ZESDE HOOFDSTUK.

»De Koning stapte uit zijn reiswagen, die met acht Medische schimmels bespannen was. De aanzienlijke kamerheer die hem vergezelde, moest hem daarbij ondersteunen. Zijn rood gezicht glansde toen hij zijne meisjes begroette. Men zag hoe blijde hij verrast was, vooral door Cleopatra. Wel kuste hij ook Arsinoë, maar hij had toch alleen oogen en ooren voor de andere. Toch had ook de jongste zich schoon ontwikkeld, en zonder haar zuster ware ook zij zeker de aandacht waardig geweest. Doch Cleopatra was als de zon, die ieder ander hemellicht naast haar verbleeken doet. En toch mocht men haar niet zonnig noemen. Dat was juist voor een deel het bekoorlijke in haar, dat ieder zich gedrongen voelde zijn blik op haar te laten rusten, alleen om uit te vorschen waarin toch de betoovering bestond die van haar uitging.

»Ook Antonius werd door die aantrekkingskracht geboeid, zoodra de eerste woorden over hare lippen gekomen waren. Hij was te paard tot naast den wagen van den koning komen aanrijden. Zoodra hij de dochters aan de zijde van haar vader had gezien, begroette hij haar met vluchtige beleefdheid. Toen vraagde hij Cleopatra of hij op haar dank mocht hopen, omdat hij zoo spoedig haar vader had teruggebracht, en zij zeide dat zij, als dochter, gaarne erkentelijk wilde zijn, maar dat het haar als Aegyptische koningsdochter moeite kostte. Bij dit antwoord zag hij haar scherper aan dan te voren. Ik zelf hoorde daarvan pas later, maar ik zag hoe de Romein, zoodra zij ophield met spreken, van het paard sprong, en den voornamen kamerheer Ammonius, die den Koning uit den wagen had geholpen, de teugels toewierp, alsof hij een stalknecht was. De man, die zulk een oog had voor vrouwenschoonheid, had hier een zeldzame vondst gedaan, en terwijl hij het gesprek met Cleopatra voortzette,mengde zich ook haar vader daarin, en telkens hoorden wij zijn luiden lach. Men zou de ernstige leerlinge van Epicurus niet herkend hebben. Reeds menigmaal hadden wij treffende gezegden en verrassende denkbeelden van haar gehoord, doch zij had nog maar een enkele maal de scherts van Timagenes op dezelfde manier beantwoord. Maar nu gaf zij op ieder woord van Antonius een geestige repliek. Het was alsof zij nu eerst iemand gevonden had tegenover wien zij het de moeite waard vond om alle gaven van haar vluggen en diepen geest aan den dag te leggen. En toch verloor zij daarbij geen oogenblik haar vrouwelijke waardigheid. Hare oogen schitterden niet meer dan zij in een levendig gesprek met mij of met mijn vader deden.

»Met Arsinoë was het anders. Toen Antonius van het paard was gestegen, was zij hare zuster genaderd, doch daar de Romein haar voortdurend over het hoofd zag, zag ik hoe zij kleurde. Zij beet zich op de lippen en kreeg iets onrustigs over zich. Ik zag aan haar oogen en de trillende neusvleugels dat zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Ofschoon Cleopatra mij veel liever was, ging mij dit toch aan het hart, en ik had dien trotschen Romein, die er werkelijk uitzag als de oorlogsgod zelf, aan zijn arm willen schudden en hem toefluisteren dat hij die andere koningsdochter toch niet zoo mocht veronachtzamen.

»En nog wat ergers wachtte de arme Arsinoë. Op het oogenblik dat de koning tot afscheidnemen vermaande, nam Antonius hem een der bloemruikers, die hij nog in zijn hand hield, af en zeide met zijn diepe, schoone stem: »Wie zulk een bloem zijn dochter noemt, heeft geen andere noodig.” Daarbij reikte hij den ruiker aan Cleopatra, en met de hand op het hart sprak hij den wensch uit dat hij haar te Alexandrië zou mogen wederzien. Toen sprong hij op het paard, dat de verontwaardigde kamerheer nog altijd bij den teugel hield.

»De fluitspeler was over zijn oudste dochter werkelijk verrukt, en deelde mijn vader mede, dat hij de meisjes overmorgen in de stad zou laten brengen. Morgen had hij daar allerlei dingen te doen, die zij liever niet moesten bijwonen. Mijn vader mocht het zomerpaleis met den tuin ten teeken van dankbaarheid voor zich en zijn nageslacht in eigendom behouden. Hij zou zorgen dat dit in de boeken ingeschreven werd. Inderdaad had dit op denzelfden dag nog plaats. Zelfs zou het zijn allereerste werk zijn geweest, indien niet een andere zaak vóór moest gaan: de terechtstelling van zijn dochter Berenice.

»Dezelfde koning die in de oogen van allen, die zijn ontmoeting met zijn dochters hadden gezien, een gevoelig man en teeder vader scheen, zou in die dagen half Alexandrië hebbenlaten ter dood brengen, zoo niet Antonius tusschenbeide gekomen ware. Deze verbood al dat bloedvergieten, en eerde de nagedachtenis van Berenice's gemaal nog met een prachtige begrafenis.

»Terwijl hij te paard wegreed, zag hij nog meermalen naar Cleopatra om, doch aan Arsinoë kon hij geen groet meer geven, want zij was haastig naar den tuin teruggegaan. Haar gezwollen gelaat toonde duidelijk de sporen van pas vergoten heete tranen. Van dien dag haatte zij Cleopatra met bitteren wrok.

»De Koning liet op den bepaalden tijd de beide meisjes afhalen. Dat geschiedde met vorstelijke praal. De Alexandrijnen juichten de koningsdochters luide toe, terwijl zij op vergulde troonzetels, met waaiers van struisvederen toegewuifd, omringd door veldheeren, hooggeplaatste ambtenaren, lijfwachten en den senaat, langs den koningsweg stadwaarts gedragen werden. Cleopatra dankte het voor zijne begroeting met een trotsche majesteit alsof zij nu reeds Koningin was. Wie haar gezien had, zooals zij met betraande oogen van ons allen afscheid nam en ieder van ons verzekerde dat zij met hartelijkheid aan hen zou blijven denken, zooals zij mij, die toen reeds gekozen was tot hoofd van den bond der epheben11), zoo zusterlijk innig.....”

Hier werd het verhaal van Archibius afgebroken door een slaaf, die de aankomst van zijn bode meldde, en hij stond onmiddellijk op, om hem in de werkplaats, waar men hem gebracht had alléén te spreken.

9)Leeraars in de welsprekendheid.

10)De godin van den dageraad.

11)Jonge mannen.

De lieden, die door Archibius op kondschap uitgezonden waren, hadden nog geen zekere berichten ingewonnen, doch een hardlooper van den Koning had kort geleden een tafeltje voor hem afgegeven, waarop Iras hem uitnoodigde haar den volgenden dag een bezoek te brengen. Er waren verontrustende, doch gelukkig nog onzekere tijdingen gekomen. De Regent wilde alles doen om zekerheid te verkrijgen, doch hij kende het wantrouwen der zeelieden en dergenen die aan de haven woonden ten opzichte van de Regeering. Een onafhankelijk man als hij, zou meer te weten kunnen komen dan de havenopzichter met al zijn schepen en volk.

Bij dit tafeltje was nog een tweede, waarop de overbrenger van den Regent de vergunning gekregen had te allen tijde de havenketen te doen ontsluiten, met zijn schip in de open zee te loopen en ongehinderd terug te keeren.

De bode, de opzichter der scheepsslaven van Archibius, was een man van ondervinding. Hij nam op zich, de »Epicurus” een snelzeiler, dien Cleopatra aan haar vriend ten geschenke gegeven had, binnen twee uren tot een tocht in de volle zee gereed te maken. Intusschen zou zijn meester afgehaald worden met een wagen, opdat geen tijd zou verloren gaan.

Nu keerde Archibius tot de vrouwen terug, en vroeg haar, of het geen misbruik maken van hare gastvrijheid zou zijn, indien hij zijn vertrek nu, kort voor middernacht, nog eenigen tijd uitstelde. Zij toonden zich integendeel oprecht verblijd en verzochten om het vervolg van zijn verhaal.

»Ik moet mij bekorten,” zeide hij, nadat hij den maaltijd dien Berenice gedurende zijn afwezigheid voor hem had doen gereed maken, eer aangedaan had. »Ook is er in de daaropvolgende jaren niet veel gebeurd, wat de vermelding waardig is. Ik moest toen ook al mijn tijd aan mijne studies in het Museum wijden. Wat Cleopatra en Arsinoë betreft, zij werdenaan het hof als koninginnen behandeld. Met den dag, toen zij ons huis verlieten, eindigde ook haar kinderjaren. Was het de herstelling van haar vader op den troon, of de ontmoeting met Antonius, die deze groote verandering bij Cleopatra veroorzaakt had? Wie zal het zeggen?

»Kort vóór Cleopatra's afscheid, had mijn moeder nog betreurd dat zij haar moest afstaan aan een vader, zooals de fluitspeler was, en niet aan een waardige moeder; want zelfs de allerbeste zou zich gelukkig rekenen in het bezit van zulk een schat. Doch later was haar aard en manier van doen meer geschikt om een mannenhart in verrukking te brengen, dan juist dat eener moeder. Het scheen alsof haar streven naar zielevrede geheel voorbij was. Toch werden haar de drukke feestmalen, het zingen en muziekmaken, waaraan het in het paleis van den koninklijken virtuoos nooit ontbrak, wel eens wat te veel. Dan kwam zij in onzen tuin, en bleef daar dikwijls verscheidene dagen. Arsinoë kwam nooit mede, want deze liet zich nu eens boeien door een blonden officier der Germaansche ruiterij, die Gabinius achtergelaten had ter bezetting van de stad, dan weder door een Macedonisch edelman onder de koninklijke jongelingen, die toenmaal nog de wacht hadden in het paleis.

