»En gij—als zij de ontzettende daad begaat.... ik kan slechts vermoeden wat gij bedoelt.... Doch als zij afdaalt van de hoogte, waarop zij zich tot nu toe staande gehouden heeft—zoudt gij dan nog bereid zijn....”
»Voor mij,” viel hij haar met kalmte in de rede, »is het de vraag niet meer wat zij zal doen of niet doen. Zij is ongelukkig, en zal nog dieper, veel dieper zinken. Dat weet ik, en juist dat dringt mij haar met opoffering van alle krachten te dienen. Ik behoor aan haar, zoo goed als de kluizenaar die zich aan Serapis heeft gewijd, aan zijn god. Ieder van zijn gedachten is voor hem. Den god, die hem schiep, wijdt hij lichaam en ziel tot in den dood, dien hij over hem beschikt. De banden die mij hechten aan deze vrouw—gij kent de oorsprong daarvan—zijn niet minder onverbrekelijk. Wat zij wenscht en wat mij bij de vervulling daarvan, niet dwingt mij zelven te verachten, dat sta ik haar bij voorbaat toe.”
»Zoo iets” riep Charmion uit, »zal zij zeker niet verlangen van den vriend harer jeugd.” Daarop ging zij naar hem toe, strekte hare beide handen naar hem uit, en ging met blijde ontroering voort: »Zóó moest gij juist gevoelen en spreken, en daarin ligt ook het antwoord op de vraag, die sinds gisteren mijn ziel bezig houdt. De vlucht van Barine, de genade en ongenade van onze gebiedster, Iras, mijn arm hoofd dat voor staatkunde terug deinst, terwijl Cleopatra juist in dezen tijd een scherpzinnige vertrouweling noodig heeft....”
»In het geheel niet,” viel haar broeder haar in de rede. »Het komt alleen aan mannen toe haar in deze dingen raad te geven. Ik verwensch dat gewauwel van vrouwen aan de toilettafel! Dat heeft reeds menigen wel doordachten raad der verstandigste mannen in den wind doen vervliegen, en nooit kon het staatsbeleid van eene Iras noodlottiger worden dan juist nu, indien het lot niet reeds het laatste woord gesproken had.”
»Dus dit bezwaar is ook opgeheven!” riep Charmion levendig uit, »dan weet ik voor mij zelve wat ik doen zal! Zooals altijd, wijst gij mij ook nu weder den rechten weg. Het is waar, ik had het mij verrukkelijk schoon voorgesteld op het landgoed dat wij Irenia—Vrede-oord—noemden, of te Kanopus in het lieve, kleine paleis, de jaren die mij nog gegeven zullen worden, in rust door te brengen, en terug te keeren tot alles wat onze kinderjaren zoo heerlijk heeft gemaakt. De philosofen, de bloemen in den tuin, de dichters—ook die nieuwe Romeinsche, waarvan Timagenes ons zulke verrukkelijke proeven zond, zouden onze eenzaamheid veraangenamen. Het kind, de dochter van den man, van wiens liefde ik afstand deed, en misschien later ook hare knapen en meisjes, zouden voor mij als mijn eigen kinderen zijn. Even dierbaar als zij Leonax zouden geweest zijn, zoo hartelijk zou ik ook hen hebben bemind.—Zóó heb ik in stille uren dikwijls de toekomst gezien. Maar dezelfde Charmion, die, toen haar hart nog warmer klopteen het leven voor haar open lag, hare eerste vurige neigingen offerde op het altaar der vriendschap voor hare vorstelijke speelnoot, zou die nu, uit zelfzuchtige beweegredenen, Cleopatra in het ongeluk verlaten? Neen! Neen!—Evenals gij, behoor ook ik—er kome van wat wil—aan de Koningin!”
Van zijne instemming overtuigd, zag zij haar broeder in het gelaat, doch deze maakte een handgebaar en antwoordde met ernst: »Neen, Charmion! Wat ik als man op mij neem, zou voor u noodlottig kunnen worden....Het tegenwoordige is niet zoet genoeg om dat te verbitteren met alsem uit de toekomst. En toch!.... Gij moet een enkelen blik slaan in haar duister rijk om mij te verstaan. Gij kunt zwijgen, en wat gij hooren zult, blijft een geheim tusschen ons beiden. Slechts één ding,” en hij liet zijn stem dalen, »slechts één kan haar redden: de moord van Antonius of een schandelijk verraad, dat hem in de handen van Octavianus doet vallen. Dat is het wat Timagenes mij heeft doen inzien.”
»Dat?” vroeg zij dof, en liet haar grijzend hoofd op de borst vallen.
»Ja, dat is het,” herhaalde hij met vastheid. »En als zij voor de verzoeking bezwijkt en ontrouw wordt aan de liefde die haar gansche leven heeft doorstroomd, zooals de Nijl het land harer vaderen, dan, Charmion, blijf haar dan, onder iedere voorwaarde getrouw, en hecht u vaster aan haar dan ooit; want dan, zuster, zal zij ongelukkiger zijn, tien- honderdmaal ongelukkiger dan wanneer Octavianus haar alles, misschien zelfs het leven ontneemt.”
»En dus verlaat ik haar niet, maar wat er ook gebeurt, ik blijf bij haar tot aan het eind,” riep Charmion met vuur. Doch Archibius sloeg geen acht op deze geestdrift en warmte, die zijne kalme zuster anders niet eigen waren, en ging bedaard voort: »Zij heeft ook u voor zich gewonnen, en het schijnt u nu onmogelijk toe u van haar los te scheuren. Velen is het evenzoo gegaan, en dat heeft niemand tot schande gestrekt. Het ongeluk is als het ijzer, dat alledaagsche naturen als een zwaard van elkander scheidt, en edele als met een hamer des te vaster aaneen smeedt. Het schijnt u daarom juist nu dubbel moeilijk haar te verlaten; maar gij hebt liefde noodig. Het recht om te leven en uzelve te behoeden voor den droevigsten achteruitgang, komt u even goed toe als die merkwaardige vrouw op den troon. Houd aan haar vast zoolang gij zeker zijt van hare liefde, en blijf haar getrouw door alles heen, tot aan het eind. Doch de redenen die u van haar willen aftrekken en voeren tot de boeken, de bloemen en de kinderen, wegen zwaar, en als het u ontbreekt aan den dauw van hare liefde en genade, dan zieik reeds hoe gij jammerlijk wegkwijnen zult. De koude die van Cleopatra uitgaat, wanneer haar hart voor u is verkoeld, de speldeprikken die Iras u, die weerloos zijt, geven zal, zouden u te gronde richten. Dat mag zoo niet zijn, zuster, dat willen wij verhoeden.... Neen, laat mij uitspreken! Ik heb den raad dien ik hoop dat gij volgen zult, goed overwogen. Indien gij bemerkt dat de Koningin u nog altijd liefheeft als in vroeger dagen, blijf dan bij haar; doch als gij het tegendeel ondervindt, zeg haar dan morgen reeds vaarwel. Mijn Irenia is het uwe...”
»Maar zij bemint mij, en als zij dat niet meer deed...”
»De toetssteen daarvan ligt voor de hand. Wij zullen aan haar zelve de beslissing overlaten. Gij bekent haar dat gij het waart die Barine hielpt om zich te onttrekken aan haar straffende hand.”
»Archibius!”
»Zoo gij dat niet doet, zoudt gij een geheele keten van leugens moeten smeden. Let wel op, of het kleine in haar karakter, dat haar dreef om de dochter van Leonax in de hand van een onwaardige te geven, sterker is dan het groote! Onderzoek of zij de zelfopofferende trouw, die gij haar uw geheele leven hebt gewijd, wel waard is. Als zij, in weerwil van deze bekentenis, voor u blijft wat zij altijd is geweest....”
Hier werd hij in de rede gevallen door de Nubische, die kwam vragen of hare meesteres, ondanks het late uur, Iras nog even zou willen te woord staan.
»Laat haar binnenkomen,” antwoordde Archibius na een vluchtigen blik van verstandhouding op zijn zuster die nog zeer bleek zag, sedert hij haar dien eisch had gesteld. Dat merkte hij op, en zoodra de dienares zich had verwijderd, greep hij Charmions hand en zeide met vertrouwelijke hartelijkheid: »Ik heb u alleen maar mijn gevoelen gezegd, maar op onzen leeftijd moet men met zich zelve te rade gaan, en gij zult ook ditmaal zeker toch wel het rechte vinden.”
»Ik heb het al gevonden,” zeide zij zacht en met neergeslagen oogen. »Dit bezoek heeft mij tot een spoedig besluit gebracht. Zoover mag het met mij niet komen, dat ik mij voor Iras moet schamen!”
Nauwelijks had zij deze woorden geuit, of de jongere vertrouweling der Koningin kwam de kamer binnen. Zij was gejaagd, en terwijl zij in de welbekende vertrekken onderzoekend rondzag, zeide zij na een korte begroeting: »Niemand weet, waarheen de Koningin gereden is. Mardion heeft reeds in hare plaats de processie ontvangen. Heeft zij u in haar vertrouwen genomen?”
Charmion antwoordde ontkennend, en vroeg op hare beurtof Antonius al aangekomen was, en hoe zij dien gevonden had.
»Treurig,” luidde het antwoord. »Ik heb mij zooveel ik kon gehaast om de Koningin terug te houden van een mogelijk bezoek aan hem. Doch zij was reeds afgewezen. Het is ontzettend.”
»De ontgoocheling van Parætonium komt nog bij de overige ongelukken,” merkte Archibius op.
»Dat is een veertje in vergelijking met het andere,” voegde Iras er misnoegd bij. »Welk een tooneel! Een ineengekrompen ziel, die nooit overgroot was, in het lichaam van een reus. De afstammeling van Herakles is door zijn tegenspoed geheel ineen gezonken. De zwakke man zal den fieren moed der Koningin nog met zich medetrekken in het stof.”
»Laat ons alle krachten inspannen om dat te verhinderen,” hernam Archibius met vastheid; »de goden hebben u en Charmion aan hare zijde geplaatst, om haar te ondersteunen wanneer de kracht haar ontzinkt. Nu is het de tijd om te toonen wie gij zijt.”
