VI.

[Inhoud]VI.Onttoovering.’t Was een prachtige zomeravond. Den Haag liep uit op echt Haagsche wijze. Overal in de straten zag men lichte dames-toiletjes, fantaisie-pakjes, wandelstokken en strooien hoeden, gedragen door oud en jong, leelijk en mooi. Van ’t laatste weer genoeg, om den vreemdeling, die dan onze lieve residentie bezoekt, een goed idee te geven van Holland’s maagdendom. De trams waren vol, de koffiehuizen in en om Den Haag hadden geen plaatsje onbezet, en om de luchtige buitenplaatsjes werd bijna gevochten. Daar een glas bier drinken, waar men een paar uur over doet, en onder ’t slikken van straat- of wegstof naar de voorbijgangers zitten te kijken en ze critiseeren en taxeeren, was toen, als altijd, voor vele Hagenaars een onvergelijkelijk genot. Er zat iets looms en lui’s in de lucht, dat de gemoederen ontspande en de bedrijvigste hersenen of handen tot een „zoet nietsdoen” bracht. Schier alles streefde naar luchtigheid, en de ontdooide Hollander kreeg[96]iets van de zorgeloosheid en de luchthartigheid van den Italiaan; terwijl de Haagsche Indischman, dat tegenwoordig onmisbaar bestanddeel in de Haagsche bevolking, aan wiens door en door luchtige levensopvatting de hofstad veel van haar kenmerkende luchtigheid te danken heeft, zich thans eerst recht in zijn element begon te voelen.Ook Mevrouw Van Merenstein zou ongetwijfeld dien avond zich bijzonder „lekker” gevoeld hebben, ware ’t niet, dat ongewoon ernstige zaken haar hoofd bezig hielden. ’t Was een „heele soesah” voor haar, maar meer ook niet. Voor de arme Clara was ’t meer, want banger strijd en wreeder twijfeling had haar zieltje te voren nooit gekend. Maar zij bedwong zich zooveel zij kon. Zij wilde hare moeder niet laten zien, hoe zij leed; want zij wilde toonen, dat zij niet overtuigd was, verre van dien, dat zij onbeperkt vertrouwen in Willem Victor bleef stellen, en alleen met haar moeder mee wilde gaan, om deze van haar argwaan te genezen. Al moest zij ettelijke avonden achtereen denzelfden tocht doen, zij had het er voor[97]over, als zij daardoor dien vuigen laster tegen haar liefsten vriend, althans bij haar moeder, onschadelijk kon maken. O, hoe vurig begeerde zij werkelijk de overtuiging te bezitten, dat onwrikbaar vertrouwen, hetwelk zij zoo gaarne voorgaf bewaard te hebben! Ondanks haarzelve, onmeedoogend sarrend en plagend, liet telkens de stem des twijfels zich in haar hooren. Zij besefte, dat haar gemoedsrust weg was, en niet zou weerkeeren voordat zij volle, volle zekerheid had.Moeder en dochter begaven zich op weg naar de straat, waar zij Willem Victor weldra zouden kunnen zien, als Dientje de meid waarheid gesproken had. Vooraf had Mevrouw Van Merenstein zich op de hoogte gesteld van ’t uur, waarop de jonge man gewoon wasdebewuste vrouw te bezoeken, en omtrent het nummer der woning, waar zij verblijf hield.Zonder veel te spreken, de moeder vol zenuwachtige verwachting, de dochter somber en ernstig, liepen zij voort tot de aangeduide plaats. Mevrouw Van Merenstein raadpleegt haar horloge en bemerkt, dat er nog wel tien minuten verloopen kunnen, voordat de jonge Victor zich[98]vertoonen kan, de afstand van het station in aanmerking genomen. Om de aandacht niet te trekken, wandelt het tweetal de straat kalm af en stelt zich voor zóo terug te gaan, dat zij den verwachte achterop kunnen komen, zonder dat deze haar tegenwoordigheid ter plaatse zou kunnen opmerken.De lange tien minuten zijn om. Nog ontwaren de beide vrouwen niets, en reeds begint Clara inwendig te juichen. Ze is op ’t punt, om met een opgelucht: „Ziet u wel?” haar moeder voor te stellen, maar naar huis te gaan, als een haastig voortloopende gestalte op den hoek der straat voor haar haar aandacht trekt. ’t Is Willem Victor. Mevrouw Van Merenstein stoot Clara aan en zegt zacht, maar schamper en sarrend:„Wat heb ik je gezegd? Daar gaat hij …”Clara beeft van aandoening. Nog wil ze ’t niet gelooven: hij zal daar toevallig in die straat moeten wezen. Angstig volgt haar blik hem. Zal hij ’t huis voorbij gaan, waar zij weet, dat die rampzalige vrouw woont? Nog slechts een honderdtal schreden scheiden hem van die plaats.[99]Vreeselijk klopt haar hart, en ’t kost haar een schier bovenmenschelijke inspanning, om haar tranen te bedwingen. Daar vertraagt de jonge man zijn schreden. Hij staat stil voor ’t huis. ’t Is er naast, meent Clara een oogenblik. Neen, ’t is dat en geen ander! Hij belt aan en gaat binnen.„Je ziet ’t,” roept de moeder, een oogenblik vergetende, dat ze op straat is, zoozeer vervult haar de voldoening over het geziene. Zachter vervolgt ze: „Wat zeg je nu? Nu zeg je zeker nòg, dat die Willem een goeie beste jongen is, niet?”Clara antwoordt niet. Ze zou niet kunnen trouwens.Een onzeggelijke smart doet haar hart ineenkrimpen en knijpt haar de keel dicht. Om haar heen zijn overal menschen, die haar gade kunnen slaan. Ze mag dus niet zwak zijn, ze moet zich goed houden. Onwillekeurig grijpt ze den arm harer moeder, en met moeite brengt ze uit:„Naar huis, Mama …”Verder spreekt ze geen woord totdat ze thuis zijn. Daar wil Mevrouw Van Merenstein dadelijk[100]haar hart luchten; maar Clara wil van niets hooren. Ze zegt een vreeselijke hoofdpijn te hebben, en gaat zoo spoedig mogelijk naar haar kamertje. Daar sluit zij zenuwachtig de deur, werpt zich gekleed en al op haar bed en barst in krampachtig snikken uit.Zij moest het dus gelooven! Haar Willem, in haar gedachten zoo goed, zoo braaf, zoo vlekkeloos van levenswandel, had zich dus zóover verlaagd, dat hij een arm meisje in ’t ongeluk gestort had, en nog steeds in een misdadige verstandhouding met haar leefde! En toch.… zou ’t dan wel waar zijn? Had ze dan die zekerheid thans, waarnaar haar ziel zoo gesmacht had? Neen, honderdmaal neen! Hoezeer ze zich ook wijs maakte, dat nu alles uit, voor goed uit was, dat tusschen Willem en haar nimmermeer iets kon bestaan, toch was ze niet rustig. Er was iets als een stil verwijt, dat haar voor de voeten wierp lichtvaardig te oordeelen. Maar was ze dan lichtvaardig geweest? Had ze niet zelf gezien, dat de jonge man bij die vrouw in huis kwam? Wat kon hij daar te doen hebben, als hij geen verboden[101]betrekking met haar onderhield? Maar, was ze dan zoo zeker, dat die vrouw daar woonde? Dientje kon wel met opzet wat verzonnen hebben uit haat tegen Willem, en wie weet, wie daar in dat huis woonde, in plaats van die vrouw! O, op eens schaamde zij zich voor haar eigen vermoedens: als alles onwaar was, wat ze meende ontdekt te hebben, zou ze zichzelve nimmer kunnen vergeven, dat ze, ooit zooveel kwaads van hem geloofd had, op zulke losse gronden. Clara begreep alras, dat ze zóo nooit verder zou komen. De zaak zou haar niet duidelijker worden door over het gebeurde veronderstellingen en gissingen te wagen. Maar wat dan? Dientje uithooren? Dat wierp ze ver van zich af, en wat zou ’t haar ook geven? Neen, ze zou zelf naar die vrouw toe gaan, hoe zwaar ’t haar ook viel, haar zelf gaan zien, en haar zelf vragen, wat er van de zaak aan was.Welk een stap zou dat zijn! Zij, de reine schuldelooze jonkvrouw in vertrouwelijk gesprek te treden met zulk een laag gezonken wezen! Ze huiverde bij de gedachte, schoon ze eigenlijk geen zuiver idee had omtrent den toestand[102]eener vrouw als die Mina. Twee dingen stonden bij haar vast: zij wist dat zulk een gevallen vrouw zeer, zeer slecht was, maar ook diep, diep rampzalig. Afschuw en medelijden streden dan ook bij haar om den voorrang, de enkele malen, dat haar gedachten toevallig die wending namen.Ze zou dus nu zulk een vrouw in haar eigen woning zien en spreken, in onmiddellijke aanraking komen met zooveel afschuwelijks en rampzaligs. Ze moest, want anders zou haar ellende, haar zelffoltering geen einde hebben.Dagen achtereen liep ze met het voornemen rond. In huis was ze bijna steeds in haar kamertje, waar zij met haar gedachten alleen kon zijn in ’t lieve rozeroode vertrekje, waar ze haar eerste liefdedroomen gedroomd, waar zij haar eerste diepe smart gevoeld had. Haar moeder liet geen gelegenheid voorbijgaan om haar over de hatelijke zaak te spreken. Dagelijks moest ze hooren, hoezeer Willem Victor in haar oog verachtelijk en gemeen was. Ze zweeg dan, maar menige vlugge trek om haar mond, menige toeknijping der lippen verried[103]haar wrevel of haar smart, en menigkeer bedwong zij zich, om niet een korzelig antwoord te geven, of weenend van tafel op te staan.Vijf bange dagen verliepen zoo. Eindelijk was ’t haar te machtig. Op een avond zeide zij tot haar moeder, dat zij een vriendin woû gaan opzoeken, sloeg haar langen regenmantel om, deed een dikke zwarte voile voor, en begaf zich op weg naar de Paulus-Potterstraat.’t Was al duister. ’t Was een regenachtige avond, en de straten waren modderig en verlaten. Donkere wolken dreven spookachtig langs een droevig bleeke maan, die eruit zag als ’t gezicht van een ziekelijk, drenzig kind, dat telkens de mouw van zijn nachtpon langs zijn schreiende oogen veegt.Onrustig, niets om haar heen opmerkende, stoof Clara voort door de vieze straten. Een enkele voorbijganger staakte even zijn haastigen gang, om te kijken naar die slanke gestalte, daar voortijlend als een vluchtende. In haar gejaagdheid vergiste zij zich in de straat, waar zij wezen moest. Ze dorst niemand naar den weg te vragen, en zoo zocht zij dien zelve.