VREDE

Hunne oogen waren rood gekreten, hunne handjes en wezens waren blauw van de koude en ze kwamen uit gewoonte, warmte zoeken rondde stoof waar er van heel den dag nog geen vuur en was. Ze keken naar moeder en zoetjes eerst, begonnen zij te weenen, ingehouden.

—Moeder, honger, geef ons eten, kermden zij, g'hebt het beloofd, moeder.

En als moeder ook heur voorschoot aan de oogen hield, lieten zij 't luide los, ze barstten uit met geweld en huilden.

Ze stonden alle vijf, rond moeder, schamel in hun gescheurde en verlapte kleeren, de haartressen wild onder de muts en uit hunne natte oogen keek de meewarige, drukkelijke angst. Het kleinste meisje hield de handjes aan den buik en wrong haar lijveken van pijn en ze schreeuwden allen om ter luidst.

—Moeder, moeder, moeder!

Ze trokken aan heur armen, aan haren rok en riepen altijd:

—Moeder, moeder! mijn buikske, moeder.

—Mij eerst, moeder, Gustje heeft een halven boterham gekregen van den mulder en Marietje twee aardappels.

—Zwijgt of 'k worde zot!'riep Dille tenden raad. Ze schokte ineens heur lijden weg en raasde van ongeduld.

—Zwijgt! wacht en zwijgt, 'k en heb geen eten; heb ik zelf geëten in drie dagen?! wacht en zwijgt—ge zult eten krijgen!

Ze zegde dat en ze meende 't ook, doch waar ze't halen zou en vroeg of wist ze niet. Inwendiggloeide een deugddoende warmte in haar lijf. Heur moed was gekomen zonder dat ze wist van waar en eene stoutigheid en vaste zekerte zonder oorzaak, 't Was 't toppunt nu, het hoogste en nu moesten de dingen keeren, gelijk hoe, dat was heur zekere overtuiging. Zij voelde een plechtigheid door die hoogte die de wanhoop verdreef en 't uiterste moest nu gedaan worden. Ze nam de handjes van een der knechtjes in de hare en 't waren als ijsbrokjes.

—g'Hebt koud, mijn dutske.

Ze keek rond.

—Ja, we gaan vuur maken en warmen, en als ge zwijgt ge zult eten krijgen, maar zwijgen, ze zouden buiten gaan denken dat ge hier vermoord wordt.

Ze nam het kapmes en kloof de zoutlade, 't naaibakje;—'t was haar een troost dat ze die uiterste dingen te vernielen nog over had. De houtene lepels, de tafellade, 't vloog al aan splenters. Ze ontstak en vulde de stoof met de kapperlingen en de vlamme spokkerde dat 't ijzer al gauw rood stond en 't ronkte door de versleten stoofbuis. De jongens kropen er rond, wreven de handen en monkelden door hunne tranen.

Er was plots als een ophemmende beternis, de warme lucht in huis bracht nieuwen levenslust en ze genoten er van in stilte. Al de oogen draaiden mede waar moeder ging. Ze stond te wachten naar entwat—Ivo kwam niet terug—en dan schoothet haar plots te binnen,—'t was als een slag die inval—de menschelijke hulp was verder dan ooit—'t wonder moest van elders komen, en de nood was nu zoo geweldig dat 't zonder bovenaardsche hulp niet meer te beteren was.

—Lezen, jongens, lezen! riep zij. Allemaal op de knieën hier rond mij, hier op de knieën.

Ze nam het ouderwetsch, steenen beeldeken van de kaafbank en hield het in beide handen gesloten. Ze deed teeken met de ellebogen dat de jongens moesten nader komen.

—Al in ronde, en de handjes samen en hier naar Sint-Josef kijken, en nazeggen wat ik zeg, schoon.

Al de oogen waren op moeders beeldeken gericht en zij zelf en keek er niet van weg; al de handjes staken gevouwen uit in smeekende houding.

Zij begon met luide stem en snakkende woorden:

—Sint-Josef, ge moet ons helpen!

Ze wachtte en de vijf kinderstemmekes herhaalden, op zachteren toon:

—Sint-Josef, ge moet ons helpen!

—'k Kenne maar U alleen!

—Van d'ander Heiligen houde ik niet!

—Gij alleene zijt getrouwd geweest en weet wat het is jongens te kweeken en armoede te lijden!

Effenaan, elke reek haalden de jongens heur af en herzegden moeders woorden met eenbaarlijk smeekende stem. Geen hand en verroerde, geen oog en verpinkte.

—w'Hebben honger, Sint-Josef!

—Grooten honger.

—En ge moet vader werk geven, dat we eten krijgen en vuurmaaksel.

—En als ge ons dat geeft zullen wij u bedanken op de bloote knieën en voor u een groote keerse branden.

—Ge moogt ons niet laten sterven van honger!

—Ge moogt ons niet laten sterven van honger!

Dille zocht en als zij niets meer te zeggen vond, begon zij:

—Onze vader die in de hemelen zijt.

—Die in de hemelen zijt.

—Geheiligd zij uw naam.

—Ons toekome uw rijk.

—Uw wil geschiede op aarde als in den hemel.

—Geef ons heden ons dagelijksch brood.

—Geef ons heden ons dagelijksch brood.

—Nog ne keer, en luide, allemaal:

—Geef ons heden ons dagelijksch brood.

Zij herhaalde dat vijf keeren en herbegon nog vijftien keeren het onze-Vader en 't weesgegroet.

Heur armen werden niet moe van 't beeldeken uit te steken en de kinders ook durfden niet lossen en bleven met gevouwene handen reiken en starling het beeldeken bezien dat als de wonderdoener, de Heilige Josef zelf, in moeders handen stak.

't Was in middelertijd donker geworden en z'en zagen malkander maar bij de klaarte diedoor de kloven van de brandende stoof uitschong. Buiten gingen altijd benden dronken lotelingen voorbij al tierend. Ivo kwam thuis. Hij zag zijn wijf en de jongens in kring op den vloer bij die deemstering; hij nam de muts af en en kroop stil achter de deur in bed. Dille bezag hem.

—Sint-Josef, nu kunnen we u geen keerse branden, w'en hebben geen geld maar morgen koopen wij ze.

Daarmede was 't uit. De jongens zochten rond met de oogen waar of 't brood nu ievers door de kave gevallen was en 't geld, daaraf moeder met zulk eene zekerheid gewaagde. Maar:

—Nu allemaal naar bed, g' hebt nu warm—en zonder kriepen, dat ik niemend en hoore! Die durft piepen moet morgen weer zonder eten optrekken!

Stil, tegeneen gedrumd, verlegen en beangst voor moeders geheimzinnige belofte en bedreiging, kropen zij in den grooten bak op de strooien bedding. Dille dekte de jongens lekker toe met oude kleeren, met een ouden mantel, die ze van haar eigen bedde nam en met de gordijnen die aan 't venster hingen.

Geen een die roerde.

Dille zocht ook haar ruste en als ze wat gelegen had, voelde zij de warmte uit haar lijf vergaan en medeen verloor zij ook àl haren moed en betrouwen en de nuchterheid kwam in haar ijle hoofd en de pijn in haar ingewand. z'En geloofdeniet meer aan 't geen ze daareven zelf nog zoo vast beloofd had en zij verzonk in gedachten die donkerder waren dan de kamer rond haar en z'en kende 't einde niet van de gruwelijke wanhoop. Ze weende, weende stil ingehouden, heur snikken pramend door den gesloten krop. Ivo mocht het hooren maar de jongens mochten niet weten dat ze flauw viel en begaf in heur sterk geloof.

—Morgenuchtend is er brood, herhaalde zij gedurig om zichzelf te overtuigen, maar ze had altijd geern geweten hoe het er komen zou. Ze leed mede de pijn van haar jongens, de narigheid en de flauwte van hun ijdele maag en de krampe van hun buik. Dat belette haar te slapen. Tegen Ivo wilde zij nu geen woord spreken. Ze wachtte alzoo heel den nacht met ontroerd gemoed, tusschen hoop en vrees, lang, lang naar den morgen. Als de dag schaarsch begon, eer 't nog vol klaar was, verlangde Dille reeds op te staan, en de jongens ook waren al gewekt door den grooten honger.

*t Was weerom koud in huis maar er hing entwat in de lucht: 't overblijfsel van die sterke hoop op uitkomst waarmede ze gister gaan slapen waren en dat miek den uchtend anders en buiten de gewone verdrietigheid van koude en gebrek.

De jongens roerden stille zonder spreken. In de schemering overal was 't zoo plechtig als een Sinter-Klaasdag als ze hun pander met dingenuit den hemel moesten gaan vinden. Ze zochten sjerpen en kloefen en muts, en stonden te wachten zonder te durven vragen of zeggen wat er hun scheelde, met den krijsch gereed op de lippen.

Dille was nog bij 't bedde en in de uchtend-stilte begon zij al luide:

—Ivo, toe, kom er maar uit, 't is 's nuchtens best om iets te betrapen buiten, de eerste aankomers zijn eerst besteld. Ge moet naar den brouwer, en naar Fleters aan 't fabriek; en aan de wasscherij en aan de werf, daar kan een scheep te lossen liggen.

