VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Niet in staat om voorbijgegaan geluk te herdenken of nog op toekomstig te hopen, verloor zij al hare kalmte, en werd geheel een prooi der wanhoop. Geen vrouw uit het volk had zich hartstochtelijker overgegeven aan de brandende pijn die haar hart verscheurt, en daaraan een woester, onbeteugelder uiting kunnen geven, dan deze groote Koningin, deze vrouw, die reeds als kind zoo gevoelig was geweest voor de geringste smart, en die in haar later leven waarlijk niet had geleerd het leed te dragen en geduld te oefenen.

Nadat Charmion den lijder op zijn wensch een teug wijn had gegeven, vond hij de kracht om, in plaats van enkel te jammeren en te klagen, geregeld te spreken.

Vol liefde vermaande hij Cleopatra om aan haar eigen redding te denken, wanneer die mogelijk was zonder dat hare eer er onder leed, en wees haar Proculejus aan als de man, die onder de vrienden van Octavianus het meest haar vertrouwen waardig was. Daarop smeekte hij haar hem niet te beklagen, maar gelukkig te prijzen, omdat hij de allergrootste gunst van het lot had genoten. Het schoonste wat het leven heeft, was hij aan hare liefde verschuldigd, doch ook was hij de eerste en machtigste man der wereld geweest. Nu stierf hij in de armen der liefde een eervollen dood, als een Romein, die voor een Romein bezweek.

In dit bewustzijn had hij, na een korten strijd, den laatsten snik gegeven. Cleopatra had naar zijn laatsten ademtocht geluisterd, hem de oogen gesloten, en zich daarna zonder tranen over den geliefden man heengebogen. Eindelijk was zij in onmacht gevallen, en met het hoofd op zijn koude borst blijven liggen.

De geheimschrijver had bij dat alles toegezien en was daarna met vochtige oogen naar de eerste verdieping teruggegaan. Daar had hij Gorgias ontmoet, die juist op den steiger was geklommen, en had hem medegedeeld wat hij van de trap af, had gehoord en gezien. Doch nauwelijks had hij zijn verhaal geëindigd, of bij den Muzenhoek had een wagen stil gehouden, waaruit een voornaam Romein was gestapt.

Het was dezelfde Proculejus, dien de stervende Antonius aan zijn geliefde, als haar vertrouwen waardig, aanbevolen had.

»Inderdaad,” vervolgde Gorgias, »scheen hij door gestalte en gelaat tot de edelsten van zijn trotsche natie te behooren. Hij kwam met een zending van Octavianus. Men zegt dat hij innig aan den Cæsar is gehecht, en daarbij een welmeenend man is. Wij hebben hem ook hooren roemen als dichter, en zwager van Mæcenas. Die rijke, voorname heer is een grootmoedig beschermer der dichters, en ook kunst en wetenschap stelt hij op hoogen prijs. Timagenes heeft hem geroemd om zijne beschaving en edele gezindheid. Misschien had de geschiedschrijver gelijk, doch voor zoover het den Staat en zijn welzijn betreft, schijnt het in de omgeving van Octavianus slecht gesteld te zijn met datgene wat wij hier een vrij man waardig achten. De heer, aan wien hij zijne diensten wijdt, heeft hem een moeielijke taak opgelegd, en zeker houdt Proculejus het voor zijn plicht niets onbeproefd te laten die tot een goed einde te brengen;—en toch.... Als ik goed zie, dan zal de tijd voor hem komen, waarop hij den dag van heden verwenscht, en de gehoorzaamheid vloekt, waarmede hij, de vrije man, den Cæsar bijstond.... Maar hoor nu verder!

»Trotsch, met opgericht hoofd en in fraaie wapenrusting, klopte hij aan de deur van het grafmonument. Cleopatra was tot bewustzijn wedergekeerd en vroeg—daar zij hem zeker uit Rome nog wel moest kennen—wat hij begeerde.

»»Hij kwam,” antwoordde hij beleefd, »uit naam van Octavianus, om met haar te onderhandelen.” De Koningin toonde zich bereid, hem aan te hooren, doch weigerde hem in het gebouw binnen te laten.

»Zoo spraken zij dan met elkander door de deur. Zij sprak met edele kalmte haar wensch uit, dat de zonen, die zij Antonius geschonken had,—niet Cæsarion—als Koningen van Aegypte zouden worden erkend.

»Proculejus beloofde dadelijk volijverig dat hij dit aan den Cæsar zon overbrengen, en gaf haar bovendien hoop op de vervulling van dien wensch.

»Terwijl zij van de kinderen en hunne rechten sprak—op hare eigen toekomst zinspeelde zij met geen enkel woord—wenschte haar toehoorder iets naders te vernemen omtrent het einde van Antonius, en verhaalde haar daarop zelf, hoe het gegaan was met de vernietiging van het leger van den afgestorvene, en ook andere dingen van minder beteekenis. De man zag er niet uit als een prater, en ik koesterde reeds toen argwaan dat hij de Koningin met opzet bezighield. Dat was ook zijn bedoeling, want hij had alleen gewacht op Cornelius Gallus, den bevelhebber der vloot, van wien gij immers reeds hebt gehoord. Hij is een der aanzienlijkste Romeinen, en toch maakte hij zich tot een bondgenoot van Proculejus!

»Deze laatste verwijderde zich, zoodra hij de ongelukkige vrouw met zijn vriend bekend had gemaakt. Ik bleef op mijn post en luisterde toe, terwijl hij Cleopatra verzekerde van de deelneming van zijn gebieder. Hij bracht haar in gezwollen taal over hoe bitter Octavianus Marcus Antonius betreurde, als zijn vriend, zwager, mederegent en deelhebber aan zoovele gewichtige ondernemingen. Bij de tijding van zijn dood had hij heete tranen gestort, en zeker had nooit iemand oprechtere vergoten.

»Het scheen mij toe, dat ook Gallus met opzet het gesprek rekte.

»Op eens, terwijl ik nog al mijn oplettendheid inspande om ook te hooren wat Cleopatra, zoo kort mogelijk, antwoordde, kwam mijn opzichter der bouwwerken naar mij toe, die, toen de arbeiders door de Romeinen waren verdreven, zich tusschen twee blokken graniet verborgen had gehouden. Hij deelde mij mede dat Proculejus aan de achterzijde van het monument den steiger had beklommen door middel van een ladder. Twee dienaren waren hem gevolgd, en zij waren alle drie naar beneden in de zaal geslopen.

»Ik vloog op, want ik had op den grond gelegen om met uitgerekten hals des te beter te kunnen luisteren.

»Nu moest ik, het kostte wat het wilde, de Koningin waarschuwen, want stellig was hier verraad in het spel.

»Maar ik kwam te laat. O, Dion! Indien ik het enkele oogenblikken vroeger had gehoord, misschien was er dan iets nog vreeselijkers gebeurd;—doch zij, de Koningin, ware gespaard gebleven voor wat haar nu bedreigt.—Want wat mag zij verwachten van den overwinnaar, die zich verlaagt tot snood bedriegen van een edele, weerlooze vrouw, die voor de overmacht moet bukken, met het doel om zich levend, alleen maar levend, van haar meester te maken.

»De dood zou de ongelukkige hebben bevrijd van zwaar leed en vreeselijke schande! En zij had reeds tegen zichzelve den dolk opgeheven. Deze oogen hebben het gezien hoe zij den schoonen arm zwaaide met het flikkerende staal, dat bij het schijnsel der kaarsen op de veelarmige luchters naast de sarcophaag helder schitterde.... Doch ik wil beproeven kalm te blijven! Ik zal het u alles achter elkaar verhalen, zooals het zich heeft toegedragen. Bovendien raken mijne gedachten verward nu ik mij die schrikkelijke gebeurtenis weder voor den geest roep.

»Om het te beschrijven zooals ik het heb gezien, zou ik een dichter moeten zijn, een schilder met woorden; want wat daar vóór mijne oogen geschiedde in die omgeving.... Gij weet immers, dat het een graftombe was. De muren van donkeren steen; donker waren ook zuilen en zoldering, alles glimmend, maar donker.... Bijna overal glad gepolijste steen, die daardoor blonk als een spiegel. Bij de sarcophagen en in den omtrek van de kandelaber, tot dichtbij de deur, waar het schelmstuk werd uitgevoerd, helder licht—als in een feestzaal. Iedere bloedvlek op de hand, iedere schram, iedere wond duidelijk zichtbaar, door de wanhopige vrouw met hare nagels gereten in den boezem, die sneeuwwit door het verscheurde zwarte gewaad te voorschijn kwam. Verderop rechts en links zwak schemerlicht, en in den achtergrond en bij de zijmuren diepe duisternis, als in een echt, werkelijk graf. Maar aan de gladde ronding der porfieren zuilen, aan het zwarte marmer en den serpentijnsteen, hier, ginds en overal de trillende weerkaatsing van het licht der kaarsen. De tocht hield dit steeds in beweging, en zoo dreef het in de zaal zijn spel, evenals de rustelooze zielen der verdoemden. Waarheen de blik zich wendde, overal was duisternis op den achtergrond. Het verst verwijderde gedeelte van de zaal was zwart, zwart als de voorhof van den Hades, doch ook hier brak een heldere, bewegelijke streep door: zonnestralen, die van de zijde der trap in de graftombe vielen, en waarin stofjes dansten. Welk een indruk maakte dat! De woonplaats der duistere Hekate! En de Koningin, en alles wat er met haar gebeurde! Een schilderij door licht overgoten, die stralend uitkwam tegen het donker in den wijden kring der massieve, majestueuse vormen er omheen. Dit grafteeken, in dit licht, zou een geschikter paleis zijn geweest voor den koning der demonen, wiens heirscharen de Magiër bezweert, wanneer zij zijn opgeroepen om hem te gehoorzamen bij zijne werken der duisternis.—Doch waar dwaal ik heen? »De kunstenaar!” hoor ik u weder roepen, de kunstenaar! In plaats van ter hulp te ijlen geeft hij zich over aan den indruk dien het licht ophem maakt, dat in de koninklijke grafgewelven valt.—Ja, het is waar: ik was te laat, veel te laat gekomen! Ik ontdekte dat reeds op de trap, die naar de benedenruimte voert; doch ik heb geen schuld aan dit tijdverlies, neen, zeker niet!

