14)Leider van het gastmaal.
15)Gesloten Aziatische reiswagen op vier wielen.
Een storm uit het Noorden woei over het eiland Pharus en de ondiepten van Diabathra heen, in de haven van Alexandrië. Op het anders zoo stille water waren nu golven te zien, en de lantaarn op den lichttoren van Sostratus scheen zijne heen en weer gaande vlammen met vijandige woede naar de stad te jagen. De vuren in de pekpannen en de fakkels aan de kust schenen het eene oogenblik uit te gaan, maar in het volgende flikkerden zij door den walm heen dubbel helder op.
De koninklijke haven, een uitgestrekt bekken dat het zuidelijk gedeelte van de Lochias en een deel van het noordelijke strand van het Bruchium in een halven kring omgaf, was iederen nacht sterk verlicht, doch heden schenen de lichten aan de westzijde, bij de ligplaats der koningsvloot, bijzonder bewegelijk. Kwam dat door den storm? Doch neen! Hoe had die de eene fakkel op de plaats van de andere kunnen zetten, en lichten of lantaarns tegen de richting van zijn onstuimige pogingen in, in beweging kunnen brengen? Het waren echter slechts weinigen, die dit opmerkten, want hoevelen ook vervuld waren van bange vrees, wie zou zich in zulk een stormnacht naar buiten op de kade wagen? Bovendien zou niemand toegang gekregen hebben tot de koningshaven, want zij was aan alle zijden afgesloten. Ook de havendam, die de koorde was van den boog dien het land ten westen vormde had slechts ééne opening, en die was, zooals ieder wist, ook met een keten bespannen, evenals de groote havenmond tusschen den Pharus en Alveus Steganus.
Twee uren vóór middernacht kwamen de lichten die zoo wonderlijk bewogen werden, tot rust, hoewel de storm eer toegenomen dan verminderd was. Maar het hart der menschen voor wie zij brandden, had zelden zoo onrustig geklopt als nu. Het waren de regeeringspersonen en hofbeambten die tot denaaste omgeving der Koningin behoorden: ongeveer twintig mannen, en Iras was onder hen de eenige vrouw. Zij en de Regent Mardion hadden deze allen hier bijeengeroepen, daar de brief van Cleopatra haar toeliet deze gevolmachtigden in het geheim te ontvangen. Na lange beraadslagingen waren zij overeengekomen de bevelhebbers der kleine achtergebleven Romeinsche bezetting niet mede uit te noodigen. Het was immers nog de vraag, of de verwachte personen reeds in dezen nacht zouden terugkomen, en de Romeinsche krijgslieden, die in het oog van Marcus Antonius iets beteekenden, waren met hem mede in den oorlog.
De overdekte doorgang in het midden der afgesloten aanlegplaats van de koninklijke haven, waar zij verzameld waren, was met vorstelijke praal ingericht, want de Koningin gebruikte die gaarne. Het ontbrak in de groote ruimte niet aan gemakkelijke zetels, en menigeen had zich uitgestrekt op een rustbank, terwijl anderen, door een inwendige onrust gedreven, op en neer liepen.
Daar deze gang maanden lang gesloten was gebleven, hadden vledermuizen er hun nest gemaakt, en toen de lichten ontstoken werden, zag men deze boven de hoofden der vergaderden rondfladderen. Iras had den bevelhebber der Mellakes, of jongelingen die een lijfwacht vormden uit de zonen der edelste Macedonische geslachten, verzocht die lastige dieren te verjagen, en het gaf den trouwen dienaar der Koningin eenige afleiding voor zijne zwaarmoedige gedachten, dat hij met zijn zwaard daarnaar kon slaan.
Anderen keken liever naar dit onbeduidend gevecht, dan toe te geven aan de vrees die hen vervulde. De Regent zag sprakeloos naar den grond, Iras luisterde bleek en verstrooid naar de uitleggingen van den zegelbewaarder Zeno, en Archibius was naar buiten gegaan om, zonder zich om den storm te bekommeren, over het onstuimige havenwater heen, naar de verwachte schepen uit te zien.
De bedienden, van de fouriers tot de dragers der draagstoelen toe, zaten bij groepen in een houten halfverlichte schuur, welker zoldering gesteund werd door bontbeschilderde zuilen, waar de wind doorheen blies. De Grieken zaten op houten zetels, de Aegyptenaars op matten op den grond. Den grootsten kring vormden de fouriers, die voor de bagage der Koningin moesten zorg dragen, benevens de hoogere slaven van het hof, en eenige kamervrouwen.
Men had hen gezegd dat de Koningin reeds dezen nacht verwacht werd, omdat het mogelijk was dat de sterke Noordenwind haar schip ongedacht snel uit den slag naar huis drijvenzou. Maar zij wisten wel beter, want in paleizen zijn reten en spleten en gordijnen, en daarin woont een echo van een bijzondere soort, die binnen de muren zelfs, het gefluister voortdraagt van oor tot oor.
De vrijgelaten lijfslaaf van den veldheer Seleukus voerde het hoogste woord. Zijn meester was enkele uren geleden uit de grensvesting Pelusium, waar hij het bevel voerde, in Alexandrië aangekomen. Een geheimzinnig bevel van Lucilius, den trouwsten vriend van Antonius, dat hem overgebracht was door een snelzeiler van Tænarum, had hem hierheen gevoerd.
De vrijgelatene Beryllus, een welbespraakt Siciliër, die als tooneelspeler beter dagen had gekend, eer de zeeroovers hem van zijn vrijheid hadden beroofd, was menige nieuwstijding te weten gekomen, en allen luisterden gaarne naar hem, want te Pelusium waren schepen uit het Noorden aangekomen en deze hadden de slechte berichten, die men in het Sebasteum had gehoord, bevestigd en aangevuld.
Als men hem gelooven kon, dan wist hij alles zoo goed alsof hij den zeeslag zelf had bijgewoond, want hij verzekerde dat hij bij een gesprek van zijn heer met vele scheepsbevelhebbers en boden uit Griekenland tegenwoordig was geweest. Ook deed hij het voorkomen alsof hij een trouw dienaar was die goed zwijgen kon, en enkel mocht bevestigen of ontkennen wat de Alexandrijnen zelve reeds hadden vernomen. Intusschen bestond zijn geheele wetenschap in een verward samenraapsel van ware en onware feiten. Terwijl de Aegyptische vloot bij Actium was verslagen en Antonius met Cleopatra eerst gevlucht waren naar Taenarum aan de zuidpunt van den Peloponnesus, beweerde hij, dat het leger te land en de vloot elkander aan de Peloponnesische kust hadden ontmoet, en dat Octavianus Antonius vervolgde in de richting van Athene; Cleopatra zou onderwijl reeds op weg naar Alexandrië zijn.
Deze »zekere berichten” had hij opgemaakt uit enkele woorden die hij gehoord had onder den maaltijd, en ook terwijl de veldheer boden afzond en ontving. In andere opzichten echter was hij geloofwaardiger. Daar de haven van Alexandrië de laatste dagen afgesloten was geweest, hadden alle schepen in die van Pelusium mogen binnenloopen, en de kapiteins waren zoodoende verplicht geweest het eerst aan te komen bij Beryllus' meester, die de kommandant dier belangrijke grensvesting was.
Eerst den vorigen nacht was hij uit Pelusium vertrokken. De sterke wind had de triëre zoo snel voortgejaagd, dat de zeemeeuwen die bijna niet hadden kunnen bijhouden. Dit wilden zijne toehoorders gaarne gelooven, want de storm loeide steedsheviger, en gierde door de open ruimte waarin de bedienden zich bevonden. De meeste fakkels en lampen waren reeds uitgegaan; uit de pekpannen steeg een dikke zwarte walm omhoog, waarin men de gele vlammen bijna niet meer kon onderscheiden, en alleen de gesloten lantaarns gaven nog een flauw licht. Het was dus in die met rook gevulde, akelige schuur somber genoeg.
Een der fouriers had voor wijn gezorgd om den tijd wat te korten; maar men durfde dien niet anders dan in het geheim drinken, en er waren geen bekers. Zoo gingen de kannen van mond tot mond, maar iedere teug werd gretig genoten, te meer daar de rook de kelen prikkelde. Beryllus moest dikwijls midden in zijn verhaal ophouden om al het gehoest, vooral van de vrouwen. Van alles wat hij zeide beweerde hij echter dat hij voor de waarheid instond, en vooral aan de voorteekenen die men te Pelusium aan zijn meester hadmedegedeeld, hechtte hij zelf veel waarde.
Eene der kamervrouwen van Iras vertelde hierbij ook van de zwaluwen, die op de »Antonias” het admiraalschip van Cleopatra, waren gezien. Zij dacht dat dit nog het slechtste voorteeken van allen was geweest. Maar Beryllus zag haar met zulk een medelijdenden glimlach aan, dat de verwachting der anderen nog hooger gespannen werd. De opperfourier riep dan ook op barschen toon den lastdragers een: »stilte!” toe. Nu hoorde men in de open zaal een tijdlang ook niets anders dan het langgerekte fluiten van den wind, nu en dan een commando aan de wachters vóór de koningshaven, en de stem van den vrijgelatene. Hij sprak zacht, om daardoor aan zijne geheimzinnige mededeelingen nog meer bekoring te geven.
Hij begon met hoogdravende loftuitingen op Cleopatra en Marcus Antonius, en herinnerde zijn toehoorders dat de imperator een afstammeling van Herakles was. Daarbij zouden de Alexandrijnen zeker wel weten, zeide hij, dat de Koningin »de nieuwe Isis” en Antonius »de nieuwe Dionysos” wenschten genoemd te worden. Ieder moest dan ook erkennen, dat hij in gelaat en houding veel meer op een god geleek dan op een mensch.
