XII.

[Inhoud]XII.Diva.Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote Theater „della Scala” te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is in schrille tegenstelling met het gewoel[219]vóor het reeds schitterend verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. Een klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het rijtuig ophoudt. Men fluistert elkaar toe en wijst naar ’t portier, dat zich snel opent. „De diva! Tizia Beatincanti!” klinkt op bedekten toon links en rechts. De uitstappende jonge vrouw is inderdaad de beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld is bij haar intrede in ’t land der kunst. Ze zal dien avond zich voor ’t eerst te Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar ’t Zuiden voort te zetten. Een triomftocht was ’t. Nog zelden had een zangeres zoo opeens de harten van ’t kunstlievende Europa gewonnen, ja stormenderhand genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw drie maanden te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste voorstelling lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke, fijngevoelige en grillige Parijs aan haar voeten. Er was éen juichkreet in alle dagbladen, éen „ave victrix” onder ’t publiek, op alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat[220]die bewonderingkoorts uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, waar men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten schier ’t ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts passeerende, was zij over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken, waar men haar weken te voren reeds met klimmend ongeduld verbeid had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling als ’t klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen—’t stond uitvoerig in de bladen—was wonderweinig: ze kwam van Parijs, was een leerlinge van den grooten meester Félix Duvernier en had slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; voor ’t overige liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten volle instond. De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was, door een tegengewerkte liefde op ’t punt gestaan had den sluier aan te nemen, maar op ’t laatste oogenblik door Duvernier was weerhouden, die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen,[221]haar eenig talent ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door Duvernier op zijn reis naar ’t Oosten uit den harem van een vorst op Java heimelijk was weggevoerd, om haar te onttrekken aan de wraak van een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur met een Hollandsch officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze was rein als ’t morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een Italiaansch edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en door haar vader aan de zorgen van Duvernier toevertrouwd, nadat hij gelukkig genoeg was geweest haar groot talent te ontdekken, en zóo gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. Tizia Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon met een waas van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid, zoo mogelijk, verdubbelde. En dan haar schoonheid! Ristori was knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, maar Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid,[222]uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een optreden vóor ’t publiek, of een siddering van heerlijke verrassing liep door de rangen, en een donderend welkomstapplaus begroette haar na een paar seconden van stomme bewondering. Dan, als die kleine mond zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, was alles stil in eerbiedige aandacht.…Op dien avond, den drie en twintigstigen November van ’t jaar achttienhonderd en zeven tachtig, is de gevierde sinds eenige uren te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel noodig na de vermoeiende reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering uit haar coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen kraag gehuld, eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even aan de nieuwsgierigen daar aan de deur, en treedt, na een vluchtig woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug als een elf snelt ze, met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang door, nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur binnen[223]te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt ze achteloos den kostbaren mantel op een sofa, treedt voor de psyché, glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk beeld harer gestalte, en zet zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel.Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer: men heeft haar overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden, ’t goud bij bergen voor haar voeten geworpen. Ze heeft slechts éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst der heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft immers voor haar roeping, niets bindt haar meer aan ’t verleden, en de herinnering daaraan is nog wel droef, maar laat haar zielsrust immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het is zoo, ’t kan niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van schoonheid op ’t punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee uur van geluk te verschaffen, nog lang nawerkend in hun gemoed. „Kom, dwaasheid,”[224]mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje, dat ze meegebracht heeft. Zacht neuriënd doorloopt ze een paar stukken. Ze kan ze bijna droomen, want ’t is de tiende maal zeker, dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door, en de weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt ’t, ze zal straks kunnen optreden met de plechtige, goddelijk blijmoedige kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze het doffe gedruisch der instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal vullen. Nog twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek, bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar reistaschje. ’t Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen meester Sanzio Castellamore, den fijngevoeligen, teederen hartekenner, met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als Clara Van Merenstein had ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier echter heeft haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke spraken, en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken der Italiaansche dichters evenzeer[225]als zij reeds zoo lang haar hart ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte gedichten van Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in uitgedrukt wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had Duvernier het op muziek gezet. ’t Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te Parijs en Londen vormde dat lied telkens het glanspunt van den avond. ’t Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar, zal ze ook thans eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in ’t land van den dichter, waar de menschen diens taal spreken, en belooft zij zich dus een succes, dat minstens even groot zal wezen als ginds.Er wordt aan haar deur zacht getikt. „Entrez!” roept de diva, het boekje met haast naast zich neerwerpend. ’t Is de impressario, die haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden, om vóor ’t voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een blik in den spiegel, en met vluggen tred volgt ze hem naar ’t tooneel.[226]Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds sinds een half uur. Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht iets eenigs.’t Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar waardigen gang een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit kleed, zich voor ’t voetlicht vertoont. Slechts een „Ah!” suist als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils achter ’t orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt gericht, alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken dier weergalooze schoonheid tot zich te brengen en met de oogen te drinken. Daarop een hartstochtelijk „Evviva la diva!” uit duizend kelen, dan—als de muziek wil invallen—weer ademlooze stilte. De jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm gebleven: ze kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet meer. Die bijval gold haar schoonheid alleen: reden te meer, om er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt even. Met sereenen blik overziet ze die[227]schier eindelooze rijen van dorstigen, die ze straks laven zal, van klein en groot, machtig en gering, die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee, van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar ’t gebod harer souvereine kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die gemoederen kneden als was.Het orkest—een keurbende—zet in. Vleiend klagen de violen. Twee, drie, tien maten. Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat geluid, dat daar opruischt als een gebed uit engelenmond? De tonen weven zich in ’t decrescendo der violen, zwellen aan, en weldra vervult hun toovergalm de gansche zaal. ’t Is of de instrumenten schuchter fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als ’t zacht gemurmel van een beek bij ’t nachtegaalkweelen …Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds heeft men een wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo gezongen, neen zoo geschapen, zou Tizia’s roem als kunstenares voor goed gevestigd hebben.[228]Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug, als ze eindelijk na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar haar als dolzinnigen, maar ze blijft weg, en ’t rumoer bedaart allengs, als hier en daar een enkele, die de zangeres uit Parijs gevolgd is, vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets meer geeft dan ’t programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar optreden in Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich, wenscht zij haar krachten te sparen.Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam ’t lied, waar reeds een ieder te voren van gesproken had, ’t wonderlied van kalme gelatenheid na bangen strijd, waarmee zij te Parijs en Londen vooral haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist dat lied al haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve toespeling op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde, bevroedde niet dat de woorden en ook de heerlijke melodie zoo zuiver haar zieletoestand weergaven.[229]’t Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden, als oprijzend uit den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel, gedragen door een tonenspel, daarmee in heerlijke samenstemming:„Io vi saluto, spettri del passato,Vi convocai nel dolce fin’ del dì enz.Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig opgeheven handen, als wachtte zij de scharen van dierbare „schimmen uit ’t verleden”, om ze liefdevol te ontvangen. Haar oogen stralen, haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van hemelsche gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn innigheid, waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een flauw denkbeeld kan geven. In benaderende vertaling luidt het:„Gegroet, gegroet, gij schimmen van ’t verleden!„Ik riep u op ’t in ’t vredig avonduur,„Gij komt om mij bij ’t ruischen van mijn bede,„Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.[230]„Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare,„En ’t harte kromp bij ’t breken van dien band,„Maar in den storm van ’t leed bedwong de baren„Der levenszee een wondre feeënhand.„En ’t leed is heen, mijn hart is vrij van smarten„Muziek vervult de leegte van ’t gemoed,„Herinnering zal nimmermeer mij tarten,„Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet.”Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied, behoorde ook een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der loges tegenover het tooneel. Zijn gebruind gelaat, met den donkeren vollen baard, en ’t eenigszins ongewone in den snit zijner kleederen, deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre gewesten in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig winderig en blufferig „rastaquouère”-type. Integendeel had hij iets ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. Inderdaad had hij pas eenige dagen weer Europa’s[231]bodem onder zijn voeten gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven, om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn aankomst in Italië in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van Zuid-Afrika, en had door bijzondere omstandigheden de reis oostwaarts om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat hij ook Italië op zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door de werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van dien avond was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het machtige der andere. Hij had namelijk, kort nadat hij zijn blik op de wonderverschijning gevestigd had, iets in haar gelaat meenen op te merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold ook, had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij hem wakker riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op, dat hij zich vergiste, dat hier louter toeval in ’t spel was: hoe toch ware het mogelijk, dat dat gelaat en die stem ooit vroeger binnen zijn waarneming[232]hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste, waar en wanneer had hij dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en aan wie behoorden ze? Een poos, tot na de pauze zelfs, vroeg de jonge man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend antwoord te kunnen vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.… of wellicht vroeger, in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer was hij in de duisternis. Daar klinken de eerste tonen van Tizia’s lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend naar de liefelijke gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets gekomen, dat haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den geest van den vreemdeling gezweefd heeft. Geen twijfel meer! ’t Is Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! mompelt hij halfluid. Zijn buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich heen vergeten: die toovenares met tonen was voor hem de[233]oude geliefde, het eenvoudige jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier onverklaarbaar verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij, ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij had haar nooit vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk een gedaanteverwisseling terug te zien! Ze was veranderd bovendien, veel schooner geworden, en hij wist niet beter, of de Clara, die hij verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland iets gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld, het schandaal, waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had haar in zijn hart diep beklaagd. Geen verwijt was in zijn edele ziel tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds ’t slachtoffer geweest van de intriges harer moeder, van af ’t oogenblik, dat zij door haar tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God, dat ze thans dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met de scherpzinnigheid der liefde bevroedde hij dra, wat haar tot zulk een stap moest[234]gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van ’t verleden en de wereld, waarin zij tot dusver geleefd had, en zielsrust te vinden in een edele roeping. Hij kende haar liefde voor de muziek, en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde hij zeer, of die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als liefhebbende gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn oude genegenheid, nooit gestorven in die jaren van scheiding, herleefde met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met hem kunnen vinden? Waarin ze ook mocht gefeild hebben—die lieve innemende persoonlijkheid kòn waarlijk niets slechts op haar geweten hebben—hij telde het niet. Ze had hem vroeger op raadselachtige manier plotseling niet meer willen kennen. Er moest een misverstand geweest zijn, daar was hij zeker van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te helderen. Maar zou zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen deelen met het zijne, alles verzaken wat[235]haar nu omgaf: roem, eer, een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, ’t was niets bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te worden, ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door hem aanbood.… O, hoe hoopte hij dat; maar hij twijfelde nog. Als hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals hij haar jaren geleden gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren levens zijn zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van ’t ware spoor gedreven! Aan dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk.Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn eigen gedachten vervuld, om op den zang te letten. Wel zag en hoorde hij, maar ’t was Clara; de diva was vergeten, bestond niet meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te krijgen. Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht, besloot hij eens een poging te doen, om de zangeres in haar loge te ontmoeten.[236]Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in, wel kort, maar toch voldoende, om hem de gelegenheid te verschaffen, een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem opgeven, waar ze logeerde, dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige moeite vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de deur. Met kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn verblijf in Zuid-Afrika er lang niet beter op geworden was, beduidde hij de vrouw, dat hij gaarne de diva even spreken wilde. Na eenig misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee de vrouw binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede, dat „Madame” niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder aandringen dorst hij niet. Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook vergist hebben?… Een oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! Ze zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor een gesprek, en vreesde opgehouden te zullen worden. „Niet[237]een enkel oogenblik?” vroeg Willem Victor, aarzelend. „Neen, voor niemand. Ze heeft ’t uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens stoorde.” „Waar logeert Mevrouw dan?” De oude vrouw schudt het hoofd: „Sais pas, sais pas!” mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil, om verder te spreken. De ander ziet van verder pogen hier af. ’t Eenige wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, een rijtuig te nemen, en ’t hare te volgen.Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende in de koffiekamer van ’t theater op en neer. Dan, als hij duidelijk bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen is, gaat hij haastig naar buiten, en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor de artisten is. Daar, naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, met uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen, zoodra deze het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol zenuwachtigheid voorbij. Daar houdt een rijtuig stil vóor bewusten ingang, weinige minuten later stapt een elegante,[238]warm ingepakte gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De rit duurt niet lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne laat hij nog een korte poos doorgaan, om de aandacht niet te trekken, dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt den koetsier naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. „Non so,” herhaalt de koetsier op Victor’s ongeduldige vraag. Hij weet ’t, maar heeft geen zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier onwillig. Victor betaalt, en loopt terug naar ’t hotel. O, hij kan den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de groote lantaarn boven den ingang. „Ziezoo!” zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft, roept hij: „Ezel, die ik ben: „Albergo Centrale” is ’t zelfde als „Hotel Central”!” Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar op den voormuur. „Ze logeert dus in ’t zelfde hotel als ik! Had ik maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft heerlijk.”In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat[239]zijn rijtuig zooeven denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van ’t hotel naar den schouwburg ging. Hij was kort vóor ’t avondeten verschenen, en de diva was niet aan tafel geweest.Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker, bracht een nacht door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren niet beleefd had.Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten, zwaren slaap, waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde hij zich haastig aan, ging naar beneden, en klampte dadelijk den reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, die in ’t hotel portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres.„Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht.”„Ja, bitte, sagenSiemir die Nummer ihrer Gemächer.”„Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist.”„Wohin?”„Unbekannt.”[240]

