DERTIENDE HOOFDSTUK.

19)Hofmaarschalk.

Gedurende dezen rusttijd waren Iras en Charmion bij afwisseling in de nabijheid der Koningin gebleven. Toen zij opstond bood de jongste van de twee haar de behulpzame hand. Tot den avond toe mocht zij zich weiden aan hare meesteres, want de gezellin, die haar de laatste dagen zoo in den weg stond, zou eerst dan terugkeeren. Vóór dat Charmion heenging, had zij intusschen gezorgd dat hare vertrekken, waarin Barine, op aanwijzing der Koningin behandeld werd als een welkome gast, goed werden bewaakt.

De bevelhebber der Macedonische jongelings-lijfwacht, die vele jaren geleden vergeefs naar hare hand had gedongen, en eindelijk haar trouwste, welmeenendste vriend geworden was, had de taak op zich genomen Barine zorgvuldig te bewaken.

Toch had Iras zich den slaap harer gebiedster en de afwezigheid harer oudere mede-kamervrouw ten nutte weten te maken. Zij had gehoord dat de vertrekken van deze, en daardoor ook Barine zelve, ongenaakbaar voor haar waren. Vóór zij iets tegen de gevangene ondernemen kon, moest zij ook eerst allerlei dingen met Alexas bespreken. Nu hare verwachting haar mededingster in het stof vernederd te zien, niet was vervuld, was haar jaloersche wrok in haat veranderd, en al was zij Charmion's nicht, een deel daarvan bracht zij op deze over, omdat zij zich beschermend geplaatst had tusschen haar en haar slachtoffer.

Zij had den Syriër bij zich ontboden, maar hij was ook eerst laat ter rust gegaan, en liet nu lang op zich wachten. De ontvangst, die hem door het ongeduldige meisje was bereid, kon dan ook in het begin alles behalve hartelijk heeten, maar spoedig werd zij vriendelijker jegens hem.

Vooreerst beroemde Alexas er zich op, dat hij de Koningin had overreed om Barine op genade of ongenade aan hem over te leveren. Wanneer hij haar des middags in het verhoor nam en schuldig bevond, dan kon niets hem verhinderen haar desavonds den giftbeker te laten drinken of te doen worgen. Maar die zaak was gevaarlijk, daar de aanhangers der zangeres vele in getal en niet van macht ontbloot waren. In den grond wenschte Cleopatra zeker niets vuriger dan zich van de gevaarlijke mededingster te ontslaan, maar hij kende de grooten der aarde. Als hij krachtig optrad en er spoedig een eind aan maakte, dan zou de Koningin, ter wille van haar goeden naam, de daad op zijne verantwoording stellen. Op Antonius viel niet te rekenen, en van diens gunst hing al zijn wel en wee af. De terechtstelling der zangeres van het laatste Adonisfeest kon op het Alexandrijnsche volk de allergevaarlijkste uitwerking hebben. Het was toch al zoo verontwaardigd en zijn broeder, die het volk goed kende, had gezegd: hier verging het van rouw, en dáár was het op het punt in dolle woede een bloedig oproer te verwekken. Van dit gepeupel kon men alles verwachten; doch Philostratus verstond ook de kunst het tot allerlei over te halen, en hij had zich te voren van zijn hulp verzekerd.

Inderdaad, het werk der verzoening was Alexas goed gelukt. In den tijd toen de improvisator met Barine gehuwd was, had zij haar zwager den toegang tot haar huis ontzegd en haar echtgenoot was met zijn broeder die zijn vrouw voor zich begeerde, in onmin geraakt. Nadat deze echter zoo hoog was gestegen in de gunst van Antonius, en door diens altijd geopende hand met goud was overladen, was Philostratus weder naar hem toe gekomen om zijn deel te eischen van dien pas verkregen rijkdom. En de bron, waaruit Alexas putte, vloeide zoo rijkelijk, dat het geven den gunsteling in het geheel niet zwaar viel. Beiden waren even gewetenloos als verkwistend, en bij hen werd de waarheid gestaafd, dat lage naturen er altijd een pad op na houden, dat de tweedracht overbrugt. Is dat van goud, dan wordt dat het spoedigste betreden. Zoo was het dan ook hier, en in de laatste dagen had dat pad een bijzondere vastheid verkregen, want wederkeerig hadden zij elkander noodig.

Alexas wenschte Barine te bezitten, terwijl Philostratus zich niet meer om haar bekommerde. Daarentegen haatte hij Dion met zulk een fellen dorst naar wraak, dat hij om dien te lesschen, zelfs de hoop op nieuwe veroveringen zou hebben prijsgegeven. De vernedering, die hem door den hoogmoedigen Macedonischen edelman aangedaan was, en de smaad, waarmede hij door zijn schuld was bedekt, lieten hem evenmin rust als lasterende vervolgers, en hij voelde dat hij zich van hen slechts tegelijk met den veroorzaker daarvan, kon ontdoen. Zonder zijn broeder had hij zich moeten vergenoegen met hen door zijne lastertong te benadeelen; met den steun van diens veelvermogenden bijstand kon hij hem veel erger dingen aandoen, ja zelfsde vrijheid en het leven benemen. Daarom hadden zij zooeven een afspraak gemaakt, waarbij Philostratus op zich nam het volk te verzoenen met alles wat Barine zou worden aangedaan, terwijl de ander beloofd had zijn broeder te helpen om een bloedige wraak te nemen op Dion.

Met den dood van Barine zou Alexas niet gediend zijn, want toen hij haar had wedergezien, was hij opnieuw voor haar ontvlamd, en hij wilde haar eindelijk de zijne noemen. In den kerker, misschien op de pijnbank, zou zij gedwongen worden zijn reddende hand aan te grijpen. Doch dit alles leed geen uitstel. Het moest alles afgeloopen zijn vóór Antonius terugkwam, en hij kon ieder oogenblik verwacht worden. De verkwistende beschermer had hem zoo rijk gemaakt, dat het hem thans onverschillig liet of hij door dit geval bij hem in ongenade viel. Ook zonder hem zou hij nu met Barine een weelderige huishouding kunnen opzetten in een der steden van zijn Syrisch vaderland.

Toen de gunsteling verzekerde dat hij reeds den volgenden dag Barine onttrekken zou aan de hoede van Charmion, werd Iras reeds vriendelijker jegens hem gestemd. Tegen zijn beweren dat het nieuwe verhoor wel is waar tot geene doodstraf zou kunnen leiden, maar wel tot een verwijzing naar de steengroeven of iets dergelijks, had zij niets ernstigs in te brengen.

Nu trachtte Alexas voorzichtig uit te vorschen hoe Iras dacht over den doodvijand van zijn broeder. Zij droeg dezen geen goed hart toe, doch zoodra hij er op zinspeelde dat ook hij aan de straffende gerechtigheid kon worden overgeleverd, kwam zij daar zoo ijverig tegen op, dat hij dat onderwerp liet rusten en het gesprek weder bracht op de vrouw, die veroordeeld moest worden. Zij stelde zich weder met haar gewone levendigheid tot zijn beschikking, en men besloot den volgenden dag, terwijl Charmion des voormiddags dienst had bij de Koningin, de gevangenneming te doen plaats hebben.

Iras wist goeden raad te geven, want in een der gevangenissen was zij goed bekend. Zij had de poorten daarvan geopend voor menig ongelukkige, van wien zij geloofde dat zijn verdwijnen de Koningin van dienst zou zijn. Zij had het bij zulke gelegenheden als haar plicht beschouwd, hand in hand met den zegelbewaarder haar gebiedster te voorkomen, wanneer het deze, in hare goedheid, te moeilijk zou gevallen zijn een streng vonnis uit te spreken. Cleopatra had zich dat dan laten welgevallen, zonder zich er over uit te laten, noch het te beloonen. Wat binnen die muren voorviel, drong, dank de stilzwijgendheid van den wachter, niet naar buiten door. Het was wellicht in dien kerker niet fraai, en toch, als Barine daar was en dan het leven verwenschte, had zij het altijd nog beter dan zij. Iras, die inde laatste nachten, wanneer zij dacht aan den man, die hare liefde had versmaad en haar had opgeofferd aan een ander, aan den rand der wanhoop was geweest.

Toen de Syriër haar reeds de hand tot afscheid reikte, vroeg zij op eens: »En Dion?”

»Hij zal zijne vrijheid wel verbeurd hebben,” was het antwoord, »want Barine is zijn geliefde; de dwaas was reeds op het punt haar als zijn echtgenoot in zijn fraai paleis binnen te leiden.”

»Is dat waar? zonder eenigen twijfel waar?” vroeg Iras, terwijl zij wel hare kalmte bewaarde, maar niet verhinderen kon, dat het bloed uit haar wangen en lippen verdween.

»Hij heeft het gisteren aan zijn oom, den zegelbewaarder, medegedeeld in een brief, en hem daarbij bezworen voor zijne uitverkorene, die hij voor altijd trouw gezworen had, het zijne te doen. Doch Zeno wil van deze nicht niets weten. Wilt gij den brief zien?”

»Als dat zoo is,” begon het meisje opnieuw, en haar hooge stem kreeg weder een schrillen klank, »dan kan men hem ook niet vrij laten. Voor zijn geliefde zet hij alles op het spel, en dat is veel—veel meer dan gij, die hier half vreemd zijt, vermoeden kunt. De Macedonische geslachten hangen alle aan elkander. Hij maakt deel uit van den Raad.... De ephebenvereenigingen staan als één man achter hem... En het volk... Toen uw broeder onlangs handelde zooals ik hem had gezegd, heeft hij hem in de wielen gereden op een manier die.... Men moest hem op het laatst ophalen uit het bekken der fontein, druipend van water en van schande....”

»Juist om dat alles zou men nu zijn mond moeten stoppen...”