»Ik ken mijn plicht,” gaf Iras bits ten antwoord.
»Bewijs dat dan!” zeide Archibius ernstig. »Gij meent reden te hebben om vertoornd te zijn op Charmion.”
»Wie zoo hartelijk is voor mijne vijanden, zal het zeker wel zonder mijn vriendschap kunnen doen. Waar is uw beschermeling nu?”
»Dat zult gij later wel hooren,” antwoordde Charmion en trad haar nader. »Als het u bekend wordt, zult gij echter meenen nog meer recht te hebben om aan mijne liefde te twijfelen; maar niet om u te krenken, alleen om een wezen dat mij dierbaar is, voor ongeluk te behoeden, ben ik tusschen u en Barine gekomen. En nu wil ik u dit zeggen: Wanneer gij mij gekwetst hadt tot in merg en been, en alles waaraan een Griekenhart waarde hecht mij opriep om mij daarover te wreken,—dan toch zou ik mij nu, juist nu, den dwang aandoen om aan deze neiging geen gehoor te geven, omdat er in deze borst een liefde leeft, die sterker en machtiger is dan de felste haat. Deze liefde hebben wij gemeen. Wees verbolgen op mij, tracht mij, die u tot nu toe als een moeder ter zijde stond, leed te doen en nadeel te berokkenen, doch wacht u mij te berooven van die kracht en vrijheid, die ik noodig heb om aan mijne gebiedster te geven wat ik kan. Ik sprak er zooeven met mijn broeder over, of het voor mij niet geraden zou zijn Cleopatra te verlaten.”
»Nu?” viel Iras driftig uit. »Neen, neen! dat niet! Dat mag niet zijn. Zij kan u niet missen, nu minder dan ooit.”
»Misschien beter dan u” verzekerde Charmion, »doch invele opzichten zouden mijn diensten inderdaad moeilijk te vervangen zijn.”
»Door niemand onder de zon,” riep Iras met warmte uit. »Als zij ook u in deze dagen verliezen moest....”
»Er komen nog donkerder dagen dan deze,” viel Archibius haar in de rede, alsof hij zeker van zijn zaak was. »Misschien zult gij het reeds morgen hooren. Het hangt mede van uw gedrag af, of Charmion aan haar wensch naar rust zal toegeven, of blijven bij de Koningin. Gij wilt dat zij blijven zal, en daarom moet gij haar het volharden niet al te moeilijk maken. Wij drieën, mijn kind, zijn wellicht de eenigen aan het hof, wien het geluk der Koningin nader aan het hart ligt dan ons eigen, en daarom moeten wij niet gedoogen dat het geringste misverstand, wat dat ook zij, onze eendracht verstoort.”
Iras wierp het hoofd achterover, en riep in hevigen toorn uit: »Was ik het dan misschien, die iets tegen u heb misdreven? Ik zou niet weten hoe. Maar Charmion en gij—hoe lang hebt gij het reeds geweten, dat dit hart zich ook voor een andere liefde had geopend; maar gij—juist gijlieden, plaatstet u tusschen mij en hem, op wien mijn hart van jongsaf heeft gehoopt; gijlieden, gij hebt de brug gelegd die Dion met Barine verbindt. Ik had de gehate vrouw in mijn macht, om haar aan hem te ontrukken, en ik dankte de goden daarvoor—maar gijlieden—het is nu niet moeilijk meer te raden wat gij mij nog verzwijgen wilt—gij zult haar helpen, of hebt dat reeds gedaan, om mij te ontkomen. Gij hebt mij de wraak ontstolen, gij hebt de zangeres teruggebracht op den weg, waar hij haar vinden moet, op wien ik een beter en ouder recht heb dan zij. En hij zal zich misschien toch nog wel bedenken wie van ons beter geschikt is, zijn echtgenoot te zijn, indien ten minste Alexas en zijn waardige broeder er niet voor zorgen dat wij weldra tevreden moeten zijn met een doode in liefde te gedenken. Weet dus, dat ik niet het gevoel heb u nog iets verschuldigd te zijn, maar geloof dat Charmion voor al het goede dat zij mij bewezen heeft, ruimschoots betaald is.”
Hierop liep zij ijlings naar de deur, maar op den drempel bleef zij staan, en riep nog eens in de kamer: »Zóó is het met mij gesteld; maar daarom ben ik toch bereid hand in hand met u, als met een vriendin, in alles de Koningin te dienen, want ook gij zijt, zooals ik reeds zeide, noodig tot haar welzijn. In al het overige ga ik zonder u mijn eigen weg.”
Cleopatra had een bezoek gebracht aan den grijzen Anubis, die nu in de hoofdstad als Alexanderpriester aan het hoofd stond van de geheele priesterheerschappij des lands. Het was den tachtigjarigen opperpriester moeilijk gevallen zijn leunstoel te verlaten, maar toch had hij zich naar de sterrenwacht laten dragen om den droevigen uitslag van het onderzoek dat de Koningin had ingesteld, zelf nog eens na te gaan. Doch de stand der sterren aan den hemel was al te ongunstig geweest, om nog vol te houden dat verder verwijderde planeten een verzachtenden invloed hadden, zooals hij in het begin had beweerd, te meer daar Cleopatra zelve zich ook in die studie had verdiept.
Toch had de opperpriester in zijn ontvangzaal verzekerd, dat de redding van hare eigen persoon en de onafhankelijkheid van Aegypte in hare macht stonden, doch de planeten wezen er op dat deze haar een vreeselijk offer kosten zou, waarvan zijne waardigheid, zijn tachtig jaren en zijne liefde tot haar hem intusschen verboden te spreken. Zij was er aan gewend dergelijke duistere gezegden uit zijn mond te vernemen, en had die altijd op hare wijze uitgelegd. Allerlei dingen hadden haar gedrongen nog op dit late uur den grijsaard te gaan bezoeken. In moeilijke omstandigheden had hij haar dikwijls met goeden raad ter zijde gestaan; doch ditmaal was het vooral de tooverbeker van Nektanebus die haar tot hem voerde, welken de pastophoren die hem hadden vergezeld, hem heden hadden teruggebracht; want sinds Actium was dit voorwerp een voortdurende bron van onrust voor haar geweest.
Thans richtte Cleopatra tot den leeraar harer kindsheid de rechtstreeksche vraag: of die bokaal, een schaal met spiegelgladden bodem, inderdaad Antonius er toe gebracht kon hebben den nog onbeslisten slag te verlaten en haar te volgen? Voordatde vloten op elkander stieten, had zij er zich nog van bediend, en deze omstandigheid gaf Anubis aanleiding hare vraag bevestigend te beantwoorden.
Lang geleden had men haar het wondervolle voorwerp in den tempelschat getoond, en haar medegedeeld dat het dengenen, dien het gelukte een ander tot op zijn blanken bodem te doen zien, gegeven was, dien te doen gehoorzamen aan zijn wil. Intusschen was toenmaals haar wensch om hem te bezitten onbevredigd gebleven, en zij had hem niet weder begeerd, eer het haar toescheen dat de onvoorwaardelijke overgave en vurige liefde van Antonius in den laatsten tijd begonnen te verkoelen.
Van dat oogenblik af was zij niet moede geworden haar grijzen vriend te overreden om den wonderbeker aan haar te geven.—In het begin had hij dit met groote beslistheid geweigerd en voorspeld, dat het gebruik van de magische bokaal op haar ongeluk uitloopen zou; doch toen haar wensch was gevolgd door een streng bevel, en de bokaal haar was toevertrouwd, had Anubis zelf geloofd, dat alleen dit ééne voorwerp de toovermacht bezat, die men daaraan toeschreef. Ook vond hij in den beker het zekerste bewijs voor de, het menschelijke vermogen ver te boven gaande magische kunsten der verheven godin, met wier bijstand Koning Nektanebus, die door de overlevering de vader van den Grooten Alexander werd genoemd, dit voorwerp op het Isiseiland Philae gesmeed zou hebben.
Anubis was van plan geweest Cleopatra te herinneren aan zijne weigering, en haar voor oogen te houden welk een groot gevaar er voor een sterveling in ligt, te gebieden over krachten, die buiten den kring van zijn macht liggen. Hij had plan gehad haar te wijzen op Phaëton, die op den wagen van zijn vader Phoebus Apollo een vreeselijken brand had gesticht, toen hij de zonnepaarden zelf had durven besturen; maar het kon daar niet toe komen, want nauwelijks had hij hare vraag bevestigend beantwoord, of zij beval met hartstochtelijke drift, dat men het onheilbrengende voorwerp voor hare oogen vernietigen zou.
De priester deed het nu voorkomen alsof dit verlangen beantwoordde aan een besluit, dat hij zelf ook reeds genomen had. Werkelijk had hij ook reeds, vóór zij zelve bij hem verschenen was, vrees gekoesterd dat de bokaal op gevaarlijke wijze zou misbruikt kunnen worden, wanneer Octavianus de stad en het land in bezit zou nemen en daarbij tegelijk dit wonderdoende voorwerp in zijne handen geraken kon. Nektanebus had den beker vervaardigd voor Aegyptenaars. Indien de priester hem den vreemden overheerscher onthield, zou hij zeker handelen in den geest van den laatsten koning, in wiens aderen het bloed der Pharao's had gevloeid, en die met geestdriftige zelfopofferinggestreden had voor zijn natie, haar vrijheid en zelfstandig bestaan. Toen de Koningin hem dus gelastte het wonderwerk van dezen man liever te vernietigen, dan het aan den Romeinschen veroveraar te laten, scheen dit den opperpriester een heilige plicht. Als zoodanig stelde hij het ook voor, toen hij het smeltvuur liet stoken, en den beker voor de oogen van Cleopatra in een vormlooze massa deed veranderen.
Terwijl het metaal smolt, toonde hij de Koningin in levendige bewoordingen aan, hoe gemakkelijk zij dezen beker, die zijn tooverkracht aan de groote Isis verschuldigd was, ontberen kon.