Ivo kroop er uit en zoo gauw was hij buiten, zonder een woord te spreken.

—Lezen eerst, jongens, allen op de knieën.

De jongens knielden neer en baden stil met de handjes gevouwen.

Dille stond zonder te weten wat aanvangen; ze keek nog buiten in 't grauw, donker steegje en dan hing ze weer de gordijnen aan 't venster die als deksel op het bedde dienst gedaan hadden.

—Kom hier nu, gasten! Gij Marietje naar Maarten den bakker en vraag een brood en zeg dat moeder 't morgen zal komen betalen, schoone beleefd vragen, kind.—Gij, Zulma, hier met dat zakje naar den winkel op den hoek om aardappels. En gij, Oskar, en Fideel neemt Gustje mede en raapt de branders uit den aschhoop aan de poorte van Vanneste's stokerij, maar uit het koolkot niet te stelen, hoor!

Ze vertrokken zonder spreken. Hun kloefkes klopten op 't plankier.

Dille, als ze alleen was, nam weer 't kapmes en kloof een slechten stoel en legde de splinters op de stoofbuis. Dan bleef ze boutstil met de handen onder den voorschoot, staan wachten, 't Beeldeken stond nog op de kaafbank, roerloos, steenstil en dood, 't was als een zotje in gedwongene ingetogenheid, met neerhangend hoofd en gedweeë, gelokene oogen, maar er hing eene lucht van wonderheid en gedokene macht rond die simpele nietigheid. Dille kon er de oogen niet van keeren, ze geloofde nog altijd, maar bidden deed ze niet meer; heur gemoed was droog en hard en heur zinnen liet ze vrij aan 't noodlot over. Ze luisterde naar al de geruchten op straat en ze telde of raadde met een flauw besef, de kansen die lukken konden, heel gelaten wachtend naar 't geen de jongens haar brengen zouden. Hopen durfde zij niet, maar de vrees en de angst waren weg ook; ze voelde alleen de rauwe pijn van de maag en de ruischingen in den kop die haar deden wakelen op de beenen. Ze ging leunen tegen den muur. De ijzige koude en de rilling overvielen haar lijf en de vermoeienis drukte haar nu van dien slapeloozen nacht

Marietje kwam eerst naar huis en het weende.

—Moeder, hij zegt dat ge zelf om het brood moet gaan, en 't ander eerst betalen.

Die slag joeg haar lamme lusteloosheid weer tot woede op.

—Die smeerlap! De vrek, gaat verhongeren om des wille van een broodje!—'k wil dat hij in zijn leven....

De deur vloog open en de knechtjes kwamen binnen geloopen met Zulma.

—Moeder, moeder, kijk, 'k heb een schoonen cent gevonden!

En Oskar hield zijn blinkend geldstuk uitgestoken. Dille had hem met den eersten greep bij den pols zoodat de cent in hare hand viel en als ze wel gekeken had:

—'t Is 'ne frank, 't is sakkerdomme 'ne frank! waar hebt ge dat gehaald? waar de verdomme, zeg het mij! en ze schudde den jongen bij de schouders.

—Gestolen, newaar, deugniet!

—Neen, moeder, gevonden! riep de jongen die 't heel anders verwacht had; hij keek rond in 't wezen van de broers om hunne getuigenis—gevonden aan den aschhoop.

—Gevonden aan den aschhoop, gevonden, moeder, herhaalden zij.

—En lieg niet, sloeber, of 'k vermoord u!

En nu vertelden zij al dooreen, hoe 't gebeurd was, wie hem 't eerst zag liggen blinken, en wie hem opraapte en dat er niemand bij of omtrent was om te vragen....

De deur was ongemerkt opengegaan en daar stond een wijf.

—Ewel, Dille, gaat ge meê? vroeg ze.

't Was Anzela en ze had een baalzak onder den arm.

—Wat, naar waar?

—Dat is nu wel, vervolgt ge de dagen niet meer? Dille,—of deelt ge niet meer meê aan de armkamer? 't Is verjaardienst vandage met dubbelen brooddeel, voor Schafels, hoort ge de klokken niet?

—Jezus Maria—menschen! Anzela! dat was mijn ziele, uit mijn gedacht! wijf, kom, gauw, 'k zat waarachtig zonder eten, jong, gauw,—jongens houdt u koes, 'k ben seffens weer, riep ze nog aleer de deur toe te trekken.

—Mensch, mensch dat was leelijk uit mijnen kop gerocht, vergeten van zuivere mezerie!

Aan de armkamer stonden de wijven in grooten drom vóór de poort te wachten. En na den kerkedienst kregen zij elk drie brooden.

Dille en genaakte geen grond, ze liep onderweg in eenen winkel, ze tastte of de wondere frank wel zuivere munte gebleven was in hare hand en dan kocht ze een kwartje smout en verder in een anderen winkel, liep ze weer binnen om een groote keers. En geladen draafde zij naar huis. Heur berekening was gemaakt en heur voornemen. De jongens wachtten op den drempel.

Zij veurde groote sneden van 't brood en smeerde er smout op.

—Ge zult allen besteld worden, niet te vechten,ge krijgt vandage den buik vol. En vader nog niet thuis?! 't zit goed, hij zal iets gevonden hebben!—God van den hemel!'t was ineens weer de gouden tijd geworden!

—Jongens, jongens! eet maar! ze loech, ze weende, 't geld van den gewisselden frank rinkelde in haren schortezak bij elke snede die van 't brood viel en wat was het een lust de jongens te zien bijten! Dan vond ze de keers.

—Lezen, eerst en vooral lezen, op de bloote knieën! zie-je wel Sint-Josef is er tusschen gekomen.

Ze ontstak de keers en plantte ze vast op 't schouwberd in 't vet dat ze er liet afdruppelen. En ze viel nevens de jongens neer en ze robbelde ook hare rokken op om met bloote knieën de belofte te volbrengen.

Ze reikten allen de handen naar 't verlichte beeldeken en zoo begon zij:

—Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen!

—Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen! herhaalden de jongens met den mond vol brood en ze beeten een nieuwen greep en eer 't verzwolgen was en met hun brood opgesteken, herhaalden zij:

—w'En zullen u van 's leven niet vergeten!

—We bedanken u voor 't groot mirakel!

—'t Groot mirakel!

—'k Wist het wel dat ge onze mezerie kendet!

—En ons zoudt helpen!

—Alle dagen nu—'t is vast—lezen we een groot gebed voor u, op ons bloote knieën.

—Als ge nu wat werk geeft aan vader, geraken wij door den kwaden winter, gewonnen; geef het hem, wij vragen 't u schoone, Heilige man!

—Onze Vader die in de hemelen zijt!

En ze lazen woord voor woord, halen en herhalen, hunne vijftien onze-Vaders en wees-gegroeten ter eere van Sint-Josef, in dankzegging.

Als de klaver in ronde bundels hoog en vol op de kar gestapeld lag, reden zij van 't veld door de zandstraat, traag naar huis.

De oude boer zat op 't snak en mende den os; zijne lange beenen zwemelden nevens 't voorwiel, zijn rug was kromgebogen en zijn groot, donker hoofd woog boven de knieën, met ingetogenen ernst. Zijne handen hielden los het leizeel en de witbonte os trok met breede grepen schouderwringend de oude, krakende kar door 't zand. Achteraan stapte Freê, de gebrokene knecht, en droeg de zeis hoog als een wreed wapen over den schouder.

't Getrek wielde piepend door de diepe slagen van den wagenweg, zonder haast, in de rust van de omliggende doode dingen en den schemerval van het stille dageinde.

De bossen kriepten, en de krekels ook in den gerskant. Al het landvolk was reeds thuis of weg en de oude boer en keek niet naar 't geen hijvoorbijreed. Het achterlijf van den os bekeek hij niet en de kloefen die onder zijne oogen, aan de magere voeten hingen, zag hij wel rakelings over 't zand slepen, maar hij was elders en met een groot gedacht vol bezig. De kar rolde en de avond was gelijk al de andere en 't gepiep van de draaiende wielen knersde altijd keerend in zijne ooren.

—Krakende wagens rijden langst, bracht hem dat in den geest, en van daar voort doelde hij op zijn eigen, oud lijf, dat nu ook wel een krakenden wagen geleek die rolde, rolde een heel leven lang over hetzelfde veld... zijn eigen veld ... en dan weer welde de oude sleepgedachte op, die nu een vol jaar reeds, zijn vroegere gerustheid bestormde en te niete deed; het haverstuk, het gekende akkerland—de vijfhonderd, die hij zijn levensdagen gebruikte, die te midden zijn eigendom lag en hem op dien heugelijken verkoop ontfutseld werd, schandalig ontfutseld door zijnen vriend en gebuur; door boer Vanhoutte, de verrader!

