The Project Gutenberg eBook ofDagenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: DagenAuthor: Stijn StreuvelsRelease date: January 23, 2006 [eBook #17539]Most recently updated: December 13, 2020Language: DutchCredits: Produced by Marc D'Hooghe.*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: DagenAuthor: Stijn StreuvelsRelease date: January 23, 2006 [eBook #17539]Most recently updated: December 13, 2020Language: DutchCredits: Produced by Marc D'Hooghe.
Title: Dagen
Author: Stijn Streuvels
Author: Stijn Streuvels
Release date: January 23, 2006 [eBook #17539]Most recently updated: December 13, 2020
Language: Dutch
Credits: Produced by Marc D'Hooghe.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGEN ***
DE KALFKOENAAR BUITENSINT-JANSINT-JOSEFVREDEVEROVERING
De schoone, lange zomerdagen waren uit. De laatste sloepten trage naar hun stille dood en dan hingen er alleen nog wat wasems mist in vroege en late deemstering over 't land. De kranke zon kwam met den noen even bovenpiepen, schreef een rondekring, een steenworp hooge maar, door de lucht om varings weer weg te vallen onder d'eerde.
De regen zweepte en mijzelde gedurig, de wegen werden morsig en onbegaanbaar en overal stonden de groene meerselkes overwaterd en de wilgen daarin half versmoord en moedernaakt. Dan plots steeg ommelands de zwartigheid overal op en heerschte de oneindige nacht en de dood. De landlieden en herkenden hunne wegen niet meer, zij bleven nu diepe in hunne huizen zonder iemand te zien, met een flauw besef: of er bij den verren buurman nog iemand leefde. De daken dekten zwart en zwaar deleemen wanden en doken achter dichtgeslotene deuren en vensters, het schrale pinkje licht en 't warmend koolken vuur. De vijzelende koude wilde overal binnen en de groote nacht gaf geen hope van uitkomst of van nakende helderheid; de zonne was nu dood, voorgoed.
Doka lag wel en warm onder hare dekens alleen in den diepen polk achter 't berdelen beschot op de vaute en ze dacht: hoe gelukkig de menschen die een goed bedde hebben en dekens als 't buiten onbermhertig wintert. Er waarde in heur hoofd een konkelfoezige wereld van oude zomerdroomen uit den goeden tijd van uitgaande gouden dagen, met de warmte van den laten avond in de lucht, zonder ziekelijkheid en pijn van stijve leden of kwellende verkoudheid en lastigen asemgang, in de blijde angstkrasseling van het rijke zamelwerk der late vruchten op 't veld en al 't genoegelijke van 't gewonnen goed daarbij om lange van te leven in den dooden tijd. Maar daar keek almedeen de koe, de groote, witte koe te midden in dien droomwinkel en een angstgevoel dreef al die goede warmte weg, zoodat Doka wakker en in de droevige werkelijkheid van haar oud, arm lijf, weer terecht kwam. Heur herte klopte om de benieuwdheid van eene langverwachte uitkomst met de duidelijkheid nu in die donkerte om haar, van den winter en den langen tijd sedert al die goede zomerdingen,die ze even in het droombedrog nog loopend en bestaande dacht.
Ghielen zat daar eenig in den stal, koude te lijden, de oude, karbintige Ghielen! Wie had er ook gemeend dat het zoo jammerlijk vreemd met die koe zou afloopen? In de eerste maanden van de dracht was 't een gerust en gestadig aftellen van den tijd, met goede verwachting van een gezond kalf, een zekere uitkomst die op den gestelden dag zou gebeuren, zoo zeker als de zonne die 's morgens rijst en zonder falen 's avonds ondergaat. Maar die tijd was nu lang voorbij—negen trage maanden wachten en die langverbeide dag was een leepe teleurstelling geweest en de dagen daarna een wrevel die overging, hoe langer hoe meer, in angstverwachting omdat het achterstallig kalf niet kwam. Daarna waren de dagen gekeerd, en godweet hoeveel weken daarbij, zonder verandering, altijd met die belofte, maar zonder uitkomst en met steigende bejaagdheid en zotte verbazing verliep de tijd nu verder, onmeedoogend en de koe bleef daar roerloos, onveranderlijk, als een betooverd wonder, met 't kalf in heur dikspannenden balg, zóó dat men 't tasten kon. Elken nieuwen dag groeide in ongeduld en nu dat zoo lange leed, gedeeg het ongeduld tot gestadige spijt die teisterde als een gedurige wroeging, met de onzekere hoop toch van een voordeeligen uitval.
