»Dat had iedere slaaf anders evengoed kunnen doen,” merkte zij schamper op. »Ik zou denken, dat hij meer reden had om hier te blijven en nieuwe berichten af te wachten. Maar zoo zijn de mannen!”
Zij hield op maar daar haar oom haar vragend aanzag, ging zij voort: »Ik geloof dat niets hen vaster verbindt, dan een gezamenlijk vermaak. Doch nu moet het daarmee uit zijn. Zij zullen nu andere verstrooiingen moeten zoeken, hetzij bij Heliodora of bij Thaïs, dat is mij om het even. Ware die vrouw maar eerder weggegaan! Toen zij den jongen Cæsarion inpakte.....”
»Niet verder kind,” viel haar oom bestraffende in. »Ik weet hoe vurig zij wenschte dat Antyllus den knaap nooit medegebracht had.”
»Ja, nu,—omdat zijn razernij haar bang maakt.”
»Neen, reeds van het eerste bezoek af. Zulke jonge knapen passen niet bij de voortreffelijke mannen die zij altijd placht te ontvangen.”
»Wie zijn deur altijd openzet, krijgt ook dieven in huis.”
»Zij ontving enkel vertrouwde kennissen en de vrienden die deze meebrachten. Voor anderen bleef haar huis zorgvuldig gesloten, en voor dieven was geen gevaar. Maar wie had aan een zoon der Koningin den toegang durven weigeren?”
»Tusschen een gewone verwelkoming en het aanwakkeren van een hartstocht, tot krankzinnigmakens toe, ligt nog een zeer groote afstand. Waar een houtvuur brandt, is een vonk noodig geweest om dat aan te steken. Gij mannen ziet zoo niet hoe zulke vrouwen dat aanleggen. Eén blik, een handdruk, en de vlam slaat uit, wanneer reeds zooveel droge brandstof gereed ligt.”
»Laat ons de felheid van den brand liever betreuren,” zeide Archibius ernstig. »Gij draagt Barine geen goed hart toe.”
»Ik voel even weinig voor haar, als deze rustbank voor de Herme daar op de straat!” riep Iras hooghartig uit. »Geen mensch staat verder van een ander af dan ik van haar.Ik, en de vrouw met de open deur, hebben niets met elkander gemeen, dan ons geslacht.”
»En daarbij,” zeide Archibius »vele schoone gaven die de goden evenzeer aan u, als aan haar hebben verleend. Wat die open deur betreft, die werd gisteren reeds gesloten. De dieven, zooals gij ze noemt, hadden haar het genoegen der gastvrijheidbedorven. Antyllus was haar huis op vermetele wijze binnengedrongen. Dat voorspelde haar voor het vervolg nog erger dingen, en daarom is zij reeds binnen enkele uren op weg naar Irenia. Dat verheugt mij voor Cæsarion en nog meer voor zijne moeder, die wij ten onrechte zoo lang vergeten hebben, ter wille van eene andere vrouw.”
»Waarom moesten wij dat ook?” riep Iras opgewonden. »En dat heden, op dit uur, terwijl iedere gedachte in mijn arm hoofd, iedere druppel bloed in mijn aderen voor haar moest zijn! Toch konden wij het niet helpen. Cleopatra keert tot ons terug met een hart dat uit honderd wonden bloedt, en de gedachte dat, zoodra zij den vaderlandschen grond weder betreedt, een nieuwe pijl haar treffen zal, is vreeselijk. Gij weet hoe zij gehecht is aan dien knaap, het evenbeeld van den man, die haar het grootste geluk deelachtig heeft doen worden. En hoort zij nu dat hij, Cæsars zoon, zijn jonge hart gezet heeft op de vrouw die verstooten is door een volksredenaar, en die nu allerlei mannen in haar huis lokt—o, ik weet, dat zal haar zijn als zout in een versche wond. En bij dat eene verdriet zal het niet blijven! Antonius heeft ook reeds zijn weg naar Barine gevonden. Hij heeft haar reeds een paar maal bezocht. Gij weet dat zoo niet, maar Charmion kan getuigen hoe gevoelig zij is, sedert de bloem van haar jeugdige schoonheid het eene blad na het andere verliest. Want zoo is het, al zult gij dat niet toegeven. De jaloerschheid zal haar nu kwellen, en—ik ken haar—misschien heeft ten slotte geen mensch aan de sirene een grooteren dienst bewezen dan ik, toen ik haar noodzaakte de stad te verlaten.”
In de oogen van het meisje schitterde bij deze verklaring zulk een boosaardige gloed, dat Archibius een rechtmatigen vrees begon te koesteren voor de dochter van zijn overleden vriend. Ofschoon nu nog geen eigenlijk gevaar Barine dreigde, zijn nicht kon haar dat op den hals halen. Dion had hem verzocht te zwijgen, maar ook indien hij had mogen spreken, toch zou hij het nu niet gedaan hebben. Zooals hij Iras kende, wist hij dat zij geen middel schuwen zou om den vriend harer jeugd en Barine ten val te brengen, zoodra zij hooren zou, dat deze zich tusschen hem en haar had geplaatst. Hij dacht aan de edele Macedonische jonkvrouw, die de Koningin in het begin voorgetrokken had boven haar, en wier dood zij door allerlei listige kuiperijen veroorzaakt had. Wel waren weinig vrouwen verstandiger, en als zij eenmaal liefhad, trouwer en volgzamer, in goede oogenblikken zelfs aantrekkelijker dan zij, maar reeds als kind had zij liever kromme dan rechte wegen bewandeld. Het was altijd geweest alsof haar scherpzinnigheid het benedenzich rekende hare wenschen door voor de hand liggende middelen te bereiken. Zijn moeder en zijn tweede zuster Charmion hadden er altijd een genoegen in gevonden voor de slaven te zorgen, en hen, als zij ziek waren, te verplegen. Charmion's Nubische kamervrouw Anukis was zelfs zulk een trouwe vriendin van haar geworden, dat zij voor haar in den dood zou zijn gegaan. Ook Cleopatra had als kind gaarne aan de ziekelijke grijze huisbezorgster van haar ouders bloemen gebracht, en aan haar bed gezeten, om haar met haar vroolijk gebabbel den tijd te verkorten. Dit had zij geheel uit zich zelve gedaan, zonder dat iemand het haar zeide, doch bij Iras was alles anders. Zij was dikwijls gestraft, als zij in haar ouderlijk huis, waar ook vele slaven gehouden werden, het leven dezer ongelukkigen onnoodig zuur maakte. Dat had haar oom reeds vroeg reden tot bezorgdheid gegeven en ook later had hij haar om haar trotschen omgang met hare minderen, onmogelijk onder de goede vrouwen kunnen rekenen.
De trouwe, onbaatzuchtige liefde, waarmede zij zich tot nu toe aan den dienst der Koningin had gewijd, was hem echter meegevallen. Cleopatra had, op den wensch zijner zuster Charmion, Iras haar tot helpster gegeven, en het meisje, dat voor hare eigen moeder geene liefdevolle dochter was geweest, had zich nu met innige hartelijkheid aan hare gebiedster gehecht. Dat waardeerde Archibius zeer in haar, maar hij wist wat andere menschen van haar te wachten hadden, zoo zij hen haatte. Bij de vrees dat zij Barine in wezenlijk gevaar zou brengen, kwam nu nog de grootere angst voor Cleopatra. In de droevige overtuiging dat hij machteloos stond tegenover de kwade bedoelingen zijner nicht, wilde hij afscheid nemen, toen de gedachte dat iedere tijding het eerst in het Sebasteum en tot haar zou komen, hem nog terughield. Het kon toch licht eene zijn die hij met zijn kalm doorzicht beter begrijpen kon dan zij. Haar geest geleek op dit oogenblik in zijne oogen op een stilstaand water, dat door daarin geworpen steenen troebel was geworden.
