X.

[Inhoud]X.Te laat.De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen is, staat op eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara’s geest. Onzeggelijke schaamte doet haar ineenkrimpen.Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd geopende oogen staart ze naar de deur, als wezenloos. ’t Is, of ze haar eigen geweten in spookgestalte vóor zich ziet staan, met honenden lach haar toeroepend:„Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in uw waan zoo hoog verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo diep verachttet? Ge zijt niet veel meer dan hij.…”O, had ze ooit te voren geleden? Wat was[173]al wat ze geleden had in vergelijking bij ’t vlijmend zelfverwijt, de schaamte van dit oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen, dat zij de smart kende! ’t Was alles niets, niets, ze voelde zich een koningin in ’t besef van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was haar plechtanker in storm en nood geweest, nu scheelde het weinig, of ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge op den oceaan des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich jegens hem schuldig gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan, om hem beter te maken, die heerlijke roeping verzaakt, omdat ze hem minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet beteugelen kon, en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan zich trachten te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe kon ze zoo verblind zijn, dat niet eerder in te zien? In den dommel, waarin haar oververmoeid[174]brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich allengs wegzinken, in een peillooze diepte. Ze valt, daalt steeds dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand vatten, met zachten, teederen druk, en ze hoort een lokkende stem, zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch medelijden haar toesprekend, dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt aan de borst dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk troostend. ’t Is de stem van Willem Victor.… neen, ’t is een vrouw, aan wier boezem ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede laat ze haar gedachten zoetjes-aan vervloeien.Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger jegens haar dan haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein was inderdaad haar schuld bij de frissche bloeiende gezondheid van haar jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding tot haar echtgenoot! Zij had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks zichzelve, bijna[175]bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak zocht in een daad, die haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou gemaakt hebben!De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap had haar goed gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht, nieuw licht in haar benevelden geest ontstoken. Haar levenstaak ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten tegenover Van Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer overwinnen, en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al komt die ook niet uit haar hart voort. Het zal haar inspanning kosten, o zeker, ze al er onder lijden, goed, maar ze zoekt dat leed thans als een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar zwakheid. Zoo zal ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving van ’t goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is, zal háar werk zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen neigingen en begeerten,[176]dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan eerst zal ze zichzelve vergeven.Ze zal zwijgen over ’t gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe zou ’t dienen?Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek haar niet meer zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een schrikbeeld vóor haar geest. Alles was dan toch nog verloren.… Die zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. Barmhartige God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien Lindhorst.… O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener toenadering tot Van Breeveld voordat ze zekerheid had, dat haar vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning wachten tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn, of.… totdat ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet ruchtbaar geworden was. Ze wist het, een vreeselijke toekomst wachtte haar, als ’t den Almachtige mocht behagen haar te straffen voor dat oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor eerst[177]duidelijk geworden was. ’t Eenige wat haar nog met het leven zou kunnen verzoenen, zou er niet meer zijn, om haar staande te te houden, geen edele roeping meer te vervullen, als het ongeluk wilde, dat er een duel plaats had. Hoe ’t ook mocht afloopen, niets dan schande kon er voor haar uit voortkomen.In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter maar zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu nog een oogenblik langer deelen in ’t vroolijke, onbezorgde leven bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van Lindhorst. Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet meer zien, voor al de schatten der wereld niet.’t Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de verdere gastvrijheid in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om vier uur in den namiddag aanvaardde zij de terugreis. Te Poerwanegara aangekomen, was het haar een ware verlichting haar man nog niet thuis te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven zich wat[178]van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze zou waarlijk wel al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben, om tegenover Van Breeveld zich voor te doen alsof er niets gebeurd was.Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw had ze hem in de verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid zei ze:„Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die’ man vreeselijk vervelend en verwaand.Verzin maar een excuus voor mij.”Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara haastig naar de achtergalerij geloopen. Nadat de bezoeker weer heen was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten hoogste verwonderd te vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond had.„Met hem schijnt het anders te wezen,” vervolgde hij, „hij was bepaald erg teleurgesteld je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den avond van onze partij scheen je heel anders over hem te denken.”[179]„Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.… bij Meerlink een heelen avond kunnen nagaan.… Ik vind hem akelig vervelend.”Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het bezoek gesproken had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij aan haar opwinding en overspanning op dien partijavond, en hij begon zich af te vragen, of er wellicht verband bestond tusschen beide verschijnselen. Voor ’t eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk en dwaas vond, toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar karakter en een onbeperkt vertrouwen in haar gehad. En hoe hij haar ook onverschillig mocht wezen, ’t zou hem onuitsprekelijk grieven, als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar liefde zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij vatte dadelijk een hevige antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij zeer goed wist, geen enkel deugdelijk bewijs voor zijn achterdocht te bezitten. De daarop volgende dagen[180]werd hij in zijn wantrouwen versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, telkens wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon dan duidelijk opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een andere wending aan ’t gesprek trachtte te geven. ’t Viel Clara zoo zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er zoo weinig aan gewend!De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote inlandsche vasten in desociëteitzou gegeven worden, en waarin Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse noodzakelijk. Geen wonder, dat Van Breeveld, als president van desociëteit, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en dus ook meer dan eens met Clara over hem sprak. Clara’s verlegenheid was voor hem zelfs een reden, om dat meer dan wel volstrekt noodig was te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en meer toe te geven aan zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens[181]geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking „in statu nascendi”, het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding wierp hij verre van zich.Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een bezoek te brengen, op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis te vinden, en ’t verwonderde hem zeer, dat Clara ook thans niet verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat zij haar man niet vergezeld had. ’t Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er stellig op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende „liaison” te zullen aanknoopen. In zijn kamer terug, bij menschen, waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende voor ’t avondeten, stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo eenvoudige en naïeve schoonheid, ’t laatste, nog onuitgewerkte nummer in ’t register zijner amoureuse heldenfeiten. Meer en meer kwam hij tot de slotsom, dat hier coquetterie in ’t spel was, van de echte, hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne[182]ook voorkwam. Een bekend gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: „Plus que ça diffère, plus c’est la même chose. Ja, ja,l’éternel féminin”. ’t Was zaak zijn geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer verliet, om naar tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie.Inmiddels was Clara’s tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld was herhaalde malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er was niets tusschen hen voorgevallen, in weerwil van de antipathie, die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets van de zaak bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid niet gehad had erover te praten, viel haar van hem mee. Ze had het ergste van zulk een man gevreesd: het denkbeeld, dat hij wel eens een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen geven, om aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe juichte zij inwendig, toen zij het zekere[183]bewijs meende te hebben, dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder een taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te vervullen. Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. ’t Begin was moeilijk. Hoe moest zij ’t aanleggen, om Van Breeveld, dien ze zoo lang afgestooten had, thans te naderen? Dat eischte takt. Ze aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet ronduit verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte haar houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen Van Breeveld met een sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten, achtte zij ’t gunstige oogenblik gekomen, om de lastige zaak aan te vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen lamp in de achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte een halve duisternis. ’t Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te spreken, wetende, dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk zou kunnen waarnemen. Ze richt zich dus naar den kant, waar hij zit, en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert kijkt[184]de rookende op, maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt zacht en vriendelijk:„Man, zou ’t je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de bestierster van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven wil je lief te hebben en je liefde te winnen?”Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn argwaan, waaraan hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft!„Ik begrijp je niet,” antwoordt hij na een oogenblik zwijgens.„Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd zijn.…” vervolgt Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon van gelatenheid: „Maar ik laat ’t aan je over.… Als jij niet wil.…”„Ikniet willen?” roept Van Breeveld. „Maar kind, jij hebt ’t zoo gemaakt tusschen ons.”„Dat weet ik wel,” zegt Clara zacht, „maar ik heb nu zoo’n spijt, en ik zou ’t zoo vreeselijk[185]naar vinden, als jij nu niet wilde.…”Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan.„Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.… Ik was alleen wat overbluft van die’ plotselinge’ ommekeer.… Ik begrijp nog niet, hoe je zoo lang—’t is nu eenige maanden—je zoo op een afstand hebt kunnen houden, om nu op eens.… naar me toe te komen.”„Ik zeg je ’t immers, dat ik spijt, innige spijt heb.… Ik was nog zoo jong en onervaren. Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan immers wel tot andere inzichten komen, en berouw voelen over een dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.… ’t Is mijn plicht je lieve vrouw te zijn in.… alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven, nietwaar, en haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?”Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden, iets, waartoe hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond stil. ’t Was hem te sterk. Hij voelde meer dan verrassing, ook een onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, die bewust was[186]het geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij greep haar beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog twijfelde hij, en zag haar in de oogen, indelieve zachte oogen. Ze wilde ze neerslaan, maar ’t besef van haar roeping hield haar moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in de wolken was, en dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat vermogen zou.„Meen je dat alles ernstig, Clara?” vroeg hij, met kracht haar handen in de zijne drukkend, in groote spanning.„Natuurlijk en ten volle. Ik zal je ’t bewijs geven.… Morgenavond.…” ze aarzelde, „zullen we de inrichting van ons huis wat veranderen.… ik zal de kamer naast de jouwe als mijn slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou ’t wat vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je ook niet?”„O, zeker, maar.…” viel Van Breeveld ongeduldig in, „waarom dat uitstel? Waarom niet vandaag al?” Zich bedenkende, vervolgde[187]hij half lachend: „O, ik vat ’t. Jevindthet vreemd tegenover de bedienden.” Clara lachte verlegen. „Goed, goed; maar éen vraag dan.” Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem verwonderd aan. In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van ’t vuur der vrome, die eindelijk de gelegenheid vindt voor haar overtuiging te strijden.