—Wie weet was 't van den nacht niet gebeurd?! en hoe warm Doka daar lag, ze had willen in Ghielens plaats bij de koe in den stal zijn. Misschien was de koe in nood en Ghielen in slape! en die ingebeelde gebeurtenis plaagde de oude vrouw nu met angst en met vleienden troost in den dikken nacht die alle leven en geruchte besloten hield.
Met eene beweging van hare handen voelde Doka ineens al het leed van haar oud lijf en de stremheid door 't lange liggen; heur asem begon te piepen en te trekken door haar droge keel in lastig reutelen. Ze rechtte zich haastig op, zat met de kin over de opgetrokken knieën, de handen om de schenen genepen en dan barst het uit in hoesten, scheurend bij vlagen en snikkend, zoo droog en schor dat heel haar lijf doorruttelde en beefde om te bersten. Zij wachtte halend om den asemgang die achterwege bleef, diep met iets in de keel dat kittelde er niet schuiven wilde;—ze stootte daaraan en kuchte en bleef hijgend met luid meumelend zuchten, afgejaagd als iemand in stervensnood.
De zwarte nacht hing vol de kamer en niets of geen geruchte buiten van komenden dag of leven. Daar voelde het wijf de koude langs haren rug neervallen en den top van haren neus betintelen. Dan wierp ze 't deksel af en tord uit het warm bed in de koude. Hare handen zochten tastend naar kleeren en haastig band en vestte zij rokken en lijven aan en stroopte wollene kousen om hare beenen die bibberden. Donkerling, bij den tast strompelde zij achterwaards de vautesteiger af; zij zocht daar beneden om kloefen en klopte voort over den vloer naar de plaats waar ze wist het vuurslag te vinden. Onzeker tikte de kei, nog eens en de sparken sprongen lichtend op den baanst; daar ving het vuur dat zij aanblies met haar piepasem en welhaast lonkte het lampwiekje, nieuwgeboren schemerend in de koud-ijle nachtkeuken. De dingen stonden er zwaar, vast herkennelijk in gewonen stand en doening, even als gisteren en voor langen tijd.
Doka heur hoofd subbelde onder 't lampken dat aan den zolderbalk nog wiegelde en ze steunde nu met de magere armen heur oud lijf op de tafel om den asem die altijd lastig boven kwam. Achterna voelde zij zich in gang komen stillekes beter en veerdig om voort te doen. Ze ontstak de lanteern, bond een dikken neusdoek om het hoofd en ze ging de zware grendels openschuiven aan de deur. De klink flikte en de hengsels kriepten. Een gruwelijk koude tocht stroomde door d' opening binnen. Doka boog het hoofd, stak hare hand onder den borstdoek en neep in d'andere de lanteernhaak en als de deur achter haar was toegevallen, subbelde zij voort in 't donker. Heere-God, de felle wintervorst had weer al de waterzabbering bekorst en bevroren! Het wijf heur eerzelende voeten stonden onvast op het glibberig plankier en ze doezelde waaghoudend met de handen op goed geluk voort, voetje voor voetje schorend en slepend langsden muur. Ze vocht om een geweldige hoestbui in te houden, bleef wat staan tot het beterde en dan weer voort, naar den koestal. Eer de klink te lichten dubde zij nog met de verwachting van het voorval,—ze luisterde een wijle, maar 't bleef daar binnen al zoo doodstil dat ze 't maar weer opgaf en grimmig de deur openwroette. Ze hief zoo gauw haar licht in de hoogte dat een schemering rondwierp in den warmen smoordamp en wat verkraakte stroopijlen en een glimmende slietrand te zien lieten,—achter de witte ruglijn van de liggende koe bleef het al donker en gedoken.