[104]Langs helder verlichte ramen spoedende ging haar oog soms langs wonderlijke gestalten: vrouwen in négligé of in ongemanierde houdingen. Ze keek er nauwelijks naar: ’t Was haar, als liep ze droomend voort. Eindelijk, Goddank, daar meende ze de straat te herkennen. Ja, daar moest ze wezen, dien hoek om, en dan nog een tiental huizen verder. Ze staat vóor de deur. Angstig overtuigt ze zich van ’t nummer, kijkt zenuwachtig naar alle kanten. God, als nu eens een heer ook daar wezen moest, of Willem zelf! Daar ziet ze een donkere gedaante vlug in haar richting voortloopen. Maar ze heeft al aangescheld! De gedaante gaat voorbij.… De deur wordt van boven open getrokken, en een jeugdig klinkende, heldere stem roept:„Wie is daar?” Lieve Hemel, wat moet ze antwoorden?Clara bedenkt zich een oogenblik, en roept terug: „Hier woont immers Juffrouw Mina Stamans?” „Jawel, maar wat moet u?” klinkt ’t minder vriendelijk van boven. Bijna onmiddellijk daarna hoort Clara een gestommel en[105]geklep van pantoffels op de trap. Mina staat tegenover haar en neemt haar van hoofd tot voeten op. Voordat ze nog een woord verder zegt, vertelt Clara zenuwachtig, dat ze een familielid van Mijnheer Willem Victor is en haar over iets wil spreken. „Een familielid van Willem?” vraagt de ander verbaasd. O, hoe snerpend klinkt dat „Willem” Clara in de ooren: ze is dan wel op gemeenzamen voet met hem, dat ze zóo van hem durft spreken! „Moet u mij spreken?” gaat Mina voort, de zaak verdacht vindende. Ze moet er ’t hare van hebben, want ze brandt van nieuwsgierigheid, wat die mooie juffer—dat heeft ze bij ’t schijnsel van ’t petroleum-lampje op de trap en ondanks Clara’s voile wel gezien—van haar hebben moet. „Kom dan maar boven, Juffrouw,” zegt ze beleefder, na een oogenblik van verwonderd aanstaren.Clara wordt boven in ’t voorvertrek gelaten. Ze komt in een soort salonnetje, met banalen smaak gemeubeld en opgesierd. Voor ’t eerst let ze nu ook op de kleeding der bewoonster: een nette, donkerroode peignoir, die haar met[106]haar donkeren, loshangenden haardos bijzonder goed staat. Een volmaakt dametje. „Is dat de dienstmeid Mina?” vraagt Clara zich af. „O, jawel, ze is dat niet meer.… En toch: is dat dan éen dier geheimzinnige, verachtelijke wezens, die ze wel eens op straat gezien heeft? Wat een fijn, onbeduidend, kinderlijk gezichtje heeft ze, en toch zoo slecht, zoo laag.… ongeloofelijk.”Ook de ander maakt stil haar opmerkingen, als ze Clara volgt en haar gadeslaat. Ze wijst Clara een stoel, en gaat tegenover haar zitten.„U zeî daar zoo, juffrouw, dat u een familielid van Willem was,” begint ze.„Ja,” antwoordt Clara, zich bedenkende, „een.… zuster van Mijnheer Victor.”„Een zuster, o.” De ander gelooft er niets van. Ze ziet, hoe Clara kleurt. Daar moet iets anders achter steken: „’t Is zijn liefje, of ik laat me hangen,” zegt Mina bij zich zelve. Meteen begrijpt ze de zenuwachtigheid der juffer en het doel harer komst. Nu kan ze haar slag slaan: opgepast, denkt ze. Meteen staat ze op en zegt onschuldig weg:[107]„Neem me even niet kwalijk, juffrouw, ik moet eerst naar Wimpje gaan kijken, straks kom ik bij u.”„Zie zoo, dat heeft ze vast beet,” denkt ze, terwijl ze naar de achterkamer gaat, quasi om naar haar kind te gaan zien.Clara ziet een oogenblik alles om zich heen dwarrelen, en zij moet zich aan haar stoel vasthouden, om haar evenwicht te bewaren. Ze heeft dus nu de zekerheid, waarnaar zij zoo haakte! Hoe bitter is de voldoening, waarnaar zij verlangd heeft. Hoe kan ’t anders of alles, wat men haar van Willem en die vrouw verteld heeft, is waar: hoe anders die gemeenzaamheid te verklaren, die haar ’t recht geeft, zóo van hem te spreken, en waarom anders heet dat kind naar hem? In een opwelling van smart en schaamte wil Clara opspringen en wegvluchten uit dat oord der schande, waar zij alleen gekomen is, om te vernemen wat ze nu weet. Toch blijft ze zitten. Nog is de stem in haar niet dood, die haar vleit met een laatsten sprank van hoop. In duidelijke woorden wil zij haar vonnis hooren uit den mond dier vrouw,[108]dan eerst kàn ze en màg ze zich overtuigd achten. Ze moet kalm zijn, onverschilligheid veinzen tegenover die medeminnares, die roofster van haar eenigst geluk, dat gebiedt haar jonkvrouwelijke fierheid; groote God, waar zij zou willen gillen van smart, willen opvlammen in woedende verontwaardiging! Want zij weet ’t, als Willem schuld heeft, dan toch is de schuld van dat wezen grooter, oneindig grooter. Zij zal hem door haar helsche bekoring, door haar gemeene aanhalerij zijn plicht hebben doen vergeten! Wellicht had zij gemerkt, dat zijn hart aan Clara hing, en had ze uit duivelsche lust en valschheid, hem verder verkeer met haar onmogelijk willen maken. Maar waarom had hij dan zoo lang gezwegen! Och, hij zal zich geschaamd hebben, plotseling af te breken. De slag zou toch vroeg of laat gevallen zijn. O, daar herinnerde zij zich, hoe dikwijls hij op weemoedigen toon tot haar gezegd had: „O, als ’t anders was, als ’t anders was,” en als zij dan gevraagd had, wat hij bedoelde, had hij nooit opheldering willen geven. Hij had haar nog nooit ronduit gezegd, dat hij haar liefhad.[109]Er kon dus eigenlijk geen sprake zijn van dubbelhartigheid.…. Maar ze kon zich daarin niet vergist hebben: alles in zijn woorden en toon en gebaren verried immers zijn groote genegenheid.… Hij zal niet gedurfd hebben, wetende, dat er toch nooit iets van een huwelijk zou kunnen komen, nu die ellendige connectie met dat mensch bestond. Hij mòcht niet van liefde spreken.…Dat alles warde Clara door ’t hoofd, in de korte poos, dat ze zat te wachten op de terugkomst van Mina, eenige minuten hoogstens, die haar een uur schenen.De deur gaat open en Mina verschijnt weer. Ze gaat kalm zitten.De ander moet spreken, een vraag doen, waarvoor ze terugdeinst.„U kwam, om inlichtingen te vragen of zoo iets, nie’waar?” zegt Mina vriendelijk.„Ja,” zegt Clara, hevig kleurend en weifelend.„Ik … ben … zooals ik u zei een zuster van Mijnheer Victor.… zijn eenige zuster. Zijn Mama en ik houden dol veel van hem, en wij hadden altijd gedacht, dat hij.…. een[110]brave jongen was … we hadden vol vertrouwen in hem en achtten hem tot geen … kwaad in staat. Nu zegt men, dat hij een.… geheime connectie had met een.… meisje, met.… u, en.…. dat hij een kind had.…”’t Laatste was haastig en zenuwachtig gesproken: ’t kòn haast niet over haar lippen komen en ’t werd er als uitgestooten.„Nu, wat zou dat?” vraagt Mina leuk. „Dat is volkomen waar. Hij is een goede, brave jongen. Hij onderhoudt mij en mijn kind goed, dat ziet u.”„Maar,” gaat Clara voort, schoon haar laatste hoop vervlogen is, „dat kind is van … hem, zegt u?”„Van hem? Wel, nu nog mooier, ha, ha, ha! Ik zeg ’t u immers. En ’t is ’n beer van een jongen, hoor, een flinke baas, net als z’n vader, hoewel hij nu een beetje ziek is.”„U begrijpt wel, juffrouw,” antwoordt Clara, schijnbaar kalm, maar inwendig bevend van aandoening „dat wij u geen verwijten mogen maken; maar.… toch is ’t voor mijn moeder en voor mij vreeselijk om zoo iets te hooren.”[111]De ander hoort ieder woord met ware wellust aan. Niettemin zit ze ernstig te luisteren, en antwoordt, eenigszins misnoegd:„Vreeselijk? Omdat hij geen meisje van zijn stand genomen heeft en behoorlijk getrouwd is? Nou, als dat ’t is, hij geeft er niets om, hoor. Hij houdt evenveel van mij, als hij van de mooiste juffer zou houden, en op zijn kind is hij dol.”Ook dat nog! ’t Is Clara te veel.„Maar, begrijpt u dan niet,” zegt ze met trillende stem, „dat op die wijze zijn heele toekomst gebroken is, dat hij nooit vooruit zal kunnen komen in de wereld, als men weet, dat hij.… zoo onverschillig is voor zijn goeden naam?” Zij bedwingt zich bijtijds. De verontwaardiging zou haar haast tot driftige woorden hebben verleid.„Dat kan wel wezen,” zegt Mina schouderophalend, „maar dat ’s zijn eigen schuld, hij heeft ’t zelf zoo gewild.”„Je liegt!” schreeuwt het in Clara, maar zij antwoordt niets. Waartoe dat pijnlijke tooneel nog langer te maken, en riskeeren, dat die[112]vrouw haar gemeen bejegent? Ze staat van haar stoel op.„Ik weet genoeg, juffrouw”, zegt ze iets kalmer. „Ik dank u voor den last, die’ ik u aangedaan heb.”„O, dat ’s niets, hoor. Wil u de kleine niet ’s zien?” Ze weet wel, dat de ander zoo iets niet doen zal, maar leedvermaak geeft haar die vraag in.„O, neen, dank u. Goeden avond, juffrouw.”„Goeden avond, u wil zeker wel mijn groeten aan Willem doen, niet?”De voordeur slaat dicht, en Clara staat op straat.Daarbinnen juicht er een dom, kortzichtig wezen, jaloersch op ’t geluk van hem, die haar geen geluk gegund heeft.Ze vliegt de trap op en mompelt bij zich zelve:„Hij heeft mij niet willen hebben. Die zal hij ook niet hebben, of ik ben een boon.”[113]

