TWAALFDE HOOFDSTUK.

Reeds toen had zij dit, nu bijna verdwenen werk haar aandacht waardig gekeurd. Vol belangstelling had zij de Aeanieten die daar woonden, uitgevraagd naar de overblijfselen van dezen waterweg, en zelfs eenigen daarvan, in den tijd toen zij toch niets anders kon dan afwachten, zelve bezocht. Daarna had zij het mogelijk geacht, door inspanning van alle kracht het kanaal weder bevaarbaar te maken, dat de Pharao's reeds hadden gebruikt, om met hunne schepen van de eene zee in de andere te komen. De eerste Darius, de stichter van het Perzische wereldrijk had het, nog geen vijfhonderd jaren geleden, reeds ter beschikking van zijn vloot gesteld.

Cleopatra had zich met haar rustelooze weetgierigheid dat alles doen uitleggen, en zich in dagen van rust meermalen beziggehouden met het plan om de Grieksche met de Arabische zee in verbinding te brengen. Duidelijk, aanschouwelijk en grondig, op vele punten beter ingelicht dan de waterbouwkundigen zelve, zette zij nu voor de vergaderde mannen van het vak uiteen, wat haar plan was. Indien het uitvoerbaar bleek, dan zouden de gespaarde schepen der vloot, en andere, die nog op de reede van Alexandrië lagen, over de landengte heen in de Roode Zee worden gebracht, en zoo voor Aegypte gered en den vijand onttrokken worden. Met behulp van deze strijdmacht zou men weder van alles kunnen ondernemen; daardoor kon het mogelijk zijn den tegenstand aanmerkelijk langer te doenvoortduren, en den tijd te gebruiken om nieuwe hulpmiddelen en bondgenooten te verzamelen.

Ging men later weder tot een aanval over, dan kon zij beschikken over een machtige vloot, en men kon voor die, welke te Klysma lag, nog een aantal kleinere schepen bouwen, op grond der ondervindingen die bij Actium waren opgedaan.

De mannen die van hun nachtrust afstand hadden moeten doen, hoorden vol verbazing naar de welsprekende woorden dezer vrouw, die midden onder den zwaarsten druk der omstandigheden een plan tot redding had bedacht, dat zóó omvangrijk was en beter scheen doordacht te zijn, dan wanneer het van hen zelve uitgegaan ware. Zij volgden haar met gespannen aandacht, van woord tot woord. En hare rede nam steeds hooger vlucht en verkreeg meer kracht en diepte, naarmate zij duidelijker de echte bewondering en geestdrift zag, waarmede zij naar haar luisterden. Het verrassende voorstel scheen zelfs den oudste en bedachtzaamste niet geheel onmogelijk en onuitvoerbaar. Sommigen echter hielden de moeilijkheden die een verhevenheid van den grond, in het midden der landengte, dreigde op te leveren, voor onoverkomelijk. Ook Gorgias die zijn vader geholpen had bij de herstelling van het Serapeum aan de oostzijde van de Delta, en zoodoende de landstreek van Heroonpolis had leeren kennen, deelde die vrees. Maar waarom zou hetgeen in Sesostris' tijd gelukt was, ook nu niet slagen? Bedenkelijker nog was de korte tijdruimte waarover men te beschikken had, en daarbij de mededeeling dat bij den aanleg van het kanaal, dat Pharao Necho bijna had voltooid, 120,000 arbeiders omgekomen waren. De waterweg was destijds niet gereed gekomen, omdat het orakel had gezegd dat hij enkel voordeel zou opleveren voor de Pheniciers.

Dit alles werd overwogen, maar kon toch het gevoelen niet aan het wankelen brengen, dat het plan der Koningin onder bijzonder gunstige omstandigheden uitvoerbaar was, al moesten ook, ter verwezenlijking er van, bergen van bezwaren worden geslecht. Allen die anders op het veld bezig waren, en niet in het leger werden gebruikt, moesten tot den arbeid worden opgeroepen. Het werk kon geen uur uitstel lijden. Waar geen water was om de schepen te dragen, moest men maar trachten ze over het land te sleepen. Aan hulpmiddelen zou het niet ontbreken. De werktuigkundigen die de obelisken en colossen van den waterval naar Alexandrië hadden verplaatst, zouden hier weder eens toonen wat hunne vindingrijkheid en werktuigen vermochten.

Nooit had de werkzame, tot daden aanvurende geest van Cleopatra in een vergadering levendiger, ja hartstochtelijker ingenomenheidmet hare plannen gewekt dan in deze nachtelijke bijeenkomst. Toen zij eindelijke gesloten werd, klonken luide toejuichingen uit den mond der geestdriftige mannen.

De terugkomst der Koningin en alles wat de leden van den Raad gehoord hadden van den verloren slag, moesten zij zorgvuldig geheim houden.

Gorgias behoorde ook tot de leiders der onderneming, en Cleopatra's geestkracht, haar stem, haar hartveroverende bevalligheid hadden hem zóó verrukt, dat hij reeds meende te bemerken dat een nieuwe liefde die voor Helene begon te verdringen.

Het was immers een dwaasheid zulke verheven wenschen te koesteren; en toch zeide hij tot zich zelven, dat hij nooit een vrouw ontmoet had, die hem meer aantrok dan Cleopatra. Met dat al dacht hij met warmte aan de kleindochter van denphilosoof, en het deed hem leed, dat hij nauwelijks tijd zou kunnen vinden, om afscheid van haar te nemen.

De zegelbewaarder Zeno, Dion's oom, had hem bij zijn binnenkomen in de vergaderzaal op een wonderlijk geheimzinnige wijze naar zijn neef gevraagd. Hij had hem ten antwoord gegeven dat de wond die Cæsarion hem met een kort Romeinsch zwaard, in zijn schouder had toegebracht, wel is waar niet licht was, maar tocht naar de meening der artsen, geneeselijk.

Dat had den oom schijnbaar bevredigd. Vóór dat de bouwmeester hem nog goed op het hart kon drukken zijn neef de beschermende hand boven het hoofd te houden, had hij zich verontschuldigd, en met een groet aan den gewonde hem den rug toegekeerd.

De hoveling was nog niet overtuigd hoe hare koninklijke majesteit dit pijnlijke voorval opvatten zou, en bovendien was hij werkelijk met bezigheden overstelpt. De nieuwe onderneming eischte het uitgeven van een groot aantal volmachten, die allen door zijne handen moesten gaan.

De Koningin gaf aan ieder der deskundigen, aan wie zij de uitvoering van haar plannen toevertrouwde, een vriendelijk, aanmoedigend woord ten afscheid mede. Ook aan Gorgias veroorloofde zij haar kleed te kussen, waarbij zijn bloed weder sneller stroomde. Hij voelde een neiging om zich aan de voeten van deze wonderbare vrouw te werpen en met zijne diensten ook zijn leven tot hare beschikking te stellen. En Cleopatra merkte den dwependen blik zijner oogen maar al te goed op.

Men had ook hem genoemd onder de vereerders van Barine. Die vrouw moest toch wel iets buitengewoons hebben! Maar zou zij er in geslaagd zijn een schaar van ernstige mannen te ontvonken voor een groot, bijna onmogelijk plan, hen tot zulkeen geestdriftvolle bewondering op te voeren, zooals het haar, de overwonnene, de bedreigde, zooeven was gelukt? Dat zeker niet!

Zij voelde zich juist in de stemming om Barine als rechtspreekster en als gelukkige mededingster te gemoet te gaan.

Te midden van al hare ellende doorleefde zij nu een heerlijk uur. Met blijden trots gevoelde zij opnieuw dat haar geest, nog frisch en ongebogen, instaat was de besten te overvleugelen. Neen, waarlijk! Zij had nog geen tooverbeker noodig om de harten te winnen!—

17)Scheepskapitein.

18)Wraakgodinnen.

Sedert een uur bevond Barine zich in het paleis. Het rijk gemeubelde vertrek, waarin men haar had binnengeleid, lag boven de zaal waar Cleopatra zitting hield, en nu en dan deed zich door den stillen nacht de stem der Koningin of de luide toejuichingen der vergadering hooren.

Barine luisterde daarnaar, zonder zelfs te beproeven, den zin der woorden, die tot haar doordrongen, te verstaan. Zij verlangde alleen naar afleiding van de diepe, bittere aandoeningen die haar hart vervulden. Ja, diep en bitter tot heftigheid toe, was haar opgewondenheid in dit oogenblik, en zij gevoelde daarbij tegelijk hoe deze driftige wrok geheel in tegenspraak was met haar eigenlijk wezen.

Het is waar, ook het gedrag van Philostratus had in den tijd van haar ongelukkig huwelijk, haar kalme, heldere ziel dikwijls tot in haar diepste diepte geschokt, en toen later zijn broeder Alexas haar met schandelijke voorstellen tot wanhoop had gebracht, was bij die stormen in haar ziel nog groote bitterheid gekomen. Maar daarover kon zij zich nu verheugen, want zonder dien geweldigen opstand ten tijde van den strijd, zou zij misschien door een smachtend verlangen naar rust voor hem bezweken zijn.

Eindelijk, eindelijk was het haar en haar vrienden door groote offers gelukt, haar uit dien nood te redden. Philostratus had zich de toestemming, om haar de vrijheid te hergeven, laten afkoopen. Ook van de herhaalde aanzoeken van Alexas had zij sinds lang rust gekregen, want eerst was hij door zijn beschermer Antonius als gezant uitgezonden, en later genoodzaakt hem te vergezellen in den oorlog.

