Het speet Gorgias, dat hij zijn vrienden die zaal niet kon laten zien, want zij was misschien het prachtigste enfraaistewat hij ooit tot stand had gebracht. De edelste bouwstoffen waren er voor gebruikt: bruin porfier, zwartgroene serpentijnsteen en donkere marmersoorten; en de mozaïeken en bronzen deuren, nu bijna voltooid, waren meesterstukken van Alexandrijnsche kunst. Het was een vreeselijke gedachte dat alles te zien vernietigen, doch nog ondragelijker was het te denken dat het bestemd was om weldra het lijk der Koningin te bergen.
Weder liet Gorgias zich door zijne verrukking over deze grootste en heerlijkste van alle vrouwen, tot de geestdriftigste ontboezemingen verleiden, totdat ook ditmaal weder Dion hem tot bezadigdheid vermaande, en Barine verlangde nog wat te hooren van hare moeder, grootouders en zuster. Van die allen viel niets dan goeds te berichten.—Wel had de bouwmeester alle dagen te strijden met den grijzen philosoof, want deze noemde het de gastvrijheid misbruiken, om zoo lang met zijne geheele gezin bij zijn jongen vriend in te wonen, maar Gorgias had toch nog altijd overwonnen, ook tegenover vrouw Berenice, die wilde dat hij en de zijnen in haar eigen huis hun intrek zouden nemen.
Cleopatra, verhaalde de bouwmeester verder, had het huis en den tuin van Didymus gekocht, en er driemaal de waarde voor betaald. Daardoor was hij een rijk man geworden, en had Gorgias opgedragen een nieuw huis voor hem te bouwen. Het stuk grond was daar al voor gevonden; het lag aan de zee, in de nabijheid der bibliotheek, doch daar het een groot gebouw zou worden, zou hij het pas in den zomer kunnen betrekken. Het zou in de droge, Aegyptische lucht wel spoediger onder dak zijn gekomen, indien hij niet aan de vele, meest zeer verstandige wenschen van Helena gevolg had willen geven.
Barine en Dion zagen elkander hierbij veelbeteekenend aan,doch de bouwmeester bemerkte dit, en riep uit: »Ik begrijp uwe oogentaal zeer goed, en ik wil u ook wel bekennen dat reeds vijf maanden lang Helena in mijne oogen de begeerenswaardigste van alle jonkvrouwen is. Ik zie ook wel, dat ik ook haar niet onverschillig ben. Doch zoodra ikhaar, ik bedoel de Koningin, weder vóór mij zie, en hare stem hoor, dan is het alsof een stormwind iedere gedachte aan Helena doet vervliegen en het ligt niet in mijn aard om iemand, wien ook, te bedriegen. Hoe kan ik aanzoek doen om de hand eener vrouw die ik zoo hoog stel als haar, en wier zuster gij zijt, Barine, wanneer het beeld van eene andere mijn geheele ziel inneemt?!”
Hier herinnerde Dion hem aan zijn eigen gezegde, dat men de Koningin enkel liefhad als een godin, en bracht, zonder zijn antwoord af te wachten, het gesprek op andere zaken.
Het was te drie uur in den nacht, dat Pyrrhus hem vermaande tot vertrekken. Terwijl de bouwmeester op het snelste vaartuig van den visscher naar de stad terugvoer, vroeg hij zich zelven af, of meisjes, die voor haar huwelijk in zulk een ongestoorde rust leefden als Helena, wel betere huisvrouwen zouden kunnen worden, en zich beter in alles zouden voegen dan Barine, die toch altijd zoo was bewonderd en gevierd, en die door Dion midden uit het drukste gewoel van het leven in de wereldstad, naar de grootste afzondering was overgebracht.
Op dezen heerlijken avond volgde een dag van opwinding en groote spanning, want het jonge paar moest zich verschuilen voor de mannen die de belasting kwamen innen, en wien Pyrrhus een gedeelte van het geld moest afstaan, dat hij in dat jaar had opgespaard, en ook zijn nieuwe, groote schuit, waarmede hij de volle zee wilde bevaren. De nieuwe uitrustingen van het leger eischten namelijk aanzienlijke geldsommen, en voor de vloot werd beslag gelegd op alle vaartuigen dieeenigszinsdaarvoor konden dienen. Hetzelfde lot als den visscher trof de geheele bevolking van stad en land. Zelfs de schatten van den tempel werden ten bate daarvan gebruikt, en toch wist ieder, dat de groote sommen, die door deze meedoogenlooze afpersingen in de staatskas vloeiden, even goed dienden ter voldoening aan de zucht tot vermaak van het hof, als tot de uitrusting van leger en vloot.
Met dat al kwam het volk niet in opstand. Zóó groot was de liefde voor hunne Koningin, zóóveel prijs stelde men op de onafhankelijkheid van Aegypte, zóó bitter was de haat tegen de Romeinen.
De bannelingen konden zelfs van hunne klip af zien, hoeveel ernst Cleopatra met hare toebereidselen maakte, midden onder al de buitensporige genoegens, waaraan zij zich niet altijdonttrekken kon. Op alle scheepstimmerwerven heerschte dag en nacht een koortsachtige bedrijvigheid, en de haven vulde zich steeds meer met schepen. Onophoudelijk gingen en kwamen oorlogsvaartuigen. Op het Slangeneiland kon men voortdurend, dikwijls nog bij het licht der sterren, de oefeningen zien van roeiers of geheele eskaders, in de open zee.
Van tijd tot tijd zagen zij ook een prachtig schip van den Staat, met Antonius aan boord, die de zoo snel gevormde vloot in oogenschouw kwam nemen. Hij richtte dan tot het nieuw aangeworven scheepsvolk een van die geestdriftwekkende toespraken, waarin hij nog altijd een onovertrefbaar meester was. Tot de bemanning der pas gebouwde oorlogsschepen behoorden nu ook twee zoons van Pyrrhus. In April had men hen opgeroepen tot den dienst, en hoewel Dion hun vader een groote som gegeven had om hen vrij te koopen, was hem dit niet gelukt.
Van nu af aan werden er in den kring van die tevreden menschen op de eenzame klip, veel tranen vergoten, en als Dionysos en Dionichos eens een vrijen dag hadden om de hunnen te bezoeken, dan gaven zij hun hart lucht in klachten over de wreede haast, waarmede de jonge manschappen werden gedrild, en onbarmhartig afgebeuld. Zij vertelden van de burger- en boerenzonen, die men met geweld uit hun dorp, van hunne ouders en hunne zaken had weggehaald, om hen tot zeelieden op te leiden. In hunne gelederen heerschte groote verontwaardiging, en men leende maar al te gaarne het oor aan opruiers, die verhaalden hoeveel beter de lieden op de schepen van Octavianus werden behandeld.
Pyrrhus bezwoer zijn zoons niet mede te doen aan pogingen tot muiterij; de vrouwen daarentegen zouden alles goedgekeurd hebben wat maar eenigszins beloofde de jongelingen te bevrijden uit hun harden dienst, en hare vroolijke levenslust ging in zwaarmoedige bezorgdheid over.
Barine was ook dezelfde niet meer. Zij had haar opgeruimdheid en bedrijvigheid verloren. Hare oogen zwommen menigmaal in tranen, en als men haar met gebogen hoofd zag rondloopen, zou men denken dat zware zorgen haar drukten.
Was het de April-hitte met hare woestijnwinden, die zulk een verandering had teweeg gebracht? Zou eindelijk het verlangen naar de afwisselende en opwekkende levenswijze van vroeger tijd haar te machtig worden? Begon de eenzaamheid haar te zeer te drukken? Was de liefde van haar echtgenoot niet meer genoeg om haar schadeloos te stellen voor zoovele goede dingen, die zij voor hem had opgegeven?—Neen! dat kon het niet zijn. Nooit had zij dien geliefden man met inniger teederheid in het gelaat gezien, wanneer zij soms op een beschaduwde plek geheelalleen met hem was. Zij, die in zulke uren het verpersoonlijkte geluk en welvaren geleek, was zeker niet ongelukkig of ziek.
Dion daarentegen droeg steeds het hoofd zoo hoog, en zag zoo fier en trotsch rond, alsof het leven hem een allervriendelijkst gelaat toonde. En toch had hij gehoord dat zijne goederen in beslag genomen waren, en dat hij het alleen aan Archibius en den invloed van zijn oom te danken had, dat zijn geheele vermogen nog niet, zooals dat van zoovele anderen, in de koninklijke schatkist terecht gekomen was—maar welken tegenspoed zou hij in dezen tijd niet gemakkelijk te boven gekomen zijn?
Een groot geluk, het allergrootste dat de hemelsche machten een mensch kunnen schenken, begon voor hem en zijne jonge vrouw te ontluiken, en toen de Meimaand gekomen was, deelden ook de vrouwen op het eiland in de hoop, die haar zalig maakte.
Pyrrhus bracht uit de stad een offeraltaar voor haar mede, en een marmeren beeld van Ilythyia, de godin der geboorte, die door de Romeinen Lucina werd genoemd, dat zijn vriendin Anukis hem uit naam van Charmion had overhandigd. Het gesprek was daarbij weder op de slangen gekomen, die op het naburige eiland zoo talrijk moesten zijn. Zij had gevraagd of het moeilijk zou zijn er eene levend te vangen? En de vrijgelatene had dit ontkennend beantwoord.
Het beeld der godin en het altaar kregen een plaats bij de andere heiligdommen, en hoe dikwijls goot Barine en ieder der andere vrouwen zalf op den steen!
Dion beloofde aan de godin, die de vrouwen in hare verwachting ter zijde stond, een fraaie kapel op de klip en een in de stad, indien zij zijn geliefde jonge vrouw genadig wilde bijstaan.
