VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De harde, buigzame, scherp geslepen geest van Iras zou zich nu beter doen gelden, en de vrouw wier haren reeds grijswerden, zeide tot zichzelve dat het nu haar plicht was de jongere gezellin te laten voorgaan. Het zou haar rust gegeven hebben indien zij haar ambt had kunnen neerleggen, maar hiertoe kon zij niet besluiten. Juist omdat deze tijd zoo vol ellende was en misschien tot val en ondergang leiden kon, moest zij volharden, vooreerst ter liefde van de Koningin, en dan ook om over Barine te waken.

Nu moest zij weder naar Cleopatra terug. Zij wist dat hare enkele nabijheid reeds het gewonde hart der Koningin goed zou doen.

Voor de open deur van den tuin, waarop zij ijlings toe liep, klonk haar de zilverheldere lach van een kind tegemoet. De kleine zesjarige Alexander liep met open armen op haar toe, sloeg die om haar heen, vlijde zijn krulkopje tegen haar aan, en zag met zijn groote, heldere oogen tot haar op.

Daar ging haar hart van open. Terwijl zij het kind optilde en kuste, en daarbij de gedachte bij haar opkwam, welk een treurig lot het te wachten stond, liet al de met moeite verkregen zelfbeheersching haar in den steek. Hare oogen liepen over van tranen en luid snikkend drukte zij het knaapje vaster tegen haar borst.

Doch het koningskind, dat alleen aan opgeruimde gezichten en vriendelijke liefkoozingen gewend was, maakte zich verschrikt uit hare armen los, om hard terug te loopen naar zijn broertje en zusje. Toch had het kind een warm hart, en daar hij wel wist dat niemand weent en snikt zonder dat hij verdriet heeft, voelde Alexander medelijden met Charmion, van wie hij zeer veel hield, en daarom kwam hij nog eens bij haar terug. Wat hij van plan was haar te toonen, daarin had ook zijn moeder behagen geschept en het zou de tranen der bedroefde Charmion drogen. Het kind vatte hare hand, trok haar mede, en zeide dat hij haar iets héél moois en aardigs wilde laten zien. Zij liet zich gewillig medevoeren over de paden met fijn roodachtig zand bestrooid, van den kleinen tuin, dien Antonius voor hem en de andere kinderen op zijn gewone verkwistende en prachtlievende manier had laten aanleggen en voorzien was van allerlei schoone en zeldzame zaken.

Er was een vijver met goud- en zilvervisschen, waarop zeldzame lotosbloemen met rozenroode bloesems uit het groen der gladde bladeren te voorschijn kwamen, en een andere, waarop dwergeenden van allerlei kleuren rondzwommen, alsof zij opzettelijk voor kinderen waren gemaakt. Een gedeelte van de zee, die den tuin bespoelde, was met gouden traliewerk omheind, en op haar spiegel dreven tal van zwanen, sneeuwwit of zwart met roode snavels. In de bloemperken stonden inheemsche ofIndische bloemen van alle kleuren. Doorgangen van gouddraad, omrankt door bontbloeiende slingerplanten, gaven schaduw op de smalle paden. Achter een dichtbegroeiden Indischen boom, noodigde een druipsteengrot tot rusten uit, en daarnaast stond een huisje, dat geheel voor de kinderen was ingericht. Niets ontbrak daarin wat tot het dagelijksch leven behoort, zelfs niet het gereedschap in de keuken, noch in het tablinum de portretten der familie, die een kunstenaar sierlijk geschilderd had op kleine platen van ivoor. Dat alles was in verhouding tot de grootte der kinderen, van de kostbaarste stoffen en met de meeste kunst vervaardigd.

Achter het huis was een kleine stal, waarin vier vlugge paardjes met gevlekte huid, zoo vreemd en aardig als men maar bedenken kan, een geschenk van den Koning van Medië, vol vuur op den grond stampten. Elders waren weder perken met gazellen, struisvogels, jonge giraffen en andere gras-etenden dieren. Bonte vogels en apen sprongen in de kruinen der boomen rond, en op den waterstraal der fontein werden gekleurde ballen voortdurend op en neder geworpen. Kindergeniën en godenbeelden uit marmer en brons kwamen uit het gras te voorschijn, en deze geheele tooverwereld was bijeen gebracht in een kleine ruimte en maakte door haar kleuren- en vormenrijkdom, haar geuren, gezang en gekweel een overweldigenden indruk op de verbeeldingskracht, en niet op die der kinderen alleen.

De kleine Alexander trok Charmion voort, vol opgetogenheid en zonder op al die heerlijkheden ook maar één blik te slaan. Eerst bij den lotosvijver bleef hij staan, legde zijn vingertje op den mond en zeide: »Nu zal ik het u laten zien. Kijk eens naar dezen kant!”

Hij ging zachtjes op zijn toonen staan, en wees op een hollen stam. Daarin had een paar vinken zijn nest gebouwd, en vijf jongen met breede, gele snavels, strekten hunne leelijke kopjes hongerig in de hoogte. »Is dat niet aardig?” riep het prinsje. »En nu moet gij eens zien als de ouden komen en hen voeden.”

Het lieve gezicht van den schoonen knaap straalde daarbij van verrukking en Charmion kuste hem teeder. Doch terwijl zij dat deed, dacht zij aan de dood gepikte jonge zwaluwen op het admiraalschip van zijn moeder, en een koude rilling ging haar door de aderen.

Nu hoorde men uit een verborgen hoekje achter het fraai bewerkte kinderhuisje heldere stemmen »Alexander” roepen. De knaap bedacht zich, en zei vol spijt:

»Nu heb ik u het nestje gewezen, maar daardoor heb ik wat vergeten. Agatha was ingeslapen, en Smerdis weggegaan, endus waren wij alleen. Toen hebben zij mij gezonden naar den poortwachter Horus, om wat van zijn grof gerstebrood te halen. Hij geeft mij altijd alles, en wij houden daar zooveel van. Wij zijn boeren, en hebben hard gewerkt met de bijl en de schop, en nu gaan wij eten. Hebt gij ons huis al gezien? Wij hebben het zelf gebouwd! Selene, Helios, Jotape, daar ik mee ga trouwen, en ik.... Ja, ik! Zij hebben mij ook laten meehelpen, en wij hebben het heel, heel alleen gedaan! Het is heelemaal klaar. Morgen maken wij nog een stal voor de koe! De anderen mogen het niet zien, maar aan u mag ik het wel laten kijken.”

Hij trok haar weder mede, en Charmion volgde hem gewillig. Zij werden met vreugde begroet door de tweelingen en de kleine Jotape, die de zesjarige Alexander zijn aanstaand vrouwtje had genoemd. Het was een aardig blond kind van denzelfden leeftijd als hij, de dochter van den Koning van Medië, die men na den oorlog met de Parthen met den knaap verloofd had, en die nu aan Cleopatra's hof in gijzeling was. Met uitzondering van dit MedischeVorstenkind, had Charmion hen alle zien geboren worden, en zij hielden veel van haar.

De jonge vorstelijke bouwlieden toonden haar met blijden trots hun werk, en het was werkelijk goed gelukt. Zij hadden al wekenlang daaraan gewerkt, en in dien tijd den geheelen tuin met al zijn heerlijkheden vergeten. Bijzonder trotsch waren zij op de twee planken, die Helios zelf, met de hulp van Alexander, na den laatsten storm, uit de zee had opgevischt, toen men hen eens alleen gelaten had, en op het slot aan de deur, dat zij stilletjes en met veel moeite uit een oude poort hadden gehaald. Selene had zelf het voorhangsel voor de deur geweven. Nu wilden zij ook een haard bouwen.

Charmion prees hunne vaardigheid, terwijl zij vroolijk allen door elkander spraken, om haar te vertellen welke moeilijkheden zij hadden moeten overwinnen. Het pleizier in hun eigen werk straalde hen daarbij uit de oogen, en zij waren zoo daarvan vervuld, dat zij niet eens den man hoorden naderen, die hen overviel met den uitroep: »Nu genoeg met dat spel, uwe hoogheden! Er gaat toch al genoeg tijd mee heen!”

Daarop keerde hij zich tot de Koningin, die hij daarheen vergezeld had, en ging op verontschuldigenden toon voort: »Misschien is dit spel in uwe oogen bedenkelijk, doch er is ook veel vóór te zeggen. In ieder geval scheen het de jonge Vorsten zooveel genoegen te geven dat ik het voor korten tijd heb laten gaan. Indien echter uwe Majesteit beveelt”....

»Laat hun dit vermaak,” gaf de Koningin vriendelijk ten antwoord, en zoodra de kinderen hunne moeder zagen, liepen zij naar haar toe, drongen zich hartelijk en zonder vrees tegenhaar aan, bedankten haar en verzekerden haar met levendigheid dat zij in den geheelen tuin niets zoo heerlijk vonden, als hun huis dáár.

Zij waren ook van plan nog een stal er bij te bouwen.

»Dat kon wel eens te veel worden,” merkte de gouverneur Euphronion op. Deze was een man, die reeds op jaren kwam, met een verstandig en welwillend gelaat; hij liet er op volgen: »Laat ons niet vergeten, hoeveel er nog te leeren is, opdat wij op den verjaardag van Hare Majesteit ons plan ten uitvoer brengen, en de proef goed doorkomen.”

Maar de kinderen vereenigden zich in het dringend verzoek, dat zij den stal nog mochten bouwen, en eindelijk stond hij hun ook dat nog toe.

Toen de gouverneur hen eindelijk wilde wegbrengen, hield de koninklijke moeder hen nog even tegen, en vroeg: »En wanneer ik u nu eens in plaats van dezen tuin een stuk land gaf, dat in het geheel niet aangelegd was, juist zooals een boer het beploegt, en gij mocht daarin, na de leeruren, graven en bouwen, zooveel gij maar wildet?”