Iras knikte hem goedkeurend toe, maar na een korte pauze viel zij uit: »Ik zal u helpen, om hem tot zwijgen te brengen, doch niet voor altijd. Vergeet dat niet! Dat gezegde van Theodotus, van de doode honden die niet meer bijten, heeft bij ons geen zegen gebracht aan hen die hem dat nazeggen. Er zijn andere middelen, om ons van dezen man te ontdoen.”

»Een vogel heeft mij voorgezongen, dat gij hem wel lijden mocht.”

»Een vogel? Dan zeker een uil, die bij daglicht niet ziet. Zijn ergste vijand, uw broeder, zou liever een offer voor zijn welzijn brengen, dan ik.”

»Dan begin ik belangstelling te krijgen in dien Dion.”

»Ik zag onlangs reeds hoe gij mij in medelijden overtreft. De dood is niet de ergste van alle straffen.”

»Dus daarom dat genadig uitstel?”

»Misschien wel. Maar wij hebben nog andere dingen te bedenken: vooreerst welk een tijd het is, nu alles wankelt,zelfs de macht der Koningin, die nog zoo kort geleden een muur gelijk was, die veel dekte, en voor iederen aanval beschutte. Vervolgens den persoon van Dion. Ik heb al opgenoemd wie al niet voor hem in de bres zal springen.... En de Koningin kan, sedert Actium, het veelhoofdige monster »Volk” niet meer toeroepen »gij moet”, maar »ik verzoek u”. Het andere....”

»Deze eerste bedenkingen zijn genoeg. Mag ik ook weten, wat mijn wijze vriendin over den beklagenswaardigen man, dien zij haar gunst onttrok, nu heeft beschikt?”

»Vooreerst gevangenschap hier op de Lochias. Hij heeft zijn hand bevlekt met het bloed van den »Koning der koningen”, Cæsarion. Dat is hoogverraad, ook in de oogen van het volk. Gij moet nog heden het bevel tergevangennemingzien te krijgen.”

»Wanneer het doenlijk is, de Koningin met zoo iets aan te komen.”

»Het is niet voormij, maar omhaarvoor onheil te behoeden, dat wij dat noodig hebben. Weg met alles wat in deze dagen der eindbeslissing haar helderen geest benevelt! Eerst met Barine, die haar thuiskomst bedorven heeft, en dan met den man, die in staat zou zijn terwille dezer vrouw, te Alexandrië een oproer te verwekken. Aan haar de groote zorgen voor staat en troon; aan mij de kleine die haar toilet en haar hart betreffen.”

Hier werd zij gestoord door eene der slavinnen vanCleopatra. De Koningin was ontwaakt, en Iras haastte zich om op haar post te zijn.

Toen zij de vertrekken van Charmion voorbijkwam, en daarvóór twee flinke krijgslieden uit de Macedonische jongelings-wacht ter bewaking op en neer zag loopen, nam haar gelaat een sombere uitdrukking aan. Haar mede-kamervrouw liet Barine bewaken alleen voor haar. Zij had zich van de oudere vrouw, wier nicht zij was, een strenge berisping op den hals gehaald, ter oorzake van de vrouw, die voor haar de oorzaak was van zooveel leed, en daarbij had zij spijt gehad dat zij haar vroeger had medegedeeld wat zij voor Dion gevoelde. Er mocht van komen wat wilde, de giftboom, waaruit al deze ellende, deze vrees en ergenissen waren opgegroeid, moest uitgeroeid, en zij uit de rijen der levenden geschrapt worden.

Eer zij in het voorvertrek der Koningin binnentrad, had zij in stilte het doodvonnis harer vijandin uitgesproken. Nu moest haar scherpzinnige geest nog den Syriër weten over te halen om de voltrekking daarvan op zich te nemen. Als deze steen des aanstoots eenmaal uit den weg was geruimd, zou het ook weder mogelijk zijn in goede verstandhouding met Charmionte leven, dan zou Dion weder vrij zijn, en dan.... Hoe hij haar ook had gekrenkt, zij zou hem toch beschermen voor den haat van Philostratus en diens broeder.

Met een verlicht hart kwam zij bij de Koningin. De vernietiging van het leven eens veroordeelden greep haar in de nabijheid der straffende Majesteit sinds lang niet meer diep in de ziel. Terwijl zij haar door den slaap verkwikte gebiedster de eerste diensten bewees, verhelderde zich haar gelaat hoe langer hoe meer, want de Koningin uitte ongevraagd hare blijdschap, dat zij op dezen dag door haar werd bediend, en niet altijd weder werd lastig gevallen met diezelfde onaangename zaak, die overigens spoedig genoeg afgehandeld zou zijn.

Dit zag op Charmion, die in het bewustzijn dat geen ander aan het hof dit wagen mocht, in weerwil van menige terechtzetting, niet moede geworden was Barine's verdediging te beproeven. Doch eindelijk had Cleopatra haar den vorigen dag toornig gelast, haar niet weder aan te komen met die onheilstichtster.

Toen Charmion haar daarop had verzocht den volgenden dag den dienst aan Iras te mogen overlaten, had de Koningin reeds berouw gevoeld over dienuitvaltegen haar vriendin. Zij had Charmion het gevraagde verlof gaarne toegestaan, en haar zelfs vriendelijk verzocht hare drift toe te schrijven aan de zorgen die haar drukten. »En als gij mij weder uw goed, trouw gezicht vertoont,” had zij tot besluit gezegd, »dan zult gij hebben ingezien, dat een ware vriendin van een ongelukkige die zij liefheeft, alles verwijderen moet wat haar toch al beneveld levenslicht nog erger verduisteren zou. De enkele naam van deze vrouw klinkt mij als een spotlied in mijn moeilijk verkregen rust. Ik wil dien niet meer hooren.”

Dat alles had zoo lief en innemend geklonken, dat Charmion's geraaktheid was versmolten als sneeuw voor de zon. Toch had zij haar met angstige voorgevoelens verlaten, daar Cleopatra, eer zij uit de kamer ging, in het voorbijgaan had opgemerkt, dat zij de zaak der zangeres in handen van Alexas had gegeven. Zij waardeerde nu dubbel dat zij een vrijen dag vóór zich had, want zij wist, hoe deze gewetenlooze gunsteling omtrent de jonge vrouw gezind was, en zij wilde met Archibius overleggen, hoe zij haar voor het ergste behoeden zou.

Toen zij eerst laat ter ruste ging, hielp haar daarbij de bruine kamervrouw, die uit haar ouderlijk huis meegekomen was naar het hof. Zij was uit Nubië geboortig waar zij gekocht was, toen het gezin van Alypius het kind Cleopatra naar het Isis-eiland Philae had gebracht.

Charmion, die in dien tijd een aankomend meisje was, hadAnukis, zoo heette de slavin, ten geschenke bekomen als eerste kamervrouw in haar eigen dienst, en het meisje had zich zoo verstandig, geschikt, voor ontwikkeling vatbaar en aanhankelijk getoond, dat hare meesteres haar medegenomen had tot haar persoonlijke hulp in het Koninklijk paleis.

Even innig als Charmion aan de Koningin was gehecht, was Anukis het aan haar. Zij had een hartelijke, onbaatzuchtige liefde opgevat voor haar meesteres, die iets jonger was dan zij, en haar sinds lang de vrijheid gegeven had, en Charmion had haar met zooveel vriendelijkheid bejegend, dat de belangen der Nubische bij haar eigene niet verre achterstonden. Haar eenvoudig doch scherp verstand en haar natuurlijke geestigheid hadden haar in het paleis een zekere vermaardheid doen krijgen. Cleopatra had zich menigmaal verwaardigd een snedig antwoord van haar uit te lokken, en ook Antonius had dat wel gedaan. Daar de licht gekromde rug die zij in haar jeugd had gehad, langzamerhand een bult geworden was, had hij haar den naam Aisopion gegeven, dat is de kleine, vrouwelijke Aesopus. Thans noemde iedereen in de omgeving der Koningin haar zóó, en ook, wanneer anderen, die lager geplaatst waren dan zij, dat deden, liet zij zich dat welgevallen, ofschoon haar vlugge geest haar menig scherp antwoord op een woord dat haar mishaagde, ingegeven had. Doch zij kende de levensgeschiedenis en de fabelen van Aesopus, die ook eens een slaaf was geweest, en vond het eervol bij hem te worden vergeleken.

Toen Charmion Cleopatra verlaten had en ter ruste wilde gaan, vond zij Barine reeds in vasten slaap, doch Anukis wachtte haar op, en hare meesteres besprak met haar de droeve vrees voor Barine, die de Koningin bij haar had opgewekt. Zij wist hoe de Nubische de jonge vrouw genegen was, die zij als kind reeds op de armen had gedragen, en wier vader Leonax dikwijls met haar geschertst had. Vol belangstelling had zij haar in haar verder leven gevolgd, en sedert Barine de gast harer meesteres was, had zij alles gedaan wat zij kon, om haar afleiding te geven en gerust te stellen.

Iederen morgen had zij de moeder van Barine bezocht om naar den toestand van Dion te vragen, en altijd goede tijdingen mee terug gebracht. Zij kende ook den zaakwaarnemer Philostratus en diens broeder, en daar zij Antonius, die zoo goedaardig met haar schertste, gaarne lijden mocht, had zij het betreurd dat zulk een gewetenloos man als Alexas zijn voornaamste vertrouweling was. Zij was ook op de hoogte van de aanzoeken, waarmede de Syriër Barine had vervolgd, en toen Charmion haar mededeelde dat de Koningin het lot van haar beschermeling in de hand van dezen man had gelegd, kreeghaar bruin gelaat een vale tint, doch zij bedwong zich om de ontzetting, die dit bij haar wekte, te verbergen.