Voornamelijk te Athene had de imperator zich voor Dionysos uitgegeven. Daar was aan den gevel van het theater een voorstelling van den gigantenstrijd in reliëf-figuren te zien, een beroemd werk van een ouden beeldhouwer—dat hij goed kende—en uit dit aan beelden zoo rijk reliëf was door den storm een afgerukt, en welk zou dat geweest zijn? Geen ander dan dat van den god Dionysos, het afbeeldsel van Antonius, zooals hij eens, vóór de oogen der Atheners, in een priëel door wijnranken begroeid, had zitten drinken. De storm van heden was maar als de adem van een kind bij den orkaan, die hetbeeld van het harde marmer waarop het stond had kunnen losmaken. Maar de natuur spande dan ook al hare krachten in, als zij de kortzichtige menschen verkondigen moest welke wereldschokkende gebeurtenissen op handen waren.
Die laatste woorden sprak hij zijn heer na, die te Athene gestudeerd had, en wien zij uit de diep ontroerde ziel geweld waren, toen hij van een ander voorteeken hoorde, waarvan een schip uit Ostia de tijding medebracht. De bloeiende stad Pisaura....
Doch hier werd hij weder in de rede gevallen, want velen hadden al weken geleden gehoord, dat deze plaats in de zee verdwenen was, en zij hadden alleen de ongelukkige bewoners der stad betreurd.
Beryllus liet rustig toe dat zij zich zuiverden van de verdenking, als zou men te Alexandrië deze merkwaardige gebeurtenis minder spoedig gehoord hebben dan te Pelusium. Toen men hem vroeg wat dat met den oorlog te maken had, antwoordde hij eerst alleen met een stilzwijgend schouderophalen, maar nadat ook de opperfourier zijn nieuwsgierigheid had getoond, ging hij voort: »Dit voorteeken maakte een bijzonder diepen indruk, want wij wisten wat Pisaura was, of liever hoe het is ontstaan. De ongelukkige stad, die door den duisteren Hades verzwolgen is, behoorde op geheel bijzondere wijze aan Antonius, want in de dagen van zijn voorspoed had hij die zelf gesticht.”
Bij deze woorden zag hij uitvorschend in het rond, en het ontbrak in den kring zijner toehoorders ook niet aan teekenen van ontzetting; eene kamervrouw zelfs gilde het uit, want juist op dat oogenblik had de storm een fakkel uit den ijzeren ring in den muur gerukt, en die vlak naast de luisterende schaar neergeworpen. De spanning scheen nu haar hoogste punt bereikt te hebben, en toch was het Beryllus aan te zien, dat hij zijn laatsten pijl nog niet verschoten had. De kamervrouw, die ook de anderen aan het schrikken had gemaakt, werd weer kalm. Zij scheen nu nog het allermeest te verlangen naar iets nieuws en verschrikkelijks, en zij bad den vrijgelatene met een smeekenden blik, dat hij toch niets van wat hij wist zou verzwijgen.
Hij zag echter hoe het angstzweet op haar voorhoofd stond, en zeide: »Van het hooren alleen zijt gij reeds buiten u zelve. De steenen beelden zijn van een hardere stof dan gij, en toch bezitten ook zij een ziel. Zij zijn of hard of zacht van gemoed, en brengen ons rampen of heelen onze smart naar dat zij ons goed of slecht gezind zijn. Ieder die zijne handen smeekend naar hen opheft, ondervindt dat. Zulk een standbeeld staat ook te Alba. Het stelt Marcus Antonius voor, tot wiens eer de stadhet heeft opgericht. En dit beeld heeft vooruit gezien wat den man, wiens steenen dubbelganger het is, te wachten stond. Ja, luistert maar goed! Een dag of vier geleden liet zich bij mijn meester een scheepskapitein aandienen, en die man heeft in mijn bijzijn, zoo bleek als een doek, verhaald wat hij zelf had gezien. Het standbeeld van Antonius te Alba had zweetdroppelen op het gelaat gekregen; de geheele burgerij was er van ontzet; mannen en vrouwen kwamen met doeken om ze af te wisschen, maar steeds waren er meer gekomen, en dat dagen en nachten achtereen. Zoo had dus het steenen beeld vóórgevoeld wat den levenden Antonius overkomen zou. Het was vreeselijk geweest om te zien, zeide die man.”
Hier hield de verhaler een oogenblik op, en door den geheelen kring der toehoorders liep een koude rilling. Te gelijk hoorde men in de lucht een geluid alsof er op een metalen schijf geslagen werd, en een oogenblik later vlogen allen op hun post.
Ook in den versierden doorgang waren de wachtenden opgestaan. Hier had men enkel zacht gefluisterd of gezwegen, de aangezichten hadden sinds lang angstig en somber gestaan, doch thans werden de meesten doodsbleek, en men durfde elkander bijna niet aanzien.
Archibius had het eerst van allen den rooden schijn van het licht op den vuurtoren ontdekt, die het sein was van een naderend koninklijk schip. Zóó vroeg had niemand dat nog verwacht, en daar voer het nu reeds voorbij den toren de koninklijke haven binnen. Het kon wel het admiraalsschip Antonias zijn, hetzelfde waarop de oude zwaluwen hunne jongen doodgebeten hadden.
Hoe hoog de golven ook gingen in de wel-beschermde haven, toch brachten zij het groote gevaarte slechts weinig in beweging. Een ervaren stuurman moest het voorbij de ondiepten en klippen aan de oostzijde der reede sturen; want in plaats van, zooals anders, om het eiland Antirrhodus te varen, zette het koers tusschen dit en de Lochias in, en naderde zóó in rechte lijn den ingang van de kleine koninklijke haven. Aan weerszijden daarvan werd in de pekpannen nieuwe hars en werk aangebracht om den weg beter te verlichten, en de menschen die aan wal stonden, konden nu duidelijk het schip onderscheiden.
Het was de Antonias, en toch weder de Antonias niet. De zegelbewaarder Zeno, die naast Iras stond terwijl zij haar mantel dichter om haar heen sloeg, maakte haar daarop opmerkzaam en fluisterde haar in het oor: »Het heeft iets van een vrouw die haar ouderlijk huis in bruidstooi heeft verlaten, en nu als een arme weduwe daarin terugkomt.”
Bij deze woorden richtte Iras zich in haar volle lengte op,en antwoordde scherp: »Of van de zon, die door de nevelen omsluierd is, maar binnen korten tijd weder zoo heerlijk stralen zal als ooit.”
»Dat hebt gij mij uit het hart gesproken,” zeide de oude hoveling met warmte, »voor zoover het de Koningin betreft. Ik bedoelde natuurlijk niet haar, maar het schip. Gij waart ziek, en kondt dus niet zien hoe rijk met bloemen gesierd het was, toen de purperen zeilen geheschen werden, en het vertrok. En nu! Zelfs bij dit onzekere flikkerlicht kan men zien welk een schade het geleden heeft. Gij behoeft mij waarlijk niet te herinneren dat onze Cleopatra-zon hare oude kracht spoedig weer herwinnen zal, maar voor het oogenblik is het hier aan het water en in dien storm recht ijzig koud, en als ik aan het eerste wederzien denk....”
»Ach, was dit maar voorbij!” mompelde Iras, en wikkelde zich nog meer in haar mantel. Op eens overviel haar een huivering, want het kletterend geluid der zware kettingen die van den havenmond werden weggenomen, klonk akelig door de nachtelijke stilte, het was alsof een nachtmerrie alle aanwezigen benauwde, want het houten gevaarte, dat nu de haven binnenliep, kwam langzaam en stil als een spookschip nader. Er scheen geen leven meer te zijn op dat reusachtige, van menschen wemelende vaartuig, alsof de geheele bemanning aan een vreeselijke pestziekte bezweken was. Nu en dan een kommando en seinfluit der roeiers was het eenige teeken van leven aan boord. Op het onafzienbaar lange dek brandden slechts enkele lantaarns, omdat de schitterende verlichting die het anders had, de blikken van alle Alexandrijnen zou getrokken hebben.
Thans was het vlak bij de aanlegplaats gekomen. De toeschouwers volgden iedere beweging in ademlooze spanning, en zoodra het eerste touw aan de slaven toegeworpen werd, drongen eenige mannen in Grieksch gewaad tusschen hen door.
Zij brachten een gewichtige tijding die geen uitsteldulddebij den Regent Mardion, die voor den zegelbewaarder en Iras stond, het somber gelaat naar den grond gericht. Hij dacht er over na in welke bewoordingen hij de Koningin zou aanspreken, en het was mogelijk dat Cleopatra reeds binnen enkele oogenblikken aan wal stappen zou. Niemand die den lichtgeraakten, grilligen man kende, zou het wagen hem hierin te storen. En toch deed dat de Macedoniër, die zoo even alle blikken tot zich getrokken had. Het was de nachtstrateeg, het welbekende hoofd der politie van de stad.
»Een enkel woord slechts, heer,” fluisterde hij den Regent toe, »al komt het u op dit oogenblik ongelegen.”
»Dat komt het werkelijk zéér,” antwoordde Mardion streng.
»Laat ons maar zeggen even ongelegen als uwe spoedige uitspraak noodzakelijk is. De koning Cæsarion en Antyllus hebben met eenige makkers een vrouw aangevallen. Zij hadden hun gezicht zwart gemaakt, en er is gevochten. Cæsarion en de geleider der jonge vrouw, een man die zeer gezien is in den Raad, zijn licht gewond. Te rechter tijd kwamen er lictoren bij. De jonge lieden worden aangehouden. Eerst weigeren zij hunne namen op te geven....”
»Cæsarion licht gewond? Toch niet gevaarlijk?” vroeg nu de Regent ongeduldig.