»In het begin had ik van de mannen niets kunnen bespeuren,—geen schaduw zelfs; doch wel zag ik in het helderste licht het lijk van Antonius, op de rustbank uitgestrekt, en verder in de schemering ter rechterzijde Iras en Charmion, die zich vergeefs inspanden om een valluik op te lichten. Het was hetzelfde, dat de gang afsloot, waardoor men de brandstof in de kelders bereiken kon. Zij hadden die op een teeken der Koningin in brand moeten steken.

»Nauwelijks was ik de eerste treden van de trap af—daar komt eensklaps uit de diepe duisternis Proculejus met twee mannen van de andere zijde te voorschijn. Mijzelven bijna niet meer meester ijl ik verder de trappen af, en terwijl de schrille stem van Iras mij in de ooren krijscht: »Arme Cleopatra, zij nemen u gevangen!” zie ik, hoe de Vorstin zich afwendt van de deur, waardoor zij, vastbesloten te sterven, nog iets, ik weet niet wat, aan Gallus had willen zeggen. Daarop zie ik hoe zij Proculejus vlak achter zich ontdekt, in haar gordel grijpt, en met bliksemsnelheid—zooals ik u reeds verhaalde—haar arm met den kleinen dolk omhoog heft, om zich de scherpe punt in haar eigen borst te stooten. Welk een gezicht! Door het heldere licht beschenen, geleek zij de triomfeerende overwinning, de edele trots, die groote daden volbrengt; en toen, slechts enkele oogenblikken later.... Maar welk een lot zou haar nog treffen!

»Als een roover, een sluipmoordenaar, viel Proculejus op haar aan, hield haar arm tegen, en ontwrong haar het wapen. Door zijne hooge gestalte werd zij aan mijn blik onttrokken. Doch toen zij, terwijl zij zich aan het geweld van den snoodaard ontrukte, het gelaat weder naar de zaal keerde, hoe was zij toen veranderd! Hare oogen—gij kent ze—waren nog eens zoo groot geworden en zij vlamden van verachting, vijandschap en haat tegen den verrader. Het verwarmende licht was verwoestend vuur geworden. Zoo stel ik mij de wraak, den vloek voor, die verderf afsmeekt over het hoofd van zijn vijand. En Proculejus, de groote heer, de dichter, wiens edele zin daarginds aan den Tiber wordt geprezen, hij stond nog altijd achter de weerlooze vrouw, de waardige dochter uit een schitterend koningsgeslacht, en hield haar omklemd, alsof hij al zijne mannenkracht gebruiken moest om dit teedere toonbeeld van bekoorlijke vrouwelijkheid te bedwingen. Het is waar, het trotsche bloed der vertoornde leeuwin drong haar om zich tegen deze vernederende behandeling te verweren en Proculejus—een benijdenswaardige eer!—liethaar de meerdere kracht van zijn armen voelen. Ik ben geen profeet, maar ik herhaal het, Dion: Hij zal tot in zijn laatste uur dien smadelijken kamp en de blikken niet vergeten, die hem daarbij troffen. Indien zij mij gegolden hadden, ik zou mijn leven moeten vloeken!

»Ook den Romein dreef die blik het bloed uit de wangen. Doodsbleek volvoerde hij verder, wat hij voor zijn plicht hield. Hij bezoedelde zijn eigen voorname handen met het werk van den tolbeambte, en doorzocht de kleederen eener vrouw, der Koningin, of er ook verboden zaken in te vinden waren; vergif of wapenen. Een vrijgelatene van den Caesar, Epaphroditus, die zeer in de gunst van Octavianus moet staan, hielp hem daarbij.

»Ook Iras en Charmion werden door den ellendeling onderzocht, en onder dat alles hielden beide Romeinen niet op, met schoonklinkende woorden te spreken van de genade van den Caesar, en zijn wensch om aan Cleopatra alles toe te staan, wat een Koningin toekomt.

»Eindelijk leidde men haar naar de Lochias terug; ik zelf was als een zinnelooze, want het beeld der ongelukkige vrouw vervolgde mij als mijn schaduw. Het was nu niet meer dat van een betooverende vrouw; maar van de verpersoonlijkte wanhoop, van den weedom die geen tranen heeft, van den toorn, die naar wraak hijgt. Ik wil niet trachten het te beschrijven, maar die oogen, die dreigend vlammende oogen en dat verwarde haar, waaraan het bloed van Antonius kleefde..... vreeselijk, ontzettend! Mijn hart versteende, alsof ik de Medusa met het slangenhaar in het schild van Athene in het aangezicht had gezien.

»Ik zeide het reeds, het was mij onmogelijk geweest haar bijtijds te waarschuwen of zelfs den verrader bij den arm te grijpen, en nochthans zag haar vlammend gelaat mij om dit verzuim verwijtend aan. Nog altijd vervolgt mij haar blik, en rooft mij kalmte en vrede. Eerst als ik in Helena's reine, rustige oogen zie, zal het vreeselijke, door 't licht omstraalde gezicht uit het graf van mij wijken, en misschien gelukt het mij dan de rust weder te vinden.”

Nu legde zijn vriend de hand op zijn arm, trachtte hem tot bedaren te brengen, en herinnerde hem daarbij aan het goede, dat deze noodlottige dag—zooals hij zelf had gezegd—toch ook had meegebracht.

Hiermede had Dion de rechte snaar aangeroerd, want op eens veranderden Gorgias' houding en toon, en hij verzekerde met warmte, dat op al die gruwelen hoogst verblijdende dingen gevolgd waren, voor de stad, zijn vriend en Barine.

Vervolgens zette hij op kalmen toon zijn verhaal voort: »Als een beschonkene ging ik op weg naar huis. De poging om de Koningin of hare vertrouwelingen te naderen, had helaas schipbreuk geleden, doch ik hoorde van de slimme Nubische dienares van Charmion, dat het aan Cleopatra, uit naam van den Caesar, vergund geworden was zelve te bepalen in welk paleis zij wilde wonen. En zij moet dat op de Lochias gekozen hebben.

»Op mijn weg naar huis, kwam ik niet snel vooruit, daar ik reeds vóór het groote gymnasium werd tegengehouden door de menigte. Octavianus had zijn intocht in de stad gedaan, en ik hoorde hoe het volk hem had toegejuicht en voor hem op de knieën was gevallen. Onze onbuigzame Alexandrijnen in het stof voor den overwinnaar! Dat maakte mijn diepste verontwaardiging gaande—doch mijn toorn zou spoedig bedaren.

»Allen die tot het gymnasium behooren, kennen mij. Men maakte voor mij plaats, en eer ik nog was besloten binnen te gaan, was ik de hoofdpoort reeds door. De lange Phryxus had mijn arm door den zijne getrokken. De rijke man, die overal en nergens is, hoort immers alles, en de beste plaatsen zijn altijd reeds vooruit voor hem bewaard. Ook ditmaal gelukte hem dat, want toen hij mij losliet, stonden wij tegenover een pas opgerichte redenaarstribune.

»Men verwachtte Octavianus, die reeds in den zuilengang van Euergetes de hulde ontvangen had van den epitroop22), de leden van den Raad, den gymnasiarch, en ik weet niet van wien al meer.

»Phryxus verhaalde mij dat de Caesar reeds bij den intocht zijn voormaligen gouverneur de hand had gereikt, zich door hem had doen vergezellen, en zijn zoons voor hem laten brengen. De philosoof was meer dan iemand anders door hem met onderscheiding behandeld, en dat zal nu u en de uwen ten goede komen, want hij is immers de broeder van vrouw Berenice, en dus de oom van uw echtgenoot. Wat hij wenscht, wordt hem bij voorbaat toegestaan. Gij zult spoedig hooren hoe in het oog vallend de Caesar hem tracht tot zich te trekken en te onderscheiden. Ik gun het den man gaarne, want hij is indertijd kloek opgetreden voor Barine; zij roemen hem als een degelijk geleerde, en aan moed ontbreekt het hem evenmin. Ondanks Actium, en de eenige schandelijke daad die men, zoover ik weet, aan Marcus Antonius verwijten kan—de uitlevering van Turullius bedoel ik—heeft Arius hier altijd verblijf kunnen houden. Even goed als hij den moordenaar vanJulius Caesar prijs gaf, had de imperator den vriend van diens neef als gijzelaar kunnen gevangen nemen.

»Sedert Octavianus voor de stad ligt, is uw oom ernstig bedreigd geweest, en evenals hij waren dat ook zijn zoons—gij zult die schoone, sterke jonge epheben wel kennen.

»In het Gymnasium behoefden wij niet lang te wachten eer de Caesar de tribune beklom, en toen—als zich nu uw vuist gaat ballen, dan doet zij niets anders dan ik verwacht—toen vielen allen die er omheen stonden, op de knieën. Ons woest, oproerig gepeupel hief als smeekende bedelaars de handen omhoog, en ernstige, waardige mannen deden hen dat na. Wie mij en mijn langen metgezel heeft gezien, zal ons beiden ook onder die knielende lage vleiers rekenen, want indien wij staande gebleven waren, zouden zij ons zeker naar den grond getrokken hebben. Wij huilden dus met de wolven mee en deden als de anderen.”

»En Octavianus?” vroeg Dion in spanning.

»Een koninklijke verschijning, met een jeugdig uiterlijk. Een baardeloos, fijn besneden gelaat, een fraai profiel, als geschapen voor een stempelsnijder. Scherpe, en toch innemende trekken. Voornaam van top tot teen; maar de spiegel van een koude ziel, niet in staat tot geestverheffing, noch vatbaar voor een warm gevoel of een opwelling van barmhartigheid. Alles bij elkaar: een schoon, trotsch, verstandig, berekenend man, dien men voor zijn hart niet tot vriend zou wenschen, doch voor wiens vijandschap de goden allen die wij liefhebben mogen bewaren.