En de luizige streek speelde in heel heur lengte, met al de kleine bijzonderheden, voor den duizendsten keer door zijn hoofd.

—Maar, Verlinde, als ge hier Vanhoutte's weide in de plaats kreegt, was de schade en het kwaad daardoor toch wat verholpen?...

Den boer zijn eendlijk hoofd hief en vóór zijne oogen, beneden de gracht, lag het vierkant weidestuk met jeugdige kopwilgen zoo net omtuind.

—Wie zegde, wie sprak er daar? Hij luisterde verwonderd, en onthutst door de verrassing van die vreemde veropenbaring, hoorde hij nog de natinseling van die laatste woorden en terwijl hij zocht wie,—of hij 't eigenlijk gehoord of wel bij zichzelf zoo maar aan 't verzinnen was, vervolgde dezelfde stem wat treitend nu:

—Hier kost gij evengoed een klaverijtje aanleggen ... en dan moest ge ook geen uur ver om uw voeder rijden, door den avond....

—Ho, Dolf! riep hij ineens. Hij hoorde 't zoo duidelijk nu als van een mensch uitgesproken, en eer hij 't zijn handen vast bevolen had, snokten ze 't zeel en Dolf, de gezapige os, stond palstil te wachten. Verlinde wist nu eigenlijk niet wat hij er van houden moest.

—Freê, zegt ge entwat?

De oude knecht rekte den hals lang uit bezijds de kar en:

—Ik, neen-ik, boer.

—Dolf heeft het evenmin uitgesproken, dacht Verlinde en hij mokte aan 't zeel.

De os herbegon gewillig zijn schouderwringen en 't getrek rolde weer traag vooruit. De boer zat nu wat opgewakkerd—kwaad om zijn eigen doezeling en hij keek niet weg van de kopwilgen, die hem zoo even aan 't dolen brachten. Hij wilde niet meer denken.

De weg hield aan in effene, uitgerekte, rechte lijn waar hij in de duisternis eindde.

De reuk van warmen stalmest kwam met een zwaai door de lucht gewaaid en Verlinde voelde nu van waar hij zat—drukken op zijnen rug, bachten zich, de tegenwoordigheid van Vanhoutte's hoving.

Eene zenuwrilling dreef door zijnen arm en zijne hand snokte nijdig het zeel om den gezapigen os te dwingen haastig voorbij te rijden.

't Was er doodsch, zwart, warm-stil rondom en niemand langs de baan.

Verder ademde Verlinde onbewust de frischheid op van den koelen avond en binst dat de dauw als eene dunne droomwolk, wijd onder de stil-innige manelucht neerviel, kwam in hem de herinnering aan dienzelfden avond van verleden jaar: toen ze beiden nog bevriende gebuurs waren, hij en Vanhoutte, en op morgen samen naar den eigenaar hun pachtgeld droegen ... dat was hun jaarlijksche uitgang, een blijdag in 't eentonig boerejaar, waar ze naar verlangden als naar de groote kermis.

Den laatsten keer nog, waren ze wat besnoven door den drank, weergekeerd en hadden onderweg malkaar den arm gegeven om gebroederlijk zonder struikelen hun huis te vinden.

Dat was nu allemaal weg, gebroken, uit voor altijd en Vanhoutte stond bij Verlinde in zijne zware schuld, lijk den eersten dag van 't verraad, als de bedrieger, de valschaard. De verwijtsels kropten weer den boer in de keel en de stilterondom hield hem alleen in, ze luie uit te schreeuwen.

—Morgen ga ik zonder hem met het pachtgeld naar den Heer, meende hij ... en gedoken, zonder dat hij het zichzelf wilde toegeven, woekerde de onrust: of Vanhoutte ook aan zijn gewonen dag zou houden? of hij 't niet uitstellen zou?... en de aandoening zinderde daarbij in Verlinde's gemoed voor een mogelijke botsing.

In het fluweelzachte deemster, stonden de boomkruinen matpurper, pal stil op de rilde stammen, de bladertrossen zwaar van schaduw en duisternis en daarachter, de stompzwarte stroodaken en puntige gevels, scherpgesneden tegen de teedere, maneklare avondlucht.

De kar wendde naar rechts de straat af en over den doortocht, tusschen de twee einden singelgracht, die met glim-zwarte watervlak tusschen den dubbelen krans van elzenhout het hof insloten, reed de kar door de opene balie de werf op. Eene fijne mistvlaak overzifte de dingen met droomige onduidelijkheid.

—Ho, Dolf.

De boer spande den os uit en stak hem op stal, terwijl Freê de klaverbundels in 't voederkot ketste. De vrouw kwam bij, wenschte "welkom" en stond met de handen op de heupen te zien naar de bezigheid.

De avondkost was gereed en de drie menschen aten bij tafel, in de donkere keuken.

De flauwe manesching viel door 't venster, helderend in schemervaagte de tafel en de witte borden;—en de vlamme die in den heerd het zwarte gat van den koeketel lekte, danste met vaal rooden glans op de uitsprongen van de ernstig zwijgende wezens der drie ingenooten.

—Morgen weer een warme dag, viel de stem van de boerin daar tusschen.

Op dat woord wendde de boer in gedwongene beweging het hoofd naar het venster en kuchte eene doffe bevestiging. De knecht at voort zonder opzien.

—De klaver staat goed? vroeg de vrouw weer.

Freê meende dat de vraag nu tot hem gericht was en als de boer toch niet antwoordde, voelde hij de ijle stilte die naar zijn wederwoord hangend openwachtte.

—Ja 't, vrouwe, malsch en dikke staat ze gelijk 't haar op den hond.

Als de opgehoopte borden nu waren leeggestekt, kwam de pappot op tafel en met de houtene lepels haalden ze nu gezamelijk of overhands, de spijze uit, met dezelfde gedaagde beweging, zonder dat er nog een woord tusschen viel.

Nu de schotel uit was, vielen de lepels op tafel en Freê stond recht. Hij bleef nog wat aarzelen vóór 't venster en dan;—Wat is er voor morgen? vroeg hij.

Terbinst die vraagwoorden nog in de keukenhingen, was Verlinde aan 't regelen én zoeken naar een bescheid; hij zag 't verloop van den volgenden dag gebeuren. Als ik vroeg uitzet, dacht hij, ben ik 's noens terug; dan kunnen we in 't hooi werken, en als 't even zonnewarm is als vandaag, kan het tegen s' avonds al droog zijn.

—Jawel, Freê, morgen tijdelijk, 't hooi openvimmen, na den noen kunnen we samen hopperen....

Freê stond en wachtte nog wat. De vrouw was in 't achterhuis heur schotelgerief aan 't wasschen. De damp pruttelde in den ketel en de druppels koeisop zeeverden langs den zwarten balg sissend in de vlamme.

En Verlinde plots uit zijne gedachten schietend, besloot er een eind aan te maken:

—Ja, morgen vroeg met de zon aan 't hooi. Als de dauw is opgedroogd kunt ge ook de lammersteert afmaaien.

—'t Heeft vandage fel gedroogd, meende de knecht, 't zal gauw veraarzeld zijn, 't weer is vast. Zoo tot morgen, goên avond vrouw.

—n' Avond Freê.

De boer kwam ook naar buiten en zag den gekrookten, ouden vent vóór zijne voeten het hof verlaten. De maan blonk vlijtig in 't effen geluchte met zeldzame sterren en de lichte smoor zweefde hier manhoogte in dunne deklaag over de velden. Freê wees naar de wolkenbank dieals een vereende, uitgerekte vischgedaante ten Westen aan den einder hing.

—'t Geluchte trekt op, versterking, meende hij.

De boer knuffelde iets en als de knecht over den walweg, buiten de balie was, draaide Verlinde den slagboom toe en legde 't grendelijzer in. Hij miek den hond van zijnen band los en kwam weer in huis met den buik tegen 't venster staan.

De mist lag dikker nu en overwaterde de werf met blauwigheid. Daaruit staken de hooge boomstammen hunnen zwaren kruinenbos en over de schuine stroodaken gleed in effen blinklicht, de zachte, zuivere maneschemer.

Omhoog was 't één reine ijlte den hemel vol blauw en wolkenrust.

Verlinde wachtte tot dat Trezia uit den stal zou keeren, hij trok eerst de horlogieklompen op en kwam weer bij 't venster. Die rustige avondkalmte stoorde hem met misnoegdheid omdat de dingen nu effen zóó waren als verleden jaar in dezelfde doening—maar toen was het in zijn gemoed zoo kalm—nu echter beangstigde hem diezelfde stilte en hij voelde zich daarin alleen staan met de onrust in zijn binnenste,—de strijd met de dingen die alom in vrede, hun gewoon leven leidden. Hij voelde spijt omdat alles tegen zijn wil toch, zóó geworden was, spijt om dezelfde stille avonden van vroeger, om 't geen weg en niet meer te vinden was. Maar daarbij bleef zijn eigene meening even vast,zijn stijve hals kropte straf, zijn zware wenkbrauwen fronsten over de diepe oogen en de vuisten balden in zijne broekzakken.