[Inhoud]VI.Onttoovering.’t Was een prachtige zomeravond. Den Haag liep uit op echt Haagsche wijze. Overal in de straten zag men lichte dames-toiletjes, fantaisie-pakjes, wandelstokken en strooien hoeden, gedragen door oud en jong, leelijk en mooi. Van ’t laatste weer genoeg, om den vreemdeling, die dan onze lieve residentie bezoekt, een goed idee te geven van Holland’s maagdendom. De trams waren vol, de koffiehuizen in en om Den Haag hadden geen plaatsje onbezet, en om de luchtige buitenplaatsjes werd bijna gevochten. Daar een glas bier drinken, waar men een paar uur over doet, en onder ’t slikken van straat- of wegstof naar de voorbijgangers zitten te kijken en ze critiseeren en taxeeren, was toen, als altijd, voor vele Hagenaars een onvergelijkelijk genot. Er zat iets looms en lui’s in de lucht, dat de gemoederen ontspande en de bedrijvigste hersenen of handen tot een „zoet nietsdoen” bracht. Schier alles streefde naar luchtigheid, en de ontdooide Hollander kreeg[96]iets van de zorgeloosheid en de luchthartigheid van den Italiaan; terwijl de Haagsche Indischman, dat tegenwoordig onmisbaar bestanddeel in de Haagsche bevolking, aan wiens door en door luchtige levensopvatting de hofstad veel van haar kenmerkende luchtigheid te danken heeft, zich thans eerst recht in zijn element begon te voelen.Ook Mevrouw Van Merenstein zou ongetwijfeld dien avond zich bijzonder „lekker” gevoeld hebben, ware ’t niet, dat ongewoon ernstige zaken haar hoofd bezig hielden. ’t Was een „heele soesah” voor haar, maar meer ook niet. Voor de arme Clara was ’t meer, want banger strijd en wreeder twijfeling had haar zieltje te voren nooit gekend. Maar zij bedwong zich zooveel zij kon. Zij wilde hare moeder niet laten zien, hoe zij leed; want zij wilde toonen, dat zij niet overtuigd was, verre van dien, dat zij onbeperkt vertrouwen in Willem Victor bleef stellen, en alleen met haar moeder mee wilde gaan, om deze van haar argwaan te genezen. Al moest zij ettelijke avonden achtereen denzelfden tocht doen, zij had het er voor[97]over, als zij daardoor dien vuigen laster tegen haar liefsten vriend, althans bij haar moeder, onschadelijk kon maken. O, hoe vurig begeerde zij werkelijk de overtuiging te bezitten, dat onwrikbaar vertrouwen, hetwelk zij zoo gaarne voorgaf bewaard te hebben! Ondanks haarzelve, onmeedoogend sarrend en plagend, liet telkens de stem des twijfels zich in haar hooren. Zij besefte, dat haar gemoedsrust weg was, en niet zou weerkeeren voordat zij volle, volle zekerheid had.Moeder en dochter begaven zich op weg naar de straat, waar zij Willem Victor weldra zouden kunnen zien, als Dientje de meid waarheid gesproken had. Vooraf had Mevrouw Van Merenstein zich op de hoogte gesteld van ’t uur, waarop de jonge man gewoon wasdebewuste vrouw te bezoeken, en omtrent het nummer der woning, waar zij verblijf hield.Zonder veel te spreken, de moeder vol zenuwachtige verwachting, de dochter somber en ernstig, liepen zij voort tot de aangeduide plaats. Mevrouw Van Merenstein raadpleegt haar horloge en bemerkt, dat er nog wel tien minuten verloopen kunnen, voordat de jonge Victor zich[98]vertoonen kan, de afstand van het station in aanmerking genomen. Om de aandacht niet te trekken, wandelt het tweetal de straat kalm af en stelt zich voor zóo terug te gaan, dat zij den verwachte achterop kunnen komen, zonder dat deze haar tegenwoordigheid ter plaatse zou kunnen opmerken.De lange tien minuten zijn om. Nog ontwaren de beide vrouwen niets, en reeds begint Clara inwendig te juichen. Ze is op ’t punt, om met een opgelucht: „Ziet u wel?” haar moeder voor te stellen, maar naar huis te gaan, als een haastig voortloopende gestalte op den hoek der straat voor haar haar aandacht trekt. ’t Is Willem Victor. Mevrouw Van Merenstein stoot Clara aan en zegt zacht, maar schamper en sarrend:„Wat heb ik je gezegd? Daar gaat hij …”Clara beeft van aandoening. Nog wil ze ’t niet gelooven: hij zal daar toevallig in die straat moeten wezen. Angstig volgt haar blik hem. Zal hij ’t huis voorbij gaan, waar zij weet, dat die rampzalige vrouw woont? Nog slechts een honderdtal schreden scheiden hem van die plaats.[99]Vreeselijk klopt haar hart, en ’t kost haar een schier bovenmenschelijke inspanning, om haar tranen te bedwingen. Daar vertraagt de jonge man zijn schreden. Hij staat stil voor ’t huis. ’t Is er naast, meent Clara een oogenblik. Neen, ’t is dat en geen ander! Hij belt aan en gaat binnen.„Je ziet ’t,” roept de moeder, een oogenblik vergetende, dat ze op straat is, zoozeer vervult haar de voldoening over het geziene. Zachter vervolgt ze: „Wat zeg je nu? Nu zeg je zeker nòg, dat die Willem een goeie beste jongen is, niet?”Clara antwoordt niet. Ze zou niet kunnen trouwens.Een onzeggelijke smart doet haar hart ineenkrimpen en knijpt haar de keel dicht. Om haar heen zijn overal menschen, die haar gade kunnen slaan. Ze mag dus niet zwak zijn, ze moet zich goed houden. Onwillekeurig grijpt ze den arm harer moeder, en met moeite brengt ze uit:„Naar huis, Mama …”Verder spreekt ze geen woord totdat ze thuis zijn. Daar wil Mevrouw Van Merenstein dadelijk[100]haar hart luchten; maar Clara wil van niets hooren. Ze zegt een vreeselijke hoofdpijn te hebben, en gaat zoo spoedig mogelijk naar haar kamertje. Daar sluit zij zenuwachtig de deur, werpt zich gekleed en al op haar bed en barst in krampachtig snikken uit.Zij moest het dus gelooven! Haar Willem, in haar gedachten zoo goed, zoo braaf, zoo vlekkeloos van levenswandel, had zich dus zóover verlaagd, dat hij een arm meisje in ’t ongeluk gestort had, en nog steeds in een misdadige verstandhouding met haar leefde! En toch.… zou ’t dan wel waar zijn? Had ze dan die zekerheid thans, waarnaar haar ziel zoo gesmacht had? Neen, honderdmaal neen! Hoezeer ze zich ook wijs maakte, dat nu alles uit, voor goed uit was, dat tusschen Willem en haar nimmermeer iets kon bestaan, toch was ze niet rustig. Er was iets als een stil verwijt, dat haar voor de voeten wierp lichtvaardig te oordeelen. Maar was ze dan lichtvaardig geweest? Had ze niet zelf gezien, dat de jonge man bij die vrouw in huis kwam? Wat kon hij daar te doen hebben, als hij geen verboden[101]betrekking met haar onderhield? Maar, was ze dan zoo zeker, dat die vrouw daar woonde? Dientje kon wel met opzet wat verzonnen hebben uit haat tegen Willem, en wie weet, wie daar in dat huis woonde, in plaats van die vrouw! O, op eens schaamde zij zich voor haar eigen vermoedens: als alles onwaar was, wat ze meende ontdekt te hebben, zou ze zichzelve nimmer kunnen vergeven, dat ze, ooit zooveel kwaads van hem geloofd had, op zulke losse gronden. Clara begreep alras, dat ze zóo nooit verder zou komen. De zaak zou haar niet duidelijker worden door over het gebeurde veronderstellingen en gissingen te wagen. Maar wat dan? Dientje uithooren? Dat wierp ze ver van zich af, en wat zou ’t haar ook geven? Neen, ze zou zelf naar die vrouw toe gaan, hoe zwaar ’t haar ook viel, haar zelf gaan zien, en haar zelf vragen, wat er van de zaak aan was.Welk een stap zou dat zijn! Zij, de reine schuldelooze jonkvrouw in vertrouwelijk gesprek te treden met zulk een laag gezonken wezen! Ze huiverde bij de gedachte, schoon ze eigenlijk geen zuiver idee had omtrent den toestand[102]eener vrouw als die Mina. Twee dingen stonden bij haar vast: zij wist dat zulk een gevallen vrouw zeer, zeer slecht was, maar ook diep, diep rampzalig. Afschuw en medelijden streden dan ook bij haar om den voorrang, de enkele malen, dat haar gedachten toevallig die wending namen.Ze zou dus nu zulk een vrouw in haar eigen woning zien en spreken, in onmiddellijke aanraking komen met zooveel afschuwelijks en rampzaligs. Ze moest, want anders zou haar ellende, haar zelffoltering geen einde hebben.Dagen achtereen liep ze met het voornemen rond. In huis was ze bijna steeds in haar kamertje, waar zij met haar gedachten alleen kon zijn in ’t lieve rozeroode vertrekje, waar ze haar eerste liefdedroomen gedroomd, waar zij haar eerste diepe smart gevoeld had. Haar moeder liet geen gelegenheid voorbijgaan om haar over de hatelijke zaak te spreken. Dagelijks moest ze hooren, hoezeer Willem Victor in haar oog verachtelijk en gemeen was. Ze zweeg dan, maar menige vlugge trek om haar mond, menige toeknijping der lippen verried[103]haar wrevel of haar smart, en menigkeer bedwong zij zich, om niet een korzelig antwoord te geven, of weenend van tafel op te staan.Vijf bange dagen verliepen zoo. Eindelijk was ’t haar te machtig. Op een avond zeide zij tot haar moeder, dat zij een vriendin woû gaan opzoeken, sloeg haar langen regenmantel om, deed een dikke zwarte voile voor, en begaf zich op weg naar de Paulus-Potterstraat.’t Was al duister. ’t Was een regenachtige avond, en de straten waren modderig en verlaten. Donkere wolken dreven spookachtig langs een droevig bleeke maan, die eruit zag als ’t gezicht van een ziekelijk, drenzig kind, dat telkens de mouw van zijn nachtpon langs zijn schreiende oogen veegt.Onrustig, niets om haar heen opmerkende, stoof Clara voort door de vieze straten. Een enkele voorbijganger staakte even zijn haastigen gang, om te kijken naar die slanke gestalte, daar voortijlend als een vluchtende. In haar gejaagdheid vergiste zij zich in de straat, waar zij wezen moest. Ze dorst niemand naar den weg te vragen, en zoo zocht zij dien zelve.[104]Langs helder verlichte ramen spoedende ging haar oog soms langs wonderlijke gestalten: vrouwen in négligé of in ongemanierde houdingen. Ze keek er nauwelijks naar: ’t Was haar, als liep ze droomend voort. Eindelijk, Goddank, daar meende ze de straat te herkennen. Ja, daar moest ze wezen, dien hoek om, en dan nog een tiental huizen verder. Ze staat vóor de deur. Angstig overtuigt ze zich van ’t nummer, kijkt zenuwachtig naar alle kanten. God, als nu eens een heer ook daar wezen moest, of Willem zelf! Daar ziet ze een donkere gedaante vlug in haar richting voortloopen. Maar ze heeft al aangescheld! De gedaante gaat voorbij.… De deur wordt van boven open getrokken, en een jeugdig klinkende, heldere stem roept:„Wie is daar?” Lieve Hemel, wat moet ze antwoorden?Clara bedenkt zich een oogenblik, en roept terug: „Hier woont immers Juffrouw Mina Stamans?” „Jawel, maar wat moet u?” klinkt ’t minder vriendelijk van boven. Bijna onmiddellijk daarna hoort Clara een gestommel en[105]geklep van pantoffels op de trap. Mina staat tegenover haar en neemt haar van hoofd tot voeten op. Voordat ze nog een woord verder zegt, vertelt Clara zenuwachtig, dat ze een familielid van Mijnheer Willem Victor is en haar over iets wil spreken. „Een familielid van Willem?” vraagt de ander verbaasd. O, hoe snerpend klinkt dat „Willem” Clara in de ooren: ze is dan wel op gemeenzamen voet met hem, dat ze zóo van hem durft spreken! „Moet u mij spreken?” gaat Mina voort, de zaak verdacht vindende. Ze moet er ’t hare van hebben, want ze brandt van nieuwsgierigheid, wat die mooie juffer—dat heeft ze bij ’t schijnsel van ’t petroleum-lampje op de trap en ondanks Clara’s voile wel gezien—van haar hebben moet. „Kom dan maar boven, Juffrouw,” zegt ze beleefder, na een oogenblik van verwonderd aanstaren.Clara wordt boven in ’t voorvertrek gelaten. Ze komt in een soort salonnetje, met banalen smaak gemeubeld en opgesierd. Voor ’t eerst let ze nu ook op de kleeding der bewoonster: een nette, donkerroode peignoir, die haar met[106]haar donkeren, loshangenden haardos bijzonder goed staat. Een volmaakt dametje. „Is dat de dienstmeid Mina?” vraagt Clara zich af. „O, jawel, ze is dat niet meer.… En toch: is dat dan éen dier geheimzinnige, verachtelijke wezens, die ze wel eens op straat gezien heeft? Wat een fijn, onbeduidend, kinderlijk gezichtje heeft ze, en toch zoo slecht, zoo laag.… ongeloofelijk.”Ook de ander maakt stil haar opmerkingen, als ze Clara volgt en haar gadeslaat. Ze wijst Clara een stoel, en gaat tegenover haar zitten.„U zeî daar zoo, juffrouw, dat u een familielid van Willem was,” begint ze.„Ja,” antwoordt Clara, zich bedenkende, „een.… zuster van Mijnheer Victor.”„Een zuster, o.” De ander gelooft er niets van. Ze ziet, hoe Clara kleurt. Daar moet iets anders achter steken: „’t Is zijn liefje, of ik laat me hangen,” zegt Mina bij zich zelve. Meteen begrijpt ze de zenuwachtigheid der juffer en het doel harer komst. Nu kan ze haar slag slaan: opgepast, denkt ze. Meteen staat ze op en zegt onschuldig weg:[107]„Neem me even niet kwalijk, juffrouw, ik moet eerst naar Wimpje gaan kijken, straks kom ik bij u.”„Zie zoo, dat heeft ze vast beet,” denkt ze, terwijl ze naar de achterkamer gaat, quasi om naar haar kind te gaan zien.Clara ziet een oogenblik alles om zich heen dwarrelen, en zij moet zich aan haar stoel vasthouden, om haar evenwicht te bewaren. Ze heeft dus nu de zekerheid, waarnaar zij zoo haakte! Hoe bitter is de voldoening, waarnaar zij verlangd heeft. Hoe kan ’t anders of alles, wat men haar van Willem en die vrouw verteld heeft, is waar: hoe anders die gemeenzaamheid te verklaren, die haar ’t recht geeft, zóo van hem te spreken, en waarom anders heet dat kind naar hem? In een opwelling van smart en schaamte wil Clara opspringen en wegvluchten uit dat oord der schande, waar zij alleen gekomen is, om te vernemen wat ze nu weet. Toch blijft ze zitten. Nog is de stem in haar niet dood, die haar vleit met een laatsten sprank van hoop. In duidelijke woorden wil zij haar vonnis hooren uit den mond dier vrouw,[108]dan eerst kàn ze en màg ze zich overtuigd achten. Ze moet kalm zijn, onverschilligheid veinzen tegenover die medeminnares, die roofster van haar eenigst geluk, dat gebiedt haar jonkvrouwelijke fierheid; groote God, waar zij zou willen gillen van smart, willen opvlammen in woedende verontwaardiging! Want zij weet ’t, als Willem schuld heeft, dan toch is de schuld van dat wezen grooter, oneindig grooter. Zij zal hem door haar helsche bekoring, door haar gemeene aanhalerij zijn plicht hebben doen vergeten! Wellicht had zij gemerkt, dat zijn hart aan Clara hing, en had ze uit duivelsche lust en valschheid, hem verder verkeer met haar onmogelijk willen maken. Maar waarom had hij dan zoo lang gezwegen! Och, hij zal zich geschaamd hebben, plotseling af te breken. De slag zou toch vroeg of laat gevallen zijn. O, daar herinnerde zij zich, hoe dikwijls hij op weemoedigen toon tot haar gezegd had: „O, als ’t anders was, als ’t anders was,” en als zij dan gevraagd had, wat hij bedoelde, had hij nooit opheldering willen geven. Hij had haar nog nooit ronduit gezegd, dat hij haar liefhad.[109]Er kon dus eigenlijk geen sprake zijn van dubbelhartigheid.…. Maar ze kon zich daarin niet vergist hebben: alles in zijn woorden en toon en gebaren verried immers zijn groote genegenheid.… Hij zal niet gedurfd hebben, wetende, dat er toch nooit iets van een huwelijk zou kunnen komen, nu die ellendige connectie met dat mensch bestond. Hij mòcht niet van liefde spreken.…Dat alles warde Clara door ’t hoofd, in de korte poos, dat ze zat te wachten op de terugkomst van Mina, eenige minuten hoogstens, die haar een uur schenen.De deur gaat open en Mina verschijnt weer. Ze gaat kalm zitten.De ander moet spreken, een vraag doen, waarvoor ze terugdeinst.„U kwam, om inlichtingen te vragen of zoo iets, nie’waar?” zegt Mina vriendelijk.„Ja,” zegt Clara, hevig kleurend en weifelend.„Ik … ben … zooals ik u zei een zuster van Mijnheer Victor.… zijn eenige zuster. Zijn Mama en ik houden dol veel van hem, en wij hadden altijd gedacht, dat hij.…. een[110]brave jongen was … we hadden vol vertrouwen in hem en achtten hem tot geen … kwaad in staat. Nu zegt men, dat hij een.… geheime connectie had met een.… meisje, met.… u, en.…. dat hij een kind had.…”’t Laatste was haastig en zenuwachtig gesproken: ’t kòn haast niet over haar lippen komen en ’t werd er als uitgestooten.„Nu, wat zou dat?” vraagt Mina leuk. „Dat is volkomen waar. Hij is een goede, brave jongen. Hij onderhoudt mij en mijn kind goed, dat ziet u.”„Maar,” gaat Clara voort, schoon haar laatste hoop vervlogen is, „dat kind is van … hem, zegt u?”„Van hem? Wel, nu nog mooier, ha, ha, ha! Ik zeg ’t u immers. En ’t is ’n beer van een jongen, hoor, een flinke baas, net als z’n vader, hoewel hij nu een beetje ziek is.”„U begrijpt wel, juffrouw,” antwoordt Clara, schijnbaar kalm, maar inwendig bevend van aandoening „dat wij u geen verwijten mogen maken; maar.… toch is ’t voor mijn moeder en voor mij vreeselijk om zoo iets te hooren.”[111]De ander hoort ieder woord met ware wellust aan. Niettemin zit ze ernstig te luisteren, en antwoordt, eenigszins misnoegd:„Vreeselijk? Omdat hij geen meisje van zijn stand genomen heeft en behoorlijk getrouwd is? Nou, als dat ’t is, hij geeft er niets om, hoor. Hij houdt evenveel van mij, als hij van de mooiste juffer zou houden, en op zijn kind is hij dol.”Ook dat nog! ’t Is Clara te veel.„Maar, begrijpt u dan niet,” zegt ze met trillende stem, „dat op die wijze zijn heele toekomst gebroken is, dat hij nooit vooruit zal kunnen komen in de wereld, als men weet, dat hij.… zoo onverschillig is voor zijn goeden naam?” Zij bedwingt zich bijtijds. De verontwaardiging zou haar haast tot driftige woorden hebben verleid.„Dat kan wel wezen,” zegt Mina schouderophalend, „maar dat ’s zijn eigen schuld, hij heeft ’t zelf zoo gewild.”„Je liegt!” schreeuwt het in Clara, maar zij antwoordt niets. Waartoe dat pijnlijke tooneel nog langer te maken, en riskeeren, dat die[112]vrouw haar gemeen bejegent? Ze staat van haar stoel op.„Ik weet genoeg, juffrouw”, zegt ze iets kalmer. „Ik dank u voor den last, die’ ik u aangedaan heb.”„O, dat ’s niets, hoor. Wil u de kleine niet ’s zien?” Ze weet wel, dat de ander zoo iets niet doen zal, maar leedvermaak geeft haar die vraag in.„O, neen, dank u. Goeden avond, juffrouw.”„Goeden avond, u wil zeker wel mijn groeten aan Willem doen, niet?”De voordeur slaat dicht, en Clara staat op straat.Daarbinnen juicht er een dom, kortzichtig wezen, jaloersch op ’t geluk van hem, die haar geen geluk gegund heeft.Ze vliegt de trap op en mompelt bij zich zelve:„Hij heeft mij niet willen hebben. Die zal hij ook niet hebben, of ik ben een boon.”[113]