„Waarom kies je dan zoo’n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor den dag te komen? Misschien, om me een dag lang te zien verlangen, en je daarin te verkneukelen?”„Foei, man.… ’t Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten rond kon loopen, zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf overtuigd.En,” vervolgde ze vleiend, „is ’t dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een dag later?”„O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.… ik weet hoe jij bent.… een lieve schat, die ik niet aan kan zien zonder.… nu ja.… dol te worden.”Clara lachte.[188]„Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens gezellig een spelletje doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen en wat zingen? En dan drinken we samen een glas wijn op.… onze hervatte wittebroodsweken.”Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren te voren kunnen voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! ’t Was een engel, die vrouw van hem.…„Maar,” liet Clara volgen, „je weet wel, als je in mijn gezelschap wijn drinkt, dan houd je maat.”Van Breeveld wilde protesteeren.„Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap bent,” riep ze vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich te buiten gaan zou zij wel weten te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik van te maken. Die avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar gekend had.Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo verkwikt en opgewekt, dat[189]ze lust had om te zingen. Met blijde verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, en ze deed zich geen dwang aan, om dien lust te onderdrukken.Aan ’t ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was zelden zoo goed gemutst geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. Ze verdreef alle gedachten aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, verdwijnen, en dat zou haar, haar werk zijn.Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op ’t bureau te begeven, en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet weerstaan, om naar desociëteitte gaan. ’t Was, of hij behoefte gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, en lucht te geven aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek.’t Witte gebouwtje op de „aloen-aloen” tegenover de assistent-residentswoning lag te blakeren in de zon. Onder het zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. Er zat daar dan ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor doorging, want[190]in Java’s binnenlanden heet ieder blanke een heer, dat vóor de rijsttafel daar kwam bitteren, was geschaard om de ronde tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde „kletstafel”. Daar, onder het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg, die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was ’t er vroolijk door de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden, die van en naar de naburige „pasar” kwamen en gingen, en nu en dan een buggy of bendy door een Europeaan gemend, den een of anderen planter of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. Telkens, wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uitdenkring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet of kwinkslag uit het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat dien dag daar bijeenzat, was vrij groot. Er behoorden ook toe de administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, stralend van goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen,[191]sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij, zaten ze daar op hunne stoelen te wippen, en waren druk bezig met het „opzetten van een gezelligen boom”, zooals men in Indië een familiaar gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige naam schijnt zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie, evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te verdeelen. Inderdaad had het gesprek zulk een karakter, want men sprong van den hak op den tak: ieder onderwerp was goed, mits niet ernstig en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken en twijgen, aan een deel van den „boom”, die weldra bleek zich hoog in de lucht te zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken er een woord in mee. Men had het over de patronesse dersociëteit, de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide weinig. Dit scheen de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens plagen en zeide:„Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij onze opinie in ’t geheel[192]niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?”Lindhorstglimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk mager en lang individu, die den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, vond de gelegenheid schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af te zenden:„Kijk ’m eens lachen!” roept hij, „hij denkt bij zich zelf: nu ja, wat jelui mooi eninteressantvinden, is dat nog niet zoo dadelijk voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer aan denkt, hoe zij hem vindt—knap, mooi of onweerstaanbaar—dan welk idee hij zelf wel over haar zou hebben.”„Nu,” zegt een ander, een der velen onder ’t gezelschap, die ook op de partij ten assistent-residentshuize waren geweest, „je hadt ’m eens moeten zien op dien eersten avond bij Van Breeveld!” Dan tot zijn buurman: „Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien dansen? Innig, hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg, dat hij haar gewoon[193]met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van de waarheid.”„Nu ja,” valt Meerlink lachend in, „Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu eenmaal bijeen. En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals hij gebekt is, wat zeg jij, Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw ’t hof maakt, is even natuurlijk als dat ik met belangstelling naar een mooie’ koffietuin kijk.”„Juist,” zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn knevel opstrijkend, „’t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het voor iemand als ik niet meer dan plicht, om een aardig jong ding het hof te maken. Vooral.… als ze zoo’n half uitgebrande kaars als die Van Breeveld als haar êga moet dulden.”„St!” wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den laatstgenoemde in de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal toegang gaf tot de galerij. In ’t drukke gepraat had niemand zijn komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn komt hij op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke ligging, en, zich oprichtend,[194]kijkt hij den binnentredende driest aan.„Wil u eens herhalen, wat u daar ’t laatst gezegd heeft, Mijnheer Lindhorst?” vraagt Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie, zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen in hem op.„En als ik eens niet verkoos?” antwoordt Lindhorst doodkalm, maar toch geërgerd door den onstuimigen toon van den ander.„Kom, kom,” valt de goedige Meerlink in, die ’n broertje dood heeft aan al dat ruziemaken, zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet, „’t is zoo erg niet, en ’t is niet in uw bijzijn gezegd, Mijnheer Van Breeveld.” Maar de storm blijkt niet te keeren.„Dat moest er nog bijkomen,” roept hij bevend van woede, „dat zou de onhebbelijkheid zelf wezen.”„Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?” vraagt Lindhorst tartend.„Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen taal voor een fatsoenlijk man!”Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den[195]ongebonden hartstocht van den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. Lindhorst is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een onverschrokken verdediger van wat hij zijn „eer” noemt; brutaal als de beul, en kalm als deze in zijn brutaliteit. Langzaam staat hij van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld staande, kijkt hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend:„U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?”„Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil.”Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft gadegeslagen, begint er zich nu in te mengen. „Zijn ze gek?” roept er een.„Willen ze hier duelleeren?” een ander. Meerlink is geheel van streek. Hij staat op en legt zijn hand op Van Breeveld’s schouder:„U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo maar als wilde tegen beesten elkaar invliegen?” roept hij ontdaan.„Nu goed, nu of straks, ’t is me om ’t even,”[196]antwoordt Van Breeveld. „Wil u mijn eene secondant zijn?”Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen zijn? denkt hij.„Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg ’t zaakje bij.”„Ik denk er niet aan,”antwoordtde toegesprokene, en zijn toon is zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. Niemand waagt nog verder iets in ’t midden te brengen.Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt schoorvoetend toe. Aan weerszijden zijn weldra de secondanten gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om zes uur, op ’t pistool duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op tien minuten afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich tegen ’t ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor, maar beide partijen willen van geen verder uitstel hooren. Allen, die getuigen waren geweest van het voorgevallene, beloven op verzoek der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat het duel had[197]plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident, een omstandigheid, die in de binnenlanden van Java niet uit het oog verloren mag worden: ’t ontzag voor diens hooge positie en groote macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders gesproken zouden hebben.’t Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel gevallen, en om de sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen de z.g. vliegende honden reeds rond in rustelooze vlucht, de vele insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. Op ’t anders zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een groote menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan éen hoek van de „aloen-aloen” is de volksoploop sterk. Daar is de assistent-residentswoning. Een verward gemompel gaat van mond tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een ander, even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door talrijke, nieuwsgierige vragers. Geen van allen weet[198]eigenlijk recht wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de „Toewan Asisten” dood is, plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren ’t schot gehoord te hebben; sommigen vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen even stellig en heftig bestreden. Toch spreken allen zacht. Het onhebbelijke in de houding van ’t volk bij oploopen in Europa is hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en, nu ’t hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood van den machtigen bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer.Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets meer te vernemen van ’t vreeselijke voorval. De oude „kokki” van de „Mevrouw” is naar buiten gekomen, zooals ze zeide, omdat ze ’t niet langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant te wezen, en beschouwd te worden als een „intima” der kleine hofhouding ten assistent-residentshuize.„O, Heere God,” begint ze te vertellen, als men van alle kanten bij haar aandringt om toch te spreken, „’t was toch zoo akelig.” Ze kijkt[199]even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat te luisteren.„Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een rijtuig gedragen. Zijn eene oog was verbonden. Ik heb ’t gezien, toen de doek eraf was. Och, lieve God, ’t was door en door geschoten. Hij leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die goede, lieve Mevrouw eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd op zijn borst.”Hier viel een andere vrouw in de rede:„Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van haar man woû weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord.”„Je leutert,” zei kokki streng en beslist.„Ze is gek van verdriet, zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben zooals wij Javanen als man en vrouw? Dat ’s heel anders, mensch.” De andere zweeg en luisterde weer.„Weet je wat ze maar al riep?: „„Te laat, te laat!”” en dan snikte ze, om er naar van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil, maar ’t moet heel akelig zijn. Ik zeg[200]je, ik ben weggeloopen, ik kon ’t niet meer aanzien.”Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster toeloopen, fluisterde haar iets in ’t oor, en, door tal van oogen nagestaard, verdwijnt het oudje weer in de assistent-residentswoning.Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld.Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge vrouw geknield voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op uitgestrekt ligt. Krampachtig omklemt ze een der slappe handen des overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend in ’t holle vertrek, waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin een oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: „Te laat, te laat!” De geneesheer en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel gade te slaan. Hun hulp is niet meer noodig, en heeft ook niet veel goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, is Van Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een[201]kogel, die door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter bedoeld had, is door ’t linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen: hij was reddeloos verloren.Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar in wanhoop over zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het hare geruild. Haar is met dezen slag, naar ze vast gelooft, de laatste kans op levensgeluk ontgaan. ’t Was dan de wil des Almachtigen haar te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens hadden dus niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande; want een ieder zou de ware rede van ’t duel in haar schuld meenen te moeten zoeken, men zou ’t als zeker vertellen. Maar dat was nog niet ’t ergste. ’t Vreeselijkste was, dat zij zich de schuld achtte van zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd aangegaan, voor haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze ervan duizelde. ’t Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens[202]kwam die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige smart: „Te laat, te laat!”