»Dat niet. Zoo spoedig mogelijk wordt de arts Olympus ontboden. Hij vindt een gat in het hoofd. De aangevallene had hem in den strijd onzacht op de straatsteenen geworpen.”
»Dat was Dion, de zoon van Eumenes,” zeide Iras, die oplettend toegeluisterd had, »en de vrouw is: Barine, de dochter van den schilder Leonax.”
»Wist gij dat reeds?” vroeg de nachtstrateeg verbaasd.
»Dat schijnt zoo,” antwoordde de Regent, en zag daarbij het meisje veelbeteekenend aan. En terwijl hij zich meer tot haar dan tot den Macedoniër richtte, voegde hij er bij: »Mij dunkt, wij moesten de jonge boosdoeners in vrijheid stellen en zoo stil mogelijk naar de Lochias brengen.”
»Naar het paleis?” vroeg de beambte.
»Natuurlijk,” verzekerde Iras. »Ieder naar zijn eigen vertrekken. Daar moeten zij dan afwachten wat er van komt.”
»Het overige eerst na de verwelkoming,” voegde de Regent er bij, en de nachtstrateeg verliet hem met een zelfbewusten groet.
»Al weder een onheil!” zuchtte Mardion.
»Jongensstreken,” liet Iras er snel op volgen. »Maar nog erger rampen, als die bestaan, zouden minder dan niets zijn zoolang zij ons maar niet duidelijk voor den geest staan. Dit onaangename voorval moet voor de Koningin verzwegen blijven. Het is nu nog maar een kleinigheid, en dat moet het blijven. Het staat in onze hand den vergiftigen boom, waarvan het de vrucht is, met wortel en tak uit te roeien.”
»Gij ziet er uit, alsof niemand dat beter zou doen dan gij,” zeide de Regent, »en daarom draag ik het bij dezen aan u op. Het is het laatste, wat ik in de afwezigheid der Koningin te bevelen heb.”
»Het zal niet ontbreken aan mijn ijver,” verzekerde zij.
Nu zag zij naar de landingplaats en ontwaarde Archibius, die daar alleen en zich in zich zelven gekeerd naar den grond staarde. Een oogenblik dacht zij er aan haar oom te vertellen wat zij zoo even had gehoord; maar spoedig kwam zij van haarvoornemen terug, en van de fijne lippen klonk het vastberaden: »neen!”
Haar vriend was een steen op haar weg geworden, en als het dan zoo zijn moest, zou zij wel middelen vinden om ook hem uit den weg te ruimen, in weerwil van zijn zuster Charmion en de oude banden die hem aan Cleopatra hechtten. Hij was zwak geworden met de jaren, doch Charmion was dat altijd geweest. Ware Iras' harteleed niet zoo groot geweest, dan zou zij nu tijd genoeg gehad hebben, reeds nu te bedenken hoe zij datbewerkstelligenzou.
Toen het groote admiraalschip reeds vastgemeerd lag, duurde het nog eenige minuten eer de eersten die het verlieten, den steiger betraden. Dat waren twee pastophoren16)van Isis, die den beker van Nektanebus, die tot de tempelschatten der godin behoorde, bewaakten en in een beschilderde kist droegen. Op deze volgde de eerste kamerdienaar van Cleopatra. Hij meldde met gedempte stem de komst der Koningin, en gaf bevel om ruimte voor haar te maken. Van de landingsplaats tot aan de poort van het Bruchium en die aan de noordzijde, tegenover de paleizen op de Lochias, werd een dubbele rij fakkeldragers opgesteld, want men wist niet waar Cleopatra aan wal stappen zou. De kamerdienaar verzekerde intusschen dat zij althans dezen nacht zou doorbrengen op de Lochias, waar hare kinderen woonden, en hij beval dat men de meeste fakkels uitblusschen zou.
Mardion, de zegelbewaarder, Archibius en Iras stonden vóór al de overigen bij de brug, toen er eindelijk beweging ontstond op het schip, en de Koningin verscheen, voorafgegaan door eenige lantaarndragers, en met een groot gevolg van hofbeambten, pages, kamervrouwen en slavinnen.
Met haar kleine hand op den arm van Charmion, trad zij met hoog opgericht hoofd aan land. Een dichte sluier bedekte haar hoofd en aangezicht, een donker wijd opperkleed haar tengere gestalte. Doch hoe veerkrachtig was nog altijd haar tred, hoe trotsch en bevallig haar houding en gang, terwijl zij Mardion en Zeno een groet toewuifde.
Aan Iras, die voor haar op de knieën gevallen was, stak zij hare hand toe, ten teeken dat zij op moest staan, en terwijl zij haar op het voorhoofd kuste, fluisterde zij: »Hoe is het met de kinderen?”
»Alles goed,” antwoordde het meisje zacht.
Daarop begroette de aangekomene ook de anderen met eenminzaam handgebaar, maar zij sprak niemand toe, alvorens de Regent naderbij trad om het woord tot haar te richten. Met een kort: »Dat later!” ging zij hem echter voorbij. En toen Zeno het portier van haar draagkoets opende, klonk het met gedempte stem: »Ik ga te voet. Na al dat dobberen op de golven, kan ik mij van geen draagstoel bedienen. Er is nog veel te overleggen, en onderweg is mij iets ingevallen. Ik moet den haven-admiraal en zijn voornaamste raadslieden, de krijgsbevelhebbers, en de bestuurders der land- en zeemacht bij mij zien; vooral ook den aristarch en Gorgias. Er is haast bij. In twee uur, neen, in anderhalf, moeten zij hier zijn. Ik moet hunne plannen en kaarten van de Oostelijke grens nazien. Vooral de vertakkingen der rivier en de kanalen van de Delta zijn van belang.”
Vervolgens wendde zij zich tot Archibius, die bij den draagstoel stond, en legde haar hand op zijn arm. De sluier verhinderde hem den glans harer oogen te zien, maar toch was het hem op dit oogenblik alsof die hem wonderbaar toeblonken, terwijl zij hem met die welluidende stem, die reeds zoo menigmaal zijn ziel had gevangen, toeriep: »Laat ons voor een gunstig voorteeken houden, datgijhet weder zijt, die mij in dezen moeilijken tijd naar het paleis brengt.”
Hij antwoordde met warmte: »In welken tijd ook, altijd, altijd behooren deze arm en dit leven u toe.” »Dat wist ik”, liet de Koningin op een toon van vaste overtuiging daarop volgen.
Zij liet hare hand nog op zijn arm rusten terwijl zij verder ging, en hij vroeg haar of er werkelijk aanleiding was om van moeilijke dagen te spreken; maar zij viel hem in de rede en zeide: »Nu niet. Laat ons daarover zwijgen. Het is erger dan erg—zoo slecht als het kan. Maar neen, dat is niet waar, want het is maar weinigen vergund te steunen op een zóó trouwen arm als de uwe.”
Hij voelde daarbij hoe haar kleine hand zacht zijn arm drukte, en op dat oogenblik was het of zijn hart weder geheel jong werd. Spreken mocht hij niet, want haar wensch was bevel, en zoo liepen zij zwijgend verder, eerst langs den zeekant, toen door de havenpoort, en eindelijk over de marmeren steenen, die naar het koninklijk paleis leidden. Het was Archibius te moede alsof hij, in plaats van naar het gesluierde hoofd der Koningin, opzag naar het met blonde krullen omgeven kopje van een gelukkig kind. Hij zag in den geest weder de kleine meesteres van den Epicuristentuin. Hij zag den blik uit hare groote blauwe oogen, die niet ophield te vragen, en die toch reeds het geheim dezer wereld scheen te verstaan. Hij geloofde weder den zilverhelderen klank harer stem en den betooverendenkinderlach te hooren, en hij moest zich geweld aandoen om niet te vergeten wat er nu van haar geworden was.
Door dit alles aan het tegenwoordige ontrukt, en toch met het besef dat hij in dezen moeilijken tijd de gunst van het lot genoot, ging hij naast haar voort, en geleidde haar door het hoofdportaal tot in het binnenhof van het paleis. Op den achtergrond opende zich de hooge poort, die toegang gaf tot de woonkamers en feestzalen der Koningin, en waar reeds de Regent, Iras, en hare begeleiders gereed stonden om haar te ontvangen. Links was nog een kleinere deur, waardoor men in het verblijf der kinderen kwam.
Archibius was van plan Cleopatra te vergezellen over het verlichte binnenplein, maar zij wees op de poort van den vleugel der prinsen, en hij begreep haar.
Op den drempel liet zij zijn arm los, en toen hij met een diepe buiging heen wilde gaan, zeide zij vriendelijk:»Daar staat Charmion reeds. U beiden komt het toe mij dáárheen te geleiden waar de jeugd droomt, en zielsrust zonder smart gevonden wordt. Ik geloof dat gij uit eerbied voor de Koningin elkander nog niet als broeder en zuster hebt verwelkomd, na zulk een lange scheiding. Doet dat dan nu, en komt daarna met mij mede.”
Met jeugdig-vluggen tred ging zij het atrium binnen en daarna de trap op, naar de slaapkamer der prinsen en prinsessen.
Archibius en Charmion deden wat zij gezegd hadden. Zij omarmden elkander hartelijk, en zij deelde hem in enkele woorden en met de oogen vol tranen mede, dat alles verloren scheen te zijn. Antonius had gehandeld op een manier, waarvoor zij geen woorden en geen afkeuring genoeg had. Waarschijnlijk zou hij Cleopatra wel spoedig volgen;—de vloot, en misschien ook het leger waren geheel vernietigd. Haar lot berustte in de handen van Octavianus.
