—De makkers vertrokken en als ik alleen was blijven staan als een simpelaar, kreeg ik het gedacht de ton door de straat te rollen ... om ze ievers in 't droge te krijgen. Ik schopte ze vóór mijne voeten en daar kwam ik aan de brouwerij daar Moot de Brouwer in de poort stond, hij bezag de ton en ik—zonder verpinken, sloeg hand aan mijne pet en: "Mijnheer, Mane de kaasvent zendt me uwe ton naar huis." Hij las de letters van zijnen naam, op de ton en 't moest wel de zijne zijn—ik rolde ze in depoort en hij gaf mij, verdimme, twee stuivers voor de moeite! Manes haalde zijn pijpken uit den mond om luide te lachen.
—Dan was 't gevonden jongen, ik kende een nieuw stielken: ik haalde door heel de stad al de ijdele tonnen uit de kelders en rolde ze naar de brouwerijen—en de stuivers rolden in mijnen zak, Treite! en bier op den hoop toe, zooveel ik lustte!
—Ge zijt alzoo rijk man geworden, Manes?
—Nog niet, jongen, ik niet, maar Dompe Kleerik is rijk man geworden, deze heeft heel zijn leven met zand gereden en nu blijft hij achter zijnen disch t'huis; 't wordt hem toegevoerd met heele schepen en zoo goed als gratis, en ik en een ander nu vullen daar ons karren en we zijn aan hem verhuurd. Dat is nu niet slecht maar niet goed ook, 't kan nog beter,—zie kerel, de buiten is goud weerd, ge verkoopt er al wat ge wilt ... dat ik geld had....
Treite luisterde met achting en verbaasdheid voor 't groot verstand van Manes en hij hoopte al een beetje zijn voordeel te halen uit die dingen.
—'t Kapetaal mankeert jongen, 't kapetaal! Treite knikte verstandelijk en hij tastte in zijn ondervestzak. Hij neep zijn één oog toe en trok een oolijk gezicht—Kerel, ik vind je lollig maar ge stoeft een beetje! dacht hij. Maar als Manes hem weer in 't wezen keek, was de ongeloovigheid er al af en de bewondering en 't goedvertrouwen weer bloot en hij luisterde naar den kerel en zijn wondere knapheid.
—'k Heb er dit nu al bij gedacht: de schepen die met steenen varen, brengen hout mede van de reis of kolen of kalk en ik keerde langen tijd op mijn ledige kar naar huis en de helft van de reis was alzoo ten ondomme gedaan; maar nu voer ik zand en koope de boerkes hun oude pretolvaten en kom geladen weer in de stad en daar herbegint de commersie. Maar eens dat ik geld heb, doe ik de dingen in 't groot, 'k voere tien hondekarren en 'k zende knechten uit met kaas, zeepe, rijst, speelgoeds—in de winkelkes kost die peneware hondeduur—en 'k zou te lande al de groensels opkoopen, appels en peren—dat smijten ze u voor 't voeren op de kar en in stad wordt het voor zwaar geld verkocht.
Treite monkelde olijk.
—Hebt gij een oude suikermoei of een ander erfenisje te verwachten, Manes? dan word ik evengauw uw knecht en rijde met een vierspan op de groenselkar! Maar zie, ginder!
—We zijn er jongen.
Vlak te midden 't einde van den weg stond het oud kerktorentje en al de huizekes van 't dorp er dichte rond.
—Afstappen, gebood Manes en hij klopte zijn pijpje uit.
—Zand! zand! zand zijn! tierde hij overluid. Hij gaf een ernstigen wrong aan zijn gemeenleurengezicht, zette zijne pet recht en streek zijn knevelken. De honden stapten al jagend hun blazenden adem door den openen muil. De tong hing hen over de borst.
—Zie, jongen, nu ga ik het u uiteen doen; ge rijdt langs de huizen, eerst dien kant af, tot ginder aan den wegwijzer en ge keert langs den overkant tot achter de kerk bij de linde, we zullen daar malkaar vinden—ik ga om vaten. Een stuiver de mate, hoor, en hij vulde ze lulde en striebelde den top open met zijn vingerklauwen:
—Zoo meenen de menschen dat ze sleekende vol besteld zijn! Ge zult wel ondervinden met wien gij te doen hebt; maar beleefd zijn—bij den pastor moet ge de voeten afvegen en op 't dorpeltapijtje blijven staan en uwe pet af! Kletta heeft een vies mondje, en om ne niet zendt ze u weg zonder koopen. Ginder op 't hoekje niet te hard aan de bel trekken of ge wordt van het huis gejaagd, ge moet luide kouten want 't mensch is moor-doof. Ge steekt de stuivers in éénen zak om niet te verdolen in de rekening.
—Geen nood beweerde Treite, al mijn zakken zijn gelijk: mijne eigene stuivers en heb ik op mij niet.—Juu, Baron!
Treite trok de kar bij de tramen over op den eerdeweg en ging op 't plankier en 't getrek hield overal stand waar hij eene deur openduwde. Heel dien morgen ging de nieuwe zandman de huizen af, zag er al de stille doeningenvan de verschillige nette woningen met 't leven er in van gezapige, geruste menschen.
Hij verwaterde van eetlust in den winkel van den beenhouwer waar de hepsen en schotels zwijnsvleesch aan de vertinde haken langs den muur hingen; hij praatte wat tegen de vrouw van den kleermaker en reed verder heel 't gebuurte af. De honden volgden hem over de straat en hielden stand voor elke deur.
—Moet er zand zijn?
Ze brachten hem een bakje, eenen korf of mandje buiten en de kerel vulde de ijzeren mate en keerde ze uit aan éénen stuiver.
Hij was nu aan 't overleggen of Manes wel zoo nauw zijn zand gemeten had en of er geen mate aan kon vermeten worden zonder den stuiver er bij te doen. Maar hij betrouwde de sluwheid van den kerel niet en vreesde dat hij met een onbekenden draai het bedrog zou achterhalen. Er was reeds een groote put in 't reuzelende zeezand en heel de andere straat moest hij nog doen, den bakker, den winkelier, den smid,—in de Valke kreeg hij een pinte bier als hij een greep wilde toemeten, dat was 't gebruik, merkte de bazin. Vóór de pastorij veegde Treite zijne voeten af, jufferde tegen de meid en hield zijne schele oogen neergeslagen; dezelfde beleefde houding herhaalde hij bij de meid van den dokter, en hij was in de overtuiging dat de klanten en Manes ook, wel tevreden zouden zijn over zijnegoede manieren. Bij den burgemeester moest hij door een net hoveken achter een traliehek en Treite merkte in een draai, 't paar nieuwe kloefen die langs het bloemenwegelken stonden afgezet nevens de spade van den hovenier.
—Zeezand! wit lijk tin!
De meid kwam gestoord naar buiten en bij 't openstaan der deur hoorde Treite den hovenier in de keuken die zijne pinte bier dronk en een rookte. In denzelfden stond was de trek belegd, 't groeide als een onvermijdelijke drang: de overtuiging dat hij nooit eene gelegenheid mocht laten afgletsen en daarbij de aanlokkende bekoring om 't moeielijke van het waagstuk. Hij gaf den vollen schotel aan de meid terug en in 't ommegaan over 't steenen wegeltje, klopte zijn hert, zijne oogen loerden, en als hij de deur hard achter de hielen hoorde toeslaan, stond het besluit vast om uit te voeren. Zijne handen beefden. Nu is ze weer in heur keuken bij den hovenier, overlegde hij, en ter zelfder tijd, zonder ommezien, stoop hij om kwansuis iets op te rapen dat gevallen lag, en in 't rechtstaan hadden zijne handen de kloefen mede, hij hield ze tegen de borst en liet ze voorover in de kar vallen. In eenen draai waren ze onder 't zand gestopt, en Treite volgde zoo kalm mogelijk zijnen weg. Hij overschrikkelde vier huizen in de reek om gauwer weg te komen. Achter den straathoek hield hij nog eens stil en gooide nog een hoopje zandboven de kloefen en dan voelde hij den vreugdigen lust omdat 't spel gespeeld was en 't buitenkansje voor eigen rekening zoo gemakkelijk te veroveren viel.
Bij de kerk hield Treite stil, zette zich nevens de kar op den grond en keek op 't uurwerk boven zijn hoofd. 't Was bijna noenuur en Manes was nievers te zien en nu kreeg Treite lust om te eten. Hij haalde den gestolen broodkant van onder zijn vest en begon te bijten. De honden lagen gerust uitgestrekt en bekeken den kerel en zijn brood met verwaterde oogen.
