[Inhoud]XI.Nieuw leven.De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn weg over het ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De zon is juist ondergegaan. Nog is het gansche oosten van den hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, en daarmee de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het flikkerende weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld van het licht, dat nooit sterft, van de ziel, die niet vergaat; ook als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger van fonkelende sterren zijn zachten glans verspreiden, en in ’t zog der stoomboot zullen millioenen infusiediertjes[203]een breede lichtstreep achter het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, geen dood of vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede, is allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede golven, dampend als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren.Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij de verschansing. De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele toeft luierend op een „dekstoel”, onverschillig en machinaal rookend, vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der jonge vrouw is naar ’t oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen is. Rustig als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens somber als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven, is thans tot rijpheid gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu ze weet, dat het onherroepelijk is. Evenals die zon na een kort leven is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij in den vollen bloei harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die zon, en opstaan[204]tot een nieuwe loopbaan? Ze weet ’t niet en bekommert er zich niet om. Ook al is er een leven na dit, het zal dan toch zekeranderszijn. ’t Eenige wat ze weet, isdat dit leven ondragelijk voor haar gewordenis,en verandering noodzakelijk verbetering moet wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele passagier zich aan ’t dek vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar bespieden kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing, zich in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven als die schitterende schuimvlokken, die zij in ’t zog der boot, zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat lichaam, dat reeds zooveel ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de zilten vlakte, zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid, totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door ’t een of ander zeemonster.… Clara—de peinzende in dat avonduur—rilt even bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: wat is zulk een lot, zelfs al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, jaar in jaar uit, die ze[205]anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als er een Opperwezen bestaat, moet het goed zijn, en kan een liefhebbend vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij haar niet vergeven, dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer te vervullen? Jegens wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks meer weet, dat ze bestaat, voortlevend haar leven van ijdelheid en oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? ’t Onbeteekenende menschje, luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft „een goed huwelijk gedaan”, en dus haar ideaal bereikt. ’t Verlies eener gansch niet zielsverwante zuster zal haar bitter weinig deren. Haar zusje in Holland.… ’t Lieve kind. Ze zal haar Toetie niet vergeten zijn, o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara, ook in de oogen der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich dat lieve kind aantrekken, hoe zou ze ’t willen beschermen tegen dien noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve tot zooveel[206]ellende gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan de gewetenlooze koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig zijn. Maar wat zal zij thans daartegen kunnen doen? Haar slechte naam zal haar vooruitgesneld zijn naar ’t verre Holland en haar opwachten aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster en ijdelen klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder had er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar naam, spraken met de belangstelling van armgeestige leegloopers over „die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw”. Haar moeder zou, schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen, zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een „gevalletje” zou gehad kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag, buiten haar moeders kring, zouden er anders over denken. Haar omgang met de onschuldige Toetie zou voor deze noodlottig kunnen zijn, en als ’t lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, eens de zaak mocht vernemen, hoe zou[207]Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje niet meer terugzien.… Overigens, Mevrouw Victor.… die was dood voor haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. Ze kon gerust heengaan; ’t weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele zal veroorzaken, weegt niet op tegen haar oneindige smart.Weer dwalen Clara’s gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar geleden was zij hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den eersten keer, toen zij dienzelfden oceaan overvoer. Hoe onbezorgd was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. En toch had ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe met diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.… De tweede maal, dat ze deze watervlakte overging, had ze reeds een groot deel levens achter zich, groot, ondanks haar achttien jaren: ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, de smart van ’t scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen harer eerste huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst van ’t leven, dat ze alleen als plichtsbetrachting beschouwde.[208]Hoe kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar nog dierbaar: zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die na te komen, bevredigde haar. Zij had zich vergist. Eindelijk werden haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode werd gevolgd door een heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping had te vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze doorleeft die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het akelig verwrongen gelaat van den man, die voor haar gevallen was, en dan als een ledige plek in haar leven, de weken van zinnelooze smart, waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst van haar zuster uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in haar huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis, haar overhaast vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als een kind, dat met zich sollen laat.… haar aankomst aan boord. O, alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, waaruit ze sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst[209]als een woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg ziet, als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar voeten bedekte; dan het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat haar blik gleed over die reuzenplas, schijnt haar heenreis een feit in ’t grauw verleden, en toch ligt er nog geen half jaar tusschen nu en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er was hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl thans haar leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar lang, alleen nu en dan doorflikkerd door de spookachtige stralen van ’t noorderlicht, dra weer wegzinkend, als de zoete herinneringen, die nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. Na dien nacht, hoe lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander leven op zou gaan, na den dood.Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een welbekende melodie. Beneden in de long-room wordt piano[210]gespeeld. Hoe heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! ’t Is een phantasie op een thema, dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara’s oogen. Smachtend teeder vleien de tonen. Ze herinnert zich de woorden:Par pitié, beau nuage, sur les ailes du ventPorte-moi sur la plage, que je pleure souvent!Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar zieltje evenzoo gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld had als een eenzame banneling. Thans ook smacht ze, maar naar den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij snakt? De muziek houdt aan. Blijkbaar is ’t een meesterhand, die de toetsen doet leven. Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen tonenovervloed, nu eens juichend en jubelend in oplevende hoop, dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk in bittere klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling op te houden. Clara’s liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan zien, wie die sympathieke musicus is. Waarom zou ze[211]niet? Ze mag op de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen van haar wangen, en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze, omringd door eenige dames en heeren, een man van middelbaren leeftijd aan ’t klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen muziekboek. Een der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel, vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op ’t punt, aan ’t verzoek te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden reeds kennis gemaakt; maar dit is de eerste keer, dat zij zijn talent opmerkt. ’t Is een klein mannetje met schitterende, donkere oogen en lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij een paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men hield hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier reisde, een echten „globe-trotter.” Opeens openbaart hij zich als een groot kunstenaar, die slechts reist om nieuwe indrukken op te doen.[212]Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in ’t bijzonder, zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge weduwe van den beginne af in stille bewondering gadegeslagen. In zijn scheppend brein heeft de droeve uitdrukking van dat innemende gelaat hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds dagen droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen, vraagt hij haar hoffelijk:„Doet u ook aan muziek, Mevrouw?”Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en ook een beetje zingt.„U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u begeleiden. ’t Zaleengenot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten.”De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een lied ten beste te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet van zich te laten bidden. ’t Eerste lied, dat zich als onwillekeurig aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten kent, is het bekende:[213]Von meinen grossen SchmerzenMach’ ich die kleinen Lieder.…een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze ’t voor. Duvernier begeleidt haar uit ’t hoofd. Alles is stil, doodstil, als de laatste toon wegsterft. Plotseling springt de pianist op, en roept opgewonden, met stralende oogen:„Mais Madame, c’est unique! Vous avez des millions dans le gosier!”Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren haar aan, en er barst een daverend handgeklap los.Duvernier wil haar nog eens hooren.„En Français, cette fois en Français!” roepen een paar dames. De Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch lied zou men meer kunnen genieten.Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed vergeten. Haar liederenrepertorium, vooral in ’t Fransch, was echter gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze kon vestigen op de „Sérénade van Gounod.” Ze verontschuldigde zich, dat ze met zoo’n[214]„oudje” voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier riep dadelijk:„La melodie, Madame, c’est peu de chose. C’est l’expression, la voix, l’interprétation enfin.Chantez toujours!”Clara begon. ’t Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en daar een foutje in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet minder om.„Dat is nu heel wat anders,” zeide hij toen Clara ophield, „iets vroolijkers dan zooeven. Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U heeft de stemming van beiden, ’t diep droevige van ’t eerste lied en ’t blijmoedige van ’t laatste zeer goed weergegeven, Mevrouw.”Ook de luisterenden waren onder den indruk: „C’est exquis et d’une expression.…” mompelde men verrukt.Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij, ondanks chauvinistische opvattingen, goed thuis was in de Duitsche muziek, droeg hij Schumann’s Carnaval voor. ’t Was schitterend en overweldigend schoon.[215]„Cesmaîtresallemands, Madame,” zeide hij, toen allen hun bewondering te kennen gaven, Clara niet ’t minst, „l’unique chose que j’y trouve à redire, c’est qu’ils ne sont pas Français!”Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende, stelde hij haar voor, nog een poosje op ’t dek de frissche lucht te gaan genieten. Clara stemde gewillig toe: het genie van dat zonderlinge mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven gekomen, zette men zich naast elkaar.„Mevrouw,” begint hij, „’t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u van dat prachtige orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd is: u moet zangeres worden.”’t Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen, vraagt ze:„Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?”„Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er misschien maar eens éen in de honderd jaar in de gansche wereld.”’t Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze[216]een goede stem had, maar zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! Zij, die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het woelige leven eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust verlangd had, als een versmachtende naar een teug waters! En toch was er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. Ze zocht vergetelheid, ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet kunnen bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging voort, en ze luisterde met gretige ooren.„Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les gehad, dat heb ik kunnen merken, maar ’t is niet genoeg. Dat is niets, niets. Laat dat aan mij over; in twee jaar is u daar overheen, en dan zal u schitteren als een eerste ster, als een weergalooze „diva”!”„Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?” vraagt Clara geheel aandacht.„Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de nachtegaal niet weer loslaten, voordat haar eerste optreden voor de[217]wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal weerklinken.”Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een paar jaar te leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan als herboren weer vóor de wereld te verschijnen, onder een anderen naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, die verlokking is haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer leven. Dat gebied, de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid vinden, en wellicht vrede met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig.„O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van,” roept ze hartstochtelijk zijn hand grijpende, „uw voorstel is te verlokkend schoon!”Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om, en ziet verwonderd den onverwachten indruk, dien zijn woorden op zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. Ze doet hem denken aan een Magdalena op ’t[218]doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt hij: „Maar Mevrouw, làat u verlokken! Er is geen kwaad bij. Ik bied u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken.”„Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken,” herhaalt Clara bij zichzelve. Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde „cantatrice”, de wereld in verrukking brengend door haar zang, schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. Haar besluit is genomen.„Mijnheer Duvernier,” zegt ze vastberaden, „ikzie, dat u ’t goede met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan.”