Hare meesteres wist immers wat de keus van dezen rechter voor Barine beteekenen moest. Het zou haar verkeerd toegeschenen hebben hare nachtrust door de voorstelling van haar eigen zielsangst te storen. Het was goed dat Charmion den volgenden morgen vroeg Archibius, dien zij voor den wijsten van alle mannen hield, om hulp wilde vragen; maar toch stelde dat haar nog in geenen deele gerust. Zij kende de fabel van den leeuw en de muis, die men in haar land verteld had, al lang vóór den tijd van den dichter, aan wien zij haar bijnaam te danken had, en zij was zelve reeds meer dan eens in de gelegenheid geweest om een gewichtigen dienst te bewijzen aan menschen die veel grooter en machtiger waren dan zij. Om Charmion spoediger te doen inslapen en haar op andere gedachten te brengen, vertelde zij haar nu van Dion, dien zij heden veel beter gevonden had. Zij voegde er bij, hoe teeder hij Barine scheen te beminnen, en hoe aandoenlijk geduldig en haar vader waardig, zij de dochter van Leonax weder gevonden had.

Zoodra haar gebiedster sliep, ging zij naar de zaal, waar zij, in weerwil van het vergevorderde uur, mocht verwachten een deel van het dienstpersoneel te vinden, en overtuigd was als een zeer welkome gast te worden begroet.Toen kort daarna de lijfslaaf van Alexas verscheen, vulde zij zijn beker, zette zich naast hem neder, en zocht met alle middelen die haar ten dienste stonden, zijn vertrouwen te winnen. Dat gelukte de verstandige Nubische vrouw zoo goed, dat Marsyas, een aardige jonge Liguriër, toen zij weg gegaan was, aan de anderen verzekerde dat Aisopion met hare grappen en geschiedenissen de kunst verstond om de dooden weer levend te maken; met dat bruine monster ernstig te praten, zeide hij, was even prettig als te stoeien met zijn blonde geliefde.

Charmion ging den volgenden morgen weder van huis, en in dien tijd wist Anukis Marsyas weer te vinden, en hoorde van hem, dat Iras Alexas bij zich ontboden had, en op welk uur hij komen zou. Zijn heer scheen tegenwoordig met die slanke Macedonische jonkvrouw veel geheimen te moeten bespreken.

Voor Barine was het een teleurstelling, dat Anukis ditmaal geen nieuws medebracht van haar moeder en Dion, doch de Nubische verzocht haar geduld te hebben, en haalde boeken en een spinnewiel voor haar, om zich daarmede in de eenzaamheid den tijd te verdrijven. Zij zelve moest in de keuken gaan, omdat zij gisteren had gehoord dat de koks paddestoelen hadden gekocht, die wel eens vergiftig konden zijn. Zij kende echter de soorten goed uit elkander, en wilde ze daarom zelve in oogenschouw nemen.

Daarop ging zij door Charmion's slaapvertrek, in de gang, die de aangrenzende kamers der beide vertrouwelingen van de Koningin verbond, en sloop de vertrekken van Iras binnen. Zoodra Alexas binnenkwam, had zij zich verborgen achter een der tapijten, die de muren van de ontvangkamer geheel bedekten.

Nadat de Syriër weder vertrokken en Iras uit haar kamers geroepen was, keerde zij tot Barine terug en zeide dat er werkelijk vergiftige paddestoelen onder geloopen hadden, en nog wel van de gevaarlijkste soort. Men had die ook reeds gekookt, en daarom moest zij nu uitgaan om voor tegengif te zorgen. Daar kon Barine zeker niets tegen hebben, als zij wist dat meer dan één kostbaar menschenleven er mee gemoeid was.

»Ga gerust,« antwoordde deze vriendelijk. »Maar als gij nog de oude dienstvaardige Aisopion zijt, dan vreest gij zeker niet een kleinen omweg te maken.«

»En loopt eens aan in het huis naast den Paneumtuin,« viel de ander in. »Dat had ik mij toch al voorgenomen. Een smachtend verlangen is voor een minnend hart ook vergif, en dáárvoor is het tegengif: een goede tijding.«

Met een lachend gezicht liet zij nu haar lieveling alleen, doch nauwelijks was zij in de open lucht, of er kwamen diepe rimpels in haar bruin voorhoofd, en zij bleef een poos peinzend stilstaan. Vervolgens ging zij naar het Bruchium om een ezel te huren voor den tocht naar Kanopus, waar zij Archibius wilde opzoeken. Het was intusschen zeer moeielijk de plaats waar de ezels stonden, te bereiken. Op de kade tusschen de Lochias en den Muzenhoek was een groote volksmenigte bijeenverzameld, en troepen geringe lieden, matrozen en slaven stroomden nog altijd toe. Toch kwam zij eindelijk en ten laatste bij den ezelverhuurder, en terwijl de drijver haar hielp om het gekozen dier te bestijgen, vroeg zij hem, wat daar toch te doen was.

»Zij halen het huis van Didymus, den ouden man van het Museum omver,” was het antwoord.

»Hoe is dat mogelijk?” riep de Nubische vol schrik. »Die oude, kloeke man.”

»Kloek?” herhaalde de drijver smadelijk. »Hij is een verrader, die aan al het onheil mede schuld heeft.Dat heeft de pleitbezorger Philostratus, de broeder van den grooten Alexas en een vriend vanMarcusAntonius, zelf verzekerd. Hij wilde het ook bewijzen, en dus moet het wel waar zijn. Hoor zij eens schreeuwen! en wat vliegen die steenen! Ja, zijn kleindochter en haar geliefde hebben samen Koning Caesarion opgewacht, om hem het leven te benemen. Doch de wacht is bijtijds toegeschoten, en nu ligt hij gewond op zijn legerstede. Als degroote Isis niet te hulp komt, dan zal het wel spoedig gedaan zijn met den jongen Koning.”

Hierop keerde hij zich weder naar zijn ezel, gaf hem met zijn langen stok twee flinke slagen rechts en links op zijn rug, en riep hem toe: »Niet waar, grauwtje? het doet toch goed te hooren, dat er op een koninklijken rug ook nog wel een plekje is, waar de slagen vallen.”

Ondertusschen was de Nubische in tweestrijd of zij den ezel niet zou doen omkeeren en eerst bij Didymus aangaan. Doch Barine dreigde een grooter gevaar, en haar leven was kostbaarder dan dat van het oude paar. Dat gaf den doorslag, en zonder verder oponthoud reed zij voort.

De ezel en zijn drijver deden hun uiterste best, maar toch kwamen zij te laat. Anukis hoorde in het kleine paleis te Kanopus reeds van den portier, dat Archibius naar de stad was gegaan met den geschiedschrijver Timagenes, een oud vriend van hem, die tegenwoordig in Rome woonde, en nu als afgezant scheen gekomen te zijn.

Charmion was daar ook reeds geweest, en zij had haar broeder evenmin te huis gevonden. Daarom was zij hem in een wagen nagereden. Dat was slecht nieuws, dat bovendien noodlottig kon worden door het tijdverlies dat er van komen zou. Liep die ezel maar wat harder! Het is waar, Archibius had zijn stal vol paarden, maar wie was zij, om te durven wagen zich daarvan te bedienen. Toch had zij in verloop van tijd iets verworven dat haar met vele vrij- en hooggeborenen gelijk stelde: den goeden naam van betrouwbaarheid en verstand. Daarop rekende zij, en deelde den ouden, trouwen huismeester mede, zoo goed en zoo kwaad het ging, waarom het haar te doen was. Spoedig daarna geleide hij haar zelf met twee muildieren naar de stad en de tuinen van het Paneum.

Hij koos den naasten weg daarheen, door de Zonnepoort en de Kanopische straat. Daar wemelde het altijd van menschen op dezen tijd van den dag, maar nu was het er niet bijzonder druk. Ieder die tijd en gelegenheid had, was naar het Bruchium en de haven gegaan, om de teruggekomen schepen van de verslagen vloot te zien, een nieuwstijding te hooren, zich aan te sluiten bij de aankondigingen en optochten die te wachten waren, en—als de fortuin gunstig was—de Koningin tegen te komen en het volle hart lucht te geven in toejuichingen.

Toen de wagen links den hoek omgeslagen was en het Paneum naderde, werd voor het eerst de doortocht bemoeielijkt. Een talrijke schaar was bijeen aan den voet van den heuvel, op welks top het heiligdom van Pan zich prachtig verhief boven de uitgestrekte tuinen die er omheen lagen. De lange gestaltevan den pleitbezorger Philostratus viel de Nubische in het voorbij rijden dadelijk in het oog. Was die onheilstichter dan overal tegelijk? Doch ditmaal scheen hij tegenstand te ondervinden, want zijn rede werd door luid geschreeuw afgebroken. Juist toen het voertuig hem vlak voorbij reed, wees hij op de rij huizen, waartoe ook dat van de weduwe van den schilder Leonax behoorde, maar op deze beweging volgde een hevige tegenspraak.

Anukis begreep nu ook wat de menigte terughield, want toen de wagen bijna het doel van den tocht bereikt had, kwam hen een stoet gewapende jongelingen tegen. Met hun flinken in de Palestra gestaalden lichaamsbouw, en de krullende zwarte, bruine of blonde haren, boden zij een schoon schouwspel aan. Het waren leden van den epheben bond, welks hoofdman vroeger Archibius was geweest, en waartoe later Dion was gekozen. De jongelingen hadden gehoord wat er met hem was gebeurd, en dat hij door gevangenschap of misschien nog erger dingen werd bedreigd. In vroeger tijd zou het niet mogelijk zijn geweest zich tegen de handelwijze der Regeering te verzetten en over hun bedreigden vriend te waken, maar in deze ongeluksdagen moesten de machthebbers rekening met hen houden. Ofschoon zij innig gehecht waren aan de Koningin, en besloten hadden, in weerwil van haar nederlaag, voor haar in de bres te springen, zoodra dat noodig zou zijn, toch wilden zij niet dulden dat Dion gestraft werd voor een vergrijp, dat hem in hunne oogen tot eer verstrekte. Naarmate het hen meer ergerde dat de Raad der stad in dit geval dat toch een van hun medeleden betrof, zoo aarzelend optrad, waren zij zelve des te vaster besloten hem te beschermen. Zij waren het nog niet eens geworden over de vraag of voor den man, die den »Koning der Koningen” den zoon hunner gebiedster, had gewond, volledige vrijspraak of enkel een zacht oordeel mocht worden geëischt. Ook had de stille Cæsarion, die altijd gehoorzaam was aan zijn gouverneur, geenszins de kunst verstaan om de epheben voor zich te winnen. De verwijfde jongeling vertoonde zich nooit in de Palestra, al had zelfs de groote Marcus Antonius niet versmaad daar een bezoek te brengen. Hij had daar menigmaal aan de jongelingen proeven zijner reuzenkracht gegeven, en ook zijn zoon Antyllus nam dikwijls aan de oefeningen deel. De slag dien Dion aan Cæsarion gegeven had, was niet veel meer geweest dan een van die vuistslagen, zooals ieder die in het worstelperk van tijd tot tijd ontving.

