VII.

[Inhoud]VII.’t Werk eener moeder.’s Avonds laat op een lieflijken voorjaarsdag.Aan ’t Zuider-station van Brussel staat de nachttrein voor Parijs op ’t punt van te vertrekken. ’t IJzeren gevaarte met de vurige oogen hijgt en blaast, onwrikbaar stevig op de metalen voeten, als brieschte het van ongeduld om voort te snellen. Straks zal het onweerstaanbaar heenspoeden langs afgrond en bergrug, over stroomen, door wouden en dwars door rotswanden, geen haarbreed wijkende van de rechte baan, als een zinnebeeld der plicht zijn eenmaal gekozen doel nastrevend, met volmaakte nauwgezetheid zijn woord gestand doende tegenover de honderden aan zijne hoede toevertrouwd.Zich een weg makend door het gedrang van reizigers, sjouwerlui en handwagens, treedt een paar naar voren, om plaats te nemen in een eerste-klas-coupé van den Parijschen trein. De man is iemand van schijnbaar middelbaren[114]leeftijd, forsch gebouwd, donker van haar en knevel, met een haviksneus, en gekleed in een licht reiskostuum en nagenoeg gelijkkleurigen zomerjas. Hij zou knap van uiterlijk genoemd kunnen worden, ware het niet, dat zijn dikke lippen en de trekken om mond en neus, het lage voorhoofd, en de eenigszins dichtgeknepen oogen hem iets onbeduidends en domzinnelijks gaven. De jonge vrouw naast hem, slank, iets langer dan haar metgezel, is geheel gehuld in eenz.g.stofmantel, die een sierlijk reistoilet verbergt. Haar lief gelaat heeft iets invermoeids, en er is een trek van droefheid en moedeloosheid op, zoo zonderling bij zooveel jeugdige frischheid. Als onverschillig volgt zij haar geleider naar een coupé-lit.Eenige minuten later is de trein in vollen gang, en ligt ze in ’t nauwe bedje, waar zij den nacht zal doorbrengen. Vlak onder haar is de slaapplaats van haar metgezel. Met kwalijk verholen wrevel heeft zij pas zijn nachtkus geduld, en nu tracht ze rust te vinden, schoon ze niet veel hoop heeft, spoedig in te zullen slapen. Haar slaapkameraad onder haar schijnt[115]weinig moeite daarmee te hebben. Een paar minuten slechts zijn noodig, om hem luidruchtig te doen snurken. Ook hij is blijkbaar vermoeid na een dag van ronddrentelen in ’t groote Brussel.Maar Clara—want zij is de jonge vrouw—is niet alleen lichamelijk vermoeid. Gave God dat ze dat alleen ware! Had ze als Van Breeveld slechts vatbaarheid daarvoor, dan ware ze wellicht gelukkig.Niet dat zij in de laatste maanden ooit recht gelukkig geweest is, o neen, verre van dien, maar de zielsellende, waaraan ze thans ten prooi is, dateert slechts van enkele dagen geleden, van den dag, dat die man haar echtgenoot geworden was. Te voren had ze veel verdriet gehad, weken achtereen was ze zelfs ziek geweest na de vreeselijke aandoeningen van die nare zaak van Willem Victor, daarna had ze allengs zich geschikt in ’t onvermijdelijke en met doffe onverschilligheid was ze ’t leven weer ingegaan. Haar liefste illusiën lagen vergruisd. Zij geloofde niet meer aan liefde, en de droeve leer harer moeder, „dat die alleen in[116]boeken bestond”, had ze tot de hare gemaakt. Ze had koel Van Breeveld’s hulde aangenomen, toen hij om haar hand vroeg, zooals ze erin zou toegestemd hebben, zich te laten vaccineeren. Een meisje moet nu eenmaal trouwen. En de man was niet kwaad, meende zij, en haar moeder deed alles wat ze kon, om haar een goed denkbeeld van hem te doen krijgen. Ze geloofde ook, dat hij haar oprecht liefhad, en alles zou doen, om haar gelukkig te maken. Hoe weinig kende zij hem, hoe weinig besefte zij, dat een man een meisje kanbegeeren, zonder dat er een greintje liefde in zijn hart bestaat! Mevrouw Van Merenstein had de noodige ondervinding, om haar aanstaanden schoonzoon op den waren prijs te schatten. Zij wist zeer goed, dat hier hartstocht alleen in ’t spel was: ze wist het uit zijn oogen, zijn gansche gelaatsuitdrukking, zijn verleden, waarvan zij zich geheel op de hoogte had gesteld. Maar dat alles woog weinig bij haar: zijn rang en fortuin waren daar, om nog veel meer dan dat goed te maken! En dan—zij zelve had nooit anders dan hartstocht gekend, liefde was bij[117]haar een onding, zij kon zich geen andere aantrekking tusschen man en vrouw denken dan die der grofste zinnelijkheid.…O, hoe mat en levensmoede voelde Clara zich dien nacht, toen zij slapeloos neerlag in haar ongemakkelijk bed in den trein! Hoe was ze in die drie dagen na haar huwelijk ouder geworden, oud naar de ziel! Haar laatste hoop op eenig geluk was ook thans vervlogen. Groote God, welk een ondervindingen in die korte spanne tijds! Ze besefte thans ten volle, dat er bij Van Breeveld nooit van liefde sprake was geweest. Het hart keerde haar om in ’t lijf van walging voor den lagen hartstocht van dien man.Met ontzetting dacht Clara aan ’t haar wachtende leven. Hoeveel jaren zou ze samen moeten zijn met dien man, dien zij nu reeds verachtte en verafschuwde! En er zou geen hoop op verandering wezen, nooit, nooit! Zij mocht hem weigeren, haar ooit weer als echtgenoot te naderen, hem den toegang tot haar slaapkamer ontzeggen—en dat zou ze, dat moest ze, als ze zichzelve bleef eerbiedigen—[118]’t zou niet beletten dat ze dagelijks zijn gezelschap zou moeten dulden, en tegenover de wereld den schijn eener goede samenleving zou moeten ophouden. En hoe zou hij daaronder zijn? Zij voorzag zeer goed, dat hij ruw en halstarrig genoeg zou wezen, om in opstand te komen tegen haar besluit. De schijn van welwillendheid en vriendelijkheid zijnerzijds zou spoedig wijken voor wrevel en ergernis. Maar liever ruw geweld desnoods, dan zijn goede gezindheid gekocht tot den prijs harer vernedering! Bij God, zij zou hem toonen, dat ze meer wenschte te wezen dan een voorwerp van vermaak, een speeltuig voor zijn ruwe lusten!Een onwillekeurige beweging, waarmee zij omwoelde, als wilde zij zich vol afschuw afwenden van zulk een schrikbeeld, deed de slaapplaats zoo kraken, dat van Breeveld half ontwaakte. Hij ademde diep met rochelend geluid, en het gesnurk hervatte met grooter kracht dan te voren. Clara ontstelde, alsof haar geheime gedachten door dien man beluisterd waren. Neen, hij slaapt weer rustig door, onbewust van ’t lijden dier jonge vrouw, daar in zijn[119]onmiddellijke nabijheid toevend met haar lichaam, doch zoo ver verwijderd met haar ziel. Weggerukt uit haar gepeins, treedt de werkelijkheid, de tegenwoordigheid van dien man, haar weer met ontzettende duidelijkheid voor den geest. Ze hoort bij hem, wellicht voor haar gansche leven! Haar gloeiende oogen baden zich opeens in een tranenvloed. Ze grijpt haar kussen en drukt het krampachtig tegen haar gelaat, om het geluid van haar snikken te smoren. Hij mag niets hooren: hij zou haar smart niet begrijpen, haar bespotten wellicht …Zoo mocht ze misschien een uur gelegen hebben. Eindelijk overmande haar de vermoeienis, en ze viel in een zwaren slaap, waaruit ze eenige uren later wakker schrok, toen de trein, aan zijn doel gekomen, ophield.„Paris! Paris!” klonk het om haar heen, „Tout le monde descend!” O, hoe had ze vroeger in haar schooljaren gedweept met dat Parijs! Hoe had ze vroeger gesmacht, die stad der steden eens te mogen zien! Nu was ze er. Die naam, welke vroeger zooveel aantrekkelijks en verlokkelijks voor haar geest tooverde,[120]klonk nu koud en nietszeggend in haar ooren.Een half uur ruim later stapten Clara en haar man af in ’t Grand Hôtel: Van Breeveld wilde van geen minder hotel hooren. Het was hem een genot, zijn rijkdom te kunnen toonen, en bovendien was hij gewend aan een weelderige woning en tafel. Van Breeveld, wiens praktische kennis van het Fransch gebleken was zeer dun te zijn, liet ook nu, evenals te Brussel, de bespreking van kamers als anderszins aan zijn vrouw over. Deze bestelde twee slaapkamers en een zitkamer, en spoedde zich dadelijk daarheen, op de hielen gevolgd door Van Breeveld. Toen ’t kamermeisje heen was gegaan, kon hij een uitroep van verwondering niet bedwingen: „Maar Clara, waarom twee slaapkamers? Wat moeten de menschen hier wel denken?”„O, niets bijzonders, dat gebeurt wel meer, en wat mij betreft, ik wil eens rustig slapen. Die twee-persoonsbedden zijn zoo weinig ruim.”Meteen wierp ze zich lusteloos in een gemakkelijken stoel. Beiden bevonden zich in haar slaapkamer. Van Breeveld kwam naar haar toe, kuste haar en vroeg:[121]„Wat scheelt er toch aan? Je ziet er ellendig uit.”„Och, wat hoofdpijn, en ik ben doodmoe van die reis: Ik heb heel weinig geslapen. Ik zal zien ’t nu te doen.”„Maar moet je dan niet eerst wat gebruiken?” vraagt haar man weer belangstellend. Hij blijft bij haar staan.„O neen, straks om twaalf uur. Ik wil alleen maar slapen. Laat me nu met rust.”Ze staat op en richt zich naar haar ledikant. Van Breeveld volgt haar. Hij vat haar om ’t middel, en wil haar liefkozen. Wrevelig keert zij zich om en verwijdert zich van hem:„Laat me in Godsnaam met rust. Ga nu heen.”„Goed, goed, ik ga. Slaap wel.”Van Breeveld is geheel uit het veld geslagen. „Wat scheelt haar toch?” mompelt hij, als hij, in ’t andere vertrek gekomen, de deur achter zich hoort sluiten. ’t Is hem volmaakt onbegrijpelijk, dat zij hem iets durft weigeren, waarop hij meent recht te hebben: waarvoor is hij anders getrouwd? Waarom anders, heeft[122]hij dat kind zonder cent de eer aangedaan, zijn vrouw te mogen worden en zijn rijkdom te deelen? En dan, welk een uitdrukking op haar gezicht! Zij, die altijd zoo gedwee en vriendelijk was geweest, scheen plotseling veranderd. „Vreemd, vreemd,” mompelde Van Breeveld weer, langzaam den breeden gang afwandelend naar de lift, die hem beneden zal brengen. In een der prachtige benedenzalen troost hij zich met een krachtig ontbijt. De uitstekende sherry, die hij erbij gebruikt, montert hem weer geheel op, en als hij zich later onder ’t genot van een fijne sigaar in de „Nieuwe Rotterdammer” verdiept, is de onaangename gewaarwording van daareven totaal verdwenen.Aan ’t tweede ontbijt vertoont Clara zich. Haar wangen zijn weer frisch. Een oogenblik heeft ze zich verbeeld, weer de oude levenslustige Clara te zijn: ’t was bij haar ontwaken uit den versterkenden slaap. Onmiddellijk echter was ’t besef der werkelijkheid haar loodzwaar komen drukken. Maar ze was niettemin niet meer zoo moedeloos. Ze moest sterk zijn, om niet onder te gaan, dat begreep ze nu volkomen,[123]en ze nam zich heilig voor, de toekomst moedig tegemoet te gaan.Van Breeveld was nu eenmaal haar man: ze nam zich voor, als een goede vrouw voor hem te zorgen, hem trouw te zijn, zooals zij dat opvatte. In haar naïeve voorstelling voldeed een vrouw geheel aan haar plichten jegens haar echtgenoot, wanneer zij daarin niet te kort kwam. Intiemere omgang was daar geheel buiten. Ze verlangde niet naar nakomelingen, nu ze overtuigd was, haar man nooit lief te zullen hebben.Het vooruitzicht van een bijzonder smakelijke lunch had Van Breeveld—voor wien eten en drinken zeer voorname zaken waren—bij ’t betreden der eetzaal dadelijk verrukt. Hij toonde een vriendelijk gezicht aan zijn vrouw, en was bijzonder hoffelijk. Clara achtte het dwaas, daar koel tegen in te wezen, en vooral aan tafel.Het toeval wilde, dat vlak tegenover hen een paartje kwam te zitten, dat Clara bekend was. De jonge echtgenoot—blijkbaar waren ze ook op hun huwelijksreis—was een luitenant[124]van ’t Pruisische leger, dien Clara te Mühlenwald wel eens in gezelschap ontmoet had, en met wien zij een paar maal op een bal had gedanst, de jonge vrouw was een Engelsche, een harer kennissen van de kostschool. De herkenning was wederzijds zeer verrassend. Clara stelde haar man voor, en er begon dadelijk een levendig gesprek, waarin Van Breeveld echter maar karig deelnam. ’t Jonge vrouwtje was blijkbaar zielsgelukkig: dat sprak uit alles wat ze zeide, en uit den blik, waarmee zij den reusachtigen luitenant met zijn fraaien blonden snor telkens aanzag. Ze moest met alle geweld Duitsch spreken en „schwärmerisch” doen: dank zij haar tweejarig verblijf te Mühlenwald, ging haar dat redelijk wel af, schoon haar man nu en dan er duchtig den draak mee stak. Ook hij scheen meer dan gelukkig. „Hoe anders zijn die twee dan wij”, dacht Clara met stil verdriet. En toch moest ze den schijn aannemen van overgelukkige jonggetrouwde!Na de lunch moest de jonge Engelsche met Clara samen een rijtoertje doen: ze stond erop,[125]met haar kostschoolvriendin te gaan „winkelen” in de prachtige magazijnen. De beide heeren zouden elkaar wel weten bezig te houden in haar afwezigheid. Maar Clara voorzag een te intiem samenzijn, en wist het zoover te drijven dat de beide echtgenooten meegingen. Van Breeveld had eerst weinig lust: hij was—zooals Clara tot haar ergernis kon zien—vol zoeten wijns, en verlangde naar een rustig uurtje in den rooksalon; maar hij zwichtte voor den algemeenen aandrang. Toch kon ze niet vermijden, dat Alice telkens, wanneer ze maar even gelegenheid had, Clara wat apart te zeggen, allerlei vragen deed, die haar in pijnlijke verlegenheid brachten, en haar dwongen de waarheid geweld aan te doen.