De oude koster kwam uit de kerk, sloot de deur met den grooten sleutel en sukkelde al over 't kerkhof naar zijn huis. Dan roerde er niets meer rondom en Treite werd ongemakkelijk door de nieuwigheid van die rust op een ongekend dorp en verlangde er weg te komen. Een haan wandelde met zijne hennen over de grazing achter de beukenhaag en telkens hij op de verhevenheid van een grafheuvel stand hield, rekte hij den hals uit en wierp zijn scherp gekraai over 't stille kerkhof. De hennen liepen daar rond en keesden in 't gras zonder opzien, gestadig voort hun aas zoekend.
En eindelijk toch kwam Manes van achter den hoek en wenkte naar de honden, om voort te komen.
—We gaan een dorp verder, 't is hier gedaan. Ze sprongen op en de kar rotelde door de straat naar den overkant weer buiten de huizen.
De zon was intusschen doorgekomen en onbewust was de vrees voor zeeverweer en regen bij Treite vergaan en onwetend genoot hij na van 't lustig voorjaarswindeke. Ze kwamen weer op den effenen weg tusschen de boomen. Ommelands lag er een andere wereld open, wijd en vlakt uitgemeten en al waar de kerel keek werd het nieuw land met kerktorens, huizen en boomen in de verte, en daarachter in de blauwte, vermoedde hij nog, diepere uitgestrektheid van ongemeten, onbewoonde landerijen.
Manes vertelde nu wat er ook al te winnen was met door de dorpen te leuren met mosselen, wollen dekens, printen, biezen zetels, en dat 't scheerslijpen ook wel goede leefte bijbracht. Al die bedrijven zou hij aangaan als 't kapetaal hem naar ievers te grijpen viel. Maar Treite luisterde niet meer, zijn moed was overdaan door die hooge, opene lucht en de vlakte die overal rond en wijd zonder gezichteinder van huizen weerkeerde en hij langde inwendig om ontdaan te zijn van die wegende, zware stilte en verlatenheid, om ingesloten te worden door straten met huizen en drukke woeling van volk die hij niet missen kon. Al wat er van dien plotsen uitgang nu nog te lusten stond was het beloofde zwijnvleesch en de vreugde omdat hij onder den zandhoop een paar kloefen zitten had die de zijne waren en dat hij morgen goed geschoeid en droge en zonder pijn aan de voeten over zijn oude steegsteenen zou dretsen.
—Zand! zand! zand zijn! zeezand! zong Manes bij 't inrijden van het nieuwe dorp. Ze deden nu elk eenen kant van de straat en vulden de mate overhands. Binst dat Manes bij den winkelier den koop besprak van een petrolvat, haalde Treite de gestolene kloefen van onder 't laatste zandhoopje en bond ze onder de kar met een touw aan den as tusschen de wielen.
—Wanneer gaan we nu eten krijgen? hervroeg de kerel altijd bij zichzelf. De jongens kwamen reeds van school en stonden op een afstandje te kijken naar de geraamtemagere honden en wierpen stukjes van hunnen boterham om de gulzigheid van de hongerige beesten te zien.
Maar als ze nu op eene verlatene kruisstraat buiten 't dorp kwamen, hield Manes ineens de hand uitgestoken naar Treite en:
—Afrekenen, jongen, hoeveel stuivers?
—Hier in mijn onderlijfzak ... en Treite telde 't geld in Manes' hand.
—En in de andere zakken? 't Is hier al?!
—Niets, mijn ziele 't ia al!
—Overtasten jongen.
Treite tastte en schudde al zijne zakken uit om te toonen dat hij geen roode munt meer op zich had, maar Manes stak dan zelf nog overal de handen in en poorde over Treite's lijf en bepootelde hem al buiten en deed hem nog de voering overkeeren van al wat hij voor kleeren aanhad. 't Geld hertelde hij en knoopte het meteen mistevredenen grol in een beursje dat hij wegborg.
—Nu gaan we den kost zoeken, jongen.
—'t Wordt tijd, dacht Treite.
Ze reden op de werf van een boerenhof en Manes trad stoutweg naar de huisdeur en binnen de woning en wat later bracht hij waarachtig twee stukken brood met vleesch er tusschen bij Treite die de wacht gehouden had bij de honden. Ze kropen in de opene schuur en muffelden met gulzigheid den geschooiden kost binnen.
—Ja, 't is goed, goed, razend goed! meende Treite, maar zout, jongen, zout! en hij beet en scheurde met scherpen tand het brood en vleesch vaneen.
—En de honden, Manes? leven die met zand of....
—Wacht jongen.
De werf lag nog verlaten, al het werkvolk was binnen aan het noenmaal. Manes ging een ketel met water putten, loerde rond en stool dieveling een half roggenbroodje uit de haverkist in den peerdenstal. Hij brokkelde het in den ketel en de vier hondekoppen grabbelden tegelijk om het zeerst en zwolgen haastelijk hun deel binnen.
Dan kwamen de werklieden buiten en trantelden over de werf naar schuur of stal hun ruste zoeken. De koeiers en knapen naderden de zandkar. Manes kenden zij, maar den ander met zijn kreupel been, bekeken zij en begonnen met halfluidewoorden en slimmen monkellach den raren Ko te begekken. Treite bleef onverschillig liggen staroogen en nu zijn buik zoo wel gevuld was, voelde hij zich goed en liet de kerels begaan. Hij ging eenen teug water drinken bij den steenput en drentelde over de stoep, stak het hoofd in de stallen en keek vol bewondering naar de ongewone doening overal rond. Daar bleef hij staan bij eenen kerel die, 't lijf achterover gebogen, gedurig poge deed eenen stuiver van 't voorhoofd in den trechter te laten vallen die in zijnen broekband stak. Den eenen keer gelukte 't hem den anderen keer niet en Treite volgde 't spel met groeiend belang. Andere kerels kwamen ook bij.
—Kent gij 't spel met den trechter? vroeg de knaap aan Treite; als de stuiver er in valt is hij de uwe, maar valt hij er nevens, dubbel betalen.
Treite stond een wijle verbaasd en te dubben; dat was iets nieuws.
De kans beviel hem.—Een stuiver kan ik wel winnen, maar 't haar van eenen steen scheren, dat is wat anders; die niets en heeft blijft vrij van 't betalen!
—'t Is aanveerd, jongens.
Treite liet zich den trechter ia den broekband steken en boog zich achterover met den stuiver op 't voorhoofd; hij rechtte zich traag, loerde naar den top van zijnen neus en ... toen stroomde er plots een koude watervloed over zijnen buiken beenen en als hij nog ontdaan van schrik, te bibberen stond en lekende nat, schaterlachten de boeren met den bedrogen steêling. Treite bezag zijn eigene dommigheid, gooide, den trechter weg, ging kwaad worden, maar voelde medeen zijne onmacht; hij zou den dader toch eene oorveeg geven maar hij zag dat Manes de kar reeds bij de tramen had en de honden van 't hof leidde. Dan hinkte hij; achter, beschaamd van de dommigheid waartoe hij zich geleend had en kwaad om den bedrogenen uitval met den stuiver dien hij zoo gemakkelijk meende te veroveren. Zijn natte broek plakte hem koud tegen de beenen en hij was blij gauw op de kar en weg te komen.
—Ge moogt de kerels niet betrouwen! loech Manes.
Treite antwoordde niet en slikte zijne gramschap in.
Ze reden langs een anderen weg weer naar het eerste dorp en daar laadde Manes de ijdele petrolvaten op die hij in 't doorgaan gekocht had.
Dan tikte een vinger op de ruit van een klein net huizeke en als de deur openging, kwam een wijveke buiten en wenkte naar Manes.
De kerel ging binnen en na langen tijd keerde bij weer buiten en droeg eenen baalzak aan de hand met iets er in dat spartelde.
—g'En zult hem toch geen kwaad doen?! smeekte 't oud wijveke en ze keek Manes drukkelijk in 't wezen en vouwde de handen.
—Als ze nu toch dood moet?! deed Manes verwonderd.
—'t Is van loutere ouderdom dat ze blind is geworden, maar een goed en trouw beest was het altijd.
Meteen zwaaide hij den zak boven zijn hoofd en sloeg hem uit alle macht tegen 't wiel van zijn karre. Een scherpe katteschreeuw uit den zak en een gillen van 't oud vrouwke dat op den stond was achteruit gewipt en in heur angstigheid de deur had toegesmeten.
—'t Is gedaan, dààr! en hij gooide den zak die nu slap bleef liggen, op de kar;—'t beest en kon geen zachter dood sterven! loech hij wreed. Jongen, da's nog een buitenkansje: een gebraden kater is lekker om eten, ik ken een poeldenier die ze verkoopt voor konijnenvleesch! en 't vel is ook een rond prijzeke weerd bij den apotheker.
Treite stond verbaasd over de handigheid van Manes: wie zou er toch denken een blinde munt te slaan uit het lijf van een dooden kater?! 't werd den kerel ook in 't handje gegooid! en hij betastte den zak waar het dood beest vermorzeld lag.