Nu ging zij hem vooruit de trap op. Daar stond Iras, en naast haar een Syriër van lange gestalte, die in het oogvallend geleek op Philostratus, den voormaligen echtgenoot van Barine. Het was diens broeder Alexas, de vertrouwde gunsteling van Marcus Antonius, bij wien nu ook zijn plaats moest geweest zijn, en Archibius vroeg met een snellen blik aan zijn zuster, hoe deze man bij de Koningin kwam?
»Zijn kunst om in de sterren te lezen,” was het antwoord, »en zijn vleiende tong. Hij is een indringer van de ergste soort, maar hij bewijst haar veel dienst en geeft haar afleiding; vandaar dat zij hem bij zich houdt.”
Zoodra Iras had gezien waarheen Cleopatra hare schreden richtte, was zij haar nageijld om met haar mede naar de kinderente gaan. De Syriër Alexas had haar slaande gehouden, om haar te verzekeren van zijn blijdschap dat hij haar wederzag. Reeds vóór de oorlog begon, had hij haar duidelijk zijne liefde doen blijken, en gedurende de lange scheiding was hij te haren opzichte niet bekoeld. Evenals bij zijn broeder, was ook bij hem het hoofd te klein in verhouding tot het lichaam, doch in het welbesneden gelaat blonken een paar oogen, waaruit groote scherpzinnigheid sprak.
Ook Iras zelve scheen verheugd bij het wederzien van den gunsteling, doch vóór Archibius en zijn zuster de trap op waren, liet zij hem staan om Charmion, hare tante, met de teederheid van een dochter te omarmen.
In de voorzaal van de woning der prinsen vonden zij de Koningin. De gouverneur van de kinderen, Euphronion, wachtte haar daar reeds op, en deed spoedig en in de meest vleiende bewoordingen allerlei verrassende mededeelingen omtrent de kinderen en de verwonderlijke gaven, waarmede zij bedeeld waren. Steeds duidelijker toonden zich die bij ieder afzonderlijk, nu eens als erfenis hunner moeder, dan weder als die van hun vader.
Cleopatra viel hem te midden van dien woordenstroom dikwijls in de rede, en trachtte daarbij den sluier dien zij om haar hoofd droeg los te maken, maar dat wilde aan de kleine handen, die aan zulk werk niet gewoon waren, maar niet gelukken. Zoodra Iras dat bemerkte, was zij zoo vlug als zij kon de trap opgegaan en bevrijdde haar nu met hare fijne handige vingers van het lange kanten weefsel.
De Koningin dankte haar met een genadigen hoofdknik, doch toen de opper-eunuch de deur van de slaapkamer der kinderen opendeed, riep zij alleen Archibius en Charmion vriendelijk toe: »Komt mede!” De gouverneur, die de slaapkamer toch steeds aan de eunuchen en de vrouwen moest overlaten, trok zich terug, en Iras gevoelde zich zeer beleedigd dat zij van dit bezoek uitgesloten werd. Zij verschoot van kleur, en hare dunne lippen klemden zich vaster op elkander. Zij tuurde daarbij zoo strak naar den mozaïeken vruchtkorf aan hare voeten, alsof zij de kersen daarin tellen moest. Plotseling streek zij het krullende haar van haar hoog voorhoofd weg, liep snel de trap af, en riep den pas aangekomen Alexas aan, die juist het atrium verlaten wilde.
De Syriër kwam dadelijk bij haar, en prees zich gelukkig dat in dezen nacht voor de tweede maal zijn zon voor hem opging. Doch zij viel ongeduldig in: »Geen dwaze vleierijen op dit oogenblik! Het zou voor ons beiden beter zijn in vollen bitteren ernst bondgenooten te zijn en te blijven. Ik voor mij ben daartoe bereid.”
»En ik dan!” riep de Syriër in verrukking uit, en drukte de hand op zijn hart.
Intusschen was Cleopatra in het vertrek gekomen waar de kinderen sliepen. Het was een hooge zaal met veelkleurige tapijten behangen, terwijl drie lampen van lichtrood glas er een zacht licht verspreidden. Er heerschte een diepe stilte. Door een boog, die op zuilen rustte van bont Libysch marmer, werd het ruime vertrek in tweeën gedeeld. In het eene stonden dicht bij het hooge, door gordijnen afgesloten venster, twee bedden van ivoor, rustende op den rug van gouden kinderfiguren. Aan het hoofdeinde prijkten kronen van goud en zilver bezet met paarlen en turkooizen, en in den geheelen rand van elpenbeen had een kunstvaardige hand dartele kleine geniën gesneden, dansende bij het gezang der vroolijke vogels in de bloeiende struiken.
Een zwaar gordijn hing tusschen de beide bedden, doch de eunuchen hadden dat bij de komst der Koningen opgetrokken. Nu kon zij beide met één blik overzien, en het was een liefelijk beeld van zeldzame bekoorlijkheid, want op die fraaie legersteden sluimerden de tienjarige tweelingen die Cleopatra Antonius geschonken had: Antonius Helios en Cleopatra Selene. Het meisje blank en rood, blond en van groote bevalligheid, de knaap niet minder schoon, doch met gitzwart haar, evenals zijn vader. Beide gekrulde hoofdjes lagen op zijde en rustten op de hand, die in het zijden kussen was gedrukt.
Op een derde bed, aan de andere zijde van den boog, sliep Alexander, de jongste prins, een aardige zesjarige knaap, de lieveling der Koningin.
Nadat zij een geruime poos van den aanblik der tweelingen had genoten, en ieder een zachten kus had gedrukt op de wangen die gloeiden van den slaap, keerde zij zich naar haar jongste,en zonk bij zijn bedje neer alsof een visioen, dat de hemel haar op dit oogenblik te zien gaf, haar drong de knieën te buigen. De tranen stroomden uit hare oogen, terwijl zij het kind behoedzaam naar zich toe trok, het kuste op mond, oogen en wangen, en het toen weder zachtjes op de kussens legde. Maar de knaap kon niet weder dadelijk in slaap komen; hij sloeg de ronde armpjes om den hals zijner moeder, en mompelde daarbij eenige onverstaanbare woorden. Met genot liet zij dit toe, totdat de slaap hem weder overmande en zijne handjes terugvielen op het bed.
Nu drukte zij haar voorhoofd een oogenblik op het elpenbeen van het ledikant. Zij bad voor dit kind en zijne broeder en zuster. Toen zij weder opstond, waren hare wangen nat van tranen, en zij drukte de hand op haar borst. Daarop wenkte zij Charmion en haar broeder om naderbij te komen, wees hen eerst op denkleinen Alexander, toen op de tweelingen, en zeide, daar zij beider oogen vochtig zag: »Ik weet het wel, gij beiden ontbeert dit geluk om mijnentwil. Voor een van deze kinderen zou een groot rijk mij niet te duur zijn, voor hen allen.... wat is er in de wereld, dat ik voor hen niet zou willen opofferen? Maar wat is er nog, dat ik het mijne kan noemen?”
Bij deze vraag werd haar lachend gelaat plotseling verduisterd. Zij dacht weder aan den verloren slag. Haar eigen macht was verspeeld, verloren, en de vrijheid van het vaderland dat zij liefhad, verbeurd. Reeds strekte Rome de hand er naar uit, om het als een nieuwe provincie bij de overigen te voegen. Doch dat mocht niet zoo zijn! Het tweelingpaar dat daar rustte onder de kronen, moest die eenmaal mogen dragen. En die knaap daar op het kussen? Antonius had reeds zoovele rijken weggeschonken; wat bleef haar thans nog te geven over?
Nog eens boog zij zich over het kind. Er moest een schoone droom op hem nedergedaald zijn, want hij glimlachte in zijn slaap. Een warme stroom van moederliefde welde eensklaps op in haar ontroerd gemoed, en toen zij zag hoe ook de speelmakkers harer jeugd met aandoening en teederheid neerzagen op den kleinen slaper, dacht zij aan haar eigen kindsheid en aan het stille geluk dat zij gesmaakt had in haar Epicuristen-tuin.
Macht en grootheid waren voor haar eerst begonnen toen zij dien had verlaten; maar naar mate die hooger geklommen waren, scheen het gevoel der zaligheid, die zij eenmaal genoten, en waarnaar zij altijd terugverlangd had, des te verder verwijderd en des te moeilijker terug te bekomen. Terwijl zij op dit oogenblik het slapende kind, dat nog geen smart of onrust kende, in het vredig glimlachende gelaat zag, was het alsof al de liefde van haar hart in vollen stroom hem tegengolfde, en de vraag kwam bij haar op, of niet misschien juist deze knaap, voor wien zij geen kroon meer had, bestemd was de eenige gelukkige van allen te worden,—gelukkig, in den zin zooals de meester had bedoeld.
Onder den diepen indruk dezer gedachten wendde zij zich tot Archibius en Charmion en zeide, om de slapenden niet te wekken, op zachten toon: »Wat er ook over ons beschikt moge worden, dit kind beveel ik aan uwe bijzondere liefde en zorg. Wanneer het lot hem den glans der kroon en het trotsche gevoel van macht ontzegt, leert gij hem dan dat hoogere geluk kennen, dat—hoe lang is het reeds geleden!—uw vader aan zijne moeder ontvouwde.”
Tot antwoord drukte Archibius een kus op haar gewaad en Charmion op hare handen, maar Cleopatra haalde diep adem, en zeide: »Reeds te lang liet de Koningin de moeder aan het woord.Ik had verboden dat men Cæsarion van mijne aankomst verwittigen zou. Dat was ook goed. Vóór dat ik hem wederzie, moeten de gewichtigste zaken afgehandeld zijn. Binnen een uur moet ik geheel en al den Staat toebehooren. Maar eerst.... behalve moeder en Koningin, ben ik ook nog iets anders. Ook de vrouw heeft hare rechten. Tot morgen mijn vriend, als ik tijd voor u vind! Eerst naar mijn slaapkamer, Charmion. Doch gij hebt de rust meer noodig dan ik. Ga met uw broeder mede, en zend mij Iras. Zij zal blijde zijn als zij voor hare meesteres weder eens haar vaardige handen gebruiken mag!”