„En is hij niet lief, heel lief voor je? En verafgoodt hij je niet? Dat moet ook, want je bent een dot en.… veel mooier dan ik.” Zoo ging het voort. Clara deed haar best, om vroolijk te schijnen, maar zooveel warmte uit wat haar vriendin zeide te voelen stralen, terwijl ’t in haar hart zoo koud, zoo akelig koud was, deed haar onzeggelijk droevig[126]aan. Haar oud en dierbaar geloof aan huwelijksliefde voelde zij weer opkomen. Maar ze herinnerde zich de woorden harer moeder; „als jonggehuwden zich verbeeldden dol veel van elkaar te houden, dan was die begoocheling al heel spoedig verdwenen.” Zouden ook die twee tortelduifjes na een jaartje geheel uitgekird hebben? Zich daarvan te overtuigen, was Clara een magere troost: aangenomen, dat het al zoo ware, dan toch hadden ze een tijd van zaligheid gekend: was die dan minder zoet, omdat hij zoo kort duurde? En liet hij dan niet heerlijke herinneringen na, genoeg voor een gansch verder leven? Of zou wellicht te veel liefde afkeer baren, genoeg om ’t verdere samenzijn te verbitteren? En ware dàn een koele, verstandige omgang van den beginne niet veel beter? Ja, misschien, wanneer er wederzijdsche achting bestond! Maar die wàs er niet in haar geval, en Clara wanhoopte of ze ooit weer achting voor Van Breeveld krijgen kon, nu ze die eenmaal verloren had. Neen, die man daalde met den dag dieper in haar achting; hoe zou dat ooit anders kunnen worden?[127]De dag verliep in gedurig samenzijn met het gelukkige jonge paar. Aan het diner kon Clara weer Van Breeveld’s onmatigheid opmerken en hinderde het haar onuitsprekelijk, hem ten aanzien van een groot gezelschap, zich letterlijk te zien bedrinken aan fijne wijnen. Nog meer hinderde, ja ergerde haar zijn toenemende hoffelijkheid jegens haar en de begeerigheid zijner oogen, telkens wanneer hij den blik op haar vestigde. Reeds vroeg in den avond gaf hij haar op allerlei bedekte manieren te kennen, dat hij met haar het gezelschap wenschte te verlaten; maar Clara deed, alsof ze niets daarvan bespeurde. Ze zag vreeselijk tegen den nacht op: wie weet, welk een tooneel haar wachtte.… Eindelijk, toen ’t aardig laat was geworden, stond ze op, en namen beiden voor den nacht afscheid van den luitenant en zijn vrouwtje. Van Breeveld bood haar hoffelijk den arm.Nauwelijks boven wilde hij haar in haar slaapkamer volgen, maar voordat hij nog iets gezegd had, gaf Clara hem een kus, en zeide vriendelijk—zij wilde vriendelijk zijn, als ’t kon, hoe zwaar haar dat ook viel—:[128]„Goeden nacht, man. Slaap wel.”Van Breeveld kuste haar op zijn beurt en haar om ’t middel vasthoudende, antwoordde hij verbaasd:„Goeden nacht voor goed, meen je?”„Zeker, ik ga slapen.”„Maar kindlief, jaag je me dan weg?”„Dat nu niet precies, maar ik woû toch wel, dat je ook in je kamer ging.”„Mag ik dan niet een poosje bij je blijven?”„Waartoe zou dat dienen?”„Waartoe? moet ik je dat nog zeggen? Wat zou een pasgetrouwd man, die z’n vrouwtje aanbidt, wel van haar verlangen?” Van Breeveld deed zijn best, een teederen, verliefden toon aan te slaan, die zich zeer slecht paarde met de gemeene uitdrukking van zijn gezicht. Clara had moeite, om zich niet vol walging van hem af te keeren. Zij vermande zich en bleef vriendelijk:„Ik kan niet aan je verlangen voldoen, ’t is me onmogelijk. Als je me werkelijk zoo liefhebt, laat me dan met rust.… Ik kàn niet, heusch.… ik kàn niet.…”[129]„Kom, kom, Claartje, dat meen je niet.” Hij dacht met een gril, een coquetterietje te doen te hebben; een beetje zacht geweld, dan zou hij toch wel zijn doel bereiken, dacht hij, en meteen trachtte hij haar met zich mee te troonen. Maar Clara gaat hem uit den weg. O, de blik dier dronkemansoogen, ze huivert ervan! Nochtans wil ze bedaard blijven.„’t Is me volle ernst. Ik zeg je nog eens: ik kàn niet. Als je iets voor me over heb, ga dan naar je kamer, toe, ik verzoek ’t je vriendelijk.”Zij ziet hem vol aan. De blik dier heldere, vastberaden oogen is hem blijkbaar te machtig. Hij slaat de oogen neer, en voelt zich min of meer met zijn houding verlegen. Zoo iets is hem nog nooit te voren overkomen. Hij heeft de gewaarwording van een verliefden schooljongen tegenover zijn veel oudere aangebedene in een eerste tête-à-tête.„Wat heb je toch?” stamelt Van Breeveld na een oogenblik zwijgens. „Waarom behandel je me zoo vreemd? Of vind je zulk een gedrag heel gewoon tegenover je man op den vierden dag van ons huwelijk?”[130]„Ik weet ’t niet, maar ’t is me eenmaal niet mogelijk anders te handelen. Ik wil lief en goed voor je zijn.… alles voor je doen maar.… dat.… nooit meer. Eisch dat niet meer van me, als je me respecteert.”„Eischen … respecteeren … maar, mijn lieve God, wat een woorden! Ik eisch niets, ik vraag …”„Nu goed, maar ik kàn niet.…”Haar houding, haar toon en gelaatsuitdrukking zijn zóo beslist, dat Van Breeveld niets meer daartegen weet in te brengen.Welk een pracht van een vrouw! Zoo heeft hij haar nog nooit gezien: tegen zooveel vrouwelijke fierheid had hij in zijn losse leven nog nooit te kampen gehad. Het gevoel dat hem bekruipt, heeft iets vaneerbiedals zoo iets mogelijk ware geweest in een ouden lichtmis als Van Breeveld; in alle geval is ’t een nieuwe, tot nu toe hem geheel onbekende aandoening. Met neergeslagen blik schuifelt hij naar de deur, en met een stamelend: „Goeden nacht dan,” begeeft hij zich naar zijn slaapkamer.Daar gekomen barst zijn landerigheid, die[131]door Clara’s overwicht in bedwang was gehouden, los. Hij stapt kregelig op en neer, en mompelt woedend:„Bespottelijk, dwaas, zot, krankzinnig! En dat zijn m’n wittebroodsweken. God betere ’t!”Nog eenige minuten blijft hij op en neer wandelen, en herhaalt telkens: „bespottelijk, bespottelijk,” totdat de verleiding hem te groot wordt, om maar zijn roes te gaan uitslapen in het weelderige ledikant met de mollige kussens. De al te overvloedige maaltijd, eenige uren te voren gebruikt, bezorgt hem een vreeselijke nachtmerrie: hij voelt zich wegzinken in een ontzaggelijk groot vat fijne Chambertin, den zelfden, dien hij aan tafel gedronken heeft, terwijl Clara over den rand naar hem staart met dezelfde gebiedende oogen van dien avond, en op al zijn hulpgeroep slechts antwoordt met een onverbiddelijk: „ik kàn niet.” Juist als hij zal ondergaan, ontwaakt hij met hevigen schrik en een benauwden kreet. Mijn God, wat voelt hij zich ellendig! Het tooneel van den voorafgaanden avond komt hem weer levendig voor den geest, en met een hernieuwd: „bespottelijk,[132]krankzinnig!” keert hij zich woest om, en tracht den slaap weer te vatten.Toen Van Breeveld den volgenden ochtend Clara weerzag, en zij hem vriendelijk vroeg, hoe hij geslapen had, en verder den ganschen dag niet van houding jegens hem veranderde, kwam hij meer en meer tot de overtuiging, dat haar gedrag van den vorigen nacht slechts iets voorbijgaands moest wezen: ’t moest vermoeienis of—een gewone onverklaarbare vrouwengril wezen, meende hij. Hij rekende er dan ook stellig op, geen verderen tegenstand te zullen ontmoeten.Bij ’t ter ruste gaan, ontnam Clara hem die illusie nog vóor ze hunne kamers bereikt hadden, door hem vlak voor haar slaapvertrek goeden nacht te wenschen. Blijkbaar niet verwachtende, dat hij haar volgen zou, wilde ze reeds de deur sluiten, toen Van Breeveld haar voor was, en mee naar binnen ging.„Wat beduidt dat, Clara?” riep hij ten hoogste verbaasd en beleedigd.„Waarom volg je me?” was de wedervraag.„Clara, ik geloof waarlijk, dat je je verstand[133]verloren hebt.” Hij beefde van woede en begeerte. „Ben je van plan, je man voortdurend den toegang tot je slaapkamer te weigeren?”„Als je zulke bedoelingen hebt als gisterenavond, ja.”„Maar waaròm, in Gods naam?! Erken je me dan niet meer als je man?”„Eenvoudig omdat ik niet anders kàn.”„Niet anders kan.… maar ik vraag niets dan mijn recht.… wat me toekomt als je man.”„Meen je, dat ’t je recht is, me te vernederen en te beleedigen? Wat je me vraagt, vind ik.… beestachtig, walgelijk.” Clara heeft zich meer en meer opgewonden. Haar oogen schitteren van verontwaardiging, haar geheele wezen vertoont het beeld der beleedigde vrouwelijke fierheid. Haar machtige schoonheid straalt in al haar luister. Hoe dicht bij hem, die haar met oogen vol vlammende begeerte als verslindt, en toch hoe ongenaakbaar staat ze daar!Schoon overbluft, geeft Van Breeveld zich nog niet gewonnen. Hij wil bedaard zijn.[134]„Maar Clara lief,” zegt hij, zijn ongeduld bedwingend, „geloof je dan, dat in andere huwelijken.…”„Ik weet niet, hoe ’t bij anderen is,” valt Clara hem in de rede, „ik weet alleen, dat zoo iets tusschen ons niet meer mogelijk is, nooit meer.…” Ze wil hem niet zeggen, dat ze hem niet alleen niet liefheeft, maar ook minacht.„Is dat je laatste woord? En weiger je me een goede reden op te geven voor zulk een houding?” roept Van Breeveld, reeds wanhopend zijn doel te bereiken.„Ik kan geen andere reden geven, dan dat je eisch me een gruwel is. Je kan me even zoo goed vragen, mezelf door je te laten vertrappen.… neen, dat zou mijn gevoel van schaamte ten minste niet kwetsen.”Van Breeveld haalt driftig de schouders op. Hij ziedt inwendig van machtelooze woede.„Je wilt dus, dat die toestand zoo tusschen ons blijft?” vraagt hij bitter.„Ik heb je alles gezegd, ik wil een goede vrouw voor je zijn, maar dàt nooit meer.”[135]„En geloof je, dat samenleven op die manier op den duur houdbaar is?”„Waarom niet? Ik geloof dat er verscheidene huwelijken zijn, waar man en vrouw op die wijze vriendschappelijk met elkaar blijven omgaan.”„Nu, ìk verlang zulk een samenzijn niet,” roept Van Breeveld zijn drift niet meer bedwingende. „Ik bedank er voor. Dan moeten we maar van elkaar, hoe eêr hoe beter.”„Als je dat wenscht, in Godsnaam.… Ik kan er niet ongelukkiger door worden dan ik al ben.…” De aandoening is Clara te machtig. Ze zinkt in een stoel neer, en bedekt snikkend haar gelaat met beide handen.Van Breeveld ziet het een oogenblik zwijgend aan. „Ik wensch je een goeden nacht,” zegt hij koud en gaat dan snel naar zijn kamer.Zenuwachtig herhaalt hij zijn heen en weer stappen van den vorigen nacht, rukt nu en dan vinnig aan zijn knevel, zet zich een oogenblik in een stoel, hervat zijn ijsberengang, telkens zijn overdenkingen met een vloek of grof woord afbrekend. De heele zaak is hem[136]een raadsel; ’t is hem onbegrijpelijk, hoe Clara plotseling zoo veranderd kan zijn, hoe zoo op eens zijn lot gekeerd is. Zijn geluk—of wat hij daarvoor hield—is weg: hij voelt zich ellendig. En wat hem ’t meest ergert is, dat hij zich zoo klein heeft gevoeld tegenover die vrouw: zijn eigenliefde heeft een geduchten knak gekregen. Ook weet hij niet recht, wat hem te doen staat. Moet hij trachten het tot een scheiding te brengen, nu hij nog zoo kort met Clara verbonden is? Dat zou dan moeten gebeuren bij aankomst in Indië! Dat zou bespottelijk zijn, en wat zou de wereld er wel van zeggen, zijn familie, zijn vrienden, zijn kennissen? Hij zou een zot figuur maken, een eenig zot figuur! Toch zou ’t moeten, want waartoe verder samen te leven met een mooie, jonge vrouw, die hem haar gunsten steeds zou blijven weigeren? ’t Zou hem een voortdurende terging zijn. Maar zou ’t inderdaad zoo ver komen? Van Breeveld was geen pessimist: ’t was hem tot nu toe in ’t leven zoo voorspoedig gegaan, dat hij nauwelijks aan tegenspoed geloofde. Zou Clara’s wonderlijk gedrag niet nog kunnen veranderen?[137]vroeg hij zich weer hoopvol af. Langzamerhand troostte hij zich met dit denkbeeld. „’t Zal wel terecht komen,” mompelde hij, toen hij eindelijk besloot naar bed te gaan.Als hij toen echter in Clara’s kamer had kunnen zien en hooren wat daar op het oogenblik geschiedde, dan ware zeker die illusie even snel verdwenen als ze opgekomen was. Clara lag op haar knieën voor haar bed, en, de handen krampachtig saâmgedrukt, bad ze ’t vurigste gebed, dat ooit nog over haar lippen gekomen was. In door snikken afgebroken woorden smeekte ze om kracht voor de toekomst, om licht in ’t donkere verschiet, dat zich voor haar opende.„O God,” stamelde zij, „’t kan immers uw wil niet wezen, dat uw kind zich verlaagt, om dien man ten genoege te zijn? Dat kàn niet! dat kàn niet! Nietwaar, gij zult me kracht geven, om te blijven handelen naar de inspraak van mijn geweten?”[138]

