literatuur in gezelschap voordeelig te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen, houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde uit zijn donkere oogen, sprak uit de trekken[45]van zijn mond; zijn kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht van lichaam, geest en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na lange jaren van strijd en door zoovelen nimmer bereikt wordt. Een volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk van iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde manier van spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten.Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke jeugd. Menig hofmakertje of saletjonkertje onder zijn kennissen benijdde hem in stilte: waar zij met al hun „flirt” maar matig succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven, om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op, en ’t was alsof „verliefdheid” bij hem iets volmaakt onmogelijks was, een dwaasheid, waar zijn natuur niet vatbaar voor was. Hij hield van lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe vereering voor de vrouw als incarnatie der poëzie in ’t leven, maar geen enkele dochter Eva’s[46]had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat, als ooit liefde in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor ’t gansche leven. Als die kwam, zou zij haar woning gereed vinden, en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen zijn.Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe velen bewonderden hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven hopen op zijn wederliefde, en hoe velen zouden, als hij van liefde sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in Chamisso’s schoon gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe„er, der herrlichste von allen”haar zooveel zaligheid kon schenken!Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks ook maar eenigszins te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in ruil voor vriendschap en slechts bij enkelen. ’t Zou hem verwonderd en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer terug te ontvangen dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit in zijn gedachten opgekomen.[47]Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij had indertijd—tien jaar geleden—de reis naar ’t vaderland met haar gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar, en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg, dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij voor de waardige oudeMevrouwVictor haast een kinderlijken eerbied voelde. In den tijd, dat de beidefamiliënin Den Haag woonden, was de omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. ’t Was haar zwaar gevallen, want haar degelijke natuur[48]strookte heel weinig met de wufte luchthartigheid van Clara’s moeder. Maar ze wilde haar eenig lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd, en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen voor ’t verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later, toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij altijd gezegd: „Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft, ja.” Zij miste haar kinderen nooit, wat kon ’t haar dan schelen, of éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging?„En wie weet, waar ’t nog goed voor zou kunnen wezen,” redeneerde ze wel[49]eens: misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest.Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk, liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor „oudste dochter in huis” te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis, dan genoot de oude vrouw. En als Clara ’s avonds met haar klankvolle, innig sympathieke stem wat voorlas of[50]een eenvoudig liedje bij de piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen worden. En—als haar Willem maar gelukkig was—kon ’t haar heel weinig schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd.Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die van innige vriendschap.En zoo was ’t ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam, om naar Duitschland[51]te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel hartelijk, zorgzaam en attent geweest—als dat mogelijk was—in de drie korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar huis te komen—Mama van Merenstein vond de kostschool te duur—had Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld.Zoo kwam ’t dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten.Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van ’t plannetje af en gunde hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk, verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers ten volle …[52]Willem stapte dus welgemoed naar ’t station, en een uurtje later belde hij aan bij Clara’s moeder.„Mevrouw en de Juffrouw thuis?” vroeg hij beneden aan de trap, toen de meid hem opendeed, ’t Antwoord was eigenlijk onnoodig, want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde reeds dadelijk zijn vraag. En—nog voordat Dientje gesproken had, klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning:„Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer ’s kijken!? Jij bent ’n mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!”Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk.Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte even en dacht bij zichzelf: „Altijd dezelfde, een type, die moeder Van Merenstein!” Schoon hij weinig met haar op had, ergerden hem haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. ’t Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden, had hij ’t leven beter moeten kennen.[53]Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies, zeide hij. Hij was in twee maanden niet op bezoek geweest; ’t was wel lang, ook al was hij nooit gewoon geweest veel bij Mevrouw Van Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal buiten haar huis geweest.„Ja, ja,”antwoorddede gastvrouw. „Ik weet ’t wel: jij komt om ’t jonge goedje: ja? Zoo’n oudje als ik.…” Weer het stuiplachje.Willem vond ’t noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting:„U oud, Mevrouw?Ik ben oud, veel ouder dan u.”De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste maal.In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen, blijkbaar in de beste stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren Vliegman, verren neef van Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, een sinjo van ’t zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems leeftijd, mager,[54]geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen en zwart blauwglanzig haar. Hij was in den namiddag aangekomen, had tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin aanleiding gevonden, om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had daar natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij was sedert zijn overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna dagelijksch bezoeker geweest. De man was door zijn vader, een schatrijk landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, „om Holland te zien”, en verteerde er een duizend ’s maands „voor zijn opvoeding.” Hij was bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier—dat was juist ook de manier van Mevrouw Van Merenstein—hij had, evenals deze, een hekel aan „totoks” (d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide met zijn geld. Was ’t wonder, dat nicht en neef met elkaar opschoten?Als vierde in ’t gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij de meid in de keuken. De komst van haar vriend verheugde Clara uitermate. Ze had den ganschen avond zich doodelijk[55]verveeld. ’t Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde geestigheden en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. ’t Lachsucces, dat hij bij de beide andere dames had ingeoogst, had hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater had hem telkens aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam ’t natuurlijk op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te moede voelde.Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen, toen zij ’t vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij wees hem dadelijk een plaats naast zich aan.’t Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan, en dacht bij zichzelf: „Wat doet die „totok” hier?”Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem veel te vertellen en wat deed ze ’t van harte gaarne! Ze voelde zich thans voor ’t eerst weer aangenaam gestemd. De hartelijke, beschaafde, belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad deden haar[56]goed, als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig geweest! Wat een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze op dien dag harer thuiskomst moeten doorworstelen!Willem Victor vond haar veranderd. ’t Kind dat hij te voren gekend had, dat blind was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar huiselijke omgeving, had plaats gemaakt voor de gevoelvolle jonge vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, bij al de warme vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor ’t eerst besefte hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar ouden kring, die thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor haar geworden was.Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor het jonge mensch niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die beiden altijd als echte kinderen beschouwd; geen oogenblik was ’t bij haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders dan speelkameraadjes voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door en door een „blaag van een[57]meid” en Willem had haar immers altijd als zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend ongenoegen, dat zijn houding geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid uitliep! Ze besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig meisje als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was innemend .… Om Mevrouw Van Merenstein te boeien, miste hij echter het voornaamste, geld. Van een huwelijk zou om die reden binnen de eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als er ooit een ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara wellicht veel kansen, om een „goed” huwelijk te doen, misloopen. Neen, dat mocht niet gebeuren. Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam, ’t kostte wat het wilde. Zij zou dien kalen sinjeur wel uit Clara’s omgeving weten te weren.Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te aangename gesprek der jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon:„Kom, Clara zou je nu niet ’s wat zingen? Je bent dat toch niet verleerd op kostschool?”[58]Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar:„Hè, ja, Toetie!”Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde en haar met een vriendelijk „Toe!” aanmoedigde, stond zij op en begaf zich naar de piano.Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar ’t overige gezelschap gekeerd. Allen sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging een machtige bekoring van haar uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe onweerstaanbaar lieflijk dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte oogen!Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met zijn gemeene oogen, Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk was, den jongen Victor nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede Mevrouw Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden, voor een oogenblik gansch en al verloor.[59]„Wat zal ik zingen”, vroeg Clara, „een oude bekende maar?”Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied „Beau Nuage”, dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het menigmaal bij die lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er tranen gekomen in de oogen der toehoorster; want het lied deed haar altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij ’t zelf als jonge vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara’s zielsstemming schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen gevoelens te geven. Ze was dien dag zoo droef te moede geweest, zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig „school”, maar haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er groote verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe geen gelegenheid gehad er zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond heerlijk. Het melancholische slot van ’t lied:„Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!”klonk als een innige bede: zij voelde bij ’t[60]zingen dier woorden al de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar ’t lieve vaderland. Zij zelve was immers eenzaam..Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte.Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van ’t lied begrepen, maar toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide vol overtuiging:„Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja San”, voegde ze eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend,„Neisa, je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig.…”Mevrouw Van Merenstein was niets „verdrietig”. Ze vond het lied veel te ernstig. Ook de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even en zeide:„Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo ’n chagrijnig ding, vind je niet?”Clara glimlachte.Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon hooren zingen. Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls vrij onverschillig had aangehoord,[61]vroeg hij zichzelven af. Wat was die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij vroeger! Hij was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en aandoening in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen begrepen.Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder droevigen aard, „Röslein auf der Heiden” van Schubert. Een echte „mop” te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had vroeger wel eens Engelsche „comic songs” gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer zou ze weer vroolijk en onbezorgd genoeg wezen, om daar weer pleizier in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver.Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied ten beste, een der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs gehoord had. Hij had veel succes bij Mevrouw Van Merenstein, die hem op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette vriendin, schoon zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders[62]had hij ’t wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van de slechte uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig verontwaardigd te zijn. „Hoe durft zoo’n vlegel dat voor te dragen in ’t bijzijn van Clara!” dacht hij. Maar ’t kwam bij hem op, dat hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in ’t spel zou geweest zijn. Clara’s kennis van ’t Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond ’t lied eenvoudig zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit.De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust verlangde, en hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman had toen ook maar besloten heen te gaan—hij verveelde zich toch, nadat die „beroerde totok” gekomen was—terwijl Mevrouw Rijkezak gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar aanbood. Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad, het praatzieke mensch weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld, dat ze dadelijk was opgestapt; Willem had een hartelijke groet met Clara gewisseld, haar inniger[63]dan ooit een goeden nacht gewenscht.Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde zaak. Willem Victor had in ’t mooie weer—maneschijn en een bijzonder zachte lucht—aanleiding gevonden, om naar Delft te wandelen in plaats van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde hij zich bijzonder daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan zijn gedachten. Hij was vol van Clara. ’t Was hem duidelijk, daghelder, dat hij ’t meisje liefhad. ’t Leven scheen hem schoon, de toekomst veel belovend. O, hij zou hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!.…Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de middelen, die ze in ’t werk moest stellen, om Clara spoedig uit Willem Victor’s bereik te brengen. Ze zou ’t meisje „in de wereld” brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig den „ware” voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn, als ze al mocht opgekomen wezen.[64]Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem’s beeld was voor haar geest. In de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij haar redder. Door hem zou ze tot geluk komen, als dat ooit voor haar weggelegd was .… Ze wist niet, hoe ze aan die gedachte kwam, maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de overtuiging aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt geheel eenstemmig waren.En ze sliep in met illusiën.