»Cleopatra leefde geheel van haar gescheiden, en sedert zij hare zuster eens hare minnarijen verweten had, legde deze haar vijandige gezindheid openlijk aan den dag. Cleopatra's belangstelling was op andere zaken gevestigd. Hoewel zij zich somtijds bezighield met de magische kunsten der Aegyptenaars, was haar helder verstand toch het meest tehuis in de wijsbegeerte der Hellenen. Het was een genoegen haar in het Museum met de leiders der verschillende scholen te hooren spreken of redetwisten. Haar gevoel van eigenwaarde was zeer toegenomen. Hoewel zij bij ons altijd verklaarde, dat zij met smart terugverlangde naar den tijd van den vreedzamen Epicuristen tuin, zoo nam zij toch zeer levendig deel in wereldsche zaken en politiek. Zij wist evengoed wat te Rome voorviel, wat de partijen dáár wilden en najaagden, als wie hunne leiders waren en welke bijzondere bedoelingen zij hadden.

»Met hartelijke belangstelling volgde zij de loopbaan van Marcus Antonius. Voor hem was de eerste neiging van haar jonge hart geweest. Zij had de grootste verwachtingen van hem gekoesterd, maar zijn latere handelwijze scheen daaraan niet te beantwoorden. Van toen af was iedere uiting omtrent hem met een tintje van minachting gekleurd, en toch voelde men ook daarin haar hart.

»Pompejus, wien haar vader zijn terugkeer te danken had, zag zij voor meer gelukkig, dan groot en wijs aan. Daarentegensprak zij van Julius Cæsar, lang vóór zij hem persoonlijk had ontmoet, met gloeiende geestdrift, al wist zij, dat hij Aegypte tot een Romeinsche provincie had willen maken. Het grootste wat zij van hem verwachtte was, dat hij een einde zou maken aan de republiek, die zij haatte, en zichzelven tot beheerscher der wereld verheffen zou. Alleen had zij gaarne Antonius in zijn plaats gezien. Dikwijls nam zij in dien tijd tooverkunst te baat om iets van zijn toekomst te weten te komen. Haar vader deed hieraan mede, te meer omdat hij daarvan genezing van zijn lichaamskwalen verwachtte.

»Cleopatra's broeders waren nog aankomende jongelingen, die hun voogd Pothinus moesten gehoorzamen. Aan dezen, en hun opvoeder Theodotus, een knap doch gewetenloos redenaar, liet de Koning het bewind over zijn land geheel over. Zij beiden, en ook de veldheer Achillas zouden gaarne Dionysus, den oudsten erfgenaam des konings aan de regeering gebracht hebben, om dien ook later te kunnen beheerschen, maar op dit punt haalde de Koning een streep door hunne rekening. Zooals gij weet, benoemde hij in zijn laatsten wil zijn lieveling Cleopatra tot zijn opvolgster, maar haar broeder Dionysus moest de heerschappij als haar gemaal met haar deelen. Dit wekte in Rome veel ergernis, hoewel het overeenkwam met een oud Aegyptisch gebruik.

»De fluitspeler stierf. Cleopatra werd koningin en ook de gemalin van een tienjarigen knaap, voor wien zij zelfs niet een gewone zusterlijke genegenheid had. En zoo verbond zij zich met het eigenzinnige kind dat zich door de inblazingen van zijn raadslieden als alleenheerscher beschouwde, en tegelijk met de voormalige regeeringspersonen van het land.

»Er brak nu een droeve tijd voor haar aan. Haar leven was een voortdurende strijd tegen de kuiperijen, waaraan vooral haar zuster Arsinoë meedeed. Zij hield er een eigen hofhouding op na, aan welker hoofd de eunuch Ganymedes stond, die een ervaren veldheer en tegelijk een wijs en welmeenend raadsman voor haar was. Hij wist haar in aanraking te brengen met Pothinus en de overige staatslieden, en zoo vereenigden zich ten slotte allen in het ééne streven: Cleopatra van den troon te dringen. Pothinus, Theodotus en Achillas haatten haar omdat zij hunne fouten doorzag en hun de meerderheid van haar geest gevoelen liet. Ook zou het aan hunne vereende pogingen reeds vroeger zijn gelukt haar te doen vallen, wanneer de Alexandrijnen, en vooral de bond der jongelingen, die nog altijd eenigszins onder mijn invloed stonden, haar niet zoo trouw hadden bijgestaan. Alles wat zich »jongeling” noemde, gloeide voor haar, en ook onder de Macedonische edelen bij de lijfwacht, zoudende meesten voor haar door het vuur zijn gegaan, hoewel zij zonder hoop tot haar op moesten zien, als tot een ongenaakbare godin.

»Toen haar vader stierf, was zij zeventien jaar oud, doch zij wist zich als een man te verdedigen tegen hare vijanden en belagers. Mijne zuster Charmion die zij bij zich in dienst had genomen, stond haar daarbij trouw ter zijde. Zij was een mooi en lief meisje, en menigeen dong naar haar hand, maar de tooverkracht der Koningin hield haar als met ketenen geboeid. Zij gaf vrijwillig de liefde van een edel man op,—gij weet hij werd later uw gade, vrouw Berenice—om niet de Koningin te verlaten, in een tijd dat zij haar bijzonder noodig had. Van dien tijd af was het hart mijner zuster voor de liefde gesloten. Het behoorde geheel aan Cleopatra. Zij leeft, denkt, zorgt alleen voor haar. Voor u Barine, gevoelt zij bijzondere genegenheid omdat uw vader Leonax haar dierbaar was. Iras, die zoo dikwijls tegelijk met haar wordt genoemd, is de dochter van mijn oudste zuster, die reeds gehuwd was, toen de Koning de prinsessen aan mijn vader toevertrouwde. Zij is twaalf jaren jonger dan Cleopatra, en ook bij haar is hare gebiedster de eerste. Haar vader, de rijke Krates, deed alles om haar van den dienst der koningin terug te houden, maar het was te vergeefs. Na één enkel onderhoud met die wonderbare vrouw was zij voor goed voor haar gewonnen.

»Maar ik moet kort zijn! Gij hebt zeker zelve gehoord hoe Cleopatra ook Pompejus' zoon, bij zijn bezoek te Alexandrië geheel voor zich innam. Sedert de ontmoeting met Antonius, had zij geen man zoo vriendelijk behandeld als hem, en dat was geen opwelling van haar hart geweest, maar ter wille van het vaderland, dat haar zoo lief was. De vader van dien Gnejus had destijds de grootste macht in handen, en uit staatkundig overleg trachtte zij hem te winnen door middel van zijn zoon. De jonge Romein was dan ook bij het afscheid »vol van haar” zooals de Aegyptenaars zeggen. Dat deed haar genoegen, maar dit bezoek gaf ook voedsel aan den laster van haar vijanden. De aanvoerders der lijfwacht, aan wien zij zich altijd slechts als de trotsche Koningin vertoonde, hadden haar, heette het, met den zoon van Pompejus zien omgaan als met haars gelijken; in het theater en bij vele andere gelegenheden waren de Alexandrijnen getuige geweest hoe zij zijn betuigingen van welgevallen evenzoo beantwoordde. Maar de haat tegen Rome was in dien tijd hoog geklommen. De regenten en Arsinoë strooiden uit dat Cleopatra Aegypte aan Pompejus wilde afstaan, indien de senaat haar verzekerde van de alleenheerschappij over het nieuwe wingewest, en haar vrijheid wilde geven zich te ontslaan van haar koninklijken broeder en gemaal.

»Nu moest zij vluchten, en begaf zich allereerst naar de grenzen van Syrië om onder de Aziatische vorsten vrienden te winnen voor hare zaak. Aan mij en mijn broeder Straton, die zooals gij weet, bij den worstelstrijd te Olympia een krans behaalde, werd bevolen haar hare schatten na te dragen. Dat was wel is waar een gevaarlijke tocht, doch wij ondernamen dien met blijdschap, en vertrokken uit Alexandrië met eenige kameelen, een ossenwagen en verscheidene vertrouwde slaven. De reis ging tot Gaza, waar zij reeds een leger bijeenverzameld had. Wij hadden ons beiden verkleed als Nabateesche kooplieden, en de talen die ik geleerd had, om niet bij Cleopatra achter te staan, kwamen mij nu goed te pas.

»Het was een veelbewogen tijd. De namen van Pompejus en Cæsar waren in ieders mond. Na de nederlaag bij Dyrrhachium scheen de zaak van Julius Cæsar verloren, maar de slag bij Pharsalus gaf hem de heerschappij terug, indien zich het Oosten niet voor Pompejus verklaarde. Het scheen alsof beiden gelukskinderen waren. De vraag was maar wie dat het langst zou blijven.

»Mijne zuster Charmion vergezelde de Koningin, doch door eene haar toegedane vrouw uit het gevolg van Arsinoë hadden wij reeds uit het paleis vernomen, dat het lot van Pompejus beslist was. Hij kwam na zijn nederlaag bij Pharsalus als vluchteling hierheen, en verzocht den Koning van Aegypte, of liever de mannen die voor hem het bewind voerden, om gastvrijheid. Toen bevonden zich Pothinus en de zijnen in groote verlegenheid, want de troepen en schepen van Cæsar waren in de nabijheid, en vele vrienden van Gabinius dienden in het Aegyptische leger. Wanneer men den verslagen Pompejus vriendelijk ontving, dan maakte men zich den overwinnaar Cæsar tot vijand. Ik moest getuige zijn van de verschrikkelijke oplossing van dit dilemma. Het afschuwelijke gezegde van Theodotus: »doode honden bijten niet meer”, gaf den doorslag.