Hij stond alleen, ja, buiten al 't andere, maar sterk in zijne eenschheid en de beleediging was even zwaar en even onvergeeflijk als den eersten dag. Binnen woelde het om uit te barsten, maar inwendig bleef hij kalm; hij dwong zich nog wat te staan staren over zijne werf en dan wilde hij niet meer wachten. Hij legde nieuw hout op het heerdvuur, ging zijnen wandelstok halen uit de horlogiekast en zette zich in den helderschijn van de houtvlam den koperen minsel en de kruk te poetsen.

Trezia vond hem daaraan doende als ze binnen kwam en met 't eerste opkijken wist ze reeds wat het te beduiden was; maar Verlinde hief haastig het hoofd.

—Als ik heel vroeg uitzet, kan ik voor den noen terug zijn, 't hooi kunnen we dan algelijk inhalen.

—Hoe, wat? en Trezia gebaarde zich onwetend.

—Wat?... 't is morgen toch vervaldag van de pacht.

—'k Meende dat ge het een dag zoudt uitstellen, overmorgen is 't groot werk gedaan ... en morgen botst ge voorzeker op Vanhoutte.

Dat was eene ophitsing.

—Botsen op Vanhoutte? en hij trok hoog de wenkbrauwen die lijk borstels, donker boven deoogputten rondden: Wat scheelt mij Vanhoutte? voor wien moet ik uit mijnen weg? 't is dertig jaar dat we geen dag gemist hebben! De straat blijft vrij en als ik maar mijn geld afgeef, wat doet Vanhoutte daar tusschen?

—O, mij goed, verschoonde de boerin.

En hij kuischte voort het koperen beslag en zette den stok dan glimmend in den hoek van den heerd. De vrouw smeerde den boers beste schoenen in en zette ze nevens den wandelstok. Binst dat Verlinde nu met de beenen uitgestrekt en de handen diep in de broekzakken te blekken bleef, ontstak Trezia het oliepitje en haalde zijne zondagsche kleeren uit de kast en legde ze open in de kamer op het pronkbed. Heur adem en heur voetstappen gingen door de eenige avondstilte en 't lamplichtje helderde in ronde vlekken, al de hoeken van 't huis waar ze voorbijging; 't vlammeke en verpinkte niet.

—'k Zou ook nog een dobbele snede en wat hespe mededragen, zei Verlinde in 't opstaan en eer hij de deur van zijne slaapkamer toestak:

—'k Zal vóór 't klaren uitzetten, rond twee uur,—als ge eerst wakker wordt....

—Zoo vroeg? en ge geraakt eerst om negen uur bij den burgemeester binnen....

Het vragend woordgeluid bleef hangen in huis en wachten naar antwoord, lijk gesmacht in de dikke stilte.

In de kamer rinkelde Verlinde de zilverstukkendie hij op zijn bed opentelde. Trezia's stappen mieken nu dubbel geruchte in 't werken aan den kokenden ketel.

Heur mans' hoed kuischte ze nog af, zijn halsdoek en een versche kiel schudde zij uit de vouwen. Als zijn brood en zijn vleesch was afgesneden, dekte zij het heerdvuur dicht en grendelde de voordeur. Toen zij in de slaapkamer kwam, hoorde zij Verlinde's asem in 't donker daar hij bij eenen stoel zijn avondbede deed. z'En spraken geen woord meer en kropen zonder geruchte in bed en bleven elk bij zijn eigen gedachten bezig, in de verwachting van den slaap.

Heel buiten tijd kraaide de haan daar hij verdoken zat op zijnen polder en die gedoofde nachtschreeuw ten ontijde, met dat lang eind ongemetene stilte vóór en achter, liep verloren in de groote rust, zonder dat iemand er op lette. Verlinde ontwaakte wel nu en dan, lag wat te peinzen, luisterde naar den klokslag, loerde naar den loop van de maan en keerde weer in slaap. De rocheladem van Trezia haalde en blies in geregelden gang zonder stoornis. Zoo vorderde de nacht.

Verlinde ontwiek uit eenen lastigen droom—hij zweette er af en was blij van verlost te zijn en te weten dat 't leugens waren en bedrog waaronder hij gepijnd had. Maar als hij wilde achterhalen de reden van zijnen angst, gerocht hij den draad kwijt en heel 't verloop van de gebeurtenis wischtte uit op den stond dat hij zich rechtte.

—De nacht is gekeerd, meende hij, en nu bleef hij liggen wachten om 't uur te hooren slaan. Verleden jaar kwam Vanhoutte rond dienzelfden tijd hem wekken, samen hadden ze koffie gedronken en trokken blijgemoed door den vroegen zomeruchtend op. Hoe dingen toch keeren kunnen! Nu zag hij zichzelf, de groote, kalme man, die daar straks alleen met zijn eenige gedachten, de lange reis zou doen over 't veld—en Vanhoutte—dat stak hem plots met jagende onrust—-hij ook zou op eigen hand uitzetten, hij was er zeker van....

'k Wil de eerste zijn! en in een plots besluit beende hij uit het bed en trok haastig zijn versch wit hemd en zijne lakene broek aan. Trezia ontwiek met een zucht en was allichte in de keuken. Tastelings ontstak zij vuur en door 't dringende van heur te doene bezigheden, voorzag zij: als Verlinde nu weg is, kan ik het brood bakken en den stal gedaan hebben, tegen dat 't ochtend is ben ik streek met mijn werk en ik ga Freê helpen in 't hooi. Al de noodigheden lagen gereed en al gaan en keeren gerochten Verlinde en zijn wijf uit hunne doezeling wakker en kwamen tot sprake; hij noemde al de dingen die hij moest medenemen: het geld in den binnenzak, den kost in de beurs, zijne pijp, tabak en vuurslag. Trezia was gereed met 't ontbijt, ze hielp heuren man eerst zijnen halsdoek in een lets knopen, en trok zijnen hemdeband neer. Verlinde dronk koffiemet den wandelstok tusschen de knieën. Ze deed hem nog twee eieren zuipen en dan was hij veerdig.—Zoo, Trezia, 'k ga, zegde hij heel gemoedelijk.

—God beware u, en goê thuiskomst, de groeten aan den Heer.

—Moet ik iets zeggen aan Freê? riep ze hem nog achterna.

—Neen, en te noen ben ik toch thuis.

Langs de stallen stak hij zijn hoofd nog over de halve deuren en trok het hof af.

De frissche, vochtige nachtdauw koelde zijne handen en wangen en een windeke speelde nauw voelbaar door 't lijnwaad van zijnen kiel, over zijn lijf. Hij zocht door de schemering in de lucht en raadde den warmen zonnedag die vandage uit het Oosten groeien moest. En nu vooruit met 't voornemen haastig te gaan, den langen, eentonigen weg. Hij tastte nog even naar de beurs in zijnen binnenzak en dan, stekkend met den stok, begon hij eigenlijk voor goed den uitgang. Hij zocht over den halfduisteren weg en ontwaarde nievers eenig leven. De nacht hing nog over de velden, met dunne dwalende mistvlaken en nuchtere vochtigheid die in druppelregen oploste.

De koeien en veerzen lagen en sliepen in 't gras tegeneengedrumd.

Voorbij Vanhoutte's hof hield Verlinde den stap in om geen gerucht te maken. Hij vestigde de oogen starlings op de poort, in de vrees elkestonde den boer te zien buitenkomen, 't Was er al gesloten nog en in slaap; de warme stalreuk stoorde sterk in de zuivere, frissche lucht. De hond zelf bleef slapen en Verlinde tord op de teenen, drumde langs de boomen, keek nog eens over den schouder en liet een grol van ontlasting als hij 't hof bachten den rug had. Nu ging hij weer met vollen stap, blij niemand gezien te hebben. Een eind verder was hij al los bezig met de vruchten langs den weg en met de helderheid die den oosthemel met volle geweld openstiet. De boer was aan 't zinnen op het weer, op de klaarte en op de aanstaande warmte en op 't geen hem effenaan onder de oogen kwam. Door de doode dorpstraat stekte hij met den stok en stapte met de zware schoenen luide over de steenen, en al waar hij keek, waren de vensters en deuren dicht. Achter de laatste huizenrij lagen de nieuwe velden ineens open in roze klaarte, met een wijden nevelkring omzoomd. De liggende wolken waren doorschijnend bebloosd en de spietsen licht staken hoog uit den grond waar de zon zou opstaan.

Verlinde voelde de eenigheid wegen en verlangde naar den dag en om menschen te zien; hij vermiste zijnen makker achter de bane om tegen te kouten, om al de kleine bemerkingen over land en weer uit te spreken die hij nu moest binnenhouden. Halfluide soms ontsnapte hem eene goedkeuring over een koornstuk of eene verwondering over 't werk dat men hier gister, zoo ofanders, met of tegen zijn boerenzin, bedreven had. En langs de rechte bane, waar hij nu een verre zicht kreeg, merkte hij nog altijd geen levenden wandelaar.