Dan kreeg hij voor zijn eigen den goeden inval; hij neep één oog toe, duwde den vinger tegen 't voorhoofd: maar, zwijgen, jongen, en voor u houden, Treite is ook zoo dom niet! en hij schuifelde een deuntje om niets te laten merken.
—Kunt gij lezen, jongen? vroeg Manes in 't voortrijden.
—"In de Blinde Vink, verkoopt men drank," spelde Treite en wees naar 't uithangbord aan de herberg nevens de bakkerij.
—Goed, meende Manes, 'k zal u gebruiken, jongen, in mijnen handel, en daarop neep hij de lippen met gemaakten ernst en geheimzinnigheid, 't geen bedieden wilde dat hij mocht gerust zijn: 't ander zou hij hem later wel zeggen.
Ze reden naar de brouwerij waar Manes ook al zaken had af te handelen.
—Treite, blijf hier bij de honden, 'k kom aanstonds.
Maar Treite stond zoolang bij de honden tot het hem verdroot. Daarbinst overlegde hij dat 't oogenblik nu best was: hij miek de kloefen los onder de kar en stak ze haastig bij den dooden kater, bond den baalzak weer dicht en legde hem onder de bank al den kant waar hij op de kar zou zitten in 't naar huis rijden.
—Dat is nu veerdig, meende hij en loerde nog of 't iemand gezien had. Dan kwam hij eenen stap t' eenegader tot in de poort bij den wijden keldermond en als hij 't hoofd binnenstak zag hij de dikke tonnen gereekt op schragen en 't schuim dat uit de opene bomgaten over de ronde tonnebuiken in de gistkuipen neerzeeverde. En de knechten gingen daar rond en goten uit koperen kannen het bier weer op. Hij keek en naderde eenen stap nederwaards en dan winkte hem een knecht en reikte hem de volle kannebier. Treite zette ze haastig aan den mond en zoop zoolang hij zwelgen kon, rustte om te verademen en herbegon op een nieuw. Bier! zooveel en had hij er nooit en hij wilde 't al uitdrinken om dien enkelen keer in zijn leven dat hij de kans vrij had. De knechten loechen en zetten hem aan. Als 't hem langs zijnen mond over de borst liep en 't niet meer door zijn keelgat wilde, liet hij de kan zinken.
—Zuip, kerel! zuip toch! riepen zij.
—En als ik, verdimme, niet meer en kan!
't Was de eerste keer van zijn leven dat Treite iets laten staan moest; hij veegde 't vocht van zijnen mond en kroop spijtig de trap weer boven.
Manes rolde de gekochte oude vaten op straat en ze werden achter en onder de kar gebonden zoodat 't voer wel aan een wijd geladen schip met ballast geleek. Treite gebaarde te helpen, duwde om 't evenwicht te zoeken en kroop er met groote moeite boven eene ton; de warmte steeg hem naar den kop en de doezeling overviel zijne zinnen: hij voelde zich wegvoeren door 't dorp en de doode straat, hij zag nog dat 't duisterde rondom op het land, maar gerocht allengs zijn menschelijkheid verloren.
Manes vertelde hem ernstig voort van handelszaken, doch Treite vatte er den zin niet meer van en had geen moed nog te antwoorden.
Hij zwom in een lustigen roes die hem dreef om te lachen, te zingen en welgezind zijn luideleute los te laten. Hij lag achterover tusschen twee tonnen gevallen, de beenen hooger dan zijn hoofd en hij tierde om 't door heel de wijde vlakte te laten dreunen, het liedje dat hij van de landsche kermisgasten die in de postkoets 's Zondags naar stad rotterden, ergens gehoord had:
Rijen, rijenDat is pleizant!Zoo te rijenIn de vigilant!
Als 't uit was, herdeed hij het opnieuw met verschen moed en luider, alsof het altijd den eersten keer, ofwel een ander klauzeke van 't zelfde liedje was:
Rijen, rijenDat is pleizant!Zoo te rijenIn de vigilant!
Hij was in de meening dat zijn gezang nog altijd voortgleed, maar hij hoorde zijn eigene stemme niet meer, noch 't rotelen van de kar of iets anders van al wat er roerde of leefde op de wereld. Hij werd dooldravend meegesleurd over dorpen en velden en de stad was verzonken en niet meer te vinden.
Aan zijne ooren zat Manes te zagen over zijne winst, en van de dingen die hij aanvangenzou als hij het kapetaal zou vastkrijgen dat zijne moei hem moest achterlaten, en hij wist nu zeker dat die moei ver, in eene vreemde stad woonde en stokoud was. En de davering wiegde Treite al dieper in slaap en deed al die dingen gekkend dooreendansen over 't donker land in den wilden avondwind, al weerskanten van den breeden weg. Maar opeens voelde hij eene hand over zijn lijf gaan, tastend in zijn vest, onder zijn hemd, in zijne broekzakken; hij loech inwendig en liet haar doen en ontwiek met de overtuiging dat Manes naar stuivers zocht die er toch niet te vinden waren. Daarmede hervoelde hij de kille vochtigheid van zijn natte broek. Hij opende de oogen en zag de gaslanteerns en veel menschen die over de straat gingen: hij was plots weer in stad getooverd! Hij zocht te weten wat er haperde, waar hij was en dan herkende hij de steenen pomp aan den straathoek. Daarmede kreeg hij de herinnering aan den baalzak, hij zocht met de hand en hield hem vast omsloten en gereed.
—Aan de brug, neen daar brandde juist de helderheid van een gaslicht en daar was ook te veel beweging van voorbijgangers. Hij wachtte. Nog twee straten verder reden zij, tot aan den spoorweg; langs de zwarthouten paalstaken lag een breede streep duisternis. Het Tuinstraatje waren ze reeds voorbij. Nu moest het ... want 't stapelhuis was maar eene straat verder.
Treite draaide den arm al onder weg en gooide den zak over de ton, hij zelf hoorde den lichten plof—Manes merkte niets.
—Aan de derde lanteern moet ik er af.
—Tot de naaste reis.
—Lijk we gezegd hebben, jongen.
Manes hield de honden in en Treite wrocht met moeite de beenen uit de kar. Hij stond stijf en keek een stonde tot 't getrek was voortgelutst, sloop dan naar de donkere vlek langs de palen en tastte naar den zak. Nu miek hij een neus achter Manes, krulde zijn lijf met ingehouden stuiplach, sloeg op de bil.
—Zie-j'hem gaan, den slimmerik! tierde hij en borst nu los in eenen schaterlach. Hij haalde zijne kloefen er uit en stak de oude, doortordene nagelvooze schoenbrokken bij den kater en gooide den kluts over den schouder. Hij stampte met de houtene blokken over de steenen, preusch lijk een kind, naar zijn koolkot. Hij was overdanig blij dat hij vandage zooveel geleerd en gezien had, maar 't voornaamste nog was zijne welgezindheid om het buitenkansje: de kloefen en den dooden kater.
—Ha kerel, morgen wordt ge 't vel afgestroopt en er zal geld afkomen!
Hij wist bij zichzelf wat duivelsch fijnen toer hij gespeeld had en loech nu wel met al de gerekende knapheid van Manes' commersie.
Eer hij nog sliep roesden reeds al die trage,stille dingen van den buiten door Treite's hoofd en hij bouwde nu zelf een slimmen handel op en hij meende iets gevonden te hebben, sterker dan al wat Manes had kunnen uitpeinzen en dan nog zonder daarvoor te moeten naar buiten loopen!
—Katten, jongen, katten! maar 't krielde er van in de steeg, ze liepen de vensters uit, de daken op en schreeuwden bij nachte lijk kleine kinders in pijne. En 't was drommels dood gemakkelijk: een strop op den zolder leggen, een in 't koolkot, een op 't dak en de vette, ronde katers zouden er in loopen; ze waren al gevild en verkocht—de vellen aan den apotheker en 't vleesch, als echte konijnen, gekuischt en opgespannen; de poeldenier zou ze nooit uitkennen! Maar opeens grijnsde hem die gevilde, ronde katerskop toe uit de donkerte, de diep uitgeholde oogpunten blekten en de tanden stonden naaldefijn in den openen muil, en uit éénen kop werden er tien eerst dan wel duizend, overal zotgekkende katerskoppen op dat gevild konijnenlijf en ze loechen om Treite's fijnen streek die nu ontdekt was, belachelijk gemaakt; en wat hij al zocht om 't spel een anderen draai te geven, met die koppen kon hij geen raad vinden.
—Manes zal daar middel mede weten! dat was nu voorloopig de uitkomst en daarmede troostte hij zich in afwachting.
Dan eindelijk kon hij inslapen en rusten van dien vermoeienden dag in de dikke, opene lucht.