16)Aegyptische priesters.
De Koningin had het bad verlaten, en Iras had haar altijd nog zwaar, golvend donkerbruin haar in orde gebracht, en hielp haar nu met het prachtgewaad, waarin zij de beambten ontvangen wilde, die zij nog in dit nachtelijk uur wachtende was.
Zij had zich verwonderlijk goed gehouden. De tijd scheen het niet te hebben gewaagd de hand te slaan aan dit volmaakte toonbeeld van vrouwelijke gratie. Maar het scherpe oog der Grieksche ontdekte toch hier en daar een spoor van het verdwijnen der betooverende jeugd. Zij had hare gebiedster hartelijk lief, en toch kwam er een heimelijk gevoel van blijdschap in hare ziel op, zoo menigmaal zij bij haar denzelfden achteruitgang opmerkte, die zich ook reeds bij haar zelve eenigszins vertoonde, ofschoon zij eerst zeven en twintig jaren oud was. Zij zou in staat zijn aan Cleopatra alles af te staan wat zij bezat, maar het was alsof zij de natuur moest prijzen voor hare rechtvaardigheid, zoo dikwijls zij bespeurde dat zij de algemeene wet niet geheel ophief ten gunste van haar koninklijke lieveling.
»Nu geen vleierij,” verzocht Cleopatra met een weemoedigen glimlach. »De menschen zeggen dat de werken der Pharao's hier aan den Nijl spotten met den tijd. Maar dat laat die onverbiddelijke zich niet welgevallen van de Koninginnen van Aegypte. Dit zijn grijze haren, en die zijn afkomstig van mijn hoofd, hoe ijverig gij dat ook moogt tegenspreken. En dan die rimpels aan de ooghoeken op mijn voorhoofd, van wie zijn die anders dan van mij? En dan die tand, dien de lip toch niet zoo vriendelijk bedekt als gij beweert? Het was op den avond vóór den ongelukkigen slag dat hij die schade leed. Mijn lieve, trouwe, bekwame Olympus, de arts der artsen, is de eenige die iets dergelijks onzichtbaar weet te maken. Maar ik kon dien grijsaard toch niet mede in den oorlog nemen, en Glaucus is veel minder handig dan hij. Hoe miste ik den ouden man in die noodlottige uren! Ik leek in mijn eigen oogen een monster, en hij....Antonius' oogen zien dergelijke dingen maar al te goed. Wat is de liefde van mannen? Een slechte tand kan daar afbreuk aan doen. Eén kleinigheid die hun kritischen blik mishaagt, giet water op het heetste vuur. Toen had ik moeilijke uren te doorworstelen, Iras! Menige blik van hem was als een beleediging voor mij, en dan daarbij nog die martelende onzekerheid. Ik voelde dat er iets tusschen ons gekomen was, daar was geen twijfel aan!
»Het begon al spoedig, nadat hij Alexandrië verlaten had. Het knaagde als een worm aan mijn ziel, en nu ik weder hier ben, moet ik weten wat het is. Ik weet, dat hij mij binnen weinige dagen volgen zal. In Parætonium waarheen hij zich begeven heeft, is Pinarius Scarpus nog met versche troepen gelegerd. Te Tænarum had hij zich voorgenomen de wereld die hem zooveel geschonken heeft vaarwel te zeggen, want hij haat haar, omdat hij haar reden gegeven heeft het hoofd over hem te schudden.... Maar de oude geest begint al weder te ontwaken, en als de Fortuin hem weder even gunstig wordt als van ouds, dan voegt zich weldra een groot leger bij het nieuwe uit Afrika. De Aziatische vorsten.... maar het is waar, de beheerscheres van den Staat moet zwijgen. Ik ben in dit vertrek gekomen met het voornemen om aan de vrouw te geven wat haar toekomt, en dat zal zij ook hebben! Hij zal spoedig hier zijn, want hij kan zonder mij niet leven. Het is niet enkel de beker van Nektanebus, die hem tot mij aantrekt!”
»Toen de grootste onder de grooten, toenJuliusCæsar te Alexandrië naar uwe liefde dong en Antonius aan den Kydnos,” merkte Iras op, »toen hadt gij nog niets van die bokaal gehoord. Eerst twee jaren geleden veroorloofde Anubis u om het wonderbare voorwerp uit de schatten van den tempel te leenen, en binnen weinige dagen zijt gij gehouden die terug te geven. Dat van den beker een geheime invloed uitgaat, is zeker, maar gij zelve bezit in uw persoon een nog veel grooter toovermacht.”
„Indien die dan heden nog eens toonde wat zij vermag!” riep de Koningin uit. »In ieder geval heeft Antonius zich door de kracht van den beker tot allerlei dingen laten overhalen. Ik ben ook niet ijdel genoeg om te denken, dat het alleen liefde, de tooverkracht mijner persoonlijkheid was, die hem in dat ongelukkig uur tot mij trok. Ach, die slag, die onbegrijpelijke, schandelijke nederlaag! Gij waart ziek in dien tijd, en kondet onze vloot bij het uitzeilen dus niet zien: maar alle kenners zeiden, dat er nooit fraaier en grooter schepen geweest waren. Ik was in mijn recht toen ik vast geloofde dat aan haar de beslissing zou blijven. Ik mocht haar immers de mijne noemen. Indien wij gezegevierd hadden, met welk een trots zou ik dantot mijzelve gezegd hebben: uwe wapenen hebben den geliefden man de heerschappij over de wereld verschaft! In de sterren had ik bovendien gelezen dat op de zee het geluk ons was weggelegd. Aan Anubis die hier, en Alexas, die op het schip van Antonius was, hadden zij hetzelfde verkondigd. En ook vertrouwde ik op de macht van den beker, die Antonius reeds zoo dikwijls genoopt had tot iets waarvan hij vroeger afkeerig was. Om al die redenen zette ik het plan, om de vloot over ons lot te laten beslissen, door. Maar het was verkeerd!Hoeverkeerd, zou spoedig genoeg blijken!
»Had men mij maar vroeger, toen het nog tijd was, medegedeeld, wat ik later vernam! Na de nederlaag sprak ieder zich meer uit. Dat ééne woord van een veteraan onder de bevelhebbers van het voetvolk, zou al genoeg zijn geweest mij de oogen te openen. Hij vroeg Marcus Antonius, waarom hij toch al zijn hoop vestigde op het zwakke hout, en riep daarbij uit: »Laat Pheniciers en Aegyptenaars te water strijden, maar laatonshet land, waarop wij gewoon zijn te overwinnen of te sterven!” Dat alleen, durf ik zeggen, zou mij te rechter tijd van gevoelen hebben doen veranderen. Doch het werd mij verzwegen.
»De slag begon toen de onzen hun geduld reeds verloren hadden. De linkerlinie van de vloot kwam het eerst op. In het begin zag ik den strijd aan met spanning en een kloppend hart. De groote schepen bewogen zich trotsch vooruit. Alles ging voortreffelijk. Antonius hield een toespraak, en verzekerde de strijders dat onze vaartuigen, zelfs zonder hun toedoen, door hun grootte en hoogte alleen, noodlottig voor den vijand moesten worden. Waar vind men een redenaar die zóó zijne toehoorders medesleept? Ik was dan ook geheel zonder vrees. Hoe zou men zich kunnen verontrusten, wanneer men zoo zeker de overwinning verwacht? Toen hij een oogenblik te voren op zijn admiraalsschip gegaan was, en mij minder hartelijk dan anders vaarwel gezegd had, was het mij veel angstiger te moede geweest, want ik dacht toen duidelijk te merken dat zijn liefde verkoelde. Wat was er ook niet van mij geworden, sinds wij uit Alexandrië gingen, en Olympus niet meer voor mij zorgde! Zóó kon het niet duren. Ik wilde het oorlogvoeren aan hem alleen overlaten, en hem zelve niet onder de oogen komen. Het is waar, nog altijd, als hij in den beker van Nektenebus keek, deed hij wat ik wenschte, maar niet zelden geschiedde dat met tegenzin. Die duidelijk zichtbare, door niets te verwijderen rimpels en de jaren, die wreede jaren!”
»Wat zijn dat voor gedachten!” riep Iras uit. »Laat mij u zweren, gebiedster, dat gij, zooals gij daar vóór mij staat....”
»Dat ben ik aan deze toilettafel en de nieuwe middelen van Olympus in deze doozen verschuldigd! In dien tijd, zeg ik u, kon ik schrikken van mijzelve. Het verdriet maakt iemand ook niet schooner, en hoe hadden de Romeinen zich niet uitgelaten over de vrouw die zich mengde in den oorlog, die het werk der mannen moet zijn! Ik antwoordde in denzelfden geest, doch ik wilde het niet langer dulden. Ik had al lang van te voren besloten niet bij den slag te land te zijn, maar, hoewel de kans toen goed scheen te staan; reeds bij het begin van het gevecht, werd ik er toe gedreven, Antonius te verlaten en naar mijne kinderen terug te keeren. Die vragen niet naar de kleur van het haar en de rimpels in het voorhoofd hunner moeder. En hij—zoodra hij te vergeefs naar mij zou uitzien zou hij eerst voelen wat hij in mij bezat. Hij zou mij missen en de oude liefde zou, tegelijk met het vurig verlangen naar mij, weder in zijn hart ontwaken. Zoodra de vloot de overwinning had behaald, wilde ik heengaan, het schip doen koers zetten naar het zuiden, en zonder afscheid naar Aegypte trekken, hem enkel toeroepend: »Tot wederziens in Alexandrië!”