»Weder leidde hij Arius bij de hand. De zoons van den philosoof volgden hen. Toen hij op de tribune stond en neerzag op de duizenden, die voor hem op de knieën lagen, toonde geen spier van zijn edel gezicht—want edel is het—ook maar de minste aandoening. Als een landheer, die zijn kudde overziet, zag hij op ons neer, en na lang stilzwijgen verklaarde hij in voortreffelijk Grieksch kortaf, dat hij het Alexandrijnsche volk vrijsprak van alle schuld jegens hem, ten eerste—hij rekende hen dat voor, alsof hij veteranen opriep om hen te beloonen—uit eerbied voor den grooten stichter van onze stad, den wereldveroveraar Alexander; ten tweede, omdat de grootte en schoonheid van Alexandrië hem met bewondering vervulde, en ten derde—hier wendde hij zich tot Arius—om welgevallig te zijn aan dezen, zijn voortreffelijken en veelgeliefden vriend.

»Daarop barstte een luid gejubel los.

»Aan ieder, van den kleinste tot den grootste, was hierdoor een zware last van de ziel genomen, en nauwelijks had het volk het Gymnasium verlaten, of het lachte weder zoo overmoedigals ooit, en er was geen gebrek aan scherpe of onschuldige grappen. Dicht bij mij riep de dikke timmerman Memnon, dezelfde die voor uw paleis het houtwerk maakte: vroeger heeft een dolfijn Arius uit de handen der zeeroovers gered, en nu redt Arius het zeedier Alexandrië uit die van andere roovers. En zoo ging het voort. Niemand was zeker een beter mikpunt voor geestigheden dan Philostratus, de eerste man van Barine. Die opruier had goede redenen om het ergste te vreezen, en nu liep hij in zwarte rouwkleederen achter Arius aan, dien hij nog maar enkele maanden geleden met grimmigen haat had vervolgd, en riep hem voortdurend den zinledigen versregel toe:

„Zijt gij wijselijk man, dan helpe de wijze den wijze.”

„Zijt gij wijselijk man, dan helpe de wijze den wijze.”

»Of die armzalige bedelarij geholpen heeft, zullen wij later wel hooren.

»Het was niet gemakkelijk naar huis te komen. De straten wemelden van Romeinsche soldaten. Zij hadden het zoo goed als zij maar konden verlangen, want vele gegoede burgers der stad, die het hunne gespaard zagen, namen in de vreugde van hun hart enkele krijgslieden, of zelfs wel een geheele troep, mede naar de gaarkeuken of de herberg, en in dezen nacht zal de voorraad wijn der Alexandrijnen zeker aanmerkelijk verminderen.

»Zooals ik zeide, waren vele soldaten in de huizen ingekwartierd, met bevel het eigendom der burgers te eerbiedigen. Juist toen trof Barine's grootmoeder de slag, waarmede ik begon. Vóór mijn vertrek had men haar de oogen reeds gesloten.

»Thans staan alle poorten der stad voor u open, en men zal Arius' nicht en haar echtgenoot met kransen ontvangen. Ik gun het uwe Barine gaarne, want zooals uwe bewonderenswaardige gade, die ook mijn hart heeft veroverd, alles heeft opgegeven waarop een gevierde stadbewoonster prijs stelt, om op het eenzaamste van alle eilanden een nieuwe wereld te vinden voor hare liefde, dat is allen lof en iedere belooning waard. Voor u zelven ben ik eigenlijk voor nog meer geluk en eer beducht, want als die zich nog bij al het andere voegen, dat het lot u geschonken heeft in zulk een gemalin en in uw zoon Pyrrhus, dan zouden de goden niet meer zichzelven zijn, wanneer zij u niet met hunnen naijver vervolgden. Ik voor mij heb minder reden hen te vreezen.”

»Ondankbare!” zeide zijn vriend. »Ook onder de stervelingen is er menigeen die u uwe Helena benijden zou. Wat mij betreft, werkelijk heeft reeds menigmaal een stille angst mij bekropen, doch wij hebben immers aan de goden geen geringe schattingbetaald? In ons woonvertrek brandt de lamp nog. Bereid de vrouwen voor op den dood der oude vrouw, en verhaal ook de verblijdende dingen, die gij hebt gehoord. Wacht liever tot morgen om te spreken over de verschrikkelijke gebeurtenis waarvan gij getuige waart. Wij moeten niet hare nachtrust bederven. Let eens op! Helena's stille droefheid en hare blijdschap over onze verlossing zullen nog heden uw hart goed doen.”

En zoo was het ook. Wel doorleefde Gorgias nog eens in den droom het vreeselijke schouwspel van den vorigen dag, doch toen de zon van den tweeden Augustus met helderen glans over Alexandrië opging, namen nieuwe, vriendelijke indrukken een goed deel van de verschrikkingen dier gruweltooneelen weg. In den vroegen morgen landde op het Slangeneiland de eene boot na de andere. Uit de eerste stapte vrouw Berenice met hare neven, de beide zonen van den gevierden philosoof Arius; daarna uit de andere, cliënten, beambten en vrienden van Dion, en bevoorrechte voormalige bezoekers van Barine. Zij allen kwamen het jonge paar begroeten, en hen uit den schuilhoek, die hen zoolang verborgen had, naar de stad en in hun midden terugvoeren. Want het nieuws, waar Dion en Barine verblijf gehouden hadden en dat zij sinds lang een gelukkig paar waren, had zich door »den langen Phryxus” met groote snelheid verbreid.

Velen hadden er een zeetochtje voor over, om de helden van zulk een zeldzaam avontuur te zien en het eerst te begroeten. Al wie Barine en haar gemaal kende, was daarenboven nieuwsgierig te weten hoe deze beide menschen, die gewend waren aan het leven in een groote stad, zulk een volkomen afzondering zoovele maanden lang zouden hebben uitgehouden. Menigeen vreesde of vermoedde haar bij het wederzien uitgeteerd en kwijnend, verwilderd of zelfs tot zwaarmoedigheid vervallen te vinden, en zoo waren er vele verbaasde gezichten onder degenen, wier boot de vrijgelatene Pyrrhus in zijn hoedanigheid van loods door de ondiepten had gebracht, die zijn eiland zoo beschermend omringden.

Het feestelijk inhalen van het merkwaardige paar zou een goede aanleiding geweest zijn tot vroolijke feesten. Men verheugde zich dat de stad zoo genadig behandeld werd, ofschoon de meesten het droevig lot der Koningin oprecht betreurden, en de ernstigsten zich verontrustten over de toekomst van Alexandrië's vrijheid onder Romeinsche heerschappij. Het leven en de bezittingen der bewoners waren immers gespaard, en feestvieren was voor groot en klein een levensbehoefte geworden. Maar het bericht van den dood van Didymus' gemalin en van de ziekte des grijsaards, die niet wennen kon aan hetgemis van zijne trouwe gezellin gaf Dion het recht, om iedere vroolijke verwelkoming in zijn eigen huis af te slaan. Het leed van Barine was het zijne, en Didymus stierf reeds eenige dagen na zijn vrouw, met wie hij langer dan een halven eeuw verbonden was geweest; de menschen zeiden: „aan een gebroken hart.”

Zoo deden dus Dion en zijne jonge vrouw zonder luidruchtige feestelijkheden hunne intrede in zijn fraai paleis. In plaats van jubelende Hymenaeën, klonk hem op den drempel de stem van zijn eigen kind tegen.

De rouwkleederen, waarin Barine hem in de vrouwenvertrekken ontving, deden hem weder denken aan den naijver der goden, waarvoor zijn vriend om zijnentwil had gevreesd. Veeleer was het hem dikwijls, alsof het beeld zijner moeder in het tablinum er bijzonder tevreden uitzag, wanneer zijne jonge huisvrouw daar binnen trad. Barine voelde ook dat haar geluk als echtgenoote en moeder, in dit heerlijk tehuis overstelpend groot zou zijn geweest, wanneer een wijze lotsbeschikking haar niet juist nu de smart over het verlies van geliefde betrekkingen te dragen had gegeven.

Dion wijdde zich dadelijk weder aan de belangen van zijn stad en zijn eigendom. Hij en de geliefde vrouw, met wie hij door den moeilijken tijd van ontbering nog veel inniger verbonden was, waren nu in een veilige haven binnen geloopen, en zagen met kalmte de stormen van het leven tegemoet. Het anker der liefde, dat zijn scheepje aan den vasten grond hechtte, had in de eenzaamheid op het Slangeneiland de proef doorstaan.

21)De tweelingzonen van Zeus, Castor en Pollux.

22)Landvoogd.

De visschersfamilie had hare lieve gasten met een bedroefd hart zien vertrekken, en de vrouwen hadden menigen traan daarbij vergoten, ofschoon Pyrrhus' zonen uit den dienst op de vloot ontslagen, en nu weder als vroeger hun vader behulpzaam waren.

Dion had bovendien den trouwen vrijgelatene tot een gegoed man gemaakt, en aan zijn dochter Dione een huwelijksgift beloofd. Zij werd dan ook spoedig de vrouw van den scheepskapitein, die op den Epicurus, den snelzeiler van Archibius, bevel voerde. Zij had dien leeren kennen in den tijd toen de bruine dienares van Charmion zoo vaak op dit schip naar het Slangeneiland was gekomen. Het doel van deze bezoeken van Anukis was niet alleen geweest haar vriend te begroeten, maar ook om hem te overreden een der vergiftige slangen van de naburige eilanden te vangen, en voor de Koningin in gereedheid te houden.