Eens, in Juni, als de middagzon op het heetst is, bracht de visscher des avonds twee welbekende vrouwen op de klip mede: Helena, de jongere kleindochter van Didymus, en Chloris, de voedster van Dion, die reeds zijne moeder trouw had gediend, en later het opzicht gekregen had over de slavinnen van zijn huis.
Recht dankbaar en blijde strekte Barine de armen naar hare zuster uit. Haar moeder had zich alleen laten terughouden door de verzekering, dat haar verdwijnen de aandacht der verspieders trekken zou. De gerechtsdienaars waren inderdaad waakzaam, want Marcus Antonius liet nog altijd de zangeres opsporen, de zaakwaarnemer Philostratus had zijn afkondiging, dat op de gevangenneming van Dion twee talenten belooning stonden, niet weder ingetrokken, en de dienaren hielden daarom het paleis van den ontvluchte, evenals Berenice's huis, voortdurend zorgvuldig in het oog.
Het scheen voor de stille Helena moeilijker te zijn zich in de eenzaamheid te schikken, dan voor haar meer levendige zuster.Hoe duidelijk zij ook hare liefde voor Barine deed blijken, toch verzonk zij dikwijls in mijmerij, en iederen avond ging zij, zoodra de schaduwen zich begonnen te verlengen, naar den zuidelijken rand van het eiland, en tuurde naar de stad, waar hare grootouders, hoe goed zij ook in het huis van Gorgias bezorgd waren, haar toch zeker wel zouden missen.
Acht dagen waren sedert hare aankomst verstreken, en het eenzame leven scheen haar nu nog meer te drukken dan op den eersten en tweeden dag. Het verlangen naar hare grootouders scheen ook nog toe te nemen, want dien dag was zij zelfs in de brandende middagzon naar het strand gegaan, om een enkelen blik op de stad te werpen.
Hoe lief had zij die oude lieden toch!—Maar Dion vermoedde dat de vochtige oogen, waarmede Helena heden in de schemering weder bij hen binnengekomen was, een jongeren bewoner der wereldstad golden, en in weerwil van de tegenspraak zijner vrouw, scheen hij toch goed geraden te hebben. Slechts korten tijd daarna lieten zich vóór het huis heldere stemmen hooren, en toen er een luide, hartelijke lach klonk, sprong Dion op en riep Barine toe: »Zóó kan alleen Gorgias lachen, wanneer hem iets zeer buitengewoons is overkomen.”
Hij ijlde naar buiten, zag rond, doch er was in den helderen maneschijn niets meer te zien dan vader Pyrrhus, die naar de ankerplaats terug ging.
Maar Dions oor was scherp, en nu meende hij aan de andere zijde van het huis gedempte stemmen te hooren. Hij ging daar aanstonds op af, en toen hij den hoek van het gebouw omsloeg, bleef hij verrast staan, en riep, toen hij dicht bij zich een gesmoorden kreet hoorde: »Goeden avond, Gorgias. Tot weerziens! Ik wil u niet storen.”
Met enkele vlugge stappen was hij bij Barine terug. Hij fluisterde haar in het oor: »Daarbuiten in den maneschijn heb ik Helena aan de borst van Gorgias haar verlangen naar haar grootouders zien stillen!” en zij klapte daarbij in de handen, en zeide glimlachend: »Zóó gaan in deze woestenij de goede oude zeden verloren. Een minnend paar te storen bij hunne eerste ontmoeting! Maar het is waar, dat heeft Gorgias ons, midden in Alexandrië, ook gedaan, en nu moet hij daarvoor boeten.”
Spoedig daarna kwam de bouwmeester met zijn verloofde aan den arm de kamer binnen. Van uur tot uur had hij Helena meer gemist, en op den achtsten dag had hij het onmogelijk bevonden, nog langer den last des levens te dragen zonder haar. Hij verzekerde nu met een goed geweten, dat hij bij hare moeder en grootouders eerlijk aanzoek om haar had gedaan,want reeds op den derden dag na het vertrek van Helena was de verhouding tusschen de Koningin en hem veranderd. In de tegenwoordigheid van Cleopatra was hem, namelijk het beeld van Helena, nog duidelijker voor den geest gekomen dan vroeger tegenover haar dat der nog altijd onvergelijkelijke Vorstin. Een smachtend verlangen zooals dat, waardoor hij in de laatste dagen werd gekweld, was hem tot dusver alleen maar bekend geweest uit de wereld der verdichting.
Ditmaal was het den bouwmeester slechts enkele uren vergund op het Slangeneiland te blijven, want ook in de stad begon het er ernstig uit te zien, en aan den bouw van het grafmonument werd zelfs des nachts ijverig voortgewerkt. Het inwendige van de eerste verdieping naderde zijne voltooiing, en de opbouw der tweede vorderde goed. Maar ook het benedengedeelte eischte nog veel arbeid. Dit moest, evenals het geheel, een volmaakt kunstwerk worden. De mozaïekwerkers, die den vloer der groote zaal hadden ingelegd, hadden zichzelve overtroffen. Op het beeldhouwwerk voor de zijwanden kon nu niet langer worden gewacht. Dáár, waar eigenlijk reliëfs van brons behoorden te zijn, moesten voorloopig platen van gepolijst zwart marmer worden aangebracht, want er was de grootste haast bij.
Octavianus was reeds tot Pelusium genaderd, en al zou Seleukus, de bevelhebber der bezetting, de sterke vesting ook nog lang behouden, toch kon reeds in de volgende week een deel van het vijandelijk leger voor Alexandrië verschijnen.
Trouwens, er stond een eerbiedwaardige strijdmacht tot zijn ontvangst gereed. De vloot scheen tegen die van den vijand opgewassen; de ruiterij, die Antonius den vorigen dag voorbij de Koningin had doen trekken, moest welgevallen vinden ook in de oogen van een kenner, en de imperator had al zijn hoop gevestigd op dekrijgslieden, die in vroeger dagen onder hem hadden gediend, die in tijd van voorspoed zijn grootmoedigheid en mildheid hadden leeren kennen, en nog niet de gedenkwaardige dagen zouden vergeten hebben, toen hij gewillig en vroolijk, gevaar en ontbering met hen had gedeeld.
Helena bleef op het eiland, en haar verlangen naar het oude echtpaar was aanmerkelijk verminderd. Flink en hulpvaardig roerde zij nu hare handen, en haar helderen blik bewees, datheteenzameleven op het eiland ook voor haar veel aantrekkelijks begon te krijgen.
Daarentegen was over den jongen echtgenoot een groote onrust gekomen. Hij verborg die voor de vrouwen, doch het kostte den ouden Pyrrhus dikwijls moeite hem terug te houden van een tocht naar de stad, die, zoo kort vóór de eindbeslissing, de vrucht der volharding en ontbering weleens kon doen verloren gaan. Reeds menigmaal had Dion zich met zijn echtgenoot willen inschepen om naar een groote stad in Syrië of Griekenland te gaan, doch altijd was hij door nieuwe, gewichtige bezwaren daarvan teruggekomen. Vooral was het gevaarlijk, omdat ieder vaartuig nauwkeurig werd onderzocht vóór het de haven verliet,—en het was onmogelijk daaruit te komen, zonder de smalle straat ten Oosten van den pharus, of den doorgang in het Heptastadium voorbij te gaan, die beiden gemakkelijk konden worden bewaakt. De kalme bezadigdheid, die anders den jongen Raadsheer kenmerkte, was nu in koortsachtige onrust overgegaan, en ook zijn oude getrouwe beschermer had zijn gemoedsrust verloren, want spoedig zou de vloot, waarop zijn zonen dienden, met die van Octavianus in botsing komen.
Op zekeren dag kwam hij diep getroffen uit de stad terug. Hij had gehoord dat Pelusium gevallen was.
Toen hij aangeland was, vond hij op de klip alles stil. Niemand, zelfs niet Dione, was er om hem te ontvangen.
Wat was hier gebeurd? Waren de hier verborgen vluchtelingen ontdekt, en had men hen en de zijnen naar de stad, misschien wel naar de steengroeve gesleept?
Doodsbleek, maar kalm en ongebogen, ging hij naar zijn huis. Hij had aan Dion en diens vader zijn hoogste levensgenot, de vrijheid te danken, en bovendien den grondslag van alles wat hij verder bezat. Maar indien zijn vrees reden van bestaan had, en hij van alles was beroofd, dan mocht hij, zelfs als een eenzame bedelaar, toch nog altijd van zijn vrijheid blijven genieten. Wanneer hij voor den man, door wiens toedoen hij het beste bezat, al het overige moest prijsgeven, dan was het ook zijn plicht, dat geduldig te dragen.
Het was nog licht. Ook toen hij dicht bij het huis gekomen was, trof geen ander geluid zijn oor dan het blijde geblaf van zijn grooten wolfshond Argus, die tegen hem opsprong.
Hij stak de hand uit om de deur te openen, doch zij werd van de andere zijde reeds opengeduwd. Dion had hem zien aankomen, en in het gevoel van de nieuwe, groote zaligheid, die deze dag hem had gebracht, viel hij den trouwen man opgewonden in de armen, en riep hem toe:
»Een jongen, een heerlijke jongen!—Hij zal Pyrrhus heeten.”Nu vloeiden de tranen van den vrijgelatene in zijn grijzen baard, en toen zijn oude levensgezellin hem met den vinger op den mond tegemoet kwam, fluisterde hij haar met bevende stem in het oor: »Toen ik hen hier bracht, waart gij bang dat die menschen uit de stad ons in het verderf zouden storten;—maar toch hebt gij hen gehuisvest zooals het hen toekwam, en nu—Pyrrhus zal hij heeten!—Wat heb ik, geringe man, gedaan, dat mij zoo iets groots en schoons ten deel valt?”