»Ik riep Alexas, die bij mij gebleven was, en beval hem mij een teeken te geven, zoodra de strijd in ons voordeel beslist zou zijn. Ik zelf bleef op het dek. Ik zag hoe de schepen van den vijand een grooten boog beschreven. De nauarch17)zeide dat dit Agrippa was, die ons wilde omsingelen. Dat wekte reeds een vreeselijk voorgevoel bij mij op, en het begon mij al te spijten dat ik mij had ingelaten met dat mannenwerk.
»Antonius stond op het admiraalsschip en zag naar mij uit. Ik gaf hem een teeken om hem opmerkzaam te maken op het gevaar, doch in plaats van mij zooals vroeger, levendig en hartelijk terug te groeten, keerde hij mij den rug toe. Kort daarna hoorde ik een verschrikkelijk verward rumoer om mij heen. Het eene schip kwam in aanraking met het andere. Planken en ijzeren stangen braken met ijselijk gekraak. Het geschreeuw, gejammer en gesteun der vechtenden en gewonden vermengde zich met het gedreun der steenen die uit de catapulten vlogen, en den schellen toon der signalen die als noodkreten klonken. Vlak naast mij vielen twee krijgslieden door pijlen getroffen, op den grond. Het was ontzettend. Maar ik verloor niet den moed, zelfs niet toen een eskader—onder Aruntis—op onze vloot afkwam. Ik zag nog een geheele reeks andere schepen naderen, en ook hoe een Romeinsch vaartuig door een der mijne, dat ik Selene had genoemd, werd aangevallen, ter zijde overhelde en zonk. Dat verheugde mij, en scheen eenvoorteeken van de overwinning. Ik beval Alexas nog eens dat hij het schip moest doen wenden, zoodra aan den afloop niet meer te twijfelen viel. Terwijl ik dit zeide verscheen mijn dienaar Jason, dien gij wel kent, met eenige ververschingen. Ik nam een beker, doch ik had dien nog niet aan mijn mond gezet, toen de man met verpletterden schedel naast mij nederviel, en het vruchtennat zich vermengde met zijn bloed. Toen voelde ik dat mijn hart ophield te kloppen, en Alexas vroeg doodsbleek en met een bevende stem: »Beveelt gij, dat wij ons buiten het gevecht begeven?”
»Alles wat in mij was drong mij dit te doen, doch ik raapte al mijn geestkracht bijeen en vroeg eerst den nauarch, die vóór mij op de brug stond: »Is het voordeel aan onze zijde?” Hij antwoordde met overtuiging: »Ja!” Nu dacht ik dat de tijd gekomen was, en riep hem toe dat hij het schip moest omwenden en naar het Zuiden sturen. Maar de man scheen mij niet te verstaan. Het rumoer van den slag was dan ook steeds grooter geworden. Ik zond dus, in weerwil van Charmion, die mij smeekte niet op eigen gezag bevelen te geven, Alexas naar den bevelhebber op de brug. Terwijl hij met den grijzen zeeman sprak, die hem, ik weet niet wat toeschreeuwde, zag ik naar de omliggende schepen; ik kon niet meer onderscheiden of het vriend of vijand was, en terwijl al die rijen rustelooze roeiers vlak onder mijn oogen zich op en neder bewogen, was het alsof ieder schip een verbazend groote spin geworden was, en de lange houten roeiriemen haar pooten waren. Ieder van die ondieren scheen mij in zijn vreeselijk net te willen vangen, en toen de nauarch bij mij kwam om mij te bezweren dat ik blijven zou, gaf ik hem gebiedend te kennen dat hij mij te gehoorzamen had.
»De ongelukkige man boog, en deed wat zijne Koningin bevolen had. Het reuzenschip wendde den boeg, en baande zich een weg door al die verschillende vaartuigen heen. Ik haalde vrijer adem. De dreigende spinnenpooten werden weder roeiriemen. Alexas bracht mij onder een afdak, waar geen werptuig mij bereiken kon. Mijn wensch werd vervuld. Ik was onttrokken aan den blik van Antonius, en nu voeren wij naar Alexandrië en de kinderen terug. Toen ik eindelijk waagde nog eens om te zien, bespeurde ik dat ook mijne overige schepen mij volgden. Dat was niet mijn bedoeling, en ik schrikte niet weinig daarvan. Alexas was verdwenen. De centurio dien ik beval den nauarch te gebieden signalen te geven om de andere schepen te doen terugkeeren naar het tooneel van den strijd, antwoordde mij, dat men zoo even het lijk van den kapiteinhad weggedragen; doch mijn bevel moest daarom toch gehoorzaamd worden. Hoe men dat deed, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval werkte het niets uit, en mijn angstig wuiven kon men op dien afstand niet meer zien.
»Wij hadden het admiraalschip van Antonius, die altijd nog op de kommandobrug stond, achter ons gelaten. Terwijl wij dicht langs hem heen voeren, had ik hem gegroet. Op dat oogenblik kwam hij naar beneden, om mij, over de verschansing leunende, iets toe te roepen. Ik zie nog hoe hij zijn handen, tegen elkaar gelegd om een spreekbuis te vormen, aan zijn gebaarden mond bracht. Maar wat hij zeide, kon ik niet verstaan, en ik wees alleen naar het Zuiden, dezen kant uit, als het doel van mijn tocht. In gedachte wenschte ik hem de overwinning toe, en dat deze scheiding tot heil van onze liefde mocht dienen. Hij schudde het hoofd, drukte de hand tegen zijn voorhoofd als een wanhopige, en zwaaide met zijn armen, alsof hij mij een teeken wilde geven; doch de Antonius liet zijn schip steeds verder achter zich en hield recht op het Zuiden aan.
»In het heerlijk gevoel van een tweevoudig gevaar ontkomen te zijn, ademde ik vrijer. Indien Antonius mij lang voor oogen had gehad zooals ik toenmaals was, hij zou.... Maar welk een jammerlijke dwaling van een beklagenswaardige vrouw! zeg ik nu.... Op dat tijdstip kon ik nog niet vermoeden, welk een vreeselijk lot ik in dat uur over ons, onze kinderen, misschien over de geheele wereld had gebracht, en zoo bleef ik verdiept in zorgen en gedachten betreffende mijn eigen kleine wereld, totdat ik vele gewonden mij voorbij zag dragen. Dat gezicht deed mij pijn; gij weet immers hoe gevoelig ik ben, en hoe slecht ik de smart kan verdragen en mede aanzien.
»Charmion bracht mij in de kajuit. Daar werd het mij eerst recht helder wat ik had gedaan. Ik had gehoopt den gehaten vijand te helpen vernietigen, en nu was ik het misschien geweest die de brug gelegd had die hem leidde tot overwinning, heerschappij en tot vernietiging van ons zelven. Zulke gedachten vervolgden mij als de Erinnyen18), terwijl ik in de groote kajuitzaal op en neder liep.
»Plotseling kwam er leven op het dek. Een stoot, gepaard met een dreunend gekraak, scheen hetkolossaleschip te doen wankelen. Men vervolgt ons! Een Romeinsch schip entert het mijne! dacht ik, en greep reeds naar den dolk, dien Antonius mij ten geschenke gegeven had.
»Maar daar kwam Charmion met een bericht, dat nauwelijks beter was dan onnoodige vrees. Ik had haar toornig gelast mijte verlaten omdat zij mij al te oneerbiedig had willen overhalen mijn bevel tot den terugtocht in te trekken. Nu kwam zij mij doodsbleek mededeelen dat Antonius het admiraalsschip had verlaten, ons op een klein vijf-roeiersvaartuig gevolgd was, en zooeven bij ons aan boord was gekomen.
»Van schrik voelde ik mijn bloed verstijven. Daar komt hij, dacht ik, om mij te dwingen tot terugkeer naar den slag! Doch toen haalde ik diep adem, en een trotsch gevoel van eigenwaarde drong mij hem te toonen dat ik Koningin was, en alleen gehoorzaamde aan mijn eigen wil. Tegelijk echter voelde ik in mijn hart een neiging om aan zijn voeten te vallen en hem te smeeken geen acht te slaan op mij, doch alleen bevelen te geven, die tot de overwinning konden leiden.
»Hij kwam echter niet, en ik zond Charmion weder naar boven. Hij was niet in staat geweest van mij gescheiden den strijd door te zetten. Daar zat hij nu aan den ingang der kajuit met zijn hoofd in de handen, als een zinnelooze naar de planken van het dek te staren. Hij.... Marcus Antonius! De dapperste van alle ruiters, de schrik zijner vijanden—als een herdersknaap, wien door een wolf zijn schapen zijn ontroofd, liet hij nu zijn armen vallen. Marcus Antonius, de held die duizend gevaren had getrotseerd, had nu het zwaard weggeworpen! En dat waarom? Omdat een vrouw had toegegeven aan ijdele vrees, omdat zij naar het verlangen van haar moederhart geluisterd had en heengegaan was! De man, dien zijne vermetelheid dikwijls tot roekeloosheid had gebracht, was van alle menschelijke zwakheden het minst van lafhartigheid te beschuldigen... En nu?... Maar neen, duizendmaal neen! Eerder laten zich water en vuur vereenigen, dan Marcus Antonius en lafhartigheid. Hij stond onder de macht van een boozen geest, een geheimzinnige kracht dwong hem....”
»Ja, de sterkste van allen, de liefde,” viel Iras de spreekster hier vol vuur in de rede. »Een liefde, grooter en machtiger dan ooit de ziel van een man bedwongen heeft.”
»Zoo is het,” antwoordde Cleopatra met zachte stem.