Sedert Cleopatra tot de overtuiging gekomen was, dat geen vergift een minder pijnlijken dood ten gevolge had dan dat van den tand der aspis, had zij het besluit genomen, zich door den beet van een dezer dieren van den last des levens te bevrijden. De slimme Aethiopische was op de gedachte gekomen haar vriend Pyrrhus met het bezorgen van de adder te belasten, doch al Aisopion's overredingskunst, en de roerende wijze waarop zij den ontzettenden toestand der Koningin beschreef, waren noodig geweest om het verzet van den rechtschapen man te overwinnen. Eindelijk had zij hem toch aan het verstand gebracht, dat men een Koningin naar een anderen maatstaf beoordeelen moest dan een vrouw uit het volk, en hem overgehaald met haar, Anukis, af te spreken hoe en wanneer de slang in het wel bewaakte paleis het best zou zijn binnen te brengen. Als het beslissend uur gekomen was, zou hem eenteeken worden gegeven. Voortaan moest hij iederen dag met de adder op de vischmarkt gereed staan. Waarschijnlijk zou het niet lang duren eer men hem dien dienst zou vragen, want men kon het lange aarzelen van Octavianus moeilijk als een gunstige beschikking omtrent het lot van Cleopatra uitleggen.

Wel liet men haar op de Lochias op koninklijke wijze voortleven, en had haar zelfs toegestaan de kinderen weder bij zich te zien, met belofte het leven en de vrijheid van de tweelingen en den kleinen Alexander te zullen sparen. Cæsarion was echter gevangen genomen in het heiligdom van zijn vader, waar hij bescherming had gezocht, nadat zijn verraderlijke gouverneur Rhodon hem met allerlei verlokkende voorspiegelingen, waaronder ook de terugkeer van Barine, naar Alexandrië had doen terug komen, terwijl hij juist op reis was naar het zuiden. Dit bleef de ongelukkige moeder niet verborgen, evenmin dat Octavianus den jongeling, die zoozeer op Cæsar geleek, ter dood had veroordeeld. Ook werd haar een gezegde van den philosoof Arius overgebracht, waarmede deze zijn goedkeuring had gehecht aan den wensch van den Cæsar, om zich te ontdoen van den zoon zijns grooten ooms. Het was een zinspeling op een versregel van Homerus, waarin deze de veelhoofdige regeering veroordeelde.

Over het geheel kwam Cleopatra alles ter oore, wat zij omtrent de gebeurtenissen in de stad wenschte te weten, want men liet haar veel vrijheid. Alleen werd zij dag en nacht zeer zorgvuldig bewaakt, en evenals de dienaren en beambten, werd ieder dien zij bij zich wenschte te zien, eer hij met haar in aanraking kwam, nauwkeurig onderzocht om alle middelen, waardoor zij zich het leven zou kunnen benemen, van haar verwijderd te houden.

Niemand twijfelde er trouwens aan, of zij met het leven had afgedaan. Haar poging om alle spijs te weigeren en van honger te sterven, moest worden ontdekt. Toen had men ernstige bedreigingen uitgesproken tegen hare kinderen, want men zag in, dat door hen de meeste invloed op haar kon worden uitgeoefend, en werkelijk was zij er daar door weder toe gekomen, zich voldoende te voeden. Dat alles wist Octavianus, en zijn gedrag bewees dat hij er bijzonder op gesteld was, haar van een zelfmoord terug te houden.

Verscheidene Aziatische vorsten wedijverden in den wensch om de nagedachtenis van Marcus Antonius te eeren door een prachtige uitvaart, doch Octavianus had aan Cleopatra toegestaan zelve daarvoor te mogen zorgen. In dezen tijd van het grootste zieleleed vond zij er troost en bevrediging in, dat alles zelve te beschikken, en zelfs enkele dingen die er toe behoordenmet eigen hand in orde te maken. De teraardebestelling zou dan ook met al de praal geschieden, die met den aard van den overledene overeenkwam.

Iras en Charmion begrepen dikwijls niet hoe zij al die inspanning en aandoeningen, die haar die bezorging op den hals haalde, kon verduren, terwijl zij, sedert Antonius' dood, niet alleen leed aan de wonden, die zij zich in haar wanhoop had toegebracht, maar ook, na haar mislukte poging om zich te laten doodhongeren, door sluipkoortsen was aangetast.

Intusschen had de terugkomst van Archibius met de kinderen haar wegkwijnenden moed zichtbaar doen herleven. Zij ging dikwijls in den tuin van Didymus, die thans met het paleis op de Lochias verbonden was, om hun werk in oogenschouw te nemen en te deelen in alles wat in hun jong hart omging.

Doch deopgeruimdstevan alle moeders die zij vroeger was, en die zich zoo vriendelijk had kunnen verplaatsen in het kinderhart, was nu een bezorgde leidsvrouw geworden, die hen ernstig waarschuwde en onderrichtte. Hoe schoon en wel doordacht alles wat zij hen op het hart drukte ook was, toch was het voor den leeftijd van Archibius' leerlingen niet geschikt, want gewoonlijk had het betrekking op den dood en wijsgeerige vraagstukken, waarvan de kleinen niets begrepen.

Zij voelde zelve dat zij den rechten toon niet meer trof, doch zoo vaak zij beproefde een anderen aan te slaan en met de tweelingen of den kleinen Alexander te schertsen zooals vroeger, dan kon zij die gedwongen vroolijkheid maar een oogenblik verdragen. Weldra volgde daarop een uitbarsting van smart, dikwijls met tranen gepaard, en zij was genoodzaakt hare lievelingen te verlaten.

Het leven dat haar vijand haar liet, was in haar oogen een opgedrongen geschenk, een drukkende schuld, die men den lastigen schuldeischer hoe eer hoe beter wil afbetalen.

Zij was alleen kalmer en schijnbaar tevreden, wanneer het haar vergund werd met de vrienden harer jeugd over lang verleden tijden, of met hen en Iras over den dood te spreken, en middelen te beramen om een eind te maken aan haar droevig bestaan.

Na zulkegesprekkenverlieten Iras en Charmion haar met een bloedend hart. Zij hadden sinds lang het plan opgevat om het lot harer meesteres, wat dat ook zijn mocht, te deelen. Het gemeenschappelijk leed was de band, die haar nu weder in vriendschap vereenigde. Iras had gezorgd voor vergiftigde naalden, die aan de dieren, waarop men ze had beproefd, een plotselingen dood hadden berokkend. Cleopatra had daarvan vernomen, doch voor zichzelve hield zij vast aan den pijnloozendood door den beet van een slang, en haar vriendinnen hadden de geliefde oogen der rampzalige vrouw sinds lang niet zoo helder zien glanzen, als op het bericht van Charmion, dat er mogelijkheid was de uraeus-slang te verkrijgen, zoodra men die noodig zou hebben. Maar het was nog altijd niet het oogenblik om naar dit laatste redmiddel te grijpen. Octavianus wenschte voor goedertieren te worden gehouden, en misschien liet hij zich nog overreden om de toekomst der Koningin en die van haar kinderen dragelijk te maken.

Een ongeloovige glimlach van Cleopatra was hierop het antwoord, en toch was er ook in hare ziel een kiem van hoop gelegd, die haar voor vertwijfeling behoedde.

Een zekere Dolabella, een voorname jonge Romein uit het edele geslacht der Corneliussen, en die tot het gevolg van den Cæsar behoorde, had zich aan haar laten voorstellen. Zijn vader was in vroeger jaren een vriend van Cleopatra geweest, en zij had hem aan zich verplicht door hem, na den moord op Julius Cæsar, een leger toe te zenden waarover zij te beschikken had, om dat tegen Cassius te gebruiken. Nu waren wel is waar hare legioenen door den afgezant van Dolabella zelf tot een ander doel gebruikt, maar niettemin had Cleopatra een vriendelijkheid bewezen aan den vader van den jongeling. Deze had haar reeds vóór Cæsars dood te Rome ontmoet, en had zijn zoon met geestdrift de betooverende lieftalligheid der Aegyptische Vorstin beschreven. Zoo hadden, ofschoon de jonge man haar nu als een treurende weduwe vond, ziek naar lichaam en ziel, haar heldere geest, de innemendheid van haar geheele persoon, haar ongeluk en lijden hem zoozeer geboeid en getroffen, dat hij menig uur aan haar wijdde, en het als een geluk zou hebben beschouwd, indien hij haar grootere diensten had kunnen bewijzen, dan de omstandigheden toelieten. Dikwijls vergezelde hij haar ook naar de kinderen, wier hart hij gewonnen had door zijn open, opgeruimde manier van zijn, en zoo was het gekomen dat hij op de Lochias weldra tot de meest welkome bezoekers behoorde. Hij vertrouwde aan de veel oudere, warm voelende vrouw zonder voorbehoud alles toe, wat in zijn ziel omging, en zij kwam door hem veel te weten betreffende Octavianus en zijne omgeving. Zoo werd hij, zonder zich als werktuig te laten gebruiken, bij den Cæsar een voorspraak voor de ongelukkige vrouw, die hij zoo hoogachtte.

Haar zelve trachtte hij zooveel mogelijk vertrouwen te doen stellen in Octavianus. Deze ging veel met hem om, hield van hem, en de jongeling zelf vertrouwde op zijn edelmoedigheid.

Vooral had hij zijn hoop gevestigd op een gesprek van de Koningin met den Cæsar. Hij hield het voor onmogelijk dat degelukkige overwinnaar niet te vermurwen zou zijn en zonder den wensch om haar treurig lot te verlichten, zou kunnen afscheid nemen van de vrouw, die in vroeger jaren zijn vader zoo betooverd had, en die, al had zij bijna zijn moeder kunnen zijn, in zijne oogen, in bekoorlijke en aantrekkelijke beminnelijkheid door geen andere werd geëvenaard.