»En ik dan, ik!” snikte de visschersvrouw. »En het kind, dat lieve wurmpje!”
Op dezen dag van zonnige blijdschap volgden anderen van stille zielevreugd, het reinste genot, en tegelijk van de grootste bezorgdheid. Zij brachten ook menig uur door, waarin Helena gelegenheid vond hare zorgelijkheid te toonen, en de oude Chloris en de visschersvrouw stonden haar daarbij met hare ondervinding ter zijde. Een bevalliger jonge moeder dan Barine, een schooner kind dan den kleinen Pyrrhus, geloofden allen, tot den grijzen peetvader toe, nooit te hebben gezien. Doch Dion hield het nu op de klip niet langer uit.
Duizenderlei dingen, die hem tot dusver onbeduidend hadden toegeschenen, en waaromtrent hij onverschillig was geweest, waren nu in zijne oogen gewichtig, en moesten door hem persoonlijk behandeld worden. Hij was vader, en uit ieder verzuim kon voor zijn zoon een nadeel ontstaan. Zoo bruin verbrand door de zon als hij tegenwoordig was, en met dat lange haar en dien baard, was er maar weinig toe noodig om hem zelfs voor zijn vrienden onkenbaar te maken. In de kleederen die hij reeds lang gedragen had, en met die handen die op werf geheel vereelt geworden waren, moest ieder hem wel voor een echten visscher aanzien.
Misschien was het dwaas, doch de behoefte om zich aan Barine's moeder, hunne grootouders en Gorgias als vader te vertoonen, scheen hem wel waard een gering gevaar daarvoor te trotseeren, en zoo voer hij, zonder Barine, die zich reeds weder in hare vertrekken bewoog, van zijn plan te onderrichten, na zonsondergang op den laatsten Juli naar de stad.
Hij wist dat Octavianus oostelijk van Alexandrië bij het Hippodroom gelegerd was. Ook van het Slangeneiland af had men in de witte verhevenheden die daar gekomen waren, de tenten kunnen onderscheiden. 's Namiddags was Pyrrhus teruggekomen met de tijding dat de ruiterij van Octavianus door die van Marcus Antonius was verslagen. En ditmaal mocht men aan dit bericht der overwinning geloof slaan, want het paleis op de Lochias was feestelijk verlicht, en op het oogenblik dat Dion aan wal stapte, was het zeer druk op de kade.De een riep den ander toe, dat alle kansen goed stonden. Marcus Antonius was weder de oude geworden. Hij had gestreden als een held.
Velen, die hem gisteren nog hadden gevloekt, mengden heden hunne stemmen in het »Evoë” dat weerklonk ter eere van den nieuwenDionysos, die opnieuw zijne goddelijkheid had bewezen.
In het huis van Gorgias vond de late gast de grootouders alleen. Zij hadden reeds lang bericht ontvangen van het nieuwe geluk hunner kleindochter. Thans verblijdde zij zich met Dion, en wilden dadelijk den heer des huizes, hun toekomstigen zoon, laten roepen, die deelnam aan een vergadering van de epheben der stad, hoewel hij al lang niet meer tot hen behoorde. Maar Dion wilde hem liever begroeten te midden van de jongelingen die den bouwmeester hadden uitgenoodigd, opdat hij hen bij de bespreking der vraag, hoe zij zich gedurende den strijd te gedragen hadden, met raadzoukunnen dienen.
Toch verliet hij niet aanstonds het oude paar, want hij verwachtte hier nog twee bezoeken: van Barine's moeder en de Nubische kamervrouw van Charmion, die sedert de geboorte van den kleinen Pyrrhus, iederen avond bij den philosoof aankwamen, de eerste om te hooren of gedurende den dag nog nieuwe tijdingen van moeder en kind gekomen waren, de laatste om de brieven af te halen, die zij, als tusschenpersoon, dan den volgenden morgen op de vischmarkt aan haar vriend Pyrrhus of diens zoon overhandigde.
Anukis verscheen het eerst. Al aanstonds gaf zij haar deelnemend hart lucht in een korten gelukwensch; hoe gaarne zij echter nog iets naders gehoord zou hebben omtrent de jonge moeder, die ook haar dierbaar was, toch onderdrukte zij ook ditmaal weder haar eigen wensch, om in den geest harer meesteres te handelen. Daarom ging zij zoo spoedig mogelijk naar Charmion terug, en meldde haar de aankomst van den onverwachten gast.
Vrouw Berenice genoot met dankbare vreugde van de grootmoederlijke waardigheid, maar thans ging zij gebukt onder een groote vrees, die niet alleen in hare zwaarmoedige verbeelding bestond.
Haar broeder Arius had zich met zijne zoons in het huis van een vriend verborgen, want zij schenen door een ernstig gevaar bedreigd te worden. Tot nu toe had Antonius in zijn grootmoedigheid het den philosoof niet euvel geduid dat hij in zulk een nauwe betrekking tot Octavianus stond; doch nu deze laatste voor de stad lag, werd het huis van den man, die in vroeger jaren de studiën van den vijand had geleid, en altijd zijn hoogvereerde raadsman en vriend was gebleven, op bevelvan Mardion, door Scythen bewaakt. Aan hem en zijn gezin was het verboden in de stad te komen, en daarom was zijn nachtelijke vlucht naar zijn vriend met groot gevaar gepaard gegaan.
De bezorgde vrouw vreesde het ergste voor haar broeder, indien Marcus Antonius de overhand behield, en toch wenschte zij van ganscher harte de overwinning toe aan de Koningin. Zij, die toch altijd het ergste verwachtte, zag nu reeds in den geest de krijgskans keeren—en daarvoor was reden genoeg; de stoutmoedige bevelhebber, die reeds zoo vele overwinningen had behaald, en die door den tegenspoed van Actium enkel diep ter neer gedrukt was geweest, moest de oude veerkracht teruggekregen hebben. Even heldhaftig als vroeger, ja, met vermetele onstuimigheid was hij aan het hoofd zijner ruiters den vijand tegemoet gereden. Men zeide dat hij, gezeten op zijn prachtig strijdros, zijn groot zwaard even krachtig had gezwaaid als vijf en twintig jaren geleden, toen hij, niet ver van deze zelfde plek, Archelaus het onderspit had doen delven. Dat hij in zijn gouden wapenrusting, met den helm op het hoofd en met zijn zwaren baard, op zijn voorvader Herakles geleek, werd ook bevestigd door Charmion, die op een wagen der Koningin met spoed hierheen gekomen was. Cleopatra zou haar misschien weldra noodig hebben, maar toch was zij even van de Lochias ontsnapt, om aan den jongen vader zelf allerlei dingen te vragen waarin zij belangstelde, omtrent de moeder en het kind dat haar zoo dierbaar was, als eerste kleinzoon van den man, wiens hand zij wel is waar geweigerd had, doch wien zij het heerlijke bewustzijn dankte, dat ook zij in den bloeitijd van haar leven bemind had, en zelve bemind was geweest.
Dion vond haar veranderd. De moeielijke maanden, die zij in haar brief aan Barine beschreven had, hadden hare licht grijzende haren geheel wit doen worden, hare wangen waren ingevallen en een diepe rimpel tusschen mond en neus gaf aan haar vriendelijk gelaat een uitdrukking van lijden. Ook scheen zij pas te hebben geweend, en inderdaad had zij zoo even diep aangrijpende voorvallen bijgewoond. Zij had zich heimelijk van de Lochias verwijderd, terwijl het daar vroolijk toeging.... De zegepraal van Antonius werd feestelijk gevierd. Hij zelf leidde den maaltijd. Weder had hij hoofd en borst met frissche bladen en prachtige bloemen getooid. Naast hem lag Cleopatra in een lichtblauw met lotosbloemen versierd gewaad dat, evenals de kleine kroon op haar hoofd, met paarlen en saffieren was bezet. Charmion verzekerde, dat zij haar nooit schooner had gezien. Doch wat zij verzweeg was, dat Cleopatra's doodsbleeke wangen door de kunst gekleurd hadden moeten worden. Het was een roerend schouwspel geweest, zooals Antonius haar,na zijn terugkeer uit den slag, nog in zijn wapenrusting, verheugd aan zijn hart had gedrukt, alsof hij door den strijd ook haar teruggekregen had, en tegelijk met de verdwenen heldenkracht, ook zijne liefde had wedergevonden. En ook haar had het geluk als een heldere zon uit de oogen gestraald. Aan den ruiter, die om zijne buitengewone dapperheid vóór haar was geleid, had zij in de vreugde van haar hart een helm en pantser van zuiver goud geschonken.
Doch nog vóór de feestmaaltijd begon, was zij gedwongen zichzelve te bekennen, dat dit alles toch het begin van het einde was, want enkele uren nadat zij dien ruiter zoo mild had beloond, was hij reeds tot den vijand overgeloopen. Ook had Antonius zijn vijand Octavianus tot een tweegevecht uitgedaagd, doch het koele antwoord ontvangen dat er genoeg wegen waren waarlangs men den dood kon zoeken.
Aan die taal herkende zij weder haar vijand met het koude hart, en die nu zeker was van de heerschappij. Daarbij zag zij zich droevig bedrogen in de hoop dat de oude strijders, die onder Antonius hadden gediend, bij zijne eerste oproeping den nieuwen veldheer zouden verlaten en bij troepen hem tegemoet snellen. Alles wat haar gemaal tot bereiking van dat doel had beproefd, had schipbreuk geleden, niettegenstaande de wegsleepende kracht zijner welsprekendheid, terwijl met ieder uur tijdingen kwamen van verraderlijke afvalligheid van enkele krijgslieden, of van geheele troepen tegelijk. De vijand scheen zóó zeker van zijn zaak, dat hij zich niet eens verzette tegen de pogingen van Marcus Antonius, om de soldaten door beloften voor zich te winnen.