Als de noenestond stil was uitgeslapen, keerde Jan door den gloeienden midzomerdag gaan werken op 't land. En de jonge vrouw bleef alleen met heur twee jongens koele in 't huizeke.
Den langen achtermiddag zou de zon weer over 't veld hangen, hooge en branden op de vruchten.
't Was tijd nu om te werken; zij weerde den goeden vaak van daareven en rekte om de lamheid te ontdoen die met de drukkende warmte haar in de leden woog. Zoo stond ze, plat barvoets op den steenen vloer in de kleine woonkamer en bleef wat kijken nog door 't open venster daar de bloemen warm bloeiden. Op 't uurwerk lag voor haar 't gebod van voortdoen; zij geeuwde en kwam eerst nog bij de wiege kijken waar de kleine jongens te slapen lagen. Zoo schoone, zoo poezelig vet lijk mollekes gezond te slapen nevenseen. Hunne armkes lagen nog geplooid naar 't spel, voor den vaak ze kwam vastleggen en de vingerkes waren geloken tot kleine vuistjes. Zij dubde omdie handjes te grijpen en te kussen nog nen keer terwijl ze alleene was, maar nu wilde zij hen niet wekken: zacht laten slapen, en kijken, kijken alleen, met de oogen streelen. Zoo schoon, zoo kriekeblozend rond gewangd was haar schat! Daar lag nog den monkel op 't eene zijne lippen en de putjes waren nog in zijne kaken. 't Andere lag met een ernstigen trek om den mond, als een oud manneken in gedachten verslonden. Moeder stond en keek en ze glimlachte.
—Toe 'k moete voortdoen, dwong heur gedacht weer, 't is zaterdag en Sint-Jan vandage en daarbij overrekende ze al heur werk. Dat schudde haar los, ze boog en kuste in onbedachte beweging de mollekaakjes zacht, diep duwend de lippen in 't malsch, koele kindervel. Ze dekte bezorgd de wiege toe met 't gebloemde doek voor de vliegen en ging haastig in de weefkamer werken op 't getouwe.
—Den lap af tot aan de tweede smette, was heur voornemen, dat was de duur van een heelen achtermiddag; met dapper te werken kon ze tegen den avond gedaan krijgen en te vespertijd nog de kinders te zuigen geven en heur Jans besteek gereed doen.
Hij mocht er niets af weten; de verrassing was de helft van het feest. En zoo regelde zij voort in hare gedachten om 't fijne te vinden hoe alles best geschikt. En terwijl zat zij te midden op de planke en heur voeten wrochtenop de geterden en heur handen snokten den tap en de lade. En heel 't gedoen kwam in drukke beweging; daarmede was 't gerucht plots door die stilte gevallen en na 't verschot bedaarde 't nu wat als iets dat gewoon door de kamer klabetterde en altijd geduurd had. De spoelen rolden kruisend al snorrende over en weer en latten wisselden en sloegen onder 't gestamp van de geterden, dat alles op gemeten slag en geklets dat galmde naar buiten.
En vóór het venster, over 't wijde veld, schong de zon, lijk al de dagen, eenbaarlijk zonder vergaan, in een perelblauwen hemel en er dreef een vlugge windeke van buiten naar binnen. De blijheid lag in kleur over 't hoveken rond het huis. De rijpe krieken lonkten lijk oogen rood onder 't loof van 't jonge boomken. In reken, van weerzijds het wegeling tot aan de eerdestraat en rond en rond, stonden de bezietronken zwaar geladen, de groenselperkjes door de dikke berkenhage omheind. En daartusschen schetterde 't kleur van de bloemen. De leliën luidden hoog 't wit uit de opene kelkklokken en stonden gesnoerd aan rilde stammen die wiegelden genadig bachten 't vlammende rood van de stokrozen hooge geritst de ronde ballen en geklest aan rijzige persen. De leeuwenmuilkes lonkten laag langs den grond, kleurspetterend blauw, rood en geluw; verder een reke thijmstruikjes in gedempt groen; een bussel anijs in fijne sprieteling als een groenehaarbos luchtig open, verwaaiend en gedoken aan den voet, door viooltjes dikke dooreen in duizend kleuren: Sint-Pieter-leliën schel uitstekend het geel van hunne kelken tegen 't zware gestruik van de dahlias en pioenen. Dat stond allemaal verschillig de wegels zoomend en elk tierde in vroolijken groei tegen de blijde zonne. De wijngerd berankte de muren onder de euzieën en dekte 't witsel en de vensterboorden met zijne groote plakbladeren. In 't midden stond de oude vlierboom, gedaagd en krom gebogen, knuistig over den steenput en dekte 't water met koelte en lommer in een donkere spelonk, maar al den bovenkant ter zonnewaard, lagen de vlakke, ronde, witte zaadblommen open als handen zoo groot en strooiden de goede vlierreuke rond.
't Getouwe kletsklakte, de vogels zongen en als de jonge vrouw buiten keek, zag ze hoe de wind heel de groeite en heel dien bloesem kwam verwemelen en leven doen: al de kleuren mingelmangelden dooreen, dansend en neigend de stengels en de bloemen daarop: 't rood van de rozen boven 't wit van de leliën en 't purper van de vette pioenen—met gevezel van bladeren die den reuk opjoegen en 't bloemenstof, omhooge in 't goud van den zonnezomerglans. De bijen en de verwige, bonte vlinders fladderwiekten van blomme te blomme of speelden twee en twee met klepelende vlerken op en neer tegen de ijle lucht. Ze voeren weg over 't huis naar de breedekoornvelden en 't aardappelland, maar deden weer een ommedraai en keerden naar 't hoveken onvermoeid hun spel hernemend. Heel die blijde, kleurige, warm spetterende, stilvaste, levensvreugde en al dat zonnegelonk speierde uit met den reuk van rozen en reseda door 't open raam de weefkamer binnen; de vogels schetterden in den vlier en in den kriekelaar; 't getouwe klikkakte op luchtigen maatstap mede met de geruchten van buiten. Onbedacht en eenstemming met heur omgeving, zong de jonge trouw dat 't helmde door al de schatering rondom heur hoofd, een liedje uit haar geheugen:
Wat is de zee al zonder water,Wat is een meisje zonder lief?Helaas zij ondervindt er laterDe schande van en 't groot verdriet!
Dat kwam boven gewalmd als eene noodzakelijkheid waaraan zij gewillig toegaf. Die woorden rolden gereedgemaakt, ongewild uit heur keel, zonder dat ze aan den inhoud dacht; ze genoot onbewust van haar vrije, diepe moederweelde, heur overvoldanen rijkdom, heur eigen jong fleurig leven eerst en 't dubbele van heur zelf: de twee ontbotte, nuchtere keestjes—Jantje en Pierke, heel heur wonne, de spartelende knaapkes met heuren Jan zijn oogen en heur eigen blonde haar. Al dingen van geluk waar ze keek of de gedachten wendde.
Heur handen wrochten en heur voeten torden op mate van 't eigen geruchte van getouwe en lied en ze voelde bij elken ademtrek de warmte van buiten en den bloemenreuk. Anders was ze alleen en in groote eenzaamheid en verlangde naar t'avond en naar Jan en naar 't blijde spel van den feestdag.
De spoelen gletsten vlijtig en de latten schrankten en 't stuk blauw-en-rood geperkte doek groeide trage, trage achter 't slaan van den kam uit het vormelooze garenspan en bij tijden rolde ze het op den dikken boom. Aan de laatste smette moest ze komen vandage eer ze den tap zou laten schieten en in die afwachting schoof de tijd in de stilte, met aanhoudend, luidruchtig leven buiten en binnen. Achterna begon het àl mede te werken op mate van den ladeslag: gewiegel van bloemen op den wind en geflodder van vogels en vlinders, in leute onverpoosd.
Het zijn al vrijers in mijn' oogen:De blonde knapen, de jonge kerels fijn.Wacht u wel voor hunne logenWant de besten zitten vol venijn!
Dat stond met woorden en slependen zangdraai vergroeid, één geworden door langen duur en menig herhalen en dat herbracht als met eene windvlaag, heel haar jongen tijd tegenwoordig: 't gevoel en 't gezicht van de blijde zotternijemidden 't druistig werk met andere meisjes, in 't vlas of elders op 't land, onder den grooten zonnehemel. Van den inhoud der woorden was er door 't danig herhalen, maar schaars een vage verstandenis haar bijgekomen, de voois met onveranderlijke woorden samengegroeid tot een vorm: de aanvang klonk als een vermaan van grootmoeder over een heel dorp van dansende jonge meisjes waarop niemand en schafte; later eerst moest de uitkomst bewijzen dat grootmoeder gelijk had en de meisjes gingen weenen om hunne zotternije. Op den zelfden sleeptoon sprong het liedjesverhaal zonder overgang, in een ander land op een kasteel van groote heeren, als in een vertelsel.