VI.Onttoovering.

’t Was een prachtige zomeravond. Den Haag liep uit op echt Haagsche wijze. Overal in de straten zag men lichte dames-toiletjes, fantaisie-pakjes, wandelstokken en strooien hoeden, gedragen door oud en jong, leelijk en mooi. Van ’t laatste weer genoeg, om den vreemdeling, die dan onze lieve residentie bezoekt, een goed idee te geven van Holland’s maagdendom. De trams waren vol, de koffiehuizen in en om Den Haag hadden geen plaatsje onbezet, en om de luchtige buitenplaatsjes werd bijna gevochten. Daar een glas bier drinken, waar men een paar uur over doet, en onder ’t slikken van straat- of wegstof naar de voorbijgangers zitten te kijken en ze critiseeren en taxeeren, was toen, als altijd, voor vele Hagenaars een onvergelijkelijk genot. Er zat iets looms en lui’s in de lucht, dat de gemoederen ontspande en de bedrijvigste hersenen of handen tot een „zoet nietsdoen” bracht. Schier alles streefde naar luchtigheid, en de ontdooide Hollander kreeg[96]iets van de zorgeloosheid en de luchthartigheid van den Italiaan; terwijl de Haagsche Indischman, dat tegenwoordig onmisbaar bestanddeel in de Haagsche bevolking, aan wiens door en door luchtige levensopvatting de hofstad veel van haar kenmerkende luchtigheid te danken heeft, zich thans eerst recht in zijn element begon te voelen.Ook Mevrouw Van Merenstein zou ongetwijfeld dien avond zich bijzonder „lekker” gevoeld hebben, ware ’t niet, dat ongewoon ernstige zaken haar hoofd bezig hielden. ’t Was een „heele soesah” voor haar, maar meer ook niet. Voor de arme Clara was ’t meer, want banger strijd en wreeder twijfeling had haar zieltje te voren nooit gekend. Maar zij bedwong zich zooveel zij kon. Zij wilde hare moeder niet laten zien, hoe zij leed; want zij wilde toonen, dat zij niet overtuigd was, verre van dien, dat zij onbeperkt vertrouwen in Willem Victor bleef stellen, en alleen met haar moeder mee wilde gaan, om deze van haar argwaan te genezen. Al moest zij ettelijke avonden achtereen denzelfden tocht doen, zij had het er voor[97]over, als zij daardoor dien vuigen laster tegen haar liefsten vriend, althans bij haar moeder, onschadelijk kon maken. O, hoe vurig begeerde zij werkelijk de overtuiging te bezitten, dat onwrikbaar vertrouwen, hetwelk zij zoo gaarne voorgaf bewaard te hebben! Ondanks haarzelve, onmeedoogend sarrend en plagend, liet telkens de stem des twijfels zich in haar hooren. Zij besefte, dat haar gemoedsrust weg was, en niet zou weerkeeren voordat zij volle, volle zekerheid had.Moeder en dochter begaven zich op weg naar de straat, waar zij Willem Victor weldra zouden kunnen zien, als Dientje de meid waarheid gesproken had. Vooraf had Mevrouw Van Merenstein zich op de hoogte gesteld van ’t uur, waarop de jonge man gewoon wasdebewuste vrouw te bezoeken, en omtrent het nummer der woning, waar zij verblijf hield.Zonder veel te spreken, de moeder vol zenuwachtige verwachting, de dochter somber en ernstig, liepen zij voort tot de aangeduide plaats. Mevrouw Van Merenstein raadpleegt haar horloge en bemerkt, dat er nog wel tien minuten verloopen kunnen, voordat de jonge Victor zich[98]vertoonen kan, de afstand van het station in aanmerking genomen. Om de aandacht niet te trekken, wandelt het tweetal de straat kalm af en stelt zich voor zóo terug te gaan, dat zij den verwachte achterop kunnen komen, zonder dat deze haar tegenwoordigheid ter plaatse zou kunnen opmerken.De lange tien minuten zijn om. Nog ontwaren de beide vrouwen niets, en reeds begint Clara inwendig te juichen. Ze is op ’t punt, om met een opgelucht: „Ziet u wel?” haar moeder voor te stellen, maar naar huis te gaan, als een haastig voortloopende gestalte op den hoek der straat voor haar haar aandacht trekt. ’t Is Willem Victor. Mevrouw Van Merenstein stoot Clara aan en zegt zacht, maar schamper en sarrend:„Wat heb ik je gezegd? Daar gaat hij …”Clara beeft van aandoening. Nog wil ze ’t niet gelooven: hij zal daar toevallig in die straat moeten wezen. Angstig volgt haar blik hem. Zal hij ’t huis voorbij gaan, waar zij weet, dat die rampzalige vrouw woont? Nog slechts een honderdtal schreden scheiden hem van die plaats.[99]Vreeselijk klopt haar hart, en ’t kost haar een schier bovenmenschelijke inspanning, om haar tranen te bedwingen. Daar vertraagt de jonge man zijn schreden. Hij staat stil voor ’t huis. ’t Is er naast, meent Clara een oogenblik. Neen, ’t is dat en geen ander! Hij belt aan en gaat binnen.„Je ziet ’t,” roept de moeder, een oogenblik vergetende, dat ze op straat is, zoozeer vervult haar de voldoening over het geziene. Zachter vervolgt ze: „Wat zeg je nu? Nu zeg je zeker nòg, dat die Willem een goeie beste jongen is, niet?”Clara antwoordt niet. Ze zou niet kunnen trouwens.Een onzeggelijke smart doet haar hart ineenkrimpen en knijpt haar de keel dicht. Om haar heen zijn overal menschen, die haar gade kunnen slaan. Ze mag dus niet zwak zijn, ze moet zich goed houden. Onwillekeurig grijpt ze den arm harer moeder, en met moeite brengt ze uit:„Naar huis, Mama …”Verder spreekt ze geen woord totdat ze thuis zijn. Daar wil Mevrouw Van Merenstein dadelijk[100]haar hart luchten; maar Clara wil van niets hooren. Ze zegt een vreeselijke hoofdpijn te hebben, en gaat zoo spoedig mogelijk naar haar kamertje. Daar sluit zij zenuwachtig de deur, werpt zich gekleed en al op haar bed en barst in krampachtig snikken uit.Zij moest het dus gelooven! Haar Willem, in haar gedachten zoo goed, zoo braaf, zoo vlekkeloos van levenswandel, had zich dus zóover verlaagd, dat hij een arm meisje in ’t ongeluk gestort had, en nog steeds in een misdadige verstandhouding met haar leefde! En toch.… zou ’t dan wel waar zijn? Had ze dan die zekerheid thans, waarnaar haar ziel zoo gesmacht had? Neen, honderdmaal neen! Hoezeer ze zich ook wijs maakte, dat nu alles uit, voor goed uit was, dat tusschen Willem en haar nimmermeer iets kon bestaan, toch was ze niet rustig. Er was iets als een stil verwijt, dat haar voor de voeten wierp lichtvaardig te oordeelen. Maar was ze dan lichtvaardig geweest? Had ze niet zelf gezien, dat de jonge man bij die vrouw in huis kwam? Wat kon hij daar te doen hebben, als hij geen verboden[101]betrekking met haar onderhield? Maar, was ze dan zoo zeker, dat die vrouw daar woonde? Dientje kon wel met opzet wat verzonnen hebben uit haat tegen Willem, en wie weet, wie daar in dat huis woonde, in plaats van die vrouw! O, op eens schaamde zij zich voor haar eigen vermoedens: als alles onwaar was, wat ze meende ontdekt te hebben, zou ze zichzelve nimmer kunnen vergeven, dat ze, ooit zooveel kwaads van hem geloofd had, op zulke losse gronden. Clara begreep alras, dat ze zóo nooit verder zou komen. De zaak zou haar niet duidelijker worden door over het gebeurde veronderstellingen en gissingen te wagen. Maar wat dan? Dientje uithooren? Dat wierp ze ver van zich af, en wat zou ’t haar ook geven? Neen, ze zou zelf naar die vrouw toe gaan, hoe zwaar ’t haar ook viel, haar zelf gaan zien, en haar zelf vragen, wat er van de zaak aan was.Welk een stap zou dat zijn! Zij, de reine schuldelooze jonkvrouw in vertrouwelijk gesprek te treden met zulk een laag gezonken wezen! Ze huiverde bij de gedachte, schoon ze eigenlijk geen zuiver idee had omtrent den toestand[102]eener vrouw als die Mina. Twee dingen stonden bij haar vast: zij wist dat zulk een gevallen vrouw zeer, zeer slecht was, maar ook diep, diep rampzalig. Afschuw en medelijden streden dan ook bij haar om den voorrang, de enkele malen, dat haar gedachten toevallig die wending namen.Ze zou dus nu zulk een vrouw in haar eigen woning zien en spreken, in onmiddellijke aanraking komen met zooveel afschuwelijks en rampzaligs. Ze moest, want anders zou haar ellende, haar zelffoltering geen einde hebben.Dagen achtereen liep ze met het voornemen rond. In huis was ze bijna steeds in haar kamertje, waar zij met haar gedachten alleen kon zijn in ’t lieve rozeroode vertrekje, waar ze haar eerste liefdedroomen gedroomd, waar zij haar eerste diepe smart gevoeld had. Haar moeder liet geen gelegenheid voorbijgaan om haar over de hatelijke zaak te spreken. Dagelijks moest ze hooren, hoezeer Willem Victor in haar oog verachtelijk en gemeen was. Ze zweeg dan, maar menige vlugge trek om haar mond, menige toeknijping der lippen verried[103]haar wrevel of haar smart, en menigkeer bedwong zij zich, om niet een korzelig antwoord te geven, of weenend van tafel op te staan.Vijf bange dagen verliepen zoo. Eindelijk was ’t haar te machtig. Op een avond zeide zij tot haar moeder, dat zij een vriendin woû gaan opzoeken, sloeg haar langen regenmantel om, deed een dikke zwarte voile voor, en begaf zich op weg naar de Paulus-Potterstraat.’t Was al duister. ’t Was een regenachtige avond, en de straten waren modderig en verlaten. Donkere wolken dreven spookachtig langs een droevig bleeke maan, die eruit zag als ’t gezicht van een ziekelijk, drenzig kind, dat telkens de mouw van zijn nachtpon langs zijn schreiende oogen veegt.Onrustig, niets om haar heen opmerkende, stoof Clara voort door de vieze straten. Een enkele voorbijganger staakte even zijn haastigen gang, om te kijken naar die slanke gestalte, daar voortijlend als een vluchtende. In haar gejaagdheid vergiste zij zich in de straat, waar zij wezen moest. Ze dorst niemand naar den weg te vragen, en zoo zocht zij dien zelve.[104]Langs helder verlichte ramen spoedende ging haar oog soms langs wonderlijke gestalten: vrouwen in négligé of in ongemanierde houdingen. Ze keek er nauwelijks naar: ’t Was haar, als liep ze droomend voort. Eindelijk, Goddank, daar meende ze de straat te herkennen. Ja, daar moest ze wezen, dien hoek om, en dan nog een tiental huizen verder. Ze staat vóor de deur. Angstig overtuigt ze zich van ’t nummer, kijkt zenuwachtig naar alle kanten. God, als nu eens een heer ook daar wezen moest, of Willem zelf! Daar ziet ze een donkere gedaante vlug in haar richting voortloopen. Maar ze heeft al aangescheld! De gedaante gaat voorbij.… De deur wordt van boven open getrokken, en een jeugdig klinkende, heldere stem roept:„Wie is daar?” Lieve Hemel, wat moet ze antwoorden?Clara bedenkt zich een oogenblik, en roept terug: „Hier woont immers Juffrouw Mina Stamans?” „Jawel, maar wat moet u?” klinkt ’t minder vriendelijk van boven. Bijna onmiddellijk daarna hoort Clara een gestommel en[105]geklep van pantoffels op de trap. Mina staat tegenover haar en neemt haar van hoofd tot voeten op. Voordat ze nog een woord verder zegt, vertelt Clara zenuwachtig, dat ze een familielid van Mijnheer Willem Victor is en haar over iets wil spreken. „Een familielid van Willem?” vraagt de ander verbaasd. O, hoe snerpend klinkt dat „Willem” Clara in de ooren: ze is dan wel op gemeenzamen voet met hem, dat ze zóo van hem durft spreken! „Moet u mij spreken?” gaat Mina voort, de zaak verdacht vindende. Ze moet er ’t hare van hebben, want ze brandt van nieuwsgierigheid, wat die mooie juffer—dat heeft ze bij ’t schijnsel van ’t petroleum-lampje op de trap en ondanks Clara’s voile wel gezien—van haar hebben moet. „Kom dan maar boven, Juffrouw,” zegt ze beleefder, na een oogenblik van verwonderd aanstaren.Clara wordt boven in ’t voorvertrek gelaten. Ze komt in een soort salonnetje, met banalen smaak gemeubeld en opgesierd. Voor ’t eerst let ze nu ook op de kleeding der bewoonster: een nette, donkerroode peignoir, die haar met[106]haar donkeren, loshangenden haardos bijzonder goed staat. Een volmaakt dametje. „Is dat de dienstmeid Mina?” vraagt Clara zich af. „O, jawel, ze is dat niet meer.… En toch: is dat dan éen dier geheimzinnige, verachtelijke wezens, die ze wel eens op straat gezien heeft? Wat een fijn, onbeduidend, kinderlijk gezichtje heeft ze, en toch zoo slecht, zoo laag.… ongeloofelijk.”Ook de ander maakt stil haar opmerkingen, als ze Clara volgt en haar gadeslaat. Ze wijst Clara een stoel, en gaat tegenover haar zitten.„U zeî daar zoo, juffrouw, dat u een familielid van Willem was,” begint ze.„Ja,” antwoordt Clara, zich bedenkende, „een.… zuster van Mijnheer Victor.”„Een zuster, o.” De ander gelooft er niets van. Ze ziet, hoe Clara kleurt. Daar moet iets anders achter steken: „’t Is zijn liefje, of ik laat me hangen,” zegt Mina bij zich zelve. Meteen begrijpt ze de zenuwachtigheid der juffer en het doel harer komst. Nu kan ze haar slag slaan: opgepast, denkt ze. Meteen staat ze op en zegt onschuldig weg:[107]„Neem me even niet kwalijk, juffrouw, ik moet eerst naar Wimpje gaan kijken, straks kom ik bij u.”„Zie zoo, dat heeft ze vast beet,” denkt ze, terwijl ze naar de achterkamer gaat, quasi om naar haar kind te gaan zien.Clara ziet een oogenblik alles om zich heen dwarrelen, en zij moet zich aan haar stoel vasthouden, om haar evenwicht te bewaren. Ze heeft dus nu de zekerheid, waarnaar zij zoo haakte! Hoe bitter is de voldoening, waarnaar zij verlangd heeft. Hoe kan ’t anders of alles, wat men haar van Willem en die vrouw verteld heeft, is waar: hoe anders die gemeenzaamheid te verklaren, die haar ’t recht geeft, zóo van hem te spreken, en waarom anders heet dat kind naar hem? In een opwelling van smart en schaamte wil Clara opspringen en wegvluchten uit dat oord der schande, waar zij alleen gekomen is, om te vernemen wat ze nu weet. Toch blijft ze zitten. Nog is de stem in haar niet dood, die haar vleit met een laatsten sprank van hoop. In duidelijke woorden wil zij haar vonnis hooren uit den mond dier vrouw,[108]dan eerst kàn ze en màg ze zich overtuigd achten. Ze moet kalm zijn, onverschilligheid veinzen tegenover die medeminnares, die roofster van haar eenigst geluk, dat gebiedt haar jonkvrouwelijke fierheid; groote God, waar zij zou willen gillen van smart, willen opvlammen in woedende verontwaardiging! Want zij weet ’t, als Willem schuld heeft, dan toch is de schuld van dat wezen grooter, oneindig grooter. Zij zal hem door haar helsche bekoring, door haar gemeene aanhalerij zijn plicht hebben doen vergeten! Wellicht had zij gemerkt, dat zijn hart aan Clara hing, en had ze uit duivelsche lust en valschheid, hem verder verkeer met haar onmogelijk willen maken. Maar waarom had hij dan zoo lang gezwegen! Och, hij zal zich geschaamd hebben, plotseling af te breken. De slag zou toch vroeg of laat gevallen zijn. O, daar herinnerde zij zich, hoe dikwijls hij op weemoedigen toon tot haar gezegd had: „O, als ’t anders was, als ’t anders was,” en als zij dan gevraagd had, wat hij bedoelde, had hij nooit opheldering willen geven. Hij had haar nog nooit ronduit gezegd, dat hij haar liefhad.[109]Er kon dus eigenlijk geen sprake zijn van dubbelhartigheid.…. Maar ze kon zich daarin niet vergist hebben: alles in zijn woorden en toon en gebaren verried immers zijn groote genegenheid.… Hij zal niet gedurfd hebben, wetende, dat er toch nooit iets van een huwelijk zou kunnen komen, nu die ellendige connectie met dat mensch bestond. Hij mòcht niet van liefde spreken.…Dat alles warde Clara door ’t hoofd, in de korte poos, dat ze zat te wachten op de terugkomst van Mina, eenige minuten hoogstens, die haar een uur schenen.De deur gaat open en Mina verschijnt weer. Ze gaat kalm zitten.De ander moet spreken, een vraag doen, waarvoor ze terugdeinst.„U kwam, om inlichtingen te vragen of zoo iets, nie’waar?” zegt Mina vriendelijk.„Ja,” zegt Clara, hevig kleurend en weifelend.„Ik … ben … zooals ik u zei een zuster van Mijnheer Victor.… zijn eenige zuster. Zijn Mama en ik houden dol veel van hem, en wij hadden altijd gedacht, dat hij.…. een[110]brave jongen was … we hadden vol vertrouwen in hem en achtten hem tot geen … kwaad in staat. Nu zegt men, dat hij een.… geheime connectie had met een.… meisje, met.… u, en.…. dat hij een kind had.…”’t Laatste was haastig en zenuwachtig gesproken: ’t kòn haast niet over haar lippen komen en ’t werd er als uitgestooten.„Nu, wat zou dat?” vraagt Mina leuk. „Dat is volkomen waar. Hij is een goede, brave jongen. Hij onderhoudt mij en mijn kind goed, dat ziet u.”„Maar,” gaat Clara voort, schoon haar laatste hoop vervlogen is, „dat kind is van … hem, zegt u?”„Van hem? Wel, nu nog mooier, ha, ha, ha! Ik zeg ’t u immers. En ’t is ’n beer van een jongen, hoor, een flinke baas, net als z’n vader, hoewel hij nu een beetje ziek is.”„U begrijpt wel, juffrouw,” antwoordt Clara, schijnbaar kalm, maar inwendig bevend van aandoening „dat wij u geen verwijten mogen maken; maar.… toch is ’t voor mijn moeder en voor mij vreeselijk om zoo iets te hooren.”[111]De ander hoort ieder woord met ware wellust aan. Niettemin zit ze ernstig te luisteren, en antwoordt, eenigszins misnoegd:„Vreeselijk? Omdat hij geen meisje van zijn stand genomen heeft en behoorlijk getrouwd is? Nou, als dat ’t is, hij geeft er niets om, hoor. Hij houdt evenveel van mij, als hij van de mooiste juffer zou houden, en op zijn kind is hij dol.”Ook dat nog! ’t Is Clara te veel.„Maar, begrijpt u dan niet,” zegt ze met trillende stem, „dat op die wijze zijn heele toekomst gebroken is, dat hij nooit vooruit zal kunnen komen in de wereld, als men weet, dat hij.… zoo onverschillig is voor zijn goeden naam?” Zij bedwingt zich bijtijds. De verontwaardiging zou haar haast tot driftige woorden hebben verleid.„Dat kan wel wezen,” zegt Mina schouderophalend, „maar dat ’s zijn eigen schuld, hij heeft ’t zelf zoo gewild.”„Je liegt!” schreeuwt het in Clara, maar zij antwoordt niets. Waartoe dat pijnlijke tooneel nog langer te maken, en riskeeren, dat die[112]vrouw haar gemeen bejegent? Ze staat van haar stoel op.„Ik weet genoeg, juffrouw”, zegt ze iets kalmer. „Ik dank u voor den last, die’ ik u aangedaan heb.”„O, dat ’s niets, hoor. Wil u de kleine niet ’s zien?” Ze weet wel, dat de ander zoo iets niet doen zal, maar leedvermaak geeft haar die vraag in.„O, neen, dank u. Goeden avond, juffrouw.”„Goeden avond, u wil zeker wel mijn groeten aan Willem doen, niet?”De voordeur slaat dicht, en Clara staat op straat.Daarbinnen juicht er een dom, kortzichtig wezen, jaloersch op ’t geluk van hem, die haar geen geluk gegund heeft.Ze vliegt de trap op en mompelt bij zich zelve:„Hij heeft mij niet willen hebben. Die zal hij ook niet hebben, of ik ben een boon.”[113]