Na dat alles zag Cleopatra nu met volle zekerheid in de zegepraal van haar geliefde nog slechts de laatste opflikkering van het uitdoovende vuur; doch zoolang het nog brandde, moest hij zien dat zij zijn licht nog volgde. Zoo was zij dan met den overwinnaar van heden de feestzaal binnengekomen, en was getuige geweest van een zonderling gastmaal. Het was met tranen begonnen, en had Cleopatra doen denken aan dit woord: dat zij zelve geleek op een overwinningsfeest vóór dat de slag gewonnen was.
Nauwelijks waren de schenkers met hunne gouden kannen bij de gasten rondgegaan, of Antonius had zich tot hen gewend met den uitroep: »Schenkt maar dapper in, gij mannen, morgen dient gij misschien reeds een anderen heer!”
Toen was hij, geheel tegen zijn gewoonte, nadenkend geworden, en had in zichzelven gemompeld: »En dan lig ik daar buiten als een lijk, een armzalig niets!”
Op deze woorden was een luid snikken der schenkers endienaren gevolgd, doch hij had hen bedaard toegesproken, en beloofd hen niet mede te voeren in een strijd, waarvan hij voor zichzelven veeleer een roemvollen dood verwachtte, dan redding en zegepraal.
Daarbij begonnen ook de tranen der Koningin te vloeien. Indien deze teugellooze genotzoeker, de roekelooze verkwister en onruststichter, met zijne steeds begeerende, onverzadelijke zinnen, ook bittere vijandschap had gewekt, toch was ook zeker maar aan enkelen zulk een hartelijke liefde van velen ten deel gevallen. Eén blik op zijne heroëngestalte; één gedachte aan den tijd, toen ook zijne vijanden van hem zeiden: dat hij nooit grooter was dan tegenover het dreigendste gevaar, nooit beter in staat om blijde hoop op betere tijden ook bij anderen te wekken, dan te midden van de zwaarste ontberingen; één oogenblik luisteren naar die metaalrijke stem van den redenaar, die zoo dikwijls uit zijn hart was gekomen, en daarom zulk een onweerstaanbaren indruk op zijne toehoorders had gemaakt; een reeks van herinneringen aan zijn vroolijke openhartigheid en zijn grenzenlooze grootmoedigheid: dit alles verklaarde voldoende de klachten, die bij dien maaltijd oprezen en de tranen die daarbij werden gestort, en die allen zoowelgemeendwaren. Zij hadden ook de schoone, koninklijke vrouw gegolden die, zonder zich aan de aanwezigen te storen, het edele hoofd met de paarlenkroon tegen den machtigen schouder van haar gemaal had gevlijd.
Maar die treurigheid had niet lang geduurd, en Marcus Antonius had uitgeroepen: »Nu weg met al die droefheid! Wij hebben de Larva niet noodig.20)Ook zonder dat weten wij wel dat het spoedig gedaan zal zijn met de vreugd! Een vroolijk feestlied, Xuthus! en gij Metrodorus, ga vóór in den dans! Ik wijd den eersten beker aan de schoonste, de beste, de verstandigste, de beminnelijkste, de vurigst geliefde!”
Hij had de bokaal hoog opgeheven, de fluitspeler Xuthus gaf het koor dat zijn lied begeleidde, een wenk, en de danser Metrodorus was als een vlinder een schaar vanliefelijkemeisjes vooruit gezweefd. En deze, in hare wijde gewaden van gekleurde doorschijnende zijdestof, die haar als een wolk omgaven, warendaarop aan het bevallige spel gegaan, en hadden, nu eens als in nevelen gehuld, dan weder als op vleugelen voortgedragen, aan de verrukte toeschouwers een allerbekoorlijkst schouwspel geboden.
De »metgezellen van den dood” waren weder makkers in de vreugd geworden, en juist toen Charmion, die hare gebiedster geen oogenblik uit het oog had verloren, en den pijnlijken trek op haar gelaat had opgemerkt, uit den kring der gasten weggeslopen was, had zij de trouwe Anukis ontmoet, die haar de aankomst van Dion kwam melden.
Toen was zij—maar dat had zij voor hare vrienden verzwegen—naar hare vertrekken gesneld om zich tot uitgaan gereed te maken, en daar Iras op hetzelfde oogenblik de deur van haar eigen kamer opende, was zij haar gevolgd, om met haar over den nachtdienst bij de Koningin te spreken. Haar nicht had dat echter niet bemerkt, want door een zenuwachtig snikken overvallen, had zij juist haar gelaat tegen de kussens van een rustbank gedrukt, en trachtte op deze wijze de wilde smart, die hare ziel schokte, met al de hevigheid harer hartstochtelijke natuur, te laten uitwoeden. Toen had Charmion haar naam geroepen, en zelve weenende, hare armen voor haar geopend, en voor het eerst sedert haar terugkomst van Actium, was de dochter harer zuster weder eens aan hare borst gezonken, en hadden zij elkander lang omstrengeld gehouden. Op Charmion's uitroep: »Met haar, voor haar tot in den dood!” had het antwoord van Iras geklonken: »Tot in het graf!”
Dat woord had reeds in menig stil nachtelijk uur geleefd in de ziel der oude vriendin dier vrouw, die daar beneden met bloedend hart deelnam aan het bedwelmende maal van overmoedige feestgenooten. En daaraan had zich de vraag vastgeknoopt: »Is uw lot niet geketend aan het hare? Wat kan u het leven nog bieden, zonder haar?”
Thans had dit woord haar duidelijk verstaanbaar tegengeklonken uit den mond van een ander, en Charmion's gelofte had als een echo op den uitroep van Iras geantwoord: »Tot in den dood, evenals gij, wanneer zij ons vóórgaat. Wat er daarna ook komen moge, nergens mag zij het hart en de handen van Charmion missen.”
»En zeker evenmin de liefde en de diensten van Iras,” had deze wederkeerig verzekerd.
Zoo waren zij gescheiden, en het waren de aandoeningen van dit gewichtig oogenblik, die nog zichtbaar waren in de trekken der verouderende vrouw, die eens de liefde van haar hart had opgeofferd voor de koninklijke speelnoot harer jeugd, en die nu ook haar leven voor haar wilde geven.
Toen zij in Gorgias' huis afscheid nam van haar vrienden, drukte zij Dion met warmte de hand, en terwijl hij haar naar den wagen bracht, deelde zij hem mede dat Archibius, voor dat de troepen het eerst op elkander stieten, de koninklijke kinderen van hier naar zijn landgoed Irenia had geleid. Daar waren zij nu bij hem.
»Ik heb nooit een moeilijker uur moeten doorleven,” besloot zij, »dan toen ik de koningin met een verscheurd hart van hen zag afscheid nemen. Wat zal de toekomst zijn voor die dierbare wezens, die zoozeer het grootste geluk waardig zouden zijn. Mijn laatste wensch is nu nog: de tweelingen en den kleinen Alexander erkend, en bewaard te zien voor dood en schande, en dan uw eigen zoon op den arm van Barine.”
Op de Lochias moest Charmion nog lang wachten, eer de Koningin zich ter ruste begaf. Zij vreesde voor haar stemming, nadat zij het gastmaal had verlaten, want reeds maanden lang kwam Cleopatra telkens gedrukt, tot tranen toe bewogen of in groote verontwaardiging van den feestdisch der »metgezellen van den dood” terug. Wat moest dan wel de uitwerking zijn van dit laatste, dat zoo treurig begonnen was, en toen zoo uitgelaten vroolijk was geworden?
Eindelijk, in het tweede uur na middernacht, verscheen Cleopatra. Charmion dacht dat zij aan zinsverbijstering leed, want de oogen der Koningin die, toen zij haar verliet, vol tranen stonden, straalden nu met een blijden, opgewekten gloed, en toen haar vriendin haar de kroon van het hoofd nam, riep zij uit: »Waarom zijt gij zoo vroeg van het feest verdwenen? Misschien was dit het laatste, maar ik herinner mij geen dat schooner was! Het was als in de lentedagen van onze liefde. Marcus Antonius zou een steenen beeld hebben geroerd met die vereeniging van mannelijke stoutheid en nederige toewijding, waaraan geen vrouw kan weerstand bieden. Evenals vroeger krompen de uren tot oogenblikken in. Wij waren weder jong, weder één. Hier op de Lochias in dezen nacht waren wij bij elkander, en toch tegelijk in lang vervlogen tijden, en op andere plaatsen. Wat de zangers zongen, de muzikanten speelden, de dansers ons te zien gaven, dat ging alles voor ons verloren. Wij zweefden hand in hand terug naar een zonnige tooverwereld, en het sprookje van het rijk der zaligen, dat wij daar voor ons zagen in verblindende pracht en verrukkelijk genot, was de droom, dien ik als kind het liefste droomde, en meteen het schoonste tijdperk van het leven der Koningin van Aegypte.