[Inhoud]VII.’t Werk eener moeder.’s Avonds laat op een lieflijken voorjaarsdag.Aan ’t Zuider-station van Brussel staat de nachttrein voor Parijs op ’t punt van te vertrekken. ’t IJzeren gevaarte met de vurige oogen hijgt en blaast, onwrikbaar stevig op de metalen voeten, als brieschte het van ongeduld om voort te snellen. Straks zal het onweerstaanbaar heenspoeden langs afgrond en bergrug, over stroomen, door wouden en dwars door rotswanden, geen haarbreed wijkende van de rechte baan, als een zinnebeeld der plicht zijn eenmaal gekozen doel nastrevend, met volmaakte nauwgezetheid zijn woord gestand doende tegenover de honderden aan zijne hoede toevertrouwd.Zich een weg makend door het gedrang van reizigers, sjouwerlui en handwagens, treedt een paar naar voren, om plaats te nemen in een eerste-klas-coupé van den Parijschen trein. De man is iemand van schijnbaar middelbaren[114]leeftijd, forsch gebouwd, donker van haar en knevel, met een haviksneus, en gekleed in een licht reiskostuum en nagenoeg gelijkkleurigen zomerjas. Hij zou knap van uiterlijk genoemd kunnen worden, ware het niet, dat zijn dikke lippen en de trekken om mond en neus, het lage voorhoofd, en de eenigszins dichtgeknepen oogen hem iets onbeduidends en domzinnelijks gaven. De jonge vrouw naast hem, slank, iets langer dan haar metgezel, is geheel gehuld in eenz.g.stofmantel, die een sierlijk reistoilet verbergt. Haar lief gelaat heeft iets invermoeids, en er is een trek van droefheid en moedeloosheid op, zoo zonderling bij zooveel jeugdige frischheid. Als onverschillig volgt zij haar geleider naar een coupé-lit.Eenige minuten later is de trein in vollen gang, en ligt ze in ’t nauwe bedje, waar zij den nacht zal doorbrengen. Vlak onder haar is de slaapplaats van haar metgezel. Met kwalijk verholen wrevel heeft zij pas zijn nachtkus geduld, en nu tracht ze rust te vinden, schoon ze niet veel hoop heeft, spoedig in te zullen slapen. Haar slaapkameraad onder haar schijnt[115]weinig moeite daarmee te hebben. Een paar minuten slechts zijn noodig, om hem luidruchtig te doen snurken. Ook hij is blijkbaar vermoeid na een dag van ronddrentelen in ’t groote Brussel.Maar Clara—want zij is de jonge vrouw—is niet alleen lichamelijk vermoeid. Gave God dat ze dat alleen ware! Had ze als Van Breeveld slechts vatbaarheid daarvoor, dan ware ze wellicht gelukkig.Niet dat zij in de laatste maanden ooit recht gelukkig geweest is, o neen, verre van dien, maar de zielsellende, waaraan ze thans ten prooi is, dateert slechts van enkele dagen geleden, van den dag, dat die man haar echtgenoot geworden was. Te voren had ze veel verdriet gehad, weken achtereen was ze zelfs ziek geweest na de vreeselijke aandoeningen van die nare zaak van Willem Victor, daarna had ze allengs zich geschikt in ’t onvermijdelijke en met doffe onverschilligheid was ze ’t leven weer ingegaan. Haar liefste illusiën lagen vergruisd. Zij geloofde niet meer aan liefde, en de droeve leer harer moeder, „dat die alleen in[116]boeken bestond”, had ze tot de hare gemaakt. Ze had koel Van Breeveld’s hulde aangenomen, toen hij om haar hand vroeg, zooals ze erin zou toegestemd hebben, zich te laten vaccineeren. Een meisje moet nu eenmaal trouwen. En de man was niet kwaad, meende zij, en haar moeder deed alles wat ze kon, om haar een goed denkbeeld van hem te doen krijgen. Ze geloofde ook, dat hij haar oprecht liefhad, en alles zou doen, om haar gelukkig te maken. Hoe weinig kende zij hem, hoe weinig besefte zij, dat een man een meisje kanbegeeren, zonder dat er een greintje liefde in zijn hart bestaat! Mevrouw Van Merenstein had de noodige ondervinding, om haar aanstaanden schoonzoon op den waren prijs te schatten. Zij wist zeer goed, dat hier hartstocht alleen in ’t spel was: ze wist het uit zijn oogen, zijn gansche gelaatsuitdrukking, zijn verleden, waarvan zij zich geheel op de hoogte had gesteld. Maar dat alles woog weinig bij haar: zijn rang en fortuin waren daar, om nog veel meer dan dat goed te maken! En dan—zij zelve had nooit anders dan hartstocht gekend, liefde was bij[117]haar een onding, zij kon zich geen andere aantrekking tusschen man en vrouw denken dan die der grofste zinnelijkheid.…O, hoe mat en levensmoede voelde Clara zich dien nacht, toen zij slapeloos neerlag in haar ongemakkelijk bed in den trein! Hoe was ze in die drie dagen na haar huwelijk ouder geworden, oud naar de ziel! Haar laatste hoop op eenig geluk was ook thans vervlogen. Groote God, welk een ondervindingen in die korte spanne tijds! Ze besefte thans ten volle, dat er bij Van Breeveld nooit van liefde sprake was geweest. Het hart keerde haar om in ’t lijf van walging voor den lagen hartstocht van dien man.Met ontzetting dacht Clara aan ’t haar wachtende leven. Hoeveel jaren zou ze samen moeten zijn met dien man, dien zij nu reeds verachtte en verafschuwde! En er zou geen hoop op verandering wezen, nooit, nooit! Zij mocht hem weigeren, haar ooit weer als echtgenoot te naderen, hem den toegang tot haar slaapkamer ontzeggen—en dat zou ze, dat moest ze, als ze zichzelve bleef eerbiedigen—[118]’t zou niet beletten dat ze dagelijks zijn gezelschap zou moeten dulden, en tegenover de wereld den schijn eener goede samenleving zou moeten ophouden. En hoe zou hij daaronder zijn? Zij voorzag zeer goed, dat hij ruw en halstarrig genoeg zou wezen, om in opstand te komen tegen haar besluit. De schijn van welwillendheid en vriendelijkheid zijnerzijds zou spoedig wijken voor wrevel en ergernis. Maar liever ruw geweld desnoods, dan zijn goede gezindheid gekocht tot den prijs harer vernedering! Bij God, zij zou hem toonen, dat ze meer wenschte te wezen dan een voorwerp van vermaak, een speeltuig voor zijn ruwe lusten!Een onwillekeurige beweging, waarmee zij omwoelde, als wilde zij zich vol afschuw afwenden van zulk een schrikbeeld, deed de slaapplaats zoo kraken, dat van Breeveld half ontwaakte. Hij ademde diep met rochelend geluid, en het gesnurk hervatte met grooter kracht dan te voren. Clara ontstelde, alsof haar geheime gedachten door dien man beluisterd waren. Neen, hij slaapt weer rustig door, onbewust van ’t lijden dier jonge vrouw, daar in zijn[119]onmiddellijke nabijheid toevend met haar lichaam, doch zoo ver verwijderd met haar ziel. Weggerukt uit haar gepeins, treedt de werkelijkheid, de tegenwoordigheid van dien man, haar weer met ontzettende duidelijkheid voor den geest. Ze hoort bij hem, wellicht voor haar gansche leven! Haar gloeiende oogen baden zich opeens in een tranenvloed. Ze grijpt haar kussen en drukt het krampachtig tegen haar gelaat, om het geluid van haar snikken te smoren. Hij mag niets hooren: hij zou haar smart niet begrijpen, haar bespotten wellicht …Zoo mocht ze misschien een uur gelegen hebben. Eindelijk overmande haar de vermoeienis, en ze viel in een zwaren slaap, waaruit ze eenige uren later wakker schrok, toen de trein, aan zijn doel gekomen, ophield.„Paris! Paris!” klonk het om haar heen, „Tout le monde descend!” O, hoe had ze vroeger in haar schooljaren gedweept met dat Parijs! Hoe had ze vroeger gesmacht, die stad der steden eens te mogen zien! Nu was ze er. Die naam, welke vroeger zooveel aantrekkelijks en verlokkelijks voor haar geest tooverde,[120]klonk nu koud en nietszeggend in haar ooren.Een half uur ruim later stapten Clara en haar man af in ’t Grand Hôtel: Van Breeveld wilde van geen minder hotel hooren. Het was hem een genot, zijn rijkdom te kunnen toonen, en bovendien was hij gewend aan een weelderige woning en tafel. Van Breeveld, wiens praktische kennis van het Fransch gebleken was zeer dun te zijn, liet ook nu, evenals te Brussel, de bespreking van kamers als anderszins aan zijn vrouw over. Deze bestelde twee slaapkamers en een zitkamer, en spoedde zich dadelijk daarheen, op de hielen gevolgd door Van Breeveld. Toen ’t kamermeisje heen was gegaan, kon hij een uitroep van verwondering niet bedwingen: „Maar Clara, waarom twee slaapkamers? Wat moeten de menschen hier wel denken?”„O, niets bijzonders, dat gebeurt wel meer, en wat mij betreft, ik wil eens rustig slapen. Die twee-persoonsbedden zijn zoo weinig ruim.”Meteen wierp ze zich lusteloos in een gemakkelijken stoel. Beiden bevonden zich in haar slaapkamer. Van Breeveld kwam naar haar toe, kuste haar en vroeg:[121]„Wat scheelt er toch aan? Je ziet er ellendig uit.”„Och, wat hoofdpijn, en ik ben doodmoe van die reis: Ik heb heel weinig geslapen. Ik zal zien ’t nu te doen.”„Maar moet je dan niet eerst wat gebruiken?” vraagt haar man weer belangstellend. Hij blijft bij haar staan.„O neen, straks om twaalf uur. Ik wil alleen maar slapen. Laat me nu met rust.”Ze staat op en richt zich naar haar ledikant. Van Breeveld volgt haar. Hij vat haar om ’t middel, en wil haar liefkozen. Wrevelig keert zij zich om en verwijdert zich van hem:„Laat me in Godsnaam met rust. Ga nu heen.”„Goed, goed, ik ga. Slaap wel.”Van Breeveld is geheel uit het veld geslagen. „Wat scheelt haar toch?” mompelt hij, als hij, in ’t andere vertrek gekomen, de deur achter zich hoort sluiten. ’t Is hem volmaakt onbegrijpelijk, dat zij hem iets durft weigeren, waarop hij meent recht te hebben: waarvoor is hij anders getrouwd? Waarom anders, heeft[122]hij dat kind zonder cent de eer aangedaan, zijn vrouw te mogen worden en zijn rijkdom te deelen? En dan, welk een uitdrukking op haar gezicht! Zij, die altijd zoo gedwee en vriendelijk was geweest, scheen plotseling veranderd. „Vreemd, vreemd,” mompelde Van Breeveld weer, langzaam den breeden gang afwandelend naar de lift, die hem beneden zal brengen. In een der prachtige benedenzalen troost hij zich met een krachtig ontbijt. De uitstekende sherry, die hij erbij gebruikt, montert hem weer geheel op, en als hij zich later onder ’t genot van een fijne sigaar in de „Nieuwe Rotterdammer” verdiept, is de onaangename gewaarwording van daareven totaal verdwenen.Aan ’t tweede ontbijt vertoont Clara zich. Haar wangen zijn weer frisch. Een oogenblik heeft ze zich verbeeld, weer de oude levenslustige Clara te zijn: ’t was bij haar ontwaken uit den versterkenden slaap. Onmiddellijk echter was ’t besef der werkelijkheid haar loodzwaar komen drukken. Maar ze was niettemin niet meer zoo moedeloos. Ze moest sterk zijn, om niet onder te gaan, dat begreep ze nu volkomen,[123]en ze nam zich heilig voor, de toekomst moedig tegemoet te gaan.Van Breeveld was nu eenmaal haar man: ze nam zich voor, als een goede vrouw voor hem te zorgen, hem trouw te zijn, zooals zij dat opvatte. In haar naïeve voorstelling voldeed een vrouw geheel aan haar plichten jegens haar echtgenoot, wanneer zij daarin niet te kort kwam. Intiemere omgang was daar geheel buiten. Ze verlangde niet naar nakomelingen, nu ze overtuigd was, haar man nooit lief te zullen hebben.Het vooruitzicht van een bijzonder smakelijke lunch had Van Breeveld—voor wien eten en drinken zeer voorname zaken waren—bij ’t betreden der eetzaal dadelijk verrukt. Hij toonde een vriendelijk gezicht aan zijn vrouw, en was bijzonder hoffelijk. Clara achtte het dwaas, daar koel tegen in te wezen, en vooral aan tafel.Het toeval wilde, dat vlak tegenover hen een paartje kwam te zitten, dat Clara bekend was. De jonge echtgenoot—blijkbaar waren ze ook op hun huwelijksreis—was een luitenant[124]van ’t Pruisische leger, dien Clara te Mühlenwald wel eens in gezelschap ontmoet had, en met wien zij een paar maal op een bal had gedanst, de jonge vrouw was een Engelsche, een harer kennissen van de kostschool. De herkenning was wederzijds zeer verrassend. Clara stelde haar man voor, en er begon dadelijk een levendig gesprek, waarin Van Breeveld echter maar karig deelnam. ’t Jonge vrouwtje was blijkbaar zielsgelukkig: dat sprak uit alles wat ze zeide, en uit den blik, waarmee zij den reusachtigen luitenant met zijn fraaien blonden snor telkens aanzag. Ze moest met alle geweld Duitsch spreken en „schwärmerisch” doen: dank zij haar tweejarig verblijf te Mühlenwald, ging haar dat redelijk wel af, schoon haar man nu en dan er duchtig den draak mee stak. Ook hij scheen meer dan gelukkig. „Hoe anders zijn die twee dan wij”, dacht Clara met stil verdriet. En toch moest ze den schijn aannemen van overgelukkige jonggetrouwde!Na de lunch moest de jonge Engelsche met Clara samen een rijtoertje doen: ze stond erop,[125]met haar kostschoolvriendin te gaan „winkelen” in de prachtige magazijnen. De beide heeren zouden elkaar wel weten bezig te houden in haar afwezigheid. Maar Clara voorzag een te intiem samenzijn, en wist het zoover te drijven dat de beide echtgenooten meegingen. Van Breeveld had eerst weinig lust: hij was—zooals Clara tot haar ergernis kon zien—vol zoeten wijns, en verlangde naar een rustig uurtje in den rooksalon; maar hij zwichtte voor den algemeenen aandrang. Toch kon ze niet vermijden, dat Alice telkens, wanneer ze maar even gelegenheid had, Clara wat apart te zeggen, allerlei vragen deed, die haar in pijnlijke verlegenheid brachten, en haar dwongen de waarheid geweld aan te doen.