[Inhoud]XII.Diva.Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote Theater „della Scala” te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is in schrille tegenstelling met het gewoel[219]vóor het reeds schitterend verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. Een klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het rijtuig ophoudt. Men fluistert elkaar toe en wijst naar ’t portier, dat zich snel opent. „De diva! Tizia Beatincanti!” klinkt op bedekten toon links en rechts. De uitstappende jonge vrouw is inderdaad de beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld is bij haar intrede in ’t land der kunst. Ze zal dien avond zich voor ’t eerst te Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar ’t Zuiden voort te zetten. Een triomftocht was ’t. Nog zelden had een zangeres zoo opeens de harten van ’t kunstlievende Europa gewonnen, ja stormenderhand genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw drie maanden te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste voorstelling lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke, fijngevoelige en grillige Parijs aan haar voeten. Er was éen juichkreet in alle dagbladen, éen „ave victrix” onder ’t publiek, op alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat[220]die bewonderingkoorts uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, waar men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten schier ’t ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts passeerende, was zij over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken, waar men haar weken te voren reeds met klimmend ongeduld verbeid had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling als ’t klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen—’t stond uitvoerig in de bladen—was wonderweinig: ze kwam van Parijs, was een leerlinge van den grooten meester Félix Duvernier en had slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; voor ’t overige liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten volle instond. De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was, door een tegengewerkte liefde op ’t punt gestaan had den sluier aan te nemen, maar op ’t laatste oogenblik door Duvernier was weerhouden, die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen,[221]haar eenig talent ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door Duvernier op zijn reis naar ’t Oosten uit den harem van een vorst op Java heimelijk was weggevoerd, om haar te onttrekken aan de wraak van een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur met een Hollandsch officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze was rein als ’t morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een Italiaansch edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en door haar vader aan de zorgen van Duvernier toevertrouwd, nadat hij gelukkig genoeg was geweest haar groot talent te ontdekken, en zóo gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. Tizia Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon met een waas van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid, zoo mogelijk, verdubbelde. En dan haar schoonheid! Ristori was knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, maar Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid,[222]uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een optreden vóor ’t publiek, of een siddering van heerlijke verrassing liep door de rangen, en een donderend welkomstapplaus begroette haar na een paar seconden van stomme bewondering. Dan, als die kleine mond zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, was alles stil in eerbiedige aandacht.…Op dien avond, den drie en twintigstigen November van ’t jaar achttienhonderd en zeven tachtig, is de gevierde sinds eenige uren te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel noodig na de vermoeiende reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering uit haar coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen kraag gehuld, eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even aan de nieuwsgierigen daar aan de deur, en treedt, na een vluchtig woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug als een elf snelt ze, met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang door, nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur binnen[223]te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt ze achteloos den kostbaren mantel op een sofa, treedt voor de psyché, glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk beeld harer gestalte, en zet zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel.Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer: men heeft haar overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden, ’t goud bij bergen voor haar voeten geworpen. Ze heeft slechts éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst der heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft immers voor haar roeping, niets bindt haar meer aan ’t verleden, en de herinnering daaraan is nog wel droef, maar laat haar zielsrust immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het is zoo, ’t kan niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van schoonheid op ’t punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee uur van geluk te verschaffen, nog lang nawerkend in hun gemoed. „Kom, dwaasheid,”[224]mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje, dat ze meegebracht heeft. Zacht neuriënd doorloopt ze een paar stukken. Ze kan ze bijna droomen, want ’t is de tiende maal zeker, dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door, en de weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt ’t, ze zal straks kunnen optreden met de plechtige, goddelijk blijmoedige kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze het doffe gedruisch der instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal vullen. Nog twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek, bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar reistaschje. ’t Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen meester Sanzio Castellamore, den fijngevoeligen, teederen hartekenner, met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als Clara Van Merenstein had ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier echter heeft haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke spraken, en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken der Italiaansche dichters evenzeer[225]als zij reeds zoo lang haar hart ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte gedichten van Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in uitgedrukt wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had Duvernier het op muziek gezet. ’t Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te Parijs en Londen vormde dat lied telkens het glanspunt van den avond. ’t Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar, zal ze ook thans eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in ’t land van den dichter, waar de menschen diens taal spreken, en belooft zij zich dus een succes, dat minstens even groot zal wezen als ginds.Er wordt aan haar deur zacht getikt. „Entrez!” roept de diva, het boekje met haast naast zich neerwerpend. ’t Is de impressario, die haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden, om vóor ’t voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een blik in den spiegel, en met vluggen tred volgt ze hem naar ’t tooneel.[226]Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds sinds een half uur. Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht iets eenigs.’t Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar waardigen gang een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit kleed, zich voor ’t voetlicht vertoont. Slechts een „Ah!” suist als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils achter ’t orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt gericht, alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken dier weergalooze schoonheid tot zich te brengen en met de oogen te drinken. Daarop een hartstochtelijk „Evviva la diva!” uit duizend kelen, dan—als de muziek wil invallen—weer ademlooze stilte. De jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm gebleven: ze kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet meer. Die bijval gold haar schoonheid alleen: reden te meer, om er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt even. Met sereenen blik overziet ze die[227]schier eindelooze rijen van dorstigen, die ze straks laven zal, van klein en groot, machtig en gering, die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee, van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar ’t gebod harer souvereine kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die gemoederen kneden als was.Het orkest—een keurbende—zet in. Vleiend klagen de violen. Twee, drie, tien maten. Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat geluid, dat daar opruischt als een gebed uit engelenmond? De tonen weven zich in ’t decrescendo der violen, zwellen aan, en weldra vervult hun toovergalm de gansche zaal. ’t Is of de instrumenten schuchter fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als ’t zacht gemurmel van een beek bij ’t nachtegaalkweelen …Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds heeft men een wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo gezongen, neen zoo geschapen, zou Tizia’s roem als kunstenares voor goed gevestigd hebben.[228]Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug, als ze eindelijk na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar haar als dolzinnigen, maar ze blijft weg, en ’t rumoer bedaart allengs, als hier en daar een enkele, die de zangeres uit Parijs gevolgd is, vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets meer geeft dan ’t programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar optreden in Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich, wenscht zij haar krachten te sparen.Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam ’t lied, waar reeds een ieder te voren van gesproken had, ’t wonderlied van kalme gelatenheid na bangen strijd, waarmee zij te Parijs en Londen vooral haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist dat lied al haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve toespeling op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde, bevroedde niet dat de woorden en ook de heerlijke melodie zoo zuiver haar zieletoestand weergaven.[229]’t Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden, als oprijzend uit den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel, gedragen door een tonenspel, daarmee in heerlijke samenstemming:„Io vi saluto, spettri del passato,Vi convocai nel dolce fin’ del dì enz.Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig opgeheven handen, als wachtte zij de scharen van dierbare „schimmen uit ’t verleden”, om ze liefdevol te ontvangen. Haar oogen stralen, haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van hemelsche gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn innigheid, waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een flauw denkbeeld kan geven. In benaderende vertaling luidt het:„Gegroet, gegroet, gij schimmen van ’t verleden!„Ik riep u op ’t in ’t vredig avonduur,„Gij komt om mij bij ’t ruischen van mijn bede,„Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.[230]„Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare,„En ’t harte kromp bij ’t breken van dien band,„Maar in den storm van ’t leed bedwong de baren„Der levenszee een wondre feeënhand.„En ’t leed is heen, mijn hart is vrij van smarten„Muziek vervult de leegte van ’t gemoed,„Herinnering zal nimmermeer mij tarten,„Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet.”Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied, behoorde ook een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der loges tegenover het tooneel. Zijn gebruind gelaat, met den donkeren vollen baard, en ’t eenigszins ongewone in den snit zijner kleederen, deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre gewesten in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig winderig en blufferig „rastaquouère”-type. Integendeel had hij iets ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. Inderdaad had hij pas eenige dagen weer Europa’s[231]bodem onder zijn voeten gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven, om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn aankomst in Italië in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van Zuid-Afrika, en had door bijzondere omstandigheden de reis oostwaarts om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat hij ook Italië op zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door de werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van dien avond was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het machtige der andere. Hij had namelijk, kort nadat hij zijn blik op de wonderverschijning gevestigd had, iets in haar gelaat meenen op te merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold ook, had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij hem wakker riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op, dat hij zich vergiste, dat hier louter toeval in ’t spel was: hoe toch ware het mogelijk, dat dat gelaat en die stem ooit vroeger binnen zijn waarneming[232]hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste, waar en wanneer had hij dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en aan wie behoorden ze? Een poos, tot na de pauze zelfs, vroeg de jonge man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend antwoord te kunnen vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.… of wellicht vroeger, in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer was hij in de duisternis. Daar klinken de eerste tonen van Tizia’s lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend naar de liefelijke gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets gekomen, dat haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den geest van den vreemdeling gezweefd heeft. Geen twijfel meer! ’t Is Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! mompelt hij halfluid. Zijn buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich heen vergeten: die toovenares met tonen was voor hem de[233]oude geliefde, het eenvoudige jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier onverklaarbaar verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij, ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij had haar nooit vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk een gedaanteverwisseling terug te zien! Ze was veranderd bovendien, veel schooner geworden, en hij wist niet beter, of de Clara, die hij verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland iets gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld, het schandaal, waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had haar in zijn hart diep beklaagd. Geen verwijt was in zijn edele ziel tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds ’t slachtoffer geweest van de intriges harer moeder, van af ’t oogenblik, dat zij door haar tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God, dat ze thans dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met de scherpzinnigheid der liefde bevroedde hij dra, wat haar tot zulk een stap moest[234]gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van ’t verleden en de wereld, waarin zij tot dusver geleefd had, en zielsrust te vinden in een edele roeping. Hij kende haar liefde voor de muziek, en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde hij zeer, of die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als liefhebbende gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn oude genegenheid, nooit gestorven in die jaren van scheiding, herleefde met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met hem kunnen vinden? Waarin ze ook mocht gefeild hebben—die lieve innemende persoonlijkheid kòn waarlijk niets slechts op haar geweten hebben—hij telde het niet. Ze had hem vroeger op raadselachtige manier plotseling niet meer willen kennen. Er moest een misverstand geweest zijn, daar was hij zeker van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te helderen. Maar zou zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen deelen met het zijne, alles verzaken wat[235]haar nu omgaf: roem, eer, een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, ’t was niets bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te worden, ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door hem aanbood.… O, hoe hoopte hij dat; maar hij twijfelde nog. Als hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals hij haar jaren geleden gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren levens zijn zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van ’t ware spoor gedreven! Aan dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk.Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn eigen gedachten vervuld, om op den zang te letten. Wel zag en hoorde hij, maar ’t was Clara; de diva was vergeten, bestond niet meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te krijgen. Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht, besloot hij eens een poging te doen, om de zangeres in haar loge te ontmoeten.[236]Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in, wel kort, maar toch voldoende, om hem de gelegenheid te verschaffen, een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem opgeven, waar ze logeerde, dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige moeite vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de deur. Met kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn verblijf in Zuid-Afrika er lang niet beter op geworden was, beduidde hij de vrouw, dat hij gaarne de diva even spreken wilde. Na eenig misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee de vrouw binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede, dat „Madame” niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder aandringen dorst hij niet. Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook vergist hebben?… Een oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! Ze zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor een gesprek, en vreesde opgehouden te zullen worden. „Niet[237]een enkel oogenblik?” vroeg Willem Victor, aarzelend. „Neen, voor niemand. Ze heeft ’t uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens stoorde.” „Waar logeert Mevrouw dan?” De oude vrouw schudt het hoofd: „Sais pas, sais pas!” mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil, om verder te spreken. De ander ziet van verder pogen hier af. ’t Eenige wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, een rijtuig te nemen, en ’t hare te volgen.Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende in de koffiekamer van ’t theater op en neer. Dan, als hij duidelijk bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen is, gaat hij haastig naar buiten, en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor de artisten is. Daar, naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, met uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen, zoodra deze het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol zenuwachtigheid voorbij. Daar houdt een rijtuig stil vóor bewusten ingang, weinige minuten later stapt een elegante,[238]warm ingepakte gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De rit duurt niet lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne laat hij nog een korte poos doorgaan, om de aandacht niet te trekken, dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt den koetsier naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. „Non so,” herhaalt de koetsier op Victor’s ongeduldige vraag. Hij weet ’t, maar heeft geen zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier onwillig. Victor betaalt, en loopt terug naar ’t hotel. O, hij kan den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de groote lantaarn boven den ingang. „Ziezoo!” zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft, roept hij: „Ezel, die ik ben: „Albergo Centrale” is ’t zelfde als „Hotel Central”!” Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar op den voormuur. „Ze logeert dus in ’t zelfde hotel als ik! Had ik maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft heerlijk.”In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat[239]zijn rijtuig zooeven denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van ’t hotel naar den schouwburg ging. Hij was kort vóor ’t avondeten verschenen, en de diva was niet aan tafel geweest.Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker, bracht een nacht door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren niet beleefd had.Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten, zwaren slaap, waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde hij zich haastig aan, ging naar beneden, en klampte dadelijk den reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, die in ’t hotel portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres.„Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht.”„Ja, bitte, sagenSiemir die Nummer ihrer Gemächer.”„Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist.”„Wohin?”„Unbekannt.”[240]