Toen vloog er een spottende glimlach over hare lippen en een bittere twijfel klonk uit hare stem, terwijl zij voortging: »Ware het slechts die liefde geweest, die twee zielen tot één versmelt, die het hart van den een verplaatst in dat van den ander, en mijn zielsangst wellicht overgoot in zijne heldenziel!... doch neen! Vóór den slag waren er hevige stormen geweest, en dan is het niet altijd mogelijk ons zóó te toonen als wij zouden wenschen dat onze geliefde ons zag. En zelfs nu, nadat uwe vaardige hand het hare aan mij heeft gedaan..... dáárin den spiegel.... dat beeld—het schijnt mij nu slechts als goed onderhouden overblijfselen....”
»Maar gebiedster!” riep Iras uit, en hief daarbij hare handen smeekend op, »moet ik u nogmaals zweren, dat noch de grijze haren, die al lang weder bruin zijn, noch de enkele rimpels, die Olympus spoedig weder onzichtbaar zal maken, noch iets anders dat u misschien beangst, aan uwe schoonheid ook maar de minste afbreuk doet? Ik verzeker u dat de betoovering van uwe goddelijke schoonheid, van hare overwinning zeker....”
»Houd op!” riep Cleopatra. »Ik weet wat ik weet. Geen sterveling kan ontkomen aan de groote, eeuwige wetten. Even zeker als de geboorte de aanvang van het leven is, gaat alles wat leeft en bloeit, de verwelking tegemoet.”
»Maar,” zeide Iras, »de goden geven aan al hunne werken een verschillenden levensduur. Gij kent de waterlelie, die slechts één dag bloeit. Daarentegen staat de duizendjarige sycomore in den tuin van het Paneum nog altijd frisch en krachtig. Tot nu toe is geen blaadje van uw bloesem afgevallen, en zoudt gij dan gelooven dat de liefde van den man die alles voor u heeft opgeofferd, en die u geen week, geen dag meer missen kan, ook maar het minste verkoelen kan?”
»Had hij mij maar kunnen missen!” zeide Cleopatra smartelijk. »Maar weet gij zoo zeker dat het liefde was, die hem mij volgen deed? Ik ben van een ander gevoelen. De echte liefde verlamt niet, maar verdubbelt al wat groot is aan een man.Dat ondervond ik toen Caesar in dit paleis door een overweldigende overmacht ingesloten werd gehouden, zijn schepen verbrand werden, en het water afgeleid werd. Ook bij hem, bij Antonius mocht ik twintig—wat zeg ik? honderdmaal van dat heerlijke schouwspel genieten, zoo lang hij mij nog beminde met al de kracht van zijn vurige ziel. Doch wat bij Actium gebeurde? Die schandelijke vlucht van den doffer om de duif te achtervolgen, waarop het nageslacht nog na eeuwen met den vinger wijzen zal.... dat onzalige vergeten van plicht, eer, roem, het tegenwoordige en de toekomst,—wie niet dieper ziet, zal dat wel aan den waanzin der liefde toeschrijven, maar ik, Iras—en dat is het, wat al het haar op mijn hoofd zal doen wit worden, en het overschot der vroegere schoonheid van uwe meesteres in slapelooze nachten spoedig verwoesten zal—ik weet het beter! Het was geen liefde, wat Antonius drong mij te volgen; niet zij was het, die zijn schitterende, trotsche persoonlijkheid in het stof vertrad; niet zij dwong den halfgod het onbeduidende spoor te volgen van een voortvluchtige vrouw.”
Haar stem daalde; zij greep met vastheid de hand van het meisje, trok haar naar zich toe, en fluisterde haar in: »debeker van Nektanebus is er bij in het spel. Ja, schrik maar! De krachten, die van dit wonder-voorwerp uitgaan, zijn inderdaad even vreeselijk als onnatuurlijk. De magische toovermacht van de bokaal veranderde, zoo dikwijls ik hem daarin den blik liet slaan, den heldhaftigen afstammeling van Herakles, den bovenaardschen mensch, in een jammerenden bloodaard, in dien ineengezonken, gebroken man, dien ik terugvond op het dek. Gij zwijgt? Uw vlugge tong vindt nu geen enkel gepast antwoord. Gij zult ook nog niet vergeten zijn hoe gij mij de weddenschap hielpt winnen, die Antonius noodzaakte in den beker te zien, eer ik dien voor hem vulde. Hoe dankbaar was ik, toen Anubis eindelijk toe stond dat ik het wonderwerk uit den tempelschat een tijdlang houden mocht, toen de eerste proef gelukte, en Antonius op mijn bevel, den schoonen krans dien hij droeg, op het hoofd van den ouden, norschen leerling van Aristoteles, Dimodes zette, van wien hij in zijn ziel een afkeer had. Dat is nog geen jaar geleden, en gij weet hoe zelden ik in het begin de kracht van het vreeselijke voorwerp te hulp riep. Bovendien gehoorzaamde mijn geliefde toch ook wel den wenk mijner oogen. Doch later, vóór den slag.... dat was een verschrikkelijke tijd. Ik voelde dat hij mij, die alles bederven kon, gaarne naar huis teruggezonden zou hebben. Ik wist ook, zooals ik reeds zeide, dat er iets tusschen ons gekomen was. Doch hoewel hij dikwijls op het punt was mij aan de voortdringende Romeinen op te offeren—ik behoefde hem maar in den beker te laten zien, en toe te roepen: »Zend mij niet weg; wij behooren bij elkander. Waar een van ons heengaat, daar gaat de ander mede!” of hij smeekte mij, dat ik hem niet zou verlaten. Nog op den morgen vóór den slag, gaf ik hem den beker aan, en drukte hem op het hart, dat hij, wat er ook gebeuren mocht bij mij blijven moest. En hij heeft mij gehoorzaamd, al was zij, aan wie hij door tooverkracht gebonden was, een vluchtende vrouw. Het is ontzettend! Maar heb ik daarom het recht de toovermacht van den beker te vloeken? Neen! Want zonder dat blinkende voorwerp van den magiër—dat heb ik wel duizendmaal in slapelooze nachten mij zelve voorgehouden—zou hij in mijne plaats een andere mede op het schip genomen hebben. Ik geloof ook dat ik die andere wel ken. Ik bedoel de vrouw wier gezang, vóór ons vertrek, bij het Adonisfeest ook mijn hart heeft bekoord. Ik merkte bij die gelegenheid reeds op, hoe hij haar blik zocht. En nu weet ik zeker, dat het niet alleen mijn oude bedriegelijke vijandin de jaloerschheid was, die mij waarschuwde. Ook heeft Alexas, de trouwste van zijn getrouwen, mij alles bevestigd wat ik vreesde. Ach, hij deelde mij nogmeer mede, dat hij uit de sterren gelezen had! Hij kende de sirene ook wel, want zij is de vrouw van zijn eigen broeder geweest. Om zijne eer te redden heeft hij de behaagzieke Circe verstooten.”
»Barine,” klonk het beslist van Iras' lippen.
»Wist gij het reeds?” vroeg Cleopatra in spanning.
Het meisje hief nog eens hare handen smeekend naar de Koningin op, en riep uit:
»Ik weet van deze vrouw maar al te veel, en mijn hartkrimptineen, o gebiedster, als ik bedenk dat ook ik moet medewerken om dit uur zoo bedroevend voor u te doen zijn. Maar toch moet ik u alles bekennen. De geheele stad weet dat Antonius die zangeres heeft bezocht, en ook tot tweemaal toe zijn zoon bij haar heeft gebracht. Toch is dat nog niets, want een Barine mededingster van u! dat zou al te belachelijk zijn. Maar wat kan paal en perk stellen aan de begeerlijkheid van deze vrouw? Geen rang, geen leeftijd is haar heilig. Het was haar te stil in de afwezigheid van het hof en het leger. Er waren geen mannen genoeg die haar de moeite waard schenen, om tot zich te trekken en daarom lokte zij jongelingen naar zich toe, en geen liet zich sterker door haar boeien dan de Koning Cæsarion.”
»Cæsarion!” riep Cleopatra uit, en over hare bleeke wangen vloog een donkere blos. »En zijn gouverneur Rhodon? En mijn strenge bevelen?”
»Antyllus bracht hem heimelijk bij haar,” antwoordde Iras. »Doch ik hield mijne oogen open. De knaap vatte een hevigen hartstocht voor Barine op. Ik kon niet anders doen dan haar uit de stad te verwijderen, en Archibius heeft mij daarbij geholpen.”
»Dan behoeven wij haar niet verder weg te zenden.”
»Helaas ja! dat is toch nog noodig; want onderweg is Cæsarion met eenige makkers haar overvallen.”
»En gelukte die dwaasheid?”
»Neen, gebiedster. Doch ik wilde, dat zij gelukt ware. Een andere dwaas, die haar ook bemint, verdedigde haar. Hij verhief zijne hand tegen Cæsars zoon, en wondde hem. Stel u gerust, gebiedster. Ik bid u, ik bezweer u.... de wond is niet gevaarlijk! De hartstocht van den jongeling geeft meer reden tot ernstige bezorgdheid.”
De Koningin sloot hare roode lippen zoo vast op elkander, dat haar mond daardoor al de liefelijkheid die hij anders bezat, verloor, en zeide beslist en streng: »Het is de plicht der moeder, om haar zoon te beschermen voor de verleidster! Alexas heeft gelijk! Haar ster is in de baan der mijne gekomen. Dat zulk een vrouw een zwarte schaduw werpen kan op denweg eener Koningin! Daartegen moet gewaakt worden. Zij is het, die zich tusschen ons heeft geplaatst, die Antonius.... Maar neen! waartoe mij zelf een rad voor de oogen gedraaid? De tijd, en wat hij de vrouw aan bekoorlijkheid ontneemt, is machtiger dan twintig van zulke kleine verleidsters. En dan de omstandigheden, die verhinderen de schade te bedekken, die de meest verwende van alle oogen kwetste. Dat alles was in het voordeel van de zangeres. Ik zie het duidelijk! Haar stonden alle middelen ten dienste, die ons vrouwen helpen het onaantrekkelijke te verbergen, en te doen uitkomen wat het oog bekoort,—doch mij niet, terwijl ik u niet had, noch de beproefde kunst van Olympus. Het godenbeeld moest zich in den storm op het schip, aan haar aanbidder meer dan eens vertoonen zonder krans, hoofdtooi of wierook.”