[Inhoud]X.Te laat.De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen is, staat op eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara’s geest. Onzeggelijke schaamte doet haar ineenkrimpen.Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd geopende oogen staart ze naar de deur, als wezenloos. ’t Is, of ze haar eigen geweten in spookgestalte vóor zich ziet staan, met honenden lach haar toeroepend:„Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in uw waan zoo hoog verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo diep verachttet? Ge zijt niet veel meer dan hij.…”O, had ze ooit te voren geleden? Wat was[173]al wat ze geleden had in vergelijking bij ’t vlijmend zelfverwijt, de schaamte van dit oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen, dat zij de smart kende! ’t Was alles niets, niets, ze voelde zich een koningin in ’t besef van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was haar plechtanker in storm en nood geweest, nu scheelde het weinig, of ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge op den oceaan des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich jegens hem schuldig gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan, om hem beter te maken, die heerlijke roeping verzaakt, omdat ze hem minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet beteugelen kon, en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan zich trachten te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe kon ze zoo verblind zijn, dat niet eerder in te zien? In den dommel, waarin haar oververmoeid[174]brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich allengs wegzinken, in een peillooze diepte. Ze valt, daalt steeds dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand vatten, met zachten, teederen druk, en ze hoort een lokkende stem, zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch medelijden haar toesprekend, dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt aan de borst dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk troostend. ’t Is de stem van Willem Victor.… neen, ’t is een vrouw, aan wier boezem ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede laat ze haar gedachten zoetjes-aan vervloeien.Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger jegens haar dan haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein was inderdaad haar schuld bij de frissche bloeiende gezondheid van haar jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding tot haar echtgenoot! Zij had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks zichzelve, bijna[175]bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak zocht in een daad, die haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou gemaakt hebben!De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap had haar goed gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht, nieuw licht in haar benevelden geest ontstoken. Haar levenstaak ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten tegenover Van Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer overwinnen, en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al komt die ook niet uit haar hart voort. Het zal haar inspanning kosten, o zeker, ze al er onder lijden, goed, maar ze zoekt dat leed thans als een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar zwakheid. Zoo zal ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving van ’t goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is, zal háar werk zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen neigingen en begeerten,[176]dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan eerst zal ze zichzelve vergeven.Ze zal zwijgen over ’t gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe zou ’t dienen?Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek haar niet meer zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een schrikbeeld vóor haar geest. Alles was dan toch nog verloren.… Die zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. Barmhartige God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien Lindhorst.… O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener toenadering tot Van Breeveld voordat ze zekerheid had, dat haar vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning wachten tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn, of.… totdat ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet ruchtbaar geworden was. Ze wist het, een vreeselijke toekomst wachtte haar, als ’t den Almachtige mocht behagen haar te straffen voor dat oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor eerst[177]duidelijk geworden was. ’t Eenige wat haar nog met het leven zou kunnen verzoenen, zou er niet meer zijn, om haar staande te te houden, geen edele roeping meer te vervullen, als het ongeluk wilde, dat er een duel plaats had. Hoe ’t ook mocht afloopen, niets dan schande kon er voor haar uit voortkomen.In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter maar zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu nog een oogenblik langer deelen in ’t vroolijke, onbezorgde leven bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van Lindhorst. Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet meer zien, voor al de schatten der wereld niet.’t Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de verdere gastvrijheid in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om vier uur in den namiddag aanvaardde zij de terugreis. Te Poerwanegara aangekomen, was het haar een ware verlichting haar man nog niet thuis te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven zich wat[178]van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze zou waarlijk wel al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben, om tegenover Van Breeveld zich voor te doen alsof er niets gebeurd was.Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw had ze hem in de verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid zei ze:„Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die’ man vreeselijk vervelend en verwaand.Verzin maar een excuus voor mij.”Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara haastig naar de achtergalerij geloopen. Nadat de bezoeker weer heen was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten hoogste verwonderd te vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond had.„Met hem schijnt het anders te wezen,” vervolgde hij, „hij was bepaald erg teleurgesteld je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den avond van onze partij scheen je heel anders over hem te denken.”[179]„Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.… bij Meerlink een heelen avond kunnen nagaan.… Ik vind hem akelig vervelend.”Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het bezoek gesproken had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij aan haar opwinding en overspanning op dien partijavond, en hij begon zich af te vragen, of er wellicht verband bestond tusschen beide verschijnselen. Voor ’t eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk en dwaas vond, toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar karakter en een onbeperkt vertrouwen in haar gehad. En hoe hij haar ook onverschillig mocht wezen, ’t zou hem onuitsprekelijk grieven, als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar liefde zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij vatte dadelijk een hevige antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij zeer goed wist, geen enkel deugdelijk bewijs voor zijn achterdocht te bezitten. De daarop volgende dagen[180]werd hij in zijn wantrouwen versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, telkens wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon dan duidelijk opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een andere wending aan ’t gesprek trachtte te geven. ’t Viel Clara zoo zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er zoo weinig aan gewend!De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote inlandsche vasten in desociëteitzou gegeven worden, en waarin Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse noodzakelijk. Geen wonder, dat Van Breeveld, als president van desociëteit, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en dus ook meer dan eens met Clara over hem sprak. Clara’s verlegenheid was voor hem zelfs een reden, om dat meer dan wel volstrekt noodig was te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en meer toe te geven aan zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens[181]geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking „in statu nascendi”, het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding wierp hij verre van zich.Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een bezoek te brengen, op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis te vinden, en ’t verwonderde hem zeer, dat Clara ook thans niet verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat zij haar man niet vergezeld had. ’t Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er stellig op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende „liaison” te zullen aanknoopen. In zijn kamer terug, bij menschen, waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende voor ’t avondeten, stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo eenvoudige en naïeve schoonheid, ’t laatste, nog onuitgewerkte nummer in ’t register zijner amoureuse heldenfeiten. Meer en meer kwam hij tot de slotsom, dat hier coquetterie in ’t spel was, van de echte, hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne[182]ook voorkwam. Een bekend gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: „Plus que ça diffère, plus c’est la même chose. Ja, ja,l’éternel féminin”. ’t Was zaak zijn geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer verliet, om naar tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie.Inmiddels was Clara’s tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld was herhaalde malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er was niets tusschen hen voorgevallen, in weerwil van de antipathie, die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets van de zaak bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid niet gehad had erover te praten, viel haar van hem mee. Ze had het ergste van zulk een man gevreesd: het denkbeeld, dat hij wel eens een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen geven, om aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe juichte zij inwendig, toen zij het zekere[183]bewijs meende te hebben, dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder een taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te vervullen. Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. ’t Begin was moeilijk. Hoe moest zij ’t aanleggen, om Van Breeveld, dien ze zoo lang afgestooten had, thans te naderen? Dat eischte takt. Ze aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet ronduit verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte haar houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen Van Breeveld met een sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten, achtte zij ’t gunstige oogenblik gekomen, om de lastige zaak aan te vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen lamp in de achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte een halve duisternis. ’t Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te spreken, wetende, dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk zou kunnen waarnemen. Ze richt zich dus naar den kant, waar hij zit, en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert kijkt[184]de rookende op, maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt zacht en vriendelijk:„Man, zou ’t je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de bestierster van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven wil je lief te hebben en je liefde te winnen?”Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn argwaan, waaraan hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft!„Ik begrijp je niet,” antwoordt hij na een oogenblik zwijgens.„Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd zijn.…” vervolgt Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon van gelatenheid: „Maar ik laat ’t aan je over.… Als jij niet wil.…”„Ikniet willen?” roept Van Breeveld. „Maar kind, jij hebt ’t zoo gemaakt tusschen ons.”„Dat weet ik wel,” zegt Clara zacht, „maar ik heb nu zoo’n spijt, en ik zou ’t zoo vreeselijk[185]naar vinden, als jij nu niet wilde.…”Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan.„Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.… Ik was alleen wat overbluft van die’ plotselinge’ ommekeer.… Ik begrijp nog niet, hoe je zoo lang—’t is nu eenige maanden—je zoo op een afstand hebt kunnen houden, om nu op eens.… naar me toe te komen.”„Ik zeg je ’t immers, dat ik spijt, innige spijt heb.… Ik was nog zoo jong en onervaren. Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan immers wel tot andere inzichten komen, en berouw voelen over een dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.… ’t Is mijn plicht je lieve vrouw te zijn in.… alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven, nietwaar, en haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?”Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden, iets, waartoe hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond stil. ’t Was hem te sterk. Hij voelde meer dan verrassing, ook een onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, die bewust was[186]het geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij greep haar beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog twijfelde hij, en zag haar in de oogen, indelieve zachte oogen. Ze wilde ze neerslaan, maar ’t besef van haar roeping hield haar moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in de wolken was, en dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat vermogen zou.„Meen je dat alles ernstig, Clara?” vroeg hij, met kracht haar handen in de zijne drukkend, in groote spanning.„Natuurlijk en ten volle. Ik zal je ’t bewijs geven.… Morgenavond.…” ze aarzelde, „zullen we de inrichting van ons huis wat veranderen.… ik zal de kamer naast de jouwe als mijn slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou ’t wat vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je ook niet?”„O, zeker, maar.…” viel Van Breeveld ongeduldig in, „waarom dat uitstel? Waarom niet vandaag al?” Zich bedenkende, vervolgde[187]hij half lachend: „O, ik vat ’t. Jevindthet vreemd tegenover de bedienden.” Clara lachte verlegen. „Goed, goed; maar éen vraag dan.” Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem verwonderd aan. In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van ’t vuur der vrome, die eindelijk de gelegenheid vindt voor haar overtuiging te strijden.