Philotas van Amphissa, Didymus' leerling, had de jongelingen het eerst van den aanval in kennis gesteld, en al het mogelijke gedaan om weer goed te maken, wat hij tegen de kleindochtervan zijn leermeester had misdaan. Zijn oproeping had luiden weerklank gevonden. De epheben voelden zich sterk genoeg een vriend, wie dat ook zijn mocht, te beschermen, en zij wisten dat zij in het uiterste geval waren gedekt door den Raad, den Exegeet, den bevelhebber der stad, een flinkenMacedoniër, die eenmaal een sieraad van hun bond was geweest, en ook door het groote aantal cliënten van Dion en zijn geslacht. Geen enkele zwakkeling werd in hun midden geduld. Zij hadden ook reeds gelegenheid gehad hun naam te handhaven, want al waren zij ook te laat gekomen om het eigendom van Didymus voor schade te behoeden, toch hadden zij aan het tieren van het volk, dat door den pleitbezorger Philostratus opgestookt was, een eind gemaakt, en de menigte teruggedrongen, toen de Syriër die wilde leiden naar het huis van Barine om dat een zelfde lot te doen ondergaan.

Vóór het huis van vrouw Berenice stond reeds een ander voertuig, toen Anukis uit het hare stapte. Het was een van die, welke altijd ter beschikking waren voor de beambten der Koningin. Waren hier handlangers van Alexas aan het werk, of was hij misschien zelf reeds bezig Dion in het verhoor te nemen, of zelfs zich van hem meester te maken? De Nubische kende den wagendrijver, evenals allen die tot den dienst in het paleis behoorden, en vernam van hem, dat hij den bouwmeester Gorgias gereden had.

Anukis had dezen nog nooit ontmoet, hoewel zij gedurende de verbouwing van Cæsarion's woonhuis, hem dikwijls gezien en veel van hem gehoord had, ook dat het fraaie paleis van Dion zijn werk was. Hij was een vriend van den gewonde, dus behoefde zij hem niet te vreezen.

Zoodra zij het atrium binnentrad hoorde zij dat vrouw Berenice met Archibius en zijnRomeinschevriend was uitgereden. De arts had den gewonde verboden veel bezoek te ontvangen, maar toch was behalve de bouwmeester nog een vrijgelatene van Dion bij hem toegelaten.

De tijd drong; lieden van één stand en gelijke gezindheid begrijpen elkander. De oude portier en de Nubische waren beiden trouw gehecht aan hunne meesters en daarenboven landgenooten, dus had zij maar weinig woorden noodig om den poortwachter over te halen haar aanstonds aan de legerstede van den gewonde te brengen. Vóór de deur der ziekenkamer stond de vrijgelatene, een groote, donkerbruine, eenvoudig gekleede grijskop, dien zij voor een stuurman aanzag. Hij had nog geen toegang tot den lijder gekregen, maar dit scheen hem volstrekt niet te verdrieten; hij stond bedaard tegen den muur geleund naast de deur der ziekenkamer, en zag naar zijnbreedgeranden schippershoed, dien hij langzaam in de rondte draaide. Nauwelijks had Dion den naam Anukis gehoord of hij riep door de half geopende deur met levendigheid: »Laat zij binnen komen!”

Dat liet de Nubische zich geen tweemaal zeggen. Het scheen op haar bruin gelaat geschreven te staan dat iets ernstigs en dringends haar daar gebracht had, want op de eerste begroeting liet de gewonde dadelijk de angstige opmerking volgen, dat zij zeker niets goeds mede te deelen had.

Tot eenig antwoord knikte zij veelbeteekenend met het hoofd en wierp een zijdelingschen blik op den bouwmeester; Dion gaf hierop aan zijn vriend een korte verklaring wie zij was, en verzekerde van den anderen kant haar zelve dat hij alles, ook het grootste geheim, gerust hooren mocht.

Nu was dan ook alle vrees van haar geweken, en terwijl het zweet op haar voorhoofd parelde, gaf zij op een toon van ernstige waarschuwing te kennen dat zijn leven in groot gevaar was. Zij liet zich daarvan niet afbrengen toen hij zijn vertrouwen op de epheben te kennen gaf, die altijd bereid waren tot zijn bescherming, en op den Raad, die de zaak van een der leden tot de zijne zoude maken, doch zwoer hem zich zoo spoedig mogelijk in veiligheid te stellen, hetzelfde waarheen. Er werden reeds handen naar hem uitgestoken door machten, waartegen geen tegenstand baten zou. Maar ook deze verzekering bleek te vergeefs gedaan, want hij was overtuigd dat de invloed van zijn oom den zegelbewaarder, hem voor ieder wezenlijk gevaar behoedde. Nu besloot Anukis eindelijk te bekennen wat zij afgeluisterd had, doch sprak hierbij niet van Barine, noch van hetgeen haar dreigde. Ten slotte bezwoer zij hem met al het vuur van een trouw, bezorgd gemoed, toch hare waarschuwing niet in den wind te slaan.

Terwijl zij sprak, hadden de beide vrienden blikken van verstandhouding gewisseld, doch nauwelijks had de Nubische het laatste woord geuit of door de open gebleven deur trad de reuzengestalte van den vrijgelatene binnen.

»Gij hier, Pyrrhus!” riep de gewonde hem vriendelijk toe.

»Ja heer, ik ben het,” antwoordde de ander, en liet zijn schippershoed nog sneller draaien.»Ik ben anders geen man om aan deuren te luisteren, en kom ook nooit ongeroepen ergens binnen, maar wat daar zooeven gesproken werd, moest ik wel hooren, en het gekras van dien ouden ongelukskraai trok mij naar binnen.”

»Ik wilde,” hernam Dion, »dat gij verblijdender dingen hadt kunnen hooren; die bruine ongeluksvogel zingt anders vriendelijke liederen, en zij komen alle uit een trouw hart. Trouwens,als mijn stilzwijgende Pyrrhus zijn mond zoo wijd open doet, dan komt er zeker iets gewichtigs te voorschijn, en voor deze hier mag dat wel voor den dag komen.”

De schipper kuchte eens, drukte zijn groven, vilten hoed met zijn vereelte handen ineen, en zeide met zooveel ontroering en verlegenheid, dat zijn zware kin op en neertrok en zijn stem hem somtijds begaf: »Wanneer die bruinen vrouw te vertrouwen is dan moet gij van hier weg en naar een veilige schuilplaats heer. Ik kwam toch reeds hier om u die aan te bieden. Onderweg hoorde ik uw naam noemen. De menschen zeiden dat gij den zoon der Koningin een wond toegebracht hadt en daarvoor het hoofd zoudt moeten verliezen. Toen dacht ik: »dat zal niet gebeuren, neen, zeker niet, zoolangPyrrhusnog leeft, die eenmaal zijn jongenheer Dion leerde de roeiriemen te gebruiken en de zeilen te hijschen,—Pyrrhus en al zijn eigen volk.” Waartoe zou ik herhalen, wat wij beiden lang genoeg weten? Van mijn eerste schuitje en het stuk grond op ons eiland af, tot aan de vrijheid toe, zijn wij alles verschuldigd aan uw vader en aan u. Er rustte zegen op uw geschenk en op onzen arbeid, en nu is al het mijne het uwe. Ik behoef er niets meer bij te zeggen. Gij kent immers onze klip aan de andere zijde van den Alveus Steganus, ten Noorden der groote haven; het Slangeneiland heet het. Voor iemand die het water daar kent, is het gemakkelijk te bereiken, doch voor ieder ander even ontoegankelijk als maan en sterren. Zij worden al bang als zij den naam maar hooren, ofschoon wij dat ongedierte al lang hebben uitgeroeid. Mijn jongens, Dionysus, Dionichus en Dionikus—gij ziet, ieder heeft wat van Dion in zijn naam—wachten op de vischmarkt, en zoodra het donker wordt...”

De gewonde liet hem niet uitspreken, hij stak hem de hand toe en dankte hem hartelijk voor zijne trouw en goedheid, maar toch wees hij het welgemeende aanbod van de hand. Hij moest bekennen dat hij geen veiliger schuilhoek weten zou dan de klip, waaromheen altijd meeuwen vlogen, en waar Pyrrhus met zijn gezin een overvloedig bestaan vond in de vischvangst en den dienst als loods. Doch de bezorgdheid voor zijn toekomstige gemalin hield hem van het verlaten der stad terug.

De vrijgelatene gaf het daarom toch niet op. Hij herinnerde hoe spoedig men van zijn eiland in de haven kon komen en dat er dagelijks visch naar de markt werd gebracht, zoodat het hem aan berichten nooit behoefde te ontbreken. Zijn zoons waren precies als hij, en spraken ook geen onnoodig woord, beweerde hij. Zij waren daar zelfs afkeerig van, terwijl de vrouwen maar zelden het eiland verlieten. Zoolang zij de geliefde gasten herbergen zouden, mochten zij geen stap daarbuiten doen. Als hetnoodig was, kon zijn heer spoedig genoeg weder te Alexandrië zijn om zijn plicht te doen.