Daar klonk een luide jubelkreet uit den mond der kinderen; alleen de kleine Medische Jotape vroeg bezorgd: »Maar dan mag ik mijn pop toch meenemen? Alleen maar de oudste van allen, Atossa. Zij heeft maar één arm, maar ik houd van haar het allermeeste.”

»Neem ons maar alles af wat gij wilt!” riep Helios, en trok den kleinen Alexander naar zich toe, om te toonen dat zij, de mannen, het met elkander eens waren, »geef ons alleen het land, en laat ons daar bouwen!”

»Wij zullen zien of het gaat,” antwoordde Cleopatra. »En gij Euphronion, zoudt misschien de rechte persoon zijn, om... Doch daarvan op een rustiger tijd.”

De gouverneur ging heen, en de kinderen volgden hem, terwijl zij nog lang naar hunne moeder omzagen, en haar groetten en toewuifden.

Zoodra zij achter de boomen in den tuin verdwenen waren, riep Charmion: »Hoe duister de hemel ook moge worden, zoo lang gij deze nog hebt, kan het er nooit ontbreken aan zonneschijn.”

»Indien,” ging de Koningin nadenkend voort, »niet een andere gedachte zich met deze samenvlocht, die den nacht nog zwarter maakt. Weet gij wat deze vreeselijke dag ons gebracht heeft?”

»Ik weet alles!” antwoordde zij met een diepen zucht.

»Dan kent gij ook den afgrond, aan welks rand wij wandelen, en deze kinderen door hunne ongelukkige moeder zelve medegesleept te zien in die gapende kloof,—dat, Charmion,—dat!”...Zij barstte daarbij in een luid snikken uit, sloeg hare armen om den hals van hare vriendin, de speelnoot harer kindsche jaren, en liet een oogenblik haar hoofd rusten aan dat trouwe hart, als een kind dat troost noodig heeft.

Zij weende enkele minuten zonder zich te bedwingen. Toen hief zij het vochtige gelaat weder op, en zeide zacht:

»Dat heeft goed gedaan! O, Charmion, ik heb meer dan iemand behoefte aan liefde. Aan uw warm hart is het hier binnen al stiller geworden.”

»Gebruik het maar, rust er aan uit, zoo dikwijls gij het noodig hebt, tot aan het einde toe!” riep Charmion diep ontroerd.

»Tot aan het einde,” herhaalde Cleopatra, en droogde hare tranen af. »Het is mij, alsof alles eerst heden begon. Straks was ik een uur alleen. Ik dacht dat ik zou ondergaan, en gij weet hoe licht ik mij door den hartstocht laat meesleepen. Maar wat was mij ook al niet overkomen! Het leger vernietigd, Herodes en Pinarius afvallig geworden, het grootmoedige, vertrouwende hart van Antonius verscheurd door snood verraad, zijn ziel verduisterd, de herstelling van het kanaal, mijn laatste hoop—Gorgias is het mij komen zeggen—zoo goed als mislukt.... Daar kwam de kleine Alexander, om mij naar zijn vogelnestje te brengen. Al het overige in den tuin scheen hem daarbij vergeleken, onbeduidend. Dat wekte nieuwe gedachten bij mij op, en dan dat huisje, dat de kinderen geheel alleen voor zich zelve hebben gebouwd! Dat alles,—het heeft mij met geheimzinnige kracht gedwongen terug te zien op mijn levensweg, tot in de lang verloopen dagen in het huis van uwen vader... Ik... De kinderen... Op hoe verschillende grondslagen bouwen wij ons leven op! Waartoe ik ook, toen mijn jeugd achter mij lag, gekomen ben, bij haar zoek ik het begin van alles. Mijn kindsheid viel midden in de verwikkelingen van den Staat, met de verdrijving van mijn vader en den dood van mijn moeder. Ik stond toen ook aan den rand van een afgrond. De tweelingen, die nu al tien jaar zijn, hebben ook bijna de kinderjaren achter den rug, en zij zullen spoedig hetzelfde lijden moeten doorstaan als ik, nadat zij genietingen hebben gesmaakt, waarvan ik ook niet de geringste heb gekend. Doch waren er voor ons niet betere weggelegd? Wat hen dagelijks ten deel is gevallen, daarvan hebben wij in onzen eenvoudigen tuin alleen maar gedroomd. Hoe dikwijls liet ik u deelen in de schitterende toekomstvisioenen die ik destijds had! Gij volgdet mij altijd gaarne in de sprookjeswereld mijner droomen. En ik.... wat de phantasie mij toonde, in die jaren van rust en nadenken, dat is in mijn later leven met mij medegegaan.Toen ik rijk en machtig op een troon zat, zag ik dat allestelkens weder. De middelen om die hersenschimmen tot werkelijkheid te maken, ontbraken mij niet, en toen ik den man ontmoette, wiens eigen leven de verwezenlijking van een droom geleek,—toen riep ik de visioenen uit mijn kindsheid weder op, en liet ze waarheid worden. De wonderen, waarmede ik het leven van mijn geliefde sierde, waren de kinderlijke phantasieën, waaraan ik een tastbaren vorm gaf. Deze tuin is een beeld van het leven waartoe ik geloofde opgeklommen te zijn, terwijl ik in waarheid daarin afdaalde. Alles wat de zinnen streelen kan, hebben wij op dit stuk grond bijeengebracht; doch geen daarvan komt tot rust, in deze enge ruimte, waar ieder die het waagt zich vrij te bewegen zich stoot aan al de overtolligheden die hier bijeen zijn.

»En toch had ik mij in uwe omgeving en aan de hand van uw wijzen vader leeren tevreden stellen met zoo weinig, en was ik reeds begonnen met het streven naar rust. Waar is zij, die rust zonder smart,—ons hoogste goed—toch heengegaan? Door mijne schuld hebt ook gij beiden haar verloren... maar de kinderen... Ik liet hen het leven beginnen op een brandpunt van alle mogelijke onrust, en nu zie ik hoe hun eigen gezonde natuur zich tracht los te maken uit dien verblindenden kleurengloed, den bedwelmenden geur, het geestverwarrend gezang en gekweel. Zij smachten naar den onontgonnen akker waarop het leven van den strijdenden mensch begonnen is. De knaap werpt alle beuzeling ver weg, om de kracht die hem aangeboren is te kunnen gebruiken. Het meisje doet evenals hij, en houdt zich vast aan haar pop, waarin zij het levende kind ziet, om toe te geven, aan de moederlijke aandrift, die het kenteeken is harer natuur. Wat hunne ziel met zooveel kracht begeert, dat is dan ook het ware, en dat moet hen worden gegund. Toen ik tien jaar oud was, zooals de tweelingen nu, toen had mijn geheele leven en streven reeds een bepaalde richting genomen. Zij gaan nog blindelings af op het doel dat hen voorgehouden wordt. Daarom: terug met hen naar het punt vanwaar hunne moeder uitging—naar de plek waar zij alles ontving, wat er goeds in haar is! Zij moeten naar den Epicuristen-tuin, om het even of het de oude te Kanopus is, of een andere. Wat bonte droomen aan hunne moeder hebben getoond, en wat zij met misdadige verkwisting heeft zoeken te verwezenlijken, dat heeft hen omringd van hunne geboorte af aan, en het heeft al spoedig zijn aantrekkingskracht voor hen verloren. Als zij eenmaal in de wereld komen, dan zullen zij alles wat alleen de zinnen prikkelt en bedwelmt verachten. Zij zullen vasthouden aan het streven naar smartelooze inwendige rust, wanneer zij geleid worden door een gids, die de gevaren, waarmedeEpicurus' leer juist de jeugd omstrikt, verwijderd houdt. Ik heb dien leidsman gevonden, en gij zult ook vertrouwen in hem hebben, want het is uw broeder Archibius, dien ik bedoel.”

»Hij?” vroeg Charmion verrast.

»Ja, hij, die opgegroeid is in den Epicuristen-tuin, en die in het leven en de philosophie het steunpunt vond, dat hem midden in al den strijd van het dagelijksch bestaan de rust der ziel heeft doen behouden,—hij, die de moeder bemint, en wien ook hare kinderen dierbaar zijn,—hij, aan wien de knapen en meisjes gehecht zijn met warmte en oprecht vertrouwen. Ik wensch de kinderen onder zijne hoede te stellen, en indien hij er in toestemt dezen wensch van de ongelukkigste aller vrouwen te vervullen, dan zie ik mijn einde met kalmte tegemoet. Dat is nabij!—Ik voel het, ik weet het. Gorgias houdt zich reeds met een ontwerp voor mijn grafmonument bezig.”

»O, Koningin!” riep Charmion vol smart. »Wat er ook gebeuren moge, het kan toch nooit uw hoogheerlijk leven bedreigen! In Octavianus' borst klopt geen grootmoedig hart als dat van Marcus Antonius, maar toch is hij niet wreed, en juist omdat koele berekening datgene matigt waartoe de eerzucht hem drijft, zal hij uw leven sparen. Hij weet hoe deze stad, dit land u vergoden,—en indien het hem werkelijk gelukt op deze eerste overwinning andere te doen volgen, indien de goden toelaten dat uw troon en—wat zij verhoeden mogen!—ook uw geheiligde persoon in zijne handen valt...”

»Dan,” riep Cleopatra uit, en hare heldere oogen schoten vonken, »dan zal hij gewaar worden wie de grootste is van ons beiden—juist dan zal ik mijn recht laten gelden op hem neer te zien, al zou het blinde noodlot ook hem, die mij en Cæsars zoon het erfdeel ontstal, de heerschappij over de geheele aarde schenken.”