Daar was intusschen iets gebeurd waarvan het liedje niet en gewaagde en alles raden liet, maar de zangster en vermiste de achtergelatene klauzekes niet omdat ze haar niemand en leerde en 't bedied bleef toch al even duidelijk.
Zij ging het aan haren vader vragen:"Vader vergeef mij voor dien enklen keer!"En heur brave moeder moest nu dragenDen zwaren last van groot hertzeer!
Hoe bondig de verzen vertelden, heel het verloop der gebeurtenis lag er in bloot: het meisje stond er duidelijk in de verbeelding der zangster, te weenen onder den last van 't groot verdriet en ieder wist nu maar al te wel heur schande.
't Begon haar zelf naar de keel te gaan al zong ze het liedje duizend keeren en zonder bedachtheid, klonk het altijd zachter, 't derde klauzeken:
De vader sprak met sture woorden:"Marie-Sophia trek maar uwe schuit van kant,Want in mijn huis zijt gij bedorvenEn nu moet ge uit uw vaderland!"
En blijder, inniger ging het nu weer, alsof er niets gebeurd en ware, de eerste twee reken, een zonnig huizeke was 't rondom in 't groen.
En vóór haar deur, daar lag een warandekeWaar zij alle dagen haar voetjes wascht;En zij dacht al bij heur zelven:'k Zal mij versmooren in dien waterplas.'s Morgens vroeg al bij het klarenIs heur vader tielijk opgestaan;In dat warandeke waar hij ging jagenKwam die wreede ramp vóór zijne oogen staan.Hij riep: "Ach, Heere, waar is zij toch belonden?Is dat Sophia mijn eenig kindDie hier ligt in 't nat verslonden?Straf mij Heere! 'k heb het wel verdiend!"Daarop heeft hij zijn eigen roer genomenEn gedrukt al tegen zijn rouwig hart;Daarmede heeft hij zich het leven ontnomenOmdat hij bezweek van pijn en smart.
Ontlastend troostte het slot en blijder weer klonk het met vlijtiger stemme:
Sa, jonge meiskes, al voor het laatste,Al voor het sluiten van mijn treurig lied,Als gij wilt vrijen, doet maar uw besteOf de jongens brengen u in groot verdriet!
Ze wachtte en luisterde omdat ze meende gerucht te hooren bij de wiege, en ze keek hoe ver de lap gegroeid was. De zonne was middelerwijl gezonken en brandde nu heur goud schuin in warm groen over de blaren, met dikke schaduwvlekken. De bloemen stonden stil en de vogels speelden en waren doende in eigen genot. De rust daalde merkbaar met de koelte van den uitslependen achtermiddag. De deun van haar eigen lied weerhoorde ze nu met den voois van een trekorgel daarbij op een feest of kermis ievers en ze voelde de deernis van 't weemoedig vertelsel door de luide lente en 't gegiechel der omgeving, als bij 't overdenken van een ongeluk dat lange geleden en verre gebeurd is.
Maar dat vage, vergeten ongeluk deed haar dubbele deugd om haar eigen voldane leven: haar eigen groene warandeke met den waterplas, onderden koelen vlierboom en heel haar leven van nu, mengelde en werd—hoe net ook—te verschemeren in de zaligheid van een oud liedje. Ze kon het niet meer uithouden, 't kwam op als een vloed, ze wipte van de zitplank en met de armen open al, sprong ze naar de wiege.
Ze lagen wakker met oogen groot open en staken de armpjes uit om opgenomen te worden.
—O, mijn deugnietjes, alletwee! en moeder hief ze op en duwde ze tegen heur lijf en kuste hunne beslapene wezentjes overhands.
Ze zette zich op den stoel en eer ze heur wijde jakke open kreeg, woelden en zochten de kleine handjes in de plooien om de bloote borsten te vinden; zij grepen ze vast en lokten gulzig. En zoo zat moeder, met haar kleed en de knieën open, de voeten op een anderen stoel, geduldig te geven heur rijke melk. Zij hield de handen om de ronde kinderlijvekes bloot op hun hemdeken en bekeek zichzelf en de twee dutskes die met gelokene oogen, neerstig hun voedsel binnenhaalden. Ze voelde hunne buikjes op en neder gaan bij 't zwelgen en ze loech om 't aardig vertoog van heur eigen zitten en genoot de deugd en de ontlasting in de gegeerde bezigheid. Als de twee molletjes hun bekomste gezogen hadden, duwden zij met de handjes de witte borst weg en wendden het hoofd om te rusten. Maar moeder bleef zitten nog met voldoening; ze rechtte Jantje op haren knie en Pierken op den anderen, schiktede hemdekes over hun lijf en speelde en dreelde met de opene hand daaronder over de malsche billekes, knikte en loech hen tegen, deed ze lichtjes wippen en leerde hen "Moeder" zeggen en "da-da" knikken. Ze plooiden hunne lipjes open en daarom kuste zij weer met volle grepen hunne kleine mondjes en oogen toe. Ze voelde eenen wellust waarbij heel de wereld verging.
—Weer in uw wiegkes nu, mijn poezele ratjes, vader komt t'avond, en slaapt nu schoone! Ze koutte bij al heur doen als tegen groote kinders die 't al verstaan en begrijpen konden.
—En nu moet ge stilliggen, 'k ben aanstonds weer. Ze douwde en neuriede een wiegeliedje om ze in slaap te krijgen. Maar hij was verre weg de vaak en ze bleven liggen wentelen en spartelden ongedurig met armen en beenen. Daarbinst verliep haren kostelijken tijd zonder dat 't werk vorderde.
—Ziet dat ge u zelve paait! en ze dekte de wiege toe en keerde in de weefkamer en snokte er vlijtig om de smette te krijgen.
De twee schijterkes gingen luide aan 't schreeuwen en moeder zong door al 't geklets van heur getouwe:
Langs een groen heidetje kwam ik getredenLangs een groen heidetje kwam ik gegaan'k Was in mijn hemdetjeVan tik tak, tik tak hemdetje'k En had geen rokjes aanVan tik tak, tak!
Zij zong en herzong die reken en zong ze nog als de jongens lange sliepen en de vogels al zwegen buiten en de zonneschijn laag nu pinkelde door de groene blaren. Dan kreeg zij eindelijk de gelangde smette! 't Werk was af! Ze wond het goeds op den boom en kwam voorzichtig op de bloote voeten in huis, hief den tip van 't doek op boven de wieg en vond de jongens vast in slaap.
—Nu, binst ik alleene ben, meende zij en haalde geld uit de schuiflade en liep haastig, half gekleed lijk ze was, door 't hoveken over de straat. Ze sprong als een vlug meisje dat 't zand achter hare voeten opvloog en in de weerdij van vijf stonden was ze in 't winkelken op den knok bij Dule Trame.
—Dule, spoed-u, jong, een kilo toebak.
't Oud wijf zat te spinnen en keek onder hare brilglazen over den disch. Ze stond op en zocht naar gewichten op de vensterbank waar al de winkelwaren lagen uitgestald en reikte traag, met stijve, oude bewegingen naar den tabakkorf.
—Een kilo toebak en twee roeten keerskens, en twee lange, steenen pijpen; 'k moete mijnen man besteken, en seffens komt hij thuis; hij mag het niet weten.
—Ha! 't is morgen Sint-Jan, knikte de oudeDule. Zij pekelde de lange drendels tabak af en toe in de weegschaal en sneed twee keerskens uit den reesem en reikte twee pijpen uit den steenen pot. Dan leunde zij met de ellebogen op den toog in 't voornemen een beetje te kouten met Wieze, in 't afgaan van den dag.
Maar Wieze telde haastig het geld, wond de winkelware in heuren voorschoot en hield de pijpen weigerlijk in de hand.
—Dule, tot morgen, na de mis! en op een loopken was ze al buiten op straat om zoo gauw mogelijk bij de jongens te zijn die alleene waren. Heur herte klopte van gejaagdheid en vreugde. Een mei zou ze maken en de pijpen pinten! 't Was zoo wonderwel gevonden en 't paste zoo goed: Sint-Jan op eenen Zondag! Zij voelde de blijdschap kriewelen inwendig bij 't gedacht aan Jans wezen morgen uchtend als ze vóór hem zou staan met heur jeunste! en heel den Zondag om te rusten thuis.