De betoovering die van een bevallige vrouw uitgaat, was immers evengoed een geschenk der godin. Die was genoeg om het hart van Antonius buigzaam en kneedbaar te maken, evenals het vuur dat het goud deed. Doch misschien had de imperator, tegelijk met de achting der Koningin, ook hare liefde, de kostbaarste aller bezittingen, verspeeld. Hij, Anubis, zou dit beschouwen als een groote gunst der godin; »want,” zoo besloot hij, »Marcus Antonius alleen, is de klip, waarop iedere poging schipbreuk lijden moet om voor mijne goddelijke gebiedster onverminderd te behouden wat haar en haar kinderen als erfdeel harer vaderen toekomt, en aan dit dierbaar land vrijheid en welvaart te verzekeren. Deze beker was een kostbare schat. De troon en het geluk van Aegypte zijn nog grootere offers waard. Doch voor de vrouw bestaat er geen grooter dan dat van haar liefde, dat weet ik.”
Wat de grijsaard bedoelde met deze toespelingen zou Cleopatra reeds den volgenden morgen vernemen, wanneer zij aan Timagenes, den afgezant van Octavianus, het eerste gehoor verleenen zou.
De scherpzinnige, levendige man, die een harer beste leermeesters was geweest, en met wien zij als zijn leerling menigen woordenstrijd uit verschil van gevoelen ontstaan, had gevoerd, was vriendelijk door haar ontvangen, en had zich van zijn opdracht met schitterenden uitslag gekweten. De Koningin had zijne uiteenzettingen met aandacht gevolgd, en had hem doen zien dat haar eigen geest nog niets van zijne buigzaamheid verloren, maar wel gewonnen had aan kracht. Toen zij hem eindelijk met geschenken en minzame woorden zijn afscheid gaf, wist zij dat het in haar eigen macht stond voor haar geliefd vaderland de onafhankelijkheid, en voor haar zelve en hare kinderen den troon te behouden, wanneer zij Antonius overgaf aan den overwinnaar, of hem, zij het dan ook »als handelend persoon,”—zooals Timagenes het had uitgedrukt—voor altijd verwijderde uit dit drama, dat zij voor zich zelve zoo glansrijk of noodlottig kon doen eindigen als zij wilde.
Zoodra zij weder alleen was, begon haar hart zoo hevig te kloppen, en er ontstond zulk een oproer in haar ziel, dat zij zich niet in staat gevoelde de bijeengeroepen vergadering van den Raad der Kroon bij te wonen. Zij stelde die daarom uit tot den volgenden dag, en besloot een tocht op de zee te gaan doen om tot haar zelve te kunnen inkeeren.
Antonius had geweigerd haar bezoek te ontvangen. Dat deed haar pijn. Met de vernieling van den beker, waartoe zij gedreven was door een van die aanvallen van drift, die zij in dezen ongelukstijd meer had dan vroeger, was de gedachte aan de bokaal en haar machtige uitwerking toch geenszins voor goed verdwenen. Integendeel!—Zij moest nu alleen zijn, tot zichzelve komen en beproeven licht te krijgen in hare benevelde ziel.
De beker had deel uitgemaakt van den schat van Isis, en bij de herinnering daaraan kwamen haar de uren voor den geest, waarin zij vroeger zoo vaak in de stilte van den tempel der godin rust en vrede had gevonden. Zij wilde ook nu weder een bezoek brengen aan dat heiligdom, en om het onbekend te doen, wierp zij een dichten sluier over haar hoofd, en begaf zich, alleen vergezeld door Iras en den eersten der hofmaarschalken, naar den naburigen tempel in den Muzenhoek.
Doch zij vond daar niet wat zij zocht. De menigte die daar gekomen was om te bidden en te offeren, en daarbij de vrees herkend te zullen worden, stoorden haar in hare godsdienstige overpeinzingen.
Op het punt van weder heen te gaan, ontmoette zij den bouwmeester Gorgias, gevolgd door een dienaar, met gereedschappen voor de opmeting. Zij riep hem onmiddellijk tot zich, en hij verhaalde haar op welk een wonderbare wijze het noodlot zelf haar bouwplannen scheen te begunstigen. Zij wist hoe het volk het huis van den ouden Didymus had omvergehaald, en nu was de grijsaard, dien hij in zijn eigen woning huisvesting had verleend, bereid om haar het erfgoed zijner vaderen af te staan, indien de Vorstin daarvoor aan hem en de zijnen hare bescherming wilde beloven.
Uit hare vraag: wat het hoog geachte lid van het Museum van haar, die een vriendin was van geleerdheid en onderzoek, te vreezen kon hebben, bemerkte hij dat zij nog niets had gehoord van de vlucht van Barine, en daarom doelde hij alleen op de ongenade der hoogste Majesteit, die de kleindochter van den philosoof zich op den hals had gehaald. Doch zij verzekerde dat, wat de zangeres ook misdaan mocht hebben, het niet aan hare familie zou toegerekend worden.
Daarop liet zij zich toonen hoe de bouwmeester zich de aansluitingvan het mausoleum aan het heiligdom voorstelde, en verdiepte zich in het eerste ontwerp, waaraan Gorgias een deel van den nacht en den morgen had gewijd. Het beviel haar goed, en met levendigen aandrang beval zij zoo spoedig mogelijk met bouwen te beginnen en dat ook in den nacht voort te zetten. Wat anders in maanden zou worden verricht, moest nu in weken gereed komen.
Iras en de hofmaarschalk wachtten haar in gewone burgerkleeding in den voorhof op. Nu vergezelden zij haar met den bouwmeester naar den eenvoudigen draagstoel, die bij een der zijpoorten stond; zij ging daar echter nog niet in, maar gelastte Gorgias haar eerst naar den tuin te geleiden.
Toen zij dien in oogenschouw nam, bleek het dat de bouwmeester goed gezien had, en hij dubbel zoo groot zou blijven als die bij het paleis van de Lochias, ook al nam het mausoleum een deel daarvan in, en werd de weg, die hem van den Isistempel scheidde, naar de zee verlegd. Uit het nauwkeurig onderzoek dat Cleopatra deed, maakte Gorgias op, dat zij met dien tuin nog een bepaald plan had. Uit haar vraag, of hij met de Lochias verbonden kon worden, bleek duidelijk waaraan zij dacht, en de architect gaf een bevestigend antwoord. Alleen zou men eenige gebouwen die koninklijk eigendom waren, en een klein heiligdom van Berenice, ten zuiden van de Koningshaven, moeten sloopen. De arm van het Agathodemonkanaal die hier uitliep, was sinds lang van een brug voorzien.
Met wonderlijke vlugheid had de Koningin zich het geheel nieuwe beeld dat uit deze verandering ontstond, voor den geest gesteld, en zij beschreef het nu den bouwmeester kort en aanschouwelijk. De tuin zou blijven bestaan, doch naar de zijde van de Lochias, tot aan de brug toe vergroot worden. Van daaruit moest een overdekte zuilengang naar het paleis voeren. Op de verzekering van Gorgias dat alles zich zeer wel zoo liet inrichten, zag zij een tijdlang nadenkend naar den grond. Daarop beval zij dat men oogenblikkelijk een aanvang zou maken met dit werk, en verzocht den bouwmeester middelen noch arbeiders daarvoor te ontzien.
Gorgias zag een tijd van koortsachtig haastigen arbeid vóór zich, doch dat schrikte hem niet af. Met zulke bouwheeren zou hij het aandurven de geheele stad te overdekken. En deze opdracht verblijdde hem nog te meer, omdat zij bewees dat de vrouw, wier grafmonument zoo snel uit den grond verrijzen moest, er toch ook nog aan dacht zich het leven te veraangenamen; want zij wenschte wel is waar dat de tuin zou blijven zooals hij was, doch de zuilengangen en al het overige wilde zij samengesteld zien uit edele grondstoffen en in schoonen vorm. Bijhet afscheiddrukteGorgias met vurige bewondering een kus op haar kleed.
Welk een vrouw! Wel had zij den sluier niet opgelicht, en droeg zij slechts eenvoudige, donkere kleederen, doch al hare bewegingen waren edel en schoon. Haar arm, en de hand waarmede zij nu hier- dan daarheen wees, schenen hem bezield te zijn, en den man, die zooveel waarde hechtte aan het volmaakt schoone, viel het moeilijk zijn blik los te maken van dien wondervollen vorm. En dan haar geheele persoon! Dat waren eerst lijnen, dat was echte voornaamheid, en warm bewegelijk leven! Dien morgen toen Helena, die nu zijn huisgenoot was, hem den ochtendgroet had gebracht, had hij getracht haar te vergelijken met Cleopatra, maar hij had dat spoedig opgegeven. Hij, wien Hebe zelve nektar schenkt, vraagt niet naar den edelsten Bybluswijn. Het bezorgde hem nog altijd een moeilijk te beschrijven, dankbaar en opgewekt gevoel van welbehagen, wanneer de ingetogen, bedaarde Helena hem zoo hartelijk en vertrouwelijk begroette, maar Cleopatra's beeld plaatste zich gedurig tusschen hem en haar, en het kostte hem moeite zichzelven te begrijpen. Hij had al vele vrouwen, de een na de ander bemind, en nu klopte zijn hart zelfs voor twee tegelijk, maar de Koningin was van die beide sterren, wier licht hem verrukte, toch de helderste. Daarom zou hij het in zijn rechtschapen ziel als verraad hebben beschouwd, indien hij nu naar de hand van Helena gedongen had.