Zij had deze woorden uit gesproken met toornig fonkelende blikken, doch nu liet zij de kleine hand, die zich tot een vuist had gebald, zakken, en ging op een geheel anderen toon voort:

»Er kunnen nog maanden voorbijgaan, eer hij sterk genoeg is den aanval te wagen, en de goden zelve hebben het oprichten van het grafteeken goedgekeurd. De eenige hinderpaal die daaraan in den weg stond, het huis van den ouden philosoof Didymus, is reeds gesloopt. Zooeven heeft een bode van Gorgias mij daarvan kennis gegeven. Het moet het tweede grafteeken in deze stad worden, dat de aandacht waardig is. Het andere bedekt het lichaam van den grooten Alexander, aan wien zij het aanzijn en den naam te danken heeft. Hij, die de halve wereld onderwierp aan zijn macht en aan den genius van het Grieksche volk, was toen hijstierf, jonger dan ik. Waaraan heb ik, diedoor mijn ellendige zwakheid Actium deed verloren gaan, het recht te danken nog een dag langer onder de zon te wandelen? Misschien kunnen wij reeds binnen enkele uren Marcus Antonius verwachten.”

»En wilt gij dan,” vroeg Charmion, »den diep terneergebogen man in deze stemming verwelkomen?”

»Hij wil niet ontvangen worden,” gaf Cleopatra scherp ten antwoord. »Hij heeft zelfs mij verboden hem te begroeten, en ik begrijp dit verbod. Maar wat moet hem wel overkomen zijn, dat hij, de opgeruimde, de menschenvriend, naar eenzaamheid smacht, en schroomt te ontmoeten zelfs die hem het liefst en het naast zijn? Hij wenscht zich af te zonderen op den Choma, en daar is Iras nu, om te zien of alles in orde is. Zij zorgt ook dat de bloemen er zijn, die hij graag heeft. Het valt mij zwaar en hard dat ik hem niet als vroeger mag welkom heeten. O Charmion, wat was dat heerlijk, wanneer hij met open armen en wijd geopend hart als een jongeling met zijn krachtige gestalte aan land sprong, en uit zijn schoon heroëngelaat een stroom van vurige, machtige liefde mij tegenkwam. En als hij dan—dat hebt gij ook nog niet vergeten!—zijn zware stem verhief, om mij den eersten groet te brengen, dan was het mij alsof de visschen in het water daarmede instemmen, en de palmen aan den oever in zalig medegevoel met de pluimen wuiven moesten.—

»En hier! De droomen der kindsheid, die ik voor hem tot werkelijkheid maakte, namen ons op, en ons leven, door liefde en rozen omstrengeld, werd aan een sprookje gelijk! Van den eersten dag af dat hij ons te Kanopus tegemoet reed, en mij den eersten bloemruiker en een om liefde smeekenden zonnigen blik toewierp, staat zijn beeld voor mijn ziel als de belichaming der alles overwinnende mannekracht en der heldere, door niets te verduisteren, wereld-bezielende vreugde. En nu, nu?—Weet ge nog hoe wij hem als een somber droomer verlieten, vóór hij naar Paraetonium vertrok? Maar neen, duizendmaal neen, zóó mag hij niet blijven! Niet met gebogen hoofd, in opgerichte houding, zooals in de dagen van ons geluk, moet hij hand aan hand met haar die hij liefheeft, den drempel van den Hades overschrijden. En hij bemint mij nog altijd! Zou hij mij anders wel hierheen gevolgd zijn, hoewel het nu geen tooverbeker meer is, die hem naar mij toetrekt? En ik? Dit hart, dat reeds als kind de eerste neiging voor hem voelde, behoort hem nog altijd, en blijft het zijne....

»Zou ik mij toch niet naar de haven begeven, en hem opwachten? Zie mij in het gelaat Charmion, en antwoord mij zonder schroom, even waar als een spiegel: is het Olympus werkelijk gelukt de rimpels te doen verdwijnen?”

»Ik kon ze te voren ook nauwelijks zien,” luidde het antwoord, »en nu kan zelfs het scherpste oog niets meer ontdekken. Ik heb ook de haarzalf meegebracht, en wat Olympus u voor...”

»Stil, stil!” zeide Cleopatra zacht.... »Er zijn veel levende schepselen in dezen tuin, en men zegt immers dat de vogels het allerscherpste hooren.”

Tegelijk kwamen de schalksche kuiltjes in de wangen weder te voorschijn, en de blijdschap over deze betooverende bevalligheid dwong Charmion den uitroep af:

»Als Marcus Antonius u op dit oogenblik eens zag!”

»Vleister!” antwoordde de Koningin met een dankbaren glimlach, doch haar vriendin voelde dat nu het oogenblik gekomen was om nog eens een goed woord voor Barine te doen, en daarom zeide zij met levendigheid:

»Neen waarlijk, ik vlei u niet! Geen vrouw in Alexandrië, hoe zij ook heeten moge, zou het mogen wagen, zich ook maar in de verte met uwe bekoorlijkheden te meten. En daarom: laat toch de vervolging varen van die ongelukkige, die gij aan mijne hoede hebt toevertrouwd. Het is zichzelve beleedigen, wanneer men een Cleopatra is....”

Doch hier werd zij in de rede gevallen door een misnoegd:

»Al weder!”

Cleopatra's gelaat, dat gedurende dit gesprek alle gemoedsbewegingen eener vrouwenziel, van de diepste droefheid tot vroolijke schalkschheid weerspiegeld had, kreeg nu een uitdrukking van hardheid. Zij maakte de korte opmerking:»Gij vergeet weder, wat ik om goede redenen niet wilde hooren,—nu moet ik aan het werk,” en keerde daarmede de vriendin harer jeugd den rug toe.

Charmion ging nu naar hare woning terug. Wat reeds zoo menigmaal het geval was geweest, was het ook nu weder. Zoo vaak zij de diepte van gemoed, de mannelijke geestkracht, den rusteloozen ijver, de waakzame zorg van Cleopatra voor haar land, de moederlijke toewijding dezer zeldzame vrouw het vurigst had bewonderd,was zij op jammerlijke wijze ontgoocheld.

Dan had zij het moeten aanzien hoe de Koningin, om een droom uit de sprookjeswereld harer kindsheid te verwezenlijken, en haar geliefde daarmede te verrassen, ontzettende sommen verkwistte, die zoodoende aan de welvaart harer onderdanen onttrokken werden; hoe zij groote en gewichtige zaken liet achterstaan bij de ijdele en angstvallige verzorging harer eigene persoon; hoe kleingeestige jaloerschheid haar de rechtvaardigheid en goedheid deed vergeten die haar anders eigen waren; hoe zij, de vriendelijkste en meest vrouwelijke van alle gebiedsters, in een toornige opwelling tegen een ondergeschikte zich tot onrechtvaardigheid toe vergat, wanneer diens manier van doen haar met verontwaardiging vervulde. Dezelfde eerzucht, die haar van nature eigen was en haar de schoonste en roemrijkste harer daden ingegeven had, was meer dan eens de drijfveer geworden tot handelingen, waarvan zij later berouw had. Zooals zij het als kind reeds niet had kunnen hebben dat een ander haar in het oplossen van moeilijke vraagstukken overtrof, zoo had zij altijd de behoefte behouden om, waar zij zich vertoonde, de eerste te zijn en zich nooit geëvenaard te zien. Misschien lag daarom de voornaamste oorzaak van haar bitteren wrok tegen de ongelukkige Barine in de omstandigheid, dat Antonius haar de wedergade van een armband had vereerd, dien zij zelve droeg als een geschenk van haar geliefde.

Charmion had dikwijls gezien hoe Cleopatra menig onrecht, ja zelfs menige beleediging gewillig en grootmoedig had vergeven, maar zich door haar gemaal gelijkgesteld te zien in wat het ook zij, met eene Barine, kon haar licht onverdragelijk voorgekomen zijn;—daarbij gaf hetgeen met Cæsarion was gebeurd, ten gevolge van den dwazen hartstocht, dien de jonge vrouw bij hem had gewekt, haar het recht hare mededingster te straffen.

Vol vrees voor het lot van haar beschermeling, diep geschokt, en daarbij afgemat naar lichaam en ziel, naderde Charmion hare woning. Dáár hoopte zij verkwikking te vinden in de weldadige, gelijkmatig opgeruimde stemming van Barine; daar wachtten haar de trouwe, zorgzame handen van hare bruine dienares en vertrouweling.

De zon neigde reeds ten ondergang, toen zij de voorzaal betrad. De wachter, die op post stond, deelde haar mede, dat er niets belangrijks was gebeurd, en met een verruimd hart ging zij het woonvertrek binnen.

Evenwel, terwijl anders de Aethiopische haar met vriendelijke woorden tegemoet kwam om haar den sluier en mantel af te nemen, en de schoenen uit te trekken, was er ditmaal niemand om haar te ontvangen. Eerst in het aangrenzend vertrek, dat zij aan hare gast had aangewezen, vond zij Barine met roodgeweende oogen.

In Charmions afwezigheid was haar een brief van Alexas gebracht, waarin deze haar schreef, dat zij den volgenden morgen vroeg op bevel der Koningin een verhoor bij hem moest ondergaan. Haar zaak stond slecht, doch als zij hem niet door die hardheid, die hem vroeger reeds zooveel smart had berokkend, zijn plicht nog zwaarder maakte, dan zou hij zijn uiterste best doen, om haar te behoeden voor gevangenschap, dwangarbeid in de groeven, of nog erger dingen. Het onvoorzichtig spel, dat zij met den Koning Cæsarion had gedreven, had het volk helaas tegen haar vertoornd. Hoe diep dat ging bewees de woede, waarmede men het huis van haar grootvader Didymus had omvergehaald. Dion, die zich misdadig vergrepen had tegen den edelen zoon der Koningin, zou door niets voor de verbolgenheid der volksmenigte te bewaren zijn. Hij, Alexas, wist wel dat zij in dien Dion een vriend en beschermer verloor; doch hij was geneigd om zijn plaats in te nemen, wanneer haar gedrag het hem hem niet onmogelijk maakte genade met recht te vereenigen.