Cleopatra daarentegen vreesde voor de ontmoeting met den man, die zooveel onheil over haar en haar geliefden had gebracht, en dingen had gezegd, die haar maar al te veel recht gaven om te twijfelen aan zijne goedheid en eerlijkheid. Van den anderen kant moest zij Dolabella gelijk geven, wanneer deze beweerde dat Octavianus de wenschen, die zij vooral voor de toekomst harer kinderen koesterde, aan haar persoonlijk veel moeilijker zou kunnen weigeren dan aan bemiddelaars. Proculejus had gehoord dat Antonius juist hem bij Cleopatra had genoemd als de man, die haar vertrouwen het meest waardig was, en nu voelde hij zich daarom bezwaard over hetgeen hij als werktuig en gehoorzame vriend van Octavianus, de beklagenswaardige vrouw had aangedaan. De gedachte aan zijn eigen onwaardig gedrag, dat in de geschiedboeken zou worden vereeuwigd, had den fijngevoeligen man, die als dichter de pas ontwakende Romeinsche poëzie tot bloei bracht, menigen nacht den slaap ontroofd. En nu deed hij al wat hij kon om de Koningin aangenaam te zijn en haar droevig lot te verlichten.

Hij en de vrijgelatene Epaphroditus, die op last van den Cæsar zorgvuldig waakte over haar leven, schenen veel te verwachten van zulk een gesprek, en zij trachtten haar dus over te halen om den Cæsar om een bijeenkomt te verzoeken.

Archibius meende dat het in het ergste geval den stand der zaken niet nog slechter zou maken. De ondervinding leerde, zeide hij tot Charmion, dat geen man van eenig gevoel zich geheel kon losmaken van de betoovering die van haar uitgaat, en hem zelf was zij nooit innemender voorgekomen dan nu. Wie zou haar zonder aandoening in dat stil, lijdende, schoone gelaat kunnen zien? Wien zou de smartelijke toon, die in haar zachte stem trilde, niet diep in de ziel dringen? Daarbij paste dat zwarte rouwgewaad zoo goed bij de sfeer van lijden, die haar geheele persoon omgaf. Wanneer de koorts den blos harer wangen verhoogde, dan dacht Archibius dat hij haar nooit schooner had gezien, in weerwil van den verwoestenden invloed dien smart, angst en bekommering op enkele harer bekoorlijkheden uitgeoefend hadden. Hij kende haar en wist hoezeer het haar ernst was met den wensch om te sterven evenals haar geliefde, ja dat die haar geheel en al beheerschte.—Zij hechtte alleen nog waarde aan het leven om, zoodra zij er kans toezag, te sterven. Wat zij na haar besluit om het grafteeken op te richten, in het heiligdom van Berenice als de goede keuze had leeren beschouwen, was de richtsnoer van haar leven geworden. Iedere gedachte, ieder gesprek bracht haar naar het verleden terug. Een toekomst scheen voor haar niet meer te bestaan. Indien het Archibius al een enkele maal gelukte haar geest te richten op de dagen die komen zouden, dan hield zij zich alleen met het lot van hare kinderen bezig. Voor zich zelve hoopte zij niets meer; zij voelde zich ontslagen van iederen plicht, behalve van dien éénen, om zich zelve en haar naam te bewaren voor schande en vernedering.

Dat Octavianus, nadat hij besloten had Cæsarion ter dood te veroordeelen, aan de andere kinderen veroorloofd had naar haar terug te keeren, met de verzekering dat hen geen leed geschieden zou, bewees dat hij tusschen hen en den zoon van zijn oom onderscheid maakte, en van de eersten voor zijn eigen veiligheid niets duchtte. Van een bijeenkomst met Octavianus zou inderdaad voor haar zelve iets gewichtigs te verwachten zijn; en zoo droeg zij dan eindelijk aan Proculejus op, om hem een onderhoud te verzoeken.

Het antwoord kwam nog dienzelfden dag. De Cæsar liet haar weten dat het aan hem was, haar te komen bezoeken.

Deze ontmoeting moest over haar lot beslissen. Zij was zich daarvan bewust, en verzocht Charmion de adder gereed te houden.

Men had aan de kamervrouwen der Koningin verboden de Lochias te verlaten, doch Epaphroditus stond haar wel toe bezoeken te ontvangen. De Nubische had door hare levendige manieren de Romeinsche bewakers reeds voor zich gewonnen. Zij mocht ongestoord in- en uitgaan. Evenwel werd zij, telkens als zij weer op de Lochias terugkwam, met de grootste nauwkeurigheid onderzocht.

Het beslissend uur naderde. Charmion wist wat haar te doen stond, hoe de afloop ook mocht zijn. Zij had echter nog één wensch, welks vervulling haar zeer ter harte ging. Zij wilde Barine nog eens spreken, en haar zoontje zien.

Ter wille van Iras had zij tot nu toe met opzet Dion's gemalin niet bij zich laten komen. Het gezicht van moeder en kind zou de nog niet geheelde wonden opengereten hebben, en zij wilde hare nicht, die sedert lang weder trouw en vast aan haar verbonden was, deze smart besparen.

De Cæsar haastte zich niet met de vervulling van zijn belofte: doch ongeveer een week nadat Proculejus de toezegging had gebracht, kon hij des morgens het bezoek van den Cæsar tegen den namiddag aankondigen. Een groote ontroering maakte zich bij deze tijding van de Koningin meester. Zij wenschte, vóór hetonderhoud, het grafteeken nog te bezoeken. Iras nam op zich haar te vergezellen, en daar Cleopatra daar urenlang placht te vertoeven, scheen Charmion deze tijd geschikt toe om Barine en haar zoon bij zich te zien.

Dion's echtgenoot had door haar vrienden reeds lang van dezen wensch gehoord, en Anukis, die haar naar de Lochias zou brengen, behoefde niet lang op moeder en kind te wachten.

De voormalige tuin van Didymus,—nu het eigendom der koninklijke kinderen—werd het tooneel van deze ontmoeting. In de schaduw der welbekende boomen zonk de jonge moeder aan de borst van haar trouwe vriendin, en deze kon zich niet verzadigen aan den aanblik van den knaap, in wien zij het evenbeeld van zijn grootvader Leonax zag.

Hoeveel hadden die beide vrouwen, wier levensloop zoo verschillend was, elkander te vertellen en toe te vertrouwen! De oudste voelde zich verplaatst in lang verloopen tijden, voor de jongste scheen er enkel een bloeiend heden en een hoopvolle toekomst te zijn. Zij had ook goede dingen te verhalen van haar zuster. Deze was sinds lang de gelukkige gade van den bouwmeester Gorgias, die intusschen, met al zijn liefde voor zijn jonge echtgenoot, de uren die hij bij het voortgezette bouwen van het grafteeken met Cleopatra doorbracht, tot de heerlijkste van zijn leven rekende.

De tijd vloog de beide vrouwen veel te snel om, en zij schrikten, toen een der wachthebbende eunuchen meldde, dat de Koningin uit het monument terug was gekeerd.

Voor de laatste maal omarmde Charmion den kleinzoon van haar geliefde, gaf hem en zijn jonge moeder haar zegen, droeg haar degroetenaan haar gemaal op, en verzocht haar, wanneer zij er niet meer zou zijn, met vriendschap aan haar te blijven denken; ja, wanneer haar hart haar dat ingaf, dan moest zij haar grafsteen zalven, en met een krans of bloem versieren. Zij had immers geen kind of vriend, die haar zulk een dienst zouden kunnen bewijzen.

Diep getroffen door de vastheid waarmede Charmion den naderenden dood tegemoet zag, hoorde Barine haar sprakeloos aan, doch plotseling sprong zij verschrikt op, want een welbekende scherpe stem had den naam harer vriendin geroepen, en toen zij zich omkeerde, zag zij Iras voor zich staan. Bleek en uitgeteerd als zij was, geleek zij in het lang, slepende zwarte rouwkleed een belichaming van zielesmart en kommer.

Die aanblik sneed de gelukkige vrouw en moeder door de ziel. Het was in haar gevoel alsof veel van het geluk, waarop die andere recht had, op haar was overgegaan, en alles wat zij zelve ooit aan leed en zorg had ondervonden, op Iras. Het liefst zouzij nederig naar haar toe zijn gegaan, en haar iets recht liefs en hartelijks hebben gezegd, doch toen zij die magere, afgestreden vrouw den blik op haar kind zag vestigen, en daarbij dien afgunstigen trek om haar mond bemerkte, die haar eens aanleiding had gegeven haar bij een stekenden doorn te vergelijken, toen voelde haar moederhart een grooten angst voor het »booze oog” dezer vrouw, dat verderfelijk kon worden voor haar kind. Door een sterken, innerlijken drang gedreven, bedekte zij het gelaat van haar zoon met haar eigen sluier. Dat zag Iras, en toen Barine haar vraag: »Is dat Dion's kind?” met een om genade smeekenden blik had bevestigd, richtte het slanke meisje zich hooger op, en zeide met trotsche koelheid: »Wat gaat mij dit kind aan? Wij hebben op dit oogenblik gewichtiger dingen op het hart.”

Daarop wendde zij zich tot Charmion, en zeide op den toon van een opdracht in dienst der Koningin, dat Cleopatra wenschte bij de aanstaande bijeenkomst ook haar aan hare zijde te hebben.

Octavianus had zijn bezoek tegen zonsondergang aangekondigd, en er moesten nog verscheidene uren verloopen vóór dien tijd. Op het oogenblik voelde de lijdende Koningin zich nog vermoeid van het bezoek aan het graf; zij had daarbij den Genius van Antonius gesmeekt om, wanneer hij eenige macht bezat over het hart van den overwinnaar, hem dan te bewegen de martelende onzekerheid van haar af te nemen en aan hare kinderen een gelukkig lot te beloven.

Ook had zij Dolabella, die haar uit het mausoleum naar het paleis geleidde, bekend, dat zij van dit gesprek slechts één ding verwachtte. Daarbij had zij hem een toezegging afgebeden, die haar nieuwen moed gaf, en haar het kostbaarste geschenk toescheen, dat men haar in dezen tijd kon aanbieden. Toen zij namelijk uiting had gegeven aan haar vrees, dat Octavianus haar ook nu weder in de onzekerheid zou laten, was de jongeling daarbij opgestaan om den Cæsar te verdedigen, en had ten slotte uitgeroepen: »Als hij u nu nog in spanning hield, dan zou hij niet alleen koel en bedachtzaam zijn.”....