De vertrekken van zijn zuster Charmion, die door een gang met de hare verbonden waren, stonden ledig. Zij verzocht hem daar een weinig rust te nemen. Zij zelve dreigde te sterven van angst en onrust; het zou een weldaad voor haar zijn, indien zij hem in hare nabijheid wist.
Eerst aarzelde Archibius, want het was zijn plicht Cæsarion, op wien hij wel eenigen invloed had, op het hart te drukken dat hij uit liefde voor zijn moeder van zijn dwaze wenschen moest afstand doen. Iras verzekerde hem echter, dat hij hem nu niet vinden zou, want hij was met Antyllus en eenige vriendenop de jacht; zij had dat plan goedgekeurd, omdat het hem van de stad en het noodlottige huis van Barine verwijderd hield.
»Daar de Koningin hem nog onkundig laten wil van het verschrikkelijke nieuws,” zeide zij, »zou zijne aanwezigheid ons maar in moeilijkheden gebracht hebben. Blijf gij alzoo hier, en zoodra het donker wordt, rijdt gij mede naar de Lochias. Mij dunkt, de ongelukkigen zullen bij het aan wal stappen gaarne uw welbekend gelaat zien, dat hen aan vroeger, beter dagen herinnert. Bewijs mij die weldaad, en blijf!”
Zij strekte hare beide handen naar hem uit, en hij drukte die en beloofde het haar.
De maaltijd was gereed, en beiden zetten zich aan tafel; doch hoe uitgezocht de spijzen ook mochten zijn, Iras roerde die in het geheel niet aan, en hij at slechts zeer weinig. Zonder het nagerecht af te wachten, stond hij op, om zich naar de vertrekken zijner zuster te begeven. Iras verzocht hem echter op den divan in het zijvertrek te blijven rusten, en hij willigde dit gaarne in. Maar ofschoon de kussens zacht waren en hij zeer naar slaap verlangde, hij kon die maar niet vatten. De onrust in zijn ziel hield hem wakker, en door het voorhangsel, dat Iras kamer van de zijne scheidde, heen, hoorde hij nu eens den lichten tred van het rusteloos heen en weer loopende meisje, dan weder het komen en gaan van boden, die kwamen hooren of er al tijdingen waren.
Zijn geheele leven trok nog eens aan zijn ziel voorbij. Cleopatra was de zon daarvan geweest, en nu kwam de zwarte wolk, die dit licht misschien voor altijd verduisteren zou. Hij, de leerling van Epicurus, die zich eerst in later jaren ook in de leerstellingen van anderen had verdiept, beschouwde de goden met hetzelfde oog als zijn meester. Evenals hij, zag hij in hen zalige, onsterfelijke wezens, zonder zorgen en zich zelven genoeg, tot wie men moest opzien enkel om hunne volmaaktheid, doch die zich evenmin bekommerden om het bestuur der wereld dat van eeuwige wetten afhankelijk was, als om het lot der enkele menschen. Ware hij van het tegendeel overtuigd geweest, gaarne zou hij al het zijne geven om de hemelsche machten door middel van offers gunstig te stemmen voor haar, aan wie hij zijn leven had gewijd.
Hij bleef den geheelen nacht even onrustig als Iras was, en toen zij ook zijne voetstappen hoorde, riep zij hem toe, waarom hij niet sliep en zijne schade inhaalde? Want men kon met weten wat in de volgende nachten van hem geëischt zou worden. Hij antwoordde bedaard: »Men zal mij wakker vinden.”
Nu trad hij aan het venster dat tegenover de pylonen voorhet Sebasteum lag, en uitzag op het Bruchium en de zee. Het wemelde op dit oogenblik in de haven van schepen van allerlei grootte, die met kransen, vlaggen en wimpels waren versierd. Allen geloofden aan het gerucht van den goeden afloop van den eersten zeeslag, en velen verlangden er naar de vloot te begroeten en de Koningin bij hare aankomt toe te juichen.
Aan land, tusschen de alleenstaande hooge pylonen en de groote poort, die toegang verleende tot het Sebasteum, waren ook vele menschen, draagstoelen en voertuigen bijeen. De meeste hunner behoorden tot de aanzienlijke kringen der stad, en werden door rijk gekleede slaven gevolgd. Sommigen waren bekranst, en menige wagen was met gouden en zilveren sieraden, edelgesteenten en geslepen glas getooid. Vóór het paleis was een voortdurend heen-en-weder-geloop, en Iras, die naast haar oom was gaan staan, wees hem daarop en zeide: »Zie, wat het gerucht reeds uitwerkt! Gisteren kwam slechts een enkele, heden verdringen zich hier allen, die tot den kring der »onnavolgbare kunstenaars van het leven” behooren om iets van een bericht op te vangen. De overwinning is afgekondigd op de markt, in het theater, in de gymnasiën en in het kamp. Alles wat nu kransen of wapens draagt, heeft van een gewonnen slag gehoord. Gisteren was er onder duizenden niet één, die daaraan twijfelde, maar heden—hoe komt dat toch? Zelfs onder de »onnavolgbaren” die alle vermaken, genietingen en vertooningen van ons edel paar gedeeld hebben, is het geloof aan het wankelen gebracht. Als zij vast overtuigd waren van die »glansrijke overwinning” die hen verkondigd werd, dan zouden zij niet zelve gekomen zijn, om te vragen, te bespieden, te luisteren. Zie eens daar ginds! Dat is de draagstoel van Diogenes—diedáárvan Lysander. Gindsche wagen behoort aan Alexander; die slaven in roodzijden rokken zijn in dienst van Hermias. Die allen maken deel uit van de »onnavolgbaren” en deden aan al onze feesten mede. Diezelfde Apollonius, die nu al een half uur lang bezig is de dienaren van het paleis uit te hooren, liet eergisteren nog voor Ares, Nike en de groote Isis, als de godin der Koningin, ieder vijftig ossen slachten. Toen ik hem in den tempel aantrof, riep hij mij toe, dat dit de grootste verkwisting was, waaraan hij zich ooit had schuldig gemaakt, want ook zonder al dat rundvee waren Cleopatra en Antonius van hunne overwinning zeker. Maar nu blaast ook bij hem de wind van het gerucht zijn goed vertrouwen weg.
»Zij mogen mij niet zien. De poortwachters zeggen dat ik uit de stad ben. En ik zou het besterven als ik mij moest vertoonen met een verblijd gezicht.—Daar komt Apollonius aan. Wat ziet hij er stralend uit! Hij gelooft het goede nieuws,en zoodra de zon ondergaat, zal geen enkele van die allen meer te zien zijn, want daar geeft hij reeds zijn slaven bevelen. Hij noodigt zijn vrienden tot een gastmaal uit, en zal daarbij den kostelijken wijn niet sparen. Goed zoo! Dan kan ten minste geen van hen ons hinderen! Dion is zijn neef, en ook hij zal tot de gasten behooren. Wat zullen deze liefhebbers van feestvieren wel zeggen als zij de schrikkelijke waarheid moeten hooren?”