„En is hij niet lief, heel lief voor je? En verafgoodt hij je niet? Dat moet ook, want je bent een dot en.… veel mooier dan ik.” Zoo ging het voort. Clara deed haar best, om vroolijk te schijnen, maar zooveel warmte uit wat haar vriendin zeide te voelen stralen, terwijl ’t in haar hart zoo koud, zoo akelig koud was, deed haar onzeggelijk droevig[126]aan. Haar oud en dierbaar geloof aan huwelijksliefde voelde zij weer opkomen. Maar ze herinnerde zich de woorden harer moeder; „als jonggehuwden zich verbeeldden dol veel van elkaar te houden, dan was die begoocheling al heel spoedig verdwenen.” Zouden ook die twee tortelduifjes na een jaartje geheel uitgekird hebben? Zich daarvan te overtuigen, was Clara een magere troost: aangenomen, dat het al zoo ware, dan toch hadden ze een tijd van zaligheid gekend: was die dan minder zoet, omdat hij zoo kort duurde? En liet hij dan niet heerlijke herinneringen na, genoeg voor een gansch verder leven? Of zou wellicht te veel liefde afkeer baren, genoeg om ’t verdere samenzijn te verbitteren? En ware dàn een koele, verstandige omgang van den beginne niet veel beter? Ja, misschien, wanneer er wederzijdsche achting bestond! Maar die wàs er niet in haar geval, en Clara wanhoopte of ze ooit weer achting voor Van Breeveld krijgen kon, nu ze die eenmaal verloren had. Neen, die man daalde met den dag dieper in haar achting; hoe zou dat ooit anders kunnen worden?[127]De dag verliep in gedurig samenzijn met het gelukkige jonge paar. Aan het diner kon Clara weer Van Breeveld’s onmatigheid opmerken en hinderde het haar onuitsprekelijk, hem ten aanzien van een groot gezelschap, zich letterlijk te zien bedrinken aan fijne wijnen. Nog meer hinderde, ja ergerde haar zijn toenemende hoffelijkheid jegens haar en de begeerigheid zijner oogen, telkens wanneer hij den blik op haar vestigde. Reeds vroeg in den avond gaf hij haar op allerlei bedekte manieren te kennen, dat hij met haar het gezelschap wenschte te verlaten; maar Clara deed, alsof ze niets daarvan bespeurde. Ze zag vreeselijk tegen den nacht op: wie weet, welk een tooneel haar wachtte.… Eindelijk, toen ’t aardig laat was geworden, stond ze op, en namen beiden voor den nacht afscheid van den luitenant en zijn vrouwtje. Van Breeveld bood haar hoffelijk den arm.Nauwelijks boven wilde hij haar in haar slaapkamer volgen, maar voordat hij nog iets gezegd had, gaf Clara hem een kus, en zeide vriendelijk—zij wilde vriendelijk zijn, als ’t kon, hoe zwaar haar dat ook viel—:[128]„Goeden nacht, man. Slaap wel.”Van Breeveld kuste haar op zijn beurt en haar om ’t middel vasthoudende, antwoordde hij verbaasd:„Goeden nacht voor goed, meen je?”„Zeker, ik ga slapen.”„Maar kindlief, jaag je me dan weg?”„Dat nu niet precies, maar ik woû toch wel, dat je ook in je kamer ging.”„Mag ik dan niet een poosje bij je blijven?”„Waartoe zou dat dienen?”„Waartoe? moet ik je dat nog zeggen? Wat zou een pasgetrouwd man, die z’n vrouwtje aanbidt, wel van haar verlangen?” Van Breeveld deed zijn best, een teederen, verliefden toon aan te slaan, die zich zeer slecht paarde met de gemeene uitdrukking van zijn gezicht. Clara had moeite, om zich niet vol walging van hem af te keeren. Zij vermande zich en bleef vriendelijk:„Ik kan niet aan je verlangen voldoen, ’t is me onmogelijk. Als je me werkelijk zoo liefhebt, laat me dan met rust.… Ik kàn niet, heusch.… ik kàn niet.…”[129]„Kom, kom, Claartje, dat meen je niet.” Hij dacht met een gril, een coquetterietje te doen te hebben; een beetje zacht geweld, dan zou hij toch wel zijn doel bereiken, dacht hij, en meteen trachtte hij haar met zich mee te troonen. Maar Clara gaat hem uit den weg. O, de blik dier dronkemansoogen, ze huivert ervan! Nochtans wil ze bedaard blijven.„’t Is me volle ernst. Ik zeg je nog eens: ik kàn niet. Als je iets voor me over heb, ga dan naar je kamer, toe, ik verzoek ’t je vriendelijk.”Zij ziet hem vol aan. De blik dier heldere, vastberaden oogen is hem blijkbaar te machtig. Hij slaat de oogen neer, en voelt zich min of meer met zijn houding verlegen. Zoo iets is hem nog nooit te voren overkomen. Hij heeft de gewaarwording van een verliefden schooljongen tegenover zijn veel oudere aangebedene in een eerste tête-à-tête.„Wat heb je toch?” stamelt Van Breeveld na een oogenblik zwijgens. „Waarom behandel je me zoo vreemd? Of vind je zulk een gedrag heel gewoon tegenover je man op den vierden dag van ons huwelijk?”[130]„Ik weet ’t niet, maar ’t is me eenmaal niet mogelijk anders te handelen. Ik wil lief en goed voor je zijn.… alles voor je doen maar.… dat.… nooit meer. Eisch dat niet meer van me, als je me respecteert.”„Eischen … respecteeren … maar, mijn lieve God, wat een woorden! Ik eisch niets, ik vraag …”„Nu goed, maar ik kàn niet.…”Haar houding, haar toon en gelaatsuitdrukking zijn zóo beslist, dat Van Breeveld niets meer daartegen weet in te brengen.Welk een pracht van een vrouw! Zoo heeft hij haar nog nooit gezien: tegen zooveel vrouwelijke fierheid had hij in zijn losse leven nog nooit te kampen gehad. Het gevoel dat hem bekruipt, heeft iets vaneerbiedals zoo iets mogelijk ware geweest in een ouden lichtmis als Van Breeveld; in alle geval is ’t een nieuwe, tot nu toe hem geheel onbekende aandoening. Met neergeslagen blik schuifelt hij naar de deur, en met een stamelend: „Goeden nacht dan,” begeeft hij zich naar zijn slaapkamer.Daar gekomen barst zijn landerigheid, die[131]door Clara’s overwicht in bedwang was gehouden, los. Hij stapt kregelig op en neer, en mompelt woedend:„Bespottelijk, dwaas, zot, krankzinnig! En dat zijn m’n wittebroodsweken. God betere ’t!”Nog eenige minuten blijft hij op en neer wandelen, en herhaalt telkens: „bespottelijk, bespottelijk,” totdat de verleiding hem te groot wordt, om maar zijn roes te gaan uitslapen in het weelderige ledikant met de mollige kussens. De al te overvloedige maaltijd, eenige uren te voren gebruikt, bezorgt hem een vreeselijke nachtmerrie: hij voelt zich wegzinken in een ontzaggelijk groot vat fijne Chambertin, den zelfden, dien hij aan tafel gedronken heeft, terwijl Clara over den rand naar hem staart met dezelfde gebiedende oogen van dien avond, en op al zijn hulpgeroep slechts antwoordt met een onverbiddelijk: „ik kàn niet.” Juist als hij zal ondergaan, ontwaakt hij met hevigen schrik en een benauwden kreet. Mijn God, wat voelt hij zich ellendig! Het tooneel van den voorafgaanden avond komt hem weer levendig voor den geest, en met een hernieuwd: „bespottelijk,[132]krankzinnig!” keert hij zich woest om, en tracht den slaap weer te vatten.Toen Van Breeveld den volgenden ochtend Clara weerzag, en zij hem vriendelijk vroeg, hoe hij geslapen had, en verder den ganschen dag niet van houding jegens hem veranderde, kwam hij meer en meer tot de overtuiging, dat haar gedrag van den vorigen nacht slechts iets voorbijgaands moest wezen: ’t moest vermoeienis of—een gewone onverklaarbare vrouwengril wezen, meende hij. Hij rekende er dan ook stellig op, geen verderen tegenstand te zullen ontmoeten.Bij ’t ter ruste gaan, ontnam Clara hem die illusie nog vóor ze hunne kamers bereikt hadden, door hem vlak voor haar slaapvertrek goeden nacht te wenschen. Blijkbaar niet verwachtende, dat hij haar volgen zou, wilde ze reeds de deur sluiten, toen Van Breeveld haar voor was, en mee naar binnen ging.„Wat beduidt dat, Clara?” riep hij ten hoogste verbaasd en beleedigd.„Waarom volg je me?” was de wedervraag.„Clara, ik geloof waarlijk, dat je je verstand[133]verloren hebt.” Hij beefde van woede en begeerte. „Ben je van plan, je man voortdurend den toegang tot je slaapkamer te weigeren?”„Als je zulke bedoelingen hebt als gisterenavond, ja.”„Maar waaròm, in Gods naam?! Erken je me dan niet meer als je man?”„Eenvoudig omdat ik niet anders kàn.”„Niet anders kan.… maar ik vraag niets dan mijn recht.… wat me toekomt als je man.”„Meen je, dat ’t je recht is, me te vernederen en te beleedigen? Wat je me vraagt, vind ik.… beestachtig, walgelijk.” Clara heeft zich meer en meer opgewonden. Haar oogen schitteren van verontwaardiging, haar geheele wezen vertoont het beeld der beleedigde vrouwelijke fierheid. Haar machtige schoonheid straalt in al haar luister. Hoe dicht bij hem, die haar met oogen vol vlammende begeerte als verslindt, en toch hoe ongenaakbaar staat ze daar!Schoon overbluft, geeft Van Breeveld zich nog niet gewonnen. Hij wil bedaard zijn.[134]„Maar Clara lief,” zegt hij, zijn ongeduld bedwingend, „geloof je dan, dat in andere huwelijken.…”„Ik weet niet, hoe ’t bij anderen is,” valt Clara hem in de rede, „ik weet alleen, dat zoo iets tusschen ons niet meer mogelijk is, nooit meer.…” Ze wil hem niet zeggen, dat ze hem niet alleen niet liefheeft, maar ook minacht.„Is dat je laatste woord? En weiger je me een goede reden op te geven voor zulk een houding?” roept Van Breeveld, reeds wanhopend zijn doel te bereiken.„Ik kan geen andere reden geven, dan dat je eisch me een gruwel is. Je kan me even zoo goed vragen, mezelf door je te laten vertrappen.… neen, dat zou mijn gevoel van schaamte ten minste niet kwetsen.”Van Breeveld haalt driftig de schouders op. Hij ziedt inwendig van machtelooze woede.„Je wilt dus, dat die toestand zoo tusschen ons blijft?” vraagt hij bitter.„Ik heb je alles gezegd, ik wil een goede vrouw voor je zijn, maar dàt nooit meer.”[135]„En geloof je, dat samenleven op die manier op den duur houdbaar is?”„Waarom niet? Ik geloof dat er verscheidene huwelijken zijn, waar man en vrouw op die wijze vriendschappelijk met elkaar blijven omgaan.”„Nu, ìk verlang zulk een samenzijn niet,” roept Van Breeveld zijn drift niet meer bedwingende. „Ik bedank er voor. Dan moeten we maar van elkaar, hoe eêr hoe beter.”„Als je dat wenscht, in Godsnaam.… Ik kan er niet ongelukkiger door worden dan ik al ben.…” De aandoening is Clara te machtig. Ze zinkt in een stoel neer, en bedekt snikkend haar gelaat met beide handen.Van Breeveld ziet het een oogenblik zwijgend aan. „Ik wensch je een goeden nacht,” zegt hij koud en gaat dan snel naar zijn kamer.Zenuwachtig herhaalt hij zijn heen en weer stappen van den vorigen nacht, rukt nu en dan vinnig aan zijn knevel, zet zich een oogenblik in een stoel, hervat zijn ijsberengang, telkens zijn overdenkingen met een vloek of grof woord afbrekend. De heele zaak is hem[136]een raadsel; ’t is hem onbegrijpelijk, hoe Clara plotseling zoo veranderd kan zijn, hoe zoo op eens zijn lot gekeerd is. Zijn geluk—of wat hij daarvoor hield—is weg: hij voelt zich ellendig. En wat hem ’t meest ergert is, dat hij zich zoo klein heeft gevoeld tegenover die vrouw: zijn eigenliefde heeft een geduchten knak gekregen. Ook weet hij niet recht, wat hem te doen staat. Moet hij trachten het tot een scheiding te brengen, nu hij nog zoo kort met Clara verbonden is? Dat zou dan moeten gebeuren bij aankomst in Indië! Dat zou bespottelijk zijn, en wat zou de wereld er wel van zeggen, zijn familie, zijn vrienden, zijn kennissen? Hij zou een zot figuur maken, een eenig zot figuur! Toch zou ’t moeten, want waartoe verder samen te leven met een mooie, jonge vrouw, die hem haar gunsten steeds zou blijven weigeren? ’t Zou hem een voortdurende terging zijn. Maar zou ’t inderdaad zoo ver komen? Van Breeveld was geen pessimist: ’t was hem tot nu toe in ’t leven zoo voorspoedig gegaan, dat hij nauwelijks aan tegenspoed geloofde. Zou Clara’s wonderlijk gedrag niet nog kunnen veranderen?[137]vroeg hij zich weer hoopvol af. Langzamerhand troostte hij zich met dit denkbeeld. „’t Zal wel terecht komen,” mompelde hij, toen hij eindelijk besloot naar bed te gaan.Als hij toen echter in Clara’s kamer had kunnen zien en hooren wat daar op het oogenblik geschiedde, dan ware zeker die illusie even snel verdwenen als ze opgekomen was. Clara lag op haar knieën voor haar bed, en, de handen krampachtig saâmgedrukt, bad ze ’t vurigste gebed, dat ooit nog over haar lippen gekomen was. In door snikken afgebroken woorden smeekte ze om kracht voor de toekomst, om licht in ’t donkere verschiet, dat zich voor haar opende.„O God,” stamelde zij, „’t kan immers uw wil niet wezen, dat uw kind zich verlaagt, om dien man ten genoege te zijn? Dat kàn niet! dat kàn niet! Nietwaar, gij zult me kracht geven, om te blijven handelen naar de inspraak van mijn geweten?”[138]