»Het begon voor de poort van den Epicuristen-tuin. Op de rivier Kydnos werd het voorgezet. Ik zag mij zelve weder op het gouden schip, met bloemenguirlanden omwonden, op hetpurperen rustbed, met rozen om mij heen, en onder het van edelgesteente flonkerende tentdak. Een zacht windje blies in het zijden zeil, mijne gezellinnen lieten om mij heen hare stemmen klinken door snarenspel begeleid, de zefier droeg de zoete geuren die ons omzweefden naar den oever, en ademde hem de boodschap toe, dat de hoogste zaligheid hem naderde, waarvan hij had gedacht dat het genot alleen den goden was beschoren. En evenals zijn hart het mijne tegenklopte, en zijne bedwelmde zinnen sidderend naar mij verlangden, hetzelfde—dat heeft hij mij bekend—was ook het geval met zijn geest, zoodra die den mijnen ontmoette. In ons geluk gevoelden wij ons beiden door banden omslingerd, die niets, ook het noodlot niet, zou kunnen losmaken. Hij, de beheerscher der aarde, was overwonnen, en hij vond er een wellust in, de wenken zijner vorstin te volgen, omdat hij gevoelde dat zij, voor wie hij zich boog, zijne gehoorzame slavin was. En dat alles had geen tooverbeker uitgewerkt! Alsof ik was verlost van een vreeselijk schrikbeeld, dat—al was het ook in het vuur gesmolten—tot vóór enkele uren het zwaarste drukte op mijne ziel, leefde ik weder op. Geen magische kunst, niets dan de gaven van lichaam en ziel, die de overwonnen overwinnende, die de vrouw Cleopatra aan de gunst der goden te danken had, hadden zijn verheven mannelijkheid gedwongen zich aan haar over te geven.
»Van den Kydnos voerde hij mij hierheen, en nu begonnen de genotvolle dagen, die het ons vergund was door te brengen op den grond van mijn Alexandrië. Duizend uren, helder als de zon, golven van klanken, die sinds lang met den stroom van den tijd voorbij waren geruischt, wekte hij tot nieuw leven op, en ik, ik deed hetzelfde, en onze herinneringen smolten inéén. De onvergetelijke uren, die wij samen hebben doorleefd, wanneer wij ons, in dollen overmoed, onbekend onder het vroolijke volk mengden; al de Olympische vreugd die onzen boezem zwellen deed, als duizenden ons toejuichten; alles wat ons in het stille vertrek geest en zinnen met de wellust der zaligen vervulde; al het genot dat de kinderen ons schonken, als zuivere nectar voor de ziel—dat alles hebben wij elkander nu weder getoond en geschonken, en geen van ons beiden wist wie de gever was of de ontvangende. Het donkere, het pijnlijke scheen opgelost te zijn—en de kinderdroom, het sprookje, gedicht door de phantasie, stond als werkelijkheid voor mijne ziel, als dezelfde werkelijkheid—ik herhaal het—die ik mijn vroeger leven noem.
»En Charmion, als nu morgen de dood komt, behoef ik dan wel te zeggen dat hij te vroeg kwam, dat hij mij afriep, vóór het leven mij zijn schoonste gaven had mogen schenken? Neen, neen en nogmaals neen! Wie in zijn laatste uur tot zichzelvenmag zeggen, dat de schoonste droom uit zijn kinderjaren nog overtroffen is geworden door een lang tijdperk van zijn leven, die mag zich gelukkig prijzen, al is het in den diepsten nood en aan den rand van het graf!
»De wensch om de eerste en hoogste onder alle vrouwen van haar tijd te worden, die reeds gekoesterd werd in het hart der jonge leerling, werd vervuld. Het vurig verlangen naar liefde, dat reeds toen mijn geheele ziel doorgloeide, dat heeft de minnende vrouw, de moeder, de Koningin bevredigd gezien, en opdat ook de vriendschap mij alles bieden zou wat zij vermag te geven, daarvoor liet de gunst van het lot mijn Archibius, uw broeder, zorgen en ook mijne Charmion en Iras.
»Laat nu komen, wat wil. Deze avond heeft mij geleerd dat het leven de belofte die het mij deed, gehouden heeft. Doch ook anderen zal het vergund zijn de schitterendste van alle Koninginnen, de vurigst beminde van alle vrouwen, gaarne te gedenken. Daar zorg ik voor, want het grafmonument dat Gorgias voor mij opricht, plaatst zich als een onverbrekelijke muur tusschen de Cleopatra, die nog heden met trotsch gevoel van eigenwaarde deze kroon draagt, en de dreigende vernedering en schande.
»Nu wil ik gaan slapen. Al brengt het ontwaken nederlaag, ellende en dood—toch heb ik geen reden om over mijn lot te klagen. Slechts één ding heeft het mij geweigerd: de rust zonder smart, die het kind en de opgroeiende jonkvrouw zich als het hoogste goed dachten; maar nu zal ook die nog het deel worden van Cleopatra. Het rijk des doods, dat zooals de Aegyptenaars zeggen, het stilzwijgen liefheeft, opent voor mij zijne poorten. De grootste rust vangt aan op zijn drempel, en wie zal zeggen waar zij ophoudt? De blik van onzen geest reikt niet ver genoeg om de grens te zien, waar zij aan het eind der eeuwigheid, die immers zonder einde is, door iets anders wordt verdrongen.”
Hierop wenkte de Koningin haar vriendin om haar naar het slaapvertrek te vergezellen. Een deur leidde vandaar naar de kamer der kinderen, en een onwederstaanbare behoefte drong haar die te openen, en in de leege, donkere ruimte naar binnen te zien.
Een koude huivering ging haar daarbij door de leden. Zij nam eene der kamervrouwen die haar volgden, den kandelaar uit de hand, en trad daarmee naar de legerstede van den kleinen Alexander. Deze was leeg en verlaten, evenals de andere. Toen zonk haar opgeheven hoofd op de borst; de moedige kalmte, die uit den terugblik op haar vervlogen leven was ontstaan, kon niet langer duren, en zooals de helderste lichttinten aan den hemel, bij den schitterenden gloed van den avond, eensklaps plaats moeten maken voor den nacht, zoo kwam er in de ziel vanCleopatra, na de hooge geestvervoering der laatste uren, een plotselinge omkeer. Door een diepe, pijnlijke neerslachtigheid aangegrepen, wierp zij zich voor het bed der tweelingen neder. Daar bleef zij lang, stil weenend liggen, totdat Charmion haar, bij het aanbreken van den dag, vermaande ter rust te gaan. Toen richtte Cleopatra zich langzaam op, wischte hare tranen af, en zeide: »Zooeven scheen het leven, dat achter mij ligt, mij een prachtige tuin toe. Maar ach, hoeveel slangen strekten hunne platte koppen met de glinsterende oogen en de gespleten tong naar mij uit! Wie heeft de bloemen ter zijde geschoven, waaronder zij verborgen lagen? Ik geloof Charmion, dat het de geheimzinnige macht was, die immers hier bij de kinderen zich tegenover de kleinste zoo goed als de grootste gemoedsbeweging zoo krachtig doet gevoelen,—het was—wanneer heb ik dat huiveringwekkende woord toch voor het laatst gehoord?—het was het geweten. Hier, in dit verblijf van onschuld en reinheid, valt alles wat op een vlek gelijkt, sterk in het oog.—Hier.... o Charmion, waren de kinderen maar hier!—Mocht ik maar...
»Doch neen, neen! Het is goed, het is zeer goed dat zij weg zijn! Ik moet sterk blijven, en hun lieftalligheid zou mijn kracht breken. Maar het wordt steeds lichter. Kleed mij voor den dag. Ik zou eerder kunnen slapen in een instortend huis, dan met zulk een oproerig hart.”
Men deed haar de donkere kleederen aan, die zij had uitgekozen, en terwijl zij daarmede bezig waren, klonk in de koninklijke haven daar beneden luid en vele malen herhaald het geluid der trompet en der andere signalen, tot het bijeenroepen van de vloot en het leger, waarvan in den nacht reeds een deel naar de heuvels aan de zee was gebracht.
Dat klonk krijgshaftig en stout. De goed uitgeruste schepen in de haven boden een prachtig schouwspel aan. Hoe dikwijls had Cleopatra niet reeds gezien dat er iets onverwachts gebeurde, en het schijnbaar onmogelijke mogelijk werd. De overwinning van Octavianus bij Actium, was die ook niet een wonder geweest? Wanneer het lot nu eens, als een grillig heerscher, tegenspoed in voorspoed veranderde? Wanneer Antonius zich heden weder eens een held betoonde, zooals gisteren, en een veldheer zooals zoo menigmaal in vroeger dagen?
Zij had geweigerd hem nog eens te zien vóór het begin van den slag, om hem niet af te leiden van de groote taak, die hij te vervullen had. Doch toen zij hem op zijn vurigen Barbarijschen hengst in blinkende wapenrusting, den oorlogsgod zelf gelijk, langs zijn troepen zag rijden, en hen dien gullen, opgewekten groet zag toewuiven, waarvan de warme vriendelijkheid zoo regelrecht uit zijn hart kwam, en die de krijgslieden zoo dikwijlstot vurige geestdrift had ontvonkt, toen moest zij zich geweld aandoen om hem niet tot zich te roepen, en hem te zeggen dat hare gedachten met hem medegingen.
Zij deed dit echter niet, en zoodra zijn purperen mantel uit het gezicht verdwenen was, liet zij haar hoofd weder zinken.
Hoe geheel anders hadden vroeger de toejuichingen der soldaten geklonken, wanneer hij zich aan hen had vertoond! Die koele beantwoording van zijn blijmoedigen, welgemeenden groet, was geen voorteeken van overwinning.
20)Bij de gastmalen der Aegyptenaars werd een kleine figuur, in de gedaante van een mummie rondgegeven, die de gasten er aan moest herinneren, dat zij weldra zouden zijn als deze, en geen tijd meer zouden hebben zich te verheugen in het leven en zijne genietingen. De Romeinen volgden dit na, door de Larva, een klein beeldje, gewoonlijk in den vorm van een geraamte, bij den maaltijd onder de feestvierenden te laten rond gaan. Het schoonheidsgevoel der Grieken maakte uit dit leelijke schrikbeeld een gevleugelden genius.
Ook Dion was getuige van het uittrekken der troepen. Gorgias, dien hij onder de epheben had gevonden, vergezelde hem, en evenals de Koningin, zagen ook zij een slecht voorteeken voor den afloop van den slag in de gedwongen wijze, waarop het leger den bevelhebber begroette.