De kindere lagen even stil toen ze binnen kwam en nu ging zij aan de belangende bezigheid. De tabak deelde zij open in een ronde teele, plantte er de twee keerskens in en trok donkerkblauwe en purpere dagsterren en wond er de binderanken als een kroone om den boord. Dan sneed zij eene mand vol van de schoonste bloemen en zette zich plat op de zulle in 't deurgat om den mei te binden. Eerst de bloeiende vitsen met anijskruid gemengeld en wilde roosjes wond ze rond de lange pijpstelen en legdeze kruisgewijs in de tabakteele. Nu de groote, ronde boererozen, zenia's, lijk kleursterre, violiers dikke gereesemd wit en blauw en rood. Ze koos met de oogen en herschikte de bloemen volgens tinte en kleur in den groeienden bos. Ze hield hem uitgesteken tenden den arm, herstak eene goudbloeme hier, eene lelie daar, duwde den neus met wellust in de reseda om den goeden reuk volop te genieten en wrocht voort; het fijne pluimgras—lijk pereltjes aan dunne sprietjes—vormde een luchtig afzetsel rond en rond en de floksen bengelden hunne roode klokjes daartusschen. Ze knoopte de stelen met een bieze toe en zette den prachtigen rieker in het goud-bebloemd kommeken met water. En nu alles weggeborgen onder de kannebank in de waschkamer en 't bord daarvoor en een stoel daartegen en Jan zou wel niet merken dat er iets gaande was.
Ze klom op den boom nog en trok een mandeken krieken en dook ze bachten de bedsponde.
—Nu is 't al veerdig! meende zij en haastig bracht ze 't koperwerk buiten en schuurde het met zand en zurkel en legde het, afgespoeld, blinkend lijk nieuw goud, te drogen op de hage. Jan mocht nu komen.
Ze was al neerstig aan 't werk rond den heerd voor 't avondeten en Jan hoorde haar van op strate, vroolijk het oud liedje zingen:
Wat is de liefde wonderbaar in hare werken!. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Hij zette zijn alm aan de deur, klopte zijne kloefen af en kwam gestopen onder 't lage deurhout, stil in huis. Zijn eerste stap was naar de wiege, maar moeder deed haastig teeken om hem te weerhouden.
—Laat ze, ze zijn pas in slape, Jan. Ze zullen schreeuwen heel den avond.
Dat was 't minste van de reden: ze was eigenlijk jaloersch als ze er niet bij kon zijn om te spelen.
Aan 't lage tafelken aten zij den mageren avondkost met goeden smaak. Wieze koutte alsaan, opgeruimd en vervroolijkt omdat ze samen thuis waren. 't Andere hield ze met moeite binnen en ze vroeg naar 't werk en de groeite en naar 't weer en naar duizend andere dingen nog, blij lijk de jongens omdat 't morgen Zondag is. En Jan, met zijn ernstige, grove tale daartusschen, zag door haar blinkende oogen 't gedoken spel en raadde de heimelijke doening die morgen, zooals alle jaren, zou bloot komen, maar hij gebaarde zich onwetend en hield zijn tevreden monkel onder den knevel gedoken en liet haar 't genot daarvan alleen.
Na 't eten wandelde hij naar buiten door 't wegelke en rookte eene pijp om den avond te zien. Hij leidde de jonge boonranken op, weerde't kruid uit de groenselbedden en goot water op de tabakplanten. Als hij de vrouw hoorde schuren met den bezem over den vloer, ging hij stille en haalde een mande uit 't achterhuis en sloop bachten den gevel naar 't aardappelveld. Hij dook zich achter 't hooge koorn en woelde met de vingers de eerste balken open. Ze waren nog jong en heel kleine, lijk blinkende bames-pruimen, de muizekes, maar morgen moesten ze proeven van de nieuwe vrucht, dat was gebruik op Sint-Jan. Hij weerde 't wakke loof en zocht dieper; de mulde eerde stroelde tusschen zijne vingers en zoo vischte hij de mande vol jonge aardappels.
Hij keerde lijk hij gekomen was en hing de kostelijke eerstelingen hooge aan de ribben in 't achterhuis en rookte bedaard een tweede pijp al wandelend in 't wegelke tusschen de bloemen die bedauwd, nu sterker geurden. Wieze zat op den grond vóór de deur met de twee kinders op den schoot en gaf ze te zuigen.
—Maar Jan, wat schoone avond! Ze deed hem kijken door de opening van 't hof, tusschen de twee linden naar 't Westen, waar de lucht gewolkt zat en over 't land, verre, door de vallende deemstering, waar hier en daar de vuren brandden op de hoogten en de rook in dunne streepkes, recht opging en verder in lange dunsels, uitgerekt bleef hangen over de vlakte. In de avondstilte ging 't geschreeuw van de knapen en daar de vlamme inklaarteglans opsloeg, dansten de zwarte gestalten in ronde al zingend af en toe en hunne stemmen galmden van den eenen smeulhoop naar den anderen:
Maakt vier!Stookt vier!Sinte Pieter komt alhier!
En veel verder, half gedempt en overwauwd door 't huilen van honden, den lang gerekten schreeuw uit de duisternis:
Leve Sint-Jan!
Dat was de feest-avond, de viering over heel het land. Jan en gebaarde er geen woord van en Wieze speelde met heur kinders en ze keek gedoken hoe de groote sul met een bundel rijshout in de armen naar den knok ging en daar ook het vuur aanstak. De groote vent, hij stond alleen en zwart en pookte in de hoop tot de klare vlamme uitsloeg, die hij dan toedekte met versche groenigheid om veel rook te maken. Heel de streek geurde er van en verre hoorden zij de gebuurs den nieuwen laai begroeten met blij getier. Rechts en links ontbrandden nieuwe lichtjes, 't werd een kring den einder rond en bij sommige reikte de gloed hooge, zoodat de zwarte boomen er door gehelderd stonden verre in den omtrek. Uit den hemel daalde de dauw van den koelen avond daarover en dedeemstering dook het al uitgeweerd de vuurkes die pinken bleven als gevallene sterren.
Wieze legde dan de twee bemels in de wiege en ze ontstak de keerse voor 't lieve-Vrouw-kapelletje; Jan kwam ook in huis en ze sloten de deur en lieten de wijde eenigheid en den avond buiten. Geknield en stil lazen zij hun gebed. De woorden die ze daarna nog spraken ondereen gingen zoetjes, ingehouden om de ruste niet te storen die omendom al begonnen was en ze legden zich bachten 't blauw behangsel, in bedde hun moede leden te rusten.
In 't donker en in 't stilliggen eer ze sliep, bedacht Wieze hoe morgen in de vroegte Jan te verrassen met den feestelijken besteek waaraf hij niets en wist. Zij verlangde lijk andere jaren en voorvoelde reeds uit verledene herinnering, den blijden afloop van de doening. Wanneer ze nog een klein meisje was, blonk die sint-Jans-dag als de groote gebeurtenis waar ze 't heel den zomer op gemunt hielden om te dansen, te zingen rond den vuurhoop; en nu viel dat samen met 't feestevieren van dien naamdag en de oude indruk was nu nog bijgebleven en vermeerderd tot een hoogtij; van genot, die sterk in 't jaar geteekend stond als een groote klaarte van blijdschap. Dat verdiep telkens zoo kalm, zonder beslag of luide roepen nu, maar innig en welgezind werd dat herdacht als eene hernieuwing van hun huwelijksfeest.
De twee mollige, gezonde knaapjes had se er sedert bijgekregen als eene onverdiende belooning in heur leven, met al 't genot dat ze niet verzwelgen kon en dat bebloemde al het werk en de rust van alle dagen: hare kinderkes die ze handelen en kussen mocht en groeien zag in de stilte, terwijl Jan haar alleen liet en ging werken op het land.
Al die uren van den verledenen dag herleefde zij weer geleidelijk: het versch gebeurde van de kleine, gewone voorvallen speelde zich duidelijk af en dan verwischte dat allengerhand in de beginnende dommel-duizeling van den slaap, waarin ze verzwijmde met 't vooizeke nog en de woorden, die weerkeerden en zongen in haar slappe zinnen:
En vóór haar deur, daar lag een warandekeWaar zij alle dagen haar voetjes wascht;En zij dacht al bij heur zelven:'k Zal mij versmooren in dien waterplas!
De vroege klaarte van den nieuwen dag hing over 't veld met de wakte in de lucht van dauw en damp, en 't geurde sterk naar bloemen en den rook van 't gedoofde feestvuur, en Wieze wist niet hoe en waarom al de dingen zoo nuchter vóór haar oogen stonden en ze vroeg bij zichzelf: wat er wel gebeuren ging? waarnaar ze kijken kwam of wat ze wel vergeten of misdaan had om zoo angstig te zijn, zonder de oorzaakte vinden van de beroerte. De bloemen neigden en de blaren wemelden vol kleur en groen onder den frisschen tocht van den wind en 't was of zag ze dat al den eersten keer in heur leven. 't En scheen haar niet wonderlijk of vreemd ongeloofbaar, toen Jantje en Pierke, lijk jongens die vijf jaar oud gegroeid zijn, zonder struikelen door 't prieeltje gewandeld kwamen.