[Inhoud]XI.Nieuw leven.De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn weg over het ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De zon is juist ondergegaan. Nog is het gansche oosten van den hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, en daarmee de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het flikkerende weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld van het licht, dat nooit sterft, van de ziel, die niet vergaat; ook als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger van fonkelende sterren zijn zachten glans verspreiden, en in ’t zog der stoomboot zullen millioenen infusiediertjes[203]een breede lichtstreep achter het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, geen dood of vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede, is allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede golven, dampend als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren.Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij de verschansing. De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele toeft luierend op een „dekstoel”, onverschillig en machinaal rookend, vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der jonge vrouw is naar ’t oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen is. Rustig als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens somber als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven, is thans tot rijpheid gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu ze weet, dat het onherroepelijk is. Evenals die zon na een kort leven is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij in den vollen bloei harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die zon, en opstaan[204]tot een nieuwe loopbaan? Ze weet ’t niet en bekommert er zich niet om. Ook al is er een leven na dit, het zal dan toch zekeranderszijn. ’t Eenige wat ze weet, isdat dit leven ondragelijk voor haar gewordenis,en verandering noodzakelijk verbetering moet wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele passagier zich aan ’t dek vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar bespieden kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing, zich in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven als die schitterende schuimvlokken, die zij in ’t zog der boot, zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat lichaam, dat reeds zooveel ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de zilten vlakte, zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid, totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door ’t een of ander zeemonster.… Clara—de peinzende in dat avonduur—rilt even bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: wat is zulk een lot, zelfs al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, jaar in jaar uit, die ze[205]anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als er een Opperwezen bestaat, moet het goed zijn, en kan een liefhebbend vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij haar niet vergeven, dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer te vervullen? Jegens wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks meer weet, dat ze bestaat, voortlevend haar leven van ijdelheid en oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? ’t Onbeteekenende menschje, luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft „een goed huwelijk gedaan”, en dus haar ideaal bereikt. ’t Verlies eener gansch niet zielsverwante zuster zal haar bitter weinig deren. Haar zusje in Holland.… ’t Lieve kind. Ze zal haar Toetie niet vergeten zijn, o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara, ook in de oogen der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich dat lieve kind aantrekken, hoe zou ze ’t willen beschermen tegen dien noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve tot zooveel[206]ellende gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan de gewetenlooze koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig zijn. Maar wat zal zij thans daartegen kunnen doen? Haar slechte naam zal haar vooruitgesneld zijn naar ’t verre Holland en haar opwachten aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster en ijdelen klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder had er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar naam, spraken met de belangstelling van armgeestige leegloopers over „die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw”. Haar moeder zou, schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen, zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een „gevalletje” zou gehad kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag, buiten haar moeders kring, zouden er anders over denken. Haar omgang met de onschuldige Toetie zou voor deze noodlottig kunnen zijn, en als ’t lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, eens de zaak mocht vernemen, hoe zou[207]Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje niet meer terugzien.… Overigens, Mevrouw Victor.… die was dood voor haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. Ze kon gerust heengaan; ’t weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele zal veroorzaken, weegt niet op tegen haar oneindige smart.Weer dwalen Clara’s gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar geleden was zij hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den eersten keer, toen zij dienzelfden oceaan overvoer. Hoe onbezorgd was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. En toch had ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe met diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.… De tweede maal, dat ze deze watervlakte overging, had ze reeds een groot deel levens achter zich, groot, ondanks haar achttien jaren: ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, de smart van ’t scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen harer eerste huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst van ’t leven, dat ze alleen als plichtsbetrachting beschouwde.[208]Hoe kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar nog dierbaar: zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die na te komen, bevredigde haar. Zij had zich vergist. Eindelijk werden haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode werd gevolgd door een heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping had te vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze doorleeft die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het akelig verwrongen gelaat van den man, die voor haar gevallen was, en dan als een ledige plek in haar leven, de weken van zinnelooze smart, waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst van haar zuster uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in haar huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis, haar overhaast vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als een kind, dat met zich sollen laat.… haar aankomst aan boord. O, alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, waaruit ze sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst[209]als een woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg ziet, als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar voeten bedekte; dan het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat haar blik gleed over die reuzenplas, schijnt haar heenreis een feit in ’t grauw verleden, en toch ligt er nog geen half jaar tusschen nu en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er was hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl thans haar leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar lang, alleen nu en dan doorflikkerd door de spookachtige stralen van ’t noorderlicht, dra weer wegzinkend, als de zoete herinneringen, die nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. Na dien nacht, hoe lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander leven op zou gaan, na den dood.Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een welbekende melodie. Beneden in de long-room wordt piano[210]gespeeld. Hoe heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! ’t Is een phantasie op een thema, dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara’s oogen. Smachtend teeder vleien de tonen. Ze herinnert zich de woorden:Par pitié, beau nuage, sur les ailes du ventPorte-moi sur la plage, que je pleure souvent!Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar zieltje evenzoo gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld had als een eenzame banneling. Thans ook smacht ze, maar naar den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij snakt? De muziek houdt aan. Blijkbaar is ’t een meesterhand, die de toetsen doet leven. Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen tonenovervloed, nu eens juichend en jubelend in oplevende hoop, dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk in bittere klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling op te houden. Clara’s liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan zien, wie die sympathieke musicus is. Waarom zou ze[211]niet? Ze mag op de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen van haar wangen, en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze, omringd door eenige dames en heeren, een man van middelbaren leeftijd aan ’t klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen muziekboek. Een der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel, vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op ’t punt, aan ’t verzoek te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden reeds kennis gemaakt; maar dit is de eerste keer, dat zij zijn talent opmerkt. ’t Is een klein mannetje met schitterende, donkere oogen en lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij een paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men hield hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier reisde, een echten „globe-trotter.” Opeens openbaart hij zich als een groot kunstenaar, die slechts reist om nieuwe indrukken op te doen.[212]Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in ’t bijzonder, zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge weduwe van den beginne af in stille bewondering gadegeslagen. In zijn scheppend brein heeft de droeve uitdrukking van dat innemende gelaat hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds dagen droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen, vraagt hij haar hoffelijk:„Doet u ook aan muziek, Mevrouw?”Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en ook een beetje zingt.„U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u begeleiden. ’t Zaleengenot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten.”De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een lied ten beste te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet van zich te laten bidden. ’t Eerste lied, dat zich als onwillekeurig aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten kent, is het bekende:[213]Von meinen grossen SchmerzenMach’ ich die kleinen Lieder.…een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze ’t voor. Duvernier begeleidt haar uit ’t hoofd. Alles is stil, doodstil, als de laatste toon wegsterft. Plotseling springt de pianist op, en roept opgewonden, met stralende oogen:„Mais Madame, c’est unique! Vous avez des millions dans le gosier!”Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren haar aan, en er barst een daverend handgeklap los.Duvernier wil haar nog eens hooren.„En Français, cette fois en Français!” roepen een paar dames. De Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch lied zou men meer kunnen genieten.Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed vergeten. Haar liederenrepertorium, vooral in ’t Fransch, was echter gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze kon vestigen op de „Sérénade van Gounod.” Ze verontschuldigde zich, dat ze met zoo’n[214]„oudje” voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier riep dadelijk:„La melodie, Madame, c’est peu de chose. C’est l’expression, la voix, l’interprétation enfin.Chantez toujours!”Clara begon. ’t Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en daar een foutje in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet minder om.„Dat is nu heel wat anders,” zeide hij toen Clara ophield, „iets vroolijkers dan zooeven. Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U heeft de stemming van beiden, ’t diep droevige van ’t eerste lied en ’t blijmoedige van ’t laatste zeer goed weergegeven, Mevrouw.”Ook de luisterenden waren onder den indruk: „C’est exquis et d’une expression.…” mompelde men verrukt.Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij, ondanks chauvinistische opvattingen, goed thuis was in de Duitsche muziek, droeg hij Schumann’s Carnaval voor. ’t Was schitterend en overweldigend schoon.[215]„Cesmaîtresallemands, Madame,” zeide hij, toen allen hun bewondering te kennen gaven, Clara niet ’t minst, „l’unique chose que j’y trouve à redire, c’est qu’ils ne sont pas Français!”Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende, stelde hij haar voor, nog een poosje op ’t dek de frissche lucht te gaan genieten. Clara stemde gewillig toe: het genie van dat zonderlinge mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven gekomen, zette men zich naast elkaar.„Mevrouw,” begint hij, „’t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u van dat prachtige orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd is: u moet zangeres worden.”’t Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen, vraagt ze:„Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?”„Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er misschien maar eens éen in de honderd jaar in de gansche wereld.”’t Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze[216]een goede stem had, maar zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! Zij, die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het woelige leven eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust verlangd had, als een versmachtende naar een teug waters! En toch was er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. Ze zocht vergetelheid, ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet kunnen bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging voort, en ze luisterde met gretige ooren.„Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les gehad, dat heb ik kunnen merken, maar ’t is niet genoeg. Dat is niets, niets. Laat dat aan mij over; in twee jaar is u daar overheen, en dan zal u schitteren als een eerste ster, als een weergalooze „diva”!”„Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?” vraagt Clara geheel aandacht.„Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de nachtegaal niet weer loslaten, voordat haar eerste optreden voor de[217]wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal weerklinken.”Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een paar jaar te leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan als herboren weer vóor de wereld te verschijnen, onder een anderen naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, die verlokking is haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer leven. Dat gebied, de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid vinden, en wellicht vrede met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig.„O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van,” roept ze hartstochtelijk zijn hand grijpende, „uw voorstel is te verlokkend schoon!”Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om, en ziet verwonderd den onverwachten indruk, dien zijn woorden op zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. Ze doet hem denken aan een Magdalena op ’t[218]doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt hij: „Maar Mevrouw, làat u verlokken! Er is geen kwaad bij. Ik bied u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken.”„Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken,” herhaalt Clara bij zichzelve. Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde „cantatrice”, de wereld in verrukking brengend door haar zang, schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. Haar besluit is genomen.„Mijnheer Duvernier,” zegt ze vastberaden, „ikzie, dat u ’t goede met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan.”
XI.Nieuw leven.