»Maar gebiedster!” riep Iras. »Al had zij alle kunsten van Aphrodite en Isis te zamen te baat genomen, toch zou zij zich niet kunnen meten met u, die immers onvergelijkelijk zijt? Hoe weinig is er toe noodig om een jongen man, die nog half een kind is, het hoofd op hol te brengen!”
»Arme knaap!” zuchtte de Koningin, en schudde langzaam haar hoofd. »Ware hij niet gewond, en deed het niet zooveel pijn te ontberen wanneer men bemint, dan zou ik er mij in verheugen dat hij ook in staat is wakker te zijn en te handelen. Wellicht—o Iras, indien dat eens gebeurde! komt, nu de poort eenmaal opengebroken is, in dit evenbeeld van Cæsar wat het uiterlijk betreft, ook nog eens de geest en de kracht tot handelen van dien grooten man voor den dag. Evenals de Aegyptenaars Horus den „wreker van zijn vader” noemen, groeit uit hem misschien nog eens de verdediger en wreker van zijn moeder. Hij zal dien gluiperige Octavianus, den zusterszoon, die hem, den eigen zoon, het erfdeel ontstal, dat weder afnemen, zoodra Cæsars geest geheel in hem is ontwaakt. Durft gij mij zweren dat het slechts een lichte wond is?”
»Dat hebben de artsen mij verzekerd.”
»Welaan, dan mogen wij hopen! Dan mag hij in de wereld optreden. Wij moeten hem ruim baan maken om zijn eigen weg te gaan. Geen dwazehartstochtmag hem, als hij hersteld is, verhinderen om zijn vader te volgen naar de hoogte van roem en eer. Maar laat de vrouw die hem met hare netten omstrikt, de overmoedige, wier wenschen zich durven verheffen tot hen die mij het dierbaarst zijn, eens hier komen! Dan zullen wij eens zien welk een figuur zij maakt nevens mij!”
»Het zijn zware tijden,” klaagde Iras, verbaasd dat zij de groote oogen der Koningin eensklaps zag stralen, in het bewustzijn van haar zegepraal. »Gun aan uw voeten wat ze toekomt:doe ze haar vertreden! Er zijn op uwen weg reeds genoeg monsters, die gij met uwe schoenzool niet bereiken kunt. Als zich iets, in zulke dagen van strijd niet op zijde laat duwen, dan maar in den Hades er mede!”
»Bedoelt gij moord?” vroeg Cleopatra, terwijl haar edel voorhoofd zich fronste.
»Als het zoo zijn moet, ja!” antwoordde Iras met vastheid. »Zoo mogelijk verbanning op een eiland of naar een oase, maar zoo noodig, dan den arbeid in de groeve voor de sirene!”
»Zoo noodig?” herhaalde de Koningin. »Dat moet dus beteekenen: als het blijkt dat zij de allerzwaarste straf verdient.”
»Die heeft zij reeds op zich geladen, op het oogenblik toen zij mijne Koningin bedroefde. In de groeven vergaat iemand de lust om strikken te spannen voor mannen en jongelingen.”
»En daar kwijnt men onder vreeselijke pijnen weg, totdat de dood een einde maakt aan de ellende,” voegde Cleopatra er bij, op een toon van verwijt. »Neen meisje, deze overwinning is mij te gemakkelijk. Tot nu toe was het voordeel aan hare zijde, nu komt de beurt aan mij. Maar zelfs mijn vijand zou ik niet ter dood veroordeelen zonder hem te hooren, allerminst in dezen tijd, nu ik uit alles leer, wat het zeggen wil het oordeel af te wachten van een die machtiger is dan wij. Nu deze vrouw mij, als het ware zelve tot den strijd heeft uitgelokt, zal zij haar zin hebben. Ik verlang er al naar de zangeres weerom te zien, en de middelen te leeren kennen, waardoor het haar gelukte zoovelen,zooweljongelingen als bezadigde mannen, aan haar zegekar te hechten.”
»Gebiedster!” riep Iras vol ontzetting,»gij wilt toch niet...”
»Ja, ik wil,” viel Cleopatra haar gebiedend in de rede, »ik wil de dochter van Leonax, de kleindochter van Didymus, die ik beiden hoogschatte, spreken, eer ik over haar lot beslis. Ik wil een blik slaan in het hart en de gezindheid van mijn tegenstandster, en dan overwegen en rechtspreken, eer ik veroordeel. Ik wil den strijd met haar wagen, waartoe zij immers zelve de minnende vrouw en de moeder uitdaagde! Maar, het is mijn recht en ik zal er haar toe dwingen, dat zij mij zich zóó vertoont, zooals Antonius mij in deze laatste weken zoo dikwijls heeft gezien, niet schooner of jonger gemaakt door de kunst, waarover wij beiden beschikken.”
Zonder verder acht te geven op Iras, trad zij aan het venster, en ging met een snellen blik op den hemel, kalmer voort: »Het eerste uur na middernacht spoedt ten einde. Al dadelijk zal de beraadslaging een aanvang nemen. Zij betreft een poging, die nog veel zou kunnen redden. De zitting zal twee uur duren, misschien ook maar één. De zangeres kan nog wachten. Waar woont zij?”
»In het huis van haar vader, den schilder Leonax, naast den tuin van het Paneum,” antwoordde Iras met heesche stem. »Indien gij nog eenige waarde hecht aan mijn gevoelen, gebiedster.....”
»Op dit oogenblik raadpleeg ik niemand, doch eisch alleen dat mijne bevelen worden ten uitvoer gebracht!” riep de Koningin met vastheid uit. »Zoodra de verwachtte personen er zijn.....”
Juist kwam een kamerdienaar binnen, en meldde de aankomst dergenen, die zij bij zich geroepen had. Cleopatra liet hen zeggen, dat zij terstond bij hen verschijnen zou. Daarop wendde zij zich weer tot Iras, en gelastte haar, met een waren woordenvloed, onverwijld in gezelschap van een vertrouwd man in een gesloten wagen naar Barine te gaan. Iras zou wel begrijpen, dat zij onmiddellijk bij haar moest gaan, desnoods haar uit den slaap wekken. »Alsof de storm haar gedwongen had op het dek van het schip te gaan,” besloot zij, »zóó wil ik haar zien!”
Zij greep een tafeltje dat op de toilettafel lag, en kraste in vliegende haast in het was: »Koningin Cleopatra wenscht Barine, Leonax' dochter, onverwijld te spreken. Geen oogenblik talmens wordt haar gegund. Zij moet iedere opdracht van Iras, Cleopatra's afgevaardigde, en van haar geleider, stipt gehoorzamen.”
Daarna sloeg zij het tafeltje toe, gaf het aan het meisje over en vroeg:»Wien neemt gij mede?”
Zonder zich een oogenblik te bedenken, antwoordde Iras: »Alexas.”
»Goed,” zeide Cleopatra. »Geef haar geen oogenblik tot voorbereidende maatregelen, welke ook. Maar ik beveel u: vergeet niet, dat zij een vrouw is.”
Nu keerde zij zich tot den kamerdienaar, om dien te volgen, doch Iras snelde haar achterna, om de diadeem op haar hoofd terecht te zetten en nog eenige plooien van haar gewaad te verschikken.
Cleopatra liet dat toe, en zeide vriendelijk: »Ik zie dat gij nog iets op het hart hebt.”
»Ach, gebiedster!” riep het meisje uit.»Na al deze schokken, al deze maanden vol aandoeningen, maakt gij nu nog den nacht tot dag, en neemt nieuwe inspannende zaken op uwe schouders. Als Olympus, de arts.....”
»Dat kan niet anders,” viel Cleopatra haar met zachtheid in de rede. »De beide laatste weken waren één lange, donkere nacht. Slechts enkele uren verliet ik mijn legerstede. Wie iets dat hem het liefst is uit den stroom moet halen, vraagt niet hoe het koude bad hem bekomen zal. Gaan wij ten gronde, dan komt het er niet op aan of wij gezond of ziek zijn; gelukthet daarentegen een nieuwe strijdmacht te verzamelen, en Aegypte te redden, dan moge het ons gezondheid en het leven kosten. De minuten die ik van plan ben aan de vrouw toe te staan, tellen mede in dien koop. Wat er ook gebeure, ik ben bereid het tegemoet te gaan. Ik sta voor een gewichtig keerpunt in mijn leven. In zulk een tijd rekent men af met alle verplichtingen die men nog heeft, de groote zoowel als de kleine.”
Enkele minuten later nam Cleopatra plaats op haar troonzetel en verwelkomde de mannen, die door hare oproeping in hunne nachtrust waren gestoord, omdat zij hen een grootsch, verheven denkbeeld ter beoordeeling wilde voorleggen. Want midden in den grootsten tegenspoed was dit plan in haar rusteloozen geest ontstaan, door den wensch om den zegevierenden vijand nieuwen tegenstand te bieden.
Vele jaren geleden, toen zij volgens den wil van haar vader, den troon deelde met een knaap, en deze met zijn voogd Pothinus, haar gedwongen hadden uit Alexandrië te vluchten, had zij aan de oostzijde van de Delta, op de landengte die Aegypte met Azië verbond, de overblijfselen van een kanaal gevonden, dat ondernemende Pharao's in den ouden tijd gegraven hadden, om de Middellandsche Zee te verbinden met de Roode Zee.