»Mijn broeder en ik waren met onze kostbare vracht reeds tot aan den berg Casius gekomen en hadden daar onze tent opgeslagen om een bode af te wachten, toen een groote schaar gewapende krijgslieden uit de stad naar ons toe kwam. Eerst vreesden wij dat wij vervolgd werden, maar een verspieder meldde, dat de Koning zelf zich onder de soldaten bevond, en op hetzelfde oogenblik zagen wij een groot Romeinsch admiraalsschip van de zijde der kust naderen. Dat kon niet anders dan van Pompejus zijn. De Koning was dus van gevoelen veranderd, en kwam zelf zijn gast verwelkomen. De troepen legerden zich langs de vlakke kust, waarboven de tempel van Ammon zich verhief.

»Het was een heldere Septemberdag en de wapens glinsterden in de zon. Van den hoogen rotswand der droge rivierbedding, waarin wij onze tent hadden opgeslagen, zagen wij iets roods zich op en neer bewegen. Het was de purperen mantel des konings. De blauwe golven, door een zacht windje bewogen, kabbelden over het gele duinzand. De koning bleef stilstaan. Hij tuurde met de hand boven de oogen naar het naderende admiraalsschip. Achillas, de bevelhebber, en de tribuun Septimius, die tot de Romeinsche bezetting in Alexandrië behoorde, en van wien ik wist dat hij onder Pompejus gediend, en hem veel te danken had, waren intusschen in een boot gegaan, en voeren hem tegemoet, daar het schip daar niet landen kon.

»Nu begonnen de onderhandelingen, en Achillas' voorslagen moeten zeer aannemelijk en vertrouwen-inboezemend geweest zijn, want een hooggeplaatste vrouw, Cornelia, de gemalin van den Imperator maakte een gebaar dat haar dank moest uitdrukken.”

De verhaler hield een oogenblik op, haalde diep adem, en drukte de hand tegen zijn voorhoofd,terwijlhij voortging:

»Nu komt iets.... ach, dat ik dat verschrikkelijk tooneel mee moest aanzien! Hoe dikwijls heeft men het verkeerd weergegeven, en toch ging alles zoo akelig eenvoudig!

»De Fortuin geeft haar gunstelingen vertrouwen. Dat had Pompejus dan ook. In weerwil van zijne acht en vijftig jaren, stapte hij vlug in het bootje. Alleen een vrijgelaten slaaf bood hem zijn hulp. Een zwarte matroos stiet het scheepje met zulk een kracht van het groote schip af, dat het scheen alsof de ijzeren stang een speer en het vaartuig zijn vijand was. De man struikelde, doordat de riemslagen der roeiers de boot reeds vooruit dreven, en daarbij viel het bruine mutsje van zijn hoofd. Het is of ik dat zwarte, wollige haar nog zie. Eer het mij nog recht helder werd dat dit geen goed voorteeken was, lag de boot reeds stil.

»Het water stond laag. Ik zag hoe Achillas naar het land wees. Hij kon het met één sprong bereiken. Pompejus zag naar den Koning; de vrijgelatene legde de hand onder zijn arm om hem bij het opstaan te helpen, Septimius stond op naar het scheen om hem te steunen. Doch neen! Wat is dat? Op eens flikkert iets naast het grijze haar van den Imperator in het helle zonlicht, alsof er een vonk uit den hemel gevallen was. Wil Pompejus die afweren, of waarom beweegt hij zijn hand? Hij nam zijn toga op, en zonder geluid te geven bedekte hij daarmede zijn gelaat. Nog eens zwaait de tribuun met zijn arm, en toen.... welk een verwarring! Hier, ginds, overal opgestoken handen, en weder flikkert iets in de lucht. De veldheer Achillas stootzijn dolk met zulk een vaste hand, alsof hij zich in het moorden geoefend had. Het zware lichaam van den Imperator zijgt neder. De vrijgelatene ondersteunt hem nog.

»Nuhoorde men een geschreeuw van woede, van weeklachten, en boven dat alles uit de pijnlijke smartkreet eener vrouw. Die komt van het schip, van Cornelia, de gemalin van het slachtoffer. Daarop weder toejuichingen uit het kamp van den Koning, trompetsignalen; de Aegyptenaars trekken weder af. Daar vertoonde de vuurroode mantel zich weder. Septimius gaat hem tegemoet, met een bloedend hoofd in de hand. De jonge Koning ziet in de gebroken oogen, die zoovele gevechten, die Rome, die twee werelddeelen hebben beheerscht. Dit gezicht is het kind toch te machtig: hij wendt zich af. Het schip zeilt weer weg; de Aegyptenaars scharen zich in rijen, en trekken af. Achillas wascht zijne bebloede handen in de zee, en naast hem de vrijgelatene eveneens het hoofdelooze lichaam van zijn heer. De trouwe dienaar roept den veldheer iets toe, maar deze haalt alleen de schouders op.”

Archibius moest weder een oogenblik ophouden om adem te scheppen. Toen ging hij weder kalmer voort:

»Ik hoorde later dat Achillas het leger niet naar Alexandrië terugbracht, maar naar het Oosten, naar Pelusium.

»Mijn broeder en ik stonden op den steilen rotswand. Het duurde lang eer wij een van beiden spraken. Een stofwolk onttrok den Koning en zijn gevolg aan ons gezicht, en het zeil van het admiraalsschip verdween ook. Het werd donker, en Straton wees naar het Westen, waar Alexandrië lag. Daar ging de zon onder, zoo rood, alsof een stroom van bloed over de stad werd uitgegoten.

»Thans daalde de nacht. Er brandde aan de kust nog een zwak vuur. Vanwaar kwam op die dorre vlakte dat hout? Hoe had men dat daar ontstoken? Dicht bij het tooneel van den moord had een wrakke schuit gelegen. De vrijgelatene en zijn makker hadden die in stukken gehakt, en het vuur werd gevoed met dorre takken, de verscheurde kleeren van het slachtoffer en droog zeegras. De vlammen sloegen nu hooger op. Wij zagen hoe op dezen armzaligen brandstapel behoedzaam een menschenlichaam werd neergelegd. Het was dat van den grooten Pompejus. Een veteraan van den Imperator bood den trouwen dienaar de behulpzame hand.”

Archibius zonk op den rustbank achterover, en voegde er ter verklaring bij:

»De man heette Cordus, Servius Cordus. Later is het hem goed gegaan, want daar heeft de Koningin voor gezorgd.Maarde anderen werden alle spoedig genoeg door het noodlot achterhaald.Theodotus werd later door Brutus tot een ellendigen dood veroordeeld. Terwijl hij zieltogend luid schreeuwde, riep een oud dienaar van Pompejus hem toe: »Doode honden bijten niet meer, maar zij huilen als zij sterven.”

»Het was Julius Cæsar waardig, dat hij zich vol afschuw afwendde toen hem later het hoofd van zijn vijand gebracht werd. En Pothinus wachtte te vergeefs een belooning voor zijn schandelijke daad.

»Spoedig na de terugkomst des Konings in Alexandrië zeilde Cæsar uit. Eerst in Aegypte hoorde hij welke ontvangst men daar Pompejus had bereid. Gij weet dat hij hier negen maanden lang gebleven is. Menigmaal heb ik hooren zeggen dat het Cleopatra was, die hem hier geboeid hield. Dat is waar, en toch ook weder niet waar. Een half jaar was hij gedwongen te blijven; de overig drie maanden schonk hij aan zijne geliefde, want het hart van den vierenvijftigjarigen man had zich werkelijk nog eenmaal voor een grooten hartstocht geopend. Evenals alle wonden, zoo zijn ook die van Eros' pijlen moeilijker te heelen, wanneer iemands jeugd al achter hem ligt. Ook waren het niet slechts oogen en zinnen die dit, in leeftijd zoo verschillende paar tot elkander aantrokken, maar veeleer beider innerlijke hoedanigheden. Twee gevleugelde geesten hadden elkander hier ontmoet. Het genie van den een had dat van de ander erkend. De echte mannelijkheid was de volkomen vrouwelijkheid tegemoet gekomen. Het kon niet anders of zij moesten elkander aantrekken. Ik zag het aankomen, want reeds lang had Cleopatra met gespannen aandacht de vlucht van dezen adelaar gevolgd. Hij vloog hooger dan alle anderen, ook dan hij, dien zij reeds als kind vol verlangen had nagestaard. En zij voelde zich sterk genoeg hem ter zijde te blijven.

»Wij kwamen zonder ongeval bij Cleopatra aan, en hoorden hoe Cæsar in het paleis der Ptolemaeërs afgestapt was, in weerwil van den vijandige gezindheid der burgers, en hoe hij de taak op zich genomen had de orde in Aegypte te herstellen. Wij wisten op welke wijze Pothinus, Achillas en Arsinoë zouden trachten invloed op hem uit te oefenen. Wat Cleopatra betreft, zij maakte zich ongerust dat hare vijanden Aegypte onvoorwaardelijk aan Rome zouden afstaan, wanneer Cæsar hen de teugels der regeering overliet, en haar daarvan uitsloot. Zij had reden dit te vreezen, maar ook den moed om voor haar eigen zaak het leven te wagen.

»Zij moest nu naar de stad, en wel naar het paleis, in de tegenwoordigheid van den Dictator gebracht worden. Mijn broeder en ik hielpen haar. Aan kinderen heeft men het verhaaltje opgedischt, dat Cleopatra door een sterken man in eenzak door de poort van het paleis werd gedragen. Het was nu wel geen zak, maar een Syrisch tapijt. De sterke man was mijn broeder Straton. Ik liep vooruit en maakte ruim baan.