Ze hielden de armpjes over malkaar, de kopkes tegeneen en droegen een groot rhubarbeblad dat ze openhielden als een zonnewere, voor de leute. De witte vlinders vlogen al rond en beetten in de opene bloemkelken hun zeem gaan zoeken. En de twee knaapjes zagen dat af en deden de pepels en de bijen na: ze trokken leliën en dagsterren en bloedroode papavers en goudene trompetten en ze zogen 't zeem uit de bloem-stengels. Ze zetten zich daarbij met de beentjes open, trokken de leeuwenmuilkes af en met eenen duw van hunne vingers deden zij de bloemkes gapen—het muilken open en toe—en ze loechen omdat het alzóó een wiegje geleek met twee stengels daarin, lijk kleine kinderkes die ze zelve waren.
Moeder kreeg eene krijzeling van vervaardheid. Ze wilde hen tegenhouden, in huis roepen omdat er vergiftige bloemen bij waren; zij hield den adem op en bespiedde al hunne stappen in angstvalligheid. Als ze geweld deed om te roepen, bleef de stem haar in de keelen wat ze ook wrocht om de armen te zwaaien en teeken te doen, heur leden bleven slap en zie, heere God, nu naderden zij den vlierboom en ze gingen reiken op de teenen om te zien over 't steenen omhein van den waterput! Het geweld bepraamde haar en 't zweet perste haar 't wezen uit. Ze klaverden er op, de onschuldige deugnieten en zij loechen naar malkaar omdat ze alleen meester waren en gerust rondliepen in eigene wereld voor den eersten keer, in al die nieuwigheden. Ze lagen plat op hun buikje over den rand en renden wiegewagend zoodat hun bloote beentjes hooger gingen telkens dan hun hoofd en ze verdwenen over den vreeselijk diepen put, altijd verder.
Oei! Heur bloed verkroop en de hevige spanning doorbrak den kwaden dwang als 't ongeluk gebeurd was. Op 't geruchte van den dubbelen plons, gerocht den schreeuw uit hare keel.
—Jan, ze versmooren! Jan!
En met den slag, losgelaten, in één sprong, stond zij werkelijk buiten nu, verdwaasd te kijken en houdend aan heur herte dat bonsde. De bloemen stonden stil in den nuchteren morgen, bedauwd en daar was niemand te ziene of omtrent geweest, ook geen vlinders vlogen er rond. De schrik had haar zoo doordaverd en de koude rilling overliep nu haar half gekleede leden en in de onthutsing kon ze nog niet uitmaken wat er gebeurd of gedroomd was. De steenen waterput stond alseen ramptuig onder den donkeren vlierboom en ze gruwde om er bij te gaan.
Naar de wiege eerst om eene uitkomst en zekerheid! Met één ruk, die 't al zou uitmaken, was de voorhang weg en daar lagen ze nevenseen, gezond en bewaard van alle kwaad, als kriekappels die bleuzen aan den boom, wakker te lachen uit hunne blauwe oogen.
Het bloed sloeg in storm naar heur herte en in de plotse blijheid, die nu als een tweede slag kwam gevallen, liet ze tranen leken die heur lange gepraamd hadden en nu ontlastend uitvielen. Ze neigde heur lijf en duwde de lippen op hunne malsche wezentjes lange en herhaaldelijk. z'En rechtte zich maar om te zien of Jan ontwekt was.
Hij lag vaste in slaap met zijn wezen naar den muur. Ze wilde nu 't uitgestaan verschot verspelen en den angst, alleen met heur weergevonden, dubbel diere kindjes. De vreugde overliep haar als eene razernij die ze met geweldig streelen moest kalmen. Ze legde, ze duwde haar wezen tusschen die twee kopjes, haar ronde, vleezige wangen die gloeiden, te koelen tegen de frissche, jonge gezichtjes; heur lippen beeten en nepen zonder zeer te doen, overal waar ze vel vonden om te knabbelen. Heur handen overgrepen de lijvekes en haaiden over de bloote, ronde buikjes en billekes, nooit genoeg, om de deugd te voelen, tastelijk, van den schat dien ze behouden mocht en die zoo nipte verloren was. Ze moestin 't stille genieten, geen geruchte maken om Jan niet te wekken die haar zottigheid zou zien; maar de woorden moest ze met geweld binnenhouden of 't stormde luide uit in groot geruchte. Ze vezelde stil dien overvloed tusschen de genepene lippen.
—O, mijn arme, kleine dutskes! hier mijn sloeberkes en gij mijn deugnietje, aan mijn herte! mijn moordenaarkes, mijn zachte, kleine leeuwkes, mijn kapoentjes, mijn poezelige oude weerwolvekes, mijn tooverwiemkes!
Ze herbegon met nieuwe macht van dreelen en kussen tot de kleintjes er onder versmachtten bijkans en benauwd voor dat geweld, aan 't weenen gingen. Ze was den adem af en tenden ook en rustte wat om ze te bekijken nu al rechtstaande, om hare borst te laten uitgolven in lange trekken.
De feestdag, de blijde Sint-Jan viel haar nu te binnen en dat de leute nog niet uit was en moest duren heel den dag!
Ze haalde heur gereedschap en schikte 't voorzichtig op tafel vóór 't bedde: de teele tabak met bloemen en keersen en de lange bloeiende, steenen pijpen en de mande met krieken.
Ze legde de jongens op 't deksel bij Jan en hielp hen trekken aan zijnen knevel en zijnen baard. Ze schetterlachte omdat ze hunne kleine vingerkes boorden in zijne neusgaten, in zijne ooren en in zijnen mond, daar hij lag als een slapende reus. Toen hij trage en verrast, de oogenwijd openrekte om te zien wat er werkende was zoo vroeg bij zich in bedde, hield ze den grooten mei vóór hem uitgestoken met lachend blijde wezen:
—Jan, zei ze, 't was gister uwe avond en vandage is 't uwe dag, 'k ben blij, da'k u besteken mag!
Hij greep den mei met beide handen en rook er aan. Hij vond geen woord om te zeggen, maar zijne oogen bekeken haar en daarmee raadde ze al wat hij zeggen wilde. De jongens woelden weer over zijn lijf en zij hielp hen van op den beddekant. Ze staken ze omhoog, kaatsten en vingen ze weer van hand te hand het spel hernemend.
Dien feestdag voorzag zij als den besten van heel haar leven, omdat ze zoo nakende haar ongeluk was, en onder de vreeze nog en 't verschot van den genadeslag, die bezijds geweken was, zonder schade of hinder te doen. Zij 'n zou er hem geen woord van vertellen en alles bij zich houden—niets dan blijde dingen mochten er vermond worden vandaag! Ze joelden onbekommerd voort ondereen en binnen hielden zij den sterken vrede en de verwachting van een langen, stillen rustedag, die al zoo goed begonnen was.
Voor den eersten keer van al den tijd dat ze huishielden en jongens kweekten, hadden Ivo en Dille vandage niet genoenmaald.
Vroeger—en bijna elken winter—hadden zij nog wel kort gezeten; Dille had de jongens meer dan eens met wat potfoefeling van gevonden kost gepaaid, maar onvoorziens was er dan van ievers hulpe gekomen en beternis in den nood.
Nu was er niets: ze hadden aan tafel niet gezeten; gister hadden ze 't laatste stuk brood gedeeld, en Ivo vond maar geen werk en vuurmaaksel was er ook niet. En dat noenuur was zoo benauwelijk voorbijgegaan: waar ze anders luidruchtig met de vorken wrochten, hadden ze nu op malkaar zitten kijken en de jongens hadden geweend.
Ze waren zonder eten naar school!
Dille kon de vreeselijke nieuwigheid van dat gedacht niet verdrijven, heur handen lagen lam in haren schoot en de kous waaraan ze wrocht was op den grond gevallen. Heur eigenen hongervoelde zij niet, 't was eene eindelooze weemoedigheid, eene onlust die drukte en te ziene stond op de vuile muren, op de doode stoof en de manke stoelen. "Geen eten!" 't Schreeuwde luide overal rond waar ze de oogen wendde en van dezen keer was 't zonder eenige hoop op beternis. 't Verdriet stropte heur keel vol omdat ze met alle inspanning niet vinden kon 't geen er zoo doodnoodig was of waar het te zoeken: eten voor de jongens.
En als 't weerom en nog eens al rondgedraaid was en heroverdacht en dat 't altijd verneenend of onmeedoogend grijnspotte waar ze de zinnen wendde om hulpe of uitkomst,—dan keerde het lamme, krieperige wee in onverduldigheid, in spannenden opstand, angst die uitbrak in wanhopige kwaadheid, woede om 't gevoel dat praamde: te moeten, te moeten eten! en dat de jongens weer huilend zouden van school naar huis keeren. Ze vond het nu zonde hier stil op malkaar te zitten kijken en zonder reppen dood te vallen, verhongerd. Daar woonden toch menschen in de straat en met brood reden de bakkers gedurig vóór de deur, dat 't een verdommelijke schande was om zien.