Hoe had zij daarna genoten van de vreedzame dagen in het huis van haar moeder. Aanstonds was de kalme tevredenheid, die zij reeds voor altijd verloren waande, in haar gemoedteruggekeerd, en op dezen dag had het lot haar den rijksten zegen geschonken, dien zij nog ooit had ondervonden. Wel had zij daarvan nog maar enkele uren genot gehad, want door den aanval der woeste jongelingen en de verwonding van haar verloofde was er een donkere schaduw op gevallen. Alweder had haar moeder gelijk gehad, toen zij met zulk een overtuiging voorspeld had, dat op het eerste ongeluk een tweede zou volgen.

Midden in den nacht was men Barine uit haar vredige omgeving, en van de legerstede waar haar gewonde minnaar lag, komen weghalen. Dit was geschied op bevel van de Koningin, en in hare bittere verontwaardiging erkende zij dat de mannen wel gelijk hadden wanneer zij de dwingelandij vloekten, die een vrij mensch tot een willoos voorwerp verlaagde. Wat haar te wachten stond, was zeker niets goeds. Dat bemerkte zij wel aan de personen die haar op dit ongewone uur uit naam van Cleopatra kwamen ontbieden. Dat waren immers hare ergste vijanden! Iras, die haar verloofde voor zich zelve wenschte, zooals Dion haar had bekend, en diezelfde Alexas, wiens aanzoek zij had afgewezen op een wijze, zooals een man nooit vergeeft.

Hoe Iras te haren opzichte gezind was, had zij reeds ondervonden. Dat slanke meisje met het smalle hoofd, den fijnen neus, de kleine kin en de spitse vingers, leek haar een lange, scherpe doorn. Deze vreemde vergelijking was al bij haar opgekomen op het oogenblik toen zij haar, in stijve, trotsche houding, den last der Koningin met haar schrille, hooge stem voorgelezen had. Alles aan dit harde, koude, vijandige schepsel scheen puntig als een stekel, en gereed om haar in het verderf te storten.

Haar overbrenging uit het huis harer moeder naar het koninklijk paleis was vlug en eenvoudig in zijn werk gegaan. Na den aanslag, waarvan zij eigenlijk weinig had gezien omdat zij, door vrees en ontzetting overmand, de oogen gesloten had, was zij met haar gewonden geliefde naar huis gereden. Daar had de arts hem verbonden, en vrouw Berenice had haar eigen slaapvertrek spoedig en met zorg in een ziekenkamer herschapen.

Barine was geen oogenblik van zijne zijde geweken, doch eerst had zij zich verkleed, want zij wist hoe hij gesteld was op uiterlijken tooi. Toen zij vóór zonsondergang terugkwam van het bezoek bij haar grootouders, was zij even alleen met hem gebleven. Hij had haar toen op den arm gekust, en gezegd dat er geen fraaier waren, zoo ver er Grieksch gesproken werd. De kostbare gesneden steen die hem sierde, was die eer waard. Daarom had zij dan ook met opzet haar reiskoffer weder geopenden den armband daaruit genomen, dien Antonius haar had vereerd. Deze versierde nu haar bovenarm, toen zij weder bij hem in de ziekenkamer kwam.

Hij had haar eens gezegd dat hij haar het liefste zag in het eenvoudige witte gewaad, waarin zij hem, weinige dagen geleden, toen hij alleen met Gorgias bij haar was, tot na middernacht zijn meest geliefde liederen voorgezongen had, alsof die alleen voor hem waren bestemd. Daarom was dan ook nu hare keus op dat kleed gevallen, en zij was daar nu blijde om toen zij zag hoe innig gelukkig en dankbaar de gewonde de oogen op haar liet rusten, terwijl zij zich tegenover hem neerzette.

De arts had hem het spreken verboden, en zooveel mogelijk slaap voorgeschreven. Daarom had Barine maar stil bij hem gezeten en zijn hand vastgehouden, om hem, als hij de oogen open deed, een hartelijk woord van liefde en opwekking toe te fluisteren.

Urenlang had zij zoo bij hem gezeten, en was alleen van haar post gegaan om hem geneesmiddelen toe te dienen of, met behulp harer moeder, nieuwe omslagen op de wond te leggen. Als daarbij zijn mannelijk gelaat zich van pijn vertrok, dan had dat haar ook pijn gedaan, maar toch was over het geheel een stil en vredig gevoel van welbehagen over haar gekomen. Zij had zich zoo veilig en geborgen gevoeld in het bezit van den geliefden man, ofschoon zij zich ten volle bewust was van de gevaren, die hem, en misschien ook haar zelve, bedreigden. Maar het veilig gevoel in haar hart vervulde haar geheel en al, en drong allen angst naar den achtergrond. Vóór hij de hare was, had zij vele anderen hoog gesteld en hun aangenamen omgang gewaardeerd, enkele zelfs waren haar begeerenswaardig voorgekomen, doch Dion was het geweest, die in hare levendige, doch weinig hartstochtelijke ziel voor het eerst den warmen gloed eener groote, ware liefde had gewekt. Het was als een heerlijk wonder, wat in de laatste dagen met haar was gebeurd. Hoe lang had zij gevreesd en gesmacht, totdat haar vurigste hartewensch werd vervuld! Thans had Dion haar zijne liefde geschonken, en niets kon haar die meer rooven.

Gorgias en de zoons van haar oom Arius hadden haar voor korten tijd in hare rust gestoord. Nadat zij met goede tijdingen vertrokken waren, had vrouw Berenice haar dochter ernstig verzocht te gaan liggen, en haar hare plaats aan het ziekbed over te laten. Barine had daartoe echter niet kunnen besluiten, en had juist de blonde haren losgemaakt en die opnieuw laten vlechten en om het hoofd leggen, toen, te twee uur na middernacht, met onbescheiden drift aan de vensterluiken werd geklopt. Vrouw Berenice was op dat oogenblik juist bezig den omslagop de wond te vernieuwen; daarom was Barine zelf naar het atrium gesneld om den portier te wekken.

De oude man was nog niet in de rust, en haar daardoor vóór geweest, en nu had zij met een gedempten kreet van ontzetting, in den eersten persoon die de verlichte voorzaal betrad, Alexas herkend. Iras was hem op den voet gevolgd, gesluierd, want buiten huilde nog altijd de storm. Ten laatste was ook nog een lantaarndrager meê naar binnen gekomen.

De Syriër was de verschrikte jonge vrouw met een deftige buiging tegemoet gegaan, maar Iras had, zonder haar te groeten, of een enkel woord ter voorbereiding te zeggen, het bevel der Koningin herhaald, en haar bij het licht van de lantaarn voorgelezen wat Cleopatra in het wastafeltje had gekrast.

Daarop had Barine, bleek en nauwelijks zich zelve meester, de boden der Koningin verzocht binnen te komen, en haar tijd te laten zich tot den nachtelijken tocht voor te bereiden en hare moeder vaarwel te zeggen, doch Iras had haar met geen antwoord verwaardigd, en alleen, alsof zij hier te gebieden had, den poortwachter bevolen onverwijld den mantel zijner meesteres te halen.

Terwijl de oude zich met bevende knieën verwijderde, had Iras gevraagd of de gewonde Dion zich daar bevond? Barine, die door deze vraag de bezinning terugkreeg, had met een afwerend gebaar trotsch geantwoord, dat het bevelschrift der Koningin haar niet gebood zich in haar eigen huis aan een verhoor te onderwerpen.

De andere had hierop de schouders opgehaald, en op een schamperen toon Alexas toegeroepen:

»Het is waar, ik heb te veel gevraagd. Wie zoovele mannen van iederen leeftijd tot zich trekt, hoe kan die van ieder afzonderlijk weten waar hij is?”

»Het hart heeft anders een goed geheugen,” gaf de Syriër ten antwoord; maar Iras riep verachtelijk: »het hart?”

Vervolgens bleef het stil, totdat in plaats van den poortwachter, vrouw Berenice zelve met den mantel aan kwam loopen. Zij legde dien, bleek en met witte lippen, om de schouders harer dochter, en fluisterde haar daarbij met vochtige oogen en nauwelijks in staat om te spreken, eenige teedere en geruststellende woorden toe. Iras maakte hier echter spoedig een eind aan, daar zij Barine verzocht met haar in den wagen te stappen.

Moeder en dochter omhelsden en kusten elkander; daarna bracht de gesloten wagen de vervolgde en beschuldigde vrouw door storm en duisternis, naar de Lochias.

Totdat zij in het vertrek waren gekomen, waar Barine op deKoningin moest wachten, was tusschen haar en Iras geen enkel woord gewisseld. Hier trachtte de laatste haar aan het spreken te brengen, maar reeds op de eerste vraag antwoordde Barine dat zij haar niets te zeggen had.

In het vertrek was het zoo helder licht, alsof het dag was, maar toch flikkerden de vlammen onrustig heen en weder, daar de lucht aan beide zijden van die hoekkamer door de reten der vensterluiken binnendrong, en daardoor een sterke tocht ontstond. Barine sloeg haar mantel vaster om zich heen, en de storm, die van den zeekant om het paleis gierde, was in overeenstemming met de onrust harer ziel. Hetzij zij den blik naar binnen of om zich heen sloeg,—niets kon haar rust geven dan de zekerheid zich bemind te weten. Dat was het wat haar tot nu toe alle vrees ontnomen had. Nu kwam er nog verontwaardiging bij, en zoodoende kon de angst niet de overhand op haar verkrijgen. En toch, als zij kalm nadacht, wist zij dat zij van alle zijden door gevaren werd bedreigd. Dit bemerkte zij reeds aan de wijze waarop Iras en Alexas met elkander fluisterden, zonder op haar te letten, want zóó onwellevend zijn lieden die aan het hof verkeeren alleen jegens diegenen, van wie zij weten dat hun de ongenade of ook de toorn van den heerscher boven het hoofd hangt.