Cleopatra voelde welk een vurig bewonderaar zij in den degelijken kunstenaar gevonden had, en dat verheugde haar. Bij hem had zij zich van geen beker bediend! Reeds den volgenden dag zou hij met de oprichting van haar grafmonument beginnen. In de groeve moest ruimte zijn voor verscheidene lijkkisten. Antonius had meer dan eens den wensch geuit om, waar hij ook mocht sterven, naast haar begraven te worden, en dat had hij reeds gezegd, eer zij den beker in haar bezit had. Zij moest hem in ieder geval die gunst bewijzen, waar en door wien hij ook den dood zou vinden, en het reeds verduisterend licht van zijn bestaan zou zeker maar al te spoedig geheel worden uitgebluscht. Als zij hem spaarde, zou Octavianus hem toch uit de rijen der levenden schrappen, en zij.... Weder maakte die vreeselijke, koortsachtige onrust zich van haar meester, die de aanleiding was geweest tot het bevel om den beker te vernielen, en die haar zelve naar den tempel had doen gaan. In dien toestand kon zij niet in haar paleis terugkeeren, de Raadszitting bijwonen, bezoeken ontvangen en de kinderen gaan zien. Het was de verjaardag der tweelingen, Charmion had haar daaraan herinnerd en op zich genomen voor geschenkente zorgen. Hoe zou zij zelve tijd en opgewektheid voor zoo iets gevonden hebben?
Laat in den nacht was zij van den opperpriester teruggekomen, maar had zich nauwkeurig laten vertellen hoe men Marcus Antonius gevonden had. De beschrijving van Iras kwam overeen met den toestand waarin zij hem gedurende den slag en daarna had gezien. Ja, sedert dien tijd scheen zijn somber gepeins nog erger geworden te zijn. Dien morgen had Charmion haar bij het aankleeden geholpen. Zij was toen op het punt geweest om de moeilijke bekentenis te doen, dat zij Barine had bijgestaan om te ontkomen aan de straffende hand der Koningin; doch vóór dat zij daaraan begonnen was, werd Timagenes aangediend, want Cleopatra was eerst laat opgestaan.
Wat de Koningin van haar tocht naar den tempel had verwacht, was niet in vervulling gekomen, maar het onderhoud met Gorgias had haar op iets nieuws gebracht. Doch de klanken in haar gemoed, die door de plannen van haar laatste rustplaats waren wakker gemaakt, overstemden nu al het andere, evenals het bruischen van de branding het gekweel der zwaluwen aan de rotsachtige kust.
Ja, zij had behoefte in te keeren tot zich zelve. In alle stilte moest zij velen dingen overwegen en bepeinzen. Op de Lochias kon zij daar niet toe komen. Daar viel haar eensklaps het kleine heiligdom van Berenice in het oog, dat zij bevolen had te slechten, om aan de kinderen in hare nabijheid een tuin te bezorgen, die geschikt zou zijn voor hun lust tot werken. Het was ledig. Daar behoefde zij niet te vreezen gestoord te zullen worden. Het inwendige bevatte een enkele, stille, afgesloten ruimte met het beeld van Berenice. De hofmaarschalk beval den wachter om iederen anderen bezoeker af te wijzen, en weldra bevond de Koningin zich alleen in de kleine overwelfde koepel van wit marmer. Zij zette zich neder op eene der bronzen banken tegenover het standbeeld. Hier was het stil; in deze koele, rustige omgeving zou het haar geest die aan ernstig denken gewoon was, misschien gelukken datgene te vinden, waarnaar zij smachtte: klaarheid, klaarheid omtrent zich zelve en haar toestand, tegenover de beslissing waarvoor zij stond.
In het begin dwaalde hij heen en weder als een duif, eer zij de richting van haar vlucht gekozen heeft, maar de vraag, waarom zij met zulk een haast een grafteeken voor zich liet oprichten wanneer het haar nog vergund mocht worden te blijven leven, bracht hare gedachte op de rechte baan.—Onder de Scythen van de wacht, de Mauretaniërs en Blemmyers in het leger, waren genoeg woeste knapen te vinden, die zich door een woord uit haar mond en een handvol goud op den verslagenAntonius zouden laten aanhitsen, als de hond van een jager door zijn: »pak aan!” Eén wenk, en twintig der armzalige toovenaars enmagiërsin de Rhakotis, de Aegyptische wijk der stad, zouden zich laten aanwerven om hem door vergif of listige kunstgrepen verradelijk te vermoorden; één bevel aan de Macedoniërs in de lijfwacht der »mellakes” of jongelingen, en hij werd nog dezen dag gevangen genomen, en was als zij dat wenschte, reeds morgen op weg naar Azië, waarheen Octavianus zich, volgens Timagenes, weder begeven had.
En wat verhinderde haar naar het goud te grijpen, dien wenk te geven, dat bevel uit te vaardigen?
Wel dacht zij nog aan den nu gesmolten tooverbeker, die hem gedwongen had roem, eer en macht als ijdele beuzelingen weg te werpen, en haar gebod om niet van haar weg te gaan, gehoorzaam te zijn; doch ofschoon deze herinnering haar drukte, toch kon zij daardoor nog niet tot een eindbesluit komen. Het was dan ook eigenlijk niet één enkele reden die haar hand en mond gesloten hield, het was iedere zenuw van haar wezen, iedere polsslag van haar bloed, iedere blik van haar geest in het verleden, tot aan de grens van haar kindsheid toe, die het haar verbood.
En zij gaf ook nog aan andere overwegingen gehoor. Zij spraken haar van hare kinderen, het trotsche gevoel van haar macht, de liefde voor het land harer vaderen, en hoe dat bedreigd werd zonder haar, van het genot het licht te zien, en van de donkerheid, het stilzwijgen, de strakheid van den dood; van de vernietiging van lichaam en geest, beide zoo trouw gekweekt en met zoo veel moeite ontwikkeld, en van het vreeselijk lijden, dat misschien met een overgang uit het leven in den dood zou samengaan. Daarbij—wat stond haar te wachten in dat leven, dat den duur der eeuwigheid had? Eenmaal zou het toch gedaan zijn met het leven hier op aarde; als zij den vastgestelden tijd willekeurig veranderde, en indien niet Epicurus, die met den dood alles deed ophouden, maar de oude leerstellingen der Aegyptenaars de waarheid gesproken hadden, wat zou haar dan wachten aan gene zijde van het graf, wanneer zij enkele nieuwe levensjaren gekocht had met den moord of het verraad van haar geliefde, haar gade?
Doch misschien waren de straffen der verdoemden slechts middelen ter verschrikking, uitgedacht door de priesters, die voor de orde in den staat moesten waken, om de wilde driften der menigte in toom te houden, en de teugellooze overtreders der wet bevreesd te maken. En, fluisterde de vermetele Grieken-geest haar in, zij zou in het oord der verdoemenis, niet in den Aalu-tuin, deEliseeschevelden der Aegyptenaars, haar vaderen moeder en al haar misdadige voorvaders terug vinden, tot aan den eersten Euergetes toe, die den slechten Philopator opgevolgd was.
De gedachte aan het hiernamaals mocht dus, als iets hoogst twijfelachtigs, waarvan niets met zekerheid te zeggen viel, buiten spel blijven. De vraag moest zóó worden gesteld: hoe zouden de levensjaren, die zij zich gekocht had door den moord of het verraad van een mensch dien zij liefhad, voor haar zijn?
In den nacht zou het beeld van den vermoorde zeker den slaap van hare legerstede verdrijven. De Erinnyen, de Dirae, zooals de Romein Antonius hen noemde, die den moordenaar vervolgden met een geesel van slangen, waren geen gewrocht der dichterlijke phantasie, maar een treffend zinnebeeld der onrust van den door gewetenswroegingen gefolterden misdadiger. Het hoogste goed, de zaligheid zonder smart der Epicuristen, was door hen, op wie zulk eene schuld drukte, voor eeuwig verbeurd.
En overdag en bij avond? Ja, dan zou het haar vrij staan genot op genot te stapelen, maar voor wien zou er feest worden gevierd? Met wien kon zij de vreugde deelen? Zonder Marcus Antonius was er sinds lang geen gastmaal of tooneelvoorstelling meer, die haar genoegen gaf. Voor wien tooide zij zich of maakte het verdwijnen der bevallige betoovering door hulpmiddelen weder goed, zoo niet voor hem?—En hoe spoedig zou die betoovering, die haar zoo langzaam maar zeker verliet, door knagenden zielsangst geheel en al vernietigd worden? Als de spiegel haar rimpels vertoonde, die zelfs de kunst van Olympus niet uitwisschen kon, als.... Neen, zij was niet geschapen om oud te worden! Zouden de enkele, gekochte levensjaren, waarin zich zulk een groote ellende mengen zoude, werkelijk waarde genoeg bezitten om daarvoor het recht te verliezen, bij tijdgenooten en volgende geslachten de betooverende Cleopatra, de onweerstaanbaarste van alle vrouwen te heeten?
En de kinderen? O ja, het zou heerlijk geweest zijn hen te zien opgroeien en zich tot den troon verheffen, maar ook bij deze voorstelling, hoe rijk aan verkwikkelijke bijzonderheden, voegden zich weldra groote, afdoende bezwaren.
Hoe verrukkelijk zou het zijn Cæsarion, in de plaats van Octavianus, als beheerscher der wereld te begroeten! Maar hoe zou die droomer daartoe geraken, hij, dien de eerste neigingen van het hart reeds verleid hadden tot het onzinnigste prijsgeven van zijn waardigheid en inbreuk maken op de wetten, en die nu in den ouden, half slapenden toestand teruggezonken scheen te zijn?
De overige kinderen wekten echter liefelijke, hoopvolle gedachtenop, en hoe verlustigde zich haar moederhart in het gezicht van Antonius Helios, als Koning van Aegypte, Cleopatra Selene met haar eerste kind aan hare borst, den kleinen Alexander als een groot en begaafd, aan deugden rijk staatsman en held.—Doch wat moesten juist zij, Antonius' kinderen, die zij hoopte dat door Archibius zouden worden opgevoed, gevoelen voor de moeder, die hun vader had vermoord?
Zij huiverde, en dacht terug aan de uren, toen haar kinderlijk hart bloedige tranen had geweend, zoo dikwijls zij gedacht had aan haar eigen booze moeder, die door haar vader was vervloekt. En toch had Koningin Tryhæna, die door de geschiedenis een monster wordt genoemd, haar gemaal niet vermoord, maar enkel van den troon gestooten.