De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn weg over het ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De zon is juist ondergegaan. Nog is het gansche oosten van den hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, en daarmee de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het flikkerende weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld van het licht, dat nooit sterft, van de ziel, die niet vergaat; ook als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger van fonkelende sterren zijn zachten glans verspreiden, en in ’t zog der stoomboot zullen millioenen infusiediertjes[203]een breede lichtstreep achter het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, geen dood of vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede, is allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede golven, dampend als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren.Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij de verschansing. De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele toeft luierend op een „dekstoel”, onverschillig en machinaal rookend, vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der jonge vrouw is naar ’t oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen is. Rustig als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens somber als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven, is thans tot rijpheid gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu ze weet, dat het onherroepelijk is. Evenals die zon na een kort leven is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij in den vollen bloei harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die zon, en opstaan[204]tot een nieuwe loopbaan? Ze weet ’t niet en bekommert er zich niet om. Ook al is er een leven na dit, het zal dan toch zekeranderszijn. ’t Eenige wat ze weet, isdat dit leven ondragelijk voor haar gewordenis,en verandering noodzakelijk verbetering moet wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele passagier zich aan ’t dek vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar bespieden kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing, zich in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven als die schitterende schuimvlokken, die zij in ’t zog der boot, zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat lichaam, dat reeds zooveel ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de zilten vlakte, zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid, totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door ’t een of ander zeemonster.… Clara—de peinzende in dat avonduur—rilt even bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: wat is zulk een lot, zelfs al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, jaar in jaar uit, die ze[205]anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als er een Opperwezen bestaat, moet het goed zijn, en kan een liefhebbend vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij haar niet vergeven, dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer te vervullen? Jegens wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks meer weet, dat ze bestaat, voortlevend haar leven van ijdelheid en oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? ’t Onbeteekenende menschje, luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft „een goed huwelijk gedaan”, en dus haar ideaal bereikt. ’t Verlies eener gansch niet zielsverwante zuster zal haar bitter weinig deren. Haar zusje in Holland.… ’t Lieve kind. Ze zal haar Toetie niet vergeten zijn, o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara, ook in de oogen der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich dat lieve kind aantrekken, hoe zou ze ’t willen beschermen tegen dien noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve tot zooveel[206]ellende gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan de gewetenlooze koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig zijn. Maar wat zal zij thans daartegen kunnen doen? Haar slechte naam zal haar vooruitgesneld zijn naar ’t verre Holland en haar opwachten aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster en ijdelen klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder had er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar naam, spraken met de belangstelling van armgeestige leegloopers over „die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw”. Haar moeder zou, schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen, zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een „gevalletje” zou gehad kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag, buiten haar moeders kring, zouden er anders over denken. Haar omgang met de onschuldige Toetie zou voor deze noodlottig kunnen zijn, en als ’t lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, eens de zaak mocht vernemen, hoe zou[207]Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje niet meer terugzien.… Overigens, Mevrouw Victor.… die was dood voor haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. Ze kon gerust heengaan; ’t weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele zal veroorzaken, weegt niet op tegen haar oneindige smart.Weer dwalen Clara’s gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar geleden was zij hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den eersten keer, toen zij dienzelfden oceaan overvoer. Hoe onbezorgd was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. En toch had ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe met diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.… De tweede maal, dat ze deze watervlakte overging, had ze reeds een groot deel levens achter zich, groot, ondanks haar achttien jaren: ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, de smart van ’t scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen harer eerste huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst van ’t leven, dat ze alleen als plichtsbetrachting beschouwde.[208]Hoe kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar nog dierbaar: zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die na te komen, bevredigde haar. Zij had zich vergist. Eindelijk werden haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode werd gevolgd door een heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping had te vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze doorleeft die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het akelig verwrongen gelaat van den man, die voor haar gevallen was, en dan als een ledige plek in haar leven, de weken van zinnelooze smart, waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst van haar zuster uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in haar huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis, haar overhaast vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als een kind, dat met zich sollen laat.… haar aankomst aan boord. O, alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, waaruit ze sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst[209]als een woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg ziet, als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar voeten bedekte; dan het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat haar blik gleed over die reuzenplas, schijnt haar heenreis een feit in ’t grauw verleden, en toch ligt er nog geen half jaar tusschen nu en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er was hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl thans haar leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar lang, alleen nu en dan doorflikkerd door de spookachtige stralen van ’t noorderlicht, dra weer wegzinkend, als de zoete herinneringen, die nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. Na dien nacht, hoe lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander leven op zou gaan, na den dood.Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een welbekende melodie. Beneden in de long-room wordt piano[210]gespeeld. Hoe heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! ’t Is een phantasie op een thema, dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara’s oogen. Smachtend teeder vleien de tonen. Ze herinnert zich de woorden:Par pitié, beau nuage, sur les ailes du ventPorte-moi sur la plage, que je pleure souvent!Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar zieltje evenzoo gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld had als een eenzame banneling. Thans ook smacht ze, maar naar den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij snakt? De muziek houdt aan. Blijkbaar is ’t een meesterhand, die de toetsen doet leven. Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen tonenovervloed, nu eens juichend en jubelend in oplevende hoop, dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk in bittere klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling op te houden. Clara’s liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan zien, wie die sympathieke musicus is. Waarom zou ze[211]niet? Ze mag op de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen van haar wangen, en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze, omringd door eenige dames en heeren, een man van middelbaren leeftijd aan ’t klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen muziekboek. Een der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel, vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op ’t punt, aan ’t verzoek te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden reeds kennis gemaakt; maar dit is de eerste keer, dat zij zijn talent opmerkt. ’t Is een klein mannetje met schitterende, donkere oogen en lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij een paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men hield hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier reisde, een echten „globe-trotter.” Opeens openbaart hij zich als een groot kunstenaar, die slechts reist om nieuwe indrukken op te doen.[212]Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in ’t bijzonder, zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge weduwe van den beginne af in stille bewondering gadegeslagen. In zijn scheppend brein heeft de droeve uitdrukking van dat innemende gelaat hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds dagen droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen, vraagt hij haar hoffelijk:„Doet u ook aan muziek, Mevrouw?”Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en ook een beetje zingt.„U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u begeleiden. ’t Zaleengenot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten.”De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een lied ten beste te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet van zich te laten bidden. ’t Eerste lied, dat zich als onwillekeurig aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten kent, is het bekende:[213]Von meinen grossen SchmerzenMach’ ich die kleinen Lieder.…een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze ’t voor. Duvernier begeleidt haar uit ’t hoofd. Alles is stil, doodstil, als de laatste toon wegsterft. Plotseling springt de pianist op, en roept opgewonden, met stralende oogen:„Mais Madame, c’est unique! Vous avez des millions dans le gosier!”Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren haar aan, en er barst een daverend handgeklap los.Duvernier wil haar nog eens hooren.„En Français, cette fois en Français!” roepen een paar dames. De Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch lied zou men meer kunnen genieten.Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed vergeten. Haar liederenrepertorium, vooral in ’t Fransch, was echter gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze kon vestigen op de „Sérénade van Gounod.” Ze verontschuldigde zich, dat ze met zoo’n[214]„oudje” voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier riep dadelijk:„La melodie, Madame, c’est peu de chose. C’est l’expression, la voix, l’interprétation enfin.Chantez toujours!”Clara begon. ’t Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en daar een foutje in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet minder om.„Dat is nu heel wat anders,” zeide hij toen Clara ophield, „iets vroolijkers dan zooeven. Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U heeft de stemming van beiden, ’t diep droevige van ’t eerste lied en ’t blijmoedige van ’t laatste zeer goed weergegeven, Mevrouw.”Ook de luisterenden waren onder den indruk: „C’est exquis et d’une expression.…” mompelde men verrukt.Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij, ondanks chauvinistische opvattingen, goed thuis was in de Duitsche muziek, droeg hij Schumann’s Carnaval voor. ’t Was schitterend en overweldigend schoon.[215]„Cesmaîtresallemands, Madame,” zeide hij, toen allen hun bewondering te kennen gaven, Clara niet ’t minst, „l’unique chose que j’y trouve à redire, c’est qu’ils ne sont pas Français!”Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende, stelde hij haar voor, nog een poosje op ’t dek de frissche lucht te gaan genieten. Clara stemde gewillig toe: het genie van dat zonderlinge mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven gekomen, zette men zich naast elkaar.„Mevrouw,” begint hij, „’t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u van dat prachtige orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd is: u moet zangeres worden.”’t Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen, vraagt ze:„Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?”„Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er misschien maar eens éen in de honderd jaar in de gansche wereld.”’t Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze[216]een goede stem had, maar zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! Zij, die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het woelige leven eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust verlangd had, als een versmachtende naar een teug waters! En toch was er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. Ze zocht vergetelheid, ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet kunnen bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging voort, en ze luisterde met gretige ooren.„Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les gehad, dat heb ik kunnen merken, maar ’t is niet genoeg. Dat is niets, niets. Laat dat aan mij over; in twee jaar is u daar overheen, en dan zal u schitteren als een eerste ster, als een weergalooze „diva”!”„Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?” vraagt Clara geheel aandacht.„Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de nachtegaal niet weer loslaten, voordat haar eerste optreden voor de[217]wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal weerklinken.”Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een paar jaar te leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan als herboren weer vóor de wereld te verschijnen, onder een anderen naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, die verlokking is haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer leven. Dat gebied, de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid vinden, en wellicht vrede met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig.„O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van,” roept ze hartstochtelijk zijn hand grijpende, „uw voorstel is te verlokkend schoon!”Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om, en ziet verwonderd den onverwachten indruk, dien zijn woorden op zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. Ze doet hem denken aan een Magdalena op ’t[218]doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt hij: „Maar Mevrouw, làat u verlokken! Er is geen kwaad bij. Ik bied u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken.”„Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken,” herhaalt Clara bij zichzelve. Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde „cantatrice”, de wereld in verrukking brengend door haar zang, schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. Haar besluit is genomen.„Mijnheer Duvernier,” zegt ze vastberaden, „ikzie, dat u ’t goede met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan.”