’t Was een prachtige zomeravond. Den Haag liep uit op echt Haagsche wijze. Overal in de straten zag men lichte dames-toiletjes, fantaisie-pakjes, wandelstokken en strooien hoeden, gedragen door oud en jong, leelijk en mooi. Van ’t laatste weer genoeg, om den vreemdeling, die dan onze lieve residentie bezoekt, een goed idee te geven van Holland’s maagdendom. De trams waren vol, de koffiehuizen in en om Den Haag hadden geen plaatsje onbezet, en om de luchtige buitenplaatsjes werd bijna gevochten. Daar een glas bier drinken, waar men een paar uur over doet, en onder ’t slikken van straat- of wegstof naar de voorbijgangers zitten te kijken en ze critiseeren en taxeeren, was toen, als altijd, voor vele Hagenaars een onvergelijkelijk genot. Er zat iets looms en lui’s in de lucht, dat de gemoederen ontspande en de bedrijvigste hersenen of handen tot een „zoet nietsdoen” bracht. Schier alles streefde naar luchtigheid, en de ontdooide Hollander kreeg[96]iets van de zorgeloosheid en de luchthartigheid van den Italiaan; terwijl de Haagsche Indischman, dat tegenwoordig onmisbaar bestanddeel in de Haagsche bevolking, aan wiens door en door luchtige levensopvatting de hofstad veel van haar kenmerkende luchtigheid te danken heeft, zich thans eerst recht in zijn element begon te voelen.