»Ik denk,” antwoordde Archibius, »dat zij aan de wereld dit merkwaardig schouwspel te zien zullen geven: vrienden, die men in dagen van voorspoed heeft opgedaan, en die in tegenspoed getrouw blijven.”
»Zoudt gij dat denken?” vroeg Iras met fonkelende oogen. »Als dat waar is, dan zou ik hen roemen en prijzen, al waren zij zoo arm als bedelaars! Maar zie eens dáár! Is dat niet Dion, met dien witten mantel, naast den obelisk? De menigte stuwt hem voort.... ik geloof zeker, dat hij het was.”
Toch vergiste zij zich; de man, dien zij meende te zien, omdat haar hart zoo vurig naar hem verlangde, bevond zich niet zoo dicht bij het Sebasteum, en zijne gedachten waren nog verder van haar af.
Eerst was hij naar Gorgias gegaan om hem den bewusten brief te brengen. Hij had gedacht hem te vinden bij de eerepoort die aan het strand in het Bruchium opgericht was, doch hij vernam al spoedig dat hij naar het huis van Didymus gegaan was om het beeld van Cleopatra en Antonius, dat daar nog altijd stond, weg te halen en voor het Dionysostheater te doen opzetten. Dat geschiedde op bevel van Mardion, en Gorgias had gezorgd dat het voetstuk er reeds stond. Hij had de groote steenblokken die hij daarvoor noodig had, genomen van den tempel van Nemesis, die onder zijne leiding in aanbouw was, en de eerste opzichter had gezegd dat hij beschikken kon over zoovele staatsslaven als hij maar hebben wilde. Met trots voegde hij hierbij, dat de bouwmeester, nog eer de zon onderging, aan de Alexandrijnen het wonder zou doen zien, hoe men in één dag het standbeeld van twee personen van de eene plek naar de andere vervoeren kon, en zóó zorgvuldig nederzetten, dat het zoo vast stond als de duizendjarige kolos van Thebe.
Vóór den tuin van Didymus vond Dion het beeld ter overbrenging gereed, doch de bouwmeester liet de slaven, die de rollen al vóór de slede hadden gelegd, nog een geruimen tijd wachten.
Hij was ten derden male naar het huis van den ouden philosoof gegaan. Den eersten keer had hij hem en de zijnen moeten meedeelen, dat hun eigendom geen gevaar meer dreigde, daarna was hij gekomen om te zeggen op welk uur hij het standbeeldzou doen weghalen en eindelijk was hij nog eens gaan melden, dat het nu dadelijk gebeuren zou. Hij had al die boodschappen zeer goed door een slaaf of onderopzichter kunnen laten brengen, doch Didymus' kleindochter Helena had hem zelf telkens weder naar dat huis getrokken. Hij zou om harentwil nog vaker gekomen zijn, want bij iedere ontmoeting had hij nieuwe bekoorlijkheden ontdekt in het schoone, stille, bedachtzame meisje, dat zoo liefderijk haar oude grootouders verzorgde. Hij geloofde dat hij haar beminde, en dat ook zij hem gaarne bij zich zag. Maar dat gaf hem nog niet het recht naar hare hand te dingen, al had zijn groot, ledig huis ook dringend een meesteres noodig. Zijn hart had reeds zoo menigmaal gegloeid; hij wilde eerst afwachten of het ditmaal zoo blijven zou. Hij kon geen echtgenoote vinden die beter voor hem paste. Was hij ook maar eenige dagen aan deze neiging getrouw, dan zou hij zichzelf daarvoor als het ware beloonen, door bij Didymus te komen met het aanzoek om haar hand.
Hij verontschuldigde zijn talrijke bezoeken voor zichzelven met de noodzakelijkheid zijn toekomstige gemalin te leeren kennen, en Helena maakte hem deze taak gemakkelijk. Hare terughoudendheid verdween hoe langer hoe meer, en het groote vertrouwen dat hij haar al dadelijk ingeboezemd had, was door zijn krachtdadige hulp nog toegenomen. Bij een vorig bezoek had zij hem zelfs hare hand toegestoken, en naar den voortgang van het werk gevraagd.
Overstelpt met bezigheden als hij was, gaf het gesprek met haar hem toch zooveel genoegen, dat hij haar langer, dan hij ooit onder dergelijke omstandigheden zichzelven veroorloofd zou hebben, te woord stond, en het een onaangename stoornis vond, toen Barine, die hij nog onlangs zoo hoog schatte, ook het tablinum binnentrad.
De jonge vrouw liet het niet bij een korte begroeting, maar nam weldra Helena geheel in beslag. Zij omarmde haar zuster zoo teeder en hartstochtelijk, als hij nog nooit van haar had gezien, en vertelde haar in levendige bewoordingen, dat zij gekomen was om van iedereen afscheid te nemen. Vrouw Berenice was met haar medegekomen, maar deze was eerst naar den ouden Didymus en zijn vrouw gegaan.
Terwijl Barine Helena alles uitlegde, maakte Gorgias in stilte zijne vergelijkingen. Hij kon wel begrijpen dat hij eenmaal gemeend had Barine te beminnen, maar zij zou toch nooit geschikt zijn geweest voor zijn echtgenoote. Het leven met haar zou een aaneenschakeling van jaloersche opwellingen en bezorgdheid voor haar man geworden zijn. Die vrouw, die met haar levendige opmerkingen en weetgierige vragen steeds al zijn oplettendheidvorderde, zou hem als hij vermoeid van zijn werk tehuis kwam, de rust niet bezorgen die hij in zulke uren noodig had. Alsof het een onderzoek naar den afstand van twee pas opgerichte zuilen gold, zoo dwaalde zijn oog van haar naar haar zuster, en toen de jonge vrouw dat opmerkte, barstte zij in een vroolijken lach uit, en vroeg of zij ook weten mocht met welk gebouw zijn geest zich bezighield, terwijl een goede vriendin hem kwam vertellen dat het met de prettige uurtjes in haar huis gedaan was.
Nu kwam hij met allerlei verontschuldigingen voor den dag, maar daaruit bleek zoo zonneklaar hoe onoplettend hij toegeluisterd had, dat Barine zich in ernst beleedigd had kunnen voelen. Maar een blik op haar zuster en daarna op hem, deed haar plotseling de waarheid vermoeden. Dat verheugde haar, want zij waardeerde Gorgias en had al eens gevreesd dat zij hem, als hij haar hand vroeg, met een afwijzend antwoord zou moeten bedroeven. Maar hij scheen als geschapen voor haar zuster. Haar binnenkomen had hen zeker gestoord, en daarom zeide zij tot Helena: »Ik ga moeder en mijn grootouders opzoeken. Houd gij ondertusschen onzen vriend bezig. Wij kennen hem goed. Hij behoort tot de enkelen die men vertrouwen kan. Dat meen ik in ernst, bouwmeester! En gij Helena, denk er aan!”