VII.’t Werk eener moeder.

’s Avonds laat op een lieflijken voorjaarsdag.Aan ’t Zuider-station van Brussel staat de nachttrein voor Parijs op ’t punt van te vertrekken. ’t IJzeren gevaarte met de vurige oogen hijgt en blaast, onwrikbaar stevig op de metalen voeten, als brieschte het van ongeduld om voort te snellen. Straks zal het onweerstaanbaar heenspoeden langs afgrond en bergrug, over stroomen, door wouden en dwars door rotswanden, geen haarbreed wijkende van de rechte baan, als een zinnebeeld der plicht zijn eenmaal gekozen doel nastrevend, met volmaakte nauwgezetheid zijn woord gestand doende tegenover de honderden aan zijne hoede toevertrouwd.Zich een weg makend door het gedrang van reizigers, sjouwerlui en handwagens, treedt een paar naar voren, om plaats te nemen in een eerste-klas-coupé van den Parijschen trein. De man is iemand van schijnbaar middelbaren[114]leeftijd, forsch gebouwd, donker van haar en knevel, met een haviksneus, en gekleed in een licht reiskostuum en nagenoeg gelijkkleurigen zomerjas. Hij zou knap van uiterlijk genoemd kunnen worden, ware het niet, dat zijn dikke lippen en de trekken om mond en neus, het lage voorhoofd, en de eenigszins dichtgeknepen oogen hem iets onbeduidends en domzinnelijks gaven. De jonge vrouw naast hem, slank, iets langer dan haar metgezel, is geheel gehuld in eenz.g.stofmantel, die een sierlijk reistoilet verbergt. Haar lief gelaat heeft iets invermoeids, en er is een trek van droefheid en moedeloosheid op, zoo zonderling bij zooveel jeugdige frischheid. Als onverschillig volgt zij haar geleider naar een coupé-lit.Eenige minuten later is de trein in vollen gang, en ligt ze in ’t nauwe bedje, waar zij den nacht zal doorbrengen. Vlak onder haar is de slaapplaats van haar metgezel. Met kwalijk verholen wrevel heeft zij pas zijn nachtkus geduld, en nu tracht ze rust te vinden, schoon ze niet veel hoop heeft, spoedig in te zullen slapen. Haar slaapkameraad onder haar schijnt[115]weinig moeite daarmee te hebben. Een paar minuten slechts zijn noodig, om hem luidruchtig te doen snurken. Ook hij is blijkbaar vermoeid na een dag van ronddrentelen in ’t groote Brussel.Maar Clara—want zij is de jonge vrouw—is niet alleen lichamelijk vermoeid. Gave God dat ze dat alleen ware! Had ze als Van Breeveld slechts vatbaarheid daarvoor, dan ware ze wellicht gelukkig.Niet dat zij in de laatste maanden ooit recht gelukkig geweest is, o neen, verre van dien, maar de zielsellende, waaraan ze thans ten prooi is, dateert slechts van enkele dagen geleden, van den dag, dat die man haar echtgenoot geworden was. Te voren had ze veel verdriet gehad, weken achtereen was ze zelfs ziek geweest na de vreeselijke aandoeningen van die nare zaak van Willem Victor, daarna had ze allengs zich geschikt in ’t onvermijdelijke en met doffe onverschilligheid was ze ’t leven weer ingegaan. Haar liefste illusiën lagen vergruisd. Zij geloofde niet meer aan liefde, en de droeve leer harer moeder, „dat die alleen in[116]boeken bestond”, had ze tot de hare gemaakt. Ze had koel Van Breeveld’s hulde aangenomen, toen hij om haar hand vroeg, zooals ze erin zou toegestemd hebben, zich te laten vaccineeren. Een meisje moet nu eenmaal trouwen. En de man was niet kwaad, meende zij, en haar moeder deed alles wat ze kon, om haar een goed denkbeeld van hem te doen krijgen. Ze geloofde ook, dat hij haar oprecht liefhad, en alles zou doen, om haar gelukkig te maken. Hoe weinig kende zij hem, hoe weinig besefte zij, dat een man een meisje kanbegeeren, zonder dat er een greintje liefde in zijn hart bestaat! Mevrouw Van Merenstein had de noodige ondervinding, om haar aanstaanden schoonzoon op den waren prijs te schatten. Zij wist zeer goed, dat hier hartstocht alleen in ’t spel was: ze wist het uit zijn oogen, zijn gansche gelaatsuitdrukking, zijn verleden, waarvan zij zich geheel op de hoogte had gesteld. Maar dat alles woog weinig bij haar: zijn rang en fortuin waren daar, om nog veel meer dan dat goed te maken! En dan—zij zelve had nooit anders dan hartstocht gekend, liefde was bij[117]haar een onding, zij kon zich geen andere aantrekking tusschen man en vrouw denken dan die der grofste zinnelijkheid.…O, hoe mat en levensmoede voelde Clara zich dien nacht, toen zij slapeloos neerlag in haar ongemakkelijk bed in den trein! Hoe was ze in die drie dagen na haar huwelijk ouder geworden, oud naar de ziel! Haar laatste hoop op eenig geluk was ook thans vervlogen. Groote God, welk een ondervindingen in die korte spanne tijds! Ze besefte thans ten volle, dat er bij Van Breeveld nooit van liefde sprake was geweest. Het hart keerde haar om in ’t lijf van walging voor den lagen hartstocht van dien man.Met ontzetting dacht Clara aan ’t haar wachtende leven. Hoeveel jaren zou ze samen moeten zijn met dien man, dien zij nu reeds verachtte en verafschuwde! En er zou geen hoop op verandering wezen, nooit, nooit! Zij mocht hem weigeren, haar ooit weer als echtgenoot te naderen, hem den toegang tot haar slaapkamer ontzeggen—en dat zou ze, dat moest ze, als ze zichzelve bleef eerbiedigen—[118]’t zou niet beletten dat ze dagelijks zijn gezelschap zou moeten dulden, en tegenover de wereld den schijn eener goede samenleving zou moeten ophouden. En hoe zou hij daaronder zijn? Zij voorzag zeer goed, dat hij ruw en halstarrig genoeg zou wezen, om in opstand te komen tegen haar besluit. De schijn van welwillendheid en vriendelijkheid zijnerzijds zou spoedig wijken voor wrevel en ergernis. Maar liever ruw geweld desnoods, dan zijn goede gezindheid gekocht tot den prijs harer vernedering! Bij God, zij zou hem toonen, dat ze meer wenschte te wezen dan een voorwerp van vermaak, een speeltuig voor zijn ruwe lusten!Een onwillekeurige beweging, waarmee zij omwoelde, als wilde zij zich vol afschuw afwenden van zulk een schrikbeeld, deed de slaapplaats zoo kraken, dat van Breeveld half ontwaakte. Hij ademde diep met rochelend geluid, en het gesnurk hervatte met grooter kracht dan te voren. Clara ontstelde, alsof haar geheime gedachten door dien man beluisterd waren. Neen, hij slaapt weer rustig door, onbewust van ’t lijden dier jonge vrouw, daar in zijn[119]onmiddellijke nabijheid toevend met haar lichaam, doch zoo ver verwijderd met haar ziel. Weggerukt uit haar gepeins, treedt de werkelijkheid, de tegenwoordigheid van dien man, haar weer met ontzettende duidelijkheid voor den geest. Ze hoort bij hem, wellicht voor haar gansche leven! Haar gloeiende oogen baden zich opeens in een tranenvloed. Ze grijpt haar kussen en drukt het krampachtig tegen haar gelaat, om het geluid van haar snikken te smoren. Hij mag niets hooren: hij zou haar smart niet begrijpen, haar bespotten wellicht …Zoo mocht ze misschien een uur gelegen hebben. Eindelijk overmande haar de vermoeienis, en ze viel in een zwaren slaap, waaruit ze eenige uren later wakker schrok, toen de trein, aan zijn doel gekomen, ophield.„Paris! Paris!” klonk het om haar heen, „Tout le monde descend!” O, hoe had ze vroeger in haar schooljaren gedweept met dat Parijs! Hoe had ze vroeger gesmacht, die stad der steden eens te mogen zien! Nu was ze er. Die naam, welke vroeger zooveel aantrekkelijks en verlokkelijks voor haar geest tooverde,[120]klonk nu koud en nietszeggend in haar ooren.Een half uur ruim later stapten Clara en haar man af in ’t Grand Hôtel: Van Breeveld wilde van geen minder hotel hooren. Het was hem een genot, zijn rijkdom te kunnen toonen, en bovendien was hij gewend aan een weelderige woning en tafel. Van Breeveld, wiens praktische kennis van het Fransch gebleken was zeer dun te zijn, liet ook nu, evenals te Brussel, de bespreking van kamers als anderszins aan zijn vrouw over. Deze bestelde twee slaapkamers en een zitkamer, en spoedde zich dadelijk daarheen, op de hielen gevolgd door Van Breeveld. Toen ’t kamermeisje heen was gegaan, kon hij een uitroep van verwondering niet bedwingen: „Maar Clara, waarom twee slaapkamers? Wat moeten de menschen hier wel denken?”„O, niets bijzonders, dat gebeurt wel meer, en wat mij betreft, ik wil eens rustig slapen. Die twee-persoonsbedden zijn zoo weinig ruim.”Meteen wierp ze zich lusteloos in een gemakkelijken stoel. Beiden bevonden zich in haar slaapkamer. Van Breeveld kwam naar haar toe, kuste haar en vroeg:[121]„Wat scheelt er toch aan? Je ziet er ellendig uit.”„Och, wat hoofdpijn, en ik ben doodmoe van die reis: Ik heb heel weinig geslapen. Ik zal zien ’t nu te doen.”„Maar moet je dan niet eerst wat gebruiken?” vraagt haar man weer belangstellend. Hij blijft bij haar staan.„O neen, straks om twaalf uur. Ik wil alleen maar slapen. Laat me nu met rust.”Ze staat op en richt zich naar haar ledikant. Van Breeveld volgt haar. Hij vat haar om ’t middel, en wil haar liefkozen. Wrevelig keert zij zich om en verwijdert zich van hem:„Laat me in Godsnaam met rust. Ga nu heen.”„Goed, goed, ik ga. Slaap wel.”Van Breeveld is geheel uit het veld geslagen. „Wat scheelt haar toch?” mompelt hij, als hij, in ’t andere vertrek gekomen, de deur achter zich hoort sluiten. ’t Is hem volmaakt onbegrijpelijk, dat zij hem iets durft weigeren, waarop hij meent recht te hebben: waarvoor is hij anders getrouwd? Waarom anders, heeft[122]hij dat kind zonder cent de eer aangedaan, zijn vrouw te mogen worden en zijn rijkdom te deelen? En dan, welk een uitdrukking op haar gezicht! Zij, die altijd zoo gedwee en vriendelijk was geweest, scheen plotseling veranderd. „Vreemd, vreemd,” mompelde Van Breeveld weer, langzaam den breeden gang afwandelend naar de lift, die hem beneden zal brengen. In een der prachtige benedenzalen troost hij zich met een krachtig ontbijt. De uitstekende sherry, die hij erbij gebruikt, montert hem weer geheel op, en als hij zich later onder ’t genot van een fijne sigaar in de „Nieuwe Rotterdammer” verdiept, is de onaangename gewaarwording van daareven totaal verdwenen.Aan ’t tweede ontbijt vertoont Clara zich. Haar wangen zijn weer frisch. Een oogenblik heeft ze zich verbeeld, weer de oude levenslustige Clara te zijn: ’t was bij haar ontwaken uit den versterkenden slaap. Onmiddellijk echter was ’t besef der werkelijkheid haar loodzwaar komen drukken. Maar ze was niettemin niet meer zoo moedeloos. Ze moest sterk zijn, om niet onder te gaan, dat begreep ze nu volkomen,[123]en ze nam zich heilig voor, de toekomst moedig tegemoet te gaan.Van Breeveld was nu eenmaal haar man: ze nam zich voor, als een goede vrouw voor hem te zorgen, hem trouw te zijn, zooals zij dat opvatte. In haar naïeve voorstelling voldeed een vrouw geheel aan haar plichten jegens haar echtgenoot, wanneer zij daarin niet te kort kwam. Intiemere omgang was daar geheel buiten. Ze verlangde niet naar nakomelingen, nu ze overtuigd was, haar man nooit lief te zullen hebben.Het vooruitzicht van een bijzonder smakelijke lunch had Van Breeveld—voor wien eten en drinken zeer voorname zaken waren—bij ’t betreden der eetzaal dadelijk verrukt. Hij toonde een vriendelijk gezicht aan zijn vrouw, en was bijzonder hoffelijk. Clara achtte het dwaas, daar koel tegen in te wezen, en vooral aan tafel.Het toeval wilde, dat vlak tegenover hen een paartje kwam te zitten, dat Clara bekend was. De jonge echtgenoot—blijkbaar waren ze ook op hun huwelijksreis—was een luitenant[124]van ’t Pruisische leger, dien Clara te Mühlenwald wel eens in gezelschap ontmoet had, en met wien zij een paar maal op een bal had gedanst, de jonge vrouw was een Engelsche, een harer kennissen van de kostschool. De herkenning was wederzijds zeer verrassend. Clara stelde haar man voor, en er begon dadelijk een levendig gesprek, waarin Van Breeveld echter maar karig deelnam. ’t Jonge vrouwtje was blijkbaar zielsgelukkig: dat sprak uit alles wat ze zeide, en uit den blik, waarmee zij den reusachtigen luitenant met zijn fraaien blonden snor telkens aanzag. Ze moest met alle geweld Duitsch spreken en „schwärmerisch” doen: dank zij haar tweejarig verblijf te Mühlenwald, ging haar dat redelijk wel af, schoon haar man nu en dan er duchtig den draak mee stak. Ook hij scheen meer dan gelukkig. „Hoe anders zijn die twee dan wij”, dacht Clara met stil verdriet. En toch moest ze den schijn aannemen van overgelukkige jonggetrouwde!Na de lunch moest de jonge Engelsche met Clara samen een rijtoertje doen: ze stond erop,[125]met haar kostschoolvriendin te gaan „winkelen” in de prachtige magazijnen. De beide heeren zouden elkaar wel weten bezig te houden in haar afwezigheid. Maar Clara voorzag een te intiem samenzijn, en wist het zoover te drijven dat de beide echtgenooten meegingen. Van Breeveld had eerst weinig lust: hij was—zooals Clara tot haar ergernis kon zien—vol zoeten wijns, en verlangde naar een rustig uurtje in den rooksalon; maar hij zwichtte voor den algemeenen aandrang. Toch kon ze niet vermijden, dat Alice telkens, wanneer ze maar even gelegenheid had, Clara wat apart te zeggen, allerlei vragen deed, die haar in pijnlijke verlegenheid brachten, en haar dwongen de waarheid geweld aan te doen.