»Julius Cæsar en zij zagen en vonden elkander. Het lot trok nu het besluit, dat uit de gegevens vanzelf voortvloeide. Nooit zag ik Cleopatra meer schitterend in al hare gaven van verstand en hart dan toen. Toch was zij door gevaren omringd, en had Cæsar al zijn veldheerstalent noodig om den tegenstand, dien hij hier vond, te bedwingen. Ik herhaal: dat was het, wat hem hier hield; Cleopatra niet. Waarom zou hij niet, zooals hij later deed, zijn geliefde meegenomen hebben naar Rome, wanneer hem dat mogelijk ware geweest? Dit was echter in geenen deele het geval. Daar zorgden de Alexandrijnen wel voor.

»Hij had het testament van den fluitspeler erkend, en zelfs aan het Aegyptische koningshuis nog meer rechten toegestaan, dan de Koning had kunnen doen. Cleopatra en haar broeder en gemaal Dionysus moesten de heerschappij deelen; aan Arsinoë en haar jongsten broeder werd daarbij nog Cyprus toebedeeld, dat de Republiek aan hun oom Ptolemæus had ontnomen. Natuurlijk moest Rome de voogdij over de kinderen behouden.

»Deze beschikkingen waren ondragelijk voor Pothinus en de voormalige bewindvoerders van den staat. Cleopatra als Koningin, en Rome, dat was Cæsar, de dictator die haar vriend was, als voogd, dat was zooveel als ontzetting uit alle macht, ja hunne geheele vernietiging, en daarom verzetten zij zich daartegen met alle kracht.

»De Aegyptenaars en ook de Alexandrijnen waren aan hare zijde, en de jonge Koning torste met tegenzin het juk der zooveel meer ontwikkelde zuster, die hij nooit had liefgehad. Cæsar was met een strijdmacht aangekomen die op verre na niet gelijkstond met de hunne, en misschien konden zij den algemeen gevreesden man hier ten val brengen. Zoo streden zij dan van weerszijden met zooveel inspanning en ijver, dat de dictator groot gevaar liep het onderspit te delven. Maar Cleopatra verlamde waarlijk niet zijn kracht, noch belemmerde hem in zijn bewegingen. Neen! nooit was hij grooter geweest, nooit bewees hij zóó duidelijk de macht van zijn genie! En welk een overmacht, welk een haat, had hij te bestrijden! Ik zag hoe de jonge Koning, toen hij hoorde dat het Cleopatra was gelukt in het paleis binnen te dringen en Cæsar te zien, als bezeten van woede de straat op liep, zich de kroon van het hoofd rukte, die op den grond wierp en de voorbijgangers toeriep, dat hij verraden was. Dit duurde zoolang totdat Cæsar's soldaten hem in het paleis terugbrachten en de menigte uiteendreven.

»Arsinoë had meer gekregen dan zij had durven hopen, en toch voelde zij zich ook nu weder het meest beleedigd. Toen Cæsar in het paleis zijn intrek had genomen had zij hem als Koningin ontvangen, en al haar hoop op hem gevestigd. Daar was haar gehate zuster gekomen en als altijd geraakte zij door Cleopatra op den achtergrond. Dat was te veel, en met haar vertrouweling Ganymedes, die een geducht krijgsman was, verliet zij het paleis, en ging tot de vijanden van den dictator over.

»Nu volgden hevige gevechten te water en te land. In de stad zelve streed men om de drinkwaterleiding te bemachtigen die door den vijand was afgedamd, om haar te gebruiken bij den brand die in een deel van het Bruchium woedde, en de bibliotheek van het Museum al verwoest had. Maar ofschoon hij half versmachtte van dorst, en nauwelijks aan het gevaar van verdrinken ontkomen was; ofschoon hij aan alle zijden werd bedreigd door den grimmigsten haat, toch stond de overwinnaar pal, en bleef zegepralen, evenals later in een veldslag, waarvoor de jonge Koning een leger verzameld en zich aan het hoofd daarvan gesteld had.

»Zooals gij weet, is de jongeling op zijn vlucht verdronken.

»Onder dergelijken strijd en doodsgevaren verliep een half jaar, eer het Cæsar en Cleopatra vergund was de vruchten te plukken van hun gemeenschappelijken arbeid. De dictator verhief haar tot Koningin van Aegypte, en benoemde haar jongsten broeder, nauwelijks half zoo oud als zij, tot haar mederegent. Aan Arsinoë schonk hij het leven, dat zij eigenlijk had verbeurd, maar zond haar naar Italië.

»Op de overwinning volgde de vrede. Nu hadden werkelijk ernstige plichten den Staatsman naar Rome moeten terugroepen doch hij bleef nog volle drie maanden hier. Wie het leven van den eerzuchtigen Cæsar kent, en weet wat dit verzuim hem had kunnen kosten, die slaat zich met de hand tegen het hoofd en vraagt: kan dat waar zijn, dat hij dezen kostbaren tijd gebruikte om met zijne geliefde een tochtje op den Nijl te doen, tot aan het eiland van Isis toe, aan de uiterste zuidgrens van het land? Toch is dat zoo geschied, en ik was zelfs in het tweede schip met haar gevolg. Niet alleen zag ik hen meermalen bijeen, maar ik deelde ook nu en dan hunnen maaltijd en hunne gesprekken. Dat was dan een geven en nemen, een terugtrekken en zich verheffen, kortom een opeenvolging van dissonanten, die men gaarne aanhoorde, omdat men wist, dat zij zich in de schoonste harmonie moesten oplossen. Dat waren dagen van genot voor alle zintuigen te gelijk.”

»Deze geheele Nijlreis,” viel Barine hem in de rede, »stel ik mij evenzoo voor als die fabelachtige tocht, toen het zeil vanpurperkleurige zijde Cleopatra op den Kydnos Antonius tegemoet voerde.”

»Neen, neen!” riep Archibius uit. »Van Antonius heeft zij eerst geleerd het aardsche leven door aardsche genietingen te veraangenamen; Julius Cæsar verlangde meer dan dat. Haar geest verschafte hem een veel grooter genot.”

Een oogenblik later ging hij voort:

»Het is waar, al datgene waarmede zij Antonius in later jaren altijd nieuw vermaak verschafte, kwam niet altijd uit haar zelve.”

»En dat,” riep de jonge vrouw uit, »was nu hetzelfde wezen, dat in de rust der ziel eenmaal het hoogste goed had erkend!”

»Hetzelfde,” antwoordde Archibius nadenkend. »Maar dat moest alles zoo wezen. Het levensgenot was voor het aankomende meisje het voornaamste geweest. Vóórdat de hartstocht bij haar ontwaakte, was zielsrust het hoogste wat zij kende. Toen de tijd kwam dat deze onbereikbaar voor haar bleek te zijn, bleef toch nog het vastgewortelde verlangen naar geluk in haar gemoed den boventoon voeren. Mijn vader had haar, als de toekomstige Koningin, moeten inprenten dat het goede de grondwet van haar bestaan was. Dat deed hij niet, omdat hij zelf in zijne afzondering dat geluk gevonden had, dat de meester aan zijn jongeren voorspiegelt. Van Athene naar Cyrene, van Epicurus naarAristippusis slechts één enkele schrede. Zij deed die, toen zij vergat dat de meester geenszins in het najagen van genoegens alléén het hoogste goed zocht. De gelukzaligheid, zooals Epicurus die bedoelde, moest niet minder zijn dan die van Zeus, zelfs al had men enkel gerstebrood en water, om zijn honger en dorst mede te stillen.

»Toch geloofde zij nog altijd zijn leerling te zijn en toen later Antonius ten strijde trok tegen de Parthen, waardoor zij langen tijd alleen bleef, begon zij weder te wenschen naar afwezigheid van smart en rust der ziel. Doch de staat, haar kinderen, de echtverbintenis van Antonius met Octavia, haar eigen hartewenschen, de magische kunst en de Aegyptischen leer van het leven na den dood; meer dan dit alles nog de brandende eerzucht, de nooit sluimerende behoefte bemind te worden door hen, die zij zélve beminde, en de eerste te zijn onder de eersten....”

Op dit oogenblik kwam de bode binnen, die hem aankondigde, dat het schip in gereedheid was.

Archibius had zich zoo geheel in het verleden verdiept, dat hij eenigen tijd noodig had om tot het tegenwoordige terug te keeren. Hij sprak nu met de vrouwen af wanneer zij gereed moesten zijn tot het vertrek.

Het viel vrouw Berenice zeer moeilijk haar overreden broeder in de stad achter te laten, en Barine had gaarne vóór het afscheid Dion nog eens gezien. Ook vonden beiden het hard Alexandrië te verlaten, eer de beslissende tijding van leger en vloot aangekomen was. Zij verzochten daarom nog eenige dagen uitstel, maar met een vastheid, die den beminnelijken vriend veranderde in een strengen gebieder, wees Archibius dat af, en verklaarde dat zij den volgenden dag vóór zonsondergang tot het vertrek gereed moesten zijn. Zijn Nijlboot zou in de Agathodemonhaven voor haar klaar liggen, en dan zouden zij in zijn reiswagen, met zooveel slavinnen en kisten als zij wilden meenemen, verder gebracht worden. Vervolgens herinnerde hij haar op zachten toon aan de onaangenaamheden die een langer verblijf in de stad haar op den hals kon halen, verontschuldigde zijn gestrengheid met den haast dien hij had, drukte moeder en dochter de hand, en ging heen. Barine riep hem nog eens terug, maar hij deed alsof hij dat niet hoorde. Zijn wagen bracht hem spoedig aan de groote haven.