Nu zeiden zij elkander vaarwel, en Gorgias was weder met het geliefde meisje alleen. Het kostte beiden moeite het gesprek weer op gang te brengen, en daarom was de stem van den opzichter die hem weder aan het werk riep, hem ditmaal welkom. Hij beloofde nu spoedig terug te zullen komen, en legde hierop zooveel nadruk, alsof men er hem ernstig om had verzocht. Daarna verliet hij haar door de deur die naar het woonvertrek leidde.
Doch op den drempel deinsde hij reeds weder terug, en Helena, die hem gevolgd was, ook, want daar stond zijn vriend Dion, en het bevallige hoofdje van Barine leunde tegen zijn borst, terwijl zijn hand als om haar te zegenen, op het blonde haar rustte. Daarbij—neen, Gorgias vergiste zich met—zag hij het teere persoontje die door haar opgewekten levenslust hem en anderen zoo dikwijls had meegesleept, nu sidderen, alsof zij door een diepe, smartelijke ontroering werd geschokt. Hij zag hoe zij het hoofd ophief en Dion aanzag met een gelaat dat door tranen bevochtigd was, maar toch kon de bron daarvan geen leed zijn, want hare blauwe oogen blonken van gelukzaligheid. Bovendien ontdekte Gorgias in hare trekken nog iets waaraan hij geen naam kon geven. Het was de weerschijn van de warme dankbaarheid, die hare ziel op dat oogenblik geheel vervulde.
Barine had Dion ontmoet toen hij den bouwmeester zocht, en zij naar hare grootouders ging. Wat hij den vorigen dag had gevreesd, werd nu waarheid. De eerste blik uit hare oogen diehem trof, had reeds het beslissende woord op zijne lippen gebracht. Toen had hij haar in korte, ernstige woorden bekend dat hij haar liefhad, en niets vuriger begeerde dan haar, als de trots en het sieraad van zijn huis, tot de zijne te maken. In de overmaat van haar geluk waren toen de heete tranen gekomen, en alsof zij onder den indruk van een groot wonder was, had zij geen woorden gevonden om hem te antwoorden. Maar hij had hare hand gevat, die in beide de zijne gedrukt, en zóó alles bekend: hoe hij eerst met het beeld zijner strenge moeder voor oogengeweifeldhad, maar hoe eindelijk de liefde oppermachtig in hem geworden was. Nu vroeg hij haar vol vertrouwen, of zij er in toestemde als de eer en het sieraad van zijn oude huis, als meesteres daarin het gebied te voeren. Hij wist wel dat haar hart hem reeds toebehoorde, maar één ding moest hij toch nog uit haar mond vernemen....
Toen riep zij uit »Dit ééne: uwe vrouw wil voor u, en voor u alléén leven, in vreugde en leed. De geheele wereld mag voor haar ondergaan, nu gij haar tot u opheft en zij de uwe is.”
Bij deze verzekering, die hem als een plechtige gelofte in de ooren klonk, was het alsof hem een pak van het hart viel. Hij sloot haar met hartstochtelijke teederheid in de armen, en herhaalde: »In vreugde en leed!”
Op dat oogenblik hadden Gorgias en Helena hen gevonden, en voor het eerst van zijn leven voelde de bouwmeester, niet zonder eenige verwondering, dat er geen eigenlijk onderscheid is tusschen het geluk van ons zelven, en dat van iemand die ons lief is.
Zijne vriendin Helena scheen hetzelfde te gevoelen, toen zij zag wat deze dag haar zuster had gebracht. Het huis van den ouden philosoof, waar in den laatsten tijd zoovele zorgen en angsten binnengeslopen waren, weerklonk nu van enkel blijde, elkander geluk wenschende stemmen.
De bouwmeester voelde dat hij nu niet langer blijven mocht in dezen vertrouwelijken kring, die door ééne groote, gemeenschappelijke vreugde werd bezield, en na een korte verklaring van Dion, hoorde men hem weldra buiten bij het werk zijne bevelen geven aan de arbeiders.
12)Schip met drie rijen roeiers.
13)„Verblijd u“ en „houd moed“ staat op vele grafsteenen te lezen.
Gorgias zette nu zijn werk ijverig voort. Toen het standbeeld alleen nog maar opgezet moest worden vóór het Dionysostheater, kwam Dion hem opzoeken. Eer hij met zijn verloofde de stad verliet, wenschte hij nog ééns zijn vriend te spreken. Sedert zij van elkander waren gegaan, had deze handen vol werk gehad, want het bouwen van den door Antonius verlangden muur op den Choma had een aanvang genomen, terwijl de herstelling van het kleine paleis aan de spits daarvan, en nog veel meer alles wat betrof de versiering der eerepoorten en triomfbogen, voltooid was. Zijn bekwame opzichter had moeite zijne bevelen bij te houden, terwijl hij het een na het ander op zijn schrijftafel voorschreef. Het onderhoud met zijn vriend duurde dan ook niet lang, en Dion had bovendien aan de vrouwen beloofd haar te vergezellen op haar tocht naar het landgoed van Archibius. Het vertrek moest, in weerwil van de verloving, nog heden plaats hebben, want in den loop van den dag was Cæsarion nog tot tweemaal toe bij Barine aan komen rijden. Zij had hem natuurlijk niet ontvangen, maar deze herhaalde pogingen van zijn kant deden haar zelve aandringen op een verhaast vertrek.
Om alle opzien te vermijden wilden zij liever gebruik maken van den grooten reiswagen en de Nijlboot van Archibius, hoewel Dion zelf een dergelijke bezat, die even gemakkelijk was.
Op »Vrede-oord” zou de bruiloft worden gevierd. Het eigen schip van den jongen Raadsheer, waarop het jonge paar later naar Alexandrië terug zou varen, heette Peittho, naar de godin der overreding, omdat Dion gaarne herinnerd werd aan zijn triomfen als redenaar in den Raad. Doch van nu af aan zou het »Barine” heeten en veel worden verfraaid.
Dion vertrouwde zijn vriend nu ook toe wat hij gehoord had omtrent het lot van de Koningin en de vloot, en hoe druk Gorgias het ook had, toch luisterde hij vol belangstelling, zoodraDion sprak over de toekomst van hunne stad en hare bedreigde zelfstandigheid en vrijheid, want deze dingen lagen ook hem het naast aan het hart.
»In tijd van voorspoed,” riep Dion uit, »deed ik wat mij behaagde; nu schijnt het mij de plicht van ieder rechtgeaard man, in zijn eigen huis de gezindheid aan te kweeken die hij van zijne vaderen geërfd heeft, en die niet mag uitsterven zoolang Alexandrië nog Macedonische burgers heeft. Wij moeten ons laten welgevallen dat Rome's overmachtAegyptemaakt tot een provincie der Republiek, doch wij zijn nog in staat het beste deel van de vrijheid onzer stad en van haar Raad te behouden. Wat er ook gebeuren moge, wij zijn en blijven toch de bron, waaruit Rome de wetenschappen put, die zijn geestelijk leven verrijken.”
»En vergeet niet de kunst,” voegde Gorgias hier bij, »die de schoonheid daaraan geeft. Als Rome ons zonder genade vernietigen wil, dan zal het hun wellicht gaan als het meisje dat reeds haar voet oplichtte om een schoone, zeldzame bloem te vertreden, maar dien terugtrok omdat het een misdaad zou zijn zulk een kostelijk werk van de goden te verwoesten.”