[Inhoud]III.Een vriend.Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein behoorde ook een jongmensch, zekere Willem Victor. ’t Was iemand van even twintig jaar en sinds twee jaar student aan de Polytechnische school te Delft. Student zijn beteekende voor hem in de eerste plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen leven—haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de rechterlijke macht in Indië—geen wonder dus, dat Willem het als student „kalm moest aanleggen”. Hij had dat dadelijk ingezien en begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens moest doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon[43]hij eenig kind was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om als student te leven. ’t Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur te worden, het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te overtuigen, dat hij door zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel te verdienen, als aan hetgeen zij hem geven kon mocht ontbreken. ’t Was hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig gulden in de maand, en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer geld hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al zeer spoedig evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid van het Studenten-corps te worden en met matigheid „mee te doen”. Dit echter beteekende bij hem niet den gewonen buitensporigen Venus- en Bacchus-dienst, zonder welken, naar ’t schijnt de meeste studeerende jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel en ten andere, omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn voornemens. Hij moest en zou binnen[44]eenige jaren „klaar” zijn en dan geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn kundigheden zou hij wel spoedig na zijn examen een duizend ’s jaars kunnen verdienen, een luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den eersten tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen hem „akelig solied” vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was, miste Willem die twijfelachtige eer maar zeer weinig; ’t kon hem al heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede vrienden maar had. En die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, van gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte inborst maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke omgang door iederen jongen man van karakter op prijs gesteld moest worden. Bovendien was hij geestig, en wist hij zonder pedanterie zijn groote belezenheid en smaak voor literatuur in gezelschap voordeelig te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen, houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde uit zijn donkere oogen, sprak uit de trekken[45]van zijn mond; zijn kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht van lichaam, geest en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na lange jaren van strijd en door zoovelen nimmer bereikt wordt. Een volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk van iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde manier van spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten.Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke jeugd. Menig hofmakertje of saletjonkertje onder zijn kennissen benijdde hem in stilte: waar zij met al hun „flirt” maar matig succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven, om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op, en ’t was alsof „verliefdheid” bij hem iets volmaakt onmogelijks was, een dwaasheid, waar zijn natuur niet vatbaar voor was. Hij hield van lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe vereering voor de vrouw als incarnatie der poëzie in ’t leven, maar geen enkele dochter Eva’s[46]had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat, als ooit liefde in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor ’t gansche leven. Als die kwam, zou zij haar woning gereed vinden, en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen zijn.Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe velen bewonderden hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven hopen op zijn wederliefde, en hoe velen zouden, als hij van liefde sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in Chamisso’s schoon gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe„er, der herrlichste von allen”haar zooveel zaligheid kon schenken!Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks ook maar eenigszins te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in ruil voor vriendschap en slechts bij enkelen. ’t Zou hem verwonderd en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer terug te ontvangen dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit in zijn gedachten opgekomen.[47]Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij had indertijd—tien jaar geleden—de reis naar ’t vaderland met haar gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar, en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg, dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij voor de waardige oudeMevrouwVictor haast een kinderlijken eerbied voelde. In den tijd, dat de beidefamiliënin Den Haag woonden, was de omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. ’t Was haar zwaar gevallen, want haar degelijke natuur[48]strookte heel weinig met de wufte luchthartigheid van Clara’s moeder. Maar ze wilde haar eenig lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd, en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen voor ’t verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later, toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij altijd gezegd: „Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft, ja.” Zij miste haar kinderen nooit, wat kon ’t haar dan schelen, of éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging?„En wie weet, waar ’t nog goed voor zou kunnen wezen,” redeneerde ze wel[49]eens: misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest.Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk, liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor „oudste dochter in huis” te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis, dan genoot de oude vrouw. En als Clara ’s avonds met haar klankvolle, innig sympathieke stem wat voorlas of[50]een eenvoudig liedje bij de piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen worden. En—als haar Willem maar gelukkig was—kon ’t haar heel weinig schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd.Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die van innige vriendschap.En zoo was ’t ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam, om naar Duitschland[51]te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel hartelijk, zorgzaam en attent geweest—als dat mogelijk was—in de drie korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar huis te komen—Mama van Merenstein vond de kostschool te duur—had Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld.Zoo kwam ’t dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten.Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van ’t plannetje af en gunde hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk, verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers ten volle …[52]Willem stapte dus welgemoed naar ’t station, en een uurtje later belde hij aan bij Clara’s moeder.„Mevrouw en de Juffrouw thuis?” vroeg hij beneden aan de trap, toen de meid hem opendeed, ’t Antwoord was eigenlijk onnoodig, want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde reeds dadelijk zijn vraag. En—nog voordat Dientje gesproken had, klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning:„Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer ’s kijken!? Jij bent ’n mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!”Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk.Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte even en dacht bij zichzelf: „Altijd dezelfde, een type, die moeder Van Merenstein!” Schoon hij weinig met haar op had, ergerden hem haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. ’t Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden, had hij ’t leven beter moeten kennen.[53]Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies, zeide hij. Hij was in twee maanden niet op bezoek geweest; ’t was wel lang, ook al was hij nooit gewoon geweest veel bij Mevrouw Van Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal buiten haar huis geweest.„Ja, ja,”antwoorddede gastvrouw. „Ik weet ’t wel: jij komt om ’t jonge goedje: ja? Zoo’n oudje als ik.…” Weer het stuiplachje.Willem vond ’t noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting:„U oud, Mevrouw?Ik ben oud, veel ouder dan u.”De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste maal.In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen, blijkbaar in de beste stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren Vliegman, verren neef van Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, een sinjo van ’t zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems leeftijd, mager,[54]geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen en zwart blauwglanzig haar. Hij was in den namiddag aangekomen, had tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin aanleiding gevonden, om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had daar natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij was sedert zijn overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna dagelijksch bezoeker geweest. De man was door zijn vader, een schatrijk landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, „om Holland te zien”, en verteerde er een duizend ’s maands „voor zijn opvoeding.” Hij was bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier—dat was juist ook de manier van Mevrouw Van Merenstein—hij had, evenals deze, een hekel aan „totoks” (d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide met zijn geld. Was ’t wonder, dat nicht en neef met elkaar opschoten?Als vierde in ’t gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij de meid in de keuken. De komst van haar vriend verheugde Clara uitermate. Ze had den ganschen avond zich doodelijk[55]verveeld. ’t Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde geestigheden en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. ’t Lachsucces, dat hij bij de beide andere dames had ingeoogst, had hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater had hem telkens aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam ’t natuurlijk op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te moede voelde.Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen, toen zij ’t vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij wees hem dadelijk een plaats naast zich aan.’t Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan, en dacht bij zichzelf: „Wat doet die „totok” hier?”Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem veel te vertellen en wat deed ze ’t van harte gaarne! Ze voelde zich thans voor ’t eerst weer aangenaam gestemd. De hartelijke, beschaafde, belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad deden haar[56]goed, als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig geweest! Wat een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze op dien dag harer thuiskomst moeten doorworstelen!Willem Victor vond haar veranderd. ’t Kind dat hij te voren gekend had, dat blind was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar huiselijke omgeving, had plaats gemaakt voor de gevoelvolle jonge vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, bij al de warme vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor ’t eerst besefte hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar ouden kring, die thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor haar geworden was.Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor het jonge mensch niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die beiden altijd als echte kinderen beschouwd; geen oogenblik was ’t bij haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders dan speelkameraadjes voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door en door een „blaag van een[57]meid” en Willem had haar immers altijd als zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend ongenoegen, dat zijn houding geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid uitliep! Ze besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig meisje als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was innemend .… Om Mevrouw Van Merenstein te boeien, miste hij echter het voornaamste, geld. Van een huwelijk zou om die reden binnen de eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als er ooit een ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara wellicht veel kansen, om een „goed” huwelijk te doen, misloopen. Neen, dat mocht niet gebeuren. Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam, ’t kostte wat het wilde. Zij zou dien kalen sinjeur wel uit Clara’s omgeving weten te weren.Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te aangename gesprek der jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon:„Kom, Clara zou je nu niet ’s wat zingen? Je bent dat toch niet verleerd op kostschool?”[58]Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar:„Hè, ja, Toetie!”Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde en haar met een vriendelijk „Toe!” aanmoedigde, stond zij op en begaf zich naar de piano.Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar ’t overige gezelschap gekeerd. Allen sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging een machtige bekoring van haar uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe onweerstaanbaar lieflijk dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte oogen!Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met zijn gemeene oogen, Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk was, den jongen Victor nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede Mevrouw Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden, voor een oogenblik gansch en al verloor.[59]„Wat zal ik zingen”, vroeg Clara, „een oude bekende maar?”Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied „Beau Nuage”, dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het menigmaal bij die lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er tranen gekomen in de oogen der toehoorster; want het lied deed haar altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij ’t zelf als jonge vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara’s zielsstemming schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen gevoelens te geven. Ze was dien dag zoo droef te moede geweest, zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig „school”, maar haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er groote verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe geen gelegenheid gehad er zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond heerlijk. Het melancholische slot van ’t lied:„Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!”klonk als een innige bede: zij voelde bij ’t[60]zingen dier woorden al de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar ’t lieve vaderland. Zij zelve was immers eenzaam..Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte.Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van ’t lied begrepen, maar toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide vol overtuiging:„Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja San”, voegde ze eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend,„Neisa, je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig.…”Mevrouw Van Merenstein was niets „verdrietig”. Ze vond het lied veel te ernstig. Ook de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even en zeide:„Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo ’n chagrijnig ding, vind je niet?”Clara glimlachte.Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon hooren zingen. Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls vrij onverschillig had aangehoord,[61]vroeg hij zichzelven af. Wat was die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij vroeger! Hij was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en aandoening in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen begrepen.Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder droevigen aard, „Röslein auf der Heiden” van Schubert. Een echte „mop” te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had vroeger wel eens Engelsche „comic songs” gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer zou ze weer vroolijk en onbezorgd genoeg wezen, om daar weer pleizier in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver.Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied ten beste, een der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs gehoord had. Hij had veel succes bij Mevrouw Van Merenstein, die hem op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette vriendin, schoon zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders[62]had hij ’t wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van de slechte uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig verontwaardigd te zijn. „Hoe durft zoo’n vlegel dat voor te dragen in ’t bijzijn van Clara!” dacht hij. Maar ’t kwam bij hem op, dat hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in ’t spel zou geweest zijn. Clara’s kennis van ’t Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond ’t lied eenvoudig zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit.De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust verlangde, en hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman had toen ook maar besloten heen te gaan—hij verveelde zich toch, nadat die „beroerde totok” gekomen was—terwijl Mevrouw Rijkezak gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar aanbood. Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad, het praatzieke mensch weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld, dat ze dadelijk was opgestapt; Willem had een hartelijke groet met Clara gewisseld, haar inniger[63]dan ooit een goeden nacht gewenscht.Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde zaak. Willem Victor had in ’t mooie weer—maneschijn en een bijzonder zachte lucht—aanleiding gevonden, om naar Delft te wandelen in plaats van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde hij zich bijzonder daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan zijn gedachten. Hij was vol van Clara. ’t Was hem duidelijk, daghelder, dat hij ’t meisje liefhad. ’t Leven scheen hem schoon, de toekomst veel belovend. O, hij zou hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!.…Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de middelen, die ze in ’t werk moest stellen, om Clara spoedig uit Willem Victor’s bereik te brengen. Ze zou ’t meisje „in de wereld” brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig den „ware” voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn, als ze al mocht opgekomen wezen.[64]Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem’s beeld was voor haar geest. In de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij haar redder. Door hem zou ze tot geluk komen, als dat ooit voor haar weggelegd was .… Ze wist niet, hoe ze aan die gedachte kwam, maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de overtuiging aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt geheel eenstemmig waren.En ze sliep in met illusiën.