De wassende maan weerspiegelde als een zilveren zuil trillend in het golvend water, en verlichtte den zoelen herfstnacht. Verderop stond de zee zeker hol; dat zag men aan de beweging der schepen, die voor anker lagen in den hoek, gevormd door den prachtigen Poseidontempel en den Choma. Dat was een landtong, die zich als een vinger in de zee uitstrekte, en aan welker punt een klein paleis stond. Cleopatra had dit voor Antonius laten bouwen om hem te verrassen, nadat hij zich een enkel woord daarover had laten ontvallen. Een ander paleis van witmarmer op het eiland Antirrhodus blonk in den maneschijn tegenover de plaats van afvaart, en op grooter afstand nog zag men een helder vuur branden. Op den beroemden, hoogen vuurtoren op het eiland Pharus, aan den ingang van de haven, flikkerden de vlammen, door den wind bewogen, op en neer. Daardoor werd de gezichteinder en het kalme havenwater tot aan den uitersten rand met beweegelijke lichtmassa's overstroomd, die nu eens sterker dan weer flauwer de duisternis verhelderden.

Aan de haven was het, in weerwil van het late uur, nog levendig, en de wind was zoo hevig, dat de mantels der mannen dikwijls over hun hoofd waaiden, en de vrouwen hare kleederen moesten vasthouden. Het handelsverkeer was wel is waar afgeloopen, maar velen waren hier gekomen om nieuwstijdingen op te doen, of het eerst terugkomende schip van de zegepralende vloot te begroetten. Niemand twijfelde er immers aan of Antonius had in den slag tegen Octavianus de overwinning behaald. De haven werd goed bewaakt, en juist was een afdeeling Syrische ruiters uit de kazerne ten zuiden van den Lochias naar den kant van den Poseidontempel getrokken. Hier, en niet in de Eunostushaven, die van de andere was gescheiden door den breeden op een brug gelijkenden dam van het Heptastadium, die op zijne beurt weder het vasteland met het eiland Pharus verbond, moesten de koninklijke schepen het anker uitwerpen. In deze buurt stonden de paleizen en tuighuizen en daarom moesten alle berichten hier het eerst gebracht worden. De andere haven was alleen ten gebruike voor den handel bestemd, en het was verboden dat pas aankomende schepen hier binnenliepen, omdat het verspreiden van valsche geruchten voorkomen moest worden.

Trouwens, men kon moeilijk verwachten zelfs in de groote haven eenig nieuws te vernemen, want de geheele opening was versperd door een keten, die van de punt van het eiland Pharus af, tot een tegenoverliggende klip aan den Alveus Steganus liep. Maar als er een schip van den staat met gewichtige tijdingen aan mocht komen, dan kon die afsluiting weggenomen worden, en daarop hoopten de talrijke zwervers aan den oever.

Velen van hen kwamen van feestmalen, uit gaarkeukens, herbergen of van nachtelijke bijeenkomsten van godsdienstige secten, maar aller opgewekte stemming werd gedempt onder den druk van een bange verwachting. Waar Archibius zijn blikken wendde, overal zag hij gespannen en angstige gelaatstrekken. Ook moesten velen om den wind zich voorover buigen, en al de wapperende vlaggen, en opstijgende stofwolken vermeerderden nog de onrust van het geheele tooneel.

Op het oogenblik dat het schip van wal stak en de roeiers de riemen grepen voelde de eigenaar daarvan zich zóó gedrukt, dat hij bijna niet meer durfde hopen een goede tijding te zullen hooren.

Zijn verhaal had lang verleden dagen als het ware weer uit het graf doen verrijzen, en terwijl hij van zijn bank op het achterdek opzag naar den hemel, waar de sterren telkens verduisterd werden door voorbij vliegende wolken, trok menig tooneel van vroegeren tijd aan zijn geestesoog voorbij.

»Wat kan men veel onder zijn woorden verbergen, zonder zich nog schuldig te maken aan een leugen,” dacht hij, toen hij alles nog eens naging, wat hij aan de vrouwen had verhaald.

Ja zeker, hij was al vroeg Cleopatra's vertrouweling geweest, maar hoe had hij haar bemind, hoe was hij met hart en ziel haar toegedaan geweest! Zij moest dit niet alleen vermoeden: hij had het haar duidelijk genoeg getoond en bekend. En zij.... zij had dat aangenomen, als een recht dat haar toekwam. Toen hij slechts éénmaal had beproefd, in een overvloeiend gevoel van teederheid, haar in de armen te sluiten, had zij hem met ontevreden hooghartigheid afgeweerd. Maar een betuiging van liefde is een misdaad, die de hoogstgeplaatste den geringste toch altijd weer vergeven kan, en reeds enkele uren later was Cleopatra hem met de oude, hartelijke vertrouwelijkheid tegemoet gekomen.

Nu dacht hij ook weder aan al de kwellingen die hij had doorgestaan, in den tijd toen hij moest aanzien hoe zij door Antonius werd geboeid.Die Romein was toenmaals nog maar als een even snel verschenen als verdwenen meteoor door haar leven heengegleden, maar allerlei dingen hadden verraden dat zij hem niet vergeten kon. Hare liefde voor den grooten Caesar had Archibius zonder smart bij haar zien ontkiemen en opgroeien, doch toen zij zich te Tarsus aan den Kydnos met Antonius verbonden had, was er in zijn hart een pijnlijk gevoel van afgunst ontwaakt. Thans waren zijne haren vergrijsd, en al had niets zijn vriendschap voor de Koningin verzwakt, al was hij ten allen tijde bereid haar te dienen, toch had dit dwaze gevoel zich nog niet voor goed laten onderdrukken, en telkens weder maakte het zich van zijn gansche ziel meester. Hij ontkende geenszins de goede eigenschappen van Antonius, maar hij zag ook dat de zwakke zijden van zijn karakter veel meer in 't oog loopend waren. Telkens wanneer zijne gedachten zich bezig hielden met dit hooge paar, ging het hem als een kunstkenner, die het edelste kleinood uit zijn verzameling moet afstaan aan een rijkaard die de waarde ervan niet kent, en het eene verkeerde plaats geeft.

Met dat al wenschte hij den Romein van harte een schitterende overwinning toe, want zijne nederlaag zou ook die van Cleopatra zijn, en zou zij de gevolgen daarvan kunnen dragen?

Het schip naderde nu den lichtkring aan den voet van den Pharus, en juist wilde Archibius het sein geven om de keten te doen wegnemen, toen hij in den stilte van den nacht zijn naam hoorde roepen.

Het was Dion, die hem riep. Hij zat in een der booten, die aan den ingang van de haven op de golven dobberden, en had den snelzeiler van Archibius herkend aan den kop van Epicurus aan den voorsteven, die door het licht der lantaarns beschenen werd. Cleopatra had dit schip voor haar vriend laten bouwen en het met dit kopstuk doen versieren. Dion wenschte nu bij hem te komen, en weldra stonden beiden op het dek.

Hij was op het eiland Pharus geland en in een herberg voor matrozen binnengegaan, om daar te vragen, of iemand ook iets wist; maar niemand had iets zekers durven vertellen. De wind kwam nog altijd van de landzijde, en daardoor konden de grootere vaartuigen alleen met de hulp van roeiers de Aegyptische kust bereiken. Eerst sinds kort was de wind van het Zuiden naar het Zuidoosten omgeloopen, en een ervaren Rhodisch stuurman had verzekerd dat hij »nooit weder een beker wijn aan zijn mond zou zetten,” als hij nu morgen of overmorgen niet uit het Noorden kwam. Was dat het geval, dan konden er schepen en tijdingen bij dozijnen te gelijk naar Alexandrië komen; dat was te zeggen, had de grijskop met een uittartenden blik op den fijnen heer uit de stad er bij gevoegd, indien men die voorbij den Pharus of door het Poseidon-bekken in den Eunostus liet binnenloopen. Met zonsondergang had hij aan den horizont reeds zeilen meenen te zien, maar de vlugste watervogel werd een egel, als de wind hem tegen was, en zelfs zijn zwempooten vasthield. Anderen verzekerden hetzelfde, en gaarne zouDiondaarom uitgezeild zijn in de open zee om ze op te zoeken. Hij was echter geheel alleen in een gebrekkig huurbootje geweest, en dit had de haven niet mogen verlaten.

Zijn vermoeden dat voor Archibius iedere weg openstond, had hem niet bedrogen, en spoedig werd de ketting voor den »Epicurus” weggenomen. Nu kliefde het schip, door den Zuidoosten wind gedreven, met volle zeilen den vloed.

In het Noorden werd een flauw licht zichtbaar, dat zich heen en weer bewoog. Dat kon niet anders zijn dan een schip. Nu had wel de stuurman in de herberg op Pharus, die er zelf had uitgezienalsofhij niet enkel koopvaardijschepen had bevaren, gesproken van vaartuigen die aan bezoekers aan boord niets ten geschenke gaven, maar toch vreesden de mannen op dengoed uitgerusten, stevigen »Epicurus” niet voor zeeroovers, te meer daar de dag weldra aanbreken zou, en hij juist twee zware oorlogsschepen, die de Regent had uitgezonden, voorbijgestevend was.

De sterke wind blies in de zeilen, roeien zou vergeefs zijn geweest en het licht in de verte scheen naar hen toe te komen. Reeds was in het Oosten een bleekelichtstreepte zien, toen de Epicurus het vaartuig met het licht naderde. Dit scheen echter voor het Alexandrijnsche schip te willen uitwijken, en wendde zich plotseling naar het Noordoosten. Nu overlegde Archibius met Dion of het de moeite waard kon zijn den vluchteling te achtervolgen. Het was een klein vaartuig, dat in de flauwe schemering een Cilicisch zeerooversschip van de kleinste soort scheen te zijn.

Welke de bemanning ook mocht zijn, het beproefde en talrijke scheepsvolk van den veel grooteren Epicurus behoefde die niet te vreezen. Bovendien had de kapitein op de vloot van Sextus Pompejus gediend en reeds menig zeerooversschip geënterd.

Toch vond Archibius het dwaasheid zonder noodzaak een strijd aan te gaan, doch Dion was in een stemming om ieder gevaar, wat het ook ware, te trotseeren. Ging het op leven en dood—welnu des te beter!