Ook Mevrouw Van Merenstein zou ongetwijfeld dien avond zich bijzonder „lekker” gevoeld hebben, ware ’t niet, dat ongewoon ernstige zaken haar hoofd bezig hielden. ’t Was een „heele soesah” voor haar, maar meer ook niet. Voor de arme Clara was ’t meer, want banger strijd en wreeder twijfeling had haar zieltje te voren nooit gekend. Maar zij bedwong zich zooveel zij kon. Zij wilde hare moeder niet laten zien, hoe zij leed; want zij wilde toonen, dat zij niet overtuigd was, verre van dien, dat zij onbeperkt vertrouwen in Willem Victor bleef stellen, en alleen met haar moeder mee wilde gaan, om deze van haar argwaan te genezen. Al moest zij ettelijke avonden achtereen denzelfden tocht doen, zij had het er voor[97]over, als zij daardoor dien vuigen laster tegen haar liefsten vriend, althans bij haar moeder, onschadelijk kon maken. O, hoe vurig begeerde zij werkelijk de overtuiging te bezitten, dat onwrikbaar vertrouwen, hetwelk zij zoo gaarne voorgaf bewaard te hebben! Ondanks haarzelve, onmeedoogend sarrend en plagend, liet telkens de stem des twijfels zich in haar hooren. Zij besefte, dat haar gemoedsrust weg was, en niet zou weerkeeren voordat zij volle, volle zekerheid had.