Ook kwamen haar weder Arsinoë's verwenschingen voor den geest tegen hare moeder en zuster, en dan te denken dat de roode lippen van de tweelingen en van haar oogappel Alexander zich ook eens konden openen om haar te vloeken—zich voor te stellen, dat de lieve handen der kinderen zich zouden opheffen om met verontwaardiging en minachting te wijzen op haar, de wreede moordenares van hun vader.... Neen, neen, en nogmaals neen!.... Tot den prijs van deze pijniging, deze vernedering en schande wilde zij niet luttele jaren van een toch al waardeloos geworden leven koopen. Koopen, van wien?
Van dienzelfden Octavianus, die haar zoon het erfdeel van zijn vader Cæsar had ontnomen, wiens plaatsing in het testament een teeken was van twijfel aan hare trouw. Van dien kouden, koel berekenenden geluksvogel, wiens geheele persoon haar, sinds zij hem de eerste maal te Rome ontmoette, had tegengestaan, afgestooten, en doen huiveren. Van hem, door wiens overredingskracht en dwingelandij haar gemaal—want dat was Antonius in hare eigen oogen en in die van alle Aegyptenaren—er toe gebracht was, om zijn zuster Octavia te huwen en haar, Cleopatra, daardoor enkel tot zijn geliefde te stempelen, en de wettige geboorte hunner kinderen twijfelachtig te maken; den valschen vriend van den goed vertrouwenden Antonius,die bij Actium hem en haar op het diepst had vernederd en gesmaad.
Te gehoorzamen aan het verlangen van zulk een man, die haar de snoodste van alle daden wilde doen begaan, daartegen verzette zich met kracht haar koninklijke trots, en deze trots had haar van kind af het hoofd hoog doen houden, en behoorde bij hare natuur, zoo goed als het ademhalen en het kloppen van haar hart. En toch! Ter wille van de kinderen zou zij misschien ook deze schande op zich hebben geladen, indien die niet tegelijk het graf zou geweest zijn van het beste en schoonste, datzij van de jonge ziel der tweelingen en van Alexander wenschte.
Reeds toen zij zich den vloek harer kinderen had ingedacht, was zij van hare plaats opgestaan. Waartoe zou zij nog langer nadenken en overwegen? De helderheid, waarnaar zij had gezocht, was reeds gevonden. Gorgias moest zich met de graftombe haasten! Wanneer het noodlot haar leven eischte, dan zou zij zich niet daartegen verzetten, mits het niet van haar vroeg, dat te bewaren tot den prijs van moord of snood verraad. Het leven van haar geliefde was reeds verloren gegaan. Aan zijne zijde had zij genoten van een heerlijk, bedwelmend, verblindend geluk zonder wederga, waarvan de wereld nog altijd met benijdende verbazing gewaagde. Aan zijne zijde wenschte zij, als alles voorbij zou zijn, in het graf te rusten, en de wereld te dwingen het minnend paar, Antonius en Cleopatra, met eerbiedig medelijden te herdenken. De kinderen moesten bij de herinnering aan haar, het hart kunnen verheffen en geen schaduw van een bitter gevoel of van een waarschuwing mocht hen verhinderen den grafsteen hunner ouders met bloemen te versieren, daarbij te weenen, en aan hun genius een plengoffer te wijden.
Vervolgens wierp zij een blik op het beeld van Berenice, die eenmaal, evenals zij, de dubbele kroon van Aegypte op haar hoofd gedragen had. Zij ook was te vroeg een gewelddadigen dood gestorven, zij ook had geweten wat liefhebben is. De gelofte om haar fraai haar aan Aphrodite te offeren, wanneer haar gade ongedeerd zou terugkeeren uit den oorlog tegen Syrië, had den roem van haren naam verhoogd. »Het haar van Berenice” was nog altijd als een sterrenbeeld aan den nachtelijken hemel te zien.
Ofschoon deze vrouw veel en zwaar had misdaan, ééne daad van trouwe liefde had haar tot een gevierde, aangebeden vorstin gemaakt. Zij, Cleopatra, wilde een nog grootere daad volbrengen. Het offer, dat zij zich zelve wilde opleggen, zou nog zwaarder wegen dan een handvol fraaie haren, want het betrof de heerschappij en haar leven.
Met opgeheven hoofd en een trotsch gevoel van eigenwaarde zag zij naar het edele marmeren gelaat der Kyrenaeische op.
Vóórdat zij het heiligdom was binnengegaan, had zij een gevoel gehad, alsof zij wist hoe het den misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, te moede was. Nu zij zelve vrijwillig van het leven afstand ging doen, voelde zij zich als het ware van een drukkenden last bevrijd, en toch deed het hart haar pijn; vooral als zij aan de kinderen dacht, werd zij overweldigd door het smartelijkste van alle soorten van medelijden: het medelijden met zichzelve.
Toen Cleopatra uit den tempel kwam, verbaasde Iras zich over haar veranderd uiterlijk. De strakheid die zoo even nog iets scherps gegeven had aan haar schoon gelaat, had plaats gemaakt voor een uitdrukking van stille smart, die er goed aan stond; doch die was spoedig verdwenen toen haar vertrouweling haar wees op den stoet, die juist het eerste binnenplein van het paleis opkwam.
In Alexandrië en geheel Aegypte werd de geboortedag zoo feestelijk mogelijk gevierd. Ter eere der tweelingen waren vele kinderen uit de stad gezonden om hen geluk te wenschen, en tegelijk hunne koninklijke moeder te verzekeren van de trouw en liefde der burgerij.
De terugweg naar het paleis duurde slechts enkele minuten, en toen Cleopatra, terwijl zij zich in haast een feestgewaad liet aandoen, op die kinderschaar neerzag, was het haar alsof het noodlot haar door dit liefelijk schouwspel een teeken gaf, dat het haar moeilijk besluit goedkeurde.
Weldra stond zij met de tweelingen aan de hand op het terras, waarvoor de optocht stilhield; honderden knapen en meisjes van denzelfden leeftijd als de prins en prinses, waren daar bijeen. Deze hadden ruikers, gene droegen kleine mandjes met viooltjes en rozen in de hand. Al de hoofden droegen kransen, en vele meisjes waren met guirlanden van bloemen omslingerd. Een koor van jongelingen en jonkvrouwen zong een feestlied, waarin zij de goden smeekten om geluk voor de edele moeder en hare kinderen; de aanvoerster van het meisjeskoor hield een korte aanspraak uit naam van de geheele stad, en terwijl zij sprak, hadden de kinderen zich in rijen geschaard. De kleinsten stonden vóór de grooteren, en deze weder voor de allergrootsten. Het geheel geleek een levende tuin, waarin de frissche gezichtjes de schoonste bloemen waren.
Cleopatra sprak haar dank uit voor dien liefelijken groet der burgerij, die haar door het dierbaarste wat zij had, liet zeggen dat zij hare liefde beantwoordde. Hare oogen werden vochtig, toen zij met haar eigen klaverblad naar de gelukwenschende kinderen toeging, en een klein, bijzonder bekoorlijk meisje, dat zij kuste, de armen zoo teeder om haar hals sloeg, alsof zij haar eigen moeder was. Ook was het een allervriendelijkst gezicht, toen de meisjes den inhoud harer korfjes vóór haar op den grond strooiden, en de knapen hunne ruikers aanboden aan haar en de tweelingen en Alexander, en dat met menigen vroolijken uitroep en hartelijken gelukwensch vergezeld deden gaan.
Charmion had de geschenken niet vergeten, en toen kamerdienaren en vrouwen de kinderen naar een feestzaal brachten om hen daar ververschingen te doen geven, straalde er zulk een helder licht uit de oogen der Koningin, dat de gezellin harer jeugd moed vatte om nu met haar moeielijke bekentenis voor den dag te komen.
Zooals zoo dikwijls datgene, waarvoor wij den meesten angst hebben gehad, als het eenmaal daar is, ons een vriendelijk of onverschillig gelaat vertoont, zoo gebeurde het ook nu. Er is in het leven niets groot of klein. Het eene kan het andere worden, naar gelang der dingen waarmede wij het in verhouding brengen. De grootste mensch wordt een dwerg naast de reusachtige rots, de kleinste is een reus in vergelijking met de krioelende mieren in het bosch. De bedelaar beschouwt datgene als een rijke schat, waar de rijke verachtelijk overheen ziet. Wat voor Cleopatra, enkele dagen geleden, onverdragelijk was geweest, wat haar in onrust had gebracht en een deel van haar slaap geroofd; wat haar genoopt had ernstige maatregelen daartegen te doen nemen, kwam haar nu als iets nietigs voor, dat nauwelijks de aandacht waard was.
De dag van gisteren en die van heden hadden gebeurtenissen medegebracht, en haar voor vragen gesteld, die de verdwijning eener Barine terug gedrongen hadden naar het rijk van het onbeteekenende.
Vóór zij hare bekentenis deed, had Charmion haar verzekerd dat zij smachtte naar rust, maar toch bereid was om in alle omstandigheden hare koninklijke vriendin getrouw te blijven, zoolang totdat deze haar bijzijn niet meer begeeren en haar wegzenden zou. Zij vreesde dat dit oogenblik nu gekomen was.
Cleopatra viel haar in de rede met de verzekering dat zij van iets onmogelijks sprak, en toen Charmion daarop bekende dat Barine was ontkomen, en zij het was geweest, die de onschuldige, zwaar bedreigde kleindochter van Didymus in harevlucht had bijgestaan, toen was de Koningin opgestaan en had het voorhoofd gefronst; doch dit had slechts een oogenblik geduurd.
Zij had haar vriendin glimlachend met den vinger gedreigd, haar naar zich toe getrokken, en ernstig, doch vriendelijk verzekerd, dat van alle ondeugden, ondankbaarheid het verste van haar verwijderd was. De vriendin harer jeugd had haar zooveel sprekende bewijzen van trouw en liefde, van offervaardigheid en onvermoeid dienstbetoon gegeven, dat zij door ééne daad van eigenmachtige ongehoorzaamheid nog lang niet opgewogen werden. Er bleef nog altijd een aanzienlijk bedrag over, en daarop terende, mocht zij nog een tijd lang voort zondigen, zonder te vreezen dat Cleopatra zich van haar Charmion zou kunnen scheiden.