Belle draaide gedoezig den goeden kop, sloeg met den steert en blies luide den warmen adem uit de neusgaten. Doka tord dieper en liet de lanteern zinken om Ghielen te vinden. 't Schemerde entwat in den ledigen sliet; de man lag als een vormelooze, zwarte fakel, zijne oude muts hing over de schouders voorwaards tusschen de opgetrokken knieën en de armen daarrond gekruist; Ghielen lag lijk lange dood en zonder hoofd ineengezonken, moe van waken bij dat groot achterlijf van de koe dat wit vlekte nu met den steert die rustig rondkwispelde. Ghielen zijn mutse hief. Hij roerde wat aan zijne beenen en rechtte het hoofd als Doka weer begon te hoesten en uit zijn kleine zwartstriepte pinkers zag hij haar staan schudderen met de lanteern die ging uit hare handen vallen. Maar in zijn eerste gewaarwordenlonkte hij over den schouder naar den witten hoop nevens zich en als het daar allemaal nog was zooals gister, kreeg hij goeste om stil in zijnen polk te blijven liggen en voort te soezen. Daar kwam ook eene hoestbui in zijne keel kittelen; hij rekte den mond open en bij elken ademsnok kwam zijne tong naar buiten in een goleken opgedraaid en snorkte weer binnen;—zijn rug schudde en zijne handen tastten onduidelijk rond om hulpe. De tranen rolden hem over de wangen en de slijmdraden sponnen uit zijnen mond en leekten over zijne oude broekspijpen.
Doka had de lanteern ievers aan de balke gehangen en zij ook stond nu te midden den stal met de handen op de knieën gestopen, te hoesten. De koe met den kop gedoken in den donker van 't sliet, meumelde stil en steende en ze sloeg harder met den steert tegen den houten weeg.
Ghielen en Doka hoestten en kuchten en braakscheurden om te meer naar hun asem die trage opreutelde, en ze bliezen en haalden om die belemmering weg te krijgen, stootten en spouwden het rekspeeksel dat uit hunne opene lippen met de tranen uit hunne leepe oogen neerdrupte. Als hij bekomen was klaverde Ghielen moeilijk recht op de beenen, zuchtte en ging met de lanteern lichten bij de koe, omhoog, rechts en links; hij betastte ze in de lanken, dreelde haar over de ruggegraat en hing de lanteern weer aan den haak. Hij grommelde binnensmonds en geeuwde en trappelderond wankelwillig en drentelend terbinst Doka het stroo effenschudde en zich neerliet in den polk dien Ghielen gewarmd had. Ze knoterden nog wat ondereen zonder dat ze malkanders woorden verstonden; Doka was reeds luide aan 't snorken en Ghielen blies de lanteern uit en tastte naar de deur en vertrok in 't donker.
Doka's asemhalen verflauwde, de koe blies gezapig de lucht door de neusgaten en lag rustig te herkauwen.
Ghielen was strompelend in huis gerocht, grendelde zorgelijk de deur weer toe en kroop op de vaute in 't warm bedde waar zijn wijf gelegen had.
Hier was 't een zaligheid voor zijne leden die stijf en strem waren van zitten in den stal. Hij draaide en keerde van welligheid onder 't deksel, trok de muts dieper over de ooren, en zijn hoofd in den polk, knufte twee, drie keers en zuchtte om de deugd. Buiten was 't zoo koud, maar hier werd heel de wereld vergeten. Spijtig was hij toch wel om Doka die nu alleen in den stal moest zitten. Dat was vervelend met die koe, dat waken al weken lang en loopen bij nachte van huis naar den stal,... dat ze dan nog kalfde al 't andere ware niets en gewone werk. Wat was het al lang dat ze samen niet waren slapen gegaan! Hij mijmerde nog wat op de doening rond en daar kwamen veel dingen tegelijk in zijnen kop en rond hem in de kamer staan, maardat vervaagde allengs, alles liep uiteen, zijn adem ging rustig en overal nu was de lange nacht weer herbegonnen met een geruste zekerheid van ongestoorden slaap. De koe, de koe alleen waarde nog rond door zijne gedachten: ze stond daar, even een vreemde onnatuurlijkheid, groot gedrochtelijk, onwetend van heur eigen, koppige geslotenheid. En Ghielen zag zichzelf daarbij met Doka als twee magere, houtene sukkelaars, te wachten lijk zot naar een ding dat niet bestond.