Deze boosaardige brief, die Barine een zachte behandeling beloofde tot den prijs van hare gunst, zonder dat Alexas daardoor in zijn hoedanigheid als rechter zichzelven aan de kaakstelde, verklaarde Charmion, waarom zij de dochter van haar vriend zoo diepbewogen vond.

Wel gaf het haar een kleine verlichting om aan haar afschuw en wrok tegen Alexas uitdrukking te geven, zoo sterk als haar zachtzinnige aard dat maar vergunde, maar toch bleven angst, bekommering en verontwaardiging in haar bedrukte ziel om den voorrang strijden.

Men zou verwacht hebben dat de jonge vrouw met haar levendigen geest, beproefd had alles te weten te komen wat Charmion bij de Koningin en Archibius had uitgericht, en wat er voor Cleopatra voor gewichtigs in staat en stad was gebeurd; maar met veel hartelijke belangstelling vroeg zij alleen naar den toestand van haar geliefde, van wien zij allerlei dingen wilde hooren, waarvan Charmion niets kon zeggen. Zij had bij haar kort bezoek aan Dion's legerstede niet vernomen hoe hij zijn eigen lot en dat van Barine droeg, hoe hij de toekomst tegemoet zag, en wat hij daarvan verwachtte.

Dat Charmion juist deze vragen met stilzwijgen beantwoordde, deed de vrees der arme bedreigde niet weinig toenemen, daar zij niet alleen zich zelve, maar ook hen, die zij het meeste liefhad, in zulk een groot gevaar zag. Zij drong er bij hare gastvrouw nog meer op aan haar te verlossen uit die slingering, die nog moeilijker te verdragen was dan de vreeselijkste zekerheid; doch noch over Cleopatra's bedoelingen, noch omtrent het lot en de verblijfplaats van hare grootouders en Helena kon zij haar iets naders meedeelen. Hierdoor klom haar angst, want indien de berichten van Alexas waarheid behelsden, dan moesten de haren nu zonder dak zijn. Toen Charmion eindelijk bekende dat zij Dion slechts even had gezien, voelde de arme gepijnigde ziel ten laatste hoe al de kracht van het in stilte dragen van haar leed gebroken was.

Zij, die altijd zoo rijk was geweest in hoop, die, als het licht van den avond verdween, zich reeds verheugde op het morgenrood van den volgenden dag, zag nu reeds in Cleopatra's hand de schrijfstift, waarmede zij het doodvonnis van haar zelve en van haar geliefde onderteekende. Met het oog van haar geest zag zij de haren, en hoe het instortende huis hen verpletterde, of hoe zij bloedden onder de steenen, geworpen door de woedende menigte. Zij hoorde Alexas den beul bevel geven om haar op de pijnbank te brengen, en zij dacht dat de Nubische niet naar huis terugkeerde omdat zij Dion niet gevonden had. Zeker hadden de trawanten der Koningin hem, met ketenen geboeid, naar de gevangenis gevoerd, in dien niet reeds Philostratus het volk had overreed hem door de straten te sleepen.

Met een koortsachtige opgewondenheid, die Charmion te meerdeed schrikken, omdat het in de dochter van haar vriend zoo iets vreemds was, liet Barine haar al de schrikbeelden zien die hare door doodsangst, smachtend verlangen, liefde en afschuw gefolterde phantasie haar voortooverde. Charmion deed alles wat zij kon om haar tot rust te brengen en aan de wanhoop te ontrukken; nu eens bestrafte zij haar, dan weder overlaadde zij haar met liefkoozingen, doch niets hielp. Eindelijk slaagde zij er in de ongelukkige te overreden met haar aan het venster te gaan staan, vanwaar zij een verrukkelijk schouwspel konden gadeslaan. In het Westen, achter het Heptastadium, midden tusschen het mastbosch in de haven van Eunostus, ging de zon onder, en Charmion, die van de kinderen der Koningin had geleerd hoe men een geschokt jong hart de rust moest wedergeven, wees hare beschermeling op het gloeiende avondrood aan den westelijken horizont, in de hoop dat hare gedachten daardoor op iets anders gericht zouden worden. Zij vertelde haar daarbij hoe haar vader, de schilder, haar opmerkzaam had gemaakt op den prachtigen lichtgloed, dien de kleuren aannemen op dezen tijd van den dag, ook al gloeide de avondhemel niet zoo sterk als ditmaal het geval was.

Maar Barine, die zich op andere dagen aan zulk een tooneel niet verzadigen kon, was haar daar nu niet dankbaar voor, want deze zonsondergang deed haar denken aan een anderen, dien zij zoo kort geleden aan de zijde van Dion had bewonderd, en opnieuw barstte zij in hevig snikken uit.

Nu wist Charmion geen raad meer. Zij legde haar arm om Barine's schouder; op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en Anukis, de Nubische trad binnen.

Hare meesteres wist wel, dat het niets verkeerd kon zijn wat haar zoo lang van haar post bij Barine verwijderd had gehouden. Zeker was haar zelfs iets gewichtigs wedervaren, dat haar kracht op sterke proeven had gesteld. Dat bewees haar geheele uiterlijk. Haar glanzend bruine huid had een aschgrauwe tint gekregen, haar hoog, met krullend haar omgeven voorhoofd was vochtig, en de volle lippen waren bleek geworden.

Hoewel zij zich vreeselijk moest hebben ingespannen, scheen zij toch geen rust te behoeven. Zij groette de beide vrouwen haastig, verontschuldigde zich over haar lang uitblijven, en deelde Barine mede dat zij Dion nu werkelijk bijna hersteld had gezien, doch toen verzocht zij haar meesteres met een enkelen blik van verstandhouding, om haar te volgen naar het nevenvertrek. Toch was aan de beangstigde jonge vrouw die beteekenisvolle blik der Nubische niet ontgaan, en door nieuwe vrees overvallen, wilde zij alles hooren wat er gebeurd was.

Charmion gebood hare dienares dan ook te spreken. Anukisverzekerde, eer zij begon, dat de tijdingen die zij medebracht, werkelijk zeer goed waren,—alleen stelden zij groote eischen aan den moed en de standvastigheid van Barine, die zij trouwens gehoopt had anders weder te zien. Er was geen tijd te verliezen. Een uur na het ondergaan der zon werd zij op de afgesproken plaats verwacht.

Hier viel Charmion haar in de rede met den uitroep: »Onmogelijk!” en herinnerde haar aan de wachters, die Alexas, volgens overeenkomst met Iras, die in het paleis woonde, reeds den vorigen dag in de voorzaal en aan alle uitgangen, zelfs onder de vensters, had geplaatst.

Doch de Nubische verklaarde dat zij dat alles reeds had bedacht; alleen moest zij, om tijd te winnen, Barine verzoeken om onder het spreken zich het haar te laten zwart verwen en krullen.

De verrassing, die op het bedroefde gelaat der jonge vrouw eensklaps zichtbaar werd, deed Anukis uitroepen:

»Laat ons vol vertrouwen de hand aan het werk slaan. Gij zult spoedig alles vernemen. Er is veel te verhalen. Onderweg heb ik mij voorgenomen alles zorgvuldig achter elkander te vertellen, maar ik zie dat het niet gaat. Neen, neen! Wie een kudde schapen uit den brandenden stal wil halen, trekt eerst den belhamel er uit—de hoofdzaak bedoel ik,—en daarmede, al behoort die eigenlijk pas bij het einde, wil ik dan nu beginnen. De uitlegging hoe dat alles is gegaan....”

Doch hier viel Barine haar in de rede met den blijden uitroep: »Ik moet vluchten, en Dion weet er van, en zal mij volgen! Ik zie het aan uw gezicht.”

Inderdaad verried elke trek op het leelijke gelaat van de Nubische dat het iets verblijdends was, wat haar gemoed vervulde. Stoute ondernemingsgeest straalde uit haar zwarte oogen, en een vriendelijke glimlach verfraaide haar grooten mond met de dikke lippen, terwijl zij antwoordde:

»Zulk een verliefd hart verstaat de kunst van waarzeggen beter dan de eerste profeet van den grooten Serapis. Ja, jonge meesteres, hij dien gij bedoelt, moet uit deze gevaarlijke stad, waar u beiden zooveel gevaar dreigt, verdwijnen. Hem zal het stellig gelukken, en, als de goden ons bijstaan, en wij verstandig en moedig zijn, ook u.—Wie weet, hoe spoedig gij elkander zult wederzien! Van welke zijde de hulp komt, zeg ik u later. Nu komt het er het allereerst op aan u te veranderen, en wel—heb daar maar geen spijt van!—in het allerleelijkste: in de bruine Anukis. In hare gedaante moet gij uit dit paleis vluchten. Nu weet gij het, en terwijl ik het noodige uit mijn kleerenkast ga halen, verzoek ik u, meesteres, te bedenken,hoe wij de zwarte verf zullen krijgen voor het kleuren van deze ivoren huid en dit gouden haar.”

Zij verliet de kamer, doch Barine wierp zich aan de borst van haar vriendin, en riep half schreiend, half lachend uit: »Al moest ik ook altijd zoo bruin en krom blijven als de trouwe Aisopion, als hij mij zijn liefde maar niet onttrekt, zou ik door het vuur en het water willen gaan,—ik zou.... o, Charmion, wat wisselt sneller in ons hart dan vreugde en smart? Op dit oogenblik zou ik aan iedereen, zelfs aan uwe Koningin, die mij toch al die vrees berokkend heeft, een weldaad willen bewijzen!”

De wanhopige vrouw van zoo even was door de nieuw opgewekte hoop in een overgelukkige veranderd, en Charmion zag dat met dankbaarheid aan, terwijl zij in stilte wenschte, dat de Koningin dezen uitroep mocht hebben gehoord.

Zij begon nu al de haarkleurmiddelen die Cleopatra had afgekeurd, en waarvan zij daardoor een grooten voorraad in haren medicijnkist had, aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, doch onder die bezigheid zag zij achter al hetgeen nog onopgehelderd was en dat haar in verwarring bracht, nieuwe groote gevaren. Barine echter zag over die alle heen de vertroostende wedervereeniging met haar geliefde, die haar wachtte, en was vol vroolijke opgewektheid, toen Anukis terugkwam.