—Vanhoutte slaapt nog, *k ben de eerste er uit vandaag,... of hij durft niet komen, gromde hij. Nog eens keek hij om en zocht of niemand hem kwam nagegaan. Eer hij nog aan 't ander dorp gerocht, hief de zon haar bovensten rand uit d'eerde, ze steeg als een gloeiend wiel, effen afgerond, zonder stralen en versmachtte hooger in een wolkenbed van roze en goud dooreen gedraaid, in gesteven kabbeling.

Zie, op gindschen dorpstoren stak de vlag uit! 't was hier gister kermiszondag geweest—en in de straat waren de herbergen ook bevlagd. De groote driekleurige vanen hingen slap in de lucht-stilte neer, aan de persen boven de daken, nat van den dauw. De dorpels en plankieren waren bevuild met gestorten drank en de straat was volgestrooid met verfrommeld papier en afval en bucht. Drie kraamtenten en een peerdjesmolen stonden toegedekt onder grauw lijnwaad en 't geraamte van eene kiosk praalde verlaten, met papieren lanteerns versierd, te midden de dorpsplaats. Al de kermisvierders waren weg en sliepen zwaar.

Verlinde was de eenig levende vent en hij ging dwars 't dorp door, zonder één kerel te zien of een schreeuw te hooren. Tenden een nauw straatjekwam hij aan de opene, vlakke weide. Ineens zag hij uren ver in de ronde al groen, al gras, zonder een huis daarin. Bij stukken stond de lammersteert nog recht, elders platgemaaid of volzet in ronde oppers. Met 't groeien van den dag was 't windeke gaan liggen, volkomen stil en geen pijlke roerde nog. En dan ineens, als bij tooverslag, onverwacht brak daar ver in de lucht het wolkengevaarte open en door den gescheurden voorhang, stroomde 't licht bij gulpen uit en gutste in dansende reuzeling loopend in één trek over 't natte dauwgras in flonkerende tinteling—een vloed van kleur en vuur. Verlinde neep de oogen toe en trok den rand van den hoed neer omdat hij de felle tinteling niet verdragen kon.

Vóór hem, in de verte, gingen twee kerels met eene zeis op den schouder en bezijds in de linkere richting waren er anderen bezig aan 't maaien.

—Ze ratten er al vroeg aan! meende hij. En hij verhaastte den stap omdat hij voelde nu zijn eigen drukke bezigheid thuis, die liggen bleef. Bij haalde de twee landlieden in toen ze den weg af, over de gracht sprongen en aan 't werk gingen.

Zonder overgang was de nieuwe dag uit den nevel opgesprongen en ingang, zonder dat Verlinde gemerkt had hoe al die bedrijvigheid begonnen was. De mist bleek in één zonneteug opgezopen en de zon stak vol heerlijkheid boven denwolkenstoel, in 't schaaierend bleek-blauw geluchte van waaruit zij de wereld warmde. De leeuweriken vlogen overal omhoog en vielen beurtelings een gejaagd en daalden met eene macht van schaterrellend schuifelen en gezang.

De steenen wetter klabetterde over 't staal van de zeissens en de boothamer klopte klinkend; overal ronkte en reusde de slag en Verlinde hoorde 't vlieden van de grasstalen als voor een onzichtbaren wind. De vorken vimden en 't hooi werd gedraaid en gekeerd en opengegaffeld en in de verte reden de ijdele wagens al om de lading. De zweepen kletsten over den rug van de peerden en de bellenkransen rinkelden boven al 't geluid uit. Zoo kleurig stonden de menschen gekleed, zoo vlug, zoo vroolijk ging het werk als bij een feestig bedrijf.

Verlinde keek als een zot wijds en zijds over al dat leven, hij baadde in de groene zeevlakte en eene ongekende lustigheid voelde hij met den nieuwen dag in zich opkomen. Meteen kreeg hij warm, hij droeg zijnen hoed in de hand en liet het zweet van zijn wezen druppelen; de hitte woog hem tegen de borst, maar hij stapte al haastiger op den hoogen weg, recht naar de zon toe.

Dan zag hij aan den hoek van 't veerhuis een vent en op denzelfden stond kreeg hij een schok die zijn lijf doordaverde en zijne beenen met lamte sloeg—Vanhoutte! Hij wilde zich duiken, hem verre den voorweg laten om niet gezien te worden,hij draalde ... maar ineens kwam zijn eigenmoed boven, hij verstoutte en werd kwaad op zijn eigene bedremmeling.

—Wat de sakker, ik ben Verlinde! en voor geen honderd Vanhoutten...! Van dan af was 't besloten, vast: in alle mogelijke ontmoetingen zou hij zijnen eigenen weg gaan, stijf en zeker alsof hij alleen over de wereld liep, en niemand kennen of zien, alsof Vanhoutte dood was en nooit bestaan had.

Maar intusschen knaagde hem de spijt, omdat die leelijkaard er toch eerst uit en hem vóór was.

Hij zag hoe hij de delling afstapte met Lowie den veerman, en verdwijnen achter den oever in de boot—na een tijdeke stapte hij weer boven al den overkant en ging.

Verlinde vorderde nu met vaste grepen naar de Schelde toe en heel luide riep hij met gemaakte lustigheid, naar den veerman:

—Lowie, vroeg al aan de bezigheid!

—Vroeg al op wandel!

De schuit slierde stil over den blauwen stroom en Verlinde stond recht en keek over de klare waterbaan tusschen de groene oevers, waar gedoken in 't lisch, de eenden duikelden in de koelte.

—Tot in 't weerkeeren, boer, en de goe reize! en terwijl de veerman over de waterstraat weer naar zijn huis slierde, steeg Verlinde haastig de steenen trappen op.

Ja, vóór hem ging Vanhoutte met zijnen vastenstap, de korte beenen strak gespannen, en de dikke, stijve hals recht uitstekend boven zijn blauwen kiel; hij vermoedde niet dat er iemand achter hem ging. Met gelijken zwaai van den arm dreef hij den mispelaren wandelstok en ging zonder achterdocht of zonder den kop te wenden, neerstig voort. Verlinde's oogen brandden op dien rug en die hooge zijdene muts, die zoo trotsch in de lucht opstak;—hij zag of hoorde niets meer daar rond en ging om gelijken stap te houden, loerend als een bespieder, met angstige verwachting hoe het zou afloopen.

De weg liep nu tusschen vruchtvelden en op de helling van den heuvel, die den einder met blauwe lijn afsneed, lag het wit en het rood van de dorpshuizen in de zon te blinken.

Vanhoutte's gestalte verdween tot over de schouders achter een koornstuk en Verlinde zag den kop alleen boven de halmen in 't stroo vooruitschuiven. Hij zelf kwam in het nauwe wegeling en zijn stok deed de koornstalen ruischen; hij zwaaide hem al meer om de deugd van de ritseling te hooren. Wat den boer 't meest belaagde nu, was: te weten of zijn voorganger, volgens gewoonte, in de gekende herberg "Het vlammend Hert" zou ingaan. Hij zal niet durven, dacht hij. Hij is benauwd mij te ontmoeten, hij zal elders gaan. En als hij er toch gaat?... Verlinde nam nog geen besluit. De weg klom merkelijk en door de groeiende hitte werd het lastiger te gaan. Al't geen de boer van den morgen doorwandelde, had in hem onbewust een gevoel van vrede doen ontstaan, hij voelde zich zoo stil gestemd, zoo rustig, de dag was zoo kalm begonnen en die reine wijdte was zoo grootsch, zoo plechtig onder den eeuwigen hemel, en van hier uit gezien, werd alle haat zoo klein, dat kijven zoo ongepast, zoo schendig; en Verlinde neep de lippen, beet en vocht om zijn straf, stoer gemoed niet te laten versmelten; hij besloot een kalm, gesloten, hooguitziend stilzwijgen te behouden en elderwaards te kijken. Hij werd moe van 't gaan en lam van de hitte, en verlangde naar eene koele herberg om wat te rusten.

Intusschen stapte Vanhoutte voort door de dorpstraat en recht de opene poort binnen van "Het vlammend Hert". Nu voelde Verlinde zich flauw worden, 't was hier zoo stil bij die dorpsmenschen, die versch uit hun bed opstonden, en hij had nu liever Vanhoutte niet te ontmoeten.

—'k Ga hier binnen, meende hij, en hij draaide den hoek om en ging naar den "Bonten Gaai".—Hier kan ik hem zien buitenkomen en wachten. Maar op dienzelfden stond oordeelde hij zijne daad als kleinmoedige kuiperij, doch hij wilde het zichzelf niet bekennen.

Hij was alleen in de koele gelagkamer, zette zich aan tafel bij het venster en vroeg koffie aan de vrouw, die met opgesloofde mouwen, heur handen afdrogend aan den voorschoot, van heur bezigheid uitscheidde. Zoo aanstonds begon zijmet luide stem te kouten over 't warm weer van de vruchten en van 't nieuws en de menschen uit 't dorp, die Verlinde niet kende. De kamer was ineens vol leven en geruchte. De vrouw keerde en ging en de boer zat bij het tafeltje zijn zweet af te drogen; hij haalde een paar boterhammen uit zijne beurs en tusschen hare redens in, dronk hij zijne koffie en keek beurtelings naar 't uurwerk en door 't venster.