Ze zal wel betooverd zijn, dacht Ghielen, en hij zocht toveral naar redens: of er iemand in den stal was gekomen die een kwade hand kon leggen. Daarom hadden zij in 't stille, gewijde palm boven de deur gestoken en een Antonius-koek in 't sliet gehangen, wasdruppels van gewijde keers in de koe heur drinken laten leken en dan met nieuwe hoop gewacht in gelatene berusting. Honderd keeren daags waren zij in den duik gaan kijken, beurtelings of samen om te zien naar verandering. Ze spraken met welgevallen over 't verdikken van den uier en 't opengaan der heupbeenderen, maar bij hun eigen geloofden zij toch niet wat ze zegden.
't Kalf kwam niet en de witte, schoone, atige veerze stond daar welgedaan te muffelen, gezapig den langen dag door of lag en keerde den kop en beurelde lankmoedig. De witte veerze, de schoonste van de streek, waar Ghielen zoo fier op was, de schoone, schoone koe stond daar vol,met wijd gespannen balg, maar ze wilde niet kalven.
In zijnen droom liep de boer een tijd vooruit: den langen winter beulden zij elken nacht wakend zonder uitkomst met vrees voor dien betooverden stal, daarin de koe staan bleef als een steenen wanbeeld, met dat levenloos kalf dat ze niet ontbinden wilde, in haar lijf. Overal zocht Ghielen naar middelen om van dien kwaden last ontdaan te geraken, hoe 't beest kwijt en uit den stal gesleept.—Verkoopen! Een volle koe verkoopen, een drachtige koe! dat ging eerst als een onuitdenkbare onmogelijkheid door zijnen kop en daarna liep zijne bewustheid als water uiteen en hij droomde van heel andere dingen. Later verwonderde het hem zijn vader en Klette, die al lang dood waren, op 't hof te zien komen en rondloopen bij de koe die nu kalvend was. Zij hielpen trekken en daar kwam een wit veerzekalf ter wereld, maar achter een tijd zagen zij dat 't beestje dubbel gelet was en twee koppen kreeg en vier pooten en oogen lijk theeketels, zoo vereend dat Ghielen van den schrik wakker werd. Hij zag nog altijd zijne overgrootouders en veel andere vernukkelde mannekes en wijvekes, oud, gebocheld en krom katijvig, opgekrompen in de sneeuwkoude staan lachen om dat zonderling kalf.
Hij werd er heel aardig van en ontsteld, maar zijn droge keel begon te kittelen en hij hoestte en al de schrompelige, oude mannekes uit zijnen droom zag hij op de vaute nu, gestopen, metschuddend hoofd, de handen op de knieën, vervaarlijk te hoesten, te kikkeren dat 't water hen uit de oogen liep, en zij zochten rond over den vloer naar den asem dien zij verloren hadden. Het reutelde en steenpiepte uit hunne verstopte, oude asempijpen dat hun mager ribbenkot erbij schudde en dreigde uiteen te splijten. Door zijne betraande oogen keek Ghielen verweerd in de duisternis, veegde 't kwijl van zijnen mond en kroop dan uit het bed om ontdaan te zijn van die kwelspoken.
—Alzoo zal dat ne keer het laatste zijn, dacht hij; 'k zal in zoo'n hoestbui eens blijven steken; moest mijn asem voorgoed achterwege blijven 't ware gedaan en Doka, die ginder in den stal zit, zou er niets van weten. Binst hij zijne kleeren zocht en aantrok, kraaide de haan op den kiekenpolder en dat ging als de schreeuw van den verlaten eenling op een onbewoonde landstreek. Die haan was heel oud, half blind en sufachtig en omdat hij nu overlang geslapen had, meende hij toch te moeten kraaien al bleef het rond hem altijd even donker, en hij merkte wel ievers misschien een kriemelken klaarte.