XII.Diva.

Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote Theater „della Scala” te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is in schrille tegenstelling met het gewoel[219]vóor het reeds schitterend verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. Een klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het rijtuig ophoudt. Men fluistert elkaar toe en wijst naar ’t portier, dat zich snel opent. „De diva! Tizia Beatincanti!” klinkt op bedekten toon links en rechts. De uitstappende jonge vrouw is inderdaad de beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld is bij haar intrede in ’t land der kunst. Ze zal dien avond zich voor ’t eerst te Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar ’t Zuiden voort te zetten. Een triomftocht was ’t. Nog zelden had een zangeres zoo opeens de harten van ’t kunstlievende Europa gewonnen, ja stormenderhand genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw drie maanden te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste voorstelling lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke, fijngevoelige en grillige Parijs aan haar voeten. Er was éen juichkreet in alle dagbladen, éen „ave victrix” onder ’t publiek, op alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat[220]die bewonderingkoorts uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, waar men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten schier ’t ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts passeerende, was zij over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken, waar men haar weken te voren reeds met klimmend ongeduld verbeid had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling als ’t klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen—’t stond uitvoerig in de bladen—was wonderweinig: ze kwam van Parijs, was een leerlinge van den grooten meester Félix Duvernier en had slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; voor ’t overige liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten volle instond. De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was, door een tegengewerkte liefde op ’t punt gestaan had den sluier aan te nemen, maar op ’t laatste oogenblik door Duvernier was weerhouden, die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen,[221]haar eenig talent ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door Duvernier op zijn reis naar ’t Oosten uit den harem van een vorst op Java heimelijk was weggevoerd, om haar te onttrekken aan de wraak van een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur met een Hollandsch officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze was rein als ’t morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een Italiaansch edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en door haar vader aan de zorgen van Duvernier toevertrouwd, nadat hij gelukkig genoeg was geweest haar groot talent te ontdekken, en zóo gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. Tizia Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon met een waas van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid, zoo mogelijk, verdubbelde. En dan haar schoonheid! Ristori was knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, maar Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid,[222]uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een optreden vóor ’t publiek, of een siddering van heerlijke verrassing liep door de rangen, en een donderend welkomstapplaus begroette haar na een paar seconden van stomme bewondering. Dan, als die kleine mond zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, was alles stil in eerbiedige aandacht.…Op dien avond, den drie en twintigstigen November van ’t jaar achttienhonderd en zeven tachtig, is de gevierde sinds eenige uren te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel noodig na de vermoeiende reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering uit haar coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen kraag gehuld, eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even aan de nieuwsgierigen daar aan de deur, en treedt, na een vluchtig woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug als een elf snelt ze, met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang door, nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur binnen[223]te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt ze achteloos den kostbaren mantel op een sofa, treedt voor de psyché, glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk beeld harer gestalte, en zet zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel.Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer: men heeft haar overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden, ’t goud bij bergen voor haar voeten geworpen. Ze heeft slechts éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst der heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft immers voor haar roeping, niets bindt haar meer aan ’t verleden, en de herinnering daaraan is nog wel droef, maar laat haar zielsrust immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het is zoo, ’t kan niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van schoonheid op ’t punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee uur van geluk te verschaffen, nog lang nawerkend in hun gemoed. „Kom, dwaasheid,”[224]mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje, dat ze meegebracht heeft. Zacht neuriënd doorloopt ze een paar stukken. Ze kan ze bijna droomen, want ’t is de tiende maal zeker, dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door, en de weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt ’t, ze zal straks kunnen optreden met de plechtige, goddelijk blijmoedige kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze het doffe gedruisch der instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal vullen. Nog twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek, bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar reistaschje. ’t Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen meester Sanzio Castellamore, den fijngevoeligen, teederen hartekenner, met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als Clara Van Merenstein had ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier echter heeft haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke spraken, en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken der Italiaansche dichters evenzeer[225]als zij reeds zoo lang haar hart ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte gedichten van Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in uitgedrukt wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had Duvernier het op muziek gezet. ’t Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te Parijs en Londen vormde dat lied telkens het glanspunt van den avond. ’t Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar, zal ze ook thans eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in ’t land van den dichter, waar de menschen diens taal spreken, en belooft zij zich dus een succes, dat minstens even groot zal wezen als ginds.Er wordt aan haar deur zacht getikt. „Entrez!” roept de diva, het boekje met haast naast zich neerwerpend. ’t Is de impressario, die haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden, om vóor ’t voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een blik in den spiegel, en met vluggen tred volgt ze hem naar ’t tooneel.[226]Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds sinds een half uur. Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht iets eenigs.’t Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar waardigen gang een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit kleed, zich voor ’t voetlicht vertoont. Slechts een „Ah!” suist als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils achter ’t orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt gericht, alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken dier weergalooze schoonheid tot zich te brengen en met de oogen te drinken. Daarop een hartstochtelijk „Evviva la diva!” uit duizend kelen, dan—als de muziek wil invallen—weer ademlooze stilte. De jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm gebleven: ze kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet meer. Die bijval gold haar schoonheid alleen: reden te meer, om er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt even. Met sereenen blik overziet ze die[227]schier eindelooze rijen van dorstigen, die ze straks laven zal, van klein en groot, machtig en gering, die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee, van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar ’t gebod harer souvereine kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die gemoederen kneden als was.Het orkest—een keurbende—zet in. Vleiend klagen de violen. Twee, drie, tien maten. Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat geluid, dat daar opruischt als een gebed uit engelenmond? De tonen weven zich in ’t decrescendo der violen, zwellen aan, en weldra vervult hun toovergalm de gansche zaal. ’t Is of de instrumenten schuchter fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als ’t zacht gemurmel van een beek bij ’t nachtegaalkweelen …Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds heeft men een wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo gezongen, neen zoo geschapen, zou Tizia’s roem als kunstenares voor goed gevestigd hebben.[228]Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug, als ze eindelijk na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar haar als dolzinnigen, maar ze blijft weg, en ’t rumoer bedaart allengs, als hier en daar een enkele, die de zangeres uit Parijs gevolgd is, vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets meer geeft dan ’t programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar optreden in Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich, wenscht zij haar krachten te sparen.Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam ’t lied, waar reeds een ieder te voren van gesproken had, ’t wonderlied van kalme gelatenheid na bangen strijd, waarmee zij te Parijs en Londen vooral haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist dat lied al haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve toespeling op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde, bevroedde niet dat de woorden en ook de heerlijke melodie zoo zuiver haar zieletoestand weergaven.[229]’t Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden, als oprijzend uit den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel, gedragen door een tonenspel, daarmee in heerlijke samenstemming:„Io vi saluto, spettri del passato,Vi convocai nel dolce fin’ del dì enz.Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig opgeheven handen, als wachtte zij de scharen van dierbare „schimmen uit ’t verleden”, om ze liefdevol te ontvangen. Haar oogen stralen, haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van hemelsche gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn innigheid, waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een flauw denkbeeld kan geven. In benaderende vertaling luidt het:„Gegroet, gegroet, gij schimmen van ’t verleden!„Ik riep u op ’t in ’t vredig avonduur,„Gij komt om mij bij ’t ruischen van mijn bede,„Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.[230]„Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare,„En ’t harte kromp bij ’t breken van dien band,„Maar in den storm van ’t leed bedwong de baren„Der levenszee een wondre feeënhand.„En ’t leed is heen, mijn hart is vrij van smarten„Muziek vervult de leegte van ’t gemoed,„Herinnering zal nimmermeer mij tarten,„Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet.”Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied, behoorde ook een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der loges tegenover het tooneel. Zijn gebruind gelaat, met den donkeren vollen baard, en ’t eenigszins ongewone in den snit zijner kleederen, deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre gewesten in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig winderig en blufferig „rastaquouère”-type. Integendeel had hij iets ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. Inderdaad had hij pas eenige dagen weer Europa’s[231]bodem onder zijn voeten gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven, om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn aankomst in Italië in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van Zuid-Afrika, en had door bijzondere omstandigheden de reis oostwaarts om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat hij ook Italië op zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door de werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van dien avond was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het machtige der andere. Hij had namelijk, kort nadat hij zijn blik op de wonderverschijning gevestigd had, iets in haar gelaat meenen op te merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold ook, had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij hem wakker riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op, dat hij zich vergiste, dat hier louter toeval in ’t spel was: hoe toch ware het mogelijk, dat dat gelaat en die stem ooit vroeger binnen zijn waarneming[232]hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste, waar en wanneer had hij dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en aan wie behoorden ze? Een poos, tot na de pauze zelfs, vroeg de jonge man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend antwoord te kunnen vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.… of wellicht vroeger, in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer was hij in de duisternis. Daar klinken de eerste tonen van Tizia’s lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend naar de liefelijke gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets gekomen, dat haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den geest van den vreemdeling gezweefd heeft. Geen twijfel meer! ’t Is Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! mompelt hij halfluid. Zijn buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich heen vergeten: die toovenares met tonen was voor hem de[233]oude geliefde, het eenvoudige jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier onverklaarbaar verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij, ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij had haar nooit vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk een gedaanteverwisseling terug te zien! Ze was veranderd bovendien, veel schooner geworden, en hij wist niet beter, of de Clara, die hij verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland iets gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld, het schandaal, waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had haar in zijn hart diep beklaagd. Geen verwijt was in zijn edele ziel tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds ’t slachtoffer geweest van de intriges harer moeder, van af ’t oogenblik, dat zij door haar tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God, dat ze thans dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met de scherpzinnigheid der liefde bevroedde hij dra, wat haar tot zulk een stap moest[234]gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van ’t verleden en de wereld, waarin zij tot dusver geleefd had, en zielsrust te vinden in een edele roeping. Hij kende haar liefde voor de muziek, en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde hij zeer, of die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als liefhebbende gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn oude genegenheid, nooit gestorven in die jaren van scheiding, herleefde met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met hem kunnen vinden? Waarin ze ook mocht gefeild hebben—die lieve innemende persoonlijkheid kòn waarlijk niets slechts op haar geweten hebben—hij telde het niet. Ze had hem vroeger op raadselachtige manier plotseling niet meer willen kennen. Er moest een misverstand geweest zijn, daar was hij zeker van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te helderen. Maar zou zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen deelen met het zijne, alles verzaken wat[235]haar nu omgaf: roem, eer, een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, ’t was niets bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te worden, ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door hem aanbood.… O, hoe hoopte hij dat; maar hij twijfelde nog. Als hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals hij haar jaren geleden gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren levens zijn zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van ’t ware spoor gedreven! Aan dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk.Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn eigen gedachten vervuld, om op den zang te letten. Wel zag en hoorde hij, maar ’t was Clara; de diva was vergeten, bestond niet meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te krijgen. Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht, besloot hij eens een poging te doen, om de zangeres in haar loge te ontmoeten.[236]Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in, wel kort, maar toch voldoende, om hem de gelegenheid te verschaffen, een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem opgeven, waar ze logeerde, dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige moeite vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de deur. Met kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn verblijf in Zuid-Afrika er lang niet beter op geworden was, beduidde hij de vrouw, dat hij gaarne de diva even spreken wilde. Na eenig misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee de vrouw binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede, dat „Madame” niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder aandringen dorst hij niet. Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook vergist hebben?… Een oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! Ze zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor een gesprek, en vreesde opgehouden te zullen worden. „Niet[237]een enkel oogenblik?” vroeg Willem Victor, aarzelend. „Neen, voor niemand. Ze heeft ’t uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens stoorde.” „Waar logeert Mevrouw dan?” De oude vrouw schudt het hoofd: „Sais pas, sais pas!” mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil, om verder te spreken. De ander ziet van verder pogen hier af. ’t Eenige wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, een rijtuig te nemen, en ’t hare te volgen.Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende in de koffiekamer van ’t theater op en neer. Dan, als hij duidelijk bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen is, gaat hij haastig naar buiten, en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor de artisten is. Daar, naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, met uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen, zoodra deze het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol zenuwachtigheid voorbij. Daar houdt een rijtuig stil vóor bewusten ingang, weinige minuten later stapt een elegante,[238]warm ingepakte gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De rit duurt niet lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne laat hij nog een korte poos doorgaan, om de aandacht niet te trekken, dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt den koetsier naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. „Non so,” herhaalt de koetsier op Victor’s ongeduldige vraag. Hij weet ’t, maar heeft geen zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier onwillig. Victor betaalt, en loopt terug naar ’t hotel. O, hij kan den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de groote lantaarn boven den ingang. „Ziezoo!” zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft, roept hij: „Ezel, die ik ben: „Albergo Centrale” is ’t zelfde als „Hotel Central”!” Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar op den voormuur. „Ze logeert dus in ’t zelfde hotel als ik! Had ik maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft heerlijk.”In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat[239]zijn rijtuig zooeven denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van ’t hotel naar den schouwburg ging. Hij was kort vóor ’t avondeten verschenen, en de diva was niet aan tafel geweest.Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker, bracht een nacht door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren niet beleefd had.Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten, zwaren slaap, waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde hij zich haastig aan, ging naar beneden, en klampte dadelijk den reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, die in ’t hotel portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres.„Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht.”„Ja, bitte, sagenSiemir die Nummer ihrer Gemächer.”„Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist.”„Wohin?”„Unbekannt.”[240]

Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote Theater „della Scala” te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is in schrille tegenstelling met het gewoel[219]vóor het reeds schitterend verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. Een klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het rijtuig ophoudt. Men fluistert elkaar toe en wijst naar ’t portier, dat zich snel opent. „De diva! Tizia Beatincanti!” klinkt op bedekten toon links en rechts. De uitstappende jonge vrouw is inderdaad de beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld is bij haar intrede in ’t land der kunst. Ze zal dien avond zich voor ’t eerst te Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar ’t Zuiden voort te zetten. Een triomftocht was ’t. Nog zelden had een zangeres zoo opeens de harten van ’t kunstlievende Europa gewonnen, ja stormenderhand genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw drie maanden te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste voorstelling lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke, fijngevoelige en grillige Parijs aan haar voeten. Er was éen juichkreet in alle dagbladen, éen „ave victrix” onder ’t publiek, op alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat[220]die bewonderingkoorts uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, waar men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten schier ’t ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts passeerende, was zij over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken, waar men haar weken te voren reeds met klimmend ongeduld verbeid had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling als ’t klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen—’t stond uitvoerig in de bladen—was wonderweinig: ze kwam van Parijs, was een leerlinge van den grooten meester Félix Duvernier en had slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; voor ’t overige liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten volle instond. De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was, door een tegengewerkte liefde op ’t punt gestaan had den sluier aan te nemen, maar op ’t laatste oogenblik door Duvernier was weerhouden, die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen,[221]haar eenig talent ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door Duvernier op zijn reis naar ’t Oosten uit den harem van een vorst op Java heimelijk was weggevoerd, om haar te onttrekken aan de wraak van een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur met een Hollandsch officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze was rein als ’t morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een Italiaansch edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en door haar vader aan de zorgen van Duvernier toevertrouwd, nadat hij gelukkig genoeg was geweest haar groot talent te ontdekken, en zóo gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. Tizia Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon met een waas van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid, zoo mogelijk, verdubbelde. En dan haar schoonheid! Ristori was knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, maar Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid,[222]uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een optreden vóor ’t publiek, of een siddering van heerlijke verrassing liep door de rangen, en een donderend welkomstapplaus begroette haar na een paar seconden van stomme bewondering. Dan, als die kleine mond zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, was alles stil in eerbiedige aandacht.…