Hij had aan zijn vriend de booze vermoedens van Iras meegedeeld. Het stond zeker niet goed met de vloot, en als de kleine Ciliciër niets voor hen te verbergen had, dan zou hij hen niet uit den weg zijn gegaan. Daarom was het stellig van belang te vernemen waarom hij, zoo dicht bij de haven was omgekeerd.

Ook de strijdlustige kapitein was vóór de vervolging, en zoo gaf Archibius dan eindelijk toe; de onzekerheid was voor hem ook het ondragelijkste van alles. Dion was ook gedrukt. Hij kon het beeld van Barine maar niet uit zijn herinnering verbannen; sedert Archibius hem had medegedeeld, dat zij van plan was haar huis voortaan voor bezoekers te sluiten, en hoe gewillig zij gehoor gegeven had aan zijn uitnoodiging om bij hem buiten te komen, had hij zich telkens weder afgevraagd, waarom hij dan ook niet haar, die toch de dochter van een beroemd schilder was, tot de zijne zou maken.

Archibius had gezegd dat Barine haar beste vrienden en natuurlijk ook hem, gaarne in haar landelijke afzondering bij zich ontvangen zou. Dat betwijfelde Dion geen oogenblik, maar evenmin of zulk een bezoek hem niet misschien voor goed van zijn vrijheid zou berooven. Maar kon eigenlijk een Alexandrijn nog op echte vrijheid bogen, wanneer de Romeinen het bewind voerden in zijn stad, evenals zij in Karthago of Korinthe deden?Indien Cleopatra verslagen was en Aegypte een Romeinsche provincie werd, dan kon het hem enkel vernederen deel te nemen aan de besluiten van den Raad, die heden nog uit »Macedonische mannen” bestond en waaraan hij zoo was gehecht; dan kon hij nooit meer voldoening van zijn werk verwachten. Dan mocht de lans van een zeeroover aan het onvrije leven onder een Romeinsch juk, en aan dit onwaardig verlangen en weifelen een einde maken! Op dezen najaarsmorgen, onder een grijzen hemel, waaruit een lichte, vochtige nevel neerdaalde, met zooveel bange vrees en twijfel in het hart, zag Dion van alle tegenwoordige en toekomstige dingen enkel de schaduwzijde. Maar op dit oogenblik had de Epicurus den vluchteling ingehaald en zich van hem meester gemaakt. De eerste zwakke tegenstand was spoedig opgegeven, zoodra de kapitein van Archibius hem toegeroepen had, dat de Epicurus niet behoorde tot de koninklijke vloot, en alleen op kondschap uitgegaan was.

Nu haalden de Ciliciërs de riemen in, Archibius en Dion gingen op hun schip over, en namen den bevelhebber in het verhoor. Het was een oude verweerde zeeman, die het zwijgen niet eerder verbrak, dan nadat hij zeker wist wat zijn vervolgers verlangden.

Hij begon met de verzekering dat hij aan de Peloponnesische kust getuige was geweest van een groote overwinning der Aegyptische vloot op die van Octavianus, maar door de strikvragen der vrienden raakte hij in zijn eigen woorden verward, en beweerde dat hij in het geheel niets wist. Hij had dat maar gezegd om den Alexandrijnschen heeren welgevallig te zijn. Dion doorzocht daarop met eenige lieden van den Epicurus het schip, en in de kleine kajuit vond hij een man, die sterk geboeid was, en door een der zeeroovers werd bewaakt. Het was een matroos uit Pontus, die alleen de taal van zijn eigen land sprak. Men kon dus niets verstaanbaars uit hem krijgen. Daarentegen stonden er belangrijke aanwijzingen in een briefrol, die zij in de kajuit in een kist vonden, onder kleederen, sieraden en andere geroofde voorwerpen.

Dion kon zijn oogen niet gelooven, toen deze brief bleek gericht te zijn aan zijn vriend, den bouwmeester Gorgias. Daar de zeeroover het schrift niet lezen kon, had hij hem niet geopend, doch Dion verbrak zonder aarzelen het zegel. De brief was geschreven door den Griekschen rhetor Aristokrates, die met Antonius in den oorlog was gegaan, uit Tænarum in het Zuiden van den Peloponnesus. Uit naam van zijn veldheer verzocht hij Gorgias daarin, het kleine paleis op het uiteinde van den Choma ten spoedigste in gereedheid te brengen, en aan de havenzijde door een hoogen muur af te sluiten. Een deur daarin was niet noodig. Alle verkeer met het huis kon over het water plaatshebben. Hij moest maar zorgen dat het werk spoedig gereed was.

De beide vrienden zagen elkander, bij het lezen van deze opdracht, vol verbazing aan. Wat kon de aanleiding zijn tot dit vreemdsoortig bevel? Hoe kwam het in bezit van den zeeroover? Dit alles moesten zij zien uit te vorschen.

Wanneer Archibius, wiens zachtaardige, vertrouwen-wekkende persoonlijkheid de menschen altijd spoedig voor zich innam, een enkel maal in hartstochtelijke drift losbarstte, dan miste deze plotselinge omkeering nooit zijne uitwerking, omdat zijne hooge, trotsche gestalte en harde trekken er dan werkelijk onheilspellend uitzagen. Ook nu zag de kapitein vol ontzag tot hem op, toen de Alexandrijn hem dreigde alle genade die hij beloofd had, weer in te zullen trekken, indien hij hem ook maar het geringste verzweeg, wat samenhing met dezen brief. De zeeroover bemerkte spoedig genoeg dat het vergeefs zou zijn leugenachtige verklaringen af te leggen; de gevangene uit Pontus sprak wel is waar geen Grieksch, maar hij verstond deze taal toch goed, en alles wat de andere zeide, bevestigde hij met levendige gebaren, of anders gaf hij op dezelfde wijze te kennen, dat het onwaar was.

Zoo kwam dus alles aan het licht. De bark van den zeeroover had met een veel grooter schip in de nabijheid van Kreta op een prooi geloerd. Nog hadden zij van de tegenover elkander liggende vloten niets gezien of gehoord, toen een sierlijke snelzeiler »de vlugste en schoonste die ooit de zee had bevaren,” misschien wel »de Zwaluw” een scheepje van Antonius, dat hem als bode dienst deed, in het vizier was gekomen. Zij hadden het gemakkelijk prijsgemaakt. De beide schepen hadden den buit gedeeld, maar het leeuwenaandeel van menschen en goederen had het groote schip gekregen.

De zeeroover had een aanzienlijk man, misschien Antonius' gezant, die toen zwaar gewond en sedert gestorven en in de zee geworpen was, een tasch met brieven en eenig geld afgenomen. De eerste had hij gebruikt om het vuur mee aan te houden; doch die aan den bouwmeester was toevallig overgebleven.

De gevangen matrozen hadden verklaard dat de vloot van Octavianus die van Cleopatra verslagen had, dat de Koningin was gevlucht, doch dat de landmacht nog onaangetast was, en de overwinning daardoor ten slotte nog aan de zijde van Antonius kon blijken te zijn. Maar de zeeroover wist niet waar het leger stond—misschien bij Tænarum, vanwaar het buitgemaakte schip gekomen was. Het was vreeselijk jammer, maar zijn eigen manschappen hadden het in brand gestoken, en het was vóór zijn oogen gezonken.

Deze berichten hadden allen schijn van waarheid; maar de kust van Akarnië, waar dan de slag geleverd moest zijn, lag zoover van de Zuidpunt van den Peloponnesus af, dat de brief van Antonius wel gedurende zijn vlucht moest geschreven zijn. Alleen dit scheen zeker te zijn: de vloot was op den tweeden of derden September verslagen en uiteen gedreven.

Waar zou de Koningin nu zijn? Waar waren de groote, prachtige schepen gebleven, die haar in den strijd hadden gevoerd? Zelfs tegenwind had ze niet zóó lang kunnen ophouden, want zij waren immers voldoende met roeiers bemand. Zou Octavianus ze bemeesterd hebben? Waren zij verbrand of gezonken? Maar hoe zou Antonius dan naar Tænarum zijn gekomen?

Op dit alles kon de zeeroover geen antwoord geven. Waarom zou hij het verzwegen hebben, als hij iets wist?

Archibius liet eindelijk het geroofde goed uit het schip van Antonius, benevens den bevrijden matroos, op den Epicurus overbrengen, maar de zeeroover moest hem zweren nooit meer het water tusschen Kreta en Alexandrië onveilig te maken. Daarna liet hij hem ongehinderd zijn koers vervolgen.

Met dit geheele avontuur waren ettelijke uren verstreken, en nu ging de terugvaart, tegen den wind op, langzaam, want de Epicurus was, zoolang de vervolging duurde, door den sterken wind een goed eind de volle zee ingestuwd. Toen zij nu nog maar enkele mijlen van de haven van Pharus verwijderd waren, bleek het intusschen dat de stuurman uit Rhodus goed had voorspeld; het weder veranderde ongewoon snel, en de wind kwam nu uit het Noorden. De zee wemelde van schepen, die voor een deel behoorden tot de koninklijke vloot, voor een ander deel bezet waren met nieuwsgierige Alexandrijnen, uitgezeild om het groote nieuws zoo spoedig mogelijk te vernemen.