Doch Ghielen niet en hij meende nu nog blinder te zijn dan de oude haan. Hij grommelde zijne misnoegdheid uit om al die oude dingen die heel anders en beter waren vroeger,—de winter vooral was nooit zoo domlang en koud, en de angsthoop van dat kalf deed hem weer denkomenden dag eeuwig lang en verdrietig schijnen. Hij doezelde van de vaute, sloeg vuur in de keuken en keek rond of alles in orde was. Dan knielde hij bij den heerd en groffelde en rakelde met de ijzeren poke de heerdziele open en lei nieuwe lemen en kaf op 't vuur dat traagaan in dunne kuilkes begon op te rooken. Hij kuchte, kneuzelde en trappelde rond op de kloefen in de eenige keuken, knoterde onverstaanbare dingen tusschen zijne dunne lippen die gedurig overeen knabbelden. Hij zette zich eindelijk dobbeltoe vóór eenen stoel en begon stil zijn morgend-devotie, in eene meumeling van onsamenhangende Onze-Vaders; want de koe en heel dien kalvergang zat alweer, even een razende bezetenheid in zijnen zin. Hij herdacht weer heel dien droom en dat "verkoopen" kwam hem nu niet zot voor maar als een stellig middel van verlossing, zoodat hij het ernstig meende nu en besloten was als na lange overpeinzing.
Zie 't was juist Zondag, 't wilde hem meê en na de mis kon hij Vinie de koeiplote, zien te spreken; dan was de zaak zoo seffens al in gang, maar Doka moest eerst haar gedacht zeggen.
Hij miek een eindekruis aan zijne gebeden want nu ging het toch niet om gemeenstig Ons-Heere te bidden in die bestorming waarmede zijne zinnen jaagden.
't Vuurke vunsde al helder op en de theeketel zong in langen piepvoois als Doka de voordeuropenstak. 't Oud mensch was heel toegeduffeld in doeken en half vervroren hield ze de magere knookhanden ineen en 't lijf opgekrompen; ze schormde zeere bij den heerd om warmte te vinden, Ghielen keek naar heur op om nieuws te vragen lijk elken morgen.
—Dag, Doka; nog niets?
—Nog niet, Ghielen.
En ze legde de handen open op den buik van den warmen ketel en kroop nog dichterbij het vuur.
—'k Heb daar gepeinsd in bedde, Doka, dat 't best ware als we de koe maar verkochten ... als ze toch niet kalven wil. En hij bleef half bevreesd om 't uitwerksel van zijn zeggen.
—Verkochten? herhaalde Doka, zoo toonloos dof en verstrooid en zij scheen diep te overwegen en tijd te vragen eer heur gedacht uit te spreken.
—Verkochten? Verkochten? zei ze nog.
—Ja, 'k kan vandage Vinie zien na de mis en 'k zal hem zeggen dat we een volle veerze willen kwijt zijn ... dat 't eten schaarsch is, of zoo....
—En moet dat nu zoo seffens en al ineens zijn! en als ze morgen of te naaste weke kalft?
—Morgen of te naaste weke, hertinselde Ghielen wat bitsig, maar dan kalft ze wel, mij verveelt dat wachten ... en als ze niet kalft en heel den winter als een droge ratte blijft op stal staan, en den zomer daarbij?...
Hij verslikte aan de opgewondene haast waarinhij opliep en ze gingen beiden geweldig aan 't hoesten. Als 't over was werd Doka heel heesch zoodat Ghielen haar moeilijk verstond; ze zegde in der haast eene reek zonder dat ze 't zelf aaneen kon brengen; op 't einde vatte hij toch dat ze den ouden voois aan 't zagen was en weer beweren wilde: dat Ghielen eene maand gemist was in zijne rekening. Daarom wierd hij boos.
—Maar, Doka, hoe kunt ge toch alzoo zijn? te bâmisse was 't negen maanden dat we Belle geleid hebben; 't staat geteekend op den deurlijs en in den stal—vraag het aan den knecht te Vramme's—en nu zijn we al één manesching bijkans, overstier.