—Uwe burgmeester stelt het altijd goed?

—O, zeker, een beste mensch.

En Verlinde overlegde, of het niet best was nu maar vóór negen uur te gaan bellen, om er toch eerst mede gedaan te krijgen; maar dan voorzag hij, dat Vanhoutte hem zou zien over de straat gaan, of dat hij hem aan de deur zou ontmoeten en hem in 't gezicht loopen. Hij bleef dus maar zitten en loerde alsaan bachten zijne kijkwere naar de groote poort van "Het vlammend Hert". In de herberg was het nu even stil als op straat, de vrouw was uitgekout en weer naar heur werk, en 't scheen den boer dat hij hier alleen zijnen vijand zat af te wachten om eenen slag te slaan. Nog een half uurken, rekende hij, en hij ontstak zijn eerste pijp om den tijd te bedriegen. Zijn gemoed was onrustig, gejaagd, omdat hij nu in eene vreemde herberg was gaan zitten en niet gedaan had als Vanhoutte: onbeschroomd naar "Het vlammend Hert" gaan zonder niemand te duchten. Daarbij keerden in zijn eenzaam turen,al de kleine gebeurtenissen van verleden jaar bij hunne komst hier in 't dorp vóór zijnen geest—samen hadden ze ontbeten onder gezellig kouten, in afwachting naar 't uur dat de burgemeesters kantoor open ging.

—O, Vanhoutte kon hij anders wel missen! 't was nu al een jaar rond dat ze, sedert hun onverschil, malkaar niet meer zagen. En het mocht nog negentig jaar alzoo voortduren.

De herinnering aan hun vroegere partijtjes in de herbergen den Zondag, en de avonden 's winters rond malkaars heerd, liet nu bij Verlinde zelfs geen spijt meer na. Sedertdien hadden ze malkaar slechts twee keeren ontmoet en ze waren met stijven hals voorbijgegaan zonder de een den ander te bezien. Met geen woord hadden ze gescholden of geschimpt, maar bij elkeen stond de haat vastgegroeid door den tijd en geen van beiden zou een vinger toegeven, ze wisten het. Ze waren er nu aan gewend en Verlinde dacht niet meer aan ruzie en heel zelden aan Vanhoutte. De dagen keerden lijk voortijds, maar nu hij den vijand zoo vóór de voeten zag gaan en ze samen opeen moesten loopen lijk vandaag, joeg dat Verlinde 't bloed weer op en hij kreeg eene kriezeling in de vuisten om zijn onrecht effen te vechten. 't Was alsof het maar gister gebeurd was en bij 't minste woord of gebaar, zou 't er gestoven hebben. Verlinde zat geleund op zijnen wandelstok, lokte aan zijne pijp en binstdat zijne oogen het pintenrek en den disch bekeken en de veilingsbrieven lazen aan de wanden in de herberg, waren zijne gedachten te huis in de doening op zijn land—hij herleefde in zijn geheugen den dag voor die verkooping, als hij staan praten had met Vanhoutte; hij hoorde zijne eigene woorden nog: ze bespraken de zaken als fijne vossen die bevriend zijn en malkaar helpen willen waar 't den een den ander niet schaden kon. Ze waren overeengekomen dat Verlinde de vijfhonderd tarweland koopen zou die aan zijn eigendom geland lag, en Vanhoutte besprak de weide achter Verlinde's hof. Hij zag nu weer beeldelijk den notaris staan die bij de verkooping, die vijf honderd instelde. Verlinde was de eerste die een bod deed—een stem hoogde hem af! Verlinde had een nieuwen prijs geboden en weer dezelfde stem die afhoogde. Hij had gekeken om den kerel te kennen die hem zoo kwam opjagen, hij zou zoeken hem te bewilligen met schoone woorden en wat drinkgeld,—hij dacht nog dat hij van perceel of koop gemist was, vroeg inlichting aan zijnen gebuur en als hij weer het hoofd hief om meer te bieden:

"Verbleven! Proficiat!" en toen was het gebleken dat Vanhoutte kooper was en Verlinde gefopt stond! Dat was hem toen als een steensmete op 't hert gevallen; hij stond verdutst eerst, geloofde het niet en binst hij nog aan 't dubben was, besluiteloos en verdwaasd, was de weide ook aan Vanhoutte toegeslegen.

Dien avond was Verlinde met geslotene lippen naar huis getrokken, maar inwendig had hij geweldig gevloekt. Aan zijne vrouw had hij geen woord gezegd. Op dien stond was zijn spijt zoozeer niet om het land—dat hij toch wel missen kon—maar omdat 't voor al de menschen nu bekend was dat hij dommelijk gefopt werd en dat zijn gebuur, zijn vriend—de boer waarmede hij deur en deur woonde, waarmede hij dagelijks omging, hem zoo verraderlijk bedrogen had. Zijne woede had hij stil binnen gehouden, al zijne redens had hij verkropt, maar sedertdien was er een wantrouwen in hem ontstaan, een zwart ongeloof aan alle mogelijke genegenheid of vriendschap, eene verbolgenheid tegen al de menschen op de wereld, en toen besloot hij voor altijd zijne deuren gesloten te houden. Hij zweeg en vocht inwendig tegen den drang van zijn hert dat wilde toegeven, vergeten en vrede maken. Want de tijd was daarover gegleden en de menschen hadden reeds vergeten van waar het ongelijk kwam, ze verdraaiden de zaak en omdat hij niet mede wilde, veroordeelden zij Verlinde om zijn norsche koppigheid. Vanhoutte had er immers eene lachreden van gemaakt en in zijne lichthartigheid had hij getaterd en gezongen alsof er niets gebeurd was en de dorpelingen wilden hem ook geen kwaad om den kleinen streek, dien hij zijnen gierigen gebuur gespeeld had. Verlinde echter kon of wilde niet vergeten; al de dingen waarop hij keek herinnerden hem aan 't geledenonrecht—hij moest stand houden, zonder herstelling kon hij niet toegeven; een woord ware genoeg, maar het woord moest er komen en hij droeg gelaten de gedurige drukking van 't ongelijk dat de menschen hem aandeden. In zijn binnenste verjoeg hij den drang die hem dwong toe te geven en weer te keeren in den kring van gezonde leutigheid, bij de lachende menschen en hij dook zijne eigene onrust te midden al het rustige waar hij in leefde. Hij zag de dorpelingen voor hem uit den weg gaan, ze lieten hem alleen in de herberg waar hij binnenkwam, ze vermeden hem aan te spreken—de leute en 't gelach hielden op waar hij zich vertoonde ... en de boomen en 't gras en de vruchten groeiden en de zon schong daar zoo allemachtig onverschillig over, dat Verlinde zijne eigene zaak zoo klein vond, iets dat lang geleden en uitgewischt was. Bij zichzelf haalde hij al dieper ongelijk om zijn koppig vasthouden. Hij had het anders gewild, maar wist niet hoe het goed te maken en daarom bleef hij aan zijn voornemen getrouw: hij hield den kop omhoog en zag met koele verachting neer op alles wat rond hem leefde. Niemand, zijne vrouw zelfs niet, liet hij in zijn binnenste kijken en de norsche boer bleef sterk nu, uitsluitelijk omdat hij het tegen alle meening in, wilde blijven.

Maar nu verdroot hem dat wachten hier in die eensche herberg, te meer daar hij beloofd had tegen dennoen te huis te zijn. Hij zag het felle weer buiten en als hij aan zijn hooi dacht, werd hij ongeduldig. 't Was over den tijd reeds! Toen begon hij te denken: Vanhoutte kan weg zijn zonder ik hem gezien heb. Nu kon er komen wat wilde, hij nam een kloek besluit en trok de straat over. Aan de deur van den burgemeester gekomen, sloeg hij het stof uit zijne broek en trok aan de bel.

De meid opende voorzichtig en leidde den boer binnen.

—Is mijnheer te spreken? 'k Ben hier met geld en wat haastig.

Zij knikte en ging de deur van de spreekplaats opentrekken, maar Verlinde hield haar bij de mouw en beslist, luide:

—Vanhoutte is hier, schreeuwde hij, steek me bij hem niet of we vechten!