Nu begon onverwijld het werk der vermomming, en terwijl de Nubische de handen repte, stond ook haar mond geen oogenblik stil, en zoo kreeg Barine allengs het geheele verhaal te hooren van al wat er op dien gewichtigen dag voorgevallen was. Zij luisterde met toenemende spanning, en hare vreugde vermeerderde naarmate zij meer zag van den weg, dien de zorg en het beleid harer vrienden voor haar hadden gebaand. Daarentegen werd Charmion steeds stiller en ernstiger, hoe duidelijker zij het gevaar zag, dat haar beschermeling tegemoet ging. Toch moest zij bekennen dat het een misdaad zou zijn, tegen de veiligheid, misschien tegen het leven van Barine, indien zij haar van dit wel overlegde plan tot vluchten afhield.

Dat zij het ondernemen moest, stond bij haar vast, doch nu het oogenblik naderde dat het geliefde kind zich in gevaar begeven moest; nu zij zichzelve moest bekennen dat zij een plan steunde, dat tegen het uitgesproken bevel der Koningin indruischte, en daarmede iets beoogde waarvan het welslagen Cleopatra's misnoegen, ja zelfs haar toorn dreigde op te wekken,—nu werd zij daardoor pijnlijk aangedaan. Voor zichzelve koesterde zij geen vrees. Geen oogenblik dacht zij aan de slechte gevolgen, die Barine's vlucht voor haar zelve kon hebben. Het eenige wat haar drukte was het besef, dat zij voor het eerst handelde tegen den uitdrukkelijken wil van haar, wier wenschente vervullen en wier pogingen te steunen, tot nu toe de dierbaarste plicht van haar leven was geweest. Wel bedacht zij ook dat zij, door Barine te helpen vluchten, Cleopatra behoedde voor naberouw, wel was zij vast overtuigd dat zij dit schoone jonge leven, welks bloesems door storm en vorst werden bedreigd, op het oogenblik dat het reinste geluk haar was weggelegd, moest trachten te redden; maar met dat al bracht deze daad, hoe loffelijk ook op zichzelve, haar in botsing met het voornaamste streven en trachten van haar bestaan. En hoeveel hooger stond in hare schatting de vrouw, die—zij durfde het niet indenken—die zij op het punt was te verraden, dan die andere: hoe veel meer aanspraak op hare liefde en trouw had Cleopatra niet bij haar verworven!

Zou zij iets anders dan dankbaarheid kunnen gevoelen, indien het reddingsplan gelukte? En toch kon zij slechts met tegenzin haar hand uitsteken om de fraaie, goed geëvenredigde gestalte van Barine op de mismaakte der Nubische te doen gelijken, of de vinger in de zalf te doopen, die eigenlijk voor Cleopatra was bestemd. Ook om de schoonheid der blonde haarvlechten van de jonge vrouw ging het haar aan het hart, een deel daarvan te moeten afsnijden.

Toch, zou de vlucht gelukken, dan was dat alles niet te vermijden, en hoe verder Anukis kwam met haar verhaal, des te minder tegenwerpingen vond hare meesteres. Alleen reeds het door de Nubische afgeluisterd gesprek tusschen Iras en Alexas, maakte het noodzakelijk om Barine en haar verloofde aan de macht van zulke vijanden te onttrekken. Het scheen inderdaad alsof het lot zelf den bouwmeester Gorgias aan Dion's legerstede bijeengebracht had met den trouwen man, dien Anukis bij hem gevonden had, wiens naam zij nu niet noemde, doch van wiens woonplaats zij verzekerde: dat de mol onder den grond geen veiliger schuilplaats bezat dan hij. Ook dat de bouwmeester juist vrijen toegang tot de onderaardsche gangen van den Isistempel gekregen had, geleek een wonder.

De verstandige Aisopion had eerst nu, nadat zij haar omtrent de hoofdzaak had ingelicht, aan hare meesteres een tafeltje in de hand gegeven, waarop te lezen stond: »Vooraf een groet van Archibius aan zijn zuster Charmion. Indien ik u goed ken, dan valt het u even moeilijk als mij, deel te nemen aan dit avontuur, maar toch moet dat geschieden ter wille van de nagedachtenis van haar vader, en om het geluk en het leven van zijn kind te redden van den ondergang. Daarom is het uwe taak Barine te brengen naar den tempel van Isis in den Muzenhoek. Daar zal zij haar geliefde vinden en, als het kan, met hem in den echt vereenigd worden. Ik zelf zal voor hetoffer daarbij zorgen. Zoodra de verbintenis heeft plaats gehad, zal het u vergund zijn naar huis terug te keeren. Daar het heiligdom zoo spoedig kan worden bereikt, behoeft gij maar voor korten tijd den dienst te verlaten. Zeg aan Barine nog niet welke plannen wij met haar hebben. De teleurstelling kon te groot zijn, wanneer het onuitvoerbaar zou blijken te zijn.”

Deze brief en de zaak, waarop hij het uitzicht opende, veranderde de welwillende doch gedrukte gezindheid van Charmion in den blijden, ja geestdriftvollen wensch om hare hulp te verleenen. Het huwelijk van Barine met den man wien haar hart toebehoorde, was nu mogelijk geworden, en zij was de dochter van Leonax, die eenmaal dierbaar was geweest aan haar eigen hart. Alle vrees en twijfel waren plotseling vervlogen, en toen Aisopion haar vermommingswerk had volbracht en Barine tegenover haar stond als een Nubische met hoogen rug en een bruin, gerimpeld gezicht, toen moest zij bekennen dat het niet moeilijk zou vallen in deze gedaante uit het paleis te ontsnappen.

Thans deelde zij ook aan Barine mede, dat zij van plan was haar zelve te vergezellen, en ofschoon de jonge vrouw zich met haar geverfd gelaat er van onthouden moest haar vriendin te kussen, zoo gaf zij toch in de volheid van haar hart aan haar en de trouwe vrijgelatene duidelijk genoeg te kennen, welk een groote dankbaarheid haar ziel deed ontroeren.

De Nubische bleef alleen achter. Eerst ruimde zij naar gewoonte zorgvuldig alle sporen harer werkzaamheid op; daarna hief zij biddend hare armen omhoog en smeekte de goden van haar vaderland om bescherming voor de schoone vrouw aan wie zij haar eigen misvormde gedaante, die nu toch ergens voor diende, had geleend en die nu zulke groote gevaren te gemoet ging, doch tegelijkertijd een geluk, waarop het lot haar reeds alle hoop had ontzegd.

Charmion had haar bevolen, indien Iras niet bijtijds van den Choma teruggekeerd zou zijn en de Koningin haar noodig mocht hebben, haar dan te verontschuldigen en te zeggen, dat zij onverwachts was uitgegaan, terwijl zij zelve dan in hare plaats den dienst moest waarnemen. Immers was het gedurende den veldtocht ook eens voorgekomen dat, toen Charmion plotseling onwel werd, aan Aisopion de zorg voor hare persoon werd overgelaten, en deze had daarbij toen veel lof ingeoogst.

Zooals gewoonlijk wanneer de vertrouwde der Koningin uitging om inkoopen te doen, werd zij gevolgd door een bruine vrouw. In de gangen van het uitgestrekte paleis waren reeds de lampen en lantaarns, op de binnenpleinen de fakkels en pekpannen aangestoken; maar hoe helder die ook op verscheidene plaatsen brandden, en hoeveel lijfwachten, officieren, eunuchen, beambten,schrijvers, trawanten, koks, bewakers en slaven, poortwachters en boden zij ook voorbijgingen, geen van allen schonk hen meer dan een vluchtigen blik.

Zoo kwamen zij tot aan het laatste binnenplein, doch toen kwam er een oogenblik waarin de beide vrouwen dachten dat haar hart stilstond, want zij ontmoetten den man, van wien zij het ergste te vreezen hadden: den Syriër Alexas. En hij ging de vluchtelingen niet voorbij maar hield Charmion staande, en deelde haar beleefd, ja zelfs nederig mede, dat hij van die lastige zaak van haar beschermeling, die hem zeer tegen zijn zin op de schouders was gelegd, gaarne ontslagen wilde zijn. Daarom had hij besloten, den volgenden dag in alle stilte Barine in het verhoor te nemen.

De lijfslaaf van den Syriër volgde zijn heer, en terwijl deze met Charmion sprak, wendde die zich tot de gewaande Nubische, gaf haar een lichten stoot tegen den schouder, en fluisterde haar toe: »Heden avond, evenals gisteren. Gij zijt ons nog het slot der geschiedenis van Prins Setnau schuldig.”

Het was de vluchtende Barine op dat oogenblik te moede alsof zij stom geworden was, en nooit weder het gebruik van haar spraakvermogen terugkrijgen zou. Toch kon zij het er toe brengen met het hoofd te knikken, en tegelijk maakte de gunsteling een buiging voor Charmion. De slaaf moest hem volgen, maar zij kwam met haar beschermster door de poort tusschen de laatste pylonentorens eindelijk in de open lucht. Daar woei haar de zeelucht opwekkend en verfrisschend tegen, als een groet uit het rijk der vrijheid en des geluks, en hoe vreesachtig zij ook was, kreeg zij thans, midden in het gevaar zooveel tegenwoordigheid van geest terug, dat zij haar vriendin kon meedeelen wat de lijfslaaf van Alexas haar had toegefluisterd, opdat Aisopion hem dien avond daaraan herinneren kon, en hem versterken in het geloof, dat niet zij, maar de Nubische de vertrouweling der Koningin had begeleid.