Op dit oogenblik wist deze opnieuw, dat niets op aarde vijandig en scherp genoeg zijn kon om den band door te snijden, die haar aan deze vrouw verbond. Terwijl hare lippen overvloeiden van den dank uit haar volle hart, bekende Cleopatra dat het haar toescheen alsof haar met Barine's vlucht, eigenlijk een dienst was bewezen. Het was haar niet ontgaan hoe voorzichtig Charmion verzwegen had waar de jonge vrouw zich nu verborgen hield, en zij verlangde dat ook niet te hooren. Het was haar genoeg dat de gevaarlijke schoone onbereikbaar geworden was voor Cæsarion.—Wat Antonius aanging, deze was nu door een muur gescheiden van de overige wereld, en dus ook van de vrouw, voor wie hij eigenlijk nooit iets innigers had gevoeld, niettegenstaande de beschuldigingen van Alexas.
Met veel warmte trachtte Charmion nu de Koningin te doen inzien wat de aanleiding was geweest, dat de Syriër Barine met zulk een fellen haat vervolgde. Het lag voor de hand, en behoefde nauwelijks bewezen te worden, dat de geheele omgang van Marcus Antonius met de kleindochter van Didymus in het minst niet tot een nauwere betrekking had geleid. Cleopatra luisterde echter slechts met een half oor. Het was alsof de geliefde, voor wien eenmaal haar hart uitsluitend had geklopt, haar nu reeds tot een dierbare herinnering geworden was. Zij vergat niet welk geluk zij met en door hem had gesmaakt, en wat zij hem door den tooverbeker aangedaan had, doch met den muur voor de landtong Choma, die hem van haar en de overige wereld scheidde, en haar bevel om voor hen beiden een grafteeken te bouwen, was, dacht zij, het tijdperk hunner liefde afgesloten. Wat nu nog aan dit deel van het leven hunner harten toegevoegd kon worden, kon alleen het einde zijn. Zelfs dacht zij voor goed te hebben afgedaan met de jaloerschheid, die het geluk van haar liefde als een voorbijgaande, plotseling invallende schaduw had verduisterd.
Terwijl Charmion verzekerde dat niemand buiten Dion zich er op mocht beroemen dat Barine zijn wensch had verhoord, en daarbij allerlei gebeurtenissen uit haar vroeger leven vertelde, verwijlde Cleopatra in gedachte bij haar geliefde. De boven allen uitstekende heldengestalte van Antonius stond als het beeld van een dierbaren doode voor haar geestesoog. Daarbij herdacht zij alleen wat hij vóórActiumvoor haar was geweest. Zij verlangde en hoopte niets meer van den man, die nu zoo geheel gebroken was, misschien door haar schuld alleen. Maar zij was immers besloten daarvoor te boeten. Zij wilde dat doen met haar leven en haar troon. Dat zou de rekening doen sluiten. Wat de rest van haar leven misschien nog aan de uitkomst toevoegenofdaarvan aftrekken zou, moest medegerekend worden.
De komst van Alexas maakte een eind aan hare overpeinzingen. De Syriër beklaagde zich hevig, dat het hem toegekende recht om over de schuldige het oordeel uit te spreken, hem door schandelijke listen zoo goed als ontnomen was. Dit viel hem bijzonder hard, omdat hem de mogelijkheid afgesneden was de vluchtelingen te doen vervolgen. Antonius had hem de vereerende opdracht gegevenHerodesweer tot zijne partij terug te doen keeren. Hij moest nog dezen nacht Alexandrië verlaten. Daar in deze zaak niets te wachten was van den menschenschuwen imperator, hoopte hij dat de Koningin zulk een inbreuk op hare gekwetste waardigheid straffen, en tegen Barine zoowel als tegen haar laatsten geliefde, dien Dion, die den zoon van Cæsar met heiligschennende hand mishandeld had, strenge maatregelen zou nemen.
Cleopatra gebood hem echter met vorstelijke hoogheid binnen de perken te blijven, en van deze zaak in hare tegenwoordigheid niet meer te spreken; daarop wenschte zij hem met een weemoedigen glimlach een goeden uitslag van zijne zending bij Herodes toe. Welke goede gedachten zij ook had van de handigheid van den bemiddelaar, zij geloofde toch niet, dat het hem zou gelukken, dezen tot de verloren partij van Antonius terug te brengen.
Zoodra hij zich verwijderd had, riep zij Charmion toe: »Ben ik dan blind geweest? Deze man is een verrader. Dat zullen wij spoedig ondervinden. Waarheen Dion zijn jonge vrouw ook heeft gebracht, laat zij zich goed verbergen, niet voor mij, maar voor dezen Syriër. Men kan zich gemakkelijker hoeden voor een leeuw, dan voor een schorpioen. Vriendin, zorg gij er voor dat nog heden Archibius mij komt bezoeken. Ik moet hem spreken, en van een scheiding tusschen ons beiden is geen sprake meer, niet waar? Spoedig genoeg zal er een ander komen, die deze lippen voor altijd verbieden zal uw trouw gelaat te kussen.”
Zij sloot nog eens de vriendin harer jeugd in hare armen, en toen Iras naderde om gehoor te vragen voor Lucilius, den vertrouwden vriend van Antonius, zeide Cleopatra, die opgemerkt had met welk een benijdenden blik zij deze omarming aanzag: »Vergiste ik mij toen ik meende te bemerken, dat gij u achteruitgezet voeldet bij Charmion, die toch mijne oudste vriendin is? Dat zou niet goed zijn, want gij zijt mij beiden lief, en ik heb u beiden noodig. Gij zijt haar nicht, en van jongs af zijt gij haar veel dankbaarheid schuldig. Vergeet daarom wat er is gebeurd, evenals ik dat heb gedaan, al derft gij daardoor het verkwikkend gevoel van u op iemand dien gij haat te wreken, en laat die oudere vriendschappelijke omgang blijven bestaan. Mijn dank daarvoor is het eenige wat de dochter van den rijken Krates zich niet koopen kan, en dat zij toch zeker niet geringschat: de liefde harer koninklijke vriendin.”
Daarop sloot zij ook Iras in hare armen, en toen deze heenging om Lucilius te roepen, dacht zij: »Geene vrouw heeft zooveel liefde ontvangen als deze; misschien komt het daardoor dat zij zelve zulk een rijken schat daarvan bezit en door liefde anderen zoo onuitsprekelijk gelukkig maken kan. Of wordt zij door zoo velen bemind, omdat zij zoo vol van liefde ter wereld kwam, en die als het ware uitstraalt evenals de zon het licht? Ja, dat moet het zijn. Ik heb, meer dan iemand, reden om dat te gelooven, want wien had ik lief behalve haar? Niemand, zelfs niet mij zelve, en hoe ik ook peins, ik zou niemand weten van wien ik zou mogen denken dat hij mij liefhad.... Maar waarom versmaadde Dion mij, hij, dien ik zou innig...? Dwaze, die ik ben! Waarom koos Antonius Cleopatra boven Octavia, die niet minder schoon was en wier hart hem toebehoorde, en die de heerschappij over de geheele wereld in hare hand had?”
Zij moest gaan, en leidde weldra den Romein Lucilius bij de Koningin binnen. Door een daad van dapperheid was deze man voor goed aan Antonius verbonden. Na den slag bij Philippi, toen het leger der republikeinen reeds op de vlucht was geslagen, was Brutus op het punt geweest door vijandelijkeruiterste worden weggevoerd; doch Lucilius had zich, op gevaar af van gedood te worden, voor hem uitgegeven, en hem daardoor, al was het maar voor korten tijd, het leven gered. Dat had Antonius zeer buitengewoon en edel gevonden, en op zijne grootmoedige manier had hij hem niet alleen vergeven, maar hem zelfs met zijn vriendschap verwaardigd. Lucilius was hem daarvoor dankbaar en bleef met dezelfde trouw als aan Brutus, ook aan hem gehecht. Bij Actium had hij eerst degunst van Antonius op het spel gezet door hem er van af te brengen den slag te verlaten om Cleopatra te volgen; doch daarna had hij hem op zijn vlucht vergezeld. Nu deelde hij zijne afzondering op den Choma. Gebogen en neerslachtig kwam de man, die zoo kort geleden nog frisch en krachtig was geweest, al begonnen ook zijn haren reeds te grijzen de Koningin tegemoet. Zijn welgevormd gelaat had in de laatste weken een groote verandering ondergaan. Zijne wangen waren ingevallen, zijn trekken scherper geworden. Zijn trouwe oogen hadden een weemoedige uitdrukking aangenomen, en toen hij Cleopatra bescheid gaf omtrent den toestand van haar vriend, kregen zij een vochtigen glans.
Vóór den ongelukkigen slag was hij een harer grootste bewonderaars geweest; doch sedert hij had moeten aanzien hoe zijn vriend en weldoener roem, geluk en eer prijs gaf om Cleopatra te volgen, koesterde hij een wrok tegen haar. Hij zou zich dezen tocht zeker bespaard hebben, indien hij niet overtuigd ware geweest dat zij, die haar geliefde te gronde had gericht, ook de eenige was, die hem nu uit zijn moedelooze verslapping tot nieuwe geestkracht en levenslust kon opwekken.
Hij kwam ongeroepen en door niemand gezonden, alleen om de vrouw, die hij vroeger zoo oprecht had bewonderd, op het hart te drukken dat zij den neergebogen man weder oprichten en hem aan zijne plichten herinneren moest. Veel nieuws had hij haar niet te melden, want zij zelve was op zee lang genoeg getuige geweest van den droevigen toestand van haar gade. In den laatsten tijd echter begon Antonius daarin behagen te scheppen, en dat verontrustte den trouwen man het meest.