De meid stond versteld, ze kende Vanhoutte noch Verlinde en stamelend:

—Er is een boer bij mijnheer in 't kantoor,

—Dan is 't goed, en Verlinde liet het meisje in hare verwondering en stapte in de spreekkamer. De deur viel weer dicht en nu zat hij als een gevangene en wachtte in groote stilte af, wat er gebeuren ging. De bloemkrullen op het behangpapier waren bleek vergaan en de bollefrinjen aan de rolgordijnen hingen in effene reek boven 't kruisraam zonder dat er eentje roerde. Verlinde zat op eenen stoel en luisterde naar het bromronkenvan twee stemmen in het aanpalend vertrek. Eene deur ging open en weer dicht, de bel klonk, er werd nog iemand binnengelaten, maar Verlinde kon niet raden waar de nieuwe bezoeker aanlandde. De klok sloeg op den kerktoren en dat was hem een verwijt omdat hij hier doelloos te wachten zat, zonder wete van korting of uitkomst. Nu eindelijk hoorde hij de stemmen luider: Vanhoutte die afscheid nam en de kantoordeur dichttrok trok. Toen barst er iets los in Verlinde, hij wilde zich niet langer als een duts en verslagene laten doorgaan, hj; wilde zich wreken over zijne verdrietigheid van heel den uchtend—met een stout gebaar trok hij de deur der spreekplaats open en daar stonden de twee vijanden bek en bek, in de gang.

—Hè, hè hè, een gekkende ekstersschettering met bitsige scheldwoorden, onverstaanbaar dooreen gesmeten uit schorre kelen—'t had maar een stonde geduurd, de weerdij van 't voorbijgaan, Vanhoutte naar buiten en Verlinde naar 't kantoor. Hij stond nog wat daverachtig, purper in zijn wezen, kwaad omdat hij met woorden heel zijne gramte niet had kunnen uitbraken; maar nu was 't weeral over, hij wilde kalm schijnen, want de burgemeester had niets te zien in hunne ruzie

—Ha! Verlinde, en de oude stak den pachter de hand toe, hoe gaat 't? en te huis?

Verlinde groette koel en zonder veel talmen haalde hij de beurs uit den binnenzak en telde de zilverstukken in reken. De burgemeester schreefeenen kwijtbrief en overtelde de som. De meid bracht een kanne bier en glazen. Verlinde besprak eene herstelling aan de staldeur en aan het keldervenster en de burgemeester beloofde in de eerste drie weken eens te komen zien.

—Vanhoutte is juist vertrokken, zegde hij, en bij 't optrekken der wenkbrauwen zag Verlinde dat 't den burgemeester vreemd voorkwam de twee pachters, die gewend waren samen te komen, nu verscheen te zien vertrekken. Verlinde stond met de schaamte in zijn binnenste en voelde zich niet geneigd hier uitleg te geven over hun onverschil.

—Hij is er van morgen te vroeg uitgekomen, veinsde hij, het werk dringt ... maar 'k kan hem nog inhalen—'k was wat verachterd met dat we een zieke koe op stal hebben. Bij die moedwillige leugen schoot 't schaamterood hem in 't wezen. En hij verlangde weg te zijn.

—'t Is volle hooitijd, menheer, ge neemt niet kwalijk.

Hij had zijnen hoed al op en greep naar de deurklink.

—Ja, Verlinde, tot binnenkort en de groeten aan de vrouw.

't Was bij den noen als hij buiten op straat stond. Alle soorten van meeningen stormden hem door den kop en eene groote misnoegdheid met zichzelf knaagde hem. Hij wilde zijne schuchtere houding van daareven weer goedmaken door eenestoute daad, ter zelfder tijde verdroot het in dat huis gekeven te hebben.—Waarom bleef ik niet koes tot hij buiten was, gromde hij. Maar nu wilde hij bij alle duivels in 't Vlammend Hert, zijne plaats niet meer verloochenen, al zaten er honderd Vanhoutten. Met kloeken duw stak hij de deur der gelagkamer open. Zijn gebuur zat aan een tafeltje te eten, hun blik kruiste als de weerlicht en dan bezagen de twee boeren malkaar niet meer. Vanhoutte at voort zijnen noenkost en Verlinde ging aan een andere tafel, vroeg luide een pot bier en haalde ook zijnen mondvoorraad uit. De baas ging over en weer, praatte van den een tot den ander en kreeg van beide boeren om de beurt antwoord. Ze bestelden overhand nieuwe potten bier en Verlinde was vast besloten: er nog vijf en twintig te drinken als de ander het dorst volhouden. Ze hadden gedaan met eten en lagen nu achterover geleund, te wijpelen op hunnen stoel, onder het rooken hunner pijp en ze dreven om ter meest, met luid geblaas de kuilen naar de balke. De waard was weg en nu werd er geen woord meer gesproken. Op straat kwamen de menschen van hun werk naar huis om te noenmalen en geen enkele voorbijganger vermoedde, dat de twee kemphanen hier bijeen te vunzen zaten, gereed tot vechten. De gloeizon vulde den dorpsbrink met loome hitte en schitterlicht. En Verlinde was kwaad omdat er niet meergeruchte was, omdat de dingen zoo lam hingen, zonder hitsigheid als zij hier getweeën over malkaar zaten te blekken. Hij rochelde luide 't speeksel door zijne keel en trommelde met zijnen stok op tafel. Vanhoutte rookte genoeglijk, gerust en blies met welbehagen, stilden rook in kringetjes door zijne lippen.

Eindelijk klopte hij zijne pijp uit op den top van zijnen schoen, stond recht, betaalde en vertrok, alsof hij heel alleen in 't Vlammend Hert genoenmaald had. Verlinde ontstak er nog een nieuwe en wilde nog wat blijven, maar 't verdroot hem gauw in de herberg, hij voelde er zich eenzaam en het werk drong hem ook naar huis te gaan. Hij vertrok. Inwendig was hij goed gesteld, ververscht door 't koele bier, uitgerust van de vermoeidheid en kloek op de beenen. De hitte deed hem geen hinder en hij stapte dapper aan, in 't voornemen zonder verbeiden, gauw t'huis te komen. Hij keek nog naar 't uurwerk op den toren en meende wel laat, maar toch bij tijds aan te komen om 't hooi in te halen. Vanhoutte was nievers te ontwaren, misschien langs een omweg naar huis,—zoo bleef de bane vrij en voor niemand zou de boer den stap moeten breken.

De velden, het reuzelende koorn, 't lag al zoo rustig onder de verbijsterende schittering der zon en Verlinde voelde zich een klein, nietig zierken onder de drukking van de wijde lucht, op de helling van den heuvel, met dat breed landschap vóór zich.

't Zweet droop hem weer van onder den rand van zijnen hoed en barst overal uit zijn lijf; de zon zengelde door 't blauw van zijnen kiel en stak hem op de schouders als zwaar gewicht 't Werd lastig dat neerloopen op den deinenden weg en 't geen nog te doen bleef, lag in wanhopige lengte bloot. Maar Verlinde ging zonder opzien of overdenken, stap voor stap, met 't gelaten geduld van iemand die heel zijn leven over 't land geloopen heeft.

Al over 't hooge koorn zag hij tegen den witten muur van 't veerhuis, de menschen zitten en hier in de weide krioelde het van druk gerid van wagens en karren met hooi. Nader gekomen, zag Verlinde aan den overkant twee menschen vóór de deur van 't veerhuis en binst-hij te wachten stond aan den scheldeoever en de veerman hem met de boot halen kwam, herkende hij Vanhoutte die met Vandoorn den veekoopman, in de schaduw zaten bij een tafeltje waar ze gemakkelijk hun pintje dronken. Hij hoorde de vette, ronde stem van Vandoorn en zijn eeuwigen lach en merkte duidelijk dat de koeiplote er zijn behagen in had en er op gesteld was iets te zien gebeuren bij de ontmoeting van die twee boeren.

—Ze gaan mij voor den gek houden, vreesde Verlinde terwijl hij recht in de boot stond,—ze gaan zeggen dat ik niet durf ... dat ik Vanhoutte uit den weg loop; ik moest thuis zijn—maar dat gelooven ze niet.

Ze zaten daar zoo kostelijk in het lommer met hun pinte bier, langs het water!

—Ha! Verlinde! loech Vandoorn al uit de verte, gij zijt gaan wandelen, ge zweet eraf, drink een pot met ons om u te verkoelen. Baas, schenk hem een pinte, 'k heb vandage goê zaken gedaan, en hij sloeg met den mispelaar op tafel.

Verlinde kon niet anders en hij zette zich bij met den schouder gekeerd naar Vanhoutte die niets en zegde.

—Op onze gezondheid! riep de vroolijke koopman, hij hief zijn glas op en tikte het tegen de twee andere.

Hij praatte voort in luid galmende woorden, zijne gevaarten met de boeren die hij vandaag bezocht had, en hij bracht Vanhoutte ook aan 't kouten en deze vroeg ineens ook drie pinten om den koopman zijne weerjunste te doen. Eindelijk gerochten alle twee de boeren los, ze praatten elk al zijnen kant met Vandoorn, maar onderling bezagen ze malkaar niet.

Verlinde bestelde op zijne beurt ook drie pinten.

—Op onze gezondheid! riep de koopman, goed zoo makkers! De glazen tikten tegeneen.

De koopman legde het het blijkbaar op aan de twee boeren te duivelen:

—Dat is goed! riep hij; 'k wist wel dat ge de koppige kerels waart, maar 't mag niet blijven duren, we moeten eten en vergeven!