De weg naar den Isistempel was kort. Zij zagen aan de sterren dat zij op het rechte tijdstip het doel van hun tocht konden bereiken; doch onverwachts hadden zij een tweede oponthoud. Van de trappen, die naar het inwendige van het heiligdom leidden, kwam hen een optocht tegemoet, die geen einde scheen te willen nemen. Vooraan werd door acht pastophoren het beeld van Isis gedragen. Daarop volgde de korfdraagster der godin met eenige andere priesteressen, en de voorlezer met het opengeslagen boek. Achter hem aan kwamen de vier profeten; de opperpriester, hun aanvoerder liep vol waardigheid onder een baldakijn. De overige priesters der godin droegen geschriften, heilige voorwerpen, standaards en kransen. Depriesteressen, onder welke eenige met loshangend haar en fraaie kransen, het sistrum of klapperblik van Isis schudden, mengden zich in den stoet der geestelijken, en paarde hare hooge stemmen aan die der zingende mannen. Neokoren of tempeldienaars en een groot aantal aanbidders en aanbidsters van Isis besloten den stoet, allen bekranst, en met bloemen in de hand. Fakkel- en lantaarndragers verlichtten den weg, en de geur van den wierook, die opsteeg uit het kolenbakje in de hand van een bronzen arm, die door pastophoren heen en weder werd gezwaaid, omzweefde de processie en vervulde nog lang daarna de lucht.

De wachtende vrouwen zagen hen den kant van de Lochias uitgaan, en vernamen uit de gesprekken der omstanders, dat zij aan »de nieuwe Isis”, de Koningin, den groet der godin gingen brengen, en tot doel hadden haar mede te deelen hoe trouw zij ook in nood en gevaar aan haar dacht.

Cleopatra kon niet anders dan dit vriendelijk huldeblijk aannemen, en was daarom verplicht zich te vertoonen met de kronen van het vereenigde koninkrijk Aegypte op het hoofd en in vol priesterlijk ornaat. Alleen de beide vertrouwde kamervrouwen waren in staat haar daarbij in alle bijzonderheden die het gebruik voorschreef, behulpzaam te zijn. Aan dienstdoende vrouwen van lager rang als de Nubische was, had zij dit nooit overgelaten. Dus zou Cleopatra de afwezige Charmion toch missen. Dit vervulde deze met nieuwe onrust, en toen eindelijk de trappen weder vrij waren, vroeg zij zichzelven af hoe dat alles zou eindigen.

Bovendien scheen het werkelijk, alsof de vluchteling en hare gezellin zich te vergeefs hadden blootgesteld aan zulk een groot gevaar. Eenige tempeldienaars drongen de aanwezigen, die het heiligdom wenschten te bezoeken, terug, en riepen de menigte toe, dat het tot aan de terugkomst der processie gesloten bleef.

Barine zag hare beschermster angstig vragend aan, doch eer deze nog haar gevoelen kon uiten, kwam hen reeds op de trappen van den tempel de hooge gestalte van een man tegemoet. Het was Archibius, en hij beval haar met kalmte en ernst dat zij hem zouden volgen. Nu leidde hij haar zwijgend rondom het heiligdom naar een zijpoort, waardoor een oogenblik te voren ook een draagstoel met begeleiders binnengelaten was.

Langs vele trappen in het inwendige van het lang uitgestrekte gebouw kwamen zij in de zwak verlichte cella.

Zooals in den tempel van Osiris te Abydos zeven zuilengangen waren, vond men er hier drie, die naar even zooveel kamers leidden, die het Sanctuarium van het heiligdom vormden. De middenzaal was aan Isis gewijd, die ter linkerzijde daarvanaan haar gemaal Osiris en ter rechter aan Horus, den zoon der groote godin. Daarvóór verhieven zich in de schemering slechts half zichtbaar de altaren, die op Archibius' bevel met offergaven waren bedekt.

Naast dat van Horus stond de draagstoel, die vóór de vrouwen uit, in den tempel was gebracht, en daaruit stapte nu, door zijn vrienden ondersteund, een slanke, jonge man.

Plotseling dreunde in de zuilenzaal een doffe slag. Het was de ijzeren hoofdpoort van den tempel die dichtgeslagen werd. Het knarsend geraas dat daarop volgde, ontstond door de metalen grendels, die een oude neokore dichtgeschoven had. Barine kromp van schrik ineen, maar vroeg evenmin naar de oorzaak van deze geluiden, als zij al het overige opmerkte dat zich in rijken overvloed aan haar oog vertoonde. De man, die daar aan den arm van een ander naar het altaar ging, was Dion, de geliefde die om harentwil zich in dit gevaar begeven had. Haar blik bleef op hem rusten, haar geheele ziel ging hem tegemoet, en zonder te weten wat zij deed, riep zij luide zijn naam.

Verschrikt zag Charmion den kring der omstanders rond, doch weldra haalde zij diep adem en was weer gerust gesteld, want de lange man die Dions arm ondersteunde, was de wakkere bouwmeester Gorgias, zijn beste vriend, en die andere, die nog grooter en forscher was, haar broeder Archibius. De gedaante, die zich daar van hare vermomming ontdeed, was vrouw Berenice, Barine's moeder. Enkel vertrouwde vrienden dus! Alleen den jongen aardigen ephebe, die naast haar broeder stond, kende zij niet.

Barine, die zij nog altijd aan den arm hield, trachtte zich nu van haar los te maken om haar moeder en den geliefden man tegemoet te ijlen; maar Archibius ging naar haar toe, en vermaande haar op zachten toon geduld te hebben, en zich te onthouden van alle vragen of begroetingen, »altijd in veronderstelling,” zoo besloot hij, »dat het volgens uw wensch is hier, voor het altaar, in den echt verbonden te worden met Dion, den zoon van Eumenes.”

Charmion voelde hoe bij dit vooruitzichtBarine'sarm op den haren beefde, doch de jonge vrouw volgde den wenk van haar vriend. Zij wist eigenlijk niet wat er met haar gebeurde, en of zij, in de overmaat van de zaligheid die haar deel werd, luid zou juichen van vreugde, of stille tranen storten van dankbaarheid en ontroering.

Alle omstanders hadden tot nu toe gezwegen. Nu nam Archibius uit de hand van den verloofde een rol, stelde zichzelven aan de aanwezigen voor als kyrios of voogd der bruid, en vroegBarine of zij hem als zoodanig erkende. Daarop gaf hij aan Dion het geschrift, dat het huwelijkscontract bevatte, spoedig terug, daar hij den inhoud kende en goedkeurde. Vervolgens deelde hij de aanwezige mede, dat zij hem bij dit huwelijk dat met zooveel spoed gesloten moest worden, ook beschouwen moesten als paranymph of leidsman en vrouw Berenice als leidsvrouw der bruid. Daarop ontstaken zij een fakkel aan het vuur van een der altaren. Archibius legde nu als kyrios naar Aegyptische, de moeder der bruid als leidsvrouw naar Grieksch gebruik, de handen der verloofden in elkander, en Dion gaf hierbij aan zijne uitverkorene een eenvoudigen ijzeren ring. Dat was dezelfde die zijn vader bij zijn eigen huwelijk aan zijn vrouw gegeven had, en hij fluisterde haar in het oor: »Mijn moeder stelde dien op hoogen prijs; nu is het aan u, dit oude kleinood in eere te houden.”

Nadat Archibius had verklaard dat de noodige offers gebracht waren aan Isis en Serapis, Zeus, Hera en Artemis, en dat de echtverbintenis tusschen Dion, den zoon van Eumenes en Barine de dochter van Leonax, voltrokken was, drukte hij hen beiden de hand.

Het scheen dat de tijd drong, want hij vergunde aan vrouw Berenice en aan zijn zuster nog slechts één oogenblik om Barine te omhelzen, en Gorgias om haar en Dion de hand te drukken. Daarop gaf hij een wenk, en de moeder der jonggehuwden volgde hem, wegsmeltend in haar tranen, en Charmion verbijsterd en als het ware bedwelmd. Niet eerder dan toen een oude neokore haar met de beide anderen door de zijpoort in de open lucht had gebracht, werd het haar recht duidelijk, welke gewichtige gebeurtenis zij als getuige had bijgewoond.

Barine zelve was het te moede alsof ieder oogenblik haar uit een zaligen droom kon wekken, en toch bekende zij zichzelve met blijdschap dat zij wakker was, want die man die daar aan den arm van zijn vriend voortliep, was Dion. Zij zag echter bij het flauwe schijnsel in de slecht verlichte tempelzalen wel dat hij pijn leed. Het gaan scheen hem zoo moeilijk te vallen, dat het haar verheugde toen hij gehoor gaf aan het verzoek van Gorgias om weder in den draagstoel te stappen.

Maar wie zouden hem dragen? Dat zou zij spoedig genoeg gewaar worden, want terwijl zij nog naar hen uitzag, hadden de bouwmeester en de ephebe, in wien zij reeds lang den jongen Philotas, den helper van haar grootvader had herkend, de stokken gegrepen.

»Volg ons,” riep Gorgias haar op gedempten toon toe, en zij gehoorzaamde en bleef vlak achter den draagstoel gaan, terwijl deze eerst langs een breede trap, daarna langs een smalle, eneindelijk door een gang gedragen werd. Hier stuitten de vluchtelingen op een deur;—doch de bouwmeester opende die en hielp zijn vriend uitstappen. Vóór zij nu verder gingen, plaatste hij den stoel in een vertrek waar allerlei gereedschappen lagen, en dat hij bij het onderzoek van de onderaardsche tempelzalen had ontdekt.

Tot nu toe was tusschen de vluchtelingen geen enkel woord gewisseld. Thans riep Gorgias Barine toe: »De gang is laag.—Gij moet bukken. Bedekuw hoofd, en schrik niet wanneer vleermuizen om u heen vliegen; die zijn sinds lang niet in hunne rust gestoord geworden. Wij hadden u ook uit den tempel naar de zee kunnen laten brengen en u daar opwachten, maar dat zou licht in het oog gevallen en gevaarlijk geworden zijn. Moed gevat, jonge echtgenoote van Dion. De gang is niet kort, en het zal moeilijk vallen vooruit te komen—maar bij den weg naar de steengroeven vergeleken, is hij effen en gemakkelijk als een koninklijke heirbaan. Als gij denkt aan den eindpaal van den tocht, dan zullen de vleermuizen u voorkomen als zwaluwen, die de naderende lente aankondigen.”