—Ja maar, neuzelde Doka weer, we zijn, we worden oud en onze zinnen staan niet meer zoo vaat; mijne oogen ... mijne handen zijn niet meer lijk overtijd....
Zoo knuffelden zij en knoterden zagewijs voort over en weer zonder einde of bescheid; ze hoestten daartusschen als zij den asem kwijt gerochten en wachtten weer om van nieuw te herbeginnen. Al dat geraas klonk zoo vreemd nuchter, zoo vroeg, ontijdig lijk bij nachte als alleman slaapt, in die levenlooze, naakte keuken. Daarbinst wrochten en poenderden zij voort aan de koffie, en aan 't effen- en klaarzetten in de keuken; zij liepen gebogen, wandelend over den vloer in kleine, pettutige stapjes, met trage bewegingen en duttend in de halfdonkere onzekerheid vanhunne vervaakte oogen. Doka droeg de koe een broodje en dan dronken zij zelf aan tafel een kopje koffie met kandijssuiker. Ze taterde nog altijd. Ghielen haalde al de redens uit die hij wist om Doka te bewijzen en te overhalen dat die vreemd bezetene koe weg moest, dat hij niet meer waken wilde of alleen slapen, en dat de menschen zouden gekken met hunne koe die niet kalfde en dat het gedurig in zijn zinnen speelde om er gek of ziek van te worden. Hij stamelde en steende en hoestte na ieder woord en:
—Die koe.
—Die schoone koe, zuchtte Doka, 'k meende dat 't er eene was voor ons leven.
Dat vriendelijk beest had zij gekweekt en:
—Ghielen, gij begrijpt dat niet, 'k heb ze zien groeien en groot worden lijk een kind en ze keek zoo gedoezig op telkens ik in den stal ging.... Als men alzoo alle dagen zijn best doet om ze te verzorgen, daarom was ze altijd zoo beleefd, zoo trouw en gezapig, en nu is ze zoo net wit en schoon geworden, en ik ben al zoo spijtig als gij omdat ze niet vernieuwen wil, onze schoone koe.
—Schoone koe, schoone koe, gromde Ghielen in zijn koffiekom, 'k lache met zulk eene schoone koe, om alle duivels, neen 't, maar een oude varwe koe gelijkt het, een uitgeruttelde, verdroogde kwenekoe die nooit van kalf of stier iets geweten heeft,—we gaan ze afsteken. Ware't niet dat ik heur, vóór mijne oogen, als kalf gekocht en gekweekt hebbe, 'k zou gelooven dat Segher Verschuere ons alle twee bedrogen heeft. Maar een nuchter veerzekalf en kan toch op een jaar tijds geen oude munte worden? Dunkt 't u niet, Doka?
—Neen 't, Ghielen, dat en kan niet.
—Daarbij, wie zal er durven zeggen dat ze niet drachtig en is? bezie dien balg!
—En als ze drachtig is moet ze kalven, vroeg of late.
Ghielen en wist daar zoo seffens geen antwoorde op. Maar hij gebaarde van geen verlegenheid.—Zie, Doka, horkt, na de misse ga ik rondzien achter eenen kooper; Vinie voorzeker weet er niets van dat onze koe haar volle rekening heeft, z'en zal er geen cent te min voor gelden: we zeggen hem dat ze kalven moet in Korte-maand en ze is, vet en gezond lijk ze daar staat, zeshonderd frank weerd.
—Zeshonderd frank, zuchtte Doka, Vinie zal in vijf minuten zien dat die koe niet in regel is.
—Niemand kan daar iets aan zien!
Dan zwegen zij geruimen tijd en bleven zitten peinzen en warmen met de kloef en in de heerdassche. 't Bleek, schrale lampke lichtte een klein rondeken helderheid over tafel op de witte kommen en door de vensterruitjes kriemelde een grijze schemer, zoodat de zwarte daken van de schuur en den stal tegen den hemel begonnen af te teekenen in vaagblauwe grijseling. De haan kraaide nu herhaaldelijk.
—De menschen kunnen gaan rieken dat onze koe overstier is, herbegon Ghielen, en die haar koopt kan op zijne beurt het betooverd kalf afwachten. Hij grinnikte zoodat zijne fijne lippen wijd openrekten over zijn tandeloozen, ingevallen mond.