»En wat heeft dat meisje ook niet te danken aan die bloem!” riep Dion, »en Rome aan onze schoone stad! Indien wij zijne eischen maar met waardige standvastigheid beantwoorden, dan geloof ik dat wij nog niet zulk een verschrikkelijk lot te duchten hebben.”
»Laat ons dat maar hopen! Maar gij vriend, houd uwe oogen open, ook voor andere vijanden dan die uit Rome alleen. Wees op uwe hoede voor Iras, nu het een bekende zaak wordt dat gij haar versmaadt. Zij heeft iets, dat mij somtijds aan een jakhals doet denken. Haar jaloerschheid!—Ik acht haar tot alles in staat....”
»Maar,” zeide Dion, »wat Iras mij zou willen aandoen, dat zal Charmion verhinderen; en mijn oom Archibius, hoewel ik niet al te zeer op hem rekenen wil, staat toch boven haar, en keurt mijn verbintenis met Barine goed.”
»Als dat zoo is,” riep Gorgias met een verlicht hart uit, »dan wensch ik u geluk!”
»En begint nu ook eens voor uw eigen geluk te zorgen,” zeide Dion met hartelijkheid. »Laat uw hart niet langer dat zwervende nomaden leven leiden. Ik zou denken dat een bouwmeester niet op den duur genoegen nemen kan met tenten, die de wind omverblaast. Bouw nu voor u zelf eens een stevig huis, dat de stormen trotseert. Ik gun het u van harte, en heb u immers reeds gezegd: de tijden vorderen het.”
»Ik zal aan uw raad denken,” antwoordde Gorgias, »dochdaar zie ik reeds weder zes oogen, die om inlichtingen vragen. Er is zooveel gewichtigs te doen, en men besteedt zijn tijd aan het bouwen van triomfbogen voor verslagenen, en tropeeën voor een nederlaag! Toch heeft uw oom bevolen het werk zoo prachtig mogelijk uit te voeren. De wegen van het lot en van de grooten der aarde zijn duister; dat de uwe door een helder zonlicht bestraald worde! Wij hooren natuurlijk nog wanneer gij bruiloft viert, en als ik kan, dan kom ik ook een lied voor Hymen zingen. Gelukkige, die gij zijt! Daar word ik alweder geroepen. Mogen Castor en Pollux en alle goden die de reizigers beschermen, Aphrodite en alle Eroten uw tocht naar het land aan het meer en naar het rijk van Eros en Hymen begunstigen!”
Hierop drukte de hartelijke man zijn vriend voor het eerst aan zijn borst en Dion liet dit gaarne toe, en met den uitroep: »Tot weerziens in Irenia op mijn trouwdag, mijn beste, trouwe vriend!” drukte hij hem de vereelte rechterhand.
Dion vertrok in den wagen die voor hem gereed stond, terwijl Gorgias hem met zorg nazag.
Nog was de purperen mantel, dien Dion ook heden droeg, niet uit zijne oogen verdwenen, of hij hoorde vlak achter zich een luid gekraak, geraas en gedreun. Een vluchtig opgeslagen steiger, die de katrollen droeg waar mede het beeld moest worden opgeheschen, was ingestort. De schade kon gemakkelijk worden hersteld, maar dit voorval maakte op den bouwmeester toch een pijnlijken indruk. Hij was een kind van zijn tijd, en het was dus zijn plicht als bedachtzaam man om op voorteekenen acht te geven. Bovendien had de ondervinding hem ook geleerd, dat als hem bij zijn werkzaamheden iets dergelijks overkwam, daarop gewoonlijk iets droevigs voor een zijner vrienden volgde. Wat nu misschien het jonge paar dat hem zoo dierbaar was, te wachten stond, was onder den sluier der toekomst verborgen, maar hij besloot voor Dion goed uit de oogen te blijven zien, en Archibius te verzoeken hetzelfde te doen.
Onder den arbeid werd dit onaangename gevoel echter weldra tot zwijgen gebracht. De schade was spoedig hersteld, en daarna deelde Gorgias zijne bevelen weer uit, nu eens met de eene, dan weder met een andere tafel of rol in de hand.
De avond begon te vallen, en vóór den nacht, waarin storm en regen kon komen, reed hij op zijn muildier nog eens naar het Bruchium, om te zien hoe het werk daar vorderde en nieuwe beschikkingen te maken, want het moest den geheelen nacht daar voortgezet worden. Het begon uit het Noorden zoo hevig te waaien dat het moeite kostte de fakkels en lampen aan te houden. De wind dreef hem den regen in het gelaat, enhij zag tegenover de haven en den vuurtoren nog zware wolken hangen. Alles voorspelde een kwaden nacht, en weder overviel hem dat sombere gevoel alsof er een onheil te wachten stond. Toch was hij met ijver en zorgvuldigheid bij het werk, en hielp zelfs mede waar dit noodig bleek. Het was nu geheel donker geworden, en geen enkele ster stond aan den hemel. Zelfs werd het zoo koel, dat Gorgias eindelijk zijn lijfslaaf veroorloofde hem zijn mantel om te slaan. Terwijl hij de kap over zijn hoofd trok, zag hij een stoet menschen en draagstoelen naar de Lochias trekken.
Misschien waren het de koningskinderen, die van een uitstapje terugkeerden. Toch schenen het eerder gewone burgers te zijn, die zich tot een feest der overwinning opmaakten, want op dit oogenblik geloofden alle menschen aan een zegepraal en den goeden afloop van den oorlog. Dit bewees het gejubel en de vreugdekreten dergenen die zich, in weerwil van het slechte weder, nog altijd in den omtrek van de haven bevonden.
Juist was de laatste fakkel van den stoet Gorgias voorbij gedragen, en had hij bij zichzelven overlegd dat de draagstoelen die tot het koninklijk huis behoorden, niet zoo slecht verlicht moesten worden, of een man met een lantaarn in de hand kwam snel van de andere zijde aanloopen. Het flikkerende licht viel op een gerimpeld gelaat, en toonde hem den ouden Phryx, den huisslaaf van Didymus, die hij had leeren kennen in den tijd toen het opschrift voor het pas gebouwde Odeum door den oude geleerde was vervaardigd. De grijze dienaar had hem toen menigmaal veranderingen in het eerste ontwerp van zijn heer moeten overbrengen, en Gorgias daaraan nog gisteren herinnerd.
De arbeiders hadden middelerwijl het standbeeld bij helder fakkellicht en onder eentonig gezang, op het voetstuk gezet, en zij waren nu bezig de touwen, katrollen en hefboomen op te bergen, toen de bouwmeester den slaaf herkende.
Wat kwam die oude man daar zoo laat nog doen? Op eens kwam hem de ingestorte steiger weder in de gedachte. Zocht de slaaf hulp voor iemand van het gezin? Had Helene hem misschien noodig?
Hij hield den ouden man staande, en deze beantwoordde zijne vraag met een diepen zucht en het spreekwoord: »een ongeluk komt nooit alleen.” Daarop ging hij voort: »Gisteren was er rede tot groote vrees, en toen er heden zooveel blijdschap bij ons was om Barine, dacht ik dadelijk: »na vreugde leed!” de tweede ramp zal ons niet gespaard worden. En zoo is het dan ook!”