Zij knikte hem dankbaar toe, en kuste Dion die nu aan den arm van zijn vriend, met moeite voortliep, de hand. Het licht van de fakkel, die de trouwe opzichter van Gorgias voor hen uit droeg, viel juist op hare bruingeverfde armen, en gedurende den verderen tocht hield zij zich achter de anderen. Zij dacht dat het haar geliefde smartelijk kon zijn haar zoo misvormd weder te zien, en spaarde hem dat, hoe gaarne zij ook dichter in zijn nabijheid gebleven ware. Zoodra de gang nog lager werd namen de vrienden den herstellende in hunne armen, en nu hadden zij een moeilijk werk te verrichten, want zij moesten diep gebukt voortloopen met den last van dien langen man en zich tegelijk verweren tegen de vleermuizen, die door de fakkel van den opzichter bij troepen werden opgejaagd.

Barine's hoofd was wel-is-waar bedekt, maar op een anderen tijd zouden de leelijke dieren, die telkens vlak langs haar hoofd en armen vlogen, haar toch met ontzetting en afschuw vervuld hebben. Nu sloeg zij er bijna geen acht op, want haar blik hing aan den man die daar in liggende houding op de armen der dragers rustte, wien zij toebehoorde met lichaam en ziel, en wiens geduldig gedragen lijden haar door de ziel sneed. Zijn hoofd lag tegen de borst van Gorgias, die dicht vóór haar liep. Zij kon het niet zien, omdat de bouwmeester er zich overheen boog, maar zij zag naar de voeten van haar echtgenoot, en zoo menigmaal die zich samentrokken, meende zij te voelen dat hij pijn leed. Dan zou zij gaarne naar hem toe zijn gegaan om in de benauwde, lage gang zijn voorhoofd te drogen, en hem eenvriendelijk bemoedigend woord van liefde toe te fluisteren. Somtijds werd haar dat ook vergund, wanneer de vrienden even den zwaren last lieten rusten. Het was trouwens altijd maar voor een kort oogenblik dat zij zich dat veroorloofden, maar het was toch lang genoeg om haar te doen zien, hoe de krachten van den lijder afnamen. Toen zij eindelijk het doel van den tocht hadden bereikt, moest Philotas den uitgeputten man met alle kracht ondersteunen, terwijl Gorgias behoedzaam de gesloten poort opende. Deze kwam uit boven een vrije hooge trap, die naar zee leidde, vlak naast den tuin van Didymus. Zij was die trap als kind menigmaal met haar broeder afgegaan om een klein bootje op het water te laten drijven.

De bouwmeester hield de deur slechts half open, en het bleek dat hij verwacht werd; want weldra hoorde zij hem fluisteren en plotseling ging de poort geheel open. Een lange man nam Dion op, en droeg hem naar buiten. Terwijl Barine hem met ingehouden adem nazag, kwam een andere, die niet minder groot was, haar tegemoet, verzocht haar haastig zich dat te laten welgevallen, hief haar als een kind in zijne armen op, en zoo, terwijl zij de koele nachtlucht inademde en het water, dat de drager met haar doorwaadde, tot haar opsprong en hare voeten nat maakte, zocht haar blik den jongen echtgenoot; doch zij vond hem niet, want de nacht was donker, en de lichten aan de kust konden deze plaats niet bereiken, daar de hooge muren van de kade dit beletten.

Zij ontstelde daarvan, maar een oogenblik later kwamen uit de duisternis, waarin de havenlichten slechts een zwak schijnsel gaven, de omtrekken van een groote visschersboot te voorschijn: onmiddellijk zette de sterke man die Barine droeg, haar in het schip neder, en een diepe stem fluisterde haar toe: »Alles in orde. Aanstonds breng ik u versterkenden wijn.”

Daar zag zij haar echtgenoot, voor wien men op de voorplecht een leger had bereid, bewegingloos liggen. Zij boog zich over hem heen en bemerkte dat hij het bewustzijn verloren had. Zij wreef zijn voorhoofd met wijn, legde zijn hoofd op haar schoot, sprak hem zachtjes toe, vernieuwde bij het licht van eene kleine lantaarn, het verband op zijn schouder, en bemerkte onder dat alles niet dat de boot het water doorkliefde. Eerst toen de schippers het driehoekige zeil omwendden kwam zij tot het besef daarvan.

Niemand had haar nog gezegd waarheen de reis ging, maar zij vroeg daar ook niet naar. Het was overal goed, waar zij maar bij hem mocht zijn. Hoe eenzamer de plek, waar hij haar heen voerde, hoe meer zij samen zouden kunnen zijn. Hoe vol dank en liefde was haar hart! Zij boog zich over hem heen,kuste zijn voorhoofd en dacht terwijl zij den heeten koortsgloed daar van voelde: »Ik zal u verplegen totdat gij weder gezond zijt.”

Daarbij richtte zij oog en hart naar boven om haar lievelingsgod, aan wien zij de gave van den zang verschuldigd was, en die alles wat rein en schoon is, onder zijne bescherming neemt, Phoebus Apollo, te danken, en te smeeken het licht van den nieuwen morgen te doen opgaan over een herstellende. Terwijl zij nog bad, kwam de boot aan land. Alweder werden zij en haar geliefde door krachtige armen naar den oever gedragen, en zoodra haar voet vasten grond onder zich voelde, verbrak haar redder, de vrijgelatene Pyrrhus, het stilzwijgen en zeide: »Gemalin van Dion, ik heet u welkom op ons eiland. Gij zult het hier wel is waar voor lief moeten nemen; doch als het u bij ons even goed bevalt, als het ons verheugt u te dienen en uw heer, die ook de onze is, dan zal het uur van scheiden nog lang op zich laten wachten.”

Nu ging hij haar voor in zijn huis, en wees haar als haar toekomstige woning twee groote witgepleisterde vertrekken aan, die geen ander sieraad bezaten dan de uiterste zindelijkheid.

Op den drempel stond Pyrrhus' vrouw, wier haren reeds begonnen te grijzen, een jonge vrouw en een meisje, dat nauwlijks de kinderschoenen ontwassen was. De oudste verwelkomde Barine op eerbiedige wijze, en verzocht haar eveneens het zich als gast bij haar te willen aangenaam maken. In de zuivere lucht op het Slangeneiland kon men spoedig genezing vinden. Zij zelve en—zij wees op de andere—de vrouw van haar oudsten zoon en haar eigen dochter Dione zouden haar gaarne op hare wenken bedienen.

Broeders en zusters zijn zelden zeer spraakzaam, wanneer zij met elkander alleen zijn. Toen Charmion met haar broeder naar de Lochias ging, kostte het haar toch al moeite woorden te vinden, zoo diep hadden de gebeurtenissen van het laatste uur haar aangegrepen. Ook Archibius wilde het niet gelukken zijn geest op iets anders te richten, en toch was zijn hoofd vervuld van zaken, die in veel wijderen kring van beteekenis, en daarom gewichtiger waren.

Stilzwijgend liepen zij naast elkander voort.—Toen zijn zuster vroeg waar de jonggehuwden zich verbergen moesten, antwoordde hij dat dit, hoe goed zij ook zwijgen kon, voor haar een geheim moest blijven. Op de tweede vraag, hoe het mogelijk was geweest ongestoord het binnenste gedeelte van den Isistempel in gebruik te nemen, kon hij ook slechts met omzichtigheid antwoord geven.

In werkelijkheid was het de vrije beschikking over de onderaardsche gangen van het heiligdom geweest, die den bouwmeester op de gedachte had gebracht, Dion langs dien weg naar de boot van Pyrrhus te brengen. Daarvoor was alleen noodig dat de Isistempel, die gewoonlijk dag en nacht openstond, voor korten tijd alleen aan de vrienden der vluchtelingen werd overgelaten, en dat hadden zij gedaan gekregen.

De geschiedschrijver Timagenes, die als afgezant uit Rome gekomen was en de gastvrijheid van zijn vroegeren leerling Archibius genoot, had volmacht gekregen om aan Cleopatra, zijn voormalige leerling, het uitzicht te openen op de erkenning als Koningin voor haarzelve en hare kinderen, en volkomen genade, ingeval zij Marcus Antonius aan Octavianus wilde uitleveren of hem doen ombrengen. De Alexandrijn Timagenes vond zelf dezen eisch even billijk als noodzakelijk, omdat daardoor zijn vaderstad verlost zou worden van den man, wienswillekeur en overmoed hare vrijheid bedreigden, en wiens verkwistende mildheid en onmatige prachtlievendheid zooveel van haar schatten verslond. Voor den Romeinschen staat, dien de historicus hier vertegenwoordigde, beteekende het enkele bestaan van dezen man onrust zonder einde en burgeroorlog. Bij de herstelling op den troon van den fluitspeler, door Gabinius en Marcus Antonius, was Timagenes in slavernij geraakt. Ofschoon het hem te Rome, waar de zoon van Sulla den geschiedschrijver vrijgekocht had, gelukt was grooten invloed te verkrijgen, toch had hij een afkeer van Antonius behouden, en daarom was hem de taak om in zijn vaderstad zijn invloed tegen hem te gebruiken, welkom geweest. Hij hoopte door Archibius, wiens trouwe gehechtheid aan de Koningin hem bekend was, begrepen te worden. En ook Arius, Barine's oom, die vroeger destudiënvan Octavianus had geleid, moest hem steunen. Doch de krachtigste medewerking bij zijn zending hoopte hij te vinden bij den grijzen Alexander-priester, het opperhoofd der geheele Aegyptische priesterheerschappij.