De imperator had het kleine paleis, dat hij op den Choma bewoonde zijn Timonium genoemd, omdat hij zich vergeleek bij den vermaarden menschenhater uit Athene, even als hij door vele voormalige vrienden verraden, nadat het geluk hem den rug had toegekeerd. Reeds bij Tænarum had hij zich bedacht dat hij zich op den Choma wilde terugtrekken en dien, door een muur, die de landtong van het vasteland zou afsnijden, even ongenaakbaar te maken als het graf van Timon te Halæ, in de buurt van Athene moest zijn geweest. Gorgias had dien muur opgericht, en ieder die den wereld-ontvluchtenden man wilde bezoeken, moest per schip komen en om toegang verzoeken; en nog werd deze maar aan enkelen vergund.
Cleopatra hoorde Lucilius vol belangstelling aan, en vroeg hem of er niets zou zijn waarmee men den droefgeestige genoegen kon doen of opwekken.
»Neen, gebiedster,” antwoordde hij. »Hij denkt het liefst aan hetgeen hij eenmaal bezat, maar alleen om te bewijzen hoeweinig het de moeite loont zich daaraan te herinneren. »Welke genietingen heeft het leven mij niet geboden?” vraagt hij, en voegt er bij: »Maar dezelfde keerden telkens weder, en als men zich tienmaal daarin had verheugd, dan werden zij eentonig, en hadden hunne aantrekkingskracht verloren. Wat zij nalieten was enkel verveling en walging.” Hij wil niets dan het noodigste hebben, zooals water en brood, maar hij verlangt naar geen van beide omdat hij daarin nog minder smaak vindt dan in datgene waarmede men zich den volgenden morgen bederft. Gisteren, toen hij bijzonder somber was gestemd, viel ons gesprek op het goud. Dat was misschien nog het meest waard begeerd te worden. De enkele aanblik daarvan wekte reeds aangename verwachtingen op, omdat daarin zoovele genietingen verborgen lagen. Maar daarop lachte hij weder, en beweerde dat het juist deze genietingen waren die de afschuwelijke oververzadiging in het leven riepen. Het goud was ook al niet waard er een hand naar uit te steken.
»Zulke gedachten spint hij gaarne uit, en zoekt dan beelden om zijne bedoeling duidelijk te maken. »In de sneeuw op de hoogste toppen,” zeide hij,»bevriezen onze voeten.In het slijk hebben zij het warm, maar de zwarte modder is leelijk, en blijft er aanhangen.”
»Ik merkte op, dat er tusschen het moeras en de sneeuw op de bergen, zonnige dalen liggen waarin men heerlijk leven kan, maar hij stoof op, en wierp het denkbeeld ver weg, zich ooit tevreden te stellen met den jammerlijken middenweg van Horatius. Daarop ging hij voort: »Ja, ik heb het onderspit moeten delven. Octavianus en zijn Agrippa zijn de overwinnaars, maar als een steen mij verplettert, of de plompe poot van een olifant mij vertrapt, dan ben ik toch nog van een hoogere natuur dan die beide zijn.””
»Dat was weder de oude Marcus Antonius!” riep Cleopatra uit, doch bij den trouwen man werd opnieuw de toorn wakker tegen de vrouw die voedsel gegeven had aan den overmoed, waardoor zijn machtige vriend ten val was gekomen. Hij ging daarom voort: »Maar dikwijls ziet hij zichzelf ook in een ander licht. Onlangs riep hij uit: »geen dichter zou zich een onwaardiger leven kunnen denken dan het mijne is: een satyrspel, met een tragedie tot slot.””
Luciliushad nog veel krenkender dingen hierbij kunnen voegen, maar tegenover den bedroefden blik uit de vochtige oogen der zwaarbeproefde vrouw, wilden die hem niet over de lippen.
De gebroken man wist op de eene of andere wijze in bijna alles wat hij sprak Cleopatra te betrekken. Somtijds deed hij dit met weergaloos bittere verwijten, maar vaker nog met onbegrensdeverrukking en heftige uitbarstingen van het vurigst verlangen, en juist die waren het, die Lucilius versterkten in de hoop, dat de invloed van de Koningin zich krachtig zou doen gelden bij zijn vriend. Daarom bracht hij haar eenige bijzonder hartelijke woorden over, die Antonius aan haar aandenken had gewijd, en die hoorde zij met dankbare blijdschap aan.
Toen Lucilius ophield met spreken, maakte zij intusschen de opmerking, dat de menschenhater toch zeker ook wel in een anderen geest van haar en misschien ook van Octavia, zou hebben gesproken. Zij was op het allerergste voorbereid; zij behoorde immers tot de klippen, waarop zijne grootheid schipbreuk geleden had.
Op dat oogenblik herinnerde Lucilius zich wat Antonius eenmaal had gezegd omtrent de drie vrouwen, wier gemaal hij was geweest, en aarzelend antwoordde hij: »Fulvia, de gemalin zijner jeugd—ik heb die hartstochtelijke, vermetele vrouw, de voormalige gade van Clodius, welgekend—noemde hij de stormwind, die in zijne zeilen geblazen had.”
»Goed, goed,” riep Cleopatra. »Dat deed zij ook. Hij heeft haar veel te danken, en ook ik ben veel aan de overledene verplicht. Zij heeft hem geleerd de macht der vrouw te erkennen en zich daarnaar te voegen.”
»Niet altijd tot zijn voordeel,” hernam Lucilius, bij wien dat laatste gezegde het pas verdwenen onaangename gevoel weder opwekte, en zonder te letten op den lichten blos der Koningin, ging hij voort: »Van Octavia zeide hij, dat zij de rechte weg was geweest, die tot tevredenheid leidt, en die hen, die zich daarmede vergenoegen, bij goden en menschen aangenaam maakt.”
»Waarom vergenoegde hij er zich dan met mede?” vroeg de Koningin driftig.
»In de school van Fulvia,” antwoordde de Romein, »werd tevredenheid het allerlaatste onderwezen. Gij weet dat die aan zijne natuur, die gij zoo goed kent, vreemd is. Ook hebt gij zooeven gehoord hoe hij over rustige dalen en den gulden middenweg denkt.”
»Maar ik, wat ben ik voor hem geweest?” vroeg de Koningininspanning.
Lucilius zag een tijdlang nadenkend naar den grond, en gaf toen aarzelend ten antwoord: »Gij verlangt het te hooren, en het bevel der Koningin moet gehoorzaamd worden! U, gebiedster, noemde hij een heerlijk overwinningsfeest waarop de gasten zich met kransen op het hoofd, vóór den slag in weelde baden.”
»En die verloren wordt,” voegde de koningin er op gedemptentoon bij. »Die vergelijking is juist. Thans, na de nederlaag, zou het iets tegenstrijdigs zijn, opnieuw een feestmaal aan te richten. Het treurspel loopt ten eind; daar het satyrspel—zoo zeide hij immers?—reeds vooraf is gegaan, zou de opvoering daarvan in dezen tijd slechts een onaangename herhaling zijn. Trouwens, ééne zaak schijnt mij gewenscht: een verzoenend slottooneel. Zoo gij denkt dat het in mijne macht staat mijn gade terug te geven aan het leven, reken dan op mij. Het overwinningsmaal, waarvan hij sprak, heeft lange jaren geduurd. Het nagerecht zal kort zijn, maar ik ben bereid daarvoor te zorgen. Toen ik hem een bezoek wilde brengen, heeft hij mij afgewezen. Op welke wijze stelt gij u de toenadering voor?”
»Ik geloof,” antwoordde Lucilius, »dat ik dat aan uwe vrouwelijke fijngevoeligheid moet overlaten. Doch ik kom ook met een verzoek, en in de vervulling daarvan ligt misschien reeds het antwoord opgesloten. Eros, de trouwe lijfslaaf van Marcus Antonius, laat uwe majesteit nederig verzoeken hem enkele oogenblikken gehoor te verleenen. Gij kent den wakkeren knaap. Hij zou voor u, zoowel als voor zijn heer, het leven laten, en hij.... Ik heb eens van uzelve gehoord wat Koning Antiochus zeide: dat niemand groot was voor zijn lijfslaaf....Zoo ziet dan ook Eros de zwakheden en voorrechten van zijn heer van meer nabij dan wij, en daarbij is hij verstandig. Antonius heeft hem sinds lang vrijgelaten, en indien uwe Majesteit er niet tegen heeft den geringen man bij zich te ontvangen....”
»Laat hem komen,” antwoordde Cleopatra. »Wat gij van mij verlangt is billijk. Ik weet helaas maar al te goed wat ik bij mijn vriend heb goed te maken. Reeds vóór gij kwaamt bedacht ik mij juist, hoe ik een zijner vurigste wenschen zou vervullen.”
Hierop gaf zij den Romein zijn afscheid, en zag hem met gemengde gewaarwordingen vertrekken. Het smachtendverlangennaar den man, dien zij reeds zoo lang moest missen, was opnieuw in haar ontwaakt, en toch klonken de grievende woorden, die hij omtrent haar had geuit, nog bij haar na. Doch nauwelijks was de deur achter Lucilius gesloten, of de hofmaarschalk meldde de komst van eenige afgevaardigden uit de leden van het Museum.
De geleerde heeren kwamen zich beklagen over het onrecht dat hun medelid Didymus was aangedaan, en tegelijkertijd uiting geven aan hunne gevoelens van trouw, ook in dezen tijd van druk. Cleopatra van hare zijde betuigde hen hare hulde en verklaarde dat zij den ouden philosoof reeds volkomen schadeloosstelling had aangeboden. Zij was in zekeren zin een der hunnen. Zij wisten immers allen, dat zij van hare jeugd af aanhun streven geëerbiedigd en gedeeld had. Ten bewijze daarvan vereerde zij aan de bibliotheek van het Museum de tweehonderd duizend boekdeelen die uit Pergamus afkomstig waren, een der schoonste geschenken waarmede Marcus Antonius haar ooit had verrast, en die zij tot nu toe aan hunne boekerij slechts in bruikleen had afgestaan. Daardoor hoopte zij de schade die tot haar leedwezen aan Didymus was toegebracht, weder goed te maken, en tenminste gedeeltelijk het verlies te herstellen, dat de beroemde bibliotheek van het Museum door den brand in het Bruchium geleden had.