Wel had Barine in haar huwelijk met den man, die zoo geheel zonder fijngevoeligheid, en even boosaardig als welbespraakt was, véél leeren verdragen wat haar in het begin zeer moeielijk viel, maar toen zij Alexas, na een opmerking van Iras, die haar zelve gelden moest, luid hoorde lachen, moest zij zich geweld aandoen, om haar vijandin niet in het gezicht te zeggen hoe diep verachtelijk zij de laffe wreedheid van haar gedrag vond. Toch gelukte het haar het stilzwijgen te bewaren. Maar die verkropte toorn moest toch op de eeneofandere wijze een uitweg zoeken, en terwijl de smart harer gepijnigde ziel haar hoogste punt had bereikt, vloeiden de heete tranen over haar wangen.

Ook dit had haar tegenstandster opgemerkt, en haar daarom tot een mikpunt van haar geestigheden gemaakt. Ditmaal echter had de spot haar uitwerking op den Syriër gemist, want in plaats van te lachen, was hij ernstig geworden, en fluisterde het meisje iets toe, dat Barine voor eene berisping of een waarschuwing hield. Doch Iras had hierop enkel met een minachtend schouderophalen geantwoord.

Barine had al lang gezien, dat haar moeder haar, in den angst en de verwarring van het oogenblik, haar eigen mantel,in plaatsvan den haren, omgeslagen had; ook deze kleinigheid vond haar vijandin niet te gering om er een beleediging aan vast teknoopen. Toch was al die kinderachtige overmoed, die nu het anders geenszins onbeduidende meisje geheel scheen te beheerschen, slechts een masker, waaronder zij haar eigen bittere zielesmart bedekte. Aan de vroolijkheid, die de mantel van haar slachtoffer bij haar scheen op te wekken, lag een ernstige overweging ten grondslag. Het grijze, slecht passende kleedingstuk misvormde Barine, en Iras wenschte voor de Koningin de zekerheid, dat zij hare mededingster ook in uiterlijke bekoorlijkheid verre overtrof. Niemand, zelfs Cleopatra niet, kon het in dien kouden tocht, zonder een beschermend omhulsel doen, en haar zelve stond niets beter dan de purperen mantel met de zwarte en gouden draken en grijpvogels, die in de zachte stof waren geborduurd. Iras had dien voor haar klaar gelegd, en Barine moest nu naast haar wel een bedelares gelijken, hoewel Alexas volhield dat de blauwe hoofddoek haar allerliefst stond.

Hij was een laaghartig wellusteling, die, met rijke geestesgaven bedeeld en daarbij zeer geleerd, geen middel had geschuwd om zich in de gunst van Antonius, den mildste van alle beschermers, te dringen.—De weigering zooals de verwende man niet gewoon was te ontvangen en die hij van Barine had moeten verdragen, was voor hem moeilijk te verduwen geweest, doch hij gaf het nog altijd niet op haar voor zich te winnen. Nooit had hij haar aantrekkelijker gevonden dan in haar aandoenlijke machteloosheid. Een weerlooze te zien martelen wekt zelfs bij de laagste naturen weerzin op, en toen Iras nogmaals een giftigen pijl op haar afschoot, veroorloofde hij zich, op gevaar af zijn bondgenoote te ontstemmen, de zacht uitgesproken opmerking:

»Men zet anders altijd aan veroordeelden, vóór de terechtstelling, hunlievelingsgerechtnog eens voor. Ik heb geen reden haar iets goeds toe te wenschen, maar dat zou ik haar toch gaarne gunnen. U daarentegen schijnt het te vermaken nog alsem op haar laatste beten te gieten.”

»Zeker!” antwoordde zij stoutweg, terwijl hare oogen vonken schoten. »Leedvermaak is het zuiverste van alle genoegens; ten minste voor mij, tegenover deze vrouw.”

De Syriër stak haar met een wonderlijken glimlach de hand toe, en zeide: »Blijf mij maar genegen, Iras!”

»Want,” ging zij smadelijk voort, »het kon wel eens slechte gevolgen na zich sleepen mij tot vijandin te hebben. Dat geloof ik zelf ook. Voor mij zelve ben ik anders zoo bijzonder gevoelig niet. Maar wie het waagt,”—vervolgde zij met verheffing van stem—»aan ééne leed te doen, die ik.... Hoor eens,dat gejubel! Hoe sleept zij weder allen mede! Al had het noodlot een bedelares van haar gemaakt, dan nog zou zij deeerste van alle vrouwen zijn. Zij is als de zon. De wolk die zij op haar lichtend pad ontmoet, wordt opgelost en verdwijnt.”

Bij deze laatste woorden had zij haar hoofd geheel naar de zijde van Barine gekeerd, en Iras' scherpe stem drong weder als een doorn in Barine's oor, toen zij haar eindelijk gebood zich gereed te maken voor het verhoor. Op hetzelfde oogenblik viel de deur door den tocht knarsend in het slot terug, nadat zij eerst geopend was door den »binnenleider”19)die na een snellen blik in het rond uitriep:

»Hier, waar alle vier de winden elkander tegelijk ontmoeten, kan de Koningin u niet spreken. Hare Majesteit wenscht de late bezoekster in de schelpzaal te ontvangen.”

Hij verzocht Barine met een beleefde buiging met hem mede te gaan, en leidde haar en de beide anderen door verscheidene gangen en zalen heen, naar een goed verwarmd voorvertrek.

Hier waren alle luiken goed gesloten. Eenige lijfwachten en pages uit het corps der »Koninklijke Knapen” stonden tot hunne ontvangst gereed.

»Hier is het goed,” zeide Alexas tot Iras. »Moet de winter van daareven ons niet met dubbele dankbaarheid vervullen voor de genietingen van de zachte lente in deze heerlijke omgeving?”

»Dat is wel mogelijk,” antwoordde zij spijtig, en ging zachter voort: »Hier op de Lochias houden de jaargetijden zich overigens niet aan hunne gewone opeenvolging. Zij wisselen overeenkomstig den hoogsten wil. In plaats van vier, zooals bij ons, hebben de Aegyptenaars, zooals gij wel weten zult, er slechts drie;—daarentegen zijn zij in de paleizen aan den Nijl ontelbaar. Wat of deze rassche overgang in den zomer wel beteekenen zou? Ik had ditmaal den winter liever.”

De Koningin had, zonder dat Iras wist waarom, hare schikkingen tot de ontvangst van Barine veranderd. Dat verdroot het meisje, en hare trekken waren dreigend en somber, toen de jonge vrouw zich van haar mantel en hoofddoek ontdeed, en nu in het eenvoudige witte kleed, zoo fijn van stof en edel van snit, de Koningin afwachtte.

De dikke blonde vlechten, die op kunstelooze wijze om haar welgevormd hoofd lagen, deden er haar bijna kinderlijk uitzien, en bij dit onverwachte gezicht, was het Iras te moede alsof men met haar en Cleopatra een spel dreef.

In het halfdonkere atrium van het huis naast het Paneum had zij alleen opgemerkt dat Barine iets wits droeg. Was dit haar nachtgewaad, des te beter! Doch zóóals zij daar nu stond en heen en weer liep, had zij zich zelfs op het Isisfeest kunnenvertoonen. Met alle overleg had men onmogelijk een passender en smaakvoller gewaad kunnen vinden. Ging deze ijdele vrouw dan met hare gouden sieraden ter ruste? Of hoe kwam anders die band aan haar bovenarm? Al de bekoorlijkheden van Cleopatra waren voor Iras, die ze zoo goed kende, als het ware haar eigendom. Het verdroot haar ook maar de geringste daarvan door een ander overtroffen te zien, en dat zij nu bij die vrouw vormen ontdekte die zij niet minder schoon kon vinden, vertoornde haar, ja, sneed haar door de ziel.

Zij had Barine gehaat, van het oogenblik af dat zij wist hoe zij om harentwil niets meer te hopen had van den man, op wiens liefde zij van kind af recht meende te hebben. En tot alles wat hare vijandige gezindheid nog deed toenemen, behoorde ook het onaangename gevoel, dat zij zich in de laatste uren onwaardig tegenover haar gedragen had. Had zij maar eerder gezien wat hare vijandin onder haar mantel verborgen had gehouden, dan zou zij wel wegen en middelen gevonden hebben om er haar anders te doen uitzien. Intusschen, zooals zij nu was moest zij blijven, want daar kwam Charmion reeds binnen. Maar op dit uur zou een ander volgen, en wanneer dit niet over het lot der gehate vrouw besliste, dan zouden lateren dat toch doen.

Charmion, de zuster van haar oom Archibius, die tot nu toe zulk een lieve gezellin en moederlijke vriendin voor haar was geweest, had zij daarbij niet noodig. Doch wat had deze toch? Het scheen Iras toe, alsof op haar vriendelijk gelaat iets afwerends lag, dat zij daar nog nooit had gezien. Had de zangeres ook dááraan schuld? En wat zou het zijn? Dit gedrag van haar oudere gezellin besliste de vraag, of zij de pas teruggekeerde tante nog met dezelfde dankbare hartelijkheid tegemoet zou gaan als vroeger. Neen! dat zou zij nu niet meer van zich kunnen verkrijgen, Charmion moest voelen dat zij, Iras, dat voortrekken van haar vijandin, als een persoonlijke beleediging opnam. Het lag niet in haar aard, achter haar rug iets tegen haar te doen. Zij had moed genoeg om haar afkeer aan haar tegenpartij duidelijk te laten merken, en zij had voor Charmion niet zooveel ontzag, dat zij met haar anders zou handelen. Zij wist dat de schilder Leonax, Barine's vader, in het hart van haar gezellin een bijzondere plaats had gehad, maar daarom behoefde zij toch niet partij te trekken voor de vrouw die haar, haar eigen nicht, den man ontfutseld had, dien zij—haar tante wist daarvan—van haar kindsheid af had liefgehad.