Die woorden vielen als in eenen kelder enversmachtten er zonder naklank; geen van de twee boeren verpinkte, 't was alsof ze 't niet gehoord hadden. Maar de grove kerel wilde er verder op los, en luider schreeuwde hij ineens:

—Maar zeg, jongens, is dat nog altijd om dat schamel stukje land dat ge malkaar het herte opvreet?! Gij subbedutten! onnoozelaars! Voor twee gebuurs, 't is een schande! Toe, laat ons pleizier maken binst we leven!

De koopman riep dat ronduit, onbeschroomd in dien wijden meersch en daarmede lag hunne zaak daar ineens bloot in haar pieterige kleinheid: geen mensch had het ooit met een woord durven aanroeren 't geen ze een jaar lang in hun eigen bezaagd, gekeerd en herkeerd en met hun versteenden haat zoo ingewikkeld groot en vast hadden laten opgroeien—en dat wierp de kerel in één mondsgreep er uit. Nu voelde Verlinde de schaamte van binnen in zijn herte komen en zijn hof en 't hof van Vanhoutte, met de lucht er rondom en het land, lag als speelgoed heel veraf en hun beider houding daarbij, scheen hem nu eene verachtelijke beuzelarij.

—Ze schrikten zienlijk omdat hun gevoelige snaar zoo onverwachts, zoo fel aangegrepen werd, en ze voelden zich evenzeer gedwongen voor de oogen van dien levenslustigen veekoopman, hunne trunterij te vergeten en zich open en breed mannelijk te toonen ... en ze monkelden verlegen als om te zeggen: dat 't hunne schuld niet was als zeom zoo'n dingen elkaar in den weg liepen en de wereld te nauw vonden. Maar dat 't inwendig zoo erg niet was, durfden ze niet openlijk bekennen. Vandoorn raadde het zoo, en zonder nog naar overgang of naar uitleg te vragen:

—Baas, nog drie pinten! op de herstelling van den vrede! Dat blekken heeft nu om den drommel lang genoeg geduurd!

Geen van beide boeren dorst zich achteruit trekken en ze tikten de drie glazen tegeneen, maar zonder malkaar te bezien.

De drank liep zoo koel lavend binnen; rond het veerhuis lag de weide vol goudgroen zoo ver oogen zien konden en de boeren zaten daar zoo alleen, innig gezellig onder 't strooien euzie, tegen den oever der blauwe waterstreep die in ronde bocht hen insloot. 't Was hier heel buiten hun gewoon leven van ginder, hier was alles breeder, open en grootsch onder de machtige lucht.

Volgens Vandoorns opvatting was 't met dat kleine voorval nu effen en uit, hij ratelde en loech en viel van 't een op 't ander, zoo leutig en los; mengelde zijne spreuken en vlocht zijne redens zoo behendig dat hij de twee boeren dwong in 't gesprek zoodat ze, onwillig eerst, maar toch elkaar het woord moesten geven om mee te kouten en ook het hunne er bij te vertellen. Verlinde zijn zinnen dansten uiteen, zijn verstand waterde open en zijn lijf zat zwaar doorwegend op de zate van zijnen stoel. Zijne oogen loechen in de wijdte, dwaasdronken en inwendig voelde hij de lustigheid groeien en een buitengewoon genoegen te zitten en te drinken;—als er tusschenin een verwijt hem dwong om voort, als hij op t'huis dacht en op zijn hooi, keerde hij de zinnen anderwaards, want hij had een voorgevoel dat hij hier ook iets moest verrichten, iets herstellen dat gewichtiger was en dringender dan zijn werk tehuis en dat nu aanstonds een groot dingen gebeuren zou, welk hem veel geluk en zijn leven op den ouden plooi moest brengen.

—Lowie, nog drie pinten! 'k Ben vergeven van den dorst!

Hij wilde laten zien dat hij geen hond was, dat hij er ook breed kon doorgaan, zoo goed als gelijk wie. En hij was nu ook overtuigd dat het leven zonder leute geen pijpe tabak weerd was.

Zij ledigden al dapper de pinten en ondertusschen gingen zij achter den hoek van het huis, tegen den boom gaan staan en keerden ontlast, met nieuwen lust, om 't drinken te herbeginnen. De twee boeren moesten bekennen dat Vandoorn een kostelijke kerel was, hij vertelde ongelooflijke histories, die met hem zelf gebeurd waren en waarbij men krullen moest van 't lachen.

En als Vanhoutte nu weer naar den boom ging bachten 't huis, voelde Verlinde ook eene behoefte en binst ze daar rug en rug alleen bezig waren, gerochten de groote dingen al ineens hun gewonen ernst kwijt; dat leek hun nu heel gewoon en ongedwongenspraken zij over 't geleden verraad als over een gespeelde kluchte uit den ouden tijd.

—Ge moest me toch dat meerselke gelaten hebben, bachten mijn huis! loech Verlinde.

—Als u dat nu bezonder plezier kan doen, 't ware geern gegeven, zei Vanhoutte, zonder zich om te keeren of uit te scheiden van zijne bezigheid.

—Zeker kerel, 'k moet nu alle dagen een half uur ver om mijne klaver rijden! Is 't gedaan?

—'t Is gedaan.

—Ehwel, goed dan: vrienden lijk voren en na!

—Lijk voren en na! Ze scheidden tegelijk uit en kwamen bijeen om de zaak met eenen handslag te bevestigen.

—Als ik de weide krijg, wel, dan is 't haverland u gejond!

—Ja, we konden dat ook wel vroeger in orde brengen; menschen spreken menschen.

Verlinde grinnikte en ze kwamen weer bij tafel en ze vroegen opnieuw om bier en Lowie moest meêdrinken.

Niemand merkte hoe de zon nu schuin heur stralen over de weide schoot en 't al in rijker goudglans deed boenen. Lijk mieren stonden en wroetten de maaiers daarin en de hoog geladene wagens voerden 't hooi naar huis. Maar wie kon het schelen! De drie kerels zaten met een wezen purper gezwollen, glimmend van zweet en ze zwaaiden de armen en hunnen hoed lijk Janklaas in het poppenspel. 't Geen ze uitbrachten hieldzin noch reek, z'en verstonden malkaar niet meer en al wat ze nog zeggen wilden, smachtte in dreunenden lach. Ze hielden al wat ze konden om hun glas aan den mond te brengen.

—We drinken ... zoolang we zwelgen kunnen! riep er een.

—Voor eene wedding: die eerst door zijne beenen valt, deze moet heel 't gelag betalen!

—Goed! Goed! En te gelijker tijd kregen ze 't voornemen te blijven zitten en te drinken zoolang ... o, altijd voort, tot ze rollen zouden of zien rollen. Er was een blijde dingen gebeurd,—z'en wisten niet goed meer wat—maar dat moest gevierd, begoten worden met bier, zoolang of dat er de veerman in den kelder had. Bij vlagen kwam bij Verlinde 't gedacht aan zijn nieuw meerselken en van nog iets dat na langen tijd effen en in orde was; dan overmeesterde hem eene wilde leute, hij greep de steenen bierkan en gooide ze te midden de Schelde.

—Dààr, baas, een grooter kruike moet ge brengen, of ge wordt nog lam van halen en schenken; tap het bier in ketels, of haal de ton uit den kelder—breng ze boven! Dat we drinken zonder ophouden!

Hunne aders spanden paars en puilden uit hunnen hals van 't lachen en schreeuwen en hun kiel en bestovene lakene broek waren belabberd van 't bier dat ze stortten.

Al 't geruchte dat ze mieken galmde over de vlakteen verstierf in de ijle lucht; rondom bleef het ongestoord rustig, zoodat niemand acht gaf op 't geen ze hier doende waren. z'En zagen malkaar niet meer zitten en ze lonkten door hunne halfopene oogen om te weten of er nog niemand gevallen lag. z'En dachten noch aan avond noch aan huis, of dat er van hun levensdagen nog hooi moest binnengehaald worden.

Verlinde deed wederom geweld om iets te zeggen, maar al wat er uitkwam was brobbeling.

—Dorst, dorst! tierde Vandoorn, 't is al van die zon, van die zon ... ik zou de Schelde leeg drinken! en hij reikte naar eene versche pint.

De baas stond geleund in zijn deurgat en kwam telkens bij om de glazen te vullen: hij ook wakelde al op de beenen en schonk met onvaste hand. En als Vandoorn verademd had, hief hij de oogen en wijzend naar Verlinde:

—Kerel, kunt ge nog op de beenen staan? vroeg hij.

—Ik! ik? bofte Verlinde.

—'k Wed dat ge er door valt!

—Ik, sterk van natuur, jongen!

Hij wikkelde de beenen van onder den stoel, wakelde, greep naar de tafel en tuimelde met al het gerief, onder te boven in 't gras en bleef er voor dood liggen blazen. De anderen sprongen recht met luiden schaterlach, ze stonden rond den gevallene en keken met lodderlijk, gelokeneoogen en gemaakten schijn van spottende treurnis en ze zongen de uitvaart van den bezopene:


Back to IndexNext