De bouwmeester had Dion aan de jongelingen voorgesteld als de genius van een gestorvene, die zoodra men hem vroeg van waar hij kwam of waarheen hij ging, genoodzaakt zou zijn in de gedaante van een vlieg op de vlucht te gaan. Hij had dit gerust durven wagen, daar hij de epheben kende en wist dat onder hen geen verrader school.
Zij hadden Dion welkom geheeten als een geliefden, uit den dood verrezen broeder, het voormalig hoofd der vereeniging, en hijzelf had er groot genot in gevonden na zooveel tijd weder eens als redenaar op te treden, en in een zaak waarover beraadslaagd werd, uitspraak te doen. Het is waar, hij had slechts weinig tegenspraak uitgelokt, want het besluit om zich te onthouden van den strijd tegen de Romeinen, had de Koningin zelve, bij monde van Antyllus, de epheben op het hart gedrukt. Deze laatste had intusschen de vergadering reeds verlaten, vóór Dion daar was verschenen.
Het had Cleopatra een misdaad toegeschenen het bloed der edelste zonen van de stad te doen vloeien voor een zaak, die zij zelve reeds verloren waande. Zij kende de moeders en vaders van velen onder hen en zij vreesde dat Octavianus hen, die niet tot het leger behoorden, zwaar zou straffen wanneer zij, met de wapenen in de hand, in zijne macht vielen.
De sterren begonnen reeds weder te verdwijnen, toen de epheben hun vriend op zijn weg huiswaarts hun geleide gaven. Onderweg hieven zij samen in beurtgezang de koren der Hymenaeën aan, die zij op zijn bruiloftsdag verhinderd waren geweestte zingen. Zij begeleidden die liederen met de luit, en deze nachtelijke muziek in de straten der stad deed de mythe ontstaan dat de god Dionysos, aan wien Marcus Antonius zich altijd bijzonder verwant had gevoeld, en in wiens gedaante hij zich zoo dikwijls aan het volk had vertoond, hem op dat uur onder gezang en muziek had verlaten.
Vóór den Isistempel namen de jongelingen afscheid van hem. Alleen Gorgias hield hem nog gezelschap. Hij bracht hem naar het naburige grafteeken der Koningin, waaraan bij fakkellicht ijverig werd gearbeid. Er stond nog altijd een lichte stellaadje omheen, doch de hooge benedenbouw met de eigenlijke groeve was reeds voltooid, en Dion bewonderde de kunst, waarmede het uitwendige van dit gebouw aan de bestemming van het inwendige beantwoordde. De muren bestonden uit groote vierkante steenen van donkergrijs graniet. Ernstig, bijna schrikwekkend, verhief zich de breede, licht hellende voorzijde met de verbazend hooge poort, waarboven zich een kroonlijst bevond met de gevleugelde zonneschijf. Daarnaast stonden in overwelfde nissen de donkere bronzen beelden van Antonius en Cleopatra, en boven de kroonlijst verhieven zich de metalen zinnebeelden van de liefde en van den dood, den roem en het stilzwijgen, en veredelden de Aegyptische vormen door schoone werken van Helleensche kunst.
De massieve poort van gegoten brons, die versierd was met reliëf-figuren, zou een stormram hebben kunnen weerstaan. Naast de trappen, die daarheen voerden, lagen sphynxen van donkergroen dioriet. Alles aan dit gebouw, dat geheel aan den dood was gewijd, was grootsch en ernstig, en sprak door zijne onverwoestbaarheid van de eeuwigheid.
Van de bovenverdieping was nog geen enkel gedeelte gereed. Metselaars en steenhouwers arbeidden aan de bedekking der dikke muren met donkeren serpentijnsteen en zwart marmer. Het groote windas stond gereed om een meesterstuk van Alexandrijnsche plastiek naar boven te hijschen. Het was voor den gevel bestemd en stelde de overwinnende Venus voor, met helm, schild en lans, zooals zij, als aanvoerster van een schaar gevleugelde liefdegoden, aan wier hoofd Eros zelf pijlen afschoot, zegevierend streed met den dood, den driekoppigen Cerberus, die reeds uit vele wonden bloedde.
Het ontbrak aan tijd om ook het inwendige van het monument te bezichtigen, want Pyrrhus verwachtte zijn beschermeling tegen zonsopgang aan de haven, en in het Oosten begon het reeds te dagen.
Toen de vrienden de landingsplaats naderden, fonkelde de boven alles uitstekende metalen koepel van het Serapeum inverblindenden glans. De vlaggen en masten der tot vertrek gereed liggende vloot schenen zich in een zee van gouden licht te baden. In de blinkende, licht gerimpelde oppervlakte der zee weerspiegelden trillend de bronzen en vergulde figuren aan den voorsteven der schepen, en de lange schaduwen der roeiriemen, die zich in rijen uitstrekten van schip tot schip, vormden als het ware een netwerk van donker gestreepte mazen.
Hier zeiden de vrienden elkander vaarwel, en Dion ging alleen verder langs de kade, om den vrijgelatene op te zoeken, die ditmaal zwaar werk zou hebben om met zijn bark tusschen dit gewemel van vaartuigen door, een uitweg te vinden. De bezichtiging van het mausoleum had den jongen vader te lang opgehouden, en ofschoon hij wist dat hij onherkenbaar was, verweet hij zich toch zich onvoorzichtig te hebben blootgesteld aan een gevaar, waarvan de gevolgen—dat voelde hij heden voor het eerst—niet alleen hemzelven noodlottig konden worden.
De verzamelde oorlogsvloot wachtte nu op het sein tot vertrek. Alle vaartuigen, die er niet toe behoorden, hadden zich bij den Poseidontempel moeten vereenigen, en het was aan ieder afzonderlijk ten strengste verboden, de reede te verlaten.
De schuit van Pyrrhus lag daar midden tusschen, en dus viel er vooreerst niet te denken aan terugkeer naar het Slangeneiland. Hoezeer deed hem dat leed! Barine wist immers niets van zijn tocht naar de stad, en dat hij haar nu alleen moest laten, terwijl zoo dicht onder haar oogen een zeeslag zou worden geleverd, verontrustte hem zelven evenzeer als het dit haar moest doen.
Werkelijk wachtte de jonge moeder van den vroegen morgen af, met toenemenden angst op haar echtgenoot. De zon steeg hooger, en aan alle zijden van het eiland hoorde zij de riemslagen, die tweehonderd schepen voortbewogen, den schrillen toon der fluiten die hen de maat aangaf, de met luider stem gegeven kommando's der kapiteins, en de schetterende trompetsignalen, die van verre en nabij door de lucht weerklonken. Onder dit alles werd zij door zulk een onrust bevangen, dat zij met alle geweld naar den oever wilde gaan, terwijl men haar tot dusver nog enkel had veroorloofd wat frissche lucht te scheppen onder een zeil, dat tot dit doel aan den schaduwkant van het huis was uitgespannen. Te vergeefs vermaanden haar de vrouwen toch niet toe te geven aan haar angst, en geduld te hebben. Doch zij zou nog krachtiger tegenstand getrotseerd hebben, om uit te zien naar haar geliefden gade, die nu, met haar kind, haar geheele wereld uitmaakte.
Toen zij aan Helena's arm aan den oever kwam, was er geen boot te zien. Het zeevlak dat vóór haar lag, was enkel bedektmet oorlogsschepen, drijvende vestingen, die zich als duizendpootige draken voortbewogen. De pooten waren de tallooze roeiriemen, in drie of vijf rijen geschikt. Elk der grootere schepen was door kleinere omringd, en uit de meeste schoten verblindende bliksemstralen omhoog, want zij waren overvol met gewapenden, en aan de voorstevens der sterke entervaartuigen werden de zonnestralen weerkaatst in de groote, glimmende metalen punten, waarmede in het houten lichaam van den tegenstander moest worden geboord. De gouden beelden aan de voorplecht der groote schepen, glinsterden en blonken in het heldere licht der zon, en ook op de lage heuvels op het land was het alsof men vlammen zag. Dáár stond het leger van Marcus Antonius, en de helmen, pantsers en lanspunten van het voetvolk, en de wapenrustingen der ruiterij flikkerden in de zon, en wierpen met verblindenden gloed bliksemschichten door de heete lucht van den eersten Augustusdag in Aegypte.
Onder al dit lichten en vlammen en stralen in de van glans en helderheid verzadigde ochtendlucht, mengde zich uit leger en vloot een voortdurend en toenemend oorlogsrumoer.—Juist had de uitgeputte vrouw zich laten neervallen op een zetel, dien de visschersdochter Dione voor haar had neergezet, in de schaduw van de hoogste rotspunt aan den noordwestelijken oever van het vlakke eiland, toen plotseling van alle schepen derAegyptischevloot te samen een luid en ver-doordringend trompetsignaal weerklonk, en de geheele menigte vaartuigen door de haven opening aan den pharus koers zette naar de open zee.
Op eens gingen de smalle leden van het houten reuzenlegioen uiteen en roeiden in minder breede rijen verder. Dat geschiedde zeer kalm, en in dezelfde onberispelijke orde, als eenige dagen geleden, toen zij onder de oogen van Marcus Antonius een dergelijke beweging hadden uitgevoerd.