Dan sprong zij recht in opgewondenheid, al wist ze nog niet waarop heur korzelige gramte uitwerken; ze stootte de deur van de zijkamer open, ze spande de vuisten op de heupen en stond vóór 't bed in de kamer waar heuren vent lang lag uitgestrekt.
—Ivo, riep ze, Ivo!
Hij hoorde het wel, maar wat voordeel? Hij lag en bleef liggen op het uivallig ledikant, slapeloos op den rug en zijne oogen waren open, en zijn hoofd lag achterover in de handen.
—Ivo, wat den duivel, gaat ge de jongens alzoo zienling laten doodvallen van honger, en daar liggen, gij luie leegganger?!
Ivo had in de eerste verwondering, om die plotse furte het hoofd gewend in 't gedacht dat zijn wijf hem wat nieuws kwam schreeuwen: dat er werk gevonden was of eene boodschap te doen,—als hij hoorde heur zotten uitval, keerde hij de oogen weer naar boven en roerde geen spier.
—Gij groote, lange, luie lummel! zijt ge niet beschaamd, 'k zou liever mijne vingers afeten.
—Zwijg, wijf, zwijg, wederzei hij kalm weg, de gebuurs gaan 't weer hooren en....
—Dat zij 't verdomd hooren! heel de wereld moest 't hooren! dan zoudt ge daar in uw nest niet liggen rotten bij schoonen klaren dag, als de jongens zonder eten naar schole zijn.
—Hm, 'k heb het àl afgeloopen. Dat verdroot Ivo,—wat moest ik gaan doen? en zonder schoenen aan mijne voeten en mijn broek is ook kapot.
—Ja, zoek maar uitvluchtsels—wat gij moet doen? werk zoeken of meent ge dat ze 't u gaan brengen waar ge ligt?! Zeg het aan Wimpel, den smeerlap, die u afdankte, dat hij de smouters,de dronkaards uit zijnen winkel schoppe, en u werk geve, zeg hem dat we creveeren van honger.
—Hm, Ivo vertrok de schouders, zotteklap, mompelde hij. En dat bracht Dille tot het uiterste.
—Roep het langs de straten, tierde zij, zeg dat we zonder eten zitten; ga, raap de kolen op die van de karren rollen; vraag aan de heeren hun pakken te dragen, help steken aan de vrachtwagens, steel het, verdoemd, als 't niet te pakken en valt! maar ge zijt te grootsch, gij mannemensch, dat 't pinten-drinken ware, dat 't stoffen ware met uwe macht, dat wel ... maar gij zijt te lui, te laf, te groote nietweerd, te verdommelijke trunterd!
Ivo voorzag dat het niet eindigen ging en dat hij nu beter buiten was in de koude dan hier in bedde. Hij stond op, trok de pet diep over de ooren, stak de handen in de bodemlooze vestezakken en de voordeur voelde hij tegen de hielen slaan zonder dat hij dorst ommekijken.
—En zie dat ge den voet in huis niet zet met leege handen! hoorde hij nog roepen.
Hij liep op goed geluk, de strate langs en was blij van weg te zijn, al beet de koude wind door de vele gaten van zijne versletene kleeren.
Met koortsigen ijver hervatte Dille het werk aan de oude kousen. Zoo was het toch beter, de angst bleef er wel en de hoop was klein, maar kans was er altijd dat haren man iets zou vinden en 't een of 't ander naar huis brengen.
—Al moest hij het stelen! 't Waren toch ook zijn jongens, en liever dan ze te zien wentelen van honger.
—Hoelang zouden we 't wel uithouden zonder eten? Wij menschen dat is 't minste, ze betrouwde en twijfelde geen zier aan heur eigen sterkte; ze zou alles uitzien, daaraan dacht ze niet—maar de jongens, heere-God, ze zagen zoo bleek, zoo drukkelijk, en ze zien krullen en krimpen, en dat akelig huilen,—dat men ze toch den bek kon toehouden—maar 't scheurt de ooren, als ze zoo alle vijf om eten schreeuwen.
—Dat ik ze kon in slaap krijgen, vanavond, met een slaapdrankje!
En opgesmeten als door den druk van een losgesprongene veer, wipte ze recht, ze ging en doorzocht en keerde nog eens de zakken uit van al de kleeding die in huis was—misschien was er een stuiver ievers vergeten—ze trok de lade open, doorzocht het naaikussen, legde zich plat op den grond en keek onder 't bed, onder de kast—er kon vroeger een halffranksken onder gerold zijn.... Maar ze vond heur doen belachelijk—zot was het te gelooven dat er verloren geld achter den grond zou liggen als 't altijd zoo wel geteld en zoo nauwe verteerd was—ze keerde naar heuren stoel en zuchtte.
In heur wanhoop besloot ze nu hulpe te zoeken, gelijk waar—ze overging in gedachtenal de huizen in de straat, Gusten, heur schoonbroer, en Slina haar zuster—maar hoe ver ze reisde, ze voorzag wat ze krijgen zou: spotredens eerst en scheldwoorden later, die menschen waren niet weeldiger dan zij zelf en geven kenden zij niet.
Buiten liepen de dronken lotelingen in drieste benden zingend over straat; het trekorgel schreeuwde en ze brulden woest hun vreugde of spijtigheid uit met schorre keel.
Dille en hoorde het niet. Heur gedachten draaiden al zotter, 't was wakker droomen dat ze deed en werken, om onmogelijk zotte dingen een verstandelijken kant te geven en waarheid te maken van 't geen ze beeldelijk wenschte; dacht ze niet dat de bakker heur een brood bracht, 't geen hij al twee dagen weigerde te geven als er geen geld bij lag!—dat er plots entwie binnen kwam met een zak kolen; dat Wimpel naar Ivo kwam vragen; dat de briefdrager een brief bracht en als ze hem opendeed dat er bankbriefjes uitvielen! veel andere dingen meer, maar ze schrikte plots en kreeg een slag in 't herte—de schooljongens gingen gearmd over straat al zingend:
De troep is goedHij 'n kan niet beter wezenDe troep is goedHij 'n kan niet beter zijn!Albij den troepWe leven zonder werkenAlbij den troep't Is altijd vleesch en soep!
Ze hadden een groot telteeken op de muts gevest en kleurige linten wapperden achter hun hoofd. De school was gedaan en ze gingen huizewaards en aapten de echte lotelingen na die ze binst den dag zottigheid hadden zien bedrijven.
—God! 't was al zoo laai! ze zouden zoo gauw binnenkomen en daar was nog altijd niets. Dille trappelde rond, keek scheef uit naar 't venster en knarsetandde van woede, van ongeduld in heur hulpeloosheid.
En dan ging de voordeur open, 't was Frielde 't gebuurwijf, ze loech welgezind en ze haalde van onder den voorschoot een blikken pintje en zette 't op tafel.
—Dille, onze Miel heeft een goed nummer getrokken! menschen-God is dat een dingen, is dat een dingen! 'k Sterve van blijdschap! 'k heb gebeefd heel den dag, maar nu peins ik eerst op u, Dille, ge moet meevieren ent ook uw deel hebben, hier, drink dat uit, hier ze, 't is beste genever; maar 'k moete naar huis, is dat een dingen, t' onzent: er zijn wel vijftig menschen en ze dansen dat 't kot dreunt! en Dille, ze hebben mij doen drinken, mijn hoofd draait er van, Dille, dat is een dingen: mijn oudste jongen die nu vrij is van de soldaten, een beeld vaneen jongen, ge kent hem,—en dat hij nu vrij is! Ze sloeg op heur bil en wakelde naar buiten. Tegen dat Dille een woord ging uitbrengen en verstout was om iets te vragen, was Frielde de deur uit en weg.
Ze was opgeschrikt in de valsche hoop, en stond verslegen nog van ontroering: op den slag had zij gemeend dat 't in der daad de bakker was met brood of de brief drager met geld, of....
In een onbedachte beweging greep Dille naar 't pintje en dronk in een zwaai de genever uit, om de ontroering neer te spoelen.
—Dat zal mij beteren, meende zij.
En waarlijk, 't deed deugd, 't warmde heur lijf inwendig waar 't vocht voorbij liep en na eene stonde klaarden heur gedachten, ze was zoo verlegen en angstig niet meer om wat er komen zou: die "later" was in eenen nevel gedoken en, daar waren bij haar weten, nog geen menschen in hun huis doodgevonden of vergaan van honger, er moest dus enthoe hulpe komen?! En, hoe grooter nood hoe nader de beternis, na de grootste armoede keerden de dingen dikwijls beter dan ooit....
Ja, ze waren daar, Dille hoorde 't getrappel en ze zag hoe ze opkeken naar 't venster, verlangend.