Moeder en dochter begaven zich op weg naar de straat, waar zij Willem Victor weldra zouden kunnen zien, als Dientje de meid waarheid gesproken had. Vooraf had Mevrouw Van Merenstein zich op de hoogte gesteld van ’t uur, waarop de jonge man gewoon wasdebewuste vrouw te bezoeken, en omtrent het nummer der woning, waar zij verblijf hield.

Zonder veel te spreken, de moeder vol zenuwachtige verwachting, de dochter somber en ernstig, liepen zij voort tot de aangeduide plaats. Mevrouw Van Merenstein raadpleegt haar horloge en bemerkt, dat er nog wel tien minuten verloopen kunnen, voordat de jonge Victor zich[98]vertoonen kan, de afstand van het station in aanmerking genomen. Om de aandacht niet te trekken, wandelt het tweetal de straat kalm af en stelt zich voor zóo terug te gaan, dat zij den verwachte achterop kunnen komen, zonder dat deze haar tegenwoordigheid ter plaatse zou kunnen opmerken.

De lange tien minuten zijn om. Nog ontwaren de beide vrouwen niets, en reeds begint Clara inwendig te juichen. Ze is op ’t punt, om met een opgelucht: „Ziet u wel?” haar moeder voor te stellen, maar naar huis te gaan, als een haastig voortloopende gestalte op den hoek der straat voor haar haar aandacht trekt. ’t Is Willem Victor. Mevrouw Van Merenstein stoot Clara aan en zegt zacht, maar schamper en sarrend:

„Wat heb ik je gezegd? Daar gaat hij …”

Clara beeft van aandoening. Nog wil ze ’t niet gelooven: hij zal daar toevallig in die straat moeten wezen. Angstig volgt haar blik hem. Zal hij ’t huis voorbij gaan, waar zij weet, dat die rampzalige vrouw woont? Nog slechts een honderdtal schreden scheiden hem van die plaats.[99]Vreeselijk klopt haar hart, en ’t kost haar een schier bovenmenschelijke inspanning, om haar tranen te bedwingen. Daar vertraagt de jonge man zijn schreden. Hij staat stil voor ’t huis. ’t Is er naast, meent Clara een oogenblik. Neen, ’t is dat en geen ander! Hij belt aan en gaat binnen.

„Je ziet ’t,” roept de moeder, een oogenblik vergetende, dat ze op straat is, zoozeer vervult haar de voldoening over het geziene. Zachter vervolgt ze: „Wat zeg je nu? Nu zeg je zeker nòg, dat die Willem een goeie beste jongen is, niet?”

Clara antwoordt niet. Ze zou niet kunnen trouwens.

Een onzeggelijke smart doet haar hart ineenkrimpen en knijpt haar de keel dicht. Om haar heen zijn overal menschen, die haar gade kunnen slaan. Ze mag dus niet zwak zijn, ze moet zich goed houden. Onwillekeurig grijpt ze den arm harer moeder, en met moeite brengt ze uit:

„Naar huis, Mama …”

Verder spreekt ze geen woord totdat ze thuis zijn. Daar wil Mevrouw Van Merenstein dadelijk[100]haar hart luchten; maar Clara wil van niets hooren. Ze zegt een vreeselijke hoofdpijn te hebben, en gaat zoo spoedig mogelijk naar haar kamertje. Daar sluit zij zenuwachtig de deur, werpt zich gekleed en al op haar bed en barst in krampachtig snikken uit.

Zij moest het dus gelooven! Haar Willem, in haar gedachten zoo goed, zoo braaf, zoo vlekkeloos van levenswandel, had zich dus zóover verlaagd, dat hij een arm meisje in ’t ongeluk gestort had, en nog steeds in een misdadige verstandhouding met haar leefde! En toch.… zou ’t dan wel waar zijn? Had ze dan die zekerheid thans, waarnaar haar ziel zoo gesmacht had? Neen, honderdmaal neen! Hoezeer ze zich ook wijs maakte, dat nu alles uit, voor goed uit was, dat tusschen Willem en haar nimmermeer iets kon bestaan, toch was ze niet rustig. Er was iets als een stil verwijt, dat haar voor de voeten wierp lichtvaardig te oordeelen. Maar was ze dan lichtvaardig geweest? Had ze niet zelf gezien, dat de jonge man bij die vrouw in huis kwam? Wat kon hij daar te doen hebben, als hij geen verboden[101]betrekking met haar onderhield? Maar, was ze dan zoo zeker, dat die vrouw daar woonde? Dientje kon wel met opzet wat verzonnen hebben uit haat tegen Willem, en wie weet, wie daar in dat huis woonde, in plaats van die vrouw! O, op eens schaamde zij zich voor haar eigen vermoedens: als alles onwaar was, wat ze meende ontdekt te hebben, zou ze zichzelve nimmer kunnen vergeven, dat ze, ooit zooveel kwaads van hem geloofd had, op zulke losse gronden. Clara begreep alras, dat ze zóo nooit verder zou komen. De zaak zou haar niet duidelijker worden door over het gebeurde veronderstellingen en gissingen te wagen. Maar wat dan? Dientje uithooren? Dat wierp ze ver van zich af, en wat zou ’t haar ook geven? Neen, ze zou zelf naar die vrouw toe gaan, hoe zwaar ’t haar ook viel, haar zelf gaan zien, en haar zelf vragen, wat er van de zaak aan was.

Welk een stap zou dat zijn! Zij, de reine schuldelooze jonkvrouw in vertrouwelijk gesprek te treden met zulk een laag gezonken wezen! Ze huiverde bij de gedachte, schoon ze eigenlijk geen zuiver idee had omtrent den toestand[102]eener vrouw als die Mina. Twee dingen stonden bij haar vast: zij wist dat zulk een gevallen vrouw zeer, zeer slecht was, maar ook diep, diep rampzalig. Afschuw en medelijden streden dan ook bij haar om den voorrang, de enkele malen, dat haar gedachten toevallig die wending namen.

Ze zou dus nu zulk een vrouw in haar eigen woning zien en spreken, in onmiddellijke aanraking komen met zooveel afschuwelijks en rampzaligs. Ze moest, want anders zou haar ellende, haar zelffoltering geen einde hebben.

Dagen achtereen liep ze met het voornemen rond. In huis was ze bijna steeds in haar kamertje, waar zij met haar gedachten alleen kon zijn in ’t lieve rozeroode vertrekje, waar ze haar eerste liefdedroomen gedroomd, waar zij haar eerste diepe smart gevoeld had. Haar moeder liet geen gelegenheid voorbijgaan om haar over de hatelijke zaak te spreken. Dagelijks moest ze hooren, hoezeer Willem Victor in haar oog verachtelijk en gemeen was. Ze zweeg dan, maar menige vlugge trek om haar mond, menige toeknijping der lippen verried[103]haar wrevel of haar smart, en menigkeer bedwong zij zich, om niet een korzelig antwoord te geven, of weenend van tafel op te staan.

Vijf bange dagen verliepen zoo. Eindelijk was ’t haar te machtig. Op een avond zeide zij tot haar moeder, dat zij een vriendin woû gaan opzoeken, sloeg haar langen regenmantel om, deed een dikke zwarte voile voor, en begaf zich op weg naar de Paulus-Potterstraat.

’t Was al duister. ’t Was een regenachtige avond, en de straten waren modderig en verlaten. Donkere wolken dreven spookachtig langs een droevig bleeke maan, die eruit zag als ’t gezicht van een ziekelijk, drenzig kind, dat telkens de mouw van zijn nachtpon langs zijn schreiende oogen veegt.