Archibius en Dion hadden den nacht, en ook den volgenden morgen en middag slapeloos doorgebracht. De lucht, nu vochtig geworden door den fijnen motregen, was koel. Zij versterkten zich eerst aan een hartig maal, en liepen daarna samen op het dek op en neder. Zij spraken slechts weinig, en trokken hunne mantels dichter om zich heen. De krachtige wijn, die ook op den Epicurus niet ontbrak, had hen reeds eenigermate goed gedaan, maar toch waren zij nog niet warm geworden. Dat had zelfs een helder houtvuur in de kajuit ook niet gedaan kunnen krijgen. De gedachten van Archibius waren bij zijne geliefde Koningin, en zijn levendige verbeeldingskracht toonde hem alles, wat haar overkomen kon zijn. Geen enkele mogelijkheid, ook de vreeselijkste niet, werd hierbij vergeten, en het bloed verstijfde in zijne aderen, als hij haar met het schip zag zinken, en naar hem, haar ouden vriend, smeekend de schoone armen uitstrekken. Of, wat nog erger was, hij zag haar als gevangene vóór den vijandigen, hardvochtigen Octavianus. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden.Hij liet zijne vilten mantel los, drukte zijn gebalde vuist tegen de slapen, en steunde luid. Hij had met het oog zijns geestes gezien hoe zij bij den triomftocht van den overwinnaar, voor zijn zegekar uitging met gouden kettingen om de teere polsen, en bij dat schouwspel had hij het Romeinsche gepeupel hooren losbarsten in jubelkreten!

Dat zou het ergste van alles zijn! Zich zóó iets in te denken ging de kracht van den trouwen man te boven, en Dion zag geroerd naar hem om, toen hij hem hoorde snikken, en de tranen zag, die langs zijn wangen stroomden.

Ook hem was het bang om het hart, maar hij kende de gehechtheid van zijn ouderen vriend aan de Koningin, en daarom legde hij zijn arm om diens schouder, en bad hem ernstig de kalmte van geest te bewaren die hij zoo vaak in hem bewonderd had. In de moeilijkste toestanden had hij in zijn oog altijd zoo ver boven alle anderen gestaan, als de wachter op den vuurtoren boven de wild bewogen zee. Wanneer hij bedaard als altijd al het gebeurde met hem overdacht, dan zou hij moeten toegeven, dat Antonius toch zeker vrij moest zijn en nog in staat om over zijne toekomst te beschikken, daar hij immers het paleis op den Choma voor zich in orde liet brengen. Wel begreep hij niet, wat die muur moest beduiden, maar misschien kwam er wel een hooggeplaatst gevangene met hem mede, die niet vrij in en uit de stad mocht gaan. Het kon immers wel zijn, dat alles veel minder erg was dan zij nu dachten, en dat zij nog eens zouden lachen om deze bange vrees. Toch maakte hijzelf zich ook ongerust, want hij gunde de Koningin het allerbeste, vooreerst om haar zelfs wil, maar ook omdat met haar en haar gelukkigen strijd tegen Rome, de vrijheid van Alexandrië stond of viel.

»Die,” zeide hij, »is voor mij tot nog toe het liefste en hoogste. Voor u is dat de beheerscheres van dit land. Mijn wereld zou verduisterd zijn, en mijn leven niet meer de moeite van het leven waard, wanneer de ijzeren voet van Rome onze zelfstandigheid en vrijheid vertreedt.”

Dit alles klonk warm en trouw, en Archibius had gretig naar hem geluisterd. Zijn diepdenkende geest moest toegeven dat er nog niets gebeurd was, waaruit men het ergste besluiten moest; en daar dikwijls niets een bedroefde beter troost dan anderen te troosten, verlichtte hij nu ook zijn eigen hart door zijn vriend voor te houden, dat, ook al bleef Octavianus overwinnaar en Aegypte in zijne macht, hij toch aan de vrije beschikking der Alexandrijnen over hunne eigen aangelegenheden geen afbreuk zou durven doen. Vervolgens hoe hij, de jonge, vastberaden, onafhankelijke man, zich dubbel nuttig kon maken, wanneerhij de bedreigde vrijheid zijner vaderstad moest bewaken, en hoeveel schoons het leven hem ook dan nog brengen kon.

De klank van zijn stem verried aan zijn jongen vriend zijn hartelijke genegenheid. Nog nooit had iemand, sedert zijns vaders dood, zóó met hem gesproken.

Nu zou de Epicurus weldra den havenmond bereiken, en zoodra zij aan land kwamen, zouden de vrienden moeten scheiden. Voor beiden was dit het beslissend uur geweest, dat ernstige geesten dikwijls vaster verbindt dan voorheen een geheele reeks van jaren had gedaan. Zij hadden voor elkander hunne harten geopend. Slechts één ding had Dion in zijn ziel opgesloten gehouden en dit vervulde hem met nieuwe onrust, zoodra hij de eerste huizen der stad in het oog kreeg. Hij was sinds lang niet meer gewend anderen om raad te vragen. Velen, die den zijnen hadden gevraagd, waren wel met veel dankbetuigingen heengegaan, maar zij hadden juist het tegendeel gedaan van wat hij had geraden, ofschoon het wezenlijk tot hun bestwil was geweest. Meer dan eens had hij zelf evenzoo gehandeld, maar nu voelde hij zich onweerstaanbaar gedrongen om Archibius zijn volle vertrouwen te schenken. Deze ook kende Barine, en wenschte hem zelf het beste toe. Misschien zou het hem helpen indien hij iemand, die het zoo goed met hem meende, eens deelgenoot maakte van wat zijn hart zoo nadrukkelijk van hem vorderde, terwijl zijn nadenkende geest het hem verbood.

Plotseling wendde hij zich nogmaals tot zijn vriend en zeide:

»Gij hebt u zoo even als een vader voor mij betoond. Stel u nu eens voor dat ik werkelijk uw zoon ben, en als zoodanig u beken dat ik een vrouw heb lief gekregen. En nu vraag ik u, of het u verheugen zou haar als uw dochter te begroeten.”

Archibius antwoordde met den uitroep: »Een lichtstraal in den donkeren nacht! Haal maar zoo spoedig mogelijk in, wat gij al veel te lang hebt verzuimd. Het is de plicht eens burgers in den echt te treden. De Griek wordt pas werkelijk man, als hij echtgenoot en vader is. Dat ik zelf ongehuwd gebleven ben, heeft zijn bijzondere reden, maar ik heb dikwijls den armen schoenmaker benijd, dien ik op feestdagen met zijn kind op den arm voor zijn werkplaats zag staan, of den stuurman, wien bij zijn thuiskomst groote en kleine armen toegestoken worden. Als ik te huis kom, is niemand blij, dan mijn honden. Maar gij, die een fraai paleis bezit dat leeg staat, gij, van wien een trotsch geslacht verwachten mag dat gij voor het voortbestaan er van zult zorgen....”

»Dat is het juist,” zeide Dion, „wat mij in tweestrijd brengt, ofschoon mij dat anders niet licht overkomt. Gij kent mij, en mijne positie. En ook haar, die ik bedoel, kent gij reeds lang.”

»Is het Iras?” vroeg Archibius aarzelend. Zijn zuster Charmion had hem wel eens gesproken van de neiging van haar jonge mede-kamervrouw.

Maar Dion hielp hem onmiddellijk uit den droom en zeide:

»Het is Barine, de dochter van uw overleden vriend Leonax. Ik bemin haar, maar ik ben trotsch en teergevoelig omtrent het oordeel over mijn toekomstige gemalin.Ik zou den man die haar met schuinsche blikken durfde aanzien, eenvoudig verachten, want ik ken hare waarde. Gij herinnert u zeker mijne moeder. Die was anders dan zij. Haar huis, haar kind, haar slaven en haar weefstoel waren haar wereld, en zij eischte ook van andere vrouwen dezelfde strenge teruggetrokkenheid, die zij bezat. Toch had zij een teeder hart, en beminde mij, haar eenigen zoon, boven alles. Zij zou Barine met open armen bij zich ontvangen hebben, zoodra zij bemerkt had dat ik haar noodig had voor mijn geluk. Maar zou het voor de jonge vrouw, die aan een opwekkenden omgang met ontwikkelde mannen gewend is, mogelijk zijn zich in dien eisch te schikken? Als ik moest denken, dat de gewoonte om omringd en gevleid te worden, haar zou bijblijven ook in haar huwelijk; als ik mij voorstel, dat de onvoorzichtigheid der aan vrijheid gewende vrouw de tongen in beweging kon brengen en een smet werpen op de reinheid van mijn naam, als ik zelfs”—en hij hief zijn gebalde vuist reeds op.

Doch Archibius viel hem in de rede:

»Wanneer Barine u warm en blijde haar geheele hart schenkt, dan is deze vrees onnoodig. Het is een zonnig, echt beminnenswaardig vrouwenhart, en daardoor vatbaar voor een groote liefde. Schenkt zij u die, zooals ik vast van haar vertrouw, breng dan een dankoffer aan de goden, want die bedoelden uw geluk, toen zij uwe keus vestigden op haar, en niet op Iras, het kind mijner zuster. Waart gij mijn zoon, dan zou ik nu uitroepen: Gij kondt mij geen liever dochter brengen, wanneer gij—dat herhaal ik—slechts zeker zijt van hare liefde.”

Dion zag een oogenblik vóór zich; toen riep hij vol overtuiging uit:

»Dat ben ik!”

De Epicurus lag voor den Poseidontempel voor anker. Aan de bemanning was het stilzwijgen opgelegd. Zij hadden ook niets anders vernomen dan dat aan boord van het zeerooversschip een brief was gevonden, waarin Antonius beval een muur op te richten. Dat kon een gunstig teeken zijn, want aan bouwen denkt men alleen in vredestijd.

De regen had opgehouden, maar de wind blies heviger uit het Noorden en de lucht was koel geworden. Toch was er een golvende menigte op de kade van de zuidzijde van het Heptastadium tot aan de Lochias. Tusschen de spits van den Choma en het Sebasteum was het gedrang het grootst, want van hier uit zag men de zee, en in de hier gelegen woning van den Regent moesten de eerste tijdingen aankomen. Dien morgen hadden reeds honderd tegenstrijdige berichten de ronde gedaan, en zoodra de Epicurus in het derde uur van den middag aangekomen was, had men het schip omringd, om te hooren wat men daar ginds in zee had ontdekt. Met andere schepen ging het evenzoo, maar geen daarvan bracht vertrouwbare berichten mede.