»Welnu,” had Cleopatra gezegd,»wees gij dan grooter, wees minder hard dan hij, en bevrijd de vriendin van uw vader uit dezen pijnigenden toestand. Wanneer hij mij niet verklaart wat mij te wachten staat, en gij verneemt dat, dan—zeg niet neen, gij kunt het mij niet weigeren!—dan laat gij, ja gij, het mij weten.”

De jonge man had snel en vastberaden geantwoord: »Wat heb ik tot dusver voor u kunnen doen? Doch uitdezemarteling zal ik u verlossen, als ik kan.” Daarop had hij zich spoedig uit de voeten gemaakt, om niet genoodzaakt te zijn het aan tezien hoe de daartoe aangestelde eunuchen bij de poort van het paleis de kleederen der edele vrouw doorzochten.

Zijn belofte hield den zinkenden moed der vermoeide bekommerde Koningin staande, terwijl zij zich uitstrekte op de kussens van een rustbank, om te bekomen van haar aangrijpenden tocht. Doch nauwelijks had zij de oogen gesloten, of daar klonk op het plaveisel het hoefgetrappel van het vierspan dat den Cæsar naar de Lochias bracht. Zóó vroeg had Cleopatra dit bezoek niet verwacht.

Tevoren had zij met hare vertrouwelingen overlegd hoe zij hem zou ontvangen. Eerst was zij geneigd geweest om daarvoor op den troon plaats te nemen, en hem te begroeten in feestkleeding als Koningin, maar spoedig had zij ingezien, dat zij te zwak en ziek was om dien zwaren, koninklijken tooi te dragen. Bovendien zou een man en gelukkig overwinnaar zich eerder toegevend en genadig betoonen jegens een lijdende vrouw, dan tegenover een vorstin.

Er was veel dat haar gedrag in vroeger tijd verontschuldigen kon, en zij had zorgvuldig bij zichzelve overlegd hoe zij met haar verdediging het best zijn koude, maar niet onrechtvaardige gezindheid voor zich kon winnen. Veel wat te haren gunste sprak, was vervat in de brieven van Cæsar en Antonius, die zij in de nachtelijke uren, na den dood van haar gemaal, herhaaldelijk overgelezen had, en die men haar nu juist had gebracht.

Archibius en ook de Romein Proculejus hadden haar afgeraden hem geheel alleen te ontvangen. De laatste sprak het niet uit, doch wist dat Octavianus zich eerder tot iets edelmoedigs en goedertierens zou laten overhalen, indien er getuigen bij waren die het wereldkundig konden maken. Het was zaak om tegenover den bekwaamsten tooneelspeler van zijn tijd, voor toeschouwers te zorgen.

Daarom had dan ook de Koningin Iras, Charmion en behalve die nog eenige der meest vertrouwde beambten bij zich gehouden, onder anderen den zaakwaarnemer Seleukus die inlichtingen zou kunnen geven, wanneer er sprake was van de overgave der schatten.

Zij was ook voornemens geweest zich, nadat zij uitgerust zou zijn van haar bezoek aan het graf, opnieuw te laten kleeden. In dit plan werd zij verhinderd door de vervroegde komst van den Cæsar. En al had zij den tijd er toe gehad, dan zou zij nu niet in staat zijn geweest, zich zelfs maar het haar in orde te laten brengen, zoo zwak en daarbij koortsachtig opgewonden voelde zij zich. Het bloed joeg met snelheid door hare aderen en hare wangen gloeiden. Toen men haar zeide dat de Cæsarnaderde, had zij te nauwernood tijd zich uit de kussens op te richten, het haar uit haar gelaat te strijken, en Iras te vergunnen met enkele vlugge handbewegingen de plooien van haar rouwgewaad te schikken.

Indien zij de poging had gewaagd om hem tegemoet te loopen, dan zouden hare knieën hebben geknikt. Toen de Cæsar binnentrad, vond zij dan ook enkel de kracht hem te begroeten met een zwijgend handgebaar; doch Octavianus, die haar reeds op den drempel den gebruikelijken groet had toegebracht, verbrak spoedig de pijnlijke stilte, en zeide met een hoffelijke buiging: »Gij riept, en ik kwam. Aan de schoonheid onderwerpt zich ieder—ook de overwinnaar.”

Zij wendde als beschaamd het hoofd ter zijde en antwoordde dankbaar, en toch op afwijzenden toon:

»Ik heb u alleen om de gunst verzocht mij te willen aanhooren, doch ikriepu niet. Ik zeg u dank, dat gij dit verzoek hebt ingewilligd. Als er voor den man een gevaar in ligt, om zich te buigen voor de bevalligheid der vrouw—dan bedreigt u dat hier zeker niet. Tegen een lijden zooals mij werd opgelegd, is de schoonheid, bijna zou ik zeggen het leven niet bestand. Gij hebt mij evenwel verhinderd dat van mij te werpen. Als gij rechtvaardig zijt, dan zult gij de vrouw, die gij verboodt te sterven, een leven toestaan welks last niet hare kracht tot dragen te boven gaat.”

De Caesar boog ten tweeden male, en gaf vriendelijk ten antwoord: »Ik ben van plan het uwer waard te maken.”

»Als dat waar is,” riep Cleopatra uit, »ontneem mij dan eerst die folterende onzekerheid! Gij behoort allerminst tot de mannen die niet verder zien dan het heden en den volgenden dag.”

»Gij denkt aan hem,” merkte Octavianus schamper op, »die misschien nog onder ons zou rondwandelen, indien hij met wijzer overleg....”

Cleopatra's oogen, die tot nu toe den koelen blik des overwinnaars bescheiden en smeekend hadden ontmoet, vlamden eensklaps toornig op, en zij viel hem in de rede met een fier: »Laat het verleden rusten!”

Het gelukte haar echter spoedig de drift die haar hartstochtelijk bloed in beweging bracht, meester te worden, en op een geheel anderen toon, die niet vrij was van vleiende weekheid, ging zij voort: »De voorzienende geest van den man, aan wiens wenken de gansche aarde gehoorzaamt, overziet de toekomstige dingen zoowel als de tegenwoordige. Zou hij dan ook niet beslist hebben over het lot der kinderen, eer hij er in toestemde de moeder te zien? De eenige, die u in den weg had kunnen staan, de zoon van uw grooten oom....”

»Het vonnis moest over hem worden uitgesproken,” sprak de heerscher op een toon van oprecht leedwezen. »Evenals ik Antonius heb beweend, zoo betreur ik ook den ongelukkigen jongeling.”

»Als dat zoo is,” zeide Cleopatra met warmte, »dan doet het de goedheid van uw hart eer aan. Toen Proculejus mij den dolk ontnam, berispte hij mij, omdat ik den zachtmoedigste van alle veldheeren den naam gaf van hard te zijn en onverzoenlijk.”

»Twee eigenschappen,” verzekerde de Cæsar, »die mijn natuur volkomen vreemd zijn.”

»En die gij, als zij u eigen waren, niet zoudt kunnen, noch mogen gebruiken,” riep Cleopatra,»indien het u ten minste ernst is met het schoone plan, dat gij zoo dikwijls hebt uitgesproken, om als neef en erfgenaam van den grooten Julius Cæsar, diens voetstappen te drukken. Cæsarion—zie maar dat borstbeeld! geleek in iederen gelaatstrek op zijn vader, uw verheven voorbeeld. Aan mij, ongelukkige, die nu mijn vonnis verwacht uit den mond van zijn neef, hebben de goden als de kostbaarste van alle gaven, de liefde van uwen goddelijken oom geschonken. En welk eene liefde! Het is voor de wereld verborgen gebleven, wat ik voor zijn groot hart ben geweest; doch de wensch om mijzelve voor miskenning te behoeden, gebiedt mij het u te openbaren. Uit uwen mond wacht ik de uitspraak. Gij zijt de rechter. Deze brieven zijn mijn voornaamste verdedigingsmiddel. Aan die laat ik over u te toonen wie ik was en ben, niet wat de laster van mij heeft gemaakt. Het elpenbeenen kistje, Iras! Het bevat de treffende bewijzen der liefde van Cæsar, de brieven die hij mij geschreven heeft.”

Met bevende handen lichtte zij het deksel op, en alsof deze herinneringen haar in vervlogen tijden terugvoerden, ging zij met gedempten stem voort: »Onder al mijne schatten is deze eenvoudige kleine kist een half leven lang mijn dierbaarste kleinood geweest. Hij heeft mij die geschonken, hier op het Bruchium, te midden van een heeten strijd.”

Zij opende de eerste rol, en terwijl zij Octavianus daarop wees en tegelijk op den verderen inhoud van het kistje, riep zij uit: »Hoe welsprekend zijn die stomme bladen! Ieder daarvan is een schilderij zonder wedergade: de machtige denker, de man van de daad, die den rusteloos bezigen geest tot rust brengt, en aan het hart veroorlooft over te vloeien van de liefde eens jongelings. Ware ik ijdel, Octavianus, dan kon ik ieder dezer brieven een zegeteeken noemen, een Olympische krans. De vrouw, aan wie Julius Cæsar bekende dat zij hem hadonderworpen, had eenmaal het recht het hoofd hooger te dragen dan de ongelukkige hier vóór u, die voor zichzelve, behalve de vergunning om te sterven....”

»Laat deze brieven rusten,” viel Octavianus haar vriendelijk in de rede. »Wie zou betwijfelen, dat zij voor u een groote schat zijn....”