Wat Charmion betrof, zij had zooeven een lang gesprek met haar broeder gehad en in het paleis gehoord dat Barine midden in den nacht bij de Koningin was geroepen. Vast overtuigd,dat de jonge vrouw, die heden al zoo velerlei geluk en ongeluk ondervonden had, niets goeds te wachten stond, was zij ook in de wachtzaal gekomen. Haar goedig, niet meer jeugdig gelaat, dat door het grijze haar zoo eenvoudig en aardig werd omlijst, was op dat oogenblik voor Barine, wat het toewenkende land voor den schipper in nood is.

Al de stormen harer ziel, alle gevoel van bitterheid en leed kwam tot rust, en als een beangst kind dat op haar moeder toeloopt, ging zij de zuster van haar vriend tegemoet. En Charmion zag haar dadelijk aan wat er leefde in hare ziel. Haar in dit paleis en in deze omgeving te kussen, ging niet aan; maar om Iras te toonen dat zij bereid was hare beschermende hand te houden boven deze vervolgde vrouw, drukte zij de dochter van haar vriend tegen zich aan. Barine zag met een smeekenden om redding vragenden blik naar haar op, en fluisterde met tranen in de oogen: »Help mij, Charmion. Met woorden en blikken heeft zij mij gekweld, beleedigd, vernederd—zoo wreed, zoo boosaardig! Help gij mij, ik kan het niet langer uithouden!”

Charmion schudde het vriendelijke hoofd en vermaande haar met zachte stem zich te beheerschen. Zij moest bedenken, dat zij Iras ook haar geliefde ontnomen had. Wat het haar ook kosten moest, zij mocht geen enkelen traan meer storten. De Koningin was genadig. Zij, Charmion zou haar bijstaan. Het voornaamste waar het op aan kwam was zich aan Cleopatra te toonen zooals zij was, niet zooals de laster haar afgeschilderd had. Zij moest haar maar antwoorden, alsof zij of Archibius haar ondervroeg.

Zij streek haar daarbij met moederlijke teederheid over voorhoofd en oogen, en het was de jonge vrouw alsof de goedheid zelve den storm in hare ziel had doen bedaren. Alsof zij uit een boozen droom ontwaakte, zag zij rond, en eerst nu bemerkte zij in welk een rijk versierd vertrek zij zich bevond, welke goedkeurende blikken de jongelingen van de Macedonische lijfwacht op haar wierpen, en hoe gezellig het vuur brandde in den schoorsteen. Het gehuil van den storm versterkte nog het welbehagelijk gevoel van onder een veilig dak te zijn, en Iras die den »binnenleider” aan de deur iets toefluisterde, scheen haar nu niet meer een stekende doorn, of een booze kwelgeest, maar een schoone vrouw, die haar weliswaar afstootte, maar die zij dan ook zelve het grootste kwaad had aangedaan dat men een vrouwenhart aan doen kan. Ook dacht zij nu weder aan haar gewonden minnaar tehuis, en hoe zijn hart, wat er ook gebeuren zou, aan haar alleen, en niet aan die andere toebehoorde. En eindelijk viel haar nog in, hoe Archibius het kindCleopatra beschreven had, en deze herinnering wekte de overtuiging dat de alvermogende vrouw haar noch wreed noch onrechtvaardig bejegenen zou, en dat het voor een deel in haar eigen macht stond, haar voor zich in te nemen. Charmion was immers ook een vertrouweling der Koningin, en zoo de handelwijze van Iras en Alexas haar vrees had moeten aanjagen, dan mocht de hare haar met vertrouwen vervullen.

Dat alles vloog met bliksemsnelheid door haar brein. Zij had dan ook niet veel tijd tot nadenken meer, want reeds toen zij haar hoofd aan de borst van haar beschermster neergevlijd had, was de »binnenleider” in de kamer gekomen, met de aankondiging: »Binnen weinige minuten zal hare doorluchtige Majesteit de opgeroepenen verwachten!”

Spoedig daarop verscheen een kamerdienaar, en wenkte met een pluim van struisvederen. Nu gingen zij onder geleide der hofbeambten, door eenige helder verlichte, prachtig getooide zalen.

Barine liep weder recht op en met verruimde borst voort. Daar gingen de hooge, breede vleugeldeuren van ebbenhout open, tegen welker dofzwart het ivoor der ingelegde tritonen, zeemeerminnen, schelpen, visschen en zeemonsters zoo fraai uitkwam. Een schitterende aanblikverrastehaar: de zaal, die Cleopatra tot hare ontvangst had uitgekozen, was geheel en al bedekt met de meest verschillende soorten van zeegewassen, van de schelp af tot de koraal en de zeester toe.

Op den achtergrond van de zaal bevond zich een diepe grot, gevormd door een hoog en breed gebouw in druipsteenvorm, van natuurlijke rotsblokken opgetrokken. Daaruit kwam het reusachtig groote hoofd van een monster te voorschijn en zijn wijd geopende muil vormde den haard in den schoorsteen. Daar brandde een vroolijk vuur van welriekend Arabisch hout; uit de robijnglasoogen van den draak straalde een roodachtige gloed, en smolt in de zaal samen met het licht der witte en rooskleurige lampen, in den vorm van lotosbloemen, die tusschen gouden en zilveren ranken en bosjes riet aan den muur en de zoldering bevestigd waren. Zij vulden de groote ruimte met dat zachte licht, welks rozenroode weerschijn de zachte gelaatstint van Cleopatra bijzonder voordeelig deed uitkomen.

Eenige oppervoorsnijders, schenkers, jachtmeesters, ceremoniemeesters, kamerdienaars, vrouwen die tot den dienst in het paleis behoorden, eunuchen en andere hofbeambten wachtten hier de Koningin op, en de pages van het Macedonische kadettencorps der »Koninklijke knapen” stonden slaapdronken en met gebogen hoofd om den kleinen troon van goud, koralen en barnsteen, tegenover den schoorsteen, waarop de Koningin zou plaats nemen.

Barine had deze prachtige zaal en andere in het Sebasteum die nog schitterender waren, vroeger reeds gezien; vandaar dat zij door al deze praal geenszins van haar stuk werd gebracht. Alleen zou zij gewenscht hebben, dat er niet zooveel hovelingen om haar heen waren. Zou Cleopatra van plan zijn, haar ten aanzien van al die mannen, vrouwen en jongelingen in het verhoor te nemen?

Zij was nu niet bang meer, maar toch klopte haar hart sneller dan anders. Het was hetzelfde gevoel dat zij als aankomend meisje gehad had, wanneer men haar vroeg om voor vreemden te zingen.

Eindelijk hoorde zij deuren opengaan, en door een onzichtbare hand werd rechts van haar het zwartevoorhangselter zijde geschoven. Zij verwachtte den Regent, den zegelbewaarder en de geheele rijk uitgedoste legerschaar te zien, in wier gezelschap de Koningin zich bij plechtige gelegenheden altijd in deze staatsiezaal vertoonde. Waarom zou zij die anders tot het tooneel van dit nachtelijk verhoor gekozen hebben?

Maar wat was dat? Terwijl zij nog terugdacht aan haar optreden bij het Adonisfeest, ging het voorhangsel reeds weder dicht. De hovelingen, die om den troon stonden, richtten zich op; de pages vergaten hunne vermoeidheid, en alle tegelijk riepen luide den Griekschen welkomstgroet uit, waarmede de Aegyptenaars gewoon waren hun beheerschers in te halen: »Leven, heil, gezondheid!”

Die vrouw van middelbare grootte, die zij vóór het voorhangsel zag, en die haar nu, terwijl zij alleen en los van hare omgeving de ruime zaal doorschreed, kleiner voorkwam dan vroeger in het bonte gewemel bij het Adonisfeest, moest wel de Koningin zijn!

Ja, zij was het! Iras stond reeds naast haar, en Charmion ging haar met den »binnenleider« tegemoet. De vrouwen beijverden zich om haar te bedienen. Iras nam haar den purperen mantel met den zwarten rand waarop de gouden draken geborduurd waren, van de schouders. Welk een kostbaar meesterstuk van weefkunst moest dat zijn! In Barine's geest verdrong zich nu achtereenvolgens alles, waartegen zij zich zou moeten verdedigen; en toch voelde zij onder dat alles ook even den dwazen, echt vrouwelijken wensch bij zich opkomen, om één oogenblik dien prachtigen mantel van nabij te mogen zien en betasten. Maar Iras legde hem reeds over den arm van eene der vrouwen, en nu zag Cleopatra om, en ging met jeugdigen, veerkrachtigen tred naar den troon toe. Daar kreeg Barine weder dat gevoel van angst, dat zij zich nog uit vroegere jaren herinnerde, maar tegelijkertijd viel haar ook weder in watArchibius had verhaald van den Epicuristen-tuin, evenals zijne verzekering, dat ook zij stellig warme geestdrift voor de Koningin zou voelen indien er niets storends tusschen beide gekomen ware. Bestond er dan werkelijk zoo iets storends?

Neen! niet anders dan in de jaloersche phantasie van Cleopatra. Zoo zij haar wilde vergunnen zich uit te spreken, dan zou zij hooren dat Antonius even weinig naar haar had gevraagd, als zij naar den jongen Cæsarion. Waarom zou zij haar niet bekennen dat haar hart een ander toebehoorde? Zij behoefde immers ook zijn naam niet te verzwijgen. Het was Iras' eigen schuld, wanneer zij dien nu zonder mededoogen in haar bijzijn uit moest spreken.

Thans richtte Cleopatra zich tot den »binnenleider,” en wees op den troon en allen die daar om heen stonden. Ja, wel was zij schoon! Hoe helder en rustig was de blik uit haar groote, glanzende oogen, in weerwil van de droeve dagen die zij pas had doorleefd, en den doorwaakten stormnacht.