Men zeide dat twee snelzeilers van de oorlogsvloot een triere12)uit Samos hadden ontmoet, die van een groote overwinning van Antonius te land, en van Cleopatra ter zee wist te verhalen, en daar de mensch gaarne gelooft wat hij hoopt, trokken gansche scharen al jubelend langs den oever. Bij velen, die eerst bezwaard waren geweest, versterkte dit de hoop. Anderen daarentegen, die zich terecht verontrust hadden over het lang uitblijven van het eerste schip der vloot, hadden nu alleen oor voor de slechte berichten, en zagen de toekomst donker in. Doch zij durfden dit niet uitspreken, want een voornaam goudborduurder, die het volk gewaarschuwd had voor al te voorbarige vreugd, wasdeerlijk toegetakeld naar huis gehinkt, terwijl men twee andere ongeluksprofeten in de zee geworpen had, en hen juist op dat oogenblik weder druipnat ophaalde.

Men kon het volk zijn goed vertrouwen ook niet kwalijk nemen, want er werden immers reeds overal eerepoorten opgericht, bij het Serapeum, het Dionysos-theater, de hooge pylonen van het Sebasteum, de hoofdpoort van het Museum, voor den ingang van het paleis, in het Bruchium en voor de brug op de Lochias. En die allen werden versierd met goden der overwinning, tropeeën van gips of met gips bestreken doek, opschriften die een gelukwensch of dank aan de goden behelsden, lofwerk en bloemfestoenen. Het omkransen van de Aegyptische pylonen en obelisken, de voornaamste tempels en standbeelden in de stad, was reeds in den nacht begonnen, en nu legde men de laatste hand aan dit werk. Evenals zijn vriend Dion, had ook Gorgias sedert den vorigen avond geen oog toegedaan, want hij moest zorgen voor de versiering van het Bruchium, waar het eene prachtige gebouw naast het andere stond. En ook in het Sebasteum, het koninklijk paleis waar Iras verblijf hield, zoolang de koningin afwezig was, en het tegenoverliggende Prætorium, de woning van den Regent, was de slaap der bewoners ontvlucht.

Toen Archibius bij de kamervrouw der Koningin werd binnengeleid, schrikte hij zooals zij er uitzag. Pas twee dagen geleden was zij bij hem te Kanopus geweest, maar wat was zij in dien tijd veranderd! Het was of haar lang en smal gelaat nog uitgerekt was, hare trekken geleken nog scherper, en de zevenentwintigjarige, die tot nu toe in den vollen bloei der jeugd had geprijkt, scheen eensklaps tien jaren ouder geworden. Zij had iets koortsachtigs over zich, toen zij haar oom de hand reikte en hem angstig toeriep: »Gij brengt zeker ook niets goeds?”

»Evenmin iets kwaad,” antwoordde hij kalm. »Maar uw uiterlijk, mijn kind, met die donkere kringen onder uw oogen, bevalt mij niet. Hebt gij verontrustende tijding gekregen?”

»Meer dan dat,” gaf zij met zachte stem ten antwoord.

»Wat dan?”

»Lees!” zeide zij, en met een zenuwachtigen trek om mond en neus gaf zij Archibius een waschtafeltje aan. Met een haast die hem anders vreemd was, nam hij het haar uit de hand en onder het lezen werd hij doodsbleek. Het was Cleopatra's schrift en bevatte het volgende:

»De zeeslag is verloren, en dat door mijne schuld. Het leger te land zou ons nog kunnen redden, maar niet zoolang het onder zijn bevel staat. Hij is bij mij, niet gewond maar als het ware doodgebloed, geheel anders dan vroeger, zonder moed,zonder kracht tot handelen, als een gebroken man. Ik zie nu het begin van het eind. Zoodra deze u bereikt, zorg dan dat dadelijk na zonsondergang, iederen avond eenige eenvoudige draagstoelen voor ons gereed staan. Het volk moet blijven gelooven dat wij hebben overwonnen, totdat het uitgemaakt is hoe Canidius en de troepen ter land zich gedragen hebben. Als gij de kinderen voor mij kust, doe dat dan met teederheid. Wie weet hoe spoedig zij weezen zullen zijn. Nu reeds hebben zij een ongelukkige moeder; zij blijven er voor gespaard aan een moedelooze te moeten denken. Neem, behalve degenen aan wie ik volmacht gaf, en Archibius, niemand in uw vertrouwen, ook niet Cæsarion en Antyllus. Zorg dat allen, wier bijstand mij van dienst kan zijn, gemakkelijk te bereiken zijn, als ik terug kom. Ik kan ditmaal niet besluiten met het gewone: verblijd u! Het »houd moed”13)dat men immers ook op grafsteenen zet, schijnt mij gepaster. Gij, die mij niet benijd hebt in mijn geluk, zult mij nu wel willen helpen mijn ongeluk te dragen. Epicurus had gelijk, toen hij de goden uit hun zalige woonplaats werkeloos op het lot der menschen liet neerzien. Zoo het anders ware, hoe konden dan de liefde en trouw, die nog gehecht blijven aan hen die in het ongeluk zijn, met harteleed en tranen vergolden worden? Hoe het zij, houd niet op hen lief te hebben.”

Bleek en sprakeloos liet Archibius het tafeltje vallen. Het duurde lang eer hij met heesche stem uitstootte:

»Ik heb het alles wel vooruit gezien, maar nu het gekomen is....” Hier begaf hem zijn stem, en zijne geheele lichaam beefde van een hevig snikken zonder tranen, hij viel op een rustbank neder en verborg zijn gelaat in de kussens. Iras zag hem aan en schudde zachtjes het hoofd.

Ook zij had de Koningin lief, ook hare oogen waren bij het lezen van deze tijding met tranen gevuld geweest, maar reeds terwijl zij las, waren allerlei plannen om dit onheil te herstellen in haar rusteloos brein opgekomen. Enkele minuten na het ontvangen der ongelukstijding was zij reeds in overleg getreden met den plaatsvervanger der Koningin, en had maatregelen genomen om bij het volk het geloof aan de zegepraal der vloot te bestendigen.

Wat was zij, het fijne, zelfs niet moedige meisje, vergeleken met dezen ijzersterken man, die, zooals zij wist, in den dienst der Koningin de grootste gevaren had getrotseerd. En daar lag hij nu, geheel gebroken, met het aangezicht in de kussens. Zou een vrouwenziel hare veerkracht spoediger herkrijgen onderden druk van het lijden, of was de hare buitengewoon sterk en verborg haar zwak lichaam het hart van een held?

Zij had reden om dit laatste te gelooven, toen zij bedacht hoe ook de Regent en de zegelbewaarder de treurige tijding hadden ontvangen. Zij hadden als wanhopigen de groote zaal waar de zitting gehouden werd, op en neder geloopen. Maar Mardion telde eigenlijk niet mede, en Zeno was een karakterlooze oude dichter, die daarom alleen bij de Koningin goed aangeschreven stond en zulk een hoogen post had gekregen doordien zijn levendige phantasie telkens weer nieuwe tooneelvoorstellingen, vermaken en spelen wist te verzinnen en met tooverachtigen praal te doen opvoeren.

Maar Archibius dan, de moedige bedachtzame raadsman en helper!

Daar zag zij weder hoe zijn schouders zich optrokken alsof hij een slag had gekregen, en plotseling schoot haar door het hoofd wat zij wel al lang wist, maar nog nooit zoo duidelijk had begrepen: die vergrijsde man beminde Cleopatra, beminde haar zooals zij Dion deed; en zij vroeg zich af of zij sterk genoeg geweest zou zijn kalm te blijven wanneer zij had gehoord dat dezen door een wreed lot leven, eer of vrijheid was ontroofd.

Zij had Dion reeds van uur tot uur vergeefs verwacht, en toch had hij gisteren gezien hoe ongerust zij zich maakte. Had zij hem misschien beleedigd, of werd hij vastgehouden door de schoone kleindochter van Didymus? Wel verweet zij zichzelve, dat zij bij het onbeschrijfelijk treurig lot van haar gebiedster nog altijd dacht aan haar vriend; doch evenals zijn beeld in haar eigen hart, zoo leefde dat van Cleopatra in de ziel van haar oom, en zij besefte, dat de liefde niet bij vrouwen alleen, zich noch aan leeftijd, noch aan grijze haren stoort.

Op dit oogenblik richtte Archibius zich weder op, streek met zijn hand over het voorhoofd, en zijn stem had weer den gewonen diepen rustigen klank toen hij zeide: »Wie door een pijl getroffen is, verlaat het slagveld om verbonden te worden.

Met mij heeft de wondarts nu afgedaan. Ik had u dit jammerlijke schouwspel moeten besparen, mijn kind. Maar nu ben ik ook weder gereed om den strijd voort te zetten. En wat dien brief van Cleopatra betreft, ik begrijp nu beter de tijding, die wij vroeger ontvangen hebben.”

»Wij?” vroeg Iras, »Wie was er dan bij u?”

»Dion,” was het antwoord, doch toen hij haar verhalen wilde, wat hij in den laatsten nacht had doorleefd, viel zij hem in de rede met de vraag, of Barine er in toegestemd had de stad te verlaten.

Hij antwoordde kortaf: »ja!” Zij deed alsof zij niet anders had verwacht, en verzocht hem verder te vertellen. Hij deeddit dan ook, en zoo wist zij spoedig alles wat er op het zeerooversschip was gebeurd. »Dion” zoo eindigde hij, »is nu op weg om de boodschap van Antonius aan zijn vriend Gorgias over te brengen.”


Back to IndexNext