De bouwmeester vond in dit voorstel veel goeds, en hij mengde zich dus in het gesprek, om het verzoek van den vrijgelatene te ondersteunen; doch Dion hield ter wille zijner geliefde, zijn weigering zoolang vol, totdat Anukis die reeds lang verlangde naar Archibius te kunnen gaan, nu ook voor haar gevoelen uitkwam.

»Volg dien man daarheen, heer!” riep zij uit. »Ik weet wat ik weet. Ik zal aan onze Barine vertellen van uwe trouwe standvastigheid, maar hoe kan zij u ooit hare dankbaarheid betoonen, zoo gij moet sterven?”

Dit laatste woord en de mededeelingen die er op volgden, hadden een beslissende uitwerking, en zoodra Dion er in had toegestemd den vrijgelatene te volgen, maakte de Nubische zich gereed haar verdere plannen uit te voeren. Eerst echter hield de gewonde haar nog terug, om haar allerlei dingen voor Barine op te dragen, en daarna ook de bouwmeester, die geloofde dat hij in haar de rechte helpster gevonden had voor alles wat hij nog in het schild voerde.

In den vroegen morgen was hij uit Heroonpolis teruggekeerd, waarheen hij met andere vakgenooten had moeten gaan om te onderzoeken of de waterweg weder bruikbaar gemaakt kon worden. De uitkomst was zóó slecht geweest, dat hij bijna allen moed op de mogelijkheid verloren had, en op verzoek der anderen was hij naar de Koningin gegaan, om haar te overreden het veelbelovende maar in dien korten tijd onuitvoerbare plan te laten varen.

Hij had den nacht tot dag gemaakt, en was ook, zoodra Cleopatra was opgestaan, bij haar ontvangen. Er was een wagen voor hem beschikbaar gesteld, want hij had nog veel te doen gehad in het arsenaal en bij verschillende bouwwerken. Hij was toen uitgereden van de Lochias, om den muur te gaan bezichtigen, dien hij voor Antonius op den Choma had opgericht, en ook den Isistempel bij den Muzenhoek, waaraan Cleopatra een nieuw gedeelte wenschte toegevoegd te zien. Doch nauwelijks had hij het schiereiland verlaten, of hij werd in het Bruchium opgehouden door een woeste menigte die het huis van Didymus berende met balken en masten, en zich daarbij te verweren had tegen de epheben die haar aanvielen.

Eindelijk was hij door dien woedenden troep heen gedrongen, om het oude echtpaar en hunne kleindochter te hulp te komen. De slaaf Phryx was al bezig geweest om de booten, die in de haven lagen in gereedheid te brengen. Gorgias had moeite genoeg den grijzen philosoof te bewegen om met de zijnen hem naarden zeekant te volgen. Hij was integendeel juist voornemens zich vóór die woestelingen te plaatsen, en hen, zelfs al zou het zijn leven kosten, toe te roepen, dat zij jammerlijk misleid waren, en zich schuldig maakten aan een schandelijke euveldaad. Gelukkig kon de bouwmeester hem overreden met de opmerking, dat het een Didymus onwaardig zou zijn, als hij zijn leven, waarop de hulpelooze vrouwen en de geheele wereld, voor wie zijn geschriften wegwijzers waren naar het rijk der waarheid, recht hadden, wilde prijs geven aan ruwe barbaarschheid. Toch zouden de grijsaard en zijn gezin nog bijna in de handen der woedende menigte zijn gevallen, daar Didymus niet eerder wilde heengaan, dan nadat hij het een en ander, vooral een twintig of dertig kostbare boeken, in veiligheid had gebracht. Bovendien begreep zijn oude doove levensgezellin, die er anders gaarne in berustte wanneer haar zwak gehoor haar verhinderde de dingen te verstaan, nu volstrekt niet, wat er toch gebeurde. Zij wilde daarom dat ieder die in haar nabijheid kwam, haar dat zou uitleggen, en hield daardoor haar kleindochter Helena op, die er voor zorgen wilde dat de kostbaarste zaken van het huis gered werden. Door dat alles werd het vertrek vertraagd, en het was alleen te danken aan het flinke optreden van Philotas, Didymus' helper, en aan eenige epheben die zich bij hem voegden, dat zij nog ongedeerd ontkwamen.

De Scythische wacht die ten laatste een eind maakte aan het onzinnige woeden van het opgeruide volk, kwam te laat om het sloopen van het huis te voorkomen, doch zij redde Philotas en de epheben uit de handen en van de steenen der volksmenigte.

Eerst toen de booten een eindweegs de haven uitgezeild waren, was de vraag bij hen opgerezen waarheen de philosoof en zijn gezin de wijk zouden nemen. Het huis van Berenice werd evenzeer bedreigd, en de wetten van het Museum verboden dat dáárin vrouwen werden opgenomen. Vijf van zijn bedienden waren hun heer gevolgd, en in de huizen der geleerde vrienden van Didymus ontbrak het voor zoovele gasten aan ruimte..... Terwijl de grijsaard en Helena alle huizen waar zij wisten dat zij een onderkomen konden vinden, opsomden, kwam Gorgias met het verzoek aan, of men het verblijf in het zijne voor lief zou willen nemen. Hij had dit van zijn vader geërfd. Het was zeer groot en ruim, stond zoo goed als leeg, en was gemakkelijk te bereiken, daar het ten Noorden van het forum aan de zee lag. De vluchtelingen konden zich daar geheel vrij bewegen, daar hem nog zooveel arbeid te wachten stond, dat hij alleen den nacht onder zijn eigen dak zou kunnen doorbrengen. Hij wist de kleine bezwaren, diezijne beschermelingen opperden, spoedig uit den weg te ruimen, en een kwartier nadat zij den Muzenhoek verlaten hadden, mocht hij reeds de poort van zijn woning voor hen openen en hij deed dit met ware vreugde. De oude huisbezorgsters en de bewaarder die reeds in den dienst van zijn vader was vergrijsd, zetten een verbaasd gezicht, maar gingen ijverig aan het werk, zoodra Gorgias zijn gasten aan hun zorg had toevertrouwd. De gewichtige bezigheden die hem riepen, verhinderden hem zelf de plichten van een gastheer waar te nemen.

Didymus en zijn gezin had alle reden hem dankbaar te zijn, en toen de oude philosoof in de groote boekerij, die de bouwmeester hun tot verblijf had aangewezen, vele goede geschriften en daaronder vele van zijn eigen hand vond, staakte hij eindelijk het op en neder loopen, en ging rustig zitten. Daarbij viel hem ook weder in dat hij, op raad van een vriend, zijn vermogen aan een vertrouwd bankier ter bewaring gegeven had, en het leven scheen hem nu wel is waar nog donkergrijs, maar toch niet meer zoo zwart als eerst.

Gorgias had in korte woorden de Nubische van alles op de hoogte gebracht, en daarop had Dion haar medegedeeld dat zij Archibius met den Romeinschen vriend bij den broeder van vrouw Berenice, den philosoof Arius zou vinden. Deze lag even als hij, gewond op zijn legerstede, tengevolge van een overmoedige streek van Antyllus. Zij zou ook Barine's moeder bij Arius vinden. Zij kon hen dan in kennis stellen van het lot van Didymus en de zijnen, en hen mededeelen dat hij, Dion, van plan was een uur na zonsondergang hun huis en de stad den rug toe te keeren.

»Doch waarheen gij gaat,” viel Gorgias hem in de rede, »mag niemand, ook vrouw Berenice en Arius niet vernemen. Gij vrouw, ziet er naar uit alsof gij zwijgen kunt.”

»Hoewel zij,” viel Dion hierop in, »haar naam Aisopion aan de vlugheid harer tong te danken heeft.”

»Maar die tong,” verzekerde de Nubische, »is toch maar als de zilvervischjes met de roode stippels in den tuin der koningskinderen. Zij schieten rad genoeg voort, doch zoodra zij een gevaar duchten, liggen zij in het water zoo stil alsof zij vastgenageld waren. En, bij de groote godin Isis!—aan gevaren is in dezen droevigen tijd geen gebrek. Wenscht gij vrouw Berenice en de anderen nog voor uw vertrek te zien?”

»De moeder, ja;—Arius' zonen zijn flinke jongens, maar heden is het toch beter, dat zij hier niet aan huis komen.”

»Zeker!” zeide Gorgias. »Ook hun vader zou goed doen als hij een schuilplaats zocht. Hij is nog altijd in goede verstandhouding met Octavianus. Het is echter wel mogelijk dat deKoningin hem wenscht te gebruiken. In dat geval kan hij misschien nog van nut zijn voor Barine, die toch het kind zijner zuster is. Timagenes, die uit Rome als bemiddelaar komt, krijgt ook veel invloed.”

»Op diezelfde gedachte” zeide Anukis »is mijn arm hoofd ook al gekomen. Nu ga ik mijn heer het gevaar aantoonen dat de jonge vrouw bedreigt, en als het mij gelukt.... Maar wat zou een dienares, die er uitziet als ik, kunnen uitrichten? En toch...mijn huis staat dichter bij den oever van den stroom dan dat van de meeste anderen, en als ik er een blad in werp, dan draagt hij dat misschien naar de goddelijke zee.”

»Die wijze Aisopion!” riep Dion uit; maar de wakkere Nubische haalde haar hooge schouders op, en zeide: »Men behoeft niet vrij geboren te zijn, om zich te verheugen in hetgeen recht is, en als wijs zijn beteekent: zijn hoofd gebruiken om te denken, en met zijn wil alles bevorderen wat goed en rechtvaardig is, dan moogt gij mij, wat mij betreft, zoo noemen. Dus na zonsondergang vertrekt gij?”

Zij wilde zich verwijderen, doch de bouwmeester, die iedere uitdrukking van haar gelaat had bespied, had een besluit genomen, en verzocht haar hem te volgen.