„Waarom kies je dan zoo’n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor den dag te komen? Misschien, om me een dag lang te zien verlangen, en je daarin te verkneukelen?”„Foei, man.… ’t Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten rond kon loopen, zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf overtuigd.En,” vervolgde ze vleiend, „is ’t dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een dag later?”„O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.… ik weet hoe jij bent.… een lieve schat, die ik niet aan kan zien zonder.… nu ja.… dol te worden.”Clara lachte.[188]„Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens gezellig een spelletje doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen en wat zingen? En dan drinken we samen een glas wijn op.… onze hervatte wittebroodsweken.”Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren te voren kunnen voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! ’t Was een engel, die vrouw van hem.…„Maar,” liet Clara volgen, „je weet wel, als je in mijn gezelschap wijn drinkt, dan houd je maat.”Van Breeveld wilde protesteeren.„Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap bent,” riep ze vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich te buiten gaan zou zij wel weten te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik van te maken. Die avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar gekend had.Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo verkwikt en opgewekt, dat[189]ze lust had om te zingen. Met blijde verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, en ze deed zich geen dwang aan, om dien lust te onderdrukken.Aan ’t ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was zelden zoo goed gemutst geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. Ze verdreef alle gedachten aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, verdwijnen, en dat zou haar, haar werk zijn.Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op ’t bureau te begeven, en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet weerstaan, om naar desociëteitte gaan. ’t Was, of hij behoefte gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, en lucht te geven aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek.’t Witte gebouwtje op de „aloen-aloen” tegenover de assistent-residentswoning lag te blakeren in de zon. Onder het zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. Er zat daar dan ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor doorging, want[190]in Java’s binnenlanden heet ieder blanke een heer, dat vóor de rijsttafel daar kwam bitteren, was geschaard om de ronde tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde „kletstafel”. Daar, onder het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg, die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was ’t er vroolijk door de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden, die van en naar de naburige „pasar” kwamen en gingen, en nu en dan een buggy of bendy door een Europeaan gemend, den een of anderen planter of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. Telkens, wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uitdenkring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet of kwinkslag uit het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat dien dag daar bijeenzat, was vrij groot. Er behoorden ook toe de administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, stralend van goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen,[191]sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij, zaten ze daar op hunne stoelen te wippen, en waren druk bezig met het „opzetten van een gezelligen boom”, zooals men in Indië een familiaar gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige naam schijnt zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie, evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te verdeelen. Inderdaad had het gesprek zulk een karakter, want men sprong van den hak op den tak: ieder onderwerp was goed, mits niet ernstig en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken en twijgen, aan een deel van den „boom”, die weldra bleek zich hoog in de lucht te zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken er een woord in mee. Men had het over de patronesse dersociëteit, de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide weinig. Dit scheen de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens plagen en zeide:„Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij onze opinie in ’t geheel[192]niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?”Lindhorstglimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk mager en lang individu, die den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, vond de gelegenheid schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af te zenden:„Kijk ’m eens lachen!” roept hij, „hij denkt bij zich zelf: nu ja, wat jelui mooi eninteressantvinden, is dat nog niet zoo dadelijk voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer aan denkt, hoe zij hem vindt—knap, mooi of onweerstaanbaar—dan welk idee hij zelf wel over haar zou hebben.”„Nu,” zegt een ander, een der velen onder ’t gezelschap, die ook op de partij ten assistent-residentshuize waren geweest, „je hadt ’m eens moeten zien op dien eersten avond bij Van Breeveld!” Dan tot zijn buurman: „Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien dansen? Innig, hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg, dat hij haar gewoon[193]met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van de waarheid.”„Nu ja,” valt Meerlink lachend in, „Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu eenmaal bijeen. En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals hij gebekt is, wat zeg jij, Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw ’t hof maakt, is even natuurlijk als dat ik met belangstelling naar een mooie’ koffietuin kijk.”„Juist,” zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn knevel opstrijkend, „’t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het voor iemand als ik niet meer dan plicht, om een aardig jong ding het hof te maken. Vooral.… als ze zoo’n half uitgebrande kaars als die Van Breeveld als haar êga moet dulden.”„St!” wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den laatstgenoemde in de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal toegang gaf tot de galerij. In ’t drukke gepraat had niemand zijn komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn komt hij op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke ligging, en, zich oprichtend,[194]kijkt hij den binnentredende driest aan.„Wil u eens herhalen, wat u daar ’t laatst gezegd heeft, Mijnheer Lindhorst?” vraagt Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie, zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen in hem op.„En als ik eens niet verkoos?” antwoordt Lindhorst doodkalm, maar toch geërgerd door den onstuimigen toon van den ander.„Kom, kom,” valt de goedige Meerlink in, die ’n broertje dood heeft aan al dat ruziemaken, zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet, „’t is zoo erg niet, en ’t is niet in uw bijzijn gezegd, Mijnheer Van Breeveld.” Maar de storm blijkt niet te keeren.„Dat moest er nog bijkomen,” roept hij bevend van woede, „dat zou de onhebbelijkheid zelf wezen.”„Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?” vraagt Lindhorst tartend.„Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen taal voor een fatsoenlijk man!”Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den[195]ongebonden hartstocht van den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. Lindhorst is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een onverschrokken verdediger van wat hij zijn „eer” noemt; brutaal als de beul, en kalm als deze in zijn brutaliteit. Langzaam staat hij van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld staande, kijkt hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend:„U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?”„Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil.”Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft gadegeslagen, begint er zich nu in te mengen. „Zijn ze gek?” roept er een.„Willen ze hier duelleeren?” een ander. Meerlink is geheel van streek. Hij staat op en legt zijn hand op Van Breeveld’s schouder:„U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo maar als wilde tegen beesten elkaar invliegen?” roept hij ontdaan.„Nu goed, nu of straks, ’t is me om ’t even,”[196]antwoordt Van Breeveld. „Wil u mijn eene secondant zijn?”Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen zijn? denkt hij.„Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg ’t zaakje bij.”„Ik denk er niet aan,”antwoordtde toegesprokene, en zijn toon is zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. Niemand waagt nog verder iets in ’t midden te brengen.Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt schoorvoetend toe. Aan weerszijden zijn weldra de secondanten gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om zes uur, op ’t pistool duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op tien minuten afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich tegen ’t ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor, maar beide partijen willen van geen verder uitstel hooren. Allen, die getuigen waren geweest van het voorgevallene, beloven op verzoek der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat het duel had[197]plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident, een omstandigheid, die in de binnenlanden van Java niet uit het oog verloren mag worden: ’t ontzag voor diens hooge positie en groote macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders gesproken zouden hebben.’t Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel gevallen, en om de sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen de z.g. vliegende honden reeds rond in rustelooze vlucht, de vele insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. Op ’t anders zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een groote menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan éen hoek van de „aloen-aloen” is de volksoploop sterk. Daar is de assistent-residentswoning. Een verward gemompel gaat van mond tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een ander, even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door talrijke, nieuwsgierige vragers. Geen van allen weet[198]eigenlijk recht wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de „Toewan Asisten” dood is, plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren ’t schot gehoord te hebben; sommigen vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen even stellig en heftig bestreden. Toch spreken allen zacht. Het onhebbelijke in de houding van ’t volk bij oploopen in Europa is hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en, nu ’t hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood van den machtigen bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer.Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets meer te vernemen van ’t vreeselijke voorval. De oude „kokki” van de „Mevrouw” is naar buiten gekomen, zooals ze zeide, omdat ze ’t niet langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant te wezen, en beschouwd te worden als een „intima” der kleine hofhouding ten assistent-residentshuize.„O, Heere God,” begint ze te vertellen, als men van alle kanten bij haar aandringt om toch te spreken, „’t was toch zoo akelig.” Ze kijkt[199]even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat te luisteren.„Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een rijtuig gedragen. Zijn eene oog was verbonden. Ik heb ’t gezien, toen de doek eraf was. Och, lieve God, ’t was door en door geschoten. Hij leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die goede, lieve Mevrouw eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd op zijn borst.”Hier viel een andere vrouw in de rede:„Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van haar man woû weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord.”„Je leutert,” zei kokki streng en beslist.„Ze is gek van verdriet, zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben zooals wij Javanen als man en vrouw? Dat ’s heel anders, mensch.” De andere zweeg en luisterde weer.„Weet je wat ze maar al riep?: „„Te laat, te laat!”” en dan snikte ze, om er naar van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil, maar ’t moet heel akelig zijn. Ik zeg[200]je, ik ben weggeloopen, ik kon ’t niet meer aanzien.”Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster toeloopen, fluisterde haar iets in ’t oor, en, door tal van oogen nagestaard, verdwijnt het oudje weer in de assistent-residentswoning.Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld.Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge vrouw geknield voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op uitgestrekt ligt. Krampachtig omklemt ze een der slappe handen des overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend in ’t holle vertrek, waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin een oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: „Te laat, te laat!” De geneesheer en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel gade te slaan. Hun hulp is niet meer noodig, en heeft ook niet veel goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, is Van Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een[201]kogel, die door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter bedoeld had, is door ’t linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen: hij was reddeloos verloren.Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar in wanhoop over zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het hare geruild. Haar is met dezen slag, naar ze vast gelooft, de laatste kans op levensgeluk ontgaan. ’t Was dan de wil des Almachtigen haar te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens hadden dus niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande; want een ieder zou de ware rede van ’t duel in haar schuld meenen te moeten zoeken, men zou ’t als zeker vertellen. Maar dat was nog niet ’t ergste. ’t Vreeselijkste was, dat zij zich de schuld achtte van zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd aangegaan, voor haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze ervan duizelde. ’t Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens[202]kwam die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige smart: „Te laat, te laat!”

