Vervolg mijner reize.1778.Toen ik mij opFrederiks Hoopbevond, ging de boot, die mij daar gebragt had, met leeftogt terug naar de KolonieJuliaans Hoop(No. 29.). Ik gaf met dezelve eenen brief aan den Koopman ANDRIESOELZENmede, waarin ik hem voor alle zijne aan ons bewezene liefde bedankte; hem tevens verzoekende, om, zoodra mogelijk, mijne dáár geblevene manschap met de genen, die nog verder op in leven mogten zijn, naar mij toe te zenden, hetwelk hij, in het vervolg van tijd, volbragt heeft.Hier opFrederiks Hoop(No33.) verzocht ik den Koopman KARELBRUINom, benevens mijn volk, met dit schip naar ons vaderland te mogen vertrekken. Ik ontving hierop een gunstig toestemmend antwoord. Doordien het ijs tegen den wal aan lag, moesten wij hier blijven tot op het einde van de maand Julij. In dien tusschentijd kwam het achtergebleven volk bij mij, bestaande in tweeëntwintig man; gedurende dezen tijd kregen wij rantsoen, waarbij wij het leven konden houden.Omstreeks den 10 Augustus (No33.) waren wij gereed en zagen wij kans, om met het schip zee te kregen. Wij ontvingen tot ons onderhoud voor acht weken proviant mede en maakten te zamen een gezelschap uit van tweeëntwintig passagiers, buiten de scheeps-equipage. Wij gingen toen op reis. In zee komende bevonden wij het ijs twee mijlen van het land, digt aan een gesloten. Om hier door te komen laveerden wij langs het ijs om de Noord tusschen het groot ijsgebergte door. Met zeer veel gevaar kwamen wij 15 mijlen in de acht dagen tijds om de Noord en wel tegen den Noorden-wind in. Ons schip was goed en wel bezeild. Eindelijk kwamen wij voor de KolonieGorthoopgenaamd (No35.). Hier deden wij twee schoten, waarop twee Wilden bij ons aan boord kwamen. Wij schreven eenen brief aan den Koopman van die Kolonie, dat, bijaldien wij niet door het ijs konden komen, wij voornemens waren daar binnen te loopen, in welk geval wij zijnen bijstand verzochten.Op den 18 Augustus (No36.) hadden wij des namiddags mooi weêr, kregen eenen zuidelijken wind en zetten toen onzen koers nog 8 mijlen om de Noord. Die afgelegd hebbende, kwamen wij den 19 Augustus (no 37.) tusschen het ijs en het land door behouden in zee, op vrij water. Nu konden wij onze reis doorzetten. Des namiddags zagen wij een Galjas-schip ten westen van ons. Wij zeilden er heen en ontvingen het berigt, dat hetzelve met levensmiddelen naar de Noord-Kolonien bestemd was. Wij gingen met onze sloep bij hem aan boord en kochten eenen kleinen voorraad van suiker, thee en koffij en eenige proviant tot onze verkwikking, waarna wij ons afscheid namen. Vervolgens bleven wij kruisen tegen den zuiden-wind. Na verloop van eenige dagen kregen wij eenen goeden wind, en zetten toen onze reis door. Na drie weken zeilens zagen wij deOrkadischeeilanden. Toen hadden wij harden wind uit het Zuidwesten tot den 9 September (No38.).Den 10 September (No39.) stevenden wijHitlandvoorbij met zwaar weêr uit het Westen en West-zuid-westen. Na verloop van drie of vier dagen passeerden wij op den 13 September (No40.)Schagenin hetKattegat, en kwamen na verloop van eenige dagen den 18 September op de plaats van onze bestemming, te wetenKopenhagen, alwaar ik met mijn volk aan den wal stapte en in eene herberg ging. Ik vond daar Kommandeur HANSJOHANNES, die weleer drie jaren lang als stuurman met mij vanHamburggevaren had. Deze bragt mij bij deGroenlandsche Directeuren. Ik gaf dezen mijne rekening over van de schuld, die ik voor mij en mijn volk in deStraat Davidsen in deKoloniengemaakt had. Dezelve ontsloegen mij daarvan ten volle, en nadat ik aan deze Heeren alles, wat mij wedervaren was, verhaald had, nam ik afscheid; betalende mijne schuld, met hun mijnen dank te betuigen. Voorts ging ik met Kommandeur HANSJOHANNESnaar deszelfs huis. Ik verhaalde denzelven ook mijne lotgevallen en werd met liefde onthaald.Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met een schip naarLubeck, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap aan den wal stapte. Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den Heer D.H. REWOELteHamburg;en vervolgens aldaar bij mijnen zwager, den Kommandeur C.J. NEYkomende, vernam ik, tot mijne overgroote blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was, zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven.Daarna kwam ik den 27 September met een vaartuig op het eilandAmelanden ontmoette vrouw en kind in goede gezondheid. Het is mij onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven. De menschen op straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne terugkomst toe.God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij HIDDEDIRKSKATbewezen![Illustration]
Toen ik mij opFrederiks Hoopbevond, ging de boot, die mij daar gebragt had, met leeftogt terug naar de KolonieJuliaans Hoop(No. 29.). Ik gaf met dezelve eenen brief aan den Koopman ANDRIESOELZENmede, waarin ik hem voor alle zijne aan ons bewezene liefde bedankte; hem tevens verzoekende, om, zoodra mogelijk, mijne dáár geblevene manschap met de genen, die nog verder op in leven mogten zijn, naar mij toe te zenden, hetwelk hij, in het vervolg van tijd, volbragt heeft.