Het scheen dat de lust tot strijden hen onophoudelijk voorwaarts dreef. Onbewegelijk bleef de vijandelijke vloot hen afwachten. Maar nauwelijks hadden de Aegyptische aanvallers zich eenige scheepslengten in de richting van den Romeinschen tegenstander bewogen, of een nieuw signaal daverde door de lucht. De vrouwen die het hoorden, verzekerden in later dagen dat het geklonken had als een jammerkreet, en het had dan ook het teeken gegeven tot een verraad zonder wederga. De slaven, boosdoeners en ellendigste huurlingen op de roeibanken in het ruim van het schip, hadden er reeds lang met gespannen verwachting naar geluisterd, en toen het eindelijk kwam, hieven de mannen op de bovenste banken hunne lange roeiriemen op, en hielden die in de hoogte; die van de onderste rijen staaktenhun werk, en alle schepen lagen stil. Het was alsof het ééne vaartuig met zijn houten, ver voor zich uitgestrekte riemenvingers, vol afschuw op het andere wees. Een eerlijk scheepsbevelhebber zou met de snelheid en onberispelijke orde, waarmede het opheffen der riemen was geschied, en vaartuig naast vaartuig tot stilstand was gebracht, eer hebben ingelegd; doch nu leidde het tot een der nietswaardigste, schandelijke daden waarvan de geschiedenis verhaalt. De vrouwen die reeds menig spiegelgevecht op zee hadden bijgewoond en de beteekenis er van begrepen, riepen allen als uit éénen mond: »Verraad! Zij geven zich aan den vijand over!”
De vloot van Marcus Antonius, door Cleopatra voor hem in het leven geroepen, was tot op de laatste bark overgegaan tot den erfgenaam van Cæsar, den overwinnaar van Actium. Hij, wien zij trouw gezworen had, die hare oefeningen had geleid, en hen nog den vorigen dag tot moedig standhouden had aangespoord, zag het van een duinheuvel aan den oever aan, hoe het sterke wapen, waarop hij al zijn hoop gevestigd had, niet brak, maar zichzelf in de handen der vijanden gaf.
Hij wist dat de overgave van de vloot aan den vijand het zegel zette op zijn ondergang, en de vrouwen op de kust van het Slangeneiland, die op zulk een afstand stonden van den grooten man, wien dit ongeluk het zwaarste trof, vermoedden hetzelfde. Beiden waren er tot in de ziel van geroerd, en hare oogen werden vochtig van verontwaardiging en smart. Zij waren Alexandrijnsche vrouwen, en wilden geen Romeinsche worden.
Aan Cleopatra alleen, de dochter uit het hun verwante Macedonische huis derPtolemaeërs, kwam de heerschappij toe over hare vaderstad, die gesticht was door den grooten Macedoniër. Al het leed dat de Koningin haar had aangedaan, werd thans in hare schatting geheel onbeduidend bij den ontzettenden slag van het noodlot, die in dit uur haarzelve trof.
De vereenigde Romeinsche en Aegyptische vloot keerde als een groot, denzelfden bevelhebber gehoorzamend eskader terug in de haven en op de reede der stad, die nu als een kostbare buit haar toebehoorde.
Barine had genoeg gezien, en ging met gebogen hoofd naar huis terug. Haar hart was vol, en de angst voor haar geliefden man wies van uur tot uur.
Het was alsof het gesternte des daags schroomde zulk een snoode daad met zijn vriendelijk licht te beschijnen, want de verblindende en stekende zon van den eersten Augustus omsluierde haar stralend aangezicht met een witgrijzen nevel, en de ontwijde zee fronste het voorhoofd, verwisselde haar zuiverblauw met geelachtig grijs en zwartgroen, en een wit schuim kookte op de koppen der verbolgen golven.
Toen het begon te schemeren werd de ongerustheid der verlaten vrouw haar bijna te veel. Niet alleen de kalmeerende woorden van Helena, maar zelfs het gezicht van haar kind miste thans zijne uitwerking, en reeds had Barine den tehuis gebleven zoon van Pyrrhus geroepen, om hem te overreden haar met zijn boot naar de stad te varen, toen Dione een schuit ontdekte, die van de zeezijde het Slangeneiland naderde.
Een oogenblik later sprong Dion aan land, en kuste zijn jonge vrouw het verwijt, waarmede zij hem ontving, spoedig van de lippen. Hij had reeds gehoord van het verraad der vloot, terwijl hij met den vrijgelatene in de haven van Eunostus in een huurboot was gestapt, daar die van Pyrrhus, evenals de andere vaartuigen, bij den tempel van Poseidon vastgehouden werd.
De ervaren loods had zijn bark met een wijden boog tegen den wind in, door de open zee moeten sturen, en was onderweg lang opgehouden, daar hij midden tusschen een deel der oorlogsvloot was geraakt.
Nu het gevaar en de scheiding voorbij waren, gevoelden zij zich wel innig gelukkig in het besef dat zij elkander terug hadden gekregen, maar toch kon het niet tot de rechte blijdschap komen. Het lot der Koningin en van hunne vaderstad, drukte al te zwaar op hunne ziel. Bij het invallen van den nacht sloegen de honden luid aan, en men hoorde leven aan het strand. Met het vaste voorgevoel dat hem en de zijnen een onheil dreigde, volgde Dion die roepstem en ging er heen.
De nacht werd door geen enkele ster verlicht. Alleen het zwervend licht van een lantaarn, en een ander op het naastbijgelegen eiland, verhelderden een weinig de duisternis rondom, doch in het Zuiden brandden de lichten in de stad zoo helder als ooit.
Pyrrhus was juist bezig met zijn jongsten zoon een boot in zee te sleepen. Zij moesten een andere die in het zand van een ondiepte bij het naburige eiland was vastgeraakt, daaruit gaan losmaken.
Dion sprong met hen mede in de schuit, en nu herkende hij spoedig in de stem die hem geroepen had, die van den bouwmeester Gorgias.
De blijde begroeting van den jongen vader klonk den vriend te gemoet, doch deze beantwoordde die niet.
Kort daarna bracht Pyrrhus zijn laten gast aan wal. Hij was, zooals de visscher hem deed inzien, voor de tweede maal aan een groot gevaar ontkomen; want indien hij aan het andere eiland had aangelegd, waar het wemelde van vergiftige slangen,dan ware hij licht het slachtoffer geworden van den beet van een dezer dieren.
Gorgias greep met de oude hartelijkheid de hand van zijn vriend, doch toen Dion hem drong aanstonds met hem in huis te gaan, weigerde hij dit en verzocht hem eerst aan te hooren, eer hij zich naar de vrouwen begaf.
Dion schrikte, want hij kende zijn vriend. Als zijn diepe stem zoo bedroefd klonk, en daarbij zijn hoofd zoo gebogen was onder het leed, dan was er zeker iets vreeselijks voorgevallen. En hij had goed gezien; de eerste mededeeling daarvan schokte ook hem zelven hevig.
Dat de Romeinen teAlexandriëals heerschers te werk gingen, verbaasde hem niet, doch een kleine schaar der overwinnaars, die overigens in last hadden zich te gedragen als in een land van vrienden, was binnengedrongen in het groote huis van Gorgias om zich daar in te kwartieren. De doove grootmoeder van Helena en Barine, die alles wat er gebeurd was, maar half had begrepen, was door den schrik bij het woeste binnendringen der krijgslieden, door een beroerte getroffen, en had, nog vóór hij naar het eiland vertrok, de oogen gesloten.
Maar deze droeve tijding, die de beide zusters op het eiland diep trof, was het niet alleen, wat den bouwmeester zoo laat en in een vreemde boot naar het Slangeneiland had gevoerd. Zijn ziel, die door de ontzettendegebeurtenissenvan dezen dag al te zeer overspannen was, gevoelde behoefte aan rust te zoeken in den kring van hen, door wie hij zeker was te worden begrepen.
Meer dan door al het vreeselijke dat hij had moeten mede doorleven, was hij echter tot dezen onvoorzichtigen tocht over zee gedreven geworden door den wensch om de bannelingen de verblijdende boodschap te brengen, dat zij zonder gevaar in hunne vaderstad konden terugkeeren.
Met hevige ontroering, ja zelfs verbijsterd en overstelpt door alles wat hij had beleefd en gezien, begon de anders zoo heldere, en bij al zijn levendigheid bezadigde man zijn verhaal. Een waarschuwend woord van Dion noopte hem echter eerst nog te wachten totdat hij kalmer zou zijn, om daarna al hetgeen er gebeurd was naar tijdsorde te beschrijven.
Nadat de bouwmeester Dion naar de haven had geleid, had hij zich naar het Forum begeven om daar met verschillende mannen te spreken en te hooren wat men voor de toekomst der stad vreesde en verwachtte.
Dáár kwamen ook altijd het eerst de tijdingen aan: hij vond er een groot aantal Macedonische burgers, die evenals hij, in dit beslissend uur naar zekerheid verlangden.
Het was er druk en woelig, want de meest verschillende berichten van het leger en de schepen volgden elkander op. Eerst waren zij gunstig, maar spoedig daarop hoorde men van het verraad der vloot, en het overloopen van voetvolk en ruiterij.
Een aanzienlijk inwoner der stad had Marcus Antonius, van eenige vrienden vergezeld, te paard langs de kade zien draven. Het was gebleken dat zij op weg waren naar het kleine paleis op den Choma. Ernstige mannen, wier meening slechts weinig tegenspraak vond, waren van gevoelen dat de imperator verplicht was zich daar, even als Brutus en zoovele andere edele Romeinen, met eigen hand te dooden, nu het noodlot zich tegen hem had verklaard, en hem niets meer te wachten stond dan een leven door schande bevlekt. Spoedig kwam dan ook de tijding dat hij getracht had te volbrengen, wat de edelste burgers van hem hadden verwacht.
Toen had Gorgias het op het Forum niet langer uitgehouden. Hij was naar den Choma gesneld, hoeveel moeite het ook kostte tot aan den muur te komen, waarin reeds een bres was gemaakt. Hij had dat gedeelte van den oever waar de landtong begon, door een dichte menigte bezet gevonden. Ook had er een aantal booten omheen gelegen, en zoodoende had hij vernomen dat Antonius zich niet meer in het paleis bevond.