De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn weg over het ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De zon is juist ondergegaan. Nog is het gansche oosten van den hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, en daarmee de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het flikkerende weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld van het licht, dat nooit sterft, van de ziel, die niet vergaat; ook als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger van fonkelende sterren zijn zachten glans verspreiden, en in ’t zog der stoomboot zullen millioenen infusiediertjes[203]een breede lichtstreep achter het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, geen dood of vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede, is allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede golven, dampend als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren.
Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij de verschansing. De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele toeft luierend op een „dekstoel”, onverschillig en machinaal rookend, vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der jonge vrouw is naar ’t oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen is. Rustig als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens somber als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven, is thans tot rijpheid gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu ze weet, dat het onherroepelijk is. Evenals die zon na een kort leven is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij in den vollen bloei harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die zon, en opstaan[204]tot een nieuwe loopbaan? Ze weet ’t niet en bekommert er zich niet om. Ook al is er een leven na dit, het zal dan toch zekeranderszijn. ’t Eenige wat ze weet, isdat dit leven ondragelijk voor haar gewordenis,en verandering noodzakelijk verbetering moet wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele passagier zich aan ’t dek vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar bespieden kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing, zich in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven als die schitterende schuimvlokken, die zij in ’t zog der boot, zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat lichaam, dat reeds zooveel ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de zilten vlakte, zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid, totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door ’t een of ander zeemonster.… Clara—de peinzende in dat avonduur—rilt even bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: wat is zulk een lot, zelfs al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, jaar in jaar uit, die ze[205]anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als er een Opperwezen bestaat, moet het goed zijn, en kan een liefhebbend vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij haar niet vergeven, dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer te vervullen? Jegens wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks meer weet, dat ze bestaat, voortlevend haar leven van ijdelheid en oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? ’t Onbeteekenende menschje, luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft „een goed huwelijk gedaan”, en dus haar ideaal bereikt. ’t Verlies eener gansch niet zielsverwante zuster zal haar bitter weinig deren. Haar zusje in Holland.… ’t Lieve kind. Ze zal haar Toetie niet vergeten zijn, o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara, ook in de oogen der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich dat lieve kind aantrekken, hoe zou ze ’t willen beschermen tegen dien noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve tot zooveel[206]ellende gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan de gewetenlooze koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig zijn. Maar wat zal zij thans daartegen kunnen doen? Haar slechte naam zal haar vooruitgesneld zijn naar ’t verre Holland en haar opwachten aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster en ijdelen klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder had er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar naam, spraken met de belangstelling van armgeestige leegloopers over „die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw”. Haar moeder zou, schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen, zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een „gevalletje” zou gehad kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag, buiten haar moeders kring, zouden er anders over denken. Haar omgang met de onschuldige Toetie zou voor deze noodlottig kunnen zijn, en als ’t lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, eens de zaak mocht vernemen, hoe zou[207]Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje niet meer terugzien.… Overigens, Mevrouw Victor.… die was dood voor haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. Ze kon gerust heengaan; ’t weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele zal veroorzaken, weegt niet op tegen haar oneindige smart.
Weer dwalen Clara’s gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar geleden was zij hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den eersten keer, toen zij dienzelfden oceaan overvoer. Hoe onbezorgd was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. En toch had ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe met diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.… De tweede maal, dat ze deze watervlakte overging, had ze reeds een groot deel levens achter zich, groot, ondanks haar achttien jaren: ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, de smart van ’t scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen harer eerste huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst van ’t leven, dat ze alleen als plichtsbetrachting beschouwde.[208]Hoe kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar nog dierbaar: zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die na te komen, bevredigde haar. Zij had zich vergist. Eindelijk werden haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode werd gevolgd door een heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping had te vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze doorleeft die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het akelig verwrongen gelaat van den man, die voor haar gevallen was, en dan als een ledige plek in haar leven, de weken van zinnelooze smart, waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst van haar zuster uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in haar huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis, haar overhaast vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als een kind, dat met zich sollen laat.… haar aankomst aan boord. O, alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, waaruit ze sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst[209]als een woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg ziet, als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar voeten bedekte; dan het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat haar blik gleed over die reuzenplas, schijnt haar heenreis een feit in ’t grauw verleden, en toch ligt er nog geen half jaar tusschen nu en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er was hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl thans haar leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar lang, alleen nu en dan doorflikkerd door de spookachtige stralen van ’t noorderlicht, dra weer wegzinkend, als de zoete herinneringen, die nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. Na dien nacht, hoe lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander leven op zou gaan, na den dood.
Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een welbekende melodie. Beneden in de long-room wordt piano[210]gespeeld. Hoe heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! ’t Is een phantasie op een thema, dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara’s oogen. Smachtend teeder vleien de tonen. Ze herinnert zich de woorden:
Par pitié, beau nuage, sur les ailes du ventPorte-moi sur la plage, que je pleure souvent!
Par pitié, beau nuage, sur les ailes du vent
Porte-moi sur la plage, que je pleure souvent!
Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar zieltje evenzoo gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld had als een eenzame banneling. Thans ook smacht ze, maar naar den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij snakt? De muziek houdt aan. Blijkbaar is ’t een meesterhand, die de toetsen doet leven. Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen tonenovervloed, nu eens juichend en jubelend in oplevende hoop, dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk in bittere klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling op te houden. Clara’s liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan zien, wie die sympathieke musicus is. Waarom zou ze[211]niet? Ze mag op de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen van haar wangen, en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze, omringd door eenige dames en heeren, een man van middelbaren leeftijd aan ’t klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen muziekboek. Een der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel, vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op ’t punt, aan ’t verzoek te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden reeds kennis gemaakt; maar dit is de eerste keer, dat zij zijn talent opmerkt. ’t Is een klein mannetje met schitterende, donkere oogen en lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij een paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men hield hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier reisde, een echten „globe-trotter.” Opeens openbaart hij zich als een groot kunstenaar, die slechts reist om nieuwe indrukken op te doen.[212]
Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in ’t bijzonder, zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge weduwe van den beginne af in stille bewondering gadegeslagen. In zijn scheppend brein heeft de droeve uitdrukking van dat innemende gelaat hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds dagen droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen, vraagt hij haar hoffelijk:
„Doet u ook aan muziek, Mevrouw?”
Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en ook een beetje zingt.
„U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u begeleiden. ’t Zaleengenot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten.”
De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een lied ten beste te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet van zich te laten bidden. ’t Eerste lied, dat zich als onwillekeurig aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten kent, is het bekende:[213]
Von meinen grossen SchmerzenMach’ ich die kleinen Lieder.…
Von meinen grossen Schmerzen
Mach’ ich die kleinen Lieder.…
een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze ’t voor. Duvernier begeleidt haar uit ’t hoofd. Alles is stil, doodstil, als de laatste toon wegsterft. Plotseling springt de pianist op, en roept opgewonden, met stralende oogen:
„Mais Madame, c’est unique! Vous avez des millions dans le gosier!”
Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren haar aan, en er barst een daverend handgeklap los.
Duvernier wil haar nog eens hooren.
„En Français, cette fois en Français!” roepen een paar dames. De Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch lied zou men meer kunnen genieten.
Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed vergeten. Haar liederenrepertorium, vooral in ’t Fransch, was echter gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze kon vestigen op de „Sérénade van Gounod.” Ze verontschuldigde zich, dat ze met zoo’n[214]„oudje” voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier riep dadelijk:
„La melodie, Madame, c’est peu de chose. C’est l’expression, la voix, l’interprétation enfin.Chantez toujours!”
Clara begon. ’t Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en daar een foutje in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet minder om.
„Dat is nu heel wat anders,” zeide hij toen Clara ophield, „iets vroolijkers dan zooeven. Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U heeft de stemming van beiden, ’t diep droevige van ’t eerste lied en ’t blijmoedige van ’t laatste zeer goed weergegeven, Mevrouw.”
Ook de luisterenden waren onder den indruk: „C’est exquis et d’une expression.…” mompelde men verrukt.
Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij, ondanks chauvinistische opvattingen, goed thuis was in de Duitsche muziek, droeg hij Schumann’s Carnaval voor. ’t Was schitterend en overweldigend schoon.[215]
„Cesmaîtresallemands, Madame,” zeide hij, toen allen hun bewondering te kennen gaven, Clara niet ’t minst, „l’unique chose que j’y trouve à redire, c’est qu’ils ne sont pas Français!”
Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende, stelde hij haar voor, nog een poosje op ’t dek de frissche lucht te gaan genieten. Clara stemde gewillig toe: het genie van dat zonderlinge mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven gekomen, zette men zich naast elkaar.
„Mevrouw,” begint hij, „’t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u van dat prachtige orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd is: u moet zangeres worden.”
’t Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen, vraagt ze:
„Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?”
„Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er misschien maar eens éen in de honderd jaar in de gansche wereld.”
’t Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze[216]een goede stem had, maar zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! Zij, die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het woelige leven eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust verlangd had, als een versmachtende naar een teug waters! En toch was er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. Ze zocht vergetelheid, ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet kunnen bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging voort, en ze luisterde met gretige ooren.
„Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les gehad, dat heb ik kunnen merken, maar ’t is niet genoeg. Dat is niets, niets. Laat dat aan mij over; in twee jaar is u daar overheen, en dan zal u schitteren als een eerste ster, als een weergalooze „diva”!”
„Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?” vraagt Clara geheel aandacht.
„Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de nachtegaal niet weer loslaten, voordat haar eerste optreden voor de[217]wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal weerklinken.”
Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een paar jaar te leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan als herboren weer vóor de wereld te verschijnen, onder een anderen naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, die verlokking is haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer leven. Dat gebied, de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid vinden, en wellicht vrede met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig.
„O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van,” roept ze hartstochtelijk zijn hand grijpende, „uw voorstel is te verlokkend schoon!”
Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om, en ziet verwonderd den onverwachten indruk, dien zijn woorden op zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. Ze doet hem denken aan een Magdalena op ’t[218]doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt hij: „Maar Mevrouw, làat u verlokken! Er is geen kwaad bij. Ik bied u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken.”
„Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken,” herhaalt Clara bij zichzelve. Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde „cantatrice”, de wereld in verrukking brengend door haar zang, schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. Haar besluit is genomen.
„Mijnheer Duvernier,” zegt ze vastberaden, „ikzie, dat u ’t goede met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan.”