Gorgias vermaande hem alles wat er gebeurd was nauwkeurig te verhalen, en nu kwam de oude naderbij en fluisterde hem toedat de jonge Philotas uit Amphissa, die een leerling en helper van Didymus was, en een wellevend jonkman van goede familie, naar een gastmaal was gegaan, waarop Antyllus, Antonius' zoon, eenige van zijn medestudenten genoodigd had. Dat was wel meer gebeurd, en daarom had hij, de oude Phryx, hem gewaarschuwd, want als de kleinen met de grooten omgaan, komen de eerste er zelden zonder kleerscheuren af. De jonge man, die overigens niet slechter was dan de andere epheben, was van zulke feesten altijd teruggekomen met een rood gezicht en onvasten gang, maar heden had hij zelfs zijn kamertje op de bovenverdieping niet kunnen wedervinden. Alsof hij door vervolgers achterna gezeten werd, was hij het huis binnengedrongen, en toen hij de trap wilde opvliegen—of eigenlijk was het maar een vaststaande ladder—had hij een misstap gedaan en was gevallen. Hij voor zich geloofde niet dat hij zich had bezeerd, want geen enkel lid deed hem pijn als men het aanraakte of het uitrekte, en de beschonkenen stonden immers in de hoede van Dionysos; maar het scheen wel of er een booze geest in hem gevaren was, want hij deed niets dan kreunen en weenen, en bleef op alle vragen het antwoord schuldig. Nu wist hij wel van de Dionysosfeesten, dat deze jonge man als hij te veel gedronken had altijd jammerde, maar ditmaal moest er toch iets bijzonders met hem zijn gebeurd, want vooreerst was zijn gezicht zwart gemaakt, en zag het er afschuwelijk uit nu de tranen het roet op vele plaatsen hadden afgewischt, maar daarbij sprak hij enkel wartaal. Het was iets verschrikkelijks!
Toen men hem naar zijn kamer had willen brengen, had hij zich met handen en voeten verweerd. Daarom geloofde Didymus zelf, dat demonen zich van hem hadden meester gemaakt, zooals niet zelden gebeurde wanneer iemand van de trap was gevallen en op zijn hoofd neergekomen, en daardoor bij de aardgeesten aangeklopt en hen gewekt had. Wel zeker, demonen zouden het wel zijn, maar zooals hij dacht, geen andere dan die van den wijn. De student had zich zeker daaraan te buiten gegaan. Maar de oude philosoof hield bijzonder veel van dezen leerling, en had hem bevolen Olympus te gaan halen, die zoo lang hij zich herinneren kon, de arts van het huis was.
„De oude lijfarts van de Koningin?” vroeg Gorgias afkeurend, en toen de slaaf dit bevestigde, zeide hij: »Dat is in mijn oogen niet goed, dien eerwaardigen grijsaard met zulk een fellen Noordenwind ter wille van zoo iets te laten uitgaan. De ouderdom is tegenover den ouderdom nooit bijzonder barmhartig. Ik kan, nu dat ding daar eindelijk op zijn plaats staat, wel voor een half uurtje mijn post verlaten, en ik ga met u mede.Ik zou denken dat om deze demonen te bezweren, geen lijfarts noodig is.”
»Dat is goed, heer,” riep de slaaf, »maar Olympus is een vriend van ons. Hij bezoekt nog maar weinig zieken, maar bij ons komt hij door alle weer en wind. Hij bezit ook draagstoelen, wagens en prachtige muildieren. De Koningin geeft hem alles wat het beste en gemakkelijkste is. Hij is wijs en kan misschien spoedig helpen. Wat men krijgen kan, daar moet men gebruik van maken.”
»Alleen als het noodig is,” hernam de bouwmeester. »Daar staan mijn beide rijdieren, volg gij mij op het tweede, en als ik met de booze geesten niet klaar kom, dan is het nog altijd tijd genoeg om den lijfarts te halen.”
Deze voorslag behaagde den ouden man, en korten tijd daarna trad Gorgias het tablinum van den philosoof binnen.
Helena heette hem welkom alsof hij een oud vriend was. Zoodra hij maar verscheen, dacht zij, was het gevaar reeds half voorbij. Ook Didymus was blijde hem te zien, en leidde hem het kleine vertrek binnen, waar de jongeling op een divan lag.
Hij steunde en jammerde nog steeds. De tranen liepen hem over de wangen, en zoodra een lid van het gezin hem naderde, stootte hij hem weenend van zich af. Toen Gorgias echter zijne beide handen vasthield en hem streng beval te bekennen wat hij zich te verwijten had, toen zeide hij snikkend dat hij de ondankbaarste booswicht op aarde was. Zijn slechtheid had zijn goede ouders, hem zelven en zijn vrienden te gronde gericht. Daarop beschuldigde hij zich, dat door zijn toedoen Didymus' kleindochter in her verderf werd gestort. Hij zou zeker niet weder naar Antyllus zijn gegaan, als deze hem niet kort geleden door zijne grootmoedigheid opnieuw tot zich getrokken had.
Maar nu moest hij er voor boeten, ja boeten.... en hij stamelde dit woord »boeten” zoo onophoudelijk, dat er vooreerst niets anders uit hem te krijgen was.
Intusschen bezat Didymus den sleutel op dit raadsel. Enkele weken geleden was Philotas met andere leerlingen van den rhetor wiens lessen in het Museum hij volgde, doorAntyllusop een ochtendmaaltijd uitgenoodigd. Toen de student de fraaie gouden en zilveren bekers waaruit gedronken werd, zoo luide bewonderde, had de overmoedige jonge gastheer gezegd: »Welnu, zij zijn voor u, neem ze maar mede!” Philotas had dit eerst niet voor ernst opgenomen, maar bij het heengaan had de schenker hem aangemoedigd het geschenk aan te nemen. Antyllus had hem immers de bokalen vereerd? Maar hij raadde den jongen man aan, zich de waarde in geld te laten betalen, wanter waren eenige oude kunstig bewerkte stukken onder, die Antyllus' vader, Antonius, misschien ongaarne zou missen.
Daarop had hij den verbaasden jongeling verscheidene rolletjes goudstukken in de hand gegeven. Doch dit geld had hem niet veel goeds gebracht, want daardoor was het hem mogelijk geworden met rijke, aanzienlijke mede studenten om te gaan en deel te nemen aan hunne uitspattingen. Toch had hij bij Didymus altijd trouw zijn plicht gedaan.
Al had hij dikwijls den nacht tot dag gemaakt, tot nu toe had zijn gedrag geen ernstige reden tot klagen gegeven. Kleine zonden zag men hem gaarne over het hoofd, omdat hij een aardige, vroolijke jonkman was, die de kunst verstond zich bij ieder lid van het huisgezin, ook bij de vrouwen, aangenaam te maken.
Maar wat was den beklagenswaardigen jongeling nu toch overkomen? Didymus had het grootste medelijden met hem, en hoewel hij Gorgias dankbaar was voor zijn komst gaf hij hem toch te verstaan, dat het wegblijven van den arts hem verdroot.
De bouwmeester was echter in zijn veeljarig jonggezellen leven in het Dionysos-vereerende Alexandrië vertrouwd geraakt met ziekten als die van Philotas, en wist hoe men dergelijke lijders behandelen moest. En nadat men Gorgias verscheidene kannen water gebracht en eenigen tijd met den lijder alleen gelaten had, verheugde de philosoof zich in stilte toch ook dat hij den lijfarts niet door het stormachtige weer had laten komen. Spoedig bracht Gorgias zijn leerling met natte haren, maar overigens in een toestand van snel vorderend herstel weder bij hem.