X.Te laat.

De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen is, staat op eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara’s geest. Onzeggelijke schaamte doet haar ineenkrimpen.Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd geopende oogen staart ze naar de deur, als wezenloos. ’t Is, of ze haar eigen geweten in spookgestalte vóor zich ziet staan, met honenden lach haar toeroepend:„Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in uw waan zoo hoog verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo diep verachttet? Ge zijt niet veel meer dan hij.…”O, had ze ooit te voren geleden? Wat was[173]al wat ze geleden had in vergelijking bij ’t vlijmend zelfverwijt, de schaamte van dit oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen, dat zij de smart kende! ’t Was alles niets, niets, ze voelde zich een koningin in ’t besef van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was haar plechtanker in storm en nood geweest, nu scheelde het weinig, of ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge op den oceaan des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich jegens hem schuldig gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan, om hem beter te maken, die heerlijke roeping verzaakt, omdat ze hem minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet beteugelen kon, en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan zich trachten te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe kon ze zoo verblind zijn, dat niet eerder in te zien? In den dommel, waarin haar oververmoeid[174]brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich allengs wegzinken, in een peillooze diepte. Ze valt, daalt steeds dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand vatten, met zachten, teederen druk, en ze hoort een lokkende stem, zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch medelijden haar toesprekend, dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt aan de borst dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk troostend. ’t Is de stem van Willem Victor.… neen, ’t is een vrouw, aan wier boezem ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede laat ze haar gedachten zoetjes-aan vervloeien.Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger jegens haar dan haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein was inderdaad haar schuld bij de frissche bloeiende gezondheid van haar jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding tot haar echtgenoot! Zij had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks zichzelve, bijna[175]bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak zocht in een daad, die haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou gemaakt hebben!De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap had haar goed gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht, nieuw licht in haar benevelden geest ontstoken. Haar levenstaak ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten tegenover Van Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer overwinnen, en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al komt die ook niet uit haar hart voort. Het zal haar inspanning kosten, o zeker, ze al er onder lijden, goed, maar ze zoekt dat leed thans als een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar zwakheid. Zoo zal ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving van ’t goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is, zal háar werk zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen neigingen en begeerten,[176]dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan eerst zal ze zichzelve vergeven.Ze zal zwijgen over ’t gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe zou ’t dienen?Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek haar niet meer zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een schrikbeeld vóor haar geest. Alles was dan toch nog verloren.… Die zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. Barmhartige God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien Lindhorst.… O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener toenadering tot Van Breeveld voordat ze zekerheid had, dat haar vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning wachten tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn, of.… totdat ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet ruchtbaar geworden was. Ze wist het, een vreeselijke toekomst wachtte haar, als ’t den Almachtige mocht behagen haar te straffen voor dat oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor eerst[177]duidelijk geworden was. ’t Eenige wat haar nog met het leven zou kunnen verzoenen, zou er niet meer zijn, om haar staande te te houden, geen edele roeping meer te vervullen, als het ongeluk wilde, dat er een duel plaats had. Hoe ’t ook mocht afloopen, niets dan schande kon er voor haar uit voortkomen.In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter maar zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu nog een oogenblik langer deelen in ’t vroolijke, onbezorgde leven bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van Lindhorst. Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet meer zien, voor al de schatten der wereld niet.’t Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de verdere gastvrijheid in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om vier uur in den namiddag aanvaardde zij de terugreis. Te Poerwanegara aangekomen, was het haar een ware verlichting haar man nog niet thuis te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven zich wat[178]van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze zou waarlijk wel al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben, om tegenover Van Breeveld zich voor te doen alsof er niets gebeurd was.Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw had ze hem in de verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid zei ze:„Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die’ man vreeselijk vervelend en verwaand.Verzin maar een excuus voor mij.”Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara haastig naar de achtergalerij geloopen. Nadat de bezoeker weer heen was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten hoogste verwonderd te vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond had.„Met hem schijnt het anders te wezen,” vervolgde hij, „hij was bepaald erg teleurgesteld je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den avond van onze partij scheen je heel anders over hem te denken.”[179]„Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.… bij Meerlink een heelen avond kunnen nagaan.… Ik vind hem akelig vervelend.”Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het bezoek gesproken had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij aan haar opwinding en overspanning op dien partijavond, en hij begon zich af te vragen, of er wellicht verband bestond tusschen beide verschijnselen. Voor ’t eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk en dwaas vond, toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar karakter en een onbeperkt vertrouwen in haar gehad. En hoe hij haar ook onverschillig mocht wezen, ’t zou hem onuitsprekelijk grieven, als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar liefde zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij vatte dadelijk een hevige antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij zeer goed wist, geen enkel deugdelijk bewijs voor zijn achterdocht te bezitten. De daarop volgende dagen[180]werd hij in zijn wantrouwen versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, telkens wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon dan duidelijk opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een andere wending aan ’t gesprek trachtte te geven. ’t Viel Clara zoo zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er zoo weinig aan gewend!De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote inlandsche vasten in desociëteitzou gegeven worden, en waarin Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse noodzakelijk. Geen wonder, dat Van Breeveld, als president van desociëteit, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en dus ook meer dan eens met Clara over hem sprak. Clara’s verlegenheid was voor hem zelfs een reden, om dat meer dan wel volstrekt noodig was te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en meer toe te geven aan zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens[181]geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking „in statu nascendi”, het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding wierp hij verre van zich.Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een bezoek te brengen, op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis te vinden, en ’t verwonderde hem zeer, dat Clara ook thans niet verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat zij haar man niet vergezeld had. ’t Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er stellig op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende „liaison” te zullen aanknoopen. In zijn kamer terug, bij menschen, waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende voor ’t avondeten, stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo eenvoudige en naïeve schoonheid, ’t laatste, nog onuitgewerkte nummer in ’t register zijner amoureuse heldenfeiten. Meer en meer kwam hij tot de slotsom, dat hier coquetterie in ’t spel was, van de echte, hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne[182]ook voorkwam. Een bekend gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: „Plus que ça diffère, plus c’est la même chose. Ja, ja,l’éternel féminin”. ’t Was zaak zijn geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer verliet, om naar tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie.Inmiddels was Clara’s tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld was herhaalde malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er was niets tusschen hen voorgevallen, in weerwil van de antipathie, die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets van de zaak bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid niet gehad had erover te praten, viel haar van hem mee. Ze had het ergste van zulk een man gevreesd: het denkbeeld, dat hij wel eens een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen geven, om aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe juichte zij inwendig, toen zij het zekere[183]bewijs meende te hebben, dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder een taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te vervullen. Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. ’t Begin was moeilijk. Hoe moest zij ’t aanleggen, om Van Breeveld, dien ze zoo lang afgestooten had, thans te naderen? Dat eischte takt. Ze aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet ronduit verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte haar houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen Van Breeveld met een sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten, achtte zij ’t gunstige oogenblik gekomen, om de lastige zaak aan te vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen lamp in de achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte een halve duisternis. ’t Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te spreken, wetende, dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk zou kunnen waarnemen. Ze richt zich dus naar den kant, waar hij zit, en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert kijkt[184]de rookende op, maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt zacht en vriendelijk:„Man, zou ’t je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de bestierster van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven wil je lief te hebben en je liefde te winnen?”Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn argwaan, waaraan hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft!„Ik begrijp je niet,” antwoordt hij na een oogenblik zwijgens.„Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd zijn.…” vervolgt Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon van gelatenheid: „Maar ik laat ’t aan je over.… Als jij niet wil.…”„Ikniet willen?” roept Van Breeveld. „Maar kind, jij hebt ’t zoo gemaakt tusschen ons.”„Dat weet ik wel,” zegt Clara zacht, „maar ik heb nu zoo’n spijt, en ik zou ’t zoo vreeselijk[185]naar vinden, als jij nu niet wilde.…”Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan.„Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.… Ik was alleen wat overbluft van die’ plotselinge’ ommekeer.… Ik begrijp nog niet, hoe je zoo lang—’t is nu eenige maanden—je zoo op een afstand hebt kunnen houden, om nu op eens.… naar me toe te komen.”„Ik zeg je ’t immers, dat ik spijt, innige spijt heb.… Ik was nog zoo jong en onervaren. Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan immers wel tot andere inzichten komen, en berouw voelen over een dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.… ’t Is mijn plicht je lieve vrouw te zijn in.… alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven, nietwaar, en haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?”Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden, iets, waartoe hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond stil. ’t Was hem te sterk. Hij voelde meer dan verrassing, ook een onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, die bewust was[186]het geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij greep haar beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog twijfelde hij, en zag haar in de oogen, indelieve zachte oogen. Ze wilde ze neerslaan, maar ’t besef van haar roeping hield haar moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in de wolken was, en dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat vermogen zou.„Meen je dat alles ernstig, Clara?” vroeg hij, met kracht haar handen in de zijne drukkend, in groote spanning.„Natuurlijk en ten volle. Ik zal je ’t bewijs geven.… Morgenavond.…” ze aarzelde, „zullen we de inrichting van ons huis wat veranderen.… ik zal de kamer naast de jouwe als mijn slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou ’t wat vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je ook niet?”„O, zeker, maar.…” viel Van Breeveld ongeduldig in, „waarom dat uitstel? Waarom niet vandaag al?” Zich bedenkende, vervolgde[187]hij half lachend: „O, ik vat ’t. Jevindthet vreemd tegenover de bedienden.” Clara lachte verlegen. „Goed, goed; maar éen vraag dan.” Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem verwonderd aan. In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van ’t vuur der vrome, die eindelijk de gelegenheid vindt voor haar overtuiging te strijden.„Waarom kies je dan zoo’n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor den dag te komen? Misschien, om me een dag lang te zien verlangen, en je daarin te verkneukelen?”„Foei, man.… ’t Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten rond kon loopen, zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf overtuigd.En,” vervolgde ze vleiend, „is ’t dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een dag later?”„O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.… ik weet hoe jij bent.… een lieve schat, die ik niet aan kan zien zonder.… nu ja.… dol te worden.”Clara lachte.[188]„Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens gezellig een spelletje doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen en wat zingen? En dan drinken we samen een glas wijn op.… onze hervatte wittebroodsweken.”Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren te voren kunnen voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! ’t Was een engel, die vrouw van hem.…„Maar,” liet Clara volgen, „je weet wel, als je in mijn gezelschap wijn drinkt, dan houd je maat.”Van Breeveld wilde protesteeren.„Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap bent,” riep ze vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich te buiten gaan zou zij wel weten te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik van te maken. Die avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar gekend had.Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo verkwikt en opgewekt, dat[189]ze lust had om te zingen. Met blijde verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, en ze deed zich geen dwang aan, om dien lust te onderdrukken.Aan ’t ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was zelden zoo goed gemutst geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. Ze verdreef alle gedachten aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, verdwijnen, en dat zou haar, haar werk zijn.Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op ’t bureau te begeven, en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet weerstaan, om naar desociëteitte gaan. ’t Was, of hij behoefte gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, en lucht te geven aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek.’t Witte gebouwtje op de „aloen-aloen” tegenover de assistent-residentswoning lag te blakeren in de zon. Onder het zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. Er zat daar dan ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor doorging, want[190]in Java’s binnenlanden heet ieder blanke een heer, dat vóor de rijsttafel daar kwam bitteren, was geschaard om de ronde tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde „kletstafel”. Daar, onder het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg, die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was ’t er vroolijk door de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden, die van en naar de naburige „pasar” kwamen en gingen, en nu en dan een buggy of bendy door een Europeaan gemend, den een of anderen planter of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. Telkens, wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uitdenkring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet of kwinkslag uit het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat dien dag daar bijeenzat, was vrij groot. Er behoorden ook toe de administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, stralend van goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen,[191]sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij, zaten ze daar op hunne stoelen te wippen, en waren druk bezig met het „opzetten van een gezelligen boom”, zooals men in Indië een familiaar gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige naam schijnt zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie, evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te verdeelen. Inderdaad had het gesprek zulk een karakter, want men sprong van den hak op den tak: ieder onderwerp was goed, mits niet ernstig en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken en twijgen, aan een deel van den „boom”, die weldra bleek zich hoog in de lucht te zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken er een woord in mee. Men had het over de patronesse dersociëteit, de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide weinig. Dit scheen de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens plagen en zeide:„Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij onze opinie in ’t geheel[192]niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?”Lindhorstglimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk mager en lang individu, die den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, vond de gelegenheid schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af te zenden:„Kijk ’m eens lachen!” roept hij, „hij denkt bij zich zelf: nu ja, wat jelui mooi eninteressantvinden, is dat nog niet zoo dadelijk voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer aan denkt, hoe zij hem vindt—knap, mooi of onweerstaanbaar—dan welk idee hij zelf wel over haar zou hebben.”„Nu,” zegt een ander, een der velen onder ’t gezelschap, die ook op de partij ten assistent-residentshuize waren geweest, „je hadt ’m eens moeten zien op dien eersten avond bij Van Breeveld!” Dan tot zijn buurman: „Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien dansen? Innig, hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg, dat hij haar gewoon[193]met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van de waarheid.”„Nu ja,” valt Meerlink lachend in, „Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu eenmaal bijeen. En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals hij gebekt is, wat zeg jij, Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw ’t hof maakt, is even natuurlijk als dat ik met belangstelling naar een mooie’ koffietuin kijk.”„Juist,” zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn knevel opstrijkend, „’t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het voor iemand als ik niet meer dan plicht, om een aardig jong ding het hof te maken. Vooral.… als ze zoo’n half uitgebrande kaars als die Van Breeveld als haar êga moet dulden.”„St!” wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den laatstgenoemde in de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal toegang gaf tot de galerij. In ’t drukke gepraat had niemand zijn komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn komt hij op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke ligging, en, zich oprichtend,[194]kijkt hij den binnentredende driest aan.„Wil u eens herhalen, wat u daar ’t laatst gezegd heeft, Mijnheer Lindhorst?” vraagt Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie, zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen in hem op.„En als ik eens niet verkoos?” antwoordt Lindhorst doodkalm, maar toch geërgerd door den onstuimigen toon van den ander.„Kom, kom,” valt de goedige Meerlink in, die ’n broertje dood heeft aan al dat ruziemaken, zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet, „’t is zoo erg niet, en ’t is niet in uw bijzijn gezegd, Mijnheer Van Breeveld.” Maar de storm blijkt niet te keeren.„Dat moest er nog bijkomen,” roept hij bevend van woede, „dat zou de onhebbelijkheid zelf wezen.”„Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?” vraagt Lindhorst tartend.„Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen taal voor een fatsoenlijk man!”Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den[195]ongebonden hartstocht van den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. Lindhorst is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een onverschrokken verdediger van wat hij zijn „eer” noemt; brutaal als de beul, en kalm als deze in zijn brutaliteit. Langzaam staat hij van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld staande, kijkt hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend:„U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?”„Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil.”Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft gadegeslagen, begint er zich nu in te mengen. „Zijn ze gek?” roept er een.„Willen ze hier duelleeren?” een ander. Meerlink is geheel van streek. Hij staat op en legt zijn hand op Van Breeveld’s schouder:„U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo maar als wilde tegen beesten elkaar invliegen?” roept hij ontdaan.„Nu goed, nu of straks, ’t is me om ’t even,”[196]antwoordt Van Breeveld. „Wil u mijn eene secondant zijn?”Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen zijn? denkt hij.„Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg ’t zaakje bij.”„Ik denk er niet aan,”antwoordtde toegesprokene, en zijn toon is zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. Niemand waagt nog verder iets in ’t midden te brengen.Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt schoorvoetend toe. Aan weerszijden zijn weldra de secondanten gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om zes uur, op ’t pistool duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op tien minuten afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich tegen ’t ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor, maar beide partijen willen van geen verder uitstel hooren. Allen, die getuigen waren geweest van het voorgevallene, beloven op verzoek der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat het duel had[197]plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident, een omstandigheid, die in de binnenlanden van Java niet uit het oog verloren mag worden: ’t ontzag voor diens hooge positie en groote macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders gesproken zouden hebben.’t Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel gevallen, en om de sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen de z.g. vliegende honden reeds rond in rustelooze vlucht, de vele insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. Op ’t anders zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een groote menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan éen hoek van de „aloen-aloen” is de volksoploop sterk. Daar is de assistent-residentswoning. Een verward gemompel gaat van mond tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een ander, even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door talrijke, nieuwsgierige vragers. Geen van allen weet[198]eigenlijk recht wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de „Toewan Asisten” dood is, plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren ’t schot gehoord te hebben; sommigen vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen even stellig en heftig bestreden. Toch spreken allen zacht. Het onhebbelijke in de houding van ’t volk bij oploopen in Europa is hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en, nu ’t hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood van den machtigen bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer.Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets meer te vernemen van ’t vreeselijke voorval. De oude „kokki” van de „Mevrouw” is naar buiten gekomen, zooals ze zeide, omdat ze ’t niet langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant te wezen, en beschouwd te worden als een „intima” der kleine hofhouding ten assistent-residentshuize.„O, Heere God,” begint ze te vertellen, als men van alle kanten bij haar aandringt om toch te spreken, „’t was toch zoo akelig.” Ze kijkt[199]even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat te luisteren.„Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een rijtuig gedragen. Zijn eene oog was verbonden. Ik heb ’t gezien, toen de doek eraf was. Och, lieve God, ’t was door en door geschoten. Hij leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die goede, lieve Mevrouw eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd op zijn borst.”Hier viel een andere vrouw in de rede:„Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van haar man woû weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord.”„Je leutert,” zei kokki streng en beslist.„Ze is gek van verdriet, zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben zooals wij Javanen als man en vrouw? Dat ’s heel anders, mensch.” De andere zweeg en luisterde weer.„Weet je wat ze maar al riep?: „„Te laat, te laat!”” en dan snikte ze, om er naar van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil, maar ’t moet heel akelig zijn. Ik zeg[200]je, ik ben weggeloopen, ik kon ’t niet meer aanzien.”Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster toeloopen, fluisterde haar iets in ’t oor, en, door tal van oogen nagestaard, verdwijnt het oudje weer in de assistent-residentswoning.Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld.Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge vrouw geknield voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op uitgestrekt ligt. Krampachtig omklemt ze een der slappe handen des overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend in ’t holle vertrek, waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin een oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: „Te laat, te laat!” De geneesheer en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel gade te slaan. Hun hulp is niet meer noodig, en heeft ook niet veel goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, is Van Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een[201]kogel, die door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter bedoeld had, is door ’t linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen: hij was reddeloos verloren.Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar in wanhoop over zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het hare geruild. Haar is met dezen slag, naar ze vast gelooft, de laatste kans op levensgeluk ontgaan. ’t Was dan de wil des Almachtigen haar te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens hadden dus niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande; want een ieder zou de ware rede van ’t duel in haar schuld meenen te moeten zoeken, men zou ’t als zeker vertellen. Maar dat was nog niet ’t ergste. ’t Vreeselijkste was, dat zij zich de schuld achtte van zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd aangegaan, voor haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze ervan duizelde. ’t Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens[202]kwam die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige smart: „Te laat, te laat!”