De goede ontvangst die haar plan tot redding bij de raadslieden gevonden had, hield de Koningin nog steeds in opgewekte stemming en met zachtmoedige gevoelens en bedoelingen kwam zij Barine tegemoet. Ook had zij, in plaats van de zaal, die Iras voor deze bijeenkomst had bestemd, een vriendelijker vertrek gekozen, want zij had voor iedere stemming een bepaalde omgeving noodig. Zoodra zij bemerkte hoe vele hovelingen zich om den troon hadden geschaard, gaf zij bevel die te laten gaan. De »binnenleider” had hen uit eigen beweging, en om te voldoen aan de gewone vormen, naar de gehoorzaal doen komen; maar hunne aanwezigheid gaf aan deze samenkomst iets vormelijks, dat de Koningin op dit oogenblik hinderde. Zij wildeslechtseen onderzoek instellen, nog geen vonnis spreken.

In zulke goede uren gevoelde zij behoefte genadig te zijn. Misschien had zij zich toch zonder reden ten opzichte van deze vrouw verontrust. Dit hield zij nu zelfs voor waarschijnlijk, want wie haar zóó liefhad als Antonius, kon niet naar de gunst van een ander dingen. Een kort onderhoud met een waardigen grijsaard, den opperste der wichelaars, had haar daarin opnieuw bevestigd; want toen deze gehoord had hoe Antonius haar bij Actium achterna gesneld was, had hij in geestvervoering gelaat en handen naar boven gericht, en haar toegeroepen: »Ongelukkige Koningin! Gelukkigste van alle vrouwen! Zóó vurig werd nog geene bemind. Zoolang men verhalen zal van het edele Troje, dat om een vrouw zooveel moest lijden en dat gewillig verdroeg, zoolang zal ook het late nageslacht met lof gedenken aan de vrouw, wier onweerstaanbare betoovering den grootsten man van zijn tijd, den held der helden, dwong om overwinningen roem en de hoop op de wereldheerschappij als nietige beuzelarij te versmaden.”

De oude, wijze waarzegger had gelijk: het nageslacht, voor welks oordeel zij eenmaal had gebeefd, zou haar prijzen als de vurigst beminde, de begeerenswaardigste van alle vrouwen.

En Marcus Antonius? Al was het de tooverkracht van den beker van Nektanebus geweest, die hem had gedwongen haar te volgen en den slag te verlaten, dan bleef toch zijn testament bestaan, waarvan Zeno, de zegelbewaarder, haar een afschrift had laten zien, dat hem uit Rome was toegezonden. »Waar hij ook sterven mocht,” heette het daarin, »wenschte hij naast Cleopatra te worden begraven.” Octavianus had dit ontnomen aan de Vestaalsche maagden, die het in bewaring hadden, omdat hij de harten der Romeinen en hunner echtgenooten daardoor met verontwaardiging tegen hunnen vijand vervullen wilde. Dat was hem ook gelukt; maar haar herinnerde nu dit geschrift, dat haar hart zijn eerste bloesems aan dezen man geschonken had; dat de liefde tot hem de zonneschijn van haar leven was geweest.

Zoo had zij dan met opgeheven hoofd den drempel overschreden van de zaal, waarin zij de vrouw ontmoeten wilde, die zich vermeten had onkruid te zaaien in haar tuin. Zij wilde aan dit onderhoud slechts weinig tijd wijden, doch zij zag het tegemoet met het welbehagen van een sterke, die zeker is van zijne overwinning. Zoodra zij bij den troon gekomen was, verliet het gevolg de zaal, en niemand bleef achter dan Charmion en Iras, de zegelbewaarder Zeno en de »binnenleider.”

Cleopatra wierp een vluchtigen blik op den zetel, en een onderdanig handgebaar van den hoveling noodigde haar uit, daarop plaats te nemen; doch zij bleef staan en zag Barine aan.

Was het de gekleurde glans uit de robijnglas-oogen van den draak aan den schoorsteen, die nu dien rooden gloed over Cleopatra's wangen wierp? Zeker is het, dat het de schoonheid verhoogde van haar gelaat, dat thans maar al te vaak, wanneer het blanketsel niet te hulp kwam, vaal en kleurloos was; en Barine begreep op eens de gloeiende geestdrift van Archibius voor deze buitengewone vrouw, toen Cleopatra haar verzocht naderbij te komen.

Men kan zich onmogelijk iets innemenders voorstellen dan de ongekunstelde, van trotsche neerbuigendheid hemelsbreed verwijderde vriendelijkheid dezer machtige vorstin.

Daar Barine allerminst zulk een ontvangst verwacht had, was zij er zeer door getroffen; hare oogen werden vochtig van dankbare ontroering, hetgeen ze een verhoogden glans schonk. Daarbij stond de blijde verrassing haar zoo goed, dat de Koningin vond,dat de zangeres in de maanden, die sedert hare eerste ontmoeting verloopen waren, nog veel schooner was geworden.

Hoe jong was de beschuldigde dan ook nog! Cleopatra ging vluchtig na, hoeveel jaren Barine als gade van Philostratus, en daarna aan het hoofd van een veel bezocht gastvrij huis moest hebben doorleefd, en zij kon het uiterlijk van dit jeugdige, frissche schepseltje maar niet overeenbrengen met de uitkomst van deze berekening. Ook kon men niet ontkennen dat in de geheele verschijning der schildersdochter iets voornaams was, dat haar verraste. Dat zag men zelfs aan haar kleeding, en toch had Iras haar midden in den nacht in haar rust gestoord, en haar zeker geen tijd gelaten om aandacht te schenken aan haar uiterlijk.

Zij had gedacht bij deze vrouw, van wie men haar had gezegd dat zij zoo vele mannen tot zich trok, iets uittartends te vinden, iets dat niet fijn beschaafd was, maar daarvan kon haar bitterste vijand zelfs geen spoor bij haar ontdekken. Integendeel; de verlegenheid die zij nooit geheel overwonnen had, gaf haar iets jonkvrouwelijk schuchters. Alles bij elkaar genomen was Barine een bekoorlijk wezen, dat de mannen stellig aantrok door vroolijkheid, bevalligheid en haar heerlijk gezang, en niet door behaagzucht en driestheid. Dat zij ook door geestesgaven uitmuntte geloofde Cleopatra niet. Slechts één ding had Barine op haar vóór: haar jeugd. De tijd had aan deze vrouw nog niets van de betoovering daarvan ontroofd, maar aan haar zelve reeds veel; hoe veel, dat wisten alleen zij zelve en hare vertrouwde vriendinnen. Doch op dit uur miste zij dat niet.

Barine trad nader met een diepe, eerbiedige buiging voor de Koningin, en deze begon het gesprek met een vriendelijke verontschuldiging van het late uur, waarin zij haar bij zich had doen komen. »Doch,” ging zij voort, »gij zijt immers een van die filomeelen, die juist in den nacht het liefst en schoonst aan anderen te hooren geven, wat er in hen omgaat.”

Een oogenblik zag Barine zwijgend naar den grond, en toen zij haar blik weer opsloeg, antwoordde zij zacht en nog bedeesd: »Ik kan wel zingen edele Koningin, doch met een vogel heb ik thans niets meer gemeen. De vleugels, die mij, toen ik een kind was, brachten waarheen ik wilde, hebben hunne kracht verloren. Het is niet, dat zij mij geheel en al den dienst ontzeggen, maar tegenwoordig zijn er maar enkele uren waarin ik ze kan uitslaan.”

»Dat had ik van uwe jeugd, die uw schoonste bezit is, niet verwacht,” sprak de Koningin. »Doch het is goed zóó. Ook ik, al is het lang geleden, was eens een kind, en mijn verbeeldingskracht steeg in dien tijd hooger dan de vlucht eens adelaars. Dat mocht zij ook straffeloos wagen. Maar nu.... wie midden in het leven staat, doet wél de wieken te laten rusten. Eensterveling die zich iets anders onderstaat, komt licht te dicht bij de zon, en dan gaat het hem als Icarus, en het was smelt er van weg. Neem dit van mij aan: Voor een kind is de phantasie als voedzaam brood. Later moet men haar alleen als zout, kruiden, of opwekkenden wijn gebruiken. Wel wijst zij ons vele wegen aan, en waarop die uitloopen, maar van de honderd zwerftochten, waartoe zij hem roept, kan de mensch maar één tegelijk ondernemen. Geen lastiger parasiet wordt met meer volharding en stelliger afgewezen dan zij. Wie zou het die verstooteling daarom misduiden, wanneer zij met de jaren minder gaarne in onzen dienst treedt? De wijze houdt altijd een open oor voor haar, doch zelden leent hij haar de helpende hand. En toch, haar uit het leven te verbannen, zou hetzelfde zijn als aan de plant haar bloei, aan de roos haar geur, aan den hemel zijn sterren te ontnemen.”

»Iets dergelijks heb ik ook dikwijls als het leven mij bedroefde, tot mijzelve gezegd, hoewel in minder heldere en schoone bewoordingen,” hernam Barine licht blozend; want zij voelde dat deze toespraak toch wel bestemd was om haar te waarschuwen, voor al te hoog vliegende wenschen. »Maar edele vrouw, ook hierin hebben de goden u, de groote Koningin, boven ons allen bevoorrecht. Ons leven zou bedroevend arm worden, zonder de phantasie, die ons denkbeeldige goederen schenkt. Gij bezit de macht uzelve duizend dingen te verschaffen die ons, kleinen, alleen door de macht der phantasie bereikbaar voorkomen.”