Toen zij in het zijvertrek waren, verlangde hij van haar een nauwkeurig verslag omtrent Barine en wat haar dreigde. Nu beraadslaagden zij te zamen over hetgeen er te doen stond alsof zij zijnsgelijke was, en daarop reikte hij haar de hand tot afscheid, en zeide: »Als het mogelijk is, om haar zonder dat zij herkend wordt naar den Isistempel te brengen, dan kan deze duisternis nog licht worden. Van het eerste uur na zonsondergang af ben ik te vinden in het heiligdom. Ik heb daar opmetingen te doen. Wanneer gij beweert te weten dat de hemelsche machten zich erbarmen over de onschuldigen, die zij tot aan den rand van den afgrond hebben gebracht, dan hebt gij in dat geval misschien gelijk. Het komt mij voor, alsof de dingen hier samenloopen op een wijze, die door degenen die het hoorden vertellen, niet geloofd zou worden.”

Toen Aisopion weg was, ging Gorgias naar zijn vriend terug, en verzocht den vrijgelatene dat hij met zijn schuit gereed zou liggen op een plek aan den oever, die hij hem nauwkeurig aan gaf. Daarna waren de vrienden weder alleen.

Gorgias had handen vol werk, maar hij kon toch niet nalaten aan Dion zijn verbazing te kennen te geven over de kalmte die hij bewaarde. »Alsof zij naar Kanopus moesten om oesters te eten,” besloot hij, en schudde daarbij zijn hoofd, als over iets, dat hem te hoog was.

»Wat wilt gij dan?” vroeg de andere. »U kunstenaars, laatde gevleugelde phantasie altijd een toekomst zien, die aan uwe bewegelijke stemming beantwoordt. Zijt gij vol hoop, dan maakt gij een aardigen tuin tot de Eliseesche velden; vreest gij iets, dan ziet gij, als het dak brandt, de geheele wereld opgaan in de vlammen. Wij, aan wier wieg de Muze niet verschenen is, en die alleen ons overleggend verstand gebruiken om te zorgen voor ons eigen welzijn en dat van ons huis en den Staat, wij zien de dingen zooals zij zijn, en behandelen de omstandigheden als de getallen in een rekenopgaaf. Ik weet dat Barine bedreigd wordt. Dat zou mij het verstand kunnen doen verliezen; maar achter haar zie ik Archibius en Charmion staan, als met uitgespreide vleugelen om haar te beschermen. Ik zie ook de vrees van al mijne vrienden, met inbegrip van het Museum, van den Raad, waartoe ik behoor, van mijn cliënten en de tijdsomstandigheden, die verbieden de misnoegdheid der burgerij te wekken.—En nu het resultaat dat ik uit de juiste bijeenvoeging van al deze bekende grootheden verkrijg....”

»Dat zal even lang het ware zijn,” viel zijn vriend in, »als de onberekenbaarste van alle factoren, de hartstocht, er zich niet in mengt, de hartstocht eener vrouw, en de Koningin behoort tot het, op het gebied van den hartstocht, stellig sterkere geslacht.”

»Toegegeven! Doch zoodra Marcus Antonius terugkeert, zal het blijken, dat haar jaloerschheid haar heeft doen dwalen.”

»Dat willen wij hopen. Het is ook alleen de op dwaalsporen geleide, bedrogen, verkeerd ingelichte Cleopatra, die ik vrees, want in den grond heeft zij in goddelijke goedheid haar gelijke niet. De vriendelijkheid waarmede zij aller harten wint, is onbeschrijfelijk. En dan die ijzeren kracht van haar geest! Ik zeg u Dion....”

»Vriend, vriend!” viel deze hem glimlachend in de rede, »wat vliegen uwe wenschen weer hoog! Sedert drie jaren heb ik al de branden in uw hart opgeteld. Ik geloof dat wij aan de zeventiende gekomen waren, maar deze laatste telt dubbel.”

»Dwaasheid!” riep de bouwmeester verachtelijk. »Zou men niet meer mogen erkennen wat heerlijk, wonderbaar, éénig is? Dat is zij! Kort geleden—wanneer was het ook weer?—kwam zij mij tegemoet in een glans van schoonheid....”

»Dat gij ditmaal wel zorgen moogt uwe oogen te bewaken. En toch spraakt gij nog zooeven zoo vurig over uwe jonge gast, van de liefdevolle zorg, de bevallige bedaardheid die Helena midden in het dreigende gevaar....”

Nu viel de bouwmeester knorrig in: »Alsof ik één syllabe daarvan wilde terugnemen! Helena wordt door geen enkele Alexandrijnsche jonkvrouw geëvenaard, maar die andere, zij,Cleopatra.... Zij is nu eenmaal in haar goddelijke majesteit boven al het menschelijke verheven. Dien spottenden trek om uw mond kondet gij mij en uzelven ditmaal wel sparen! Als zij u even als mij aangezien had met die vochtige, diepe, weemoedige oogen, en over haar ongeluk gesproken had, dan zoudt gij hand aan hand met mij voor haar door water en vuur gaan. Ik behoor juist niet tot de lichtbewogen menschen, en sedert mijn vader gestorven is, heb ik enkel bij anderen tranen gezien; doch toen zij sprak van het mausoleum, dat ik voor haar bouwen moest, omdat het noodlot haar, wie weet hoe spoedig, zou kunnen noodzaken een toevlucht te zoeken in de armen van den dood, toen was het met mijn zelfbeheersching gedaan. En zooals zij mij toen telde onder de vrienden, op wie zij zich verliet, en mij haar hand toestak—die hand, zooals er geen tweede is—toen, ja lach maar, als gij den moed daartoe hebt, ik weet zelf niet wat mij toen bezielde, maar ik voelde mij tot haar aangetrokken, en terwijl ik haar—de hand bedoel ik—kuste, werd zij misschien nat van mijn tranen. Ik schaam mij niet over die aandoening, en mijne lippen schijnen mij gewijd door de aanraking van die bleeke, kleine godenhand, die haar eigen taal spreekt, en die mij, waarheen ik den blik ook sla, voor oogen zweeft.”

Gorgias streek zich het zware haar uit het gelaat, schudde het hoofd alsof hij ontevreden over zichzelf was, en ging op een anderen toon voort: »Maar de tijd is slecht gekozen voor zulke ontboezemingen. Ik sprak van het mausoleum, dat de Koningin wil laten bouwen. Morgen wenscht zij het eerste vluchtige ontwerp er van te zien. Ik zie het reeds duidelijk voor mij. Het moet naast den tempel van Isis, haar eigen godin staan... Ik sloeg voor het te plaatsen in het groote heiligdom in de Rhakotis bij het Serapeum. Dat keurde zij niet goed...zij wilde het dicht bij het paleis op de Lochias hebben. Zij had zich den tempel in den Muzenhoek in het hoofd gesteld; maar het huis van Didymus stond een gebouw van grooter omvang in den weg. Als men dit weg dacht, dan zou men een weg kunnen aanleggen door den tuin van den ouden man heen, misschien zelfs langs de zee. Wij zouden ruimte gekregen hebben voor een reusachtig gebouw, en er zou toch nog altijd een fraaie tuin over gebleven zijn. Maar wij hadden gehoord hoe Didymus gehecht is aan zijn oude eigendom. Het zou de Koningin stuiten den grijsaaard met geweld te dwingen... Zij is rechtvaardig, en wellicht wordt zij gedreven door redenen die ik niet ken.... Ik heb daarom beloofd naar een andere plek uit te zien, hoewel ik zag, hoe zij er op gesteld was dat haar grafteeken met het heiligdom der godin verbonden zouzijn.... En ziet.... Ik heb het aan die slimme bruine heks al verteld—daar lieten de hemelsche machten, de goden, het noodlot, of hoe men anders de kracht noemen wil die de wereld en ons bestaan naar eeuwige wetten en naar haar eigen, geheimzinnigen, almachtigen wil bestuurt, een schelmstuk gelukken, waaruit redding voor u, en voor de Koningin iets wat in dezen moeilijken tijd haar zeer welgevallig zal zijn, schijnt te zullen voortkomen.”

»Mensch, mensch!” viel Dion weder in. »Waarheen zal deze nieuwe hartstocht u nu weder voeren? Daarbuiten trappelen de wachtende paarden, de plicht roept den plichtmatigsten van alle menschen, en alsof hij een ziener ware, vermeit hij zich in duistere uitspraken!”

»Maar waarvan de zin en inhoud,” hernam Gorgias, »u, met al uw koele berekeningen van gegeven omstandigheden, spoedig niet minder wondervol schijnen zal dan mij, al is het, volgens u, mijn onstuimig kunstenaarsbloed, dat mij parten speelt. Nu nog slechts dit ter verklaring: het huis van Didymus wordt aanstonds door mijne bouwlieden in beslag genomen, en ik onderzoek de benedenruimte van den Isistempel. Ik heb de volmacht bij mij om daar naar welgevallen te werk te gaan. Cleopatra heeft mij zelve de bouwplannen laten zien, ook dat geheimzinnige, waarop de loop der onderaardsche gangen aangeduid wordt. Er zal nu ook voor u eenig licht vallen op mijn duistere uitspraken, als ik u later door een van die geheime gangen aan uwe vijanden ontvoer. Men heeft u terecht verzwegen aan welk een dunnen draad het zwaard boven uw hoofd heeft gehangen, ondanks uw rekenopgaaf. Thans, nu ik de mogelijkheid inzie het op zijde te schuiven, mag ik het u aanwijzen. Morgen reeds zoudt gij reddeloos in de handen van wreede vijanden zijn gevallen en door uw eigen zwakken oom smadelijk prijsgegeven zijn, wanneer de onverzoenlijkste van allen zich niet het schandelijke genoegen had gegund de hand te slaan aan het huis van den grijsaard. Gij weet wat ik meen, wanneer niet de Koningin door een verpletterenden tijding op de gedachten gekomen was, voor zich zelve een mausoleum te laten bouwen. De gang,” en hij liet zijn stem dalen, »waarvan ik sprak, komt uit vlak bij het stuk grond van Didymus aan de zee; daar leid ik u door, en als het kan en noodig is, ook Barine. Op den gewonen weg zou men zoo iets slechts met het grootste gevaar kunnen bewerkstelligen. Als wij de gang gebruiken, dan komen wij ongezien aan een donkere plek aan het strand, en de vlucht blijft, als er geen bijzonder ongeluk gebeurt, onopgemerkt. De draagstoel en uw waggelende gang zouden, indien wij ergens anders aan de haven in de boot wilden gaan, alles verraden.”