Op dien avond, den drie en twintigstigen November van ’t jaar achttienhonderd en zeven tachtig, is de gevierde sinds eenige uren te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel noodig na de vermoeiende reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering uit haar coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen kraag gehuld, eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even aan de nieuwsgierigen daar aan de deur, en treedt, na een vluchtig woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug als een elf snelt ze, met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang door, nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur binnen[223]te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt ze achteloos den kostbaren mantel op een sofa, treedt voor de psyché, glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk beeld harer gestalte, en zet zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel.

Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer: men heeft haar overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden, ’t goud bij bergen voor haar voeten geworpen. Ze heeft slechts éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst der heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft immers voor haar roeping, niets bindt haar meer aan ’t verleden, en de herinnering daaraan is nog wel droef, maar laat haar zielsrust immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het is zoo, ’t kan niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van schoonheid op ’t punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee uur van geluk te verschaffen, nog lang nawerkend in hun gemoed. „Kom, dwaasheid,”[224]mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje, dat ze meegebracht heeft. Zacht neuriënd doorloopt ze een paar stukken. Ze kan ze bijna droomen, want ’t is de tiende maal zeker, dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door, en de weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt ’t, ze zal straks kunnen optreden met de plechtige, goddelijk blijmoedige kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze het doffe gedruisch der instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal vullen. Nog twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek, bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar reistaschje. ’t Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen meester Sanzio Castellamore, den fijngevoeligen, teederen hartekenner, met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als Clara Van Merenstein had ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier echter heeft haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke spraken, en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken der Italiaansche dichters evenzeer[225]als zij reeds zoo lang haar hart ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte gedichten van Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in uitgedrukt wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had Duvernier het op muziek gezet. ’t Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te Parijs en Londen vormde dat lied telkens het glanspunt van den avond. ’t Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar, zal ze ook thans eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in ’t land van den dichter, waar de menschen diens taal spreken, en belooft zij zich dus een succes, dat minstens even groot zal wezen als ginds.

Er wordt aan haar deur zacht getikt. „Entrez!” roept de diva, het boekje met haast naast zich neerwerpend. ’t Is de impressario, die haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden, om vóor ’t voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een blik in den spiegel, en met vluggen tred volgt ze hem naar ’t tooneel.[226]

Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds sinds een half uur. Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht iets eenigs.

’t Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar waardigen gang een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit kleed, zich voor ’t voetlicht vertoont. Slechts een „Ah!” suist als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils achter ’t orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt gericht, alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken dier weergalooze schoonheid tot zich te brengen en met de oogen te drinken. Daarop een hartstochtelijk „Evviva la diva!” uit duizend kelen, dan—als de muziek wil invallen—weer ademlooze stilte. De jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm gebleven: ze kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet meer. Die bijval gold haar schoonheid alleen: reden te meer, om er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt even. Met sereenen blik overziet ze die[227]schier eindelooze rijen van dorstigen, die ze straks laven zal, van klein en groot, machtig en gering, die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee, van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar ’t gebod harer souvereine kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die gemoederen kneden als was.

Het orkest—een keurbende—zet in. Vleiend klagen de violen. Twee, drie, tien maten. Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat geluid, dat daar opruischt als een gebed uit engelenmond? De tonen weven zich in ’t decrescendo der violen, zwellen aan, en weldra vervult hun toovergalm de gansche zaal. ’t Is of de instrumenten schuchter fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als ’t zacht gemurmel van een beek bij ’t nachtegaalkweelen …

Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds heeft men een wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo gezongen, neen zoo geschapen, zou Tizia’s roem als kunstenares voor goed gevestigd hebben.[228]

Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug, als ze eindelijk na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar haar als dolzinnigen, maar ze blijft weg, en ’t rumoer bedaart allengs, als hier en daar een enkele, die de zangeres uit Parijs gevolgd is, vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets meer geeft dan ’t programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar optreden in Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich, wenscht zij haar krachten te sparen.

Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam ’t lied, waar reeds een ieder te voren van gesproken had, ’t wonderlied van kalme gelatenheid na bangen strijd, waarmee zij te Parijs en Londen vooral haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist dat lied al haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve toespeling op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde, bevroedde niet dat de woorden en ook de heerlijke melodie zoo zuiver haar zieletoestand weergaven.[229]

’t Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden, als oprijzend uit den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel, gedragen door een tonenspel, daarmee in heerlijke samenstemming:

„Io vi saluto, spettri del passato,Vi convocai nel dolce fin’ del dì enz.

„Io vi saluto, spettri del passato,

Vi convocai nel dolce fin’ del dì enz.

Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig opgeheven handen, als wachtte zij de scharen van dierbare „schimmen uit ’t verleden”, om ze liefdevol te ontvangen. Haar oogen stralen, haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van hemelsche gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn innigheid, waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een flauw denkbeeld kan geven. In benaderende vertaling luidt het:

„Gegroet, gegroet, gij schimmen van ’t verleden!„Ik riep u op ’t in ’t vredig avonduur,„Gij komt om mij bij ’t ruischen van mijn bede,„Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.[230]„Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare,„En ’t harte kromp bij ’t breken van dien band,„Maar in den storm van ’t leed bedwong de baren„Der levenszee een wondre feeënhand.„En ’t leed is heen, mijn hart is vrij van smarten„Muziek vervult de leegte van ’t gemoed,„Herinnering zal nimmermeer mij tarten,„Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet.”

„Gegroet, gegroet, gij schimmen van ’t verleden!„Ik riep u op ’t in ’t vredig avonduur,„Gij komt om mij bij ’t ruischen van mijn bede,„Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.