„En is hij niet lief, heel lief voor je? En verafgoodt hij je niet? Dat moet ook, want je bent een dot en.… veel mooier dan ik.” Zoo ging het voort. Clara deed haar best, om vroolijk te schijnen, maar zooveel warmte uit wat haar vriendin zeide te voelen stralen, terwijl ’t in haar hart zoo koud, zoo akelig koud was, deed haar onzeggelijk droevig[126]aan. Haar oud en dierbaar geloof aan huwelijksliefde voelde zij weer opkomen. Maar ze herinnerde zich de woorden harer moeder; „als jonggehuwden zich verbeeldden dol veel van elkaar te houden, dan was die begoocheling al heel spoedig verdwenen.” Zouden ook die twee tortelduifjes na een jaartje geheel uitgekird hebben? Zich daarvan te overtuigen, was Clara een magere troost: aangenomen, dat het al zoo ware, dan toch hadden ze een tijd van zaligheid gekend: was die dan minder zoet, omdat hij zoo kort duurde? En liet hij dan niet heerlijke herinneringen na, genoeg voor een gansch verder leven? Of zou wellicht te veel liefde afkeer baren, genoeg om ’t verdere samenzijn te verbitteren? En ware dàn een koele, verstandige omgang van den beginne niet veel beter? Ja, misschien, wanneer er wederzijdsche achting bestond! Maar die wàs er niet in haar geval, en Clara wanhoopte of ze ooit weer achting voor Van Breeveld krijgen kon, nu ze die eenmaal verloren had. Neen, die man daalde met den dag dieper in haar achting; hoe zou dat ooit anders kunnen worden?[127]De dag verliep in gedurig samenzijn met het gelukkige jonge paar. Aan het diner kon Clara weer Van Breeveld’s onmatigheid opmerken en hinderde het haar onuitsprekelijk, hem ten aanzien van een groot gezelschap, zich letterlijk te zien bedrinken aan fijne wijnen. Nog meer hinderde, ja ergerde haar zijn toenemende hoffelijkheid jegens haar en de begeerigheid zijner oogen, telkens wanneer hij den blik op haar vestigde. Reeds vroeg in den avond gaf hij haar op allerlei bedekte manieren te kennen, dat hij met haar het gezelschap wenschte te verlaten; maar Clara deed, alsof ze niets daarvan bespeurde. Ze zag vreeselijk tegen den nacht op: wie weet, welk een tooneel haar wachtte.… Eindelijk, toen ’t aardig laat was geworden, stond ze op, en namen beiden voor den nacht afscheid van den luitenant en zijn vrouwtje. Van Breeveld bood haar hoffelijk den arm.Nauwelijks boven wilde hij haar in haar slaapkamer volgen, maar voordat hij nog iets gezegd had, gaf Clara hem een kus, en zeide vriendelijk—zij wilde vriendelijk zijn, als ’t kon, hoe zwaar haar dat ook viel—:[128]„Goeden nacht, man. Slaap wel.”Van Breeveld kuste haar op zijn beurt en haar om ’t middel vasthoudende, antwoordde hij verbaasd:„Goeden nacht voor goed, meen je?”„Zeker, ik ga slapen.”„Maar kindlief, jaag je me dan weg?”„Dat nu niet precies, maar ik woû toch wel, dat je ook in je kamer ging.”„Mag ik dan niet een poosje bij je blijven?”„Waartoe zou dat dienen?”„Waartoe? moet ik je dat nog zeggen? Wat zou een pasgetrouwd man, die z’n vrouwtje aanbidt, wel van haar verlangen?” Van Breeveld deed zijn best, een teederen, verliefden toon aan te slaan, die zich zeer slecht paarde met de gemeene uitdrukking van zijn gezicht. Clara had moeite, om zich niet vol walging van hem af te keeren. Zij vermande zich en bleef vriendelijk:„Ik kan niet aan je verlangen voldoen, ’t is me onmogelijk. Als je me werkelijk zoo liefhebt, laat me dan met rust.… Ik kàn niet, heusch.… ik kàn niet.…”[129]„Kom, kom, Claartje, dat meen je niet.” Hij dacht met een gril, een coquetterietje te doen te hebben; een beetje zacht geweld, dan zou hij toch wel zijn doel bereiken, dacht hij, en meteen trachtte hij haar met zich mee te troonen. Maar Clara gaat hem uit den weg. O, de blik dier dronkemansoogen, ze huivert ervan! Nochtans wil ze bedaard blijven.„’t Is me volle ernst. Ik zeg je nog eens: ik kàn niet. Als je iets voor me over heb, ga dan naar je kamer, toe, ik verzoek ’t je vriendelijk.”Zij ziet hem vol aan. De blik dier heldere, vastberaden oogen is hem blijkbaar te machtig. Hij slaat de oogen neer, en voelt zich min of meer met zijn houding verlegen. Zoo iets is hem nog nooit te voren overkomen. Hij heeft de gewaarwording van een verliefden schooljongen tegenover zijn veel oudere aangebedene in een eerste tête-à-tête.„Wat heb je toch?” stamelt Van Breeveld na een oogenblik zwijgens. „Waarom behandel je me zoo vreemd? Of vind je zulk een gedrag heel gewoon tegenover je man op den vierden dag van ons huwelijk?”[130]„Ik weet ’t niet, maar ’t is me eenmaal niet mogelijk anders te handelen. Ik wil lief en goed voor je zijn.… alles voor je doen maar.… dat.… nooit meer. Eisch dat niet meer van me, als je me respecteert.”„Eischen … respecteeren … maar, mijn lieve God, wat een woorden! Ik eisch niets, ik vraag …”„Nu goed, maar ik kàn niet.…”Haar houding, haar toon en gelaatsuitdrukking zijn zóo beslist, dat Van Breeveld niets meer daartegen weet in te brengen.Welk een pracht van een vrouw! Zoo heeft hij haar nog nooit gezien: tegen zooveel vrouwelijke fierheid had hij in zijn losse leven nog nooit te kampen gehad. Het gevoel dat hem bekruipt, heeft iets vaneerbiedals zoo iets mogelijk ware geweest in een ouden lichtmis als Van Breeveld; in alle geval is ’t een nieuwe, tot nu toe hem geheel onbekende aandoening. Met neergeslagen blik schuifelt hij naar de deur, en met een stamelend: „Goeden nacht dan,” begeeft hij zich naar zijn slaapkamer.Daar gekomen barst zijn landerigheid, die[131]door Clara’s overwicht in bedwang was gehouden, los. Hij stapt kregelig op en neer, en mompelt woedend:„Bespottelijk, dwaas, zot, krankzinnig! En dat zijn m’n wittebroodsweken. God betere ’t!”Nog eenige minuten blijft hij op en neer wandelen, en herhaalt telkens: „bespottelijk, bespottelijk,” totdat de verleiding hem te groot wordt, om maar zijn roes te gaan uitslapen in het weelderige ledikant met de mollige kussens. De al te overvloedige maaltijd, eenige uren te voren gebruikt, bezorgt hem een vreeselijke nachtmerrie: hij voelt zich wegzinken in een ontzaggelijk groot vat fijne Chambertin, den zelfden, dien hij aan tafel gedronken heeft, terwijl Clara over den rand naar hem staart met dezelfde gebiedende oogen van dien avond, en op al zijn hulpgeroep slechts antwoordt met een onverbiddelijk: „ik kàn niet.” Juist als hij zal ondergaan, ontwaakt hij met hevigen schrik en een benauwden kreet. Mijn God, wat voelt hij zich ellendig! Het tooneel van den voorafgaanden avond komt hem weer levendig voor den geest, en met een hernieuwd: „bespottelijk,[132]krankzinnig!” keert hij zich woest om, en tracht den slaap weer te vatten.Toen Van Breeveld den volgenden ochtend Clara weerzag, en zij hem vriendelijk vroeg, hoe hij geslapen had, en verder den ganschen dag niet van houding jegens hem veranderde, kwam hij meer en meer tot de overtuiging, dat haar gedrag van den vorigen nacht slechts iets voorbijgaands moest wezen: ’t moest vermoeienis of—een gewone onverklaarbare vrouwengril wezen, meende hij. Hij rekende er dan ook stellig op, geen verderen tegenstand te zullen ontmoeten.Bij ’t ter ruste gaan, ontnam Clara hem die illusie nog vóor ze hunne kamers bereikt hadden, door hem vlak voor haar slaapvertrek goeden nacht te wenschen. Blijkbaar niet verwachtende, dat hij haar volgen zou, wilde ze reeds de deur sluiten, toen Van Breeveld haar voor was, en mee naar binnen ging.„Wat beduidt dat, Clara?” riep hij ten hoogste verbaasd en beleedigd.„Waarom volg je me?” was de wedervraag.„Clara, ik geloof waarlijk, dat je je verstand[133]verloren hebt.” Hij beefde van woede en begeerte. „Ben je van plan, je man voortdurend den toegang tot je slaapkamer te weigeren?”„Als je zulke bedoelingen hebt als gisterenavond, ja.”„Maar waaròm, in Gods naam?! Erken je me dan niet meer als je man?”„Eenvoudig omdat ik niet anders kàn.”„Niet anders kan.… maar ik vraag niets dan mijn recht.… wat me toekomt als je man.”„Meen je, dat ’t je recht is, me te vernederen en te beleedigen? Wat je me vraagt, vind ik.… beestachtig, walgelijk.” Clara heeft zich meer en meer opgewonden. Haar oogen schitteren van verontwaardiging, haar geheele wezen vertoont het beeld der beleedigde vrouwelijke fierheid. Haar machtige schoonheid straalt in al haar luister. Hoe dicht bij hem, die haar met oogen vol vlammende begeerte als verslindt, en toch hoe ongenaakbaar staat ze daar!Schoon overbluft, geeft Van Breeveld zich nog niet gewonnen. Hij wil bedaard zijn.[134]„Maar Clara lief,” zegt hij, zijn ongeduld bedwingend, „geloof je dan, dat in andere huwelijken.…”„Ik weet niet, hoe ’t bij anderen is,” valt Clara hem in de rede, „ik weet alleen, dat zoo iets tusschen ons niet meer mogelijk is, nooit meer.…” Ze wil hem niet zeggen, dat ze hem niet alleen niet liefheeft, maar ook minacht.„Is dat je laatste woord? En weiger je me een goede reden op te geven voor zulk een houding?” roept Van Breeveld, reeds wanhopend zijn doel te bereiken.„Ik kan geen andere reden geven, dan dat je eisch me een gruwel is. Je kan me even zoo goed vragen, mezelf door je te laten vertrappen.… neen, dat zou mijn gevoel van schaamte ten minste niet kwetsen.”Van Breeveld haalt driftig de schouders op. Hij ziedt inwendig van machtelooze woede.„Je wilt dus, dat die toestand zoo tusschen ons blijft?” vraagt hij bitter.„Ik heb je alles gezegd, ik wil een goede vrouw voor je zijn, maar dàt nooit meer.”[135]„En geloof je, dat samenleven op die manier op den duur houdbaar is?”„Waarom niet? Ik geloof dat er verscheidene huwelijken zijn, waar man en vrouw op die wijze vriendschappelijk met elkaar blijven omgaan.”„Nu, ìk verlang zulk een samenzijn niet,” roept Van Breeveld zijn drift niet meer bedwingende. „Ik bedank er voor. Dan moeten we maar van elkaar, hoe eêr hoe beter.”„Als je dat wenscht, in Godsnaam.… Ik kan er niet ongelukkiger door worden dan ik al ben.…” De aandoening is Clara te machtig. Ze zinkt in een stoel neer, en bedekt snikkend haar gelaat met beide handen.Van Breeveld ziet het een oogenblik zwijgend aan. „Ik wensch je een goeden nacht,” zegt hij koud en gaat dan snel naar zijn kamer.Zenuwachtig herhaalt hij zijn heen en weer stappen van den vorigen nacht, rukt nu en dan vinnig aan zijn knevel, zet zich een oogenblik in een stoel, hervat zijn ijsberengang, telkens zijn overdenkingen met een vloek of grof woord afbrekend. De heele zaak is hem[136]een raadsel; ’t is hem onbegrijpelijk, hoe Clara plotseling zoo veranderd kan zijn, hoe zoo op eens zijn lot gekeerd is. Zijn geluk—of wat hij daarvoor hield—is weg: hij voelt zich ellendig. En wat hem ’t meest ergert is, dat hij zich zoo klein heeft gevoeld tegenover die vrouw: zijn eigenliefde heeft een geduchten knak gekregen. Ook weet hij niet recht, wat hem te doen staat. Moet hij trachten het tot een scheiding te brengen, nu hij nog zoo kort met Clara verbonden is? Dat zou dan moeten gebeuren bij aankomst in Indië! Dat zou bespottelijk zijn, en wat zou de wereld er wel van zeggen, zijn familie, zijn vrienden, zijn kennissen? Hij zou een zot figuur maken, een eenig zot figuur! Toch zou ’t moeten, want waartoe verder samen te leven met een mooie, jonge vrouw, die hem haar gunsten steeds zou blijven weigeren? ’t Zou hem een voortdurende terging zijn. Maar zou ’t inderdaad zoo ver komen? Van Breeveld was geen pessimist: ’t was hem tot nu toe in ’t leven zoo voorspoedig gegaan, dat hij nauwelijks aan tegenspoed geloofde. Zou Clara’s wonderlijk gedrag niet nog kunnen veranderen?[137]vroeg hij zich weer hoopvol af. Langzamerhand troostte hij zich met dit denkbeeld. „’t Zal wel terecht komen,” mompelde hij, toen hij eindelijk besloot naar bed te gaan.Als hij toen echter in Clara’s kamer had kunnen zien en hooren wat daar op het oogenblik geschiedde, dan ware zeker die illusie even snel verdwenen als ze opgekomen was. Clara lag op haar knieën voor haar bed, en, de handen krampachtig saâmgedrukt, bad ze ’t vurigste gebed, dat ooit nog over haar lippen gekomen was. In door snikken afgebroken woorden smeekte ze om kracht voor de toekomst, om licht in ’t donkere verschiet, dat zich voor haar opende.„O God,” stamelde zij, „’t kan immers uw wil niet wezen, dat uw kind zich verlaagt, om dien man ten genoege te zijn? Dat kàn niet! dat kàn niet! Nietwaar, gij zult me kracht geven, om te blijven handelen naar de inspraak van mijn geweten?”[138]