De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen is, staat op eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara’s geest. Onzeggelijke schaamte doet haar ineenkrimpen.

Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd geopende oogen staart ze naar de deur, als wezenloos. ’t Is, of ze haar eigen geweten in spookgestalte vóor zich ziet staan, met honenden lach haar toeroepend:

„Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in uw waan zoo hoog verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo diep verachttet? Ge zijt niet veel meer dan hij.…”

O, had ze ooit te voren geleden? Wat was[173]al wat ze geleden had in vergelijking bij ’t vlijmend zelfverwijt, de schaamte van dit oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen, dat zij de smart kende! ’t Was alles niets, niets, ze voelde zich een koningin in ’t besef van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was haar plechtanker in storm en nood geweest, nu scheelde het weinig, of ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge op den oceaan des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich jegens hem schuldig gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan, om hem beter te maken, die heerlijke roeping verzaakt, omdat ze hem minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet beteugelen kon, en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan zich trachten te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe kon ze zoo verblind zijn, dat niet eerder in te zien? In den dommel, waarin haar oververmoeid[174]brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich allengs wegzinken, in een peillooze diepte. Ze valt, daalt steeds dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand vatten, met zachten, teederen druk, en ze hoort een lokkende stem, zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch medelijden haar toesprekend, dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt aan de borst dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk troostend. ’t Is de stem van Willem Victor.… neen, ’t is een vrouw, aan wier boezem ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede laat ze haar gedachten zoetjes-aan vervloeien.

Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger jegens haar dan haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein was inderdaad haar schuld bij de frissche bloeiende gezondheid van haar jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding tot haar echtgenoot! Zij had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks zichzelve, bijna[175]bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak zocht in een daad, die haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou gemaakt hebben!

De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap had haar goed gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht, nieuw licht in haar benevelden geest ontstoken. Haar levenstaak ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten tegenover Van Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer overwinnen, en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al komt die ook niet uit haar hart voort. Het zal haar inspanning kosten, o zeker, ze al er onder lijden, goed, maar ze zoekt dat leed thans als een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar zwakheid. Zoo zal ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving van ’t goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is, zal háar werk zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen neigingen en begeerten,[176]dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan eerst zal ze zichzelve vergeven.

Ze zal zwijgen over ’t gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe zou ’t dienen?

Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek haar niet meer zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een schrikbeeld vóor haar geest. Alles was dan toch nog verloren.… Die zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. Barmhartige God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien Lindhorst.… O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener toenadering tot Van Breeveld voordat ze zekerheid had, dat haar vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning wachten tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn, of.… totdat ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet ruchtbaar geworden was. Ze wist het, een vreeselijke toekomst wachtte haar, als ’t den Almachtige mocht behagen haar te straffen voor dat oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor eerst[177]duidelijk geworden was. ’t Eenige wat haar nog met het leven zou kunnen verzoenen, zou er niet meer zijn, om haar staande te te houden, geen edele roeping meer te vervullen, als het ongeluk wilde, dat er een duel plaats had. Hoe ’t ook mocht afloopen, niets dan schande kon er voor haar uit voortkomen.

In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter maar zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu nog een oogenblik langer deelen in ’t vroolijke, onbezorgde leven bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van Lindhorst. Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet meer zien, voor al de schatten der wereld niet.

’t Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de verdere gastvrijheid in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om vier uur in den namiddag aanvaardde zij de terugreis. Te Poerwanegara aangekomen, was het haar een ware verlichting haar man nog niet thuis te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven zich wat[178]van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze zou waarlijk wel al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben, om tegenover Van Breeveld zich voor te doen alsof er niets gebeurd was.

Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw had ze hem in de verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid zei ze:

„Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die’ man vreeselijk vervelend en verwaand.Verzin maar een excuus voor mij.”

Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara haastig naar de achtergalerij geloopen. Nadat de bezoeker weer heen was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten hoogste verwonderd te vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond had.

„Met hem schijnt het anders te wezen,” vervolgde hij, „hij was bepaald erg teleurgesteld je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den avond van onze partij scheen je heel anders over hem te denken.”[179]

„Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.… bij Meerlink een heelen avond kunnen nagaan.… Ik vind hem akelig vervelend.”

Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het bezoek gesproken had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij aan haar opwinding en overspanning op dien partijavond, en hij begon zich af te vragen, of er wellicht verband bestond tusschen beide verschijnselen. Voor ’t eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk en dwaas vond, toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar karakter en een onbeperkt vertrouwen in haar gehad. En hoe hij haar ook onverschillig mocht wezen, ’t zou hem onuitsprekelijk grieven, als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar liefde zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij vatte dadelijk een hevige antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij zeer goed wist, geen enkel deugdelijk bewijs voor zijn achterdocht te bezitten. De daarop volgende dagen[180]werd hij in zijn wantrouwen versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, telkens wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon dan duidelijk opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een andere wending aan ’t gesprek trachtte te geven. ’t Viel Clara zoo zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er zoo weinig aan gewend!

De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote inlandsche vasten in desociëteitzou gegeven worden, en waarin Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse noodzakelijk. Geen wonder, dat Van Breeveld, als president van desociëteit, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en dus ook meer dan eens met Clara over hem sprak. Clara’s verlegenheid was voor hem zelfs een reden, om dat meer dan wel volstrekt noodig was te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en meer toe te geven aan zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens[181]geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking „in statu nascendi”, het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding wierp hij verre van zich.

Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een bezoek te brengen, op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis te vinden, en ’t verwonderde hem zeer, dat Clara ook thans niet verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat zij haar man niet vergezeld had. ’t Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er stellig op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende „liaison” te zullen aanknoopen. In zijn kamer terug, bij menschen, waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende voor ’t avondeten, stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo eenvoudige en naïeve schoonheid, ’t laatste, nog onuitgewerkte nummer in ’t register zijner amoureuse heldenfeiten. Meer en meer kwam hij tot de slotsom, dat hier coquetterie in ’t spel was, van de echte, hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne[182]ook voorkwam. Een bekend gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: „Plus que ça diffère, plus c’est la même chose. Ja, ja,l’éternel féminin”. ’t Was zaak zijn geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer verliet, om naar tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie.

Inmiddels was Clara’s tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld was herhaalde malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er was niets tusschen hen voorgevallen, in weerwil van de antipathie, die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets van de zaak bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid niet gehad had erover te praten, viel haar van hem mee. Ze had het ergste van zulk een man gevreesd: het denkbeeld, dat hij wel eens een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen geven, om aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe juichte zij inwendig, toen zij het zekere[183]bewijs meende te hebben, dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder een taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te vervullen. Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. ’t Begin was moeilijk. Hoe moest zij ’t aanleggen, om Van Breeveld, dien ze zoo lang afgestooten had, thans te naderen? Dat eischte takt. Ze aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet ronduit verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte haar houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen Van Breeveld met een sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten, achtte zij ’t gunstige oogenblik gekomen, om de lastige zaak aan te vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen lamp in de achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte een halve duisternis. ’t Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te spreken, wetende, dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk zou kunnen waarnemen. Ze richt zich dus naar den kant, waar hij zit, en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert kijkt[184]de rookende op, maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt zacht en vriendelijk:

„Man, zou ’t je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de bestierster van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven wil je lief te hebben en je liefde te winnen?”

Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn argwaan, waaraan hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft!

„Ik begrijp je niet,” antwoordt hij na een oogenblik zwijgens.

„Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd zijn.…” vervolgt Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon van gelatenheid: „Maar ik laat ’t aan je over.… Als jij niet wil.…”

„Ikniet willen?” roept Van Breeveld. „Maar kind, jij hebt ’t zoo gemaakt tusschen ons.”

„Dat weet ik wel,” zegt Clara zacht, „maar ik heb nu zoo’n spijt, en ik zou ’t zoo vreeselijk[185]naar vinden, als jij nu niet wilde.…”

Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan.

„Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.… Ik was alleen wat overbluft van die’ plotselinge’ ommekeer.… Ik begrijp nog niet, hoe je zoo lang—’t is nu eenige maanden—je zoo op een afstand hebt kunnen houden, om nu op eens.… naar me toe te komen.”

„Ik zeg je ’t immers, dat ik spijt, innige spijt heb.… Ik was nog zoo jong en onervaren. Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan immers wel tot andere inzichten komen, en berouw voelen over een dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.… ’t Is mijn plicht je lieve vrouw te zijn in.… alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven, nietwaar, en haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?”

Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden, iets, waartoe hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond stil. ’t Was hem te sterk. Hij voelde meer dan verrassing, ook een onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, die bewust was[186]het geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij greep haar beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog twijfelde hij, en zag haar in de oogen, indelieve zachte oogen. Ze wilde ze neerslaan, maar ’t besef van haar roeping hield haar moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in de wolken was, en dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat vermogen zou.

„Meen je dat alles ernstig, Clara?” vroeg hij, met kracht haar handen in de zijne drukkend, in groote spanning.

„Natuurlijk en ten volle. Ik zal je ’t bewijs geven.… Morgenavond.…” ze aarzelde, „zullen we de inrichting van ons huis wat veranderen.… ik zal de kamer naast de jouwe als mijn slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou ’t wat vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je ook niet?”

„O, zeker, maar.…” viel Van Breeveld ongeduldig in, „waarom dat uitstel? Waarom niet vandaag al?” Zich bedenkende, vervolgde[187]hij half lachend: „O, ik vat ’t. Jevindthet vreemd tegenover de bedienden.” Clara lachte verlegen. „Goed, goed; maar éen vraag dan.” Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem verwonderd aan. In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van ’t vuur der vrome, die eindelijk de gelegenheid vindt voor haar overtuiging te strijden.

„Waarom kies je dan zoo’n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor den dag te komen? Misschien, om me een dag lang te zien verlangen, en je daarin te verkneukelen?”