»De grootste van allen zijn zij, en daarbij de pleitbezorgers van de beschuldigde,” verzekerde zij met levendigheid. »Op die brieven—gij hebt het reeds gehoord—berust de verdediging, waartoe ik bereid ben. Ik nam mij voor die van dááruit te beginnen. Hoe vreeselijk is het om hetgeen ons heilig was, en bestemd om alleen ons eigen hart te verheffen, dienstbaar te maken aan een doel—ze te gebruiken tot iets, waarvan wij ons leven lang wars waren! Maar ik heb nu eenmaal een voorspraak noodig, en, Octavianus, deze brieven geven aan de rampzalige, kranke bedelares de waardigheid en het wezen der Koningin terug. De wereld kent slechts twee machten, waarvoor Julius Cæsar zich gebogen heeft: de wenschen der treurende vrouw hier op dit rustbed, en de alles bedwingende dood. Een droevig broederpaar!—Doch ik vrees die niet, want de dood heeft hem het leven ontnomen en uit mijne hand.... Ik smeek u nog slechts om een enkel oogenblik.... Hoe gaarne zou ik mij zelve dezen lof besparen en u, zijn voorbeeld te volgen! Doch hier staat het: »Door u, gij onweerstaanbare,” schrijft hij, »ondervond ik voor de eerste maal, toen mijn jeugd reeds achter mij lag, hoe schoon het leven kan zijn.””

Met deze woorden overhandigde Cleopatra den brief aan den Cæsar. Terwijl zij echter nog haastig naar een anderen zocht, gaf hij haar den eersten reeds terug en zeide: »Ik begrijp maar al te goed hoe het u stuit om zulke vertrouwelijke ontboezemingen tot uwe verdedigers te maken. Ik kan mij den inhoud der overige voorstellen, en het zal dezelfde uitwerking hebben alsof ik ze alle gelezen had. Hoe welsprekend ook, zij zijn toch noodelooze getuigenissen. Is er dan een schriftelijke bewijsgrond noodig voor een toovermacht, die zich nog altijd even krachtig betoont?”

Als om die vleiende woorden uit den mond van den trotschen jongen beheerscher der wereld te bezegelen, vloog op dit oogenblik een beminnelijke glimlach over Cleopatra's gelaat. Octavianus merkte dat op. Zij bezat inderdaad een onweerstaanbare bekoorlijkheid, en hij voelde hoe zijn eigen wangen zich hooger kleurden. De ongelukkige vrouw, deze lijdende smeekelinge, kon dus ook nu nog een man in hare netten verstrikken, indien hij slechts niet die koel-berekenende voorzichtigheid bezat, die zijne ziel ompantserde. Was het de wonderbarewelluidendheid der stem of de afwisselende glans in de vochtig glinsterende oogen; was het de voorname buigzaamheid der edele gestalte, gevoegd bij de volmaakt schoone vormen der handen en voeten, of de zwakheid der onderworpen lijderes, die zich zoo eigenaardig vermengde met koninklijke majesteit; of misschien de gedachte dat de liefde van deze vrouw de grootsten en hoogstgeplaatsten aan zich had geboeid met onverbrekelijke banden, wat aan deze kwijnende vrouw, die hare jeugd reeds lang achter zich had, nu nog zulk een machtige aantrekkingskracht gaf?

In ieder geval moest ook hij, hoe zeker hij ook van zich zelf mocht zijn, op zijn hoede voor haar wezen. Hij verstond de kunst om zijn hartstocht te beteugelen, beter dan zijn veel grootere oom dat vermocht.

Maar vóór alles wilde hij, om Cleopatra in het leven te behouden, haar versterken in haar geloof aan zijne bewondering. Hij moest aan de »groote Koningin van het Oosten” die zich nog zoo even had beroemd, even onverbiddelijk als de dood, de machtigsten der aarde te overwinnen, en tegelijk aan de geheele wereld, zijn overmacht bewijzen, als mensch en als heerscher. Doch hij moest ook zachtmoedig zijn, om niet zelf onvoorzichtig datgene in de waagschaal te stellen waartoe hij haar noodig had. Zij moest hem volgen naar Rome. Zij met hare kinderen beloofde zijn triomftocht tot de schitterendste en merkwaardigste te maken, dien ooit een overwinnaar den senaat en het volk had doen zien. Daarom antwoordde hij op luchtigen toon, doch waarin duidelijk genoeg de aandoening zijner ziel te hooren was: »Mijn verheven oom was immers bekend als een vriend van schoone vrouwen. Door vele liet hij zijn ernstig leven met bloemen versieren en verzekerde haar dat mondeling, of misschien ook wel—zooals u in deze brieven—met de schrijfstift. Zijn genius was grooter, in ieder geval veelzijdiger en levendiger dan de mijne. Hij kon verschillende dingen en met dezelfde zorgvuldigheid tegelijkertijd doen. Wat mij betreft, de Staat, de regeering, de oorlog nemen mij geheel in beslag. Ik ben al dankbaar, wanneer ik eens een oogenblik aan onze dichters veroorloven kan, mijn rusttijd te veraangenamen. Een zoo zwaar beladen man als ik heeft geen vrijen tijd over om zich te laten boeien door de bevalligste der vrouwen, zooals mijn oom dat kon. Indien ik kon wat ik wilde, dan zoudt gij de eerste zijn, van wie ik Eros' gaven.... Maar het mag niet zijn! Wij Romeinen leeren ook den vurigsten wensch bedwingen, wanneer de plicht, de zedenwet dat gebiedt. Er is in de wereld geen stad waar zoovele goden vereerd worden als hier, en welke behooren daar nietal toe; Om hunnen aard ook maar oppervlakkig te begrijpen, daar is een bijzondere inspanning van den geest toe noodig.... Maar de eenvoudige goden van den huiselijken haard! Zij zijn te eenvoudig voor u Alexandrijnen, die men, tegelijk met de moedermelk, reeds voedt met philosophie.... Geen wonder, dat ik daar te vergeefs naar uitzag. Het is waar, zij—onze huisgoden, bedoel ik—zouden ook maar weinig voldoening vinden, hier waar de strenge eischen van Hymen zwijgen voor de hartstochtelijke wenschen van Eros. Men kan niet zeggen dat het huwelijk hier tot de heilige zaken behoort.—Het schijnt dat dit gevoelen u verdriet.”

»Omdat het onwaar is,” stootte Cleopatra heftig uit, terwijl zij met moeite een nieuwe uitbarsting van toorn onderdrukte. »Doch, als ik goed zie, dan bedoelt gij met uw verwijt alleen te wijzen op den band, die mij vereenigde met den man, dien men de gemaal uwer zuster noemde. Gij Romeinen noemt het huwelijk van een uwer grooten met een vreemde vernederend.... Maar ik wil mij.... Ik zou het gaarne voor mij zelve houden, maar gij dwingt mij te spreken, en ik wil het doen, hoewel uw eigen vriend Proculejus mij aanmaant voorzichtig te zijn... Ik, ik, Cleopatra, was de ware gemalin van Marcus Antonius, volgens de zeden van dit land, toen gij hem hebt uitgehuwelijkt aan de weduwe van Marcellus, nadat die nauwelijks zijne oogen had gesloten. Niet uwe zuster Octavia, ik was de verstootene aan wie zijn hart behoorde tot het einde toe; ik, die een reeks van groote koningen mijne voorvaderen noem, en die in geboorte toch zeker niet achtersta bij de voornaamste dochter van uw edel geslacht; niet de onbeminde, hem opgedrongen gemalin...”

Zij liet haar stem dalen. Zij had aan den hartstochtelijken drang die haar gebood zich op dit punt uit te spreken, voldaan, en nu ging zij op verklarenden toon zachter voort: »Ik weet wel, dat gij deze verbintenis slechts hadt voorgeslagen ter wille van den vrede en het welzijn van den Staat....”

»Het geschiedde om beide te verzekeren, en het bloed van tienduizenden te sparen,” sprak Octavianus met trots en overtuiging. »Dat heeft uw heldere geest goed ingezien. En wanneer gij, in weerwil van het gewicht dezer beweegredenen.... Maar welke stemmen worden door u, vrouwen, niet door die van het hart tot zwijgen gebracht? Den man, den Romein, gelukt het zijn oor te sluiten voor het sirenengezang. Indien het anders ware, dan zou ik nooit of nimmer voor mijn zuster een gemaal gekozen hebben, bij wien ik haar geluk zoo slecht gewaarborgd wist, zou ik—zooals ik reeds zeide—geen weerstand kunnen bieden aan mijn eigen begeerte om de beminnelijkstevan alle vrouwen te bezitten.... Doch ik mag mij daarop eigenlijk niet beroemen. Ik vrees dat een vrouwenhart als het uwe zich minder snel voor den nederigen Octavianus openen zou, dan voor een Julius Cæsar of den schitterenden Marcus Antonius. Maar ik mag hier bekennen, dat ik misschien vermeden zou hebben aan dezen onzaligen oorlog tegen een vriend in eigen persoon een einde te maken en zelf in Aegypte te verschijnen, terwijl elke degelijke legaat datzelfde had kunnen doen, indien ik niet hierheen gedreven ware door den wensch, de vrouw weder te zien, wier merkwaardige schoonheid reeds als knaap mijne oogen had verblind. Thans gevoelt de man van rijper leeftijd zich beheerscht door den wensch om die wonderbare geestesgaven te leeren kennen, dat onvergelijkelijk verstand....”

»Verstand!” viel de Koningin hem in de rede, en haalde droevig de schouders op. »Wat men gewoonlijk zoo noemt, werd u in tienmaal rijker mate toebedeeld. Dat bewijst u mijn lot. De lenigheid van geest, die de goden mij wellicht geschonken hebben, zou in dezen tijd van smart de proef slecht doorstaan. Doch als het u werkelijk te doen is om te weten te komen hoe het eenmaal gesteld was met Cleopatra's geest, neem dan deze vreeselijke onzekerheid van mij af, en sta mij een leven toe, dat mijn verlamde ziel weder veroorlooft zich vrij te bewegen.”

»Het ligt alleen aan u,” zeide Octavianus met levendigheid, »de dagen die komen zullen voor u en de uwen niet alleen vrij van zorgen, maar ook zelfs schoon te doen zijn.”

»Aan mij?” vroeg Cleopatra verbaasd. »In uwe hand, geheel alleen in de uwe, ligt ons wel en wee. Ik ben bescheiden, en verlang alleen te weten, wat gij over onze toekomst hebt beschikt, en wat gij verstaat onder een lot, dat gij schoon noemt.”