III.Een vriend.

Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein behoorde ook een jongmensch, zekere Willem Victor. ’t Was iemand van even twintig jaar en sinds twee jaar student aan de Polytechnische school te Delft. Student zijn beteekende voor hem in de eerste plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen leven—haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de rechterlijke macht in Indië—geen wonder dus, dat Willem het als student „kalm moest aanleggen”. Hij had dat dadelijk ingezien en begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens moest doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon[43]hij eenig kind was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om als student te leven. ’t Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur te worden, het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te overtuigen, dat hij door zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel te verdienen, als aan hetgeen zij hem geven kon mocht ontbreken. ’t Was hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig gulden in de maand, en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer geld hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al zeer spoedig evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid van het Studenten-corps te worden en met matigheid „mee te doen”. Dit echter beteekende bij hem niet den gewonen buitensporigen Venus- en Bacchus-dienst, zonder welken, naar ’t schijnt de meeste studeerende jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel en ten andere, omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn voornemens. Hij moest en zou binnen[44]eenige jaren „klaar” zijn en dan geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn kundigheden zou hij wel spoedig na zijn examen een duizend ’s jaars kunnen verdienen, een luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den eersten tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen hem „akelig solied” vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was, miste Willem die twijfelachtige eer maar zeer weinig; ’t kon hem al heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede vrienden maar had. En die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, van gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte inborst maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke omgang door iederen jongen man van karakter op prijs gesteld moest worden. Bovendien was hij geestig, en wist hij zonder pedanterie zijn groote belezenheid en smaak voor literatuur in gezelschap voordeelig te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen, houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde uit zijn donkere oogen, sprak uit de trekken[45]van zijn mond; zijn kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht van lichaam, geest en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na lange jaren van strijd en door zoovelen nimmer bereikt wordt. Een volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk van iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde manier van spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten.Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke jeugd. Menig hofmakertje of saletjonkertje onder zijn kennissen benijdde hem in stilte: waar zij met al hun „flirt” maar matig succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven, om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op, en ’t was alsof „verliefdheid” bij hem iets volmaakt onmogelijks was, een dwaasheid, waar zijn natuur niet vatbaar voor was. Hij hield van lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe vereering voor de vrouw als incarnatie der poëzie in ’t leven, maar geen enkele dochter Eva’s[46]had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat, als ooit liefde in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor ’t gansche leven. Als die kwam, zou zij haar woning gereed vinden, en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen zijn.Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe velen bewonderden hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven hopen op zijn wederliefde, en hoe velen zouden, als hij van liefde sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in Chamisso’s schoon gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe„er, der herrlichste von allen”haar zooveel zaligheid kon schenken!Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks ook maar eenigszins te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in ruil voor vriendschap en slechts bij enkelen. ’t Zou hem verwonderd en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer terug te ontvangen dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit in zijn gedachten opgekomen.[47]Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij had indertijd—tien jaar geleden—de reis naar ’t vaderland met haar gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar, en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg, dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij voor de waardige oudeMevrouwVictor haast een kinderlijken eerbied voelde. In den tijd, dat de beidefamiliënin Den Haag woonden, was de omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. ’t Was haar zwaar gevallen, want haar degelijke natuur[48]strookte heel weinig met de wufte luchthartigheid van Clara’s moeder. Maar ze wilde haar eenig lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd, en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen voor ’t verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later, toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij altijd gezegd: „Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft, ja.” Zij miste haar kinderen nooit, wat kon ’t haar dan schelen, of éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging?„En wie weet, waar ’t nog goed voor zou kunnen wezen,” redeneerde ze wel[49]eens: misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest.Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk, liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor „oudste dochter in huis” te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis, dan genoot de oude vrouw. En als Clara ’s avonds met haar klankvolle, innig sympathieke stem wat voorlas of[50]een eenvoudig liedje bij de piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen worden. En—als haar Willem maar gelukkig was—kon ’t haar heel weinig schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd.Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die van innige vriendschap.En zoo was ’t ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam, om naar Duitschland[51]te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel hartelijk, zorgzaam en attent geweest—als dat mogelijk was—in de drie korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar huis te komen—Mama van Merenstein vond de kostschool te duur—had Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld.Zoo kwam ’t dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten.Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van ’t plannetje af en gunde hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk, verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers ten volle …[52]Willem stapte dus welgemoed naar ’t station, en een uurtje later belde hij aan bij Clara’s moeder.„Mevrouw en de Juffrouw thuis?” vroeg hij beneden aan de trap, toen de meid hem opendeed, ’t Antwoord was eigenlijk onnoodig, want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde reeds dadelijk zijn vraag. En—nog voordat Dientje gesproken had, klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning:„Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer ’s kijken!? Jij bent ’n mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!”Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk.Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte even en dacht bij zichzelf: „Altijd dezelfde, een type, die moeder Van Merenstein!” Schoon hij weinig met haar op had, ergerden hem haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. ’t Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden, had hij ’t leven beter moeten kennen.[53]Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies, zeide hij. Hij was in twee maanden niet op bezoek geweest; ’t was wel lang, ook al was hij nooit gewoon geweest veel bij Mevrouw Van Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal buiten haar huis geweest.„Ja, ja,”antwoorddede gastvrouw. „Ik weet ’t wel: jij komt om ’t jonge goedje: ja? Zoo’n oudje als ik.…” Weer het stuiplachje.Willem vond ’t noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting:„U oud, Mevrouw?Ik ben oud, veel ouder dan u.”De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste maal.In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen, blijkbaar in de beste stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren Vliegman, verren neef van Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, een sinjo van ’t zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems leeftijd, mager,[54]geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen en zwart blauwglanzig haar. Hij was in den namiddag aangekomen, had tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin aanleiding gevonden, om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had daar natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij was sedert zijn overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna dagelijksch bezoeker geweest. De man was door zijn vader, een schatrijk landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, „om Holland te zien”, en verteerde er een duizend ’s maands „voor zijn opvoeding.” Hij was bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier—dat was juist ook de manier van Mevrouw Van Merenstein—hij had, evenals deze, een hekel aan „totoks” (d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide met zijn geld. Was ’t wonder, dat nicht en neef met elkaar opschoten?Als vierde in ’t gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij de meid in de keuken. De komst van haar vriend verheugde Clara uitermate. Ze had den ganschen avond zich doodelijk[55]verveeld. ’t Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde geestigheden en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. ’t Lachsucces, dat hij bij de beide andere dames had ingeoogst, had hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater had hem telkens aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam ’t natuurlijk op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te moede voelde.Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen, toen zij ’t vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij wees hem dadelijk een plaats naast zich aan.’t Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan, en dacht bij zichzelf: „Wat doet die „totok” hier?”Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem veel te vertellen en wat deed ze ’t van harte gaarne! Ze voelde zich thans voor ’t eerst weer aangenaam gestemd. De hartelijke, beschaafde, belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad deden haar[56]goed, als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig geweest! Wat een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze op dien dag harer thuiskomst moeten doorworstelen!Willem Victor vond haar veranderd. ’t Kind dat hij te voren gekend had, dat blind was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar huiselijke omgeving, had plaats gemaakt voor de gevoelvolle jonge vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, bij al de warme vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor ’t eerst besefte hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar ouden kring, die thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor haar geworden was.Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor het jonge mensch niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die beiden altijd als echte kinderen beschouwd; geen oogenblik was ’t bij haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders dan speelkameraadjes voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door en door een „blaag van een[57]meid” en Willem had haar immers altijd als zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend ongenoegen, dat zijn houding geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid uitliep! Ze besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig meisje als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was innemend .… Om Mevrouw Van Merenstein te boeien, miste hij echter het voornaamste, geld. Van een huwelijk zou om die reden binnen de eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als er ooit een ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara wellicht veel kansen, om een „goed” huwelijk te doen, misloopen. Neen, dat mocht niet gebeuren. Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam, ’t kostte wat het wilde. Zij zou dien kalen sinjeur wel uit Clara’s omgeving weten te weren.Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te aangename gesprek der jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon:„Kom, Clara zou je nu niet ’s wat zingen? Je bent dat toch niet verleerd op kostschool?”[58]Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar:„Hè, ja, Toetie!”Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde en haar met een vriendelijk „Toe!” aanmoedigde, stond zij op en begaf zich naar de piano.Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar ’t overige gezelschap gekeerd. Allen sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging een machtige bekoring van haar uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe onweerstaanbaar lieflijk dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte oogen!Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met zijn gemeene oogen, Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk was, den jongen Victor nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede Mevrouw Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden, voor een oogenblik gansch en al verloor.[59]„Wat zal ik zingen”, vroeg Clara, „een oude bekende maar?”Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied „Beau Nuage”, dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het menigmaal bij die lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er tranen gekomen in de oogen der toehoorster; want het lied deed haar altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij ’t zelf als jonge vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara’s zielsstemming schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen gevoelens te geven. Ze was dien dag zoo droef te moede geweest, zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig „school”, maar haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er groote verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe geen gelegenheid gehad er zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond heerlijk. Het melancholische slot van ’t lied:„Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!”klonk als een innige bede: zij voelde bij ’t[60]zingen dier woorden al de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar ’t lieve vaderland. Zij zelve was immers eenzaam..Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte.Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van ’t lied begrepen, maar toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide vol overtuiging:„Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja San”, voegde ze eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend,„Neisa, je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig.…”Mevrouw Van Merenstein was niets „verdrietig”. Ze vond het lied veel te ernstig. Ook de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even en zeide:„Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo ’n chagrijnig ding, vind je niet?”Clara glimlachte.Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon hooren zingen. Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls vrij onverschillig had aangehoord,[61]vroeg hij zichzelven af. Wat was die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij vroeger! Hij was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en aandoening in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen begrepen.Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder droevigen aard, „Röslein auf der Heiden” van Schubert. Een echte „mop” te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had vroeger wel eens Engelsche „comic songs” gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer zou ze weer vroolijk en onbezorgd genoeg wezen, om daar weer pleizier in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver.Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied ten beste, een der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs gehoord had. Hij had veel succes bij Mevrouw Van Merenstein, die hem op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette vriendin, schoon zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders[62]had hij ’t wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van de slechte uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig verontwaardigd te zijn. „Hoe durft zoo’n vlegel dat voor te dragen in ’t bijzijn van Clara!” dacht hij. Maar ’t kwam bij hem op, dat hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in ’t spel zou geweest zijn. Clara’s kennis van ’t Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond ’t lied eenvoudig zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit.De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust verlangde, en hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman had toen ook maar besloten heen te gaan—hij verveelde zich toch, nadat die „beroerde totok” gekomen was—terwijl Mevrouw Rijkezak gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar aanbood. Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad, het praatzieke mensch weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld, dat ze dadelijk was opgestapt; Willem had een hartelijke groet met Clara gewisseld, haar inniger[63]dan ooit een goeden nacht gewenscht.Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde zaak. Willem Victor had in ’t mooie weer—maneschijn en een bijzonder zachte lucht—aanleiding gevonden, om naar Delft te wandelen in plaats van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde hij zich bijzonder daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan zijn gedachten. Hij was vol van Clara. ’t Was hem duidelijk, daghelder, dat hij ’t meisje liefhad. ’t Leven scheen hem schoon, de toekomst veel belovend. O, hij zou hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!.…Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de middelen, die ze in ’t werk moest stellen, om Clara spoedig uit Willem Victor’s bereik te brengen. Ze zou ’t meisje „in de wereld” brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig den „ware” voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn, als ze al mocht opgekomen wezen.[64]Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem’s beeld was voor haar geest. In de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij haar redder. Door hem zou ze tot geluk komen, als dat ooit voor haar weggelegd was .… Ze wist niet, hoe ze aan die gedachte kwam, maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de overtuiging aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt geheel eenstemmig waren.En ze sliep in met illusiën.

Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein behoorde ook een jongmensch, zekere Willem Victor. ’t Was iemand van even twintig jaar en sinds twee jaar student aan de Polytechnische school te Delft. Student zijn beteekende voor hem in de eerste plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen leven—haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de rechterlijke macht in Indië—geen wonder dus, dat Willem het als student „kalm moest aanleggen”. Hij had dat dadelijk ingezien en begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens moest doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon[43]hij eenig kind was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om als student te leven. ’t Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur te worden, het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te overtuigen, dat hij door zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel te verdienen, als aan hetgeen zij hem geven kon mocht ontbreken. ’t Was hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig gulden in de maand, en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer geld hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al zeer spoedig evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid van het Studenten-corps te worden en met matigheid „mee te doen”. Dit echter beteekende bij hem niet den gewonen buitensporigen Venus- en Bacchus-dienst, zonder welken, naar ’t schijnt de meeste studeerende jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel en ten andere, omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn voornemens. Hij moest en zou binnen[44]eenige jaren „klaar” zijn en dan geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn kundigheden zou hij wel spoedig na zijn examen een duizend ’s jaars kunnen verdienen, een luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den eersten tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen hem „akelig solied” vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was, miste Willem die twijfelachtige eer maar zeer weinig; ’t kon hem al heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede vrienden maar had. En die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, van gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte inborst maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke omgang door iederen jongen man van karakter op prijs gesteld moest worden. Bovendien was hij geestig, en wist hij zonder pedanterie zijn groote belezenheid en smaak voor literatuur in gezelschap voordeelig te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen, houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde uit zijn donkere oogen, sprak uit de trekken[45]van zijn mond; zijn kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht van lichaam, geest en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na lange jaren van strijd en door zoovelen nimmer bereikt wordt. Een volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk van iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde manier van spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten.

Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke jeugd. Menig hofmakertje of saletjonkertje onder zijn kennissen benijdde hem in stilte: waar zij met al hun „flirt” maar matig succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven, om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op, en ’t was alsof „verliefdheid” bij hem iets volmaakt onmogelijks was, een dwaasheid, waar zijn natuur niet vatbaar voor was. Hij hield van lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe vereering voor de vrouw als incarnatie der poëzie in ’t leven, maar geen enkele dochter Eva’s[46]had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat, als ooit liefde in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor ’t gansche leven. Als die kwam, zou zij haar woning gereed vinden, en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen zijn.

Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe velen bewonderden hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven hopen op zijn wederliefde, en hoe velen zouden, als hij van liefde sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in Chamisso’s schoon gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe

„er, der herrlichste von allen”

„er, der herrlichste von allen”

haar zooveel zaligheid kon schenken!

Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks ook maar eenigszins te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in ruil voor vriendschap en slechts bij enkelen. ’t Zou hem verwonderd en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer terug te ontvangen dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit in zijn gedachten opgekomen.[47]

Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij had indertijd—tien jaar geleden—de reis naar ’t vaderland met haar gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar, en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg, dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij voor de waardige oudeMevrouwVictor haast een kinderlijken eerbied voelde. In den tijd, dat de beidefamiliënin Den Haag woonden, was de omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. ’t Was haar zwaar gevallen, want haar degelijke natuur[48]strookte heel weinig met de wufte luchthartigheid van Clara’s moeder. Maar ze wilde haar eenig lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd, en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen voor ’t verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later, toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij altijd gezegd: „Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft, ja.” Zij miste haar kinderen nooit, wat kon ’t haar dan schelen, of éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging?„En wie weet, waar ’t nog goed voor zou kunnen wezen,” redeneerde ze wel[49]eens: misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest.

Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk, liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor „oudste dochter in huis” te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis, dan genoot de oude vrouw. En als Clara ’s avonds met haar klankvolle, innig sympathieke stem wat voorlas of[50]een eenvoudig liedje bij de piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen worden. En—als haar Willem maar gelukkig was—kon ’t haar heel weinig schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd.

Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die van innige vriendschap.

En zoo was ’t ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam, om naar Duitschland[51]te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel hartelijk, zorgzaam en attent geweest—als dat mogelijk was—in de drie korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar huis te komen—Mama van Merenstein vond de kostschool te duur—had Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld.

Zoo kwam ’t dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten.

Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van ’t plannetje af en gunde hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk, verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers ten volle …[52]

Willem stapte dus welgemoed naar ’t station, en een uurtje later belde hij aan bij Clara’s moeder.

„Mevrouw en de Juffrouw thuis?” vroeg hij beneden aan de trap, toen de meid hem opendeed, ’t Antwoord was eigenlijk onnoodig, want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde reeds dadelijk zijn vraag. En—nog voordat Dientje gesproken had, klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning:

„Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer ’s kijken!? Jij bent ’n mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!”

Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk.

Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte even en dacht bij zichzelf: „Altijd dezelfde, een type, die moeder Van Merenstein!” Schoon hij weinig met haar op had, ergerden hem haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. ’t Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden, had hij ’t leven beter moeten kennen.[53]

Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies, zeide hij. Hij was in twee maanden niet op bezoek geweest; ’t was wel lang, ook al was hij nooit gewoon geweest veel bij Mevrouw Van Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal buiten haar huis geweest.

„Ja, ja,”antwoorddede gastvrouw. „Ik weet ’t wel: jij komt om ’t jonge goedje: ja? Zoo’n oudje als ik.…” Weer het stuiplachje.

Willem vond ’t noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting:

„U oud, Mevrouw?Ik ben oud, veel ouder dan u.”

De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste maal.

In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen, blijkbaar in de beste stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren Vliegman, verren neef van Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, een sinjo van ’t zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems leeftijd, mager,[54]geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen en zwart blauwglanzig haar. Hij was in den namiddag aangekomen, had tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin aanleiding gevonden, om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had daar natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij was sedert zijn overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna dagelijksch bezoeker geweest. De man was door zijn vader, een schatrijk landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, „om Holland te zien”, en verteerde er een duizend ’s maands „voor zijn opvoeding.” Hij was bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier—dat was juist ook de manier van Mevrouw Van Merenstein—hij had, evenals deze, een hekel aan „totoks” (d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide met zijn geld. Was ’t wonder, dat nicht en neef met elkaar opschoten?