Hier opFrederiks Hoop(No33.) verzocht ik den Koopman KARELBRUINom, benevens mijn volk, met dit schip naar ons vaderland te mogen vertrekken. Ik ontving hierop een gunstig toestemmend antwoord. Doordien het ijs tegen den wal aan lag, moesten wij hier blijven tot op het einde van de maand Julij. In dien tusschentijd kwam het achtergebleven volk bij mij, bestaande in tweeëntwintig man; gedurende dezen tijd kregen wij rantsoen, waarbij wij het leven konden houden.
Omstreeks den 10 Augustus (No33.) waren wij gereed en zagen wij kans, om met het schip zee te kregen. Wij ontvingen tot ons onderhoud voor acht weken proviant mede en maakten te zamen een gezelschap uit van tweeëntwintig passagiers, buiten de scheeps-equipage. Wij gingen toen op reis. In zee komende bevonden wij het ijs twee mijlen van het land, digt aan een gesloten. Om hier door te komen laveerden wij langs het ijs om de Noord tusschen het groot ijsgebergte door. Met zeer veel gevaar kwamen wij 15 mijlen in de acht dagen tijds om de Noord en wel tegen den Noorden-wind in. Ons schip was goed en wel bezeild. Eindelijk kwamen wij voor de KolonieGorthoopgenaamd (No35.). Hier deden wij twee schoten, waarop twee Wilden bij ons aan boord kwamen. Wij schreven eenen brief aan den Koopman van die Kolonie, dat, bijaldien wij niet door het ijs konden komen, wij voornemens waren daar binnen te loopen, in welk geval wij zijnen bijstand verzochten.
Op den 18 Augustus (No36.) hadden wij des namiddags mooi weêr, kregen eenen zuidelijken wind en zetten toen onzen koers nog 8 mijlen om de Noord. Die afgelegd hebbende, kwamen wij den 19 Augustus (no 37.) tusschen het ijs en het land door behouden in zee, op vrij water. Nu konden wij onze reis doorzetten. Des namiddags zagen wij een Galjas-schip ten westen van ons. Wij zeilden er heen en ontvingen het berigt, dat hetzelve met levensmiddelen naar de Noord-Kolonien bestemd was. Wij gingen met onze sloep bij hem aan boord en kochten eenen kleinen voorraad van suiker, thee en koffij en eenige proviant tot onze verkwikking, waarna wij ons afscheid namen. Vervolgens bleven wij kruisen tegen den zuiden-wind. Na verloop van eenige dagen kregen wij eenen goeden wind, en zetten toen onze reis door. Na drie weken zeilens zagen wij deOrkadischeeilanden. Toen hadden wij harden wind uit het Zuidwesten tot den 9 September (No38.).
Den 10 September (No39.) stevenden wijHitlandvoorbij met zwaar weêr uit het Westen en West-zuid-westen. Na verloop van drie of vier dagen passeerden wij op den 13 September (No40.)Schagenin hetKattegat, en kwamen na verloop van eenige dagen den 18 September op de plaats van onze bestemming, te wetenKopenhagen, alwaar ik met mijn volk aan den wal stapte en in eene herberg ging. Ik vond daar Kommandeur HANSJOHANNES, die weleer drie jaren lang als stuurman met mij vanHamburggevaren had. Deze bragt mij bij deGroenlandsche Directeuren. Ik gaf dezen mijne rekening over van de schuld, die ik voor mij en mijn volk in deStraat Davidsen in deKoloniengemaakt had. Dezelve ontsloegen mij daarvan ten volle, en nadat ik aan deze Heeren alles, wat mij wedervaren was, verhaald had, nam ik afscheid; betalende mijne schuld, met hun mijnen dank te betuigen. Voorts ging ik met Kommandeur HANSJOHANNESnaar deszelfs huis. Ik verhaalde denzelven ook mijne lotgevallen en werd met liefde onthaald.
Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met een schip naarLubeck, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap aan den wal stapte. Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den Heer D.H. REWOELteHamburg;en vervolgens aldaar bij mijnen zwager, den Kommandeur C.J. NEYkomende, vernam ik, tot mijne overgroote blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was, zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven.
Daarna kwam ik den 27 September met een vaartuig op het eilandAmelanden ontmoette vrouw en kind in goede gezondheid. Het is mij onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven. De menschen op straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne terugkomst toe.
God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij HIDDEDIRKSKATbewezen!
[Illustration]