»En dan willen wij, verstandige menschen, aan geen wonderen, gelooven!” riep Dion, en stak zijn vriend zijn witte hand toe. »Hoe zal ik u genoeg danken, gij lieve, verstandige, trouwste vriend van uw vrienden, met het hart zonder trouw voor uw vriendinnen. Voeg dit booze woord bij de andere van vroeger, waarvoor ik u nu om vergeving vraag. Wat gij voor mij en Barine wilt doen, geeft u het recht, mij uw leven lang al het kwaad aan te doen en te hooren te geven, wat gij maar wilt. Bezorgdheid voor haar zou mij heden avond, als het ernst geworden was met onze poging tot ontvluchten, zeer zeker aan dit huis en deze stad geboeid hebben gehouden, want zonder haar heeft het leven nu geen waarde meer voor mij. Doch wanneer ik mij voorstel dat zij mij zou kunnen volgen naar die klip van Pyrrhus...”

»Vlei u niet met die hoop,” verzocht de bouwmeester. »Daar zou zij misschien wezenlijk hinderpalen ontmoeten.—Overigens, ik moet later nog eens met de Nubische overleggen. De anderen niet te na gesproken, houd ik haar raad toch voor den besten. Zij weet hoe het bij de grooten toegaat, en behoort zelve tot de kleinen. Buitendien heeft zij door Charmion toegang tot de Koningin, en niets wat er aan het hof geschiedt, ontgaat haar. Zij deed mij ook inzien dat wij de uitlevering van Barine aan Alexas als een geluk moesten beschouwen. Hoe licht had het niet kunnen gebeuren dat zij, wier wenschen altijd daden worden, wanneer zij den al te grooten ijver harer levende werktuigen niet beteugelt, door jaloerschheid tot een gruwelijke misdaad ware gedreven! Iemand die zelf door het lot met zoo harde slagen getroffen wordt, haast zich maar zelden anderen daarvoor te behoeden, wanneer de zorgen, die als een berg op haar drukken, zich maar tusschen de Koningin en de jaloersche verbolgenheid plaatsen, die voor hare groote ziel werkelijk te klein is!”

»Wat is groot of klein voor het hart eener minnende vrouw?” vroeg Dion. »In ieder geval doet gij wat gij kunt om Barine buiten de macht der vertoornde vorstin te brengen, dat weet ik.”

Gorgias drukte zijn vriend met warmte de hand, en door een plotselinge ingeving gedreven, kuste hij hem daarbij op het voorhoofd, en haastte zich naar de deur. Op den drempel werd hij door een zacht steunen van den gewonde teruggehouden. Zou hij zich dienzelfden avond reeds sterk genoeg gevoelen den langen tocht door de onderaardsche gang te doen?

Dion verzekerde, dat hij dat stellig geloofde, maar tegelijk verried zijn hooger gekleurd gelaat dat de reeds verdwenen koorts teruggekeerd was.

Gorgias sloeg den blik nadenkend naar den grond. Vele ziekendie genezing behoefden, werden naar den tempel der godin gebracht, daarom kon de verschijning van Dion op die plaats niet bijzonder de aandacht trekken. Daarentegen scheen het gevaarlijk aan vreemden op te dragen den zieke door de gang te leiden. Hij zelf was sterk genoeg, maar het zou voor den allersterkste een onmogelijkheid zijn het zware lichaam van den langen man in gebukte houding tot aan de zee te dragen; want de gang was laag en van aanzienlijke lengte. Maar als het noodig was, dan zou hij het beproeven. Hij riep hem vertroostend toe: »Als uw kracht niet toereikend is, dan vinden wij er wel iets anders op!” en nam daarmede afscheid. Vervolgens schreef hij aan Barine'skamervrouwen den lijfslaaf van den gewonde voor, wat zij moesten doen, beval den poortwachter iederen bezoeker, wien ook, met uitzondering van den arts, den toegang te weigeren, en kwam eindelijk weder in de open lucht.

Voor het huis liep een kleine schaar epheben heen en weder. Anderen hadden zich neergezet op een grasperk, langs de struiken van den Paneumtuin naast het huis, en deden den edelen wijn eer aan, dien Dion's keldermeester, op bevel van zijn heer, hen hier geschonken had.

Het was een vroolijk tooneel; want cliënten van den lijder, die nadat zij hunne deelneming betuigd hadden, door den portier waren afgewezen, en aardig gekleede meisjes hadden zich bij de epheben gevoegd. Het ontbrak daarbij niet aan scherts en lach, en wanneer een bevallige jonge moeder of slavin voorbij kwam met kinderen, die in dezen tuin altijd bij voorkeur speelden en stoeiden, dan werd menig dartel woord gewisseld.

Gorgias wuifde de jongelingen vroolijk toe, verheugd over de frissche levenslust, waarmede de flinke knapen de plichtsvervulling tot een feest maakten, en menige ephebe hief den beker op om den beroemden kunstenaar, die nog niet zoo lang geleden een der hunnen was, een vroolijk »Io” en »Evoë” toe te drinken.

Een der eersten daarbij was een slank jongeling, de student Philotas uit Amphissa, Didymus' helper, dien Gorgias vóór enkele dagen uit de macht der demonen van de wijn had helpen verlossen. Terwijl de bouwmeester hem, uit zijn tweewieligen wagen, vriendelijk groette, viel de gedachte hem in, dat die aardige jongen, die zoo ernstig tegen Barine en Dion had misdreven, wel de rechte kon zijn om zijn vriend door de onderaardsche gang naar de zee te dragen. Als Philotas de man was, voor wien Gorgias hem hield, dan moest het hem als een geschenk voorkomen, wanneer hij zijn misdrijf bij de betrokken personen weer goed kon maken, en hij had zich daarin niet vergist. Nadat de jongeling eerst plechtig gezworen had dat hij, tegen ieder, wie het ook mocht zijn, er van zouzwijgen, vroeg de bouwmeester hem af, of hij hem bij de redding van Dion terzijde wilde staan. Overvloeiend van dankbaarheid toonde Philotas zich dadelijk daartoe bereid, en beloofde dat hij op het bepaalde uur aan de opgegeven plaats bij den Isistempel op hem zou wachten.

Terwijl Gorgias bezig was in den Isistempel deonderaardscheruimte te onderzoeken, keerde Charmion, vroeger dan zij had gedacht, op de Lochias terug. Zij had haar broeder, niet te Kanopus, maar bij vrouw Berenice gevonden, en hem na een kort bezoek aan het ziekbed van Dion, deelgenoot van hare vrees gemaakt. Aan hem alleen vertrouwde zij het geheim toe dat de Koningin het lot van Barine in handen van Alexas had gelegd. Dit bericht zou de moeder der bedreigde jonge vrouw allicht tot wanhopige stappen hebben gebracht, want zelfs de onverstoorbaar kalme Archibius bleef zich zelven daarbij niet meester. Het liefst had hij zich onmiddellijk toegang tot de Koningin verschaft, als het moest zijn, met geweld, maar hij werd gewacht door den uit Rome gekomen geschiedschrijver Timagenes. Deze was niet als gewoon burger in zijn vaderstad wedergekeerd, maar met de opdracht van Octavianus, om als bemiddelaar een eind te maken aan den strijd, die bijActiumimmers te zijnen gunste was beslist. De keus van dezen tusschenpersoon was gelukkig, want hij had Cleopatra in hare jeugd onderwezen, en was nog dezelfde strijdlustige man gebleven, die haar dikwijls tot tegenspraak geprikkeld had. Toen hij deelgenomen had aan een volksopstand tegen de Romeinsche overheid, was hij als slaaf naar de Tiber gevoerd. Hij was echter spoedig weder vrijgekocht en tot zulk een aanzien gekomen, dat Octavianus hem, die zoo goed bekend was in Alexandrië, deze gewichtige zending had toevertrouwd. Archibius had afgesproken hem te ontmoeten bij Arius, die nog altijd niet hersteld was van de kwetsuren, die hem door de wielen van Antyllus' wagen waren toegebracht, en zoo geleidde vrouw Berenice Timagenes naar haar broeder. Charmion mocht hen daar niet volgen, want men zou haar een bezoek bij den voormaligen Mentor van Octavianus euvel geduid hebben. Daarenboven verzette hare fijngevoeligheid zich ook tegen het denkbeeld,om juist nu in aanraking te komen met den vriend van den vijand en overwinnaar harer gebiedster.

Zij liet dus haar broeder alleen met vrouw Berenice naar het huis van den gewonde rijden, doch Archibius had haar eer zij scheidden, beloofd, dat hij in het ergste geval het uiterste beproeven zou, om de Koningin, die haar verboden had van de jonge vrouw te spreken, de oogen te openen en Alexas den voet dwars te zetten.

Uit den tuin van het Paneum, had zij zich naar de Kanopische straat en in de Jodenwijk laten dragen, waar zij allerlei gewichtige zaken voor Cleopatra moest inkoopen. Het was reeds langs over den middag, toen zij in haar draagstoel weder voor het paleis op den Lochias verscheen. Onderweg had zij reeds een droevig besef van haar eigen machteloosheid gehad. Zonder zelfs ook maar het geringste te hebben uitgericht, moest zij afwachten hoe andere daarin zouden slagen, en nauwelijks had zij den drempel van het paleis overschreden, of bij de oude zorgen, die hare ziel reeds zwaar genoeg drukten, kwamen nog nieuwe.

Zij verstond de kunst in de gelaatstrekken der hovelingen te lezen, en die van den poortwachter hadden haar al dadelijk doen zien, dat er in hare afwezigheid iets noodlottigs was gebeurd.