Juist op dat oogenblik werd een zorgvuldig bedekt lijk uit het kleine slot over den Koningsweg gedragen, en onder demenigte die daarachter ging, herkende Gorgias een slaaf van Antonius, dien hij vroeger wel had gezien. De oogen van dezen man zagen rood van het weenen. Hij kwam gewillig naar den bouwmeester toe, toen deze hem wenkte, en vertelde hem al snikkend, dat de beklagenswaardige veldheer, nadat al zijne troepen afvallig geworden waren, hierheen was gevlucht. Toen hij daarop in het paleis had gehoord dat Cleopatra hem was voorgegaan in den dood, had hij zijn lijfslaaf Eros bevolen ook aan zijn leven een einde te maken. Daarop was die wakkere man achteruitgetreden en had met afgewend gelaat zichzelf met het staal doorboord. Voor de voeten van zijn meester was hij stervend ineengezonken; waarop Antonius had uitgeroepen, dat hij door zijn voorbeeld geleerd had wat nu ook hem te doen stond, en op hetzelfde oogenblik had hij zijn kort zwaard in eigen borst gestoken. De verbazende levenskracht van dezen reus was echter door die ééne wond, hoe diep en zwaar zij ook was, nog niet vernietigd. Toen had hij op de aandoenlijkste wijze de omstanders gebeden en gesmeekt aan zijn leven een eind te maken, doch niemand had zulk een daad van zich kunnen verkrijgen. Onderwijl had onophoudelijk van des imperators lippen de naam Cleopatra geklonken, en daarbij de wensch om haar te mogen volgen.
Eindelijk was Diomedes, de geheimschrijver der Koningin verschenen, om hem op haar bevel naar het grafmonument te laten brengen, waarheen zij zelve de wijk genomen had.
Antonius had daarin met nieuw opgewekte levenslust toegestemd, en terwijl men hem wegdroeg, had hij nog last gegeven om voor een waardige begrafenis van Eros te zorgen. Zelfs stervende was het dezen grootmoedigste van alle gebieders nog onmogelijk geweest, het goede dat men hem bewezen had onbeloond te laten.
Toen hij zoover met zijn verhaal gekomen was, barstte de slaaf opnieuw in tranen uit, doch Gorgias was onmiddellijk naar het grafteeken gesneld.
De naaste weg daarheen, de Koningsweg, was in dien tusschentijd zoo vol geworden door de menigte, die tusschen het Dionysostheater en den Muzenhoek door Romeinsche soldaten terug gedrongen was, dat hij zich genoodzaakt had gezien door zijstraten het gebouw te bereiken.
De kade was reeds niet meer te herkennen, en ook in de andere straten had de bevolking een vreemdsoortig aanzien gehad, want in plaats van vreedzame burgers, kwam men overal Romeinsche soldaten in volle wapenrusting tegen. Voor de Grieksche,Aegyptischeen Syrische aangezichten waren blanke en bruine van vreemd uiterlijk in de plaats gekomen.
De stad zelve scheen in een legerkamp veranderd te zijn. Hier had Gorgias een cohorte van blondgelokte Germanen, daar een met roode haren ontmoet, wier vaderland hij niet kende, en nog verder een detachement Numidische of Pannonische ruiters. Bij het heiligdom der Dioscuren,21)had men hem aangehouden. Dáár had zooeven een klein aantal Hispaniërs Antonius' zoon Antyllus gegrepen, en na een kortstondig krijgsgericht terechtgesteld. Zijn gouverneur Theodotus had hem aan de krijgslieden verraden, doch deze nietswaardige booswicht werd geboeid achter het lijk van den jongeling medegevoerd, daar men hem op de daad had betrapt, terwijl hij een kostbaren edelsteen, dien hij hem van den hals had genomen, in zijn eigen gordel verborg. Vóór hij naar het eiland ging, was den verhaler ter oore gekomen dat men den ellendeling tot den dood aan het kruis had veroordeeld.
Eindelijk was het Gorgias gelukt het grafmonument te bereiken. Hij had het aan alle zijden afgezet gevonden door Romeinsche lictoren en Scythen uit de stad, maar hij, de bouwmeester, werd natuurlijk doorgelaten.
Het was hem door al de hindernissen, die hij op zijn weg had ontmoet, bespaard, om de vreeselijkste tooneelen van het treurspel, dat hier zooeven afgespeeld was, met eigen oogen te aanschouwen, doch zij werden hem in alle bijzonderheden beschreven door den geheimschrijver der Koningin, die den gewonden Antonius had begeleid. Hij was een welmeenend Macedoniër, die onder het bouwen met Gorgias in vriendschappelijke betrekking was geraakt.
Cleopatra was naar het grafteeken gevlucht, zoodra de oorlogskans zich voor Octavianus had verklaard. Alleen Charmion en Iras hadden haar daarheen mogen vergezellen, en deze twee hadden haar geholpen de zware metalen deur van het kolossale gebouw te sluiten. Het valsche gerucht van haar dood, dat Antonius er toe gebracht had om ook aan zijn leven een eind te maken, was misschien daaraan toe te schrijven, dat de Koningin zich feitelijk in haar graf bevond. Toen hij in de armen van zijn trouwe dienaren doodelijk gewond bij het mausoleum was aangekomen, hadden de vrouwen te vergeefs beproefd, de zware deur weder te openen. Maar Cleopatra reikhalsde er naar, haar stervenden vriend nog eenmaal te zien. Zij moest hem in hare nabijheid hebben, om hem de laatste diensten te bewijzen, hem nog eens van hare liefde te verzekeren, hem de oogen toe te drukken, en als het mocht, met hem te sterven.
Zij had dus met haar beide kamervrouwen rondgezien naareen hulpmiddel, en daarbij was het Iras ingevallen dat er op den steiger een windas stond, om de zware metalen plaat met het reliëf-beeld van de liefde, die den dood overwint, naar de eerste verdieping te hijschen. De Koningin was daarop dadelijk met hare vriendinnen de trap opgesneld; de dragers hadden beneden den gewonde aan de touwen bevestigd, en Cleopatra was zelve aan het werktuig gaan staan om hem, met behulp harer gezellinnen, tot zich op te trekken.
Diomedes had beweerd dat hij nooit een deerniswaardiger gezicht had gezien, dan dat van den reusachtigen man, terwijl hij tusschen hemel en aarde zweefde, en worstelend met den dood, onder wreede pijnen de handen in smachtend verlangen uitstrekte naar zijne geliefde. Zijn stem had hem daarbij bijna begeven, en toch riep hij nog met teederheid haar naam, doch zij bleef hem het antwoord schuldig, daar zij met dezelfde hartstochtelijke inspanning als Iras en Charmion, op dat oogenblik al hare zwakke krachten wijdde aan het ophijschen door middel van het windas. Het over een katrol loopend touw had haar daarbij in de fijne handen gesneden, haar schoon gelaat was akelig vertrokken geweest, maar zij had het niet opgegeven, eer zij en haar helpsters werkelijk den zwaren last van den stervenden man al hooger en hooger hadden gebracht, eindelijk zelfs tot aan de planken van den steiger. Maar die bovenmenschelijke krachtinspanning, waardoor het aan de drie vrouwen was gelukt een werk te volbrengen, dat veel te zwaar was voor haar kracht, al was die ook verdubbeld door de macht van haar ernstigen wil en vurig verlangen, zou toch niet tot het doel hebben geleid, indien niet Diomedes op het laatste oogenblik nog te hulp ware gekomen. Hij was sterk, en met zijn bijstand konden zij den stervende grijpen, hem op den steiger trekken, en langs de reeds voltooide trap naar het graf in de benedenruimte dragen. Toen zij den gewonde daar hadden neergelegd op een der rustbanken, waarvan de groote zaal reeds was voorzien, was de geheimschrijver weder weggegaan. Doch op de trap was hij blijven staan om de rol van onopgemerkt toeschouwer te spelen, en spoedig bij de hand te zijn, voor het geval dat de Koningin nog eens zijn hulp zou behoeven.
Nog gloeiend van de ontzettende inspanning van zooeven, met verwarde loshangende haren, kermend en steunend, had Cleopatra als buiten zich zelve haar kleed gescheurd, zich op de borst geslagen en die met hare nagels opengereten.
Toen had zij haar eigen schoon gelaat op de wond van haar geliefde gedrukt, om het stroomende bloed te stelpen, en daarbij waren weder al die zoete, liefkoozende namen over harelippen gekomen, die zij den nu stervenden man in den lentetijd hunner liefde toegeroepen had.
Zijn verschrikkelijk lijden maakte dat zij haar eigen droevig lot vergat. Tranen van medelijden vielen als een verkwikkende zomerregen op de nog onverwelkte bloem hunner liefde, en deden die, terwijl zij in dien nacht toch reeds weder heerlijk opgeloken was, tot een laatsten vollen bloei komen. Even onmatig en onbegrensd als eens de hartstocht voor dezen man was geweest, was nu de droefheid, waarmede zijn smartelijk scheiden haar vervulde. Gedurende het feestmaal, dat pas enkele uren geleden was afgeloopen, was haar weder duidelijk en helder voor den geest gekomen wat Marcus Antonius in den glanstijd van haar leven voor haar was geweest, wat zij elkander hadden geschonken en wat de een van den ander had ontvangen. Thans ging dat alles in enkele beelden samengevat nog eens aan haar geestesoog voorbij, doch het was alleen om haar nog duidelijker de diepte van ellende van dit uur te doen zien. Eindelijk drong de smart ook de schitterendste herinnering naar de duisternis terug; zij zag niets meer dan de marteling van den geliefde aan hare zijde; haar altijd levendige geest toonde haar enkel nog den afgrond aan hare voeten, en het graf, dat niet voor Antonius alleen, maar ook voor haar zelve openstond.