Aan hem had hij bewezen dat Antonius in ieder geval een verloren man was, en Aegypte op het punt stond om Octavianus als een rijpe vrucht in den schoot te vallen. Het zou nu spoedig in zijne macht staan om aan het land zooveel vrijheid en zelfstandigheid over te laten als hij goed vond. Ook over het lot der Koningin had de Cæsar alleen te beschikken, en ieder die wenschte haar op den troon gehandhaafd te zien, zou eerst de gunst van Octavianus dienen te winnen.

Dat alles had de wijze Anubis zich zelf ook reeds gezegd, doch Timagenes maakte hem het eerst opmerkzaam op Arius, als op den Alexandrijn dien Octavianus het meest vertrouwde. Zoo was dan ook de hooge prelaat in het geheim met Barine's oom in betrekking gekomen. Doch de eerbied-afdwingende waardigheid en de gebreken van zijn hoogen leeftijd weerhielden Anubis er van Arius, die reeds van vriendschap met de Romeinen werd verdacht, persoonlijk op te zoeken. Daarom had hij zijn vertrouwden schrijver, den nog jongen waarzegger Serapion gezonden, om in zijne plaats te spreken met Octavianus' vriend, die door zijn zware kwetsuur nog altijd verhinderd werd het huis te verlaten en naar hem toe te komen.

Gedurende de onderhandelingen van Timagenes met den secretaris en Arius, was Archibius gekomen om Barine's oom te overreden een poging te doen tot redding van zijn nicht. Allen die het goed meenden met de Koningin, moesten haar in dezen tijd van onrust gaarne terughouden van een daad, die, daar zij ook den Raadsheer Dion betrof, een deel der burgerij tegen haar in het harnas jagen moest. Daarom had deafgezant van den Alexanderpriester, zoodra men hem in het vertrouwen genomen had, zich dan ook volkomen bereid getoond alles te doen wat in zijn vermogen stond, tot redding der bedreigden. Om den persoon van Barine, noch om dien van Dion was het bij hem te doen—wèl ware hij bereid geweest een nog grooter offer te brengen om den machtigen Archibius en vóór alles Arius, die bij het nieuw opgaande licht, Octavianus, zooveel invloed had, voor zich te winnen.

Juist toen de mannen aan het beraadslagen waren wat er tot redding van Barine te doen viel, was de Nubische verschenen en had aan Archibius toevertrouwd, wat er aan Dion's ziekbed afgesproken was met den vrijgelatene en Gorgias. De vlucht der vervolgden zou alleen mogelijk zijn wanneer zij de boot der redding onbemerkt konden bereiken, en dit zou het beste bewerkstelligd kunnen worden door de onderaardsche gang, die de bouwmeester weder opengesteld had.

Nu had Archibius, wien de afgevaardigde van den opperpriester zijn medewerking had toegezegd, de verzamelde mannen in zijn vertrouwen genomen, en Arius had voorgesteld dat zijn nicht Barine in den Isistempel met Dion verbonden, en daarna beiden door de geheime gang naar de boot gebracht zouden worden. Dit denkbeeld was goedgekeurd, en de waarzegger Serapion had beloofd het heiligdom, na het vertrek van de processie, dat na zonsondergang zou plaats hebben, een korten tijd voor de vluchtenden en de huwelijksvoltrekking vrij te houden. Voor dien dienst mocht hij van Octavianus' vriend, die zijn belofte met zulk een warme erkentelijkheid had aangenomen, al zeer spoedig een anderen vragen.

De priesters, zeide de waarzegger, beschermden altijd de onrechtvaardig vervolgden, en aan deze schonken zij hunne hulp des te gereeder, naarmate het hen meer verheugde de Koningin te behoeden voor een daad die onvergefelijk zou zijn.

Wat de vluchtelingen betrof, hen stonden, dacht hem, slechts twee mogelijkheden open: Cleopatra zou zich blijven vasthouden aan Marcus Antonius en—wat de goden mochten verhoeden—met hem te gronde gaan, of hem opofferen, en troon en leven behouden. In beide gevallen zouden de geredden zonder gevaar terug kunnen komen. Het hart der Koningin was goedertieren, en waar geen schuld was, kon zij nooit lang vertoornd blijven. Vervolgens was het plan in bijzonderheden besproken door Archibius, de Nubische en vrouw Berenice, die zich tijdelijk bij het gezin van Arius bevond, en daarna had men alles aan den bouwmeester medegedeeld.

Evenmin als aan zijn zuster, had Archibius aan de beraadslagende mannen en Barine's moeder toevertrouwd, waarheende jonggehuwden de wijk zouden nemen. Ook omtrent de zending van Timagenes en de staatkundige vraagstukken die hem zoo ernstig bezighielden, deelde hij Charmion slechts zooveel mede, als zij ter verklaring van het avontuur, waaraan zij met zooveel liefde medehielp, noodig had te weten. Zij zelve had ook niet begeerd meer te hooren, want zoo lang zij onderweg waren, had de vrees dat Cleopatra haar zou missen en Barine's vlucht ontdekt zou worden, haar geen rust gelaten. Wel had zij even melding gemaakt van den wensch der Koningin om aan Archibius de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen, doch eerst in haar woning was het haar mogelijk geweest daarvan nog meer te zeggen.

Haar afwezigheid was onopgemerkt gebleven. De Regent, Mardion had de processie ontvangen in naam der Koningin, want Cleopatra was uitgereden naar de stad, niemand wist met welk doel.

Met een verlicht hart kwam Charmion met haar broeder in hare vertrekken terug. Anukis deed de deur voor hen open. Niemand was haar komen storen, en Archibius vond er een genoegen in, aan de verstandige, trouwe vrijgelatene met eigen mond alles te kunnen verhalen. Hij had de nederige dienares, die daarnaar luisterde als naar eene openbaring, niet rijker kunnen beloonen dan met deze geringe moeite. Toen hij haar ten slotte zijn dank uitsprak, wees zij dien met den meesten nadruk af, en verzekerde dat het aan haar stond, erkentelijk te zijn. Haar fijne geest had nauwkeurig het onderscheid opgemerkt in de wijze, waarop een hooggeplaatste spreekt tot zijns gelijken of tot een mindere, en nu had hij, bij wien voor haar alles wat man heette, verre achterstond, haar den geheelen loop der gebeurtenissen beschreven alsof zij zijns gelijke was. Zelfs de Koningin had met zulk eene mededeeling tevreden kunnen zijn.

Toen zij heenging om zich aan het overige dienstpersoneel te vertoonen, zeide zij tot zich zelve, dat zij toch een boven velen bevoorrecht schepsel was, en toen een jonge kok haar plaagde met haar korten hals, gaf zij lachend ten antwoord: »Mijn schouders zijn zoo in de hoogte blijven staan, omdat ik ze zoo dikwijls heb opgehaald over de gekken die mij uitlachen, en die toch niet half zoo gelukkig en dankbaar zijn als ik.”

Charmion was doodelijk vermoeid in een leunstoel neergevallen, en Archibius nam tegenover haar plaats. Zij waren altijd gaarne bij elkander, doch heden was beiden het hart zoo vol, dat het hen ging als de afgematten, die van vermoeidheid den slaap niet kunnen vinden. Hoeveel hadden zij elkander niet te zeggen, en toch duurde het een geruime poos eer Charmion het stilzwijgen verbrak en terug kwam op den wenschder Koningin. Zij verhaalde haar broeder hoe Cleopatra op die gedachte gekomen was door het huisje dat de kinderen zelf hadden gebouwd, hoe hartelijk en vriendelijk zij was geweest, maar hoe zij met dat al, een oogenblik later, bij het enkele noemen van den naam Barine, haar zoo onbarmhartig en vertoornd weggezonden had.

»Ik weet niet wat gij van plan zijt te doen,” besloot zij, »maar hoe ik haar ook liefheb, moet ik voor mijzelve misschien het moeielijkste besluit nemen; want, zie! indien zij hoort dat ik het was die de dochter van Leonax aan haar en den snooden Alexas ontvoerde, welk lot staat mij dan niet van haar te wachten, te meer daar Iras niet meer zoo aan mij gehecht is als vroeger, en mij van hare zijde reeds heeft getoond, dat zij de liefde en de zorgen die ik haar bewezen heb, vergeten is.—Dat zal nog toenemen, en het ergste is dat, wanneer de Koningin haar bij mij gaat voortrekken, ik—wanneer ik rechtvaardig wil zijn—haar dat niet tot verwijt mag maken, want zij is scherpzinniger dan ik, en heeft een levendiger geest. Mij heeft de staatkunde van het begin af tegengestaan; Iras daarentegen heeft alles over voor de vergunning om mede te mogen spreken, waar het aankomt op de regeering van het land en vooral op het nooit rustende ernstige spel met Rome en zijne regeering.”

»Dit spel is reeds verloren,” zeide haar broeder met zulk een ernst, dat Charmion opsprong en zacht en angstig herhaalde: »Verloren?”

»Voor altijd,” verzekerde Archibius, »als niet....”

»Den goden zij dank,—toch nog een »als”....”

»Als niet Cleopatra besluit tot een daad die haar dwingt ontrouw te worden aan haar zelve, en haar edel beeld te schenden voor alle eeuwen.”

»Waardoor?”

»Wanneer gij er ook van hooren moogt, het zal altijd nog te vroeg zijn.”

»En als zij dat doet, Archibius? Gij zijt de man, dien zij het meest vertrouwt. Zij zal aan uwe hoede toevertrouwen wat zij meer liefheeft dan zich zelve.”

»Meer liefheeft? Indien ik u goed begrijp, dan denkt gij aan de kinderen.”

»De kinderen, ja! Honderdmaal ja—die heeft zij boven alles lief! Geloof mij—voor hen zou zij bereid zijn in den dood te gaan.”

»Laat ons dat hopen.”


Back to IndexNext