»Gij denkt,” hervatte de Koningin, »dat het met het geluk evenzoo gaat als met den rijkdom, en die mensch de gelukkigste is, die den meesten voorspoed geniet. Ik geloof echter dat ik u spoedig genoeg het tegendeel zou kunnen bewijzen. Het gezegde: »hoe meer iemand heeft, des te minder behoeft hij te wenschen” is ook onwaar, ofschoon hier op aarde slechts een bepaald aantal begeerenswaardige zaken te vinden is. Wie van de tien solidi die er te verdeelen zijn, er reeds één bezit, moest eigenlijk nog maar negen solidi's begeeren, en zou dus één wensch armer zijn dan die andere, die er geen heeft. Maar zóó gaat het in de wereld niet. Dat de goden mij met ettelijke vergankelijke gaven meer belast of bevoorrecht hebben dan u en vele anderen, valt niet te loochenen. Gij schijnt u daarvan een hoog denkbeeld te vormen. Misschien is er ook wel de eene of andere onder, die gij u alleen met de hulp der verbeeldingskracht zoudt kunnen toe eigenen. Mag ik vragen welke u het allerbegeerlijkst toeschijnt?”

»Ik verzoek u,” zeide Barine verlegen, »mij van deze keus te verschoonen. Uit uwen voorraad heb ik niets noodig, en wat andere zaken aangaat.... Er ontbreekt mij nog zooveel; het is ook niet zeker hoe het edelste en hoogste uit den schat van dewondervol begaafde lieveling der goden passen zou bij het geringe en kleine, dat ik het mijne mag noemen en ik weet niet....”

»Dat is een zeer gerechte twijfel,” viel de Koningin haar in de rede. »Een lamme, die een paard wenschte te bezitten, ontving dat, en bij den eersten rit brak hij zijn nek. Het eenige—het is ook het hoogste—dat zeker tot gelukzaligheid leidt, laat zich niet wegschenken, en van den een op den ander overbrengen. Wie het verworven heeft, dien wordt het mogelijk in het volgende oogenblik al weder ontroofd.”

Die laatste zin had de Koningin zacht en nadenkend uitgesproken, doch Barine herinnerde zich het verhaal van Archibius en zeide op bescheiden toon: »Gij denkt aan het hoogste goed van Epicurus: de volmaakte rust der ziel.”

Op eens kwam er in Cleopatra's oogen een nieuw helder licht en zij vroeg met levendige belangstelling: »Gij kleindochter van een denker, kent gij ook de leer van dien meester?”

»Slechts oppervlakkig, groote Koningin. Mijn geest is van een geringere soort dan de uwe. Het kost mij moeite mij in een geheel philosophisch leer-gebouw tot in den kelder en de verst afgelegen kamers toe, tehuis te gevoelen.”

»Maar hebt gij het wel eens beproefd?”

»Veeleer hebben anderen zich moeite gegeven mij binnen te leiden in de Stoa. Het meeste ben ik vergeten, maar één ding is mij bijgebleven, en ik weet wel waarom: het behaagde mij.”

»En wat is datééne?”

»Het is het gebod om verstandig te leven, dat is: zóó als onze eigen natuur ons voorschrijft. Het bevel, om alles te vermijden wat in tegenspraak is met de eenvoudige manier van doen, die ons oorspronkelijk eigen is, trok mij aan, en overal waar ik iets gekunstelds, gemaakts, opgesierds zag, daar voelde ik mij afgestooten. Uit al de lessen van mijn grootvader leidde ik deze wet af: dat ik voor mijzelve en alle verstandige lieden niets beters kon doen dan, voor zoover het leven toelaat, zoo te blijven als ik als kind was geweest, eer ik nog het eerste woord van philosophie gehoord en den dwang gevoeld had, dien de samenleving en hare vormen ons opleggen.”

»Dus ook dáártoe komt men door de Stoa?” riep de Koningin opgewekt uit, en terwijl zij zich naar de deelgenoot van haar eigen studies keerde, voegde zij er bij: »Hebt gij het gehoord, Charmion? Ware het ons maar gelukt, de redelijkheid en ongestoorde, doelmatige orde van het leven in de wereld te erkennen, waaraan de Stoa, die zooveel verkeerds, ziekelijks, tot tegenspraak uitlokkends eischt, bijna al het andere vastknoopt. Hoe kan ik, om verstandig te leven, doen als de natuur, wanneerik in haar worden, zijn en werken, zooveel ontmoet wat met mijn menschelijke rede, die een deel der goddelijke is, zoo beslist in tegenspraak is?”

Hier hield zij op, en haar gelaat veranderde plotseling van uitdrukking. Zij was dicht naar Barine toe gegaan, en toen zij tegenover haar stond, was haar blik op den gesneden steen gevallen, die haar bovenarm versierde.

Was het dit gezicht, dat Cleopatra op eens zóó heftig bewoog, dat hare stem alle liefelijke welluidendheid verloor, toen zij ruw en misnoegd voortging: »Dat is dus de bronwel van al dit onheil? Reeds als kind was ik afkeerig van die willekeur, die verstandig moest heeten, en die in de wereld voor zedelijke strengheid doorgaat. Ja, dat is het! Hoort gij den storm wel huilen? Evenals daarbuiten, zijn er ook in de menschelijke natuur onweders en verwoestende vulkanen, en het eigenlijke wezen van een sterveling is even vol van zulke woeste krachten als de streek van den Vesuvius of den Etna. Wat er van komt als men daaraan toegeeft, daarvan zien wij hier een levend voorbeeld. Wel zeker! DenStoïcijnis het verboden de harmonie en de schoone orde der dingen van het leven, en ook die welke de staat, als bijzondere godheid, voorschrijft, te verstoren. Maar onze natuur te volgen waarheen zij ons ook voert—dat is een waagstuk, zóó gevaarlijk, dat wie de macht heeft daaraan bijtijds paal en perk te stellen, verplicht is dat te doen.—En ik bezit die macht, en ik zal er gebruik van maken!”

Daarop ging zij met ijzeren strengheid voort: »Evenals het tot de eischen uwer natuur, vrouw, schijnt te behooren, dat gij alles wat man heet tot u lokt en doet ontvlammen, zelfs al droeg het nog niet het ephebengewaad, zoo lijkt het ook gesteld te zijn met uw welbehagen in ijdele versieringen. Of”—en zij strekte de hand uit naar den schouder der jonge vrouw—»of hoe komt in dit middernachtelijk uur deze armband aan uw arm?”

Barine had met toenemenden angst de groote verandering in de houding en den toon der Koningin opgemerkt. Zij zag nu een herhaling van hetgeen er op het Adonisfeest was gebeurd, en ditmaal wist zij wat de jaloezie van Cleopatra opwekte. Zij, Barine, droeg een geschenk van Antonius aan haar arm. Doodsbleek zocht zij naar een gepast antwoord, doch vóór zij dat gevonden had, trad Iras op de opgewonden Koningin toe en zeide: »Deze armband is de wedergade van dien, welke uw doorluchtige gemaal u heeft vereerd. Ook deze is zeker een geschenk van Marcus Antonius, ditmaal aan de zangeres. Zij houdt, evenals iedereen, den edelen imperator voor den grootsten man van zijn tijd. Wie kan het haar dan ten kwade duiden dat zijzijn geschenk waardeert, en dat zelfs in den slaap niet afgelegd?”

Barine had bij deze woorden weder de gewaarwording alsof een doorn haar stak. Met hoeveel kracht echter de bitterheid van straks weder bij haar opwelde, toch dwong zij zich de gepaste kalmte te bewaren en spande zich in om een geschikt wederwoord te vinden. Maar zij vond het rechte niet, en zweeg.

Wat zij gezegd had, was de waarheid. Van jongsaf had zij, zonder naar het oordeel der menschen te vragen, zooals de Stoïcijnsche leer haar voorschreef, haar eigen aard gevolgd, en dat had zij gerust kunnen doen omdat deze aard zuiver was, waar, op het schoone gericht, en daarbij vrij van die onbedwingbare, vulkanische driften, die de Koningin bedoelde. Die opgeruimde gemoedsgesteldheid was tevreden geweest in het beoefenen van haar kunst en den gezelligen omgang met mannen, die haar vergunden deel te nemen aan hun opgewekt geestelijk leven. Eerst op dezen dag had zij ondervonden, dat de eerste groote liefde van haar hart beantwoord werd. Thans was zij aan haar geliefde vast verbonden, en zij wist, rein en vrij van schuld als zij zich gevoelde, dat zij meer gerechtigd was achting te vorderen, ook van de strengste zederechters, dan de Koningin die haarvonniste, en die andere boosaardige vrouw die niet opgehouden had bij Dion met hare liefde aan te komen.

Het smartelijke gevoel van misverstaan en onrechtvaardig veroordeeld te worden, paarde zich nu aan de vrees voor het schrikkelijk lot, dat de alvermogende vrouw, wier heldere geest nu door lage jaloezie en den wrok van een gekwetst moederhart beneveld werd, over haar kon doen komen, en deed haar geheel verstommen. Bovendien bracht haar het vijandige gevoel dat het gezicht van Iras bij haar opwekte, in verwarring. Twee- driemaal raapte zij haar geestkracht bijeen om een verklaring, een verdediging te beproeven, doch haar tong weigerde haar geheel en al den dienst. Toen Charmion eindelijk naar haar toekwam om haar toe te spreken, was het reeds te laat, want de vertoornde Koningin had haar den rug toegekeerd en Iras toegeroepen: »Zij moet op de Lochias blijven. Haar schuld is bewezen;—doch het komt de beleedigde partij, de aanklaagster, niet toe haar vonnis uit te spreken. Dat blijft overgelaten aan den rechter, in wiens handen wij haar stelden.”