De geleerden verwijderden zich met levendige dankbetuigingen en verzekeringen van trouwe gehechtheid. Zij kende de meesten van hen persoonlijk, en met de uitstekendste onder hen had zij dikwijls een wedstrijd in scherpzinnigheid gehouden, tot genoegen en ten nutte van beide partijen.
De zon was reeds ondergegaan, toen een den vorigen dag aangekondigde optocht der priesters van Serapis, den hoogsten god der stad, op de Lochias verscheen. Begeleid door fakkel- en lantaarndragers, bewoog de stoet zich langzaam in plechtige staatsie, voort. Overeenkomstig den aard van Serapis, was daarbij veel dat aan den dood moest doen denken. De Koningin was met de beteekenis van ieder beeld, iedere standaard, iedere kist, iedere bijzonderheid van de muziek en het gezang vertrouwd. Zelfs de afwisselende kleuren van het licht hadden een beteekenis, die betrekking had op den kringloop van het worden en vergaan in het heelal en in het menschelijk leven, en het grootsche slot van het eerebetoon, dat de opname van de koninklijke ziel in het wezen der godheid, de apotheose van de ziel des heerschers voorstelde, was wel geschikt het hart te treffen. Onverwachts baadde de geheele stoet in een zee van licht, en terwijl door dien lichtgloed de omvangrijke steenen massa van het paleis, de zee met de schepen en masten die haar bedekten, en de kust met zijn tempels, pylonen, obelisken en praalgebouwen werd beschenen, vereenigde zich al de koren, begeleid door de klanken der bazuinen, cymbalen en luiten tot één machtige hymne, welker tonen tot aan den sterrenhemel en de open zee achter den vuurtoren doordrongen.
Allerlei zinnebeeldige voorstellingen moesten doen denken aan den dood en de opstanding, de nederlaag en een daarop volgende overwinning door den bijstand van den grooten Serapis, en toen de fakkels zich verwijderden en tegelijk met het gezang der priesters in het donker van den nacht verdwenen, hief Cleopatra het hoofd omhoog, en het was haar alsof de gelofte die zij zichzelve had gedaan, onder het zachte gezang der grijsaards en het uitblusschen der flambouwen, de goedkeuring hadverworven van den god, dien hare vaderen naar Alexandrië gebracht en daar eer hadden doen bewijzen, opdat hij het wezen der Grieksche en Aegyptische godheden in zich vereenigen zou.
Nu moest haar grafmonument worden opgericht en wanneer het noodlot het wilde, haar geliefde en haar zelve tot gezamentlijke rustplaats strekken. Zij had uit de bittere woorden van Antonius, zoowel als uit den blik en den klank der stem van Lucilius, begrepen, dat hij, evenals den man aan wien haar hart ook nu nog met onverbrekelijke banden was gehecht, haar aansprakelijk stelden voor Actium en de vernietiging van zijn grootheid. Zij wist dat de wereld dat naspreken zou, maar die moest leeren inzien dat, zoo het de liefde was geweest die den grootsten man van zijn tijd roem en heerschappij had doen verliezen, deze liefde ook den allerhoogsten prijs waard was geweest.
Wat men haar zooeven in een zinnebeeld voor oogen had gesteld, dat het voor het verdwijnende licht was weggelegd in nieuwen stralenden glans weder op te gaan, dat wilde zij bedenken, ook dan als de beste uitslag harer pogingen tot niets leidde dan om de glimmende vonken nog eens aan te blazen en het uitdooven daarvan nog wat uit te stellen.
Voor haar eigen persoon was er geen groote overwinning meer te behalen, die den strijd zou zijn waard geweest. Toch mochten de wapenen niet rusten tot het laatste toe, en mocht Antonius niet langer, als een andere Timon, morrend en als een stuk wild dat in een strik gevangen was, er bij nederliggen. Zij wilde het vuur zijner heldennatuur, dat door de blinde liefde tot haar en door de macht der tooverkunst, waarmede zij zijn wil gebonden had, met verstikkende asch was bedekt, weder oprakelen en het dwingen, al was het maar tot een enkele laatste opflikkering.
Onder het luisteren naar de opstandingshymne der Serapispriesters, had zij zichzelve de vraag gesteld: of het misschien niet mogelijk zou zijn om aan Antonius, zoo deze tot nieuwe geestkracht ontwaakte, den zoon van Julius Cæsar tot medestrijder te geven.
Het is waar, zij had den jongeling anders wedergevonden dan zij had gehoopt. Ofschoon hij zich eenmaal tot een stoute onderneming had laten medesleepen, scheen het alsof al zijn kracht tot handelen daarmede uitgeput was, want thans gaf hij zich geheel aan de jammerlijkste liefdesmart over, en verdiepte zich in somber gepeins. Maar hij was dan ook nog ziek. Als hij hersteld was zou hij weder ontwaken tot levendige belangstelling in de gebeurtenissen, die zoo diep dreigden in te grijpenin zijn bestaan, en, even goed als de geringste slaaf, treuren over de nederlaag bij Actium.
Tot nu toe had hij alle berichten omtrent den slag, dien men hem letterlijk had moeten opdringen, aangehoord met een onverschilligheid, die alleen te verklaren en te vergeven was als men die aan zijn verwonding toeschreef.
Zijn gouverneur Rhodon had zooeven om een kort verlof verzocht en daarbij opgemerkt, dat het in zijn afwezigheid Cæsarion niet aan gezelschap zou ontbreken, daar hijAntyllusen eenige andere jongelieden van zijn leeftijd verwachtte.
De vensters van de ontvangzaal van den »Koning der koningen” waren helder verlicht. Het was nog tijd hem op te zoeken en te doen begrijpen, waarom het ook voor hem te doen was. O, indien het haar eens gelukte zijns vaders geest bij hem wakker te maken! Indien eens die strafwaardige aanslag op Barine een voorbode was geweest van toekomstige heldendaden!
Geen enkele ontmoeting met hem had haar nog aanleiding gegeven tot deze verwachting, doch voor het moederhart wordt zelfs de ontgoocheling licht een trap die tot nieuwe hoop leidt. Toen Charmion binnentrad om den lijfslaaf van Antonius aan te dienen, beval zij dien te laten wachten, en verzocht haar vriendin haar naar haar zoon te vergezellen. Op het oogenblik toen zij de vertrekken naderden die Cæsarion bewoonde, klonk de luide stem van Antyllus haar tegen door de breede open deur, waarvan het voorhangsel slechts half toegeschoven was. Het eerste woord dat de Koningin verstond, was haar eigen naam; daarom gaf zij hare gezellin een wenk, en beiden bleven staan.
Het onderwerp van het gesprek was alweder Barine. De zoon van Antonius verhaalde wat hij door Alexas had gehoord. Cleopatra, had de Syriër beweerd, was van plan geweest de jonge vrouw naar de steengroeven of in verbanning te zenden, en Dion zwaar te straffen; doch nu waren beiden ontsnapt. De epheben hadden zich als verraders gedragen, want zij hadden de partij van hun vijand gekozen. Maar dat was daaraan toe toe te schrijven, dat men hem nog niet met het jongelingsgewaad had bekleed. Hij hoopte zijn vader daartoe te bewegen indien deze maar eerst weder van zijn beklagenswaardige menschenschuwheid verlost was. Dan moest men hem ook overreden zelf voor de vervolging der gevluchten te zorgen. »En dat zal niet moeilijk gaan,” riep hij overmoedig uit, »want de oude man weet wat schoon is, en heeft zelf reeds een oog op de zangeres geworpen. Doch als zij haar vangen, dan sta ik u overigens voor niets in, gij »Koning der koningen”—want ondanks zijn grijzen baard steekt hij ons allen bij de vrouwen nog deloef af, en voor Barine—dat hebben wij immers gehoord—begint een man eerst iets waard te worden, wanneer zijn haar gaat dunnen. Ik heb aan den trawant Derketaeus opgedragen al zijne lieden uit te zenden om haar te zoeken; die is zoo slim als een vos, en de gerechtsdienaars moeten hem gehoorzamen.”
»Als ik hier maar niet moest liggen als een doode ezel,” zuchtte Caesarion, »dan zou ik haar wel vinden. Nacht en dag denk ik aan haar. Al mijn geld zou ik willen geven om haar te vervolgen. Gisteren heb ik ook den zaakwaarnemer Seleukus laten komen. Waartoe ben ik anders de zoon mijner moeder? Doch die kleine, dikke man is de eerlijkste niet. Hij wil wel-is-waar, nog niet toeslaan, maar toch moet er geld genoeg zijn. In den Delta, op de grens van Syrië, heeft de Koningin millioenen in het zand verstopt. Ik hoor dat men daar bezig is een vierkante kuil te graven, of iets dergelijks om daarin de vloot te verbergen. Ik heb dat onzinnige plan maar half begrepen. Ik had voor dat geld honderden speurhonden kunnen laten werken. Zoo worden de talenten weggeworpen, en voor den eigen zoon blijft de kas gesloten. Maar ik zal wel iemand vinden om die voor mij te openen! Ik moet het geld hebben, al kost het ook de kroon. Het klinkt mij altijd als spot in de ooren, als zij mij »Koning der koningen” noemen. Ik deug niet voor de heerschappij! Buitendien, eer ik den troon werkelijk bestijg, zal hij mij reeds ontnomen zijn. Wij hebben de nederlaag geleden, en indien het ons gelukt vrede te sluiten, waardoor wij het leven en maar weinig meer behouden mogen, dan moeten wij het daarmede doen. Ik voor mij ben tevreden met een landgoed aan het water, geld genoeg, en daarbij Barine. Wat gaat dit Aegypte mij aan? Als Caesars zoon zou ik over Rome kunnen gebieden,—doch de goden wisten wat zij deden, toen zij mijn vader ingaven mij te onterven. Om de wereld te regeeren, moet men een minder sterke behoefte aan slaap hebben. Eigenlijk—dat weet gij wel—voel ik mij altijd moede, zelfs wanneer ik gezond ben. Men moet mij met vrede laten! Uw vader, Antyllus, legt immers ook de wapenen neder, en laat de dingen gaan zooals zij willen.”