„Gegroet, gegroet, gij schimmen van ’t verleden!

„Ik riep u op ’t in ’t vredig avonduur,

„Gij komt om mij bij ’t ruischen van mijn bede,

„Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.

[230]

„Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare,„En ’t harte kromp bij ’t breken van dien band,„Maar in den storm van ’t leed bedwong de baren„Der levenszee een wondre feeënhand.

„Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare,

„En ’t harte kromp bij ’t breken van dien band,

„Maar in den storm van ’t leed bedwong de baren

„Der levenszee een wondre feeënhand.

„En ’t leed is heen, mijn hart is vrij van smarten„Muziek vervult de leegte van ’t gemoed,„Herinnering zal nimmermeer mij tarten,„Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet.”

„En ’t leed is heen, mijn hart is vrij van smarten

„Muziek vervult de leegte van ’t gemoed,

„Herinnering zal nimmermeer mij tarten,

„Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet.”

Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied, behoorde ook een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der loges tegenover het tooneel. Zijn gebruind gelaat, met den donkeren vollen baard, en ’t eenigszins ongewone in den snit zijner kleederen, deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre gewesten in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig winderig en blufferig „rastaquouère”-type. Integendeel had hij iets ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. Inderdaad had hij pas eenige dagen weer Europa’s[231]bodem onder zijn voeten gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven, om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn aankomst in Italië in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van Zuid-Afrika, en had door bijzondere omstandigheden de reis oostwaarts om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat hij ook Italië op zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door de werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van dien avond was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het machtige der andere. Hij had namelijk, kort nadat hij zijn blik op de wonderverschijning gevestigd had, iets in haar gelaat meenen op te merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold ook, had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij hem wakker riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op, dat hij zich vergiste, dat hier louter toeval in ’t spel was: hoe toch ware het mogelijk, dat dat gelaat en die stem ooit vroeger binnen zijn waarneming[232]hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste, waar en wanneer had hij dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en aan wie behoorden ze? Een poos, tot na de pauze zelfs, vroeg de jonge man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend antwoord te kunnen vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.… of wellicht vroeger, in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer was hij in de duisternis. Daar klinken de eerste tonen van Tizia’s lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend naar de liefelijke gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets gekomen, dat haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den geest van den vreemdeling gezweefd heeft. Geen twijfel meer! ’t Is Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! mompelt hij halfluid. Zijn buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich heen vergeten: die toovenares met tonen was voor hem de[233]oude geliefde, het eenvoudige jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier onverklaarbaar verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij, ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij had haar nooit vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk een gedaanteverwisseling terug te zien! Ze was veranderd bovendien, veel schooner geworden, en hij wist niet beter, of de Clara, die hij verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland iets gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld, het schandaal, waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had haar in zijn hart diep beklaagd. Geen verwijt was in zijn edele ziel tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds ’t slachtoffer geweest van de intriges harer moeder, van af ’t oogenblik, dat zij door haar tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God, dat ze thans dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met de scherpzinnigheid der liefde bevroedde hij dra, wat haar tot zulk een stap moest[234]gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van ’t verleden en de wereld, waarin zij tot dusver geleefd had, en zielsrust te vinden in een edele roeping. Hij kende haar liefde voor de muziek, en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde hij zeer, of die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als liefhebbende gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn oude genegenheid, nooit gestorven in die jaren van scheiding, herleefde met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met hem kunnen vinden? Waarin ze ook mocht gefeild hebben—die lieve innemende persoonlijkheid kòn waarlijk niets slechts op haar geweten hebben—hij telde het niet. Ze had hem vroeger op raadselachtige manier plotseling niet meer willen kennen. Er moest een misverstand geweest zijn, daar was hij zeker van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te helderen. Maar zou zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen deelen met het zijne, alles verzaken wat[235]haar nu omgaf: roem, eer, een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, ’t was niets bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te worden, ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door hem aanbood.… O, hoe hoopte hij dat; maar hij twijfelde nog. Als hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals hij haar jaren geleden gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren levens zijn zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van ’t ware spoor gedreven! Aan dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk.

Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn eigen gedachten vervuld, om op den zang te letten. Wel zag en hoorde hij, maar ’t was Clara; de diva was vergeten, bestond niet meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te krijgen. Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht, besloot hij eens een poging te doen, om de zangeres in haar loge te ontmoeten.[236]Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in, wel kort, maar toch voldoende, om hem de gelegenheid te verschaffen, een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem opgeven, waar ze logeerde, dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige moeite vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de deur. Met kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn verblijf in Zuid-Afrika er lang niet beter op geworden was, beduidde hij de vrouw, dat hij gaarne de diva even spreken wilde. Na eenig misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee de vrouw binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede, dat „Madame” niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder aandringen dorst hij niet. Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook vergist hebben?… Een oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! Ze zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor een gesprek, en vreesde opgehouden te zullen worden. „Niet[237]een enkel oogenblik?” vroeg Willem Victor, aarzelend. „Neen, voor niemand. Ze heeft ’t uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens stoorde.” „Waar logeert Mevrouw dan?” De oude vrouw schudt het hoofd: „Sais pas, sais pas!” mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil, om verder te spreken. De ander ziet van verder pogen hier af. ’t Eenige wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, een rijtuig te nemen, en ’t hare te volgen.

Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende in de koffiekamer van ’t theater op en neer. Dan, als hij duidelijk bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen is, gaat hij haastig naar buiten, en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor de artisten is. Daar, naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, met uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen, zoodra deze het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol zenuwachtigheid voorbij. Daar houdt een rijtuig stil vóor bewusten ingang, weinige minuten later stapt een elegante,[238]warm ingepakte gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De rit duurt niet lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne laat hij nog een korte poos doorgaan, om de aandacht niet te trekken, dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt den koetsier naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. „Non so,” herhaalt de koetsier op Victor’s ongeduldige vraag. Hij weet ’t, maar heeft geen zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier onwillig. Victor betaalt, en loopt terug naar ’t hotel. O, hij kan den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de groote lantaarn boven den ingang. „Ziezoo!” zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft, roept hij: „Ezel, die ik ben: „Albergo Centrale” is ’t zelfde als „Hotel Central”!” Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar op den voormuur. „Ze logeert dus in ’t zelfde hotel als ik! Had ik maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft heerlijk.”

In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat[239]zijn rijtuig zooeven denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van ’t hotel naar den schouwburg ging. Hij was kort vóor ’t avondeten verschenen, en de diva was niet aan tafel geweest.

Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker, bracht een nacht door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren niet beleefd had.

Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten, zwaren slaap, waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde hij zich haastig aan, ging naar beneden, en klampte dadelijk den reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, die in ’t hotel portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres.

„Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht.”

„Ja, bitte, sagenSiemir die Nummer ihrer Gemächer.”

„Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist.”

„Wohin?”

„Unbekannt.”[240]


Back to IndexNext