’s Avonds laat op een lieflijken voorjaarsdag.

Aan ’t Zuider-station van Brussel staat de nachttrein voor Parijs op ’t punt van te vertrekken. ’t IJzeren gevaarte met de vurige oogen hijgt en blaast, onwrikbaar stevig op de metalen voeten, als brieschte het van ongeduld om voort te snellen. Straks zal het onweerstaanbaar heenspoeden langs afgrond en bergrug, over stroomen, door wouden en dwars door rotswanden, geen haarbreed wijkende van de rechte baan, als een zinnebeeld der plicht zijn eenmaal gekozen doel nastrevend, met volmaakte nauwgezetheid zijn woord gestand doende tegenover de honderden aan zijne hoede toevertrouwd.

Zich een weg makend door het gedrang van reizigers, sjouwerlui en handwagens, treedt een paar naar voren, om plaats te nemen in een eerste-klas-coupé van den Parijschen trein. De man is iemand van schijnbaar middelbaren[114]leeftijd, forsch gebouwd, donker van haar en knevel, met een haviksneus, en gekleed in een licht reiskostuum en nagenoeg gelijkkleurigen zomerjas. Hij zou knap van uiterlijk genoemd kunnen worden, ware het niet, dat zijn dikke lippen en de trekken om mond en neus, het lage voorhoofd, en de eenigszins dichtgeknepen oogen hem iets onbeduidends en domzinnelijks gaven. De jonge vrouw naast hem, slank, iets langer dan haar metgezel, is geheel gehuld in eenz.g.stofmantel, die een sierlijk reistoilet verbergt. Haar lief gelaat heeft iets invermoeids, en er is een trek van droefheid en moedeloosheid op, zoo zonderling bij zooveel jeugdige frischheid. Als onverschillig volgt zij haar geleider naar een coupé-lit.

Eenige minuten later is de trein in vollen gang, en ligt ze in ’t nauwe bedje, waar zij den nacht zal doorbrengen. Vlak onder haar is de slaapplaats van haar metgezel. Met kwalijk verholen wrevel heeft zij pas zijn nachtkus geduld, en nu tracht ze rust te vinden, schoon ze niet veel hoop heeft, spoedig in te zullen slapen. Haar slaapkameraad onder haar schijnt[115]weinig moeite daarmee te hebben. Een paar minuten slechts zijn noodig, om hem luidruchtig te doen snurken. Ook hij is blijkbaar vermoeid na een dag van ronddrentelen in ’t groote Brussel.

Maar Clara—want zij is de jonge vrouw—is niet alleen lichamelijk vermoeid. Gave God dat ze dat alleen ware! Had ze als Van Breeveld slechts vatbaarheid daarvoor, dan ware ze wellicht gelukkig.

Niet dat zij in de laatste maanden ooit recht gelukkig geweest is, o neen, verre van dien, maar de zielsellende, waaraan ze thans ten prooi is, dateert slechts van enkele dagen geleden, van den dag, dat die man haar echtgenoot geworden was. Te voren had ze veel verdriet gehad, weken achtereen was ze zelfs ziek geweest na de vreeselijke aandoeningen van die nare zaak van Willem Victor, daarna had ze allengs zich geschikt in ’t onvermijdelijke en met doffe onverschilligheid was ze ’t leven weer ingegaan. Haar liefste illusiën lagen vergruisd. Zij geloofde niet meer aan liefde, en de droeve leer harer moeder, „dat die alleen in[116]boeken bestond”, had ze tot de hare gemaakt. Ze had koel Van Breeveld’s hulde aangenomen, toen hij om haar hand vroeg, zooals ze erin zou toegestemd hebben, zich te laten vaccineeren. Een meisje moet nu eenmaal trouwen. En de man was niet kwaad, meende zij, en haar moeder deed alles wat ze kon, om haar een goed denkbeeld van hem te doen krijgen. Ze geloofde ook, dat hij haar oprecht liefhad, en alles zou doen, om haar gelukkig te maken. Hoe weinig kende zij hem, hoe weinig besefte zij, dat een man een meisje kanbegeeren, zonder dat er een greintje liefde in zijn hart bestaat! Mevrouw Van Merenstein had de noodige ondervinding, om haar aanstaanden schoonzoon op den waren prijs te schatten. Zij wist zeer goed, dat hier hartstocht alleen in ’t spel was: ze wist het uit zijn oogen, zijn gansche gelaatsuitdrukking, zijn verleden, waarvan zij zich geheel op de hoogte had gesteld. Maar dat alles woog weinig bij haar: zijn rang en fortuin waren daar, om nog veel meer dan dat goed te maken! En dan—zij zelve had nooit anders dan hartstocht gekend, liefde was bij[117]haar een onding, zij kon zich geen andere aantrekking tusschen man en vrouw denken dan die der grofste zinnelijkheid.…

O, hoe mat en levensmoede voelde Clara zich dien nacht, toen zij slapeloos neerlag in haar ongemakkelijk bed in den trein! Hoe was ze in die drie dagen na haar huwelijk ouder geworden, oud naar de ziel! Haar laatste hoop op eenig geluk was ook thans vervlogen. Groote God, welk een ondervindingen in die korte spanne tijds! Ze besefte thans ten volle, dat er bij Van Breeveld nooit van liefde sprake was geweest. Het hart keerde haar om in ’t lijf van walging voor den lagen hartstocht van dien man.

Met ontzetting dacht Clara aan ’t haar wachtende leven. Hoeveel jaren zou ze samen moeten zijn met dien man, dien zij nu reeds verachtte en verafschuwde! En er zou geen hoop op verandering wezen, nooit, nooit! Zij mocht hem weigeren, haar ooit weer als echtgenoot te naderen, hem den toegang tot haar slaapkamer ontzeggen—en dat zou ze, dat moest ze, als ze zichzelve bleef eerbiedigen—[118]’t zou niet beletten dat ze dagelijks zijn gezelschap zou moeten dulden, en tegenover de wereld den schijn eener goede samenleving zou moeten ophouden. En hoe zou hij daaronder zijn? Zij voorzag zeer goed, dat hij ruw en halstarrig genoeg zou wezen, om in opstand te komen tegen haar besluit. De schijn van welwillendheid en vriendelijkheid zijnerzijds zou spoedig wijken voor wrevel en ergernis. Maar liever ruw geweld desnoods, dan zijn goede gezindheid gekocht tot den prijs harer vernedering! Bij God, zij zou hem toonen, dat ze meer wenschte te wezen dan een voorwerp van vermaak, een speeltuig voor zijn ruwe lusten!

Een onwillekeurige beweging, waarmee zij omwoelde, als wilde zij zich vol afschuw afwenden van zulk een schrikbeeld, deed de slaapplaats zoo kraken, dat van Breeveld half ontwaakte. Hij ademde diep met rochelend geluid, en het gesnurk hervatte met grooter kracht dan te voren. Clara ontstelde, alsof haar geheime gedachten door dien man beluisterd waren. Neen, hij slaapt weer rustig door, onbewust van ’t lijden dier jonge vrouw, daar in zijn[119]onmiddellijke nabijheid toevend met haar lichaam, doch zoo ver verwijderd met haar ziel. Weggerukt uit haar gepeins, treedt de werkelijkheid, de tegenwoordigheid van dien man, haar weer met ontzettende duidelijkheid voor den geest. Ze hoort bij hem, wellicht voor haar gansche leven! Haar gloeiende oogen baden zich opeens in een tranenvloed. Ze grijpt haar kussen en drukt het krampachtig tegen haar gelaat, om het geluid van haar snikken te smoren. Hij mag niets hooren: hij zou haar smart niet begrijpen, haar bespotten wellicht …

Zoo mocht ze misschien een uur gelegen hebben. Eindelijk overmande haar de vermoeienis, en ze viel in een zwaren slaap, waaruit ze eenige uren later wakker schrok, toen de trein, aan zijn doel gekomen, ophield.

„Paris! Paris!” klonk het om haar heen, „Tout le monde descend!” O, hoe had ze vroeger in haar schooljaren gedweept met dat Parijs! Hoe had ze vroeger gesmacht, die stad der steden eens te mogen zien! Nu was ze er. Die naam, welke vroeger zooveel aantrekkelijks en verlokkelijks voor haar geest tooverde,[120]klonk nu koud en nietszeggend in haar ooren.

Een half uur ruim later stapten Clara en haar man af in ’t Grand Hôtel: Van Breeveld wilde van geen minder hotel hooren. Het was hem een genot, zijn rijkdom te kunnen toonen, en bovendien was hij gewend aan een weelderige woning en tafel. Van Breeveld, wiens praktische kennis van het Fransch gebleken was zeer dun te zijn, liet ook nu, evenals te Brussel, de bespreking van kamers als anderszins aan zijn vrouw over. Deze bestelde twee slaapkamers en een zitkamer, en spoedde zich dadelijk daarheen, op de hielen gevolgd door Van Breeveld. Toen ’t kamermeisje heen was gegaan, kon hij een uitroep van verwondering niet bedwingen: „Maar Clara, waarom twee slaapkamers? Wat moeten de menschen hier wel denken?”

„O, niets bijzonders, dat gebeurt wel meer, en wat mij betreft, ik wil eens rustig slapen. Die twee-persoonsbedden zijn zoo weinig ruim.”

Meteen wierp ze zich lusteloos in een gemakkelijken stoel. Beiden bevonden zich in haar slaapkamer. Van Breeveld kwam naar haar toe, kuste haar en vroeg:[121]

„Wat scheelt er toch aan? Je ziet er ellendig uit.”

„Och, wat hoofdpijn, en ik ben doodmoe van die reis: Ik heb heel weinig geslapen. Ik zal zien ’t nu te doen.”

„Maar moet je dan niet eerst wat gebruiken?” vraagt haar man weer belangstellend. Hij blijft bij haar staan.

„O neen, straks om twaalf uur. Ik wil alleen maar slapen. Laat me nu met rust.”

Ze staat op en richt zich naar haar ledikant. Van Breeveld volgt haar. Hij vat haar om ’t middel, en wil haar liefkozen. Wrevelig keert zij zich om en verwijdert zich van hem:

„Laat me in Godsnaam met rust. Ga nu heen.”

„Goed, goed, ik ga. Slaap wel.”

Van Breeveld is geheel uit het veld geslagen. „Wat scheelt haar toch?” mompelt hij, als hij, in ’t andere vertrek gekomen, de deur achter zich hoort sluiten. ’t Is hem volmaakt onbegrijpelijk, dat zij hem iets durft weigeren, waarop hij meent recht te hebben: waarvoor is hij anders getrouwd? Waarom anders, heeft[122]hij dat kind zonder cent de eer aangedaan, zijn vrouw te mogen worden en zijn rijkdom te deelen? En dan, welk een uitdrukking op haar gezicht! Zij, die altijd zoo gedwee en vriendelijk was geweest, scheen plotseling veranderd. „Vreemd, vreemd,” mompelde Van Breeveld weer, langzaam den breeden gang afwandelend naar de lift, die hem beneden zal brengen. In een der prachtige benedenzalen troost hij zich met een krachtig ontbijt. De uitstekende sherry, die hij erbij gebruikt, montert hem weer geheel op, en als hij zich later onder ’t genot van een fijne sigaar in de „Nieuwe Rotterdammer” verdiept, is de onaangename gewaarwording van daareven totaal verdwenen.

Aan ’t tweede ontbijt vertoont Clara zich. Haar wangen zijn weer frisch. Een oogenblik heeft ze zich verbeeld, weer de oude levenslustige Clara te zijn: ’t was bij haar ontwaken uit den versterkenden slaap. Onmiddellijk echter was ’t besef der werkelijkheid haar loodzwaar komen drukken. Maar ze was niettemin niet meer zoo moedeloos. Ze moest sterk zijn, om niet onder te gaan, dat begreep ze nu volkomen,[123]en ze nam zich heilig voor, de toekomst moedig tegemoet te gaan.

Van Breeveld was nu eenmaal haar man: ze nam zich voor, als een goede vrouw voor hem te zorgen, hem trouw te zijn, zooals zij dat opvatte. In haar naïeve voorstelling voldeed een vrouw geheel aan haar plichten jegens haar echtgenoot, wanneer zij daarin niet te kort kwam. Intiemere omgang was daar geheel buiten. Ze verlangde niet naar nakomelingen, nu ze overtuigd was, haar man nooit lief te zullen hebben.

Het vooruitzicht van een bijzonder smakelijke lunch had Van Breeveld—voor wien eten en drinken zeer voorname zaken waren—bij ’t betreden der eetzaal dadelijk verrukt. Hij toonde een vriendelijk gezicht aan zijn vrouw, en was bijzonder hoffelijk. Clara achtte het dwaas, daar koel tegen in te wezen, en vooral aan tafel.

Het toeval wilde, dat vlak tegenover hen een paartje kwam te zitten, dat Clara bekend was. De jonge echtgenoot—blijkbaar waren ze ook op hun huwelijksreis—was een luitenant[124]van ’t Pruisische leger, dien Clara te Mühlenwald wel eens in gezelschap ontmoet had, en met wien zij een paar maal op een bal had gedanst, de jonge vrouw was een Engelsche, een harer kennissen van de kostschool. De herkenning was wederzijds zeer verrassend. Clara stelde haar man voor, en er begon dadelijk een levendig gesprek, waarin Van Breeveld echter maar karig deelnam. ’t Jonge vrouwtje was blijkbaar zielsgelukkig: dat sprak uit alles wat ze zeide, en uit den blik, waarmee zij den reusachtigen luitenant met zijn fraaien blonden snor telkens aanzag. Ze moest met alle geweld Duitsch spreken en „schwärmerisch” doen: dank zij haar tweejarig verblijf te Mühlenwald, ging haar dat redelijk wel af, schoon haar man nu en dan er duchtig den draak mee stak. Ook hij scheen meer dan gelukkig. „Hoe anders zijn die twee dan wij”, dacht Clara met stil verdriet. En toch moest ze den schijn aannemen van overgelukkige jonggetrouwde!

Na de lunch moest de jonge Engelsche met Clara samen een rijtoertje doen: ze stond erop,[125]met haar kostschoolvriendin te gaan „winkelen” in de prachtige magazijnen. De beide heeren zouden elkaar wel weten bezig te houden in haar afwezigheid. Maar Clara voorzag een te intiem samenzijn, en wist het zoover te drijven dat de beide echtgenooten meegingen. Van Breeveld had eerst weinig lust: hij was—zooals Clara tot haar ergernis kon zien—vol zoeten wijns, en verlangde naar een rustig uurtje in den rooksalon; maar hij zwichtte voor den algemeenen aandrang. Toch kon ze niet vermijden, dat Alice telkens, wanneer ze maar even gelegenheid had, Clara wat apart te zeggen, allerlei vragen deed, die haar in pijnlijke verlegenheid brachten, en haar dwongen de waarheid geweld aan te doen.