»Niets minder,” antwoordde de Caesar kalm, »dan wat u bijzonder veel waard schijnt te zijn: een leven met die vrije beweging der ziel, waarnaar gij streeft.”

Nu begon de boezem der diep ontroerde vrouw zich sneller te bewegen, en niet meer in staat het ongeduld dat haar beving geheel te bedwingen, riep zij uit: »Met de verzekering van uw hulde op de lippen, ontzegt gij mij het nader aandringen van een vraag, die meer dan alle anderen mijn gemoed vervult, waarop gij, toen gij hier binnentraadt voorbereid moest zijn, indien gij het op ééne waart....”

»Verwijten?” vroeg Octavianus met goed gespeelde verbazing. »Maar heb ik niet eerder reden mij te beklagen? Juist omdat het mij ernst is met de welwillende gezindheid, die gij terecht in mijne woorden hebt opgemerkt, moesten enkelen uwer maatregelen mij bedroeven. Het vuur moest uwe schatten vernietigen.Het zou onbillijk zijn vriendschapsbewijzen te verwachten van een overwonnene, doch kunt gij loochenen dat de bitterste haat nauwelijks iets vijandigers had kunnen uitdenken?”

»Laat het verleden rusten! Wie zou in den oorlog niet trachten den buit voor zijn tegenstander te verkleinen?” zeide de Koningin op een toon van verontschuldiging.

Doch toen Octavianus met zijn antwoord talmde, ging zij levendiger voort: »Men zegt dat de steenbok in de bergen van het Oosten zich in zijn doodsstrijd op den jager werpt, en hem mede in den afgrond trekt. Diezelfde neiging is ook den mensch ingeschapen, en mij dunkt, zij strekt beiden tot eer.—Vergeet het verleden, zooals ik tracht het te doen; ik herhaal het met opgeheven handen. Zeg dat gij den knaap, dien ik aan Antonius geschonken heb, den troon van Aegypte wilt doen bestijgen, niet onder voogdij van zijn moeder, maar onder die van Rome. En sta mij zelve toe om, waar het dan ook moge zijn, in vrijheid te leven. Dan laat ik u gewillig alles wat ik bezit aan goederen en schatten, tot op het laatste toe, over.”

Daarbij had zich hare kleine hand onder de plooien van haar kleed van ongeduld tot een vuist gebald, maar Octavianus sloeg de oogen neder, en zeide luchtig: »In den oorlog beschikt de overwinnaar over het bezit van den overwonnene, doch mijn hart verbiedt mij tegenover u, die zoo ver boven het alledaagsche verheven zijt, algemeen geldige wetten in toepassing te brengen. Uw rijkdom moet groot zijn, hoewel de onzinnige oorlog, dien Antonius met uw bijstand zoo lang voortzette, verbazende sommen verslonden heeft. Het schijnt alsof in dit land het verspilde goud even snel weder opwast als het gras dat gemaaid is.”

»Gij spreekt,” antwoordde Cleopatra, steeds dieper geraakt en met groote fierheid, »van de schatten die mijne voorvaderen, de groote Koningen van dit land, drie eeuwen lang verzameld en verworven hebben voor hun edel geslacht en de sieraden hunner vrouwen. Voor de grootmoedigheid en de hooghartigheid van een Antonius was het niet weggelegd te sparen, en toch zal hetgeen nog overig is, zelfs aan de hebzucht niet gering toeschijnen. Tot op het laatste stuk staat alles opgeschreven.”

Daarmede nam zij haar zaakwaarnemer Seleukus een rol uit de hand, en reikte die aan Octavianus over; hij nam die met een lichte buiging zwijgend in ontvangst. Nauwelijks echter was hij begonnen te lezen, of de zaakwaarnemer, een klein, zwaarlijvig man met glinsterende oogen, die half verdwenen in de opgezette wangen, hief zijn korten wijsvinger op, wees onbeschaamd op de Koningin, en hield in haar aangezicht vol, dat zij eenige dingen had trachten achter te houden, en hem daarom verboden had op de lijst te zetten.

De diep geschokte, hartstochtelijke, door koortsachtig ongeduld gemartelde vrouw werd bij deze woorden doodsbleek. Zij verloor alle zelfbeheersching, hief zich op, en sloeg den verrader, dien zij eenmaal uit armoede en lagen stand tot zijn hoogen post had verheven, herhaalde malen met hare zachte hand in het gezicht, totdat Octavianus haar eindelijk met een fijnen glimlach uit de hoogte toeriep, dat het, hoezeer de man het ook verdiend had, nu genoeg moest zijn.

Toen viel de ongelukkige Koningin geheel buiten zichzelve op haar rustbank neer en terwijl de tranen uit hare oogen vloeiden, klaagde zij met heesche stem zichzelve aan, en zeide dat zij tegenover zulk een onduldbare handelwijze en overmaat van laagheid tot een afschuw van zich zelve was geworden.

Daarop drukte zij hare vuist tegen de slapen, en riep uit: »Voor de oogen van mijn vijand valt de waardigheid der Koningin, die mij mijn leven lang niet heeft begeven, van mij af als een geleende mantel. Maar wat ben ik ook nog? Wat zal ik morgen zijn, en wat daarna? Doch wie is er onder de zon, met warm bloed in de aderen, die kalm kan blijven, wanneer men hem, terwijl hij versmacht, saprijke druiven voorhoudt, om hem die, evenals aan Tantalus, weder wreed te ontnemen, eer hij de lippen er mede bevochtigd heeft? Gij kwaamt hier bij mij, met de verzekering uwer genade; doch de vleiende, veel goeds belovende woorden die gij mij, rampzalige, schonkt, waren niet anders dan heulsapdruppels, waarmede men onrustige koortslijders tot rust brengt. Was de genade, die gij mij liet zien en voor de toekomst deedt vermoeden, alleen bestemd om een diep gezonkene te misleiden.....”

Doch zij kon niet voortgaan, want Octavianus viel haar met verheffing van stem en met waardigheid in de rede: »Wie meent dat Caesars erfgenaam in staat is om een edele vrouw, een Koningin, de vriendin van zijn grooten voorganger, smadelijk te bedriegen, die beleedigt en krenkt hem. Doch de rechtmatige toorn, die u medesleepte, mag u tot verontschuldiging dienen. Ja,” voegde hij er op een geheel anderen toon bij, »ik zou zelfs reden hebben dezen toorn dankbaar te zijn, en te wenschen nog eens een uitbarsting van drift te mogen zien, die zelfs in haar onbeteugelde woestheid schoon blijft; de koninklijke leeuwin weet immers zelve nauwelijks hoe schoon zij is, wanneer de storm der verontwaardiging haar medesleept. En welk een gezicht moet het dan niet zijn, wanneer het de liefde is, die hare brandende ziel dwingt in laaien gloed te ontvlammen.”

»De brandende ziel!” herhaalde zij levendig, en plotseling ontwaakte in haar weder de behaagzieke wensch om ook dezen man, die zich, in de zekerheid zijner overwinning, zoo beroemdeop zijn standvastigheid, aan hare voeten te zien. Al was hij ook sterker dan anderen, toch was hij zeker niet onbedwingbaar! En in het bewustzijn van haar nog altijd onverminderde macht over mannenharten, volgde zij de oppermachtige neiging der vrouw om over de harten te heerschen. Ook dat van haar vijand moest haar worden onderworpen, en vóór deze wensch nog een vasten vorm had aangenomen, blonk er reeds in hare oogen een veelbelovende liefdeblik voor hem, en verscheen op haar gelaat een betooverende glimlach.

Nu begon het zoo goed beveiligde hart van den jongen heerscher sneller te kloppen, en de teugels te verbreken. Zijn wangen gloeiden, en werden beurtelings bleek en rood. Hoe had zij hem aangezien! Zou zij den neef beminnen, zooals zij eens zijn oom had gedaan, die door haar had geleerd welk een genot het leven bieden kon? Ja, het moest heerlijk zijn dezen fijnen mond te kussen, zich door deze schoon gevormde armen te doen omvangen, door den zilverhelderen klank van die stem zijn eigen naam met teederheid te hooren uitspreken. Zelfs het meest volmaakte marmeren beeld der wakend rustende Ariadne, dat hij in Athene had gezien, had niet schooner ineenvloeiende lijnen, dan die uit de kussens zich oprichtende vrouw, daar vóór hem. Wie zou tegenover haar van verdwenen bekoorlijkheden durven spreken? O neen! De betoovering, die eens Julius Caesar tot haar dienaar had gemaakt, was nog even krachtig als ooit. Hij voelde zelf die macht. Hij, die pas drie en dertig jaren telde, was nog jong. Na al die inspanning kwam het ook hem toe, zich te bedwelmen met den nektar van het edelste genot, en lichaam en ziel gelijkelijk te verzadigen met genietingen, die door niets te overtreffen waren.

Hij naderde dan ook met snellen tred haar rustbank, vast besloten hare handen te grijpen en die aan zijn lippen te brengen. Zijn hartstochtelijke blik beantwoordde den haren, doch zij, verbaasd over de macht die haar, hoe vreeselijk zij ook was afgetobt naar lichaam en ziel, nog altijd eigen scheen te zijn, zelfs over den sterkste en koelste van alle mannen, merkte kalm op wat in hem omging, en een zegevierende glimlach, waarin zich bittere spot mengde, speelde om haar fraaien mond. Zou zij nu door list van hem trachten te verkrijgen wat zij van hem wenschte, door voor het eerst een verraderlijk spel te spelen met hare liefde? Zou zij zich overgeven aan den man die haar verstiet, om door hem voor hare kinderen te verkrijgen wat hen toekwam? Zou zij, ten gevalle van den vijand haars geliefden, afstand doen van de heilige smart, die haar noopte hem te volgen, en het nageslacht en hare kinderen recht geven haar, in plaats van de trouwste der trouwen, een eerloozevrouw te noemen, die voor iederen machtige op zijn beurt te koop was?


Back to IndexNext