Nu kreeg Barine haar spraakvermogen terug. Hoe kon Cleopatra beweren dat zij overtuigd was van een misslag, zonder hare verdediging aan te hooren? Zoo zeker als zij zich onschuldig voelde, moest zij ook kunnen bewijzen dat zij dat was, en in deze overtuiging riep zij de Koningin op roerend smeekenden toon achterna: »O, mocht Uwe Majesteit niet heengaan zonder mij gehoord te hebben! Zoo waar ik geloof aan uwerechtvaardigheid, mag ik van u vragen mij nog éénmaal het oor te leenen. Geef mij niet over aan de willekeur van deze vrouw die mij haat, omdat ik de uitverkorene ben van den man, dien zij....”

Hier viel de Koningin haar weder in de rede. De vorstelijke waardigheid verbood haar te luisteren naar de jaloersche beschuldigingen van vrouwen onderling, doch met het fijne gevoel, waarmede de eene vrouw de gezindheid der andere doorziet, hoorde zij duidelijk in den klagenden uitroep van Barine, dat deze oprecht geloofde, dat zij te streng beoordeeld werd. Zij had misschien ook reden om aan den haat van Iras te gelooven, en Cleopatra wist hoe haar jonge vertrouweling allen die haar mishaagden, zonder mededoogen vervolgde. Haar raad, om de zangeres uit den weg te ruimen, had zij ook reeds moeten van de hand wijzen, en daarvoor beefde zij ook nog altijd terug, want alles wat in haar was, waarschuwde haar, om hare ziel niet juist nu met een nieuwe misdaad te belasten, die haar rust verstoren kon. Daarbij was er in dit eigenaardig, bevallig schepsel veel wat haar in den aanvang had aangetrokken; maar de grievende gedachte, dat Antonius haar en de dochter van den schilder, één en hetzelfde geschenk gegeven had, beheerschte haar nog in zulk een mate, dat zij de uiterste grens van genade en zelfbeheersching meende bereikt te hebben, toen zij, zonder zich tot een bepaalde persoon te wenden, nog eens in de zaal uitriep: »Op dit verhoor zal nog een ander volgen. Als de tijd daarvoor gekomen is, moet de beschuldigde ter beschikking van den rechter zijn, en daarom blijft zij op de Lochias in verzekerde bewaring. Ik wil, dat haar geen leed worde gedaan. Gij zijt haar genegen, Charmion. Voorloopig vertrouw ik haar aan u.Alleen,” voegde zij er met verheffing van stem bij, »vrees mijne ongenade, wanneer haar de mogelijkheid wordt gegeven het paleis, al is het maar voor één oogenblik te verlaten, en omgang te hebben met een ander, wie dat ook zij.”

Hierop verliet zij de zaal, en begaf zich naar hare eigen vertrekken. Zij had den nacht tot dag gemaakt, niet alleen om spoedig af te doen wat in hare oogen geen uitstel duldde, maar nog meer omdat zij sedert gruwde van de rustelooze uren op hare eenzame legerstede. Die wilden nooit een eind nemen, en zoo zij zich vroeger gaarne al de pracht en weelde te binnen riep waarmede zij haar leven met Antonius had omringd, zoo verweet zij zich nu, dat zij het geluk van haar volk roekeloos had verspeeld. Het tegenwoordige scheen haar ondragelijk toe, en uit de toekomst zag zij een heirleger droeve zorgen op haar aanstormen.

De volgende dagen brachten allerlei bezigheden meê, en deKoningin sleet halve nachten op de sterrenwacht. Naar Barine had zij nog niet weder gevraagd. Op den vijfden avond liet zij zich door Alexas naar de kleine sterrenwacht brengen, die haar vader op de Lochias had doen oprichten. De gunsteling van Antonius wist haar daar te bewijzen dat een ster, die de hare sinds lang bedreigd had, de planeet was der vrouw, die zij nu even zorgeloos scheen vergeten te hebben, als vroeger zijne waarschuwing voor dezelfde vijandin.

De Koningin gaf dit niet toe, maar hij ging vol ijver voort:

»In den nacht na uwe terugkomst, beweest gij weder uwe goedheid in hare onuitputtelijke, voor ons, die niet zoo edel zijn als gij, onbegrijpelijke volheid. Met diepe ontroering woonden wij toen onder dat belangwekkend verhoor, het treffend schouwspel bij, hoe het grootste van alle harten zich van zijn eigen maatstaf bediende om het kleine en nietige te meten. Dochvóórgij tot een tweede verhoor overgaat, gebieden mij de toekomst-voorspellende zwervelingen daar boven, u nog éénmaal te waarschuwen. Iedere gelaatstrek van die vrouw was vooruit berekend, ieder woord had zijn bedoeling, iedere klank harer stem moest iets uitwerken. Wat zij ook gezegd heeft, en nog zeggen zal, het kan niets anders bedoelen dan mijne verhevene gebiedster te bedriegen. Nog is het tot geen eigenlijk verhoor gekomen. Doch als gij daartoe zult overgaan, dan.... Wat zal zij niet maken van de geschiedenis van Marcus Antonius, Barine, en de beide armbanden? Dat zal een meesterstuk worden!”

»Weet gij hoe het zich werkelijk toegedragen heeft?” vroeg Cleopatra, en hare vingers sloten zich vaster om de stift, die zij in de hand hield.

»Als dat zoo was,” antwoordde Alexas met een veelbeteekenenden glimlach, »dan zou de stilzwijgende heler den steler niet mogen verraden.”

»Ook niet wanneer de bestolene, uwe Koningin, u beveelt het onrechtmatig verkregen goed terug te geven?”

»Tot mijn spijt moet ik zelfs in dat geval gehoorzaamheid weigeren; want zie, edele vorstin! er zijn slechts twee heldere hemellichamen, waarom mijn donker leven zich draait. Zou ik de maan verraden, als ik er zeker van ben dat ik daardoor niets uitwerk dan de warme lichtkracht der zon te verduisteren?”

»Wil dat zeggen dat uwe mededeeling mij, de zon, krenken zou?”

»Ja, wanneer uwe groote ziel ten minste niet te hoog staat om bereikt te worden door de schaduwen, die vrouwen van veel geringere soort dan gij, met onbegrijpelijke zucht tot zelfkwelling op zich neer doen dalen.”

»Denkt gij dat uwe woorden aangenamer worden door de sluiers die gij er over heen hangt? Trouwens, zij zijn doorschijnend, en hinderen het oog maar weinig. Gij gelooft dat mijne ziel vrij van jaloerschheid en van andere zwakheden van mijn geslacht zou zijn? Daarin vergist gij u. Ik ben een vrouw, en wil dat zijn en blijven. Zooals de Chremes van Terentius zegt, dat hij een mensch is, en niets wat menschelijk is hem vreemd, zoo aarzel ik niet mijn aandeel te bekennen in alles wat vrouwelijk is. Anubis heeft mij verteld van een Koningin uit den ouden tijd, van wie de opschriften niet mochten zeggen: »Zij,” maar »hij kwam,” of: »hij, de heerscheres, overwon!”Die dwaze! Wat mij betreft, mijne vrouwelijkheid staat in mijn schatting niet minder hoog dan de kroon. Ik was vrouw, eer ik Koningin werd. De menschen knielen nu zelfs voor mijn ledigen draagstoel neer, maar toen ik in jonger jaren met Antonius in dollen overmoed, verkleed door de straten liep om een feestterrein uit te zoeken, toen keken de jongelingen hunne oogen naar mij uit, en telkens hoorde ik achter mij: »Een schoon paar menschen!” Ja, dan mocht ik met fieren moed naar huis gaan. Maar er was nog iets grooters voor de vrouw te ondervinden. Wanneer het hart der Koningin troon en scepter vergat; wanneer in de heerlijke uren die door Eros waren gewijd, van mijn eigen ik niets overbleef dan de vrouw, dan was er een zaligheid te genieten, zooals de man die niet kent, daar hij enkel gelukkig wil zijn, terwijl wij.... Doch wat kunt gij mannen, die slechts vraagt en begeert, van de zaligheid van het geven en de toewijding weten?.... Ik ben een vrouw, en boven geen enkele aandoening van het vrouwengemoed verheven, want ik zou het niet willen zijn. En daarom, wat ik nu vraag, dat vraag ik u niet als Koningin, maar als vrouw.”

»Als dat het geval is,” viel Alexas in, met de hand op het hart, »dan legt gij mij geheel en al het stilzwijgen op; want indien ik aan de vrouw Cleopatra bekennen wilde wat in mijn ziel omgaat, dan zou ik mij aan een dubbele misdaad schuldig maken. Ik zou mijn belofte van geheimhouding verbreken, en den vriend verraden, die zijn verheven gemalin mede aan mijne bescherming heeft toevertrouwd.”

»Nu wordt de duisternis mij al te groot,” antwoordde Cleopatra en hief daarbij trotsch het hoofd op. »Of, indien het mij behaagde den sluier op te lichten, dan moest ik u wijzen op de grenzen....”

»Die aan de Koningin zijn gesteld,” voltooide de Syriër den volzin, terwijl hij onderdanig boog. »Daar ziet gij het al! Het behoort werkelijk tot de onmogelijkheden, de vrouw af tescheiden van de vorstin. Wat mij betreft, ik wil de eene niet in het harnas jagen tegen den al te vermetelen vereerder, en tegelijk jegens de andere de verschuldigde gehoorzaamheid in acht nemen. Daarom verzoek ik u, van den armband en al wat daar pijnlijks aan verbonden is, op iets anders over te gaan. Wellicht zal de schoone Barine zelve u dat alles nog eens bekennen, en voegt zij er dan nog bij, hoe zij den beminnelijken zoon van den grootsten aller mannen en de bewonderenswaardigste aller moeders, den jongen koning Cæsarion, in hare netten gevangen heeft.”