„En is hij niet lief, heel lief voor je? En verafgoodt hij je niet? Dat moet ook, want je bent een dot en.… veel mooier dan ik.” Zoo ging het voort. Clara deed haar best, om vroolijk te schijnen, maar zooveel warmte uit wat haar vriendin zeide te voelen stralen, terwijl ’t in haar hart zoo koud, zoo akelig koud was, deed haar onzeggelijk droevig[126]aan. Haar oud en dierbaar geloof aan huwelijksliefde voelde zij weer opkomen. Maar ze herinnerde zich de woorden harer moeder; „als jonggehuwden zich verbeeldden dol veel van elkaar te houden, dan was die begoocheling al heel spoedig verdwenen.” Zouden ook die twee tortelduifjes na een jaartje geheel uitgekird hebben? Zich daarvan te overtuigen, was Clara een magere troost: aangenomen, dat het al zoo ware, dan toch hadden ze een tijd van zaligheid gekend: was die dan minder zoet, omdat hij zoo kort duurde? En liet hij dan niet heerlijke herinneringen na, genoeg voor een gansch verder leven? Of zou wellicht te veel liefde afkeer baren, genoeg om ’t verdere samenzijn te verbitteren? En ware dàn een koele, verstandige omgang van den beginne niet veel beter? Ja, misschien, wanneer er wederzijdsche achting bestond! Maar die wàs er niet in haar geval, en Clara wanhoopte of ze ooit weer achting voor Van Breeveld krijgen kon, nu ze die eenmaal verloren had. Neen, die man daalde met den dag dieper in haar achting; hoe zou dat ooit anders kunnen worden?[127]

De dag verliep in gedurig samenzijn met het gelukkige jonge paar. Aan het diner kon Clara weer Van Breeveld’s onmatigheid opmerken en hinderde het haar onuitsprekelijk, hem ten aanzien van een groot gezelschap, zich letterlijk te zien bedrinken aan fijne wijnen. Nog meer hinderde, ja ergerde haar zijn toenemende hoffelijkheid jegens haar en de begeerigheid zijner oogen, telkens wanneer hij den blik op haar vestigde. Reeds vroeg in den avond gaf hij haar op allerlei bedekte manieren te kennen, dat hij met haar het gezelschap wenschte te verlaten; maar Clara deed, alsof ze niets daarvan bespeurde. Ze zag vreeselijk tegen den nacht op: wie weet, welk een tooneel haar wachtte.… Eindelijk, toen ’t aardig laat was geworden, stond ze op, en namen beiden voor den nacht afscheid van den luitenant en zijn vrouwtje. Van Breeveld bood haar hoffelijk den arm.

Nauwelijks boven wilde hij haar in haar slaapkamer volgen, maar voordat hij nog iets gezegd had, gaf Clara hem een kus, en zeide vriendelijk—zij wilde vriendelijk zijn, als ’t kon, hoe zwaar haar dat ook viel—:[128]

„Goeden nacht, man. Slaap wel.”

Van Breeveld kuste haar op zijn beurt en haar om ’t middel vasthoudende, antwoordde hij verbaasd:

„Goeden nacht voor goed, meen je?”

„Zeker, ik ga slapen.”

„Maar kindlief, jaag je me dan weg?”

„Dat nu niet precies, maar ik woû toch wel, dat je ook in je kamer ging.”

„Mag ik dan niet een poosje bij je blijven?”

„Waartoe zou dat dienen?”

„Waartoe? moet ik je dat nog zeggen? Wat zou een pasgetrouwd man, die z’n vrouwtje aanbidt, wel van haar verlangen?” Van Breeveld deed zijn best, een teederen, verliefden toon aan te slaan, die zich zeer slecht paarde met de gemeene uitdrukking van zijn gezicht. Clara had moeite, om zich niet vol walging van hem af te keeren. Zij vermande zich en bleef vriendelijk:

„Ik kan niet aan je verlangen voldoen, ’t is me onmogelijk. Als je me werkelijk zoo liefhebt, laat me dan met rust.… Ik kàn niet, heusch.… ik kàn niet.…”[129]

„Kom, kom, Claartje, dat meen je niet.” Hij dacht met een gril, een coquetterietje te doen te hebben; een beetje zacht geweld, dan zou hij toch wel zijn doel bereiken, dacht hij, en meteen trachtte hij haar met zich mee te troonen. Maar Clara gaat hem uit den weg. O, de blik dier dronkemansoogen, ze huivert ervan! Nochtans wil ze bedaard blijven.

„’t Is me volle ernst. Ik zeg je nog eens: ik kàn niet. Als je iets voor me over heb, ga dan naar je kamer, toe, ik verzoek ’t je vriendelijk.”

Zij ziet hem vol aan. De blik dier heldere, vastberaden oogen is hem blijkbaar te machtig. Hij slaat de oogen neer, en voelt zich min of meer met zijn houding verlegen. Zoo iets is hem nog nooit te voren overkomen. Hij heeft de gewaarwording van een verliefden schooljongen tegenover zijn veel oudere aangebedene in een eerste tête-à-tête.

„Wat heb je toch?” stamelt Van Breeveld na een oogenblik zwijgens. „Waarom behandel je me zoo vreemd? Of vind je zulk een gedrag heel gewoon tegenover je man op den vierden dag van ons huwelijk?”[130]

„Ik weet ’t niet, maar ’t is me eenmaal niet mogelijk anders te handelen. Ik wil lief en goed voor je zijn.… alles voor je doen maar.… dat.… nooit meer. Eisch dat niet meer van me, als je me respecteert.”

„Eischen … respecteeren … maar, mijn lieve God, wat een woorden! Ik eisch niets, ik vraag …”

„Nu goed, maar ik kàn niet.…”

Haar houding, haar toon en gelaatsuitdrukking zijn zóo beslist, dat Van Breeveld niets meer daartegen weet in te brengen.

Welk een pracht van een vrouw! Zoo heeft hij haar nog nooit gezien: tegen zooveel vrouwelijke fierheid had hij in zijn losse leven nog nooit te kampen gehad. Het gevoel dat hem bekruipt, heeft iets vaneerbiedals zoo iets mogelijk ware geweest in een ouden lichtmis als Van Breeveld; in alle geval is ’t een nieuwe, tot nu toe hem geheel onbekende aandoening. Met neergeslagen blik schuifelt hij naar de deur, en met een stamelend: „Goeden nacht dan,” begeeft hij zich naar zijn slaapkamer.

Daar gekomen barst zijn landerigheid, die[131]door Clara’s overwicht in bedwang was gehouden, los. Hij stapt kregelig op en neer, en mompelt woedend:

„Bespottelijk, dwaas, zot, krankzinnig! En dat zijn m’n wittebroodsweken. God betere ’t!”

Nog eenige minuten blijft hij op en neer wandelen, en herhaalt telkens: „bespottelijk, bespottelijk,” totdat de verleiding hem te groot wordt, om maar zijn roes te gaan uitslapen in het weelderige ledikant met de mollige kussens. De al te overvloedige maaltijd, eenige uren te voren gebruikt, bezorgt hem een vreeselijke nachtmerrie: hij voelt zich wegzinken in een ontzaggelijk groot vat fijne Chambertin, den zelfden, dien hij aan tafel gedronken heeft, terwijl Clara over den rand naar hem staart met dezelfde gebiedende oogen van dien avond, en op al zijn hulpgeroep slechts antwoordt met een onverbiddelijk: „ik kàn niet.” Juist als hij zal ondergaan, ontwaakt hij met hevigen schrik en een benauwden kreet. Mijn God, wat voelt hij zich ellendig! Het tooneel van den voorafgaanden avond komt hem weer levendig voor den geest, en met een hernieuwd: „bespottelijk,[132]krankzinnig!” keert hij zich woest om, en tracht den slaap weer te vatten.

Toen Van Breeveld den volgenden ochtend Clara weerzag, en zij hem vriendelijk vroeg, hoe hij geslapen had, en verder den ganschen dag niet van houding jegens hem veranderde, kwam hij meer en meer tot de overtuiging, dat haar gedrag van den vorigen nacht slechts iets voorbijgaands moest wezen: ’t moest vermoeienis of—een gewone onverklaarbare vrouwengril wezen, meende hij. Hij rekende er dan ook stellig op, geen verderen tegenstand te zullen ontmoeten.

Bij ’t ter ruste gaan, ontnam Clara hem die illusie nog vóor ze hunne kamers bereikt hadden, door hem vlak voor haar slaapvertrek goeden nacht te wenschen. Blijkbaar niet verwachtende, dat hij haar volgen zou, wilde ze reeds de deur sluiten, toen Van Breeveld haar voor was, en mee naar binnen ging.

„Wat beduidt dat, Clara?” riep hij ten hoogste verbaasd en beleedigd.

„Waarom volg je me?” was de wedervraag.

„Clara, ik geloof waarlijk, dat je je verstand[133]verloren hebt.” Hij beefde van woede en begeerte. „Ben je van plan, je man voortdurend den toegang tot je slaapkamer te weigeren?”

„Als je zulke bedoelingen hebt als gisterenavond, ja.”

„Maar waaròm, in Gods naam?! Erken je me dan niet meer als je man?”

„Eenvoudig omdat ik niet anders kàn.”

„Niet anders kan.… maar ik vraag niets dan mijn recht.… wat me toekomt als je man.”

„Meen je, dat ’t je recht is, me te vernederen en te beleedigen? Wat je me vraagt, vind ik.… beestachtig, walgelijk.” Clara heeft zich meer en meer opgewonden. Haar oogen schitteren van verontwaardiging, haar geheele wezen vertoont het beeld der beleedigde vrouwelijke fierheid. Haar machtige schoonheid straalt in al haar luister. Hoe dicht bij hem, die haar met oogen vol vlammende begeerte als verslindt, en toch hoe ongenaakbaar staat ze daar!

Schoon overbluft, geeft Van Breeveld zich nog niet gewonnen. Hij wil bedaard zijn.[134]

„Maar Clara lief,” zegt hij, zijn ongeduld bedwingend, „geloof je dan, dat in andere huwelijken.…”

„Ik weet niet, hoe ’t bij anderen is,” valt Clara hem in de rede, „ik weet alleen, dat zoo iets tusschen ons niet meer mogelijk is, nooit meer.…” Ze wil hem niet zeggen, dat ze hem niet alleen niet liefheeft, maar ook minacht.

„Is dat je laatste woord? En weiger je me een goede reden op te geven voor zulk een houding?” roept Van Breeveld, reeds wanhopend zijn doel te bereiken.

„Ik kan geen andere reden geven, dan dat je eisch me een gruwel is. Je kan me even zoo goed vragen, mezelf door je te laten vertrappen.… neen, dat zou mijn gevoel van schaamte ten minste niet kwetsen.”

Van Breeveld haalt driftig de schouders op. Hij ziedt inwendig van machtelooze woede.

„Je wilt dus, dat die toestand zoo tusschen ons blijft?” vraagt hij bitter.

„Ik heb je alles gezegd, ik wil een goede vrouw voor je zijn, maar dàt nooit meer.”[135]

„En geloof je, dat samenleven op die manier op den duur houdbaar is?”

„Waarom niet? Ik geloof dat er verscheidene huwelijken zijn, waar man en vrouw op die wijze vriendschappelijk met elkaar blijven omgaan.”

„Nu, ìk verlang zulk een samenzijn niet,” roept Van Breeveld zijn drift niet meer bedwingende. „Ik bedank er voor. Dan moeten we maar van elkaar, hoe eêr hoe beter.”

„Als je dat wenscht, in Godsnaam.… Ik kan er niet ongelukkiger door worden dan ik al ben.…” De aandoening is Clara te machtig. Ze zinkt in een stoel neer, en bedekt snikkend haar gelaat met beide handen.

Van Breeveld ziet het een oogenblik zwijgend aan. „Ik wensch je een goeden nacht,” zegt hij koud en gaat dan snel naar zijn kamer.

Zenuwachtig herhaalt hij zijn heen en weer stappen van den vorigen nacht, rukt nu en dan vinnig aan zijn knevel, zet zich een oogenblik in een stoel, hervat zijn ijsberengang, telkens zijn overdenkingen met een vloek of grof woord afbrekend. De heele zaak is hem[136]een raadsel; ’t is hem onbegrijpelijk, hoe Clara plotseling zoo veranderd kan zijn, hoe zoo op eens zijn lot gekeerd is. Zijn geluk—of wat hij daarvoor hield—is weg: hij voelt zich ellendig. En wat hem ’t meest ergert is, dat hij zich zoo klein heeft gevoeld tegenover die vrouw: zijn eigenliefde heeft een geduchten knak gekregen. Ook weet hij niet recht, wat hem te doen staat. Moet hij trachten het tot een scheiding te brengen, nu hij nog zoo kort met Clara verbonden is? Dat zou dan moeten gebeuren bij aankomst in Indië! Dat zou bespottelijk zijn, en wat zou de wereld er wel van zeggen, zijn familie, zijn vrienden, zijn kennissen? Hij zou een zot figuur maken, een eenig zot figuur! Toch zou ’t moeten, want waartoe verder samen te leven met een mooie, jonge vrouw, die hem haar gunsten steeds zou blijven weigeren? ’t Zou hem een voortdurende terging zijn. Maar zou ’t inderdaad zoo ver komen? Van Breeveld was geen pessimist: ’t was hem tot nu toe in ’t leven zoo voorspoedig gegaan, dat hij nauwelijks aan tegenspoed geloofde. Zou Clara’s wonderlijk gedrag niet nog kunnen veranderen?[137]vroeg hij zich weer hoopvol af. Langzamerhand troostte hij zich met dit denkbeeld. „’t Zal wel terecht komen,” mompelde hij, toen hij eindelijk besloot naar bed te gaan.

Als hij toen echter in Clara’s kamer had kunnen zien en hooren wat daar op het oogenblik geschiedde, dan ware zeker die illusie even snel verdwenen als ze opgekomen was. Clara lag op haar knieën voor haar bed, en, de handen krampachtig saâmgedrukt, bad ze ’t vurigste gebed, dat ooit nog over haar lippen gekomen was. In door snikken afgebroken woorden smeekte ze om kracht voor de toekomst, om licht in ’t donkere verschiet, dat zich voor haar opende.

„O God,” stamelde zij, „’t kan immers uw wil niet wezen, dat uw kind zich verlaagt, om dien man ten genoege te zijn? Dat kàn niet! dat kàn niet! Nietwaar, gij zult me kracht geven, om te blijven handelen naar de inspraak van mijn geweten?”[138]


Back to IndexNext