Het fraaie gelaat van den jongeling was nu ontdaan van het roetzwart, doch hij zag beschaamd naar den grond, en sloeg zich nu en dan voor het hoofd. De philosoof had al zijn redeneerkunst noodig om hem aan het spreken te brengen, en Philotas verzocht vóór hij begon, dat Helena hem met de mannen alleen zou laten.
Hij was van plan zich stipt aan de waarheid te houden, doch vreesde dat de onzinnige streek, waartoe hij zich had laten overhalen, noodlottige gevolgen kon hebben voor zijn geheele leven. Hij hoopte echter op goeden raad, vooral van den bouwmeester, die hem nu zoo goed geholpen had, en wiens vriendelijke persoonlijkheid hem vertrouwen inboezemde. Den grijsaard was hij zooveel verplicht, dat hij hem nu ook oprechtheid schuldig was,—en toch durfde hij hem één der beweegredenen zijner dwaze handelwijze niet bekennen.
De aanslag, waarin hij zich had laten meeslepen, was opBarine gemunt geweest. Hij had reeds lang gedacht dat hij haar beminde met al den gloed van zijn twintigjarig hart. Kort vóór hij naar dat noodlottige gastmaal ging, had hij evenwel gehoord, dat zij hare hand aan Dion had beloofd. Dat had hem diep gegriefd, want in menig stil uur had hij het voor mogelijk gehouden haar voor zich te winnen, en haar als echtgenoot binnen te leiden in zijn ouderlijk huis te Amphissa. Hij was immers maar weinig jonger dan zij, en als zijne ouders haar maar eerst hadden gezien, zouden zij zijn keus zeker billijken. En de andere menschen te Amphissa hadden Barine voor een godin moeten houden!
Doch nu was de voorname heer gekomen, die zijn hoop den bodem ingeslagen had. Zeker, er was nooit van liefde tusschen hem en Barine sprake geweest, maar hoe vriendelijk had zij hem altijd aangezien, en hoe gaarne zijne kleine diensten aangenomen! Nu was zij voor altijd voor hem verloren.
In het eerst had hij dit alleen bedroevend gevonden, maar toen hij veel wijn had gedronken en Antyllus bij den maaltijd, waarvan Cæsarion symposiarch14)was, Barine beschuldigd had de harten door magische kunsten te betooveren, toen was hij op eenmaal tot de overtuiging gekomen, dat zij die ook op hem had toegepast.
Hij had zichzelven wijs gemaakt dat hij haar òf als speelgoed had gediend, òf dat zij van hem had gehouden en alleen de voorkeur gegeven had aan Dion om zijn rijkdom. In ieder geval geloofde hij reden genoeg te hebben om op haar vertoornd te zijn, en bij iederen beker dien hij ledigde, nam zijn wrok toe.
Juist toen had men hem verzocht mee te doen aan de dwaze streek, die nu zoo zwaar op zijn geweten drukte, en hij had gretig daarin toegestemd, om haar te straffen voor het onrecht, dat hem in zijn verhitte verbeelding door haar was aangedaan.
Dit alles verzweeg hij echter voor de oude lieden, en verhaalde alleen in het kort van het prachtige gastmaal, dat Cæsarion zoo bleek en onverschillig als altijd, geleid had, en dat vooral door den dollen overmoed van Antyllus opgevroolijkt was.
De »Koning der koningen” en de zoon van Antonius hadden, onder voorwendsel van op de jacht te gaan, zich van hunne gouverneurs bevrijd. Zij hadden gezegd dat de opperjachtmeester hun dit genoegen wilde verschaffen en dat zij hem beloofd hadden 's morgens vroeg gereed te zullen zijn voor een tocht in de woestijn. Toen na den maaltijd de mengvaten neergezet en de bekers nog sneller gevuld werden, had Antyllus met Cæsarion allerlei dingen in stilte besproken en het gesprek gebrachtop Barine, de schoonste der schoonen, die door de goden bestemd was voor den grootste en hoogstgeplaatste van allen. Dat was immers »de Koning der koningen” Cæsarion, en daarom mocht hij rekenen op de gunst der hemelsche machten. Maar men wist ook dat Aphrodite zichzelve voor nog grooter hield dan den hoogsten koning, en daarom waagde Barine het, voor den symposiarch hare deur te sluiten, op een wijze die niet alleen voor hem, maar voor de geheele jeugd van Alexandrië krenkend zijn moest. Alles wat zich »ephebe” noemde moest de vuist ballen van verontwaardiging, als hij hoorde dat de overmoedige jonge vrouw de jeugd op een afstand hield, omdat zij alleen oudere mannen hare aandacht waardig keurde.
Dat mocht zoo niet blijven! Veeleer moesten de jongelingen van Alexandrië haar hunne macht doen gevoelen. En dit werd des te dringender bevolen, daar Cæsarion hierdoor het doel zijner wenschen bereiken zou.
Barine zou dien avond de stad verlaten. De beleedigde Eros zelf wees hen daardoor den weg. Hij gebood hun haar wagen aan te houden en haar te brengen bij den jongeling, die in naam der geheele jeugd op zich nam haar te bewijzen dat de hartstocht der epheben, die zij van zich verwijderde, vuriger was dan die der oudere mannen die zij om zich heen duldde.
Hier viel Gorgias den verhaler in de rede met een luiden uitroep van misnoegen, en de oogen van den ouden Didymus schenen uit hunne kassen te willen komen, toen hij zijn leerling met barsche stem een ongeduldig »ga voort!” toeriep.
En Philotas, die nu weder geheel ontnuchterd was, schilderde met levendige kleuren hoe wonderbaar de stille Cæsarion veranderd was. Hij scheen werkelijk betooverd te zijn, want nauwelijks hadden Antyllus' makkers hem toegejuicht en zich bereid verklaard de jeugd van Alexandrië aan Barine te wreken, toen »de Koning der koningen” eensklaps opstond van de rustbank, waarop hij tot zoolang bijna onverschillig gelegen had, om met fonkelende oogen uit te roepen dat, wie zich zijn vriend noemde, hem bij dezen aanval helpen moest.
Hier werd hij door een tweede ongeduldig »ga voort!” tot grooter spoed gedrongen, en nu verhaalde hij minder uitvoerig hoe zij hunne aangezichten zwart gemaakt en zich met zwaarden en lansen gewapend hadden. Tegen zonsondergang waren zij in een overdekte boot door het Agathodemonkanaal naar het Mareotische meer gevaren. Het bleek dat alles goed van te voren beschikt was, want zij waren precies op het aangegeven uur aangeland.
Daar zij zich op het water steeds met krachtigen wijn hadden versterkt, had hij al moeite gehad om aan wal te stappen enhad zich door de anderen laten voortsleepen. Verder wist hij niets meer, dan dat hij zich te gelijk met hen had geworpen op een groote harmamaxa15), en daarbij gevallen was. Toen hij opstond was alles voorbij.