Het lag niet in haar aard om de onvrijen en minderen van het dienstpersoneel om inlichting te vragen, en dit deed zij dan ook niet, hoewel het in het paleis wemelde van wachters, beambten van allerlei soort, dienaren en slaven. Menigeen, die haar in het oog kreeg, zag haar aan met die eigenaardige schuwheid, die men gewoonlijk heeft voor iemand wien iets treurigs boven het hooft hangt. Anderen daarentegen, met wie zij in nadere betrekking stond, liepen op haar toe om zich het droevige genoegen te gunnen de eerste berichtgever van slecht nieuws te zijn. DochCharmionstapte met ernstig afwerende blikken en woorden hen allen voorbij, totdat zij voor de deur van de groote wachtzaal, die overvol was met Aegyptische en Grieksche houders van verzoekschriften, den zegelbewaarder Zeno ontmoette. Dezen hield zij aan, om van hem te hooren wat er was geschied.

»Sedert wanneer?” vroeg de oude hoveling.»Iedere minuut heeft iets nieuws gebracht, en alles was even diep bedroevend. Welk een tijd, Charmion, en welk een onheil!”

»Toen ik uitging,” antwoordde zij, »was er nog geen bode aangekomen. Nu is het alsof bij dit oude monster van een paleis, dat toch al aan zoovele verschrikkingen gewend is, de adem stilstaat. Zeg mij ten minste de hoofdzaak, eer ik mijn gebiedster terugzie!”

»De hoofdzaak? Pest of hongersnood,—wat moet men het ergste noemen?”

»Spoedig Zeno, ik word gewacht.”

»Ik zelf heb ook haast, en er is ook waarlijk niets te vertellen waarbij men gaarne zou stilstaan. Vooreerst is Canidius gekomen, in eigen persoon en onmiddellijk uit Actium. Die man is stoutmoedig genoeg.”

»Is het leger te land ook verslagen?”

»Verslagen, verstrooid, overgeloopen; vooraan Koning Herodes met zijn legioenen.”

Nu sloeg Charmion hare handen voor het gelaat, en steunde luid, doch Zeno ging voort:

»Gij waart immers mede op de vlucht. Toen Marcus Antonius van u scheidde, zeilde hij met de schepen, die zich bij het zijne hadden gevoegd, op Parætonium aan. Daar stond een groote strijdmacht nog ongerept, waarop de Vorstin en Mardion hunne hoop vestigden. Andere troepen zouden zich bij deze kunnen aansluiten, en dan hadden wij weder een sterk leger tot onze beschikking.”

»Pinarius Scarpus staat aan hun hoofd; hij is een beleidvol krijgsman, en ik zelve dacht....”

»Hoe meer vertrouwen gij in hem steldet, hoe grooter uw dwaling was! Die vervloekte schelm, die zoo veel aan Antonius te danken heeft, had reeds tijding uit Actium ontvangen, vóór de schepen kwamen, en toen de imperator zelf verscheen, was hij reeds tot Octavianus overgeloopen. De ellendeling liet al de veteranen die zich tegen dit verraad verzetten, dooden. De dappere bezetting der stad was echter niet voor de snoode daad te winnen. Aan haar heeft Marcus Antonius het te danken dat hij nog leeft, en geen schandelijken dood vond door zijn eigen troepen. Nu heeft een ruiter de tijding gebracht, dat heden avond de verslagene hier zal terug komen. Om onbekende redenen stapt hij niet op de Lochias uit, maar in het kleine paleis op den Choma.”

»Arme, arme Koningin!” riep Charmion uit. »Hoe heeft zij dat alles gedragen?”

»Tegenover den verslagen Canidius en den bode van Antonius gedroeg zij zich als een heldin. Maar daarna.... het is waar, het jammeren duurde niet lang, maar dat stomme, wanhopige stilzwijgen.... Eer zij weder geheel zich zelve geworden was, zond zij ons allen weg, en ik heb haar nog niet wedergezien. Doch alles wat hier binnen leeft van gedachten en gevoel,”—en hij wees daarbij op voorhoofd en borst—»dat heeft van dat oogenblik af zijn woonplaats verlaten en blijft bij haar. Als een mensch zonder ziel waggel ik van de eene plaats naarde andere. O, Charmion, wat is ons overkomen! Waar zijn de tijden gebleven, toen kommer en vrees begraven lagen bij de andere dooden; die dagen en nachten, toen mijn geest zich verbond met dien der vorsten, om eene droeve aarde te herscheppen in de bloeiende velden der zaligen, den gewonen dag in een feest, en het feest in Olympisch genot? Welke fonkelnieuwe heerlijkheden had ik niet voor het overwinningsfeest, den triomf, ja zelfs voor den intocht in Rome ontworpen en gedicht! Mijn plannen, programma's, teekeningen en verzen vullen geheele kisten. Allen, die het timmermanslood, den kwast en den beitel hanteeren, die verzen en muziek maken, zouden mij hebben bijgestaan, en, dat kunt gij gelooven, het zou iets éénigs geworden zijn, waarvan het late nageslacht nog spreken zou, dat men zou geprezen en bezongen hebben. En nu—en thans?”

»Thans verdubbelen wij onze krachten, om te redden wat nog te redden is.”

»Nog te redden?” herhaalde de hoveling dof. »De Vorstin klampt zich trouwens ook nog vast aan dit schoone woord. Toen ik haar gisterennacht aan het werk zag, was het mij voortdurend alsof ik haar water zag gieten in het bodemlooze vat der Danaïden. Het is waar, heden, toen ik haar verliet, liet zij de armen zinken—en zóó—zoo staat zij mij nu voor mijn vochtige oogen, zoo.... Daarbij kan ik mijn neef Dion ook niet uit mijn gedachten bannen. Zorgen, niets dan zorgen, ook wat hem betreft! En ik meende het zoo goed met hem. In mijn testament vermaak ik hem alles wat ik bezit; maar nu wil hij in vollen ernst in den echt treden met de zangeres, de dochter van den schilder Leonax. Gij hebt op u genomen haar te beschermen;—doch uw eigen nicht, Iras, ligt u toch zeker nader aan het hart, en daarom zult gij wel goed vinden dat ik, als Dion bij zijn voornemen volhardt, het testament verscheur. Hij krijgt geen penning van mijn vermogen als hij de vrouw niet opgeeft, die de Vorstin een doorn in het oog is. Dat past nu eenmaal niet in ons oud, eerwaardig geslacht. Iras daarentegen is Dion's speelnoot, en ik heb haar sinds lang voor hem bestemd. Men kan geen verstandiger echtgenoot bedenken, en die daarbij de Koningin welgevalliger is. Hij was haar genegen, totdat de zangeres hem inpakte. Breng hen weder tot elkander, en ik zal hen als mijn eigen kinderen beschouwen. Indien de dwaas zijn oom, die enkel zijn welzijn beoogt, tegenstreeft, dan trek ik mijn hand van hem af. Hoe zijne vijanden ook tegen hem samenspannen,ik sla mijne armen over elkander, en zie het kalm aan. Ik neem de plaats in van zijn vader, mijn overleden broeder, en ik eisch gehoorzaamheidvan hem. De Koningin is mijn alles, en hare genade is mij meer waard dan twintig weerspannige neven.”

»Gij zult de gunst der Vorstin toch wel behouden, al komt gij op voor den zoon uws broeders.”

»En Iras dan? Als zij zich door hem bedrogen ziet,—en dat doet zij nu reeds—dan zal zij niet rusten....”

»Totdat zij hem in de ellende heeft gestort,” voltooide Charmion den volzin, meer bezorgd dan verwijtend, en alsof zij het naderend onheil reeds vóór zich zag.

»Maar Iras staat niet nader bij de Koningin dan ik, en wanneer gij en ik, hand aan hand het onze doen om den wakkeren jongen man, die van uw eigen bloed is, te beschermen....”

»Ja, dat is waar.... gij staat zeker, ook om uw langeren diensttijd, nader bij de Koningin dan Iras... intusschen.... zulke dingen moeten wel overwogen worden, en ik heb het u immers al gezegd:... mijn geest heeft de oude woonplaats verlaten om de Vorstin als haar schaduw te volgen. Alleen datgene wat haar betreft, boezemt hem nog belang in. Al het andere mag gaan zooals het wil! De vloot is zoo goed als vernield, Canidius verslagen, Herodes tot den vijand overgeloopen, verraad op verraad,—en de Afrikaansche legioenen verloren. Hoe heet de god die het rad, dat in zijn vaart den berg afrolt, zou kunnen terug wentelen naar den top? En toch—laat ons offeren, vriendin, en op beter dagen hopen!”

De zegelbewaarder verwijderde zich, doch Charmion ging met gebogen hoofd verder, om bij Barine en haar trouwe Anukis tot zich zelve te komen en uit te weenen, voor dat zij de taak aanvaardde om hare dierbare meesteres te troosten en op te beuren. En toch had zij zelve zóózeer een vriendelijke toespraak noodig! Waarheen zij den blik ook wendde, overal zag zij ongeluk, gevaar, verraad en schandelijke listen. Het was haar te moede alsof zij lang genoeg had geleefd, en haar tijd nu voorbij was. Haar zachtmoedige aard, haar geest, die zich zoo gaarne in iets verdiepte, zich verrijkte, en wat zij verkregen had, met een ander deelde, had tot nu toe de Koningin veel kunnen schenken. Niet alleen was zij Cleopatra's vertrouwde geweest, maar de Koningin had haar ook noodig gehad om met haar de vragen te bespreken die haar rusteloos brein, midden onder de dagelijksche plichten, bezig hielden. Nu waren het gebeurtenissen, harde, wreede feiten, die de Koningin geheel en al in beslag namen, waaraan zij weerstand bieden, en die zij ten goede leiden moest. Haar leven was een en al strijd geworden, en Charmion voelde zich niets minder dan strijdlustig.


Back to IndexNext