—We zullen heel den winter gemakkelijk zijn en we koopen ten uitkomende een veerzekalf.
Ze bewrochten en berekenden heel de schikking en de winsten en de weerden, stil in hun hoofd, met dezelfde gedachten zonder er nog onder malkaar over te spreken.
Doka begon heur bezigheid aan den ketel koeisop, sleurde aan de zak met gruis en de lijnzaadkist. Ghielen hing het lampke vóór den kleinen spiegel tegen de ruiten en haalde scheergerief en zeep bij om zich den baard af te doen. Hij wreef het schuim met warm water over kin en wangen en schrapte dan traag met 't scheermes over zijn slutshangend vel dat 't ruischte.
Doka haalde zijn verschen kiel uit en lakenen frak, en ze hielp hem 't een en 't ander aantrekker. Ze wrochten alzoo samen en beulden aan de frakmouwen en trokken gezamenlijk aan de leerzen, al hun macht, totdat Ghielen op zijn zondagsche stond. Doka hielp nog zijn hemdeband recht, zette zijn pet stevig en warmde zijn schaapwollen wanten. Ze maande hem opte passen, haalde wat centen uit heuren schortezak en telde ze hem in de hand:
—Eén voor den kerkstoel, één voor den offer-blok en 't andere voor een borrel na de mis. Ghielen stak ze zorgelijk weg in den binnenzak, nam wijwater en miek een kruis.
—Doka, 'k ga.
—God beware u, Ghielen.
Ze neep nu 't lampken uit, zette haren stoel bij den heerd en schoof hare kloefen in d' assche, zij haalde den paternoster uit om daar heur misseplicht te volbrengen. z'En kon, de arme sloore, al lang niet meer uit naar de kerk.
Ghielen trok eerst nog naar den stal, hief in eene kwaadheid de koe haren steert op, dan kreeg hij goest om het domme beest te schoppen en zijn voornemen stond nu voorgoed vast. Hij zette goedmoedig aan, blij omdat 't Zondag was en omdat hij op 't goed gedacht gekomen was die koe te verzetten. Hij belegde hoe en waar hij Vinie den koopman zou vinden en stapte altijd op de oneffene, onbegane wegen die ruw en knoestig doorkorven en bestampt met wagenslagen en hoefputten in den laatsten regen, nu vastvervroren lagen in al hunne ongeschoftheid. Ommelands was alles eenkleurig grijs besmokkeld met ijzelrijm en smoor en dof lijk de zware, laaghangende, geslotene hemel. Nievers noch huis noch stake, de klokke ook en hoorde Ghielen niet en hij liep daar op goed geluk voort lijk verlorenin een dood winterveld. Maar zijne voeten kenden den weg en volgden vaste den drijf; dat rechts of links inslaan en 't overstappen lag door de danige gewoonte in hem vergroeid en heel blindelings zelfs herkende hij den uitwendigen vorm van elk grachtje of landoever waar hij heel zijn leven voorbij moest naar de kerk. De wegelkes lagen verzompeld of overspoeld, hij herkende ze toch zoo duidelijk als de rimpels in zijne hand. Hij tjuikelde over de harde knuisten, perdompelde over de glad vervroren ijsplasselkes en grommelend djoezelde hij zonder opkijken voort.
Zijn hoofd hing gebogen en subbelde, zijne handen zaten wel geborgen in de schaapwollene wanten en zijn dikke frak onder den blauwen kiel beschutte goed zijne leden, maar de koude voelde hij lijk bijtend staalvijlsel in den hals en zijne ooren tingelen en hij moest gedurig de druppels wegvegen die van zijnen neus afleekten.