Als in een droom had hij gezien hoe Scythen en andere bewakers der veiligheid Antyllus hadden aangegrepen, en hoe Cæsarion op den grond met een ander lag te worstelen. Als hij zich niet vergiste, den was dat Barine's verloofde, Dion geweest! Al deze mededeelingen waren door menigen uitroep van ongeduld en verontwaardiging afgebroken, en nu stootte Didymus, buiten zich zelven van angst, de vraag uit: »En het kind—en Barine?”
Doch Philotas kon geen antwoord geven dan een sprakelooze hoofdbuiging, en de toorn overmande daardoor zoo zeer den ouden philosoof, dat hij zijn leerling bij den chiton greep, hem schudde, en toornig toeriep:
»Weet gij het niet, booswicht? In plaats van haar te beschermen zooals het uw plicht was tegenover een kind van mijn huis, hebt gij medegedaan met lichtzinnige verkrachters van zeden en recht, als een handlanger van deze schaamtelooze aanranders in het koninklijk purper gekleed?”
De bouwmeester bracht den vertoornden grijsaard in eerbiedige bewoordingen onder het oog, dat op het oogenblik alles moest achterstaan bij de noodzakelijkheid om Barine en Dion te laten opsporen. Zijn hoofd liep om van al zijn werk, maar toch wilde hij spoedig met zijn opzichter alles bespreken en daarna zelf beproeven zijn vriend weder te vinden.
»En ik,” riep de oude man, »moet aanstonds naar mijn ongelukkig kind. Breng mijn mantel Phryx, en mijn sandalen!”
En toen Gorgias hem vermaande aan zijn leeftijd en het stormachtige weer te denken, ging hij driftig voort:
»Ik ga, zooals ik heb gezegd. Al moest de storm mij op den grond werpen en de bliksemstraal van Zeus mij treffen, wat geef ik daarom! Op een onheil meer of minder komt het niet aan, in een leven dat ééne aaneenschakeling van rampen is. Drie zonen heb ik begraven in den bloei van het leven, en twee heb ik verloren in den oorlog. Barine was mijn oogappel, en dwaas die ik was, heb ik haar zelf geketend aan den booswicht, die haar zonnig leven voor goed verduisterd heeft, en nu ik haar gelukkig dacht, en beveiligd voor zorg en miskenning, aan de zijde van een voortreffelijk man, wordt misschien haar verloofde gewond of zelfs vermoord door die vervloekte booswichten, die door hunne hooge geboorte aan mijn wraak ontsnappen! Zij sleepen haar goeden naam en mijne grijze haren door het slijk. Mijn tuinhoed Phryx, en mijn staf!”
Sinds lang woedde de storm om het huis aan de zee, en het zeil dat gespannen was boven de opening van het impluvium, rukte met luid geraas aan de metalen ringen die het vasthielden. Nu kwam er zulk een hevige windvlaag, dat twee vlammen van de drie-armige lamp uitwoeien. Tegelijk werd de huisdeur geopend, en de Nubische portier van vrouw Berenice kwam binnen, druipend van den regen, en met de kap van zijn mantel over zijn bruine hoofd. Hij was in een deerniswaardigen toestand, en kon in het eerst niet den groet en al de vragen der mannen beantwoorden. Helena had zich bij hen gevoegd en hield den arm van haar grootmoeder vast. De bode was geheel buiten adem van het loopen, doch eindelijk kon hij zijn boodschap overbrengen. Het was niet veel. Barine liet hen enkel weten, dat, wat zij ook mochten gehoord hebben, haar moeder en zij ongedeerd waren. Dion had een wond aan den schouder gekregen, maar dat was niet erg. Zij verpleegde hem met hare moeder. Haar grootouders konden zonder zorg zijn; de aanslag die tegen haar ondernomen was, was volkomen mislukt.
Vrouw Doris die zeer doof was, had te vergeefs met de hand aan haar oor getracht iets van dit alles op te vangen, en nu zeide Didymus wat Helena hiervan aan hare grootmoeder overbrengen moest. De oude vrouw placht naar de lippen van het meisje te zien, en verstond haar beter dan een ander. Het verheugde Didymus natuurlijk dat zijn lieveling aan het gevaar ontkomen was, maar toch was hij nog niet geheel gerust. Ook Gorgias vreesde het ergste nog. Hij wilde zelfs uitgaan op nadere berichten, en verzekerde den grijsaard dat hij, zoodra hij die ingewonnen had, bij hem terugkomen zou. Daardoor alleen kon hij hem afhouden van een nachtelijken tocht door den storm.
De student Philotas vroeg smeekend met betraande oogen of men hem als bode wilde gebruiken, doch Didymus beval hem ter rust te gaan. Hij zou later wel een gelegenheid vinden om goed te maken wat hij door zijn lichtzinnigheid bedorven had.
In het stille huis van den geleerde werd dien nacht niet aan slapen gedacht. Gorgias vertrok, en Helena uitte den wensch om door den ouden portier naar hare zuster gebracht te worden, maar dien kon Didymus niet inwilligen. Hij bleef nu met zijn vrouw in het tablinum alleen. Men had haar enkel gezegd dat Barine door dieven was aangevallen, die haren verloofde licht hadden gewond; maar haar hart en het gedrag van haren man maakten het haar duidelijk dat haar iets verborgen werd. Zij zou er gaarne meer van weten, maar Didymus vond het op dit oogenblik bezwaarlijk haar met zoo luide stem nog meer mede te deelen, en daarom moest zij haar verlangen nu totzwijgen brengen. Doch niemand ging ter ruste, omdat zij eerst de terugkomst van den bouwmeester wilden afwachten.
Didymus was in een leunstoel neergevallen, en vrouw Doris zat in een hoek aan haar spinnewiel, zonder den draad van het spinrokken af te winden. Toen zij haar echtgenoot hoorde zuchten en het hoofd in zijn handen zag verbergen, stond zij op, ging op haar stokje geleund naar hem toe, en streek hem met de hand over het bijna kale hoofd. Zij sprak hem daarbij troostend toe, en toen zij de bedroefde uitdrukking toch nog niet uit zijn gelaat verdwijnen zag, herinnerde zij hem op hare hartelijke, vriendelijke manier hoe menigmaal zij reeds de wanhoop nabij geweest waren en toch alles altijd weer goed afgeloopen was.
»Zie oude,” zeide zij,»ik weet wel dat er weder dikke, zwarte wolken boven ons huis hangen, al weet ik het rechte er niet van. Ik voel alleen dat een zware slag ons dreigt. En toch, wat kunnen de menschen ons aandoen, als wij beiden maar bij elkander mogen blijven, wij beiden oudjes, en dan de kinderen der kinderen die Hades ons heeft geroofd. Als men zoo samen oud wordt, leert men dat het leven een hoofd heeft met vele aangezichten. Het kwade van het heden kan evenmin lang duren als die diepe rimpels in uw voorhoofd. Gij behoeft u voor mij geen geweld aan te doen, beste man. Laat het maar zoo. Ik behoef mijn oogen maar toe te doen, om te zien hoe glad en schoon het eens was in uw jeugd, en hoe vriendelijk gij er weder uit zult zien, zoodra de betere dagen zeggen: daar zijn wij weer!”
Hij kuste haar met een weemoedigen glimlach op het grijze haar, en riep haar toe aan het linker oor, dat beter hooren kon: »Hoe jong blijft gij nog altijd, oudje!”