De oogen der Koningin begonnen te fonkelen, en misnoegd riep zij uit: »Zooeven zag ik den knaap als van demonen bezeten. Hij wilde het verband van zijn wond rukken, indien men hem de vrouw, die bij beminde, niet gunde. Het ligt voor de hand aan een tooverdrank te denken, en zijn gouverneur wijt natuurlijk alles aan magische kunsten. Charmion verzekert daarentegen dat zijne bezoeken de verleidster verdroten en haar zelfs beangstigd hebben. Alleen door een streng verhoor zal daarin licht te krijgen zijn. Wij zullen eerst de terugkomst van den imperator afwachten. Denkt gij, dat hij weder de zangeres zal bezoeken, als hij terug is? Gij zijt het meest in zijn vertrouwen. Beoogt gij zijn welzijn, en is u ook aan mijne gunst iets gelegen, dan aarzelt gij nu niet langer en beantwoordt mijn vraag.”

De Syriër liet het voorkomen alsof hij het na een moeielijken inwendigen strijd eindelijk met zichzelf eens geworden was, en gaf met vastheid ten antwoord:»Zeker en stellig zal hij Barine bezoeken, wanneer gij hem daarvan niet terughoudt. Alles zou zeker op de allereenvoudigste manier uitgemaakt worden, wanneer men....”

»Nu?”

»Wanneer men hem dadelijk bij zijn landing meedeelde dat zij niet meer te vinden is. Ik zelf zou bijzonder gaarne deze opdracht van mijn koninklijke Zon ontvangen.”

»En denkt gij dat het een weinig het licht van uwe maan benevelen zou, indien hij haar hier te vergeefs zocht?”

»Even zeker als het tegendeel het geval zou zijn, indien hij de onvergelijkelijke heerlijkheid zijner Zon steeds zoo dankbaar besefte als zij het verdient. Zoo lang Helios aan den hemel prijkt, duldt hij geen andere sterren naast zich. Zijn glans dooft dien van alle anderen uit. Mijne Zon gebiedt, en het kleine sterretje Barine verdwijnt.”

»Houd op! Nu weet ik wat gij bedoelt. Maar een menschenleven is niet zoo gering te tellen, en deze vrouw heeft een moeder. Daarom moet ik eerst overwegen en bepeinzen of erook nog iets anders is dan dit uiterste redmiddel. Het moet met allen mogelijken spoed en met goeden wil geschieden.... Maar ik.... Nu, terwijl het lot van mijn land, van mijzelve en mijne kinderen op het spel staat, nu geen kwartieruurs mijzelve toebehoort, en er geen eind komt aan het schrijven en raadplegen, mag ik mijn tijd niet met dergelijke dingen verbeuzelen. De werkzame geest....”

»Dien moet het vergund zijn zich ongehinderd op zijn vleugelen te verheffen,” riep de Syriër met vuur. »Laat de oplossing van kleinere vraagstukken gerust aan vertrouwde vrienden over.”

Hier werden zij gestoord door den »binnenleider” die de komst van den Regent Mardion meldde. Hij liet zeggen, dat hij kwam voor zaken, die geen uitstel konden lijden, ofschoon het reeds zoo laat was.

Alexas geleidde de Koningin in het tablinum, waar zij den eunuch reeds vonden. Een slaaf droeg hem een zak vol briefrollen na, die hem zooeven gebracht waren door twee boden uit Syrië. Daar waren eenige onder, die onmiddellijk moesten beantwoord worden. Met hem wachtten ook de zegelbewaarder en de Exegeet. Deze waren zoo laat gekomen om te overleggen, welke maatregelen er moesten genomen worden tegenover de opgewonden burgerij. Den vorigen dag hadden allen die op de vloot waren overgebleven, op versierde schepen alsof er een overwinning was behaald, hun intocht in de haven gedaan. Eerst waren de terugkeerenden luide toegejuicht, maar met de snelheid van den wind had zich de tijding van de nederlaag bij Actium verspreid. Thans waren er samenrottingen onder de menigte; vóór het Sebasteum waren al allerlei bedreigingen geuit; op het Serapeumplein had men de hulp der troepen moeten inroepen, en er was reeds bloed gevloeid.

Daar lagen de briefrollen. De zegelbewaarder maakte de opmerking dat ook voor het kanaal nieuwe volmachten noodig waren, en de Exegeet verzocht dringend om een beslist antwoord.

»Het is wel veel!” mompelde Cleopatra bij zich zelve. Maar daarna richtte zij zich hooger op, en riep: »Welaan dan, aan het werk!”

Doch Alexas liet het daartoe nog zoo spoedig niet komen, want hij naderde ootmoedig, en terwijl zij zich aan de groote schrijftafel zette, fluisterde hij: »En kan mijn hooge gebiedster onder al die gewichtige zaken nog tijd en denkkracht verspillen aan die rustverstoorster? Uwe goddelijke Majesteit lastig te vallen met deze beuzeling, is misdaad, maar zij moet worden gepleegd, want als deze zaak onafgedaan blijft, dan kan uit het sijpelende beekje een bergstroom worden....”

Cleopatra, wier blik juist op een noodlottigen brief van KoningHerodes gevallen was, keerde haar gelaat ten halve naar den gunsteling van haar gemaal, en riep met gloeiende wangen hem enkel toe: »aanstonds.”

Vervolgens liep zij den brief vluchtig door, schoof dien driftig ter zijde, en liet den wachtenden Alexas gaan, met den ongeduldigen uitroep: »Zorg gij dan maar voor het verhoor, en wat daarbij behoort. Geen onrechtvaardigheid, maar ook geen ongepaste goedertierenheid. Ik zal zelf nog een blik slaan in deze onaangename zaak, eer de imperator terugkeert.”

»En de volmacht?” vroeg de Syriër weder met een diepe buiging.

»Die hebt gij. Hebt gij iets op schrift noodig, wend u dan tot Zeno. In een rustiger uur spreek ik u weder.”

De Syriër trok zich terug, doch Cleopatra keerde zich tot den eunuch en riep gloeiend van opgewondenheid, terwijl zij op den brief van den Koning der Joden wees: »Hebt gij ooit schandelijker ondankbaarheid gezien? De ratten denken dat het schip zinkt, en dat het voor hen tijd wordt het te verlaten. Als wij er in slagen het boven water te houden, dan komen zij bij troepen terug, en dat moet, moet, moet geschieden, ter wille der zelfstandigheid van dit dierbare land... En de kinderen, de kinderen!—Alle krachten moeten worden ingespannen, alle middelen uitgedacht en gebruikt. Op ieder wankelend vertrouwen zullen wij zoolang hameren, totdat het aan het harde staal der zekerheid gelijk wordt. Wij zullen de nachten veranderen in dagen. Het kanaal zal onze vloot behouden, in Afrika zal Marcus Antonius zeker Pinarius Scarpus vinden met nog versche, trouwe legioenen. De zwaardvechters zijn ook op onze hand. Die zullen wij gemakkelijk voor ons winnen, en nog allerlei andere gedachten dwarrelen in mijn hoofd. Maar eerst naar de Alexandrijnen. Geen geweld!”

Nu volgde nog het ééne bevel op het andere, en zij beloofde, als het noodig was zich aan het volk te zullen vertoonen.

De Exegeet aanvaardde vol bewondering hare heldere en verstandige opdrachten. Nadat hij zich met zijn metgezellen verwijderd had, richtte de Koningin zich weder tot den Regent, en zeide: »Het was toch goed, dat wij hen eerst verblijdden met dit bericht van de overwinning. De onverwachte ongelukstijding zou hen, ik weet niet tot welke waanzinnige daad hebben gebracht. Ontgoocheling is een meer alledaagsche pijn, waartegen minder sterke middelen reeds helpen. Buitendien was hier veel te regelen, vóór zij wisten dat ik er reeds was. Wat hebben wij niet al ten uitvoer gebracht, Mardion! Maar ik heb mij dan ook nog niet eens recht het genot van mijn kinderen gegund! Mijn oudste vrienden, zelfs Archibius, moest ik afschepen metde belofte van later met hem te zullen spreken. Als hij terugkomt, moet hij bij mij worden toegelaten. Ik heb reeds last daartoe gegeven. Hij kent Rome. Ik moet hem hooren over de zaken, die ik behandeld wil hebben.”

Plotseling overviel haar een huivering; zij drukte de hand tegen het voorhoofd en riep: »Octavianus de overwinnaar, Cleopatra de overwonnene! Ik, die voor Cæsar alles was, genade afbedelend van zijn erfgenaam! Ik, ik een smeekeling voor den broeder van Octavia! Doch neen, neen!.... Er zijn nog honderd manieren mogelijk om zoo iets vreeselijks te voorkomen. Wie het veld wil dwingen vruchten voort te brengen, moet echter vlijtig graven, water scheppen, ploegen en zaaien. Aan het werk dus, aan het werk!.... Als Antonius terugkomt, moet hij alles gereed vinden. Bij den eersten goeden uitslag krijgt hij zijn verloren kracht tot handelen terug. Ik heb dien brief dààr reeds doorgevlogen terwijl ik met den magistraat der stad sprak.... nu zal ik het antwoord dicteeren.”

En zoo zaten zij te lezen en te schrijven, liet zelve schrijven, luisterde, gaf antwoord en deelde bevelen uit, totdat het licht werd in het Oosten, de morgenster verbleekte, en de afgematte Regent haar dringend verzocht te denken aan haar eigen kracht en zijn jaren, en hem eenige uren rust toe te staan.

Toen liet zij zich eindelijk naar haar slaapvertrek leiden, waar het zoo donker mogelijk gemaakt was. Ditmaal sloot een zoete, droomlooze slaap spoedig haar oververmoeide oogen, en hield die gesloten, totdat zij gewekt werd door het luide geschreeuw der menigte, die gehoord had dat de Koningin teruggekeerd was, en daarom naar de Lochias was geijld.


Back to IndexNext