„Foei, man.… ’t Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten rond kon loopen, zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf overtuigd.En,” vervolgde ze vleiend, „is ’t dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een dag later?”

„O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.… ik weet hoe jij bent.… een lieve schat, die ik niet aan kan zien zonder.… nu ja.… dol te worden.”

Clara lachte.[188]

„Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens gezellig een spelletje doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen en wat zingen? En dan drinken we samen een glas wijn op.… onze hervatte wittebroodsweken.”

Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren te voren kunnen voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! ’t Was een engel, die vrouw van hem.…

„Maar,” liet Clara volgen, „je weet wel, als je in mijn gezelschap wijn drinkt, dan houd je maat.”

Van Breeveld wilde protesteeren.

„Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap bent,” riep ze vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich te buiten gaan zou zij wel weten te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik van te maken. Die avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar gekend had.

Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo verkwikt en opgewekt, dat[189]ze lust had om te zingen. Met blijde verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, en ze deed zich geen dwang aan, om dien lust te onderdrukken.

Aan ’t ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was zelden zoo goed gemutst geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. Ze verdreef alle gedachten aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, verdwijnen, en dat zou haar, haar werk zijn.

Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op ’t bureau te begeven, en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet weerstaan, om naar desociëteitte gaan. ’t Was, of hij behoefte gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, en lucht te geven aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek.

’t Witte gebouwtje op de „aloen-aloen” tegenover de assistent-residentswoning lag te blakeren in de zon. Onder het zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. Er zat daar dan ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor doorging, want[190]in Java’s binnenlanden heet ieder blanke een heer, dat vóor de rijsttafel daar kwam bitteren, was geschaard om de ronde tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde „kletstafel”. Daar, onder het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg, die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was ’t er vroolijk door de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden, die van en naar de naburige „pasar” kwamen en gingen, en nu en dan een buggy of bendy door een Europeaan gemend, den een of anderen planter of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. Telkens, wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uitdenkring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet of kwinkslag uit het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat dien dag daar bijeenzat, was vrij groot. Er behoorden ook toe de administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, stralend van goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen,[191]sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij, zaten ze daar op hunne stoelen te wippen, en waren druk bezig met het „opzetten van een gezelligen boom”, zooals men in Indië een familiaar gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige naam schijnt zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie, evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te verdeelen. Inderdaad had het gesprek zulk een karakter, want men sprong van den hak op den tak: ieder onderwerp was goed, mits niet ernstig en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken en twijgen, aan een deel van den „boom”, die weldra bleek zich hoog in de lucht te zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken er een woord in mee. Men had het over de patronesse dersociëteit, de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide weinig. Dit scheen de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens plagen en zeide:

„Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij onze opinie in ’t geheel[192]niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?”

Lindhorstglimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk mager en lang individu, die den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, vond de gelegenheid schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af te zenden:

„Kijk ’m eens lachen!” roept hij, „hij denkt bij zich zelf: nu ja, wat jelui mooi eninteressantvinden, is dat nog niet zoo dadelijk voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer aan denkt, hoe zij hem vindt—knap, mooi of onweerstaanbaar—dan welk idee hij zelf wel over haar zou hebben.”

„Nu,” zegt een ander, een der velen onder ’t gezelschap, die ook op de partij ten assistent-residentshuize waren geweest, „je hadt ’m eens moeten zien op dien eersten avond bij Van Breeveld!” Dan tot zijn buurman: „Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien dansen? Innig, hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg, dat hij haar gewoon[193]met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van de waarheid.”

„Nu ja,” valt Meerlink lachend in, „Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu eenmaal bijeen. En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals hij gebekt is, wat zeg jij, Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw ’t hof maakt, is even natuurlijk als dat ik met belangstelling naar een mooie’ koffietuin kijk.”

„Juist,” zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn knevel opstrijkend, „’t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het voor iemand als ik niet meer dan plicht, om een aardig jong ding het hof te maken. Vooral.… als ze zoo’n half uitgebrande kaars als die Van Breeveld als haar êga moet dulden.”

„St!” wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den laatstgenoemde in de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal toegang gaf tot de galerij. In ’t drukke gepraat had niemand zijn komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn komt hij op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke ligging, en, zich oprichtend,[194]kijkt hij den binnentredende driest aan.

„Wil u eens herhalen, wat u daar ’t laatst gezegd heeft, Mijnheer Lindhorst?” vraagt Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie, zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen in hem op.

„En als ik eens niet verkoos?” antwoordt Lindhorst doodkalm, maar toch geërgerd door den onstuimigen toon van den ander.

„Kom, kom,” valt de goedige Meerlink in, die ’n broertje dood heeft aan al dat ruziemaken, zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet, „’t is zoo erg niet, en ’t is niet in uw bijzijn gezegd, Mijnheer Van Breeveld.” Maar de storm blijkt niet te keeren.

„Dat moest er nog bijkomen,” roept hij bevend van woede, „dat zou de onhebbelijkheid zelf wezen.”

„Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?” vraagt Lindhorst tartend.

„Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen taal voor een fatsoenlijk man!”

Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den[195]ongebonden hartstocht van den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. Lindhorst is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een onverschrokken verdediger van wat hij zijn „eer” noemt; brutaal als de beul, en kalm als deze in zijn brutaliteit. Langzaam staat hij van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld staande, kijkt hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend:

„U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?”

„Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil.”

Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft gadegeslagen, begint er zich nu in te mengen. „Zijn ze gek?” roept er een.„Willen ze hier duelleeren?” een ander. Meerlink is geheel van streek. Hij staat op en legt zijn hand op Van Breeveld’s schouder:

„U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo maar als wilde tegen beesten elkaar invliegen?” roept hij ontdaan.

„Nu goed, nu of straks, ’t is me om ’t even,”[196]antwoordt Van Breeveld. „Wil u mijn eene secondant zijn?”

Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen zijn? denkt hij.

„Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg ’t zaakje bij.”

„Ik denk er niet aan,”antwoordtde toegesprokene, en zijn toon is zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. Niemand waagt nog verder iets in ’t midden te brengen.

Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt schoorvoetend toe. Aan weerszijden zijn weldra de secondanten gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om zes uur, op ’t pistool duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op tien minuten afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich tegen ’t ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor, maar beide partijen willen van geen verder uitstel hooren. Allen, die getuigen waren geweest van het voorgevallene, beloven op verzoek der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat het duel had[197]plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident, een omstandigheid, die in de binnenlanden van Java niet uit het oog verloren mag worden: ’t ontzag voor diens hooge positie en groote macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders gesproken zouden hebben.

’t Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel gevallen, en om de sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen de z.g. vliegende honden reeds rond in rustelooze vlucht, de vele insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. Op ’t anders zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een groote menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan éen hoek van de „aloen-aloen” is de volksoploop sterk. Daar is de assistent-residentswoning. Een verward gemompel gaat van mond tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een ander, even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door talrijke, nieuwsgierige vragers. Geen van allen weet[198]eigenlijk recht wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de „Toewan Asisten” dood is, plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren ’t schot gehoord te hebben; sommigen vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen even stellig en heftig bestreden. Toch spreken allen zacht. Het onhebbelijke in de houding van ’t volk bij oploopen in Europa is hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en, nu ’t hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood van den machtigen bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer.

Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets meer te vernemen van ’t vreeselijke voorval. De oude „kokki” van de „Mevrouw” is naar buiten gekomen, zooals ze zeide, omdat ze ’t niet langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant te wezen, en beschouwd te worden als een „intima” der kleine hofhouding ten assistent-residentshuize.

„O, Heere God,” begint ze te vertellen, als men van alle kanten bij haar aandringt om toch te spreken, „’t was toch zoo akelig.” Ze kijkt[199]even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat te luisteren.

„Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een rijtuig gedragen. Zijn eene oog was verbonden. Ik heb ’t gezien, toen de doek eraf was. Och, lieve God, ’t was door en door geschoten. Hij leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die goede, lieve Mevrouw eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd op zijn borst.”

Hier viel een andere vrouw in de rede:

„Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van haar man woû weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord.”

„Je leutert,” zei kokki streng en beslist.„Ze is gek van verdriet, zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben zooals wij Javanen als man en vrouw? Dat ’s heel anders, mensch.” De andere zweeg en luisterde weer.

„Weet je wat ze maar al riep?: „„Te laat, te laat!”” en dan snikte ze, om er naar van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil, maar ’t moet heel akelig zijn. Ik zeg[200]je, ik ben weggeloopen, ik kon ’t niet meer aanzien.”

Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster toeloopen, fluisterde haar iets in ’t oor, en, door tal van oogen nagestaard, verdwijnt het oudje weer in de assistent-residentswoning.

Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld.

Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge vrouw geknield voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op uitgestrekt ligt. Krampachtig omklemt ze een der slappe handen des overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend in ’t holle vertrek, waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin een oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: „Te laat, te laat!” De geneesheer en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel gade te slaan. Hun hulp is niet meer noodig, en heeft ook niet veel goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, is Van Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een[201]kogel, die door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter bedoeld had, is door ’t linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen: hij was reddeloos verloren.

Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar in wanhoop over zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het hare geruild. Haar is met dezen slag, naar ze vast gelooft, de laatste kans op levensgeluk ontgaan. ’t Was dan de wil des Almachtigen haar te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens hadden dus niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande; want een ieder zou de ware rede van ’t duel in haar schuld meenen te moeten zoeken, men zou ’t als zeker vertellen. Maar dat was nog niet ’t ergste. ’t Vreeselijkste was, dat zij zich de schuld achtte van zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd aangegaan, voor haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze ervan duizelde. ’t Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens[202]kwam die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige smart: „Te laat, te laat!”


Back to IndexNext