Als vierde in ’t gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij de meid in de keuken. De komst van haar vriend verheugde Clara uitermate. Ze had den ganschen avond zich doodelijk[55]verveeld. ’t Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde geestigheden en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. ’t Lachsucces, dat hij bij de beide andere dames had ingeoogst, had hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater had hem telkens aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam ’t natuurlijk op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te moede voelde.

Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen, toen zij ’t vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij wees hem dadelijk een plaats naast zich aan.

’t Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan, en dacht bij zichzelf: „Wat doet die „totok” hier?”

Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem veel te vertellen en wat deed ze ’t van harte gaarne! Ze voelde zich thans voor ’t eerst weer aangenaam gestemd. De hartelijke, beschaafde, belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad deden haar[56]goed, als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig geweest! Wat een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze op dien dag harer thuiskomst moeten doorworstelen!

Willem Victor vond haar veranderd. ’t Kind dat hij te voren gekend had, dat blind was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar huiselijke omgeving, had plaats gemaakt voor de gevoelvolle jonge vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, bij al de warme vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor ’t eerst besefte hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar ouden kring, die thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor haar geworden was.

Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor het jonge mensch niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die beiden altijd als echte kinderen beschouwd; geen oogenblik was ’t bij haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders dan speelkameraadjes voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door en door een „blaag van een[57]meid” en Willem had haar immers altijd als zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend ongenoegen, dat zijn houding geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid uitliep! Ze besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig meisje als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was innemend .… Om Mevrouw Van Merenstein te boeien, miste hij echter het voornaamste, geld. Van een huwelijk zou om die reden binnen de eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als er ooit een ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara wellicht veel kansen, om een „goed” huwelijk te doen, misloopen. Neen, dat mocht niet gebeuren. Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam, ’t kostte wat het wilde. Zij zou dien kalen sinjeur wel uit Clara’s omgeving weten te weren.

Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te aangename gesprek der jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon:

„Kom, Clara zou je nu niet ’s wat zingen? Je bent dat toch niet verleerd op kostschool?”[58]

Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar:

„Hè, ja, Toetie!”

Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde en haar met een vriendelijk „Toe!” aanmoedigde, stond zij op en begaf zich naar de piano.

Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar ’t overige gezelschap gekeerd. Allen sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging een machtige bekoring van haar uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe onweerstaanbaar lieflijk dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte oogen!

Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met zijn gemeene oogen, Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk was, den jongen Victor nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede Mevrouw Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden, voor een oogenblik gansch en al verloor.[59]

„Wat zal ik zingen”, vroeg Clara, „een oude bekende maar?”

Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied „Beau Nuage”, dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het menigmaal bij die lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er tranen gekomen in de oogen der toehoorster; want het lied deed haar altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij ’t zelf als jonge vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara’s zielsstemming schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen gevoelens te geven. Ze was dien dag zoo droef te moede geweest, zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig „school”, maar haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er groote verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe geen gelegenheid gehad er zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond heerlijk. Het melancholische slot van ’t lied:

„Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!”

„Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!”

klonk als een innige bede: zij voelde bij ’t[60]zingen dier woorden al de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar ’t lieve vaderland. Zij zelve was immers eenzaam..

Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte.

Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van ’t lied begrepen, maar toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide vol overtuiging:

„Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja San”, voegde ze eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend,„Neisa, je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig.…”

Mevrouw Van Merenstein was niets „verdrietig”. Ze vond het lied veel te ernstig. Ook de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even en zeide:

„Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo ’n chagrijnig ding, vind je niet?”

Clara glimlachte.

Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon hooren zingen. Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls vrij onverschillig had aangehoord,[61]vroeg hij zichzelven af. Wat was die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij vroeger! Hij was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en aandoening in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen begrepen.

Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder droevigen aard, „Röslein auf der Heiden” van Schubert. Een echte „mop” te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had vroeger wel eens Engelsche „comic songs” gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer zou ze weer vroolijk en onbezorgd genoeg wezen, om daar weer pleizier in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver.

Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied ten beste, een der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs gehoord had. Hij had veel succes bij Mevrouw Van Merenstein, die hem op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette vriendin, schoon zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders[62]had hij ’t wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van de slechte uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig verontwaardigd te zijn. „Hoe durft zoo’n vlegel dat voor te dragen in ’t bijzijn van Clara!” dacht hij. Maar ’t kwam bij hem op, dat hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in ’t spel zou geweest zijn. Clara’s kennis van ’t Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond ’t lied eenvoudig zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit.

De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust verlangde, en hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman had toen ook maar besloten heen te gaan—hij verveelde zich toch, nadat die „beroerde totok” gekomen was—terwijl Mevrouw Rijkezak gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar aanbood. Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad, het praatzieke mensch weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld, dat ze dadelijk was opgestapt; Willem had een hartelijke groet met Clara gewisseld, haar inniger[63]dan ooit een goeden nacht gewenscht.

Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde zaak. Willem Victor had in ’t mooie weer—maneschijn en een bijzonder zachte lucht—aanleiding gevonden, om naar Delft te wandelen in plaats van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde hij zich bijzonder daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan zijn gedachten. Hij was vol van Clara. ’t Was hem duidelijk, daghelder, dat hij ’t meisje liefhad. ’t Leven scheen hem schoon, de toekomst veel belovend. O, hij zou hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!.…

Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de middelen, die ze in ’t werk moest stellen, om Clara spoedig uit Willem Victor’s bereik te brengen. Ze zou ’t meisje „in de wereld” brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig den „ware” voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn, als ze al mocht opgekomen wezen.[64]

Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem’s beeld was voor haar geest. In de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij haar redder. Door hem zou ze tot geluk komen, als dat ooit voor haar weggelegd was .… Ze wist niet, hoe ze aan die gedachte kwam, maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de overtuiging aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt geheel eenstemmig waren.

En ze sliep in met illusiën.


Back to IndexNext