Onrustig, niets om haar heen opmerkende, stoof Clara voort door de vieze straten. Een enkele voorbijganger staakte even zijn haastigen gang, om te kijken naar die slanke gestalte, daar voortijlend als een vluchtende. In haar gejaagdheid vergiste zij zich in de straat, waar zij wezen moest. Ze dorst niemand naar den weg te vragen, en zoo zocht zij dien zelve.[104]Langs helder verlichte ramen spoedende ging haar oog soms langs wonderlijke gestalten: vrouwen in négligé of in ongemanierde houdingen. Ze keek er nauwelijks naar: ’t Was haar, als liep ze droomend voort. Eindelijk, Goddank, daar meende ze de straat te herkennen. Ja, daar moest ze wezen, dien hoek om, en dan nog een tiental huizen verder. Ze staat vóor de deur. Angstig overtuigt ze zich van ’t nummer, kijkt zenuwachtig naar alle kanten. God, als nu eens een heer ook daar wezen moest, of Willem zelf! Daar ziet ze een donkere gedaante vlug in haar richting voortloopen. Maar ze heeft al aangescheld! De gedaante gaat voorbij.… De deur wordt van boven open getrokken, en een jeugdig klinkende, heldere stem roept:

„Wie is daar?” Lieve Hemel, wat moet ze antwoorden?

Clara bedenkt zich een oogenblik, en roept terug: „Hier woont immers Juffrouw Mina Stamans?” „Jawel, maar wat moet u?” klinkt ’t minder vriendelijk van boven. Bijna onmiddellijk daarna hoort Clara een gestommel en[105]geklep van pantoffels op de trap. Mina staat tegenover haar en neemt haar van hoofd tot voeten op. Voordat ze nog een woord verder zegt, vertelt Clara zenuwachtig, dat ze een familielid van Mijnheer Willem Victor is en haar over iets wil spreken. „Een familielid van Willem?” vraagt de ander verbaasd. O, hoe snerpend klinkt dat „Willem” Clara in de ooren: ze is dan wel op gemeenzamen voet met hem, dat ze zóo van hem durft spreken! „Moet u mij spreken?” gaat Mina voort, de zaak verdacht vindende. Ze moet er ’t hare van hebben, want ze brandt van nieuwsgierigheid, wat die mooie juffer—dat heeft ze bij ’t schijnsel van ’t petroleum-lampje op de trap en ondanks Clara’s voile wel gezien—van haar hebben moet. „Kom dan maar boven, Juffrouw,” zegt ze beleefder, na een oogenblik van verwonderd aanstaren.

Clara wordt boven in ’t voorvertrek gelaten. Ze komt in een soort salonnetje, met banalen smaak gemeubeld en opgesierd. Voor ’t eerst let ze nu ook op de kleeding der bewoonster: een nette, donkerroode peignoir, die haar met[106]haar donkeren, loshangenden haardos bijzonder goed staat. Een volmaakt dametje. „Is dat de dienstmeid Mina?” vraagt Clara zich af. „O, jawel, ze is dat niet meer.… En toch: is dat dan éen dier geheimzinnige, verachtelijke wezens, die ze wel eens op straat gezien heeft? Wat een fijn, onbeduidend, kinderlijk gezichtje heeft ze, en toch zoo slecht, zoo laag.… ongeloofelijk.”

Ook de ander maakt stil haar opmerkingen, als ze Clara volgt en haar gadeslaat. Ze wijst Clara een stoel, en gaat tegenover haar zitten.

„U zeî daar zoo, juffrouw, dat u een familielid van Willem was,” begint ze.

„Ja,” antwoordt Clara, zich bedenkende, „een.… zuster van Mijnheer Victor.”

„Een zuster, o.” De ander gelooft er niets van. Ze ziet, hoe Clara kleurt. Daar moet iets anders achter steken: „’t Is zijn liefje, of ik laat me hangen,” zegt Mina bij zich zelve. Meteen begrijpt ze de zenuwachtigheid der juffer en het doel harer komst. Nu kan ze haar slag slaan: opgepast, denkt ze. Meteen staat ze op en zegt onschuldig weg:[107]

„Neem me even niet kwalijk, juffrouw, ik moet eerst naar Wimpje gaan kijken, straks kom ik bij u.”

„Zie zoo, dat heeft ze vast beet,” denkt ze, terwijl ze naar de achterkamer gaat, quasi om naar haar kind te gaan zien.

Clara ziet een oogenblik alles om zich heen dwarrelen, en zij moet zich aan haar stoel vasthouden, om haar evenwicht te bewaren. Ze heeft dus nu de zekerheid, waarnaar zij zoo haakte! Hoe bitter is de voldoening, waarnaar zij verlangd heeft. Hoe kan ’t anders of alles, wat men haar van Willem en die vrouw verteld heeft, is waar: hoe anders die gemeenzaamheid te verklaren, die haar ’t recht geeft, zóo van hem te spreken, en waarom anders heet dat kind naar hem? In een opwelling van smart en schaamte wil Clara opspringen en wegvluchten uit dat oord der schande, waar zij alleen gekomen is, om te vernemen wat ze nu weet. Toch blijft ze zitten. Nog is de stem in haar niet dood, die haar vleit met een laatsten sprank van hoop. In duidelijke woorden wil zij haar vonnis hooren uit den mond dier vrouw,[108]dan eerst kàn ze en màg ze zich overtuigd achten. Ze moet kalm zijn, onverschilligheid veinzen tegenover die medeminnares, die roofster van haar eenigst geluk, dat gebiedt haar jonkvrouwelijke fierheid; groote God, waar zij zou willen gillen van smart, willen opvlammen in woedende verontwaardiging! Want zij weet ’t, als Willem schuld heeft, dan toch is de schuld van dat wezen grooter, oneindig grooter. Zij zal hem door haar helsche bekoring, door haar gemeene aanhalerij zijn plicht hebben doen vergeten! Wellicht had zij gemerkt, dat zijn hart aan Clara hing, en had ze uit duivelsche lust en valschheid, hem verder verkeer met haar onmogelijk willen maken. Maar waarom had hij dan zoo lang gezwegen! Och, hij zal zich geschaamd hebben, plotseling af te breken. De slag zou toch vroeg of laat gevallen zijn. O, daar herinnerde zij zich, hoe dikwijls hij op weemoedigen toon tot haar gezegd had: „O, als ’t anders was, als ’t anders was,” en als zij dan gevraagd had, wat hij bedoelde, had hij nooit opheldering willen geven. Hij had haar nog nooit ronduit gezegd, dat hij haar liefhad.[109]Er kon dus eigenlijk geen sprake zijn van dubbelhartigheid.…. Maar ze kon zich daarin niet vergist hebben: alles in zijn woorden en toon en gebaren verried immers zijn groote genegenheid.… Hij zal niet gedurfd hebben, wetende, dat er toch nooit iets van een huwelijk zou kunnen komen, nu die ellendige connectie met dat mensch bestond. Hij mòcht niet van liefde spreken.…

Dat alles warde Clara door ’t hoofd, in de korte poos, dat ze zat te wachten op de terugkomst van Mina, eenige minuten hoogstens, die haar een uur schenen.

De deur gaat open en Mina verschijnt weer. Ze gaat kalm zitten.

De ander moet spreken, een vraag doen, waarvoor ze terugdeinst.

„U kwam, om inlichtingen te vragen of zoo iets, nie’waar?” zegt Mina vriendelijk.

„Ja,” zegt Clara, hevig kleurend en weifelend.„Ik … ben … zooals ik u zei een zuster van Mijnheer Victor.… zijn eenige zuster. Zijn Mama en ik houden dol veel van hem, en wij hadden altijd gedacht, dat hij.…. een[110]brave jongen was … we hadden vol vertrouwen in hem en achtten hem tot geen … kwaad in staat. Nu zegt men, dat hij een.… geheime connectie had met een.… meisje, met.… u, en.…. dat hij een kind had.…”

’t Laatste was haastig en zenuwachtig gesproken: ’t kòn haast niet over haar lippen komen en ’t werd er als uitgestooten.

„Nu, wat zou dat?” vraagt Mina leuk. „Dat is volkomen waar. Hij is een goede, brave jongen. Hij onderhoudt mij en mijn kind goed, dat ziet u.”

„Maar,” gaat Clara voort, schoon haar laatste hoop vervlogen is, „dat kind is van … hem, zegt u?”

„Van hem? Wel, nu nog mooier, ha, ha, ha! Ik zeg ’t u immers. En ’t is ’n beer van een jongen, hoor, een flinke baas, net als z’n vader, hoewel hij nu een beetje ziek is.”

„U begrijpt wel, juffrouw,” antwoordt Clara, schijnbaar kalm, maar inwendig bevend van aandoening „dat wij u geen verwijten mogen maken; maar.… toch is ’t voor mijn moeder en voor mij vreeselijk om zoo iets te hooren.”[111]

De ander hoort ieder woord met ware wellust aan. Niettemin zit ze ernstig te luisteren, en antwoordt, eenigszins misnoegd:

„Vreeselijk? Omdat hij geen meisje van zijn stand genomen heeft en behoorlijk getrouwd is? Nou, als dat ’t is, hij geeft er niets om, hoor. Hij houdt evenveel van mij, als hij van de mooiste juffer zou houden, en op zijn kind is hij dol.”

Ook dat nog! ’t Is Clara te veel.

„Maar, begrijpt u dan niet,” zegt ze met trillende stem, „dat op die wijze zijn heele toekomst gebroken is, dat hij nooit vooruit zal kunnen komen in de wereld, als men weet, dat hij.… zoo onverschillig is voor zijn goeden naam?” Zij bedwingt zich bijtijds. De verontwaardiging zou haar haast tot driftige woorden hebben verleid.

„Dat kan wel wezen,” zegt Mina schouderophalend, „maar dat ’s zijn eigen schuld, hij heeft ’t zelf zoo gewild.”

„Je liegt!” schreeuwt het in Clara, maar zij antwoordt niets. Waartoe dat pijnlijke tooneel nog langer te maken, en riskeeren, dat die[112]vrouw haar gemeen bejegent? Ze staat van haar stoel op.

„Ik weet genoeg, juffrouw”, zegt ze iets kalmer. „Ik dank u voor den last, die’ ik u aangedaan heb.”

„O, dat ’s niets, hoor. Wil u de kleine niet ’s zien?” Ze weet wel, dat de ander zoo iets niet doen zal, maar leedvermaak geeft haar die vraag in.

„O, neen, dank u. Goeden avond, juffrouw.”

„Goeden avond, u wil zeker wel mijn groeten aan Willem doen, niet?”

De voordeur slaat dicht, en Clara staat op straat.

Daarbinnen juicht er een dom, kortzichtig wezen, jaloersch op ’t geluk van hem, die haar geen geluk gegund heeft.

Ze vliegt de trap op en mompelt bij zich zelve:

„Hij heeft mij niet willen hebben. Die zal hij ook niet hebben, of ik ben een boon.”[113]


Back to IndexNext