In de dorpsdreef ontmoette hij veel boeren en boerinnen die ter kerke gingen. Ze riepen van verre goêndag naar malkaar en vorderden hunnen weg. De straat tusschen de huizen was vol menschen en hunne kloefen en schoenen klonken tegen de stille hardvervrorene steenen. De wijven waren geduffeld in lange, zwarte mantels, de kap diep over den gebogenen kop en de boeren met hunnen blauwen kiel waaronder uit de dikke winterfrak bij 't gaan hen in de hamen sloeg. Ze hadden meestal eene vellene klak met oorlappen diepeneergetrokken en ze liepen vernepen, kerneutelig opgekrompen van de koude en haastig vernibbeld om in de kerk te zijn. Ghielen zocht zijn oud rustig plaatsken achter den pilaar en las er heel de mis zonder opkijken met groot lippengekluts. Na 't sermoen deelde boer Van Tomme hem 't nieuws meê dat de pastor daar zoo seffens kwam af te lezen:
—Ghielen hebt ge 't g'hoord? Uuznie Pasters is van den nacht gestorven.
—Neen ik, vezelde Ghielen en hij bad voort.
Als 't gedaan was en 't volk allemaal ineens buiten wilde, bleef hij, met de andere oude mannekes, nog wat zitten om niet gedrumd te worden. Daarna ging hij naar den Gouden Arend waar al de boeren, na de mis, een borrel gingen pakken. De herberg was vol volk en geruchte, Ghielen keek rond en zette zich big den disch te praten met Marcelein Vramme, over de koude, den langen winter, de korte dagen, 't beesteneten en de duurte van 't koorn en van den ouden tijd. Ze zaten met hun hoofd bijeen te stamelen en te hervragen, te knuffelen en te hoesten en dronken elk eene teug van den borrel die de bazinne hun bracht op een tinnen schenkschaalken. Ghielen haalde zijn steenen pijpken uit en vulde uit boer Vramme's tabakbeurs en ze tikten nog eens geneuchtelijk hunne glazekes.
—Weet-je gij niet meer te zeggen, Marcelein, wanneer Belle mijn witte koe, gediend is?
Vramme hield den vuurpot in de hand en ontstak zijne pijp; hij trok drie, vier keeren, blies den rook door zijne uitgestekene lippen in den vunzenden hul, speitte een grooten klak op den vloer en peinzend met de pijp omhoog:
—'k En zou 't zoo zeker op geen maand naar kunnen zeggen, Ghielen. Er komen zooveel koeien op 't hof—maar z'en kan niet lange van heur rekening af zijn.
Ze zaten en lutten alletwee zwijgend nu, aan hunne pijp en keken droomend rond op de menschen die luide en gemeenstig koutten, loechen onder malkaar en den sterken tababsdamp met volle kuilen rondbliezen. De stoof ronkte deugdelijk en de rook hing als een zware mist, al die staande of zittende menschen omwonden. De bazinne liep en vlocht zich daarin entusschen de stoelen en banken en schonk overal klare genever uit de steenen literkruik in kleine glazekes.
Kijk, dacht Ghielen, dáár is Vinie, 'k ga hem nu spreken. Maar de koopman zat aan een verre tafel ernstig in gesprek met eenen boer. Hij hield zijn mispelaren stok tusschen de beenen en keek met opgetrokken neus en wenkbrauwen scherp luisterend den boer in de oogen die altijd met groote gebaren van den wijsvinger, zijne belangrijke dingen uiteen deed.
Boeren vertrokken, andere kwamen binnen in gedurige wisseling met open en toevallen van de dubbele voordeur. Daar zaten vier oude makkers alaan tafel in een hoek met de speelkaarten bezig, zoo ernstig verslonden en vast als voor den heelen dag. Anderen stonden bijeen gedrumd te grollachen zoodat hunne wezens purper waren van de pret en ze sloegen elkaar vriendelijk vrij op den schouder. En hier en daar één die zijnen man was komen vinden en hem stil in zijn oor een groote gelegenheid mededeelde.
Ghielen hield alsaan den koopman in 't oog en als deze eindelijk met den boer opstond.
—'t Is nu, meende Ghielen en hij naderde.
—Zoo, lijk we gezegd hebben?
—Basta, wederiep Vinie, tot morgen op de markt.
Ghielen trok den koopman lange achter bij den kiel:
—Hork ne keer, 'k moet u spreken.
De vent liet zich gemakkelijk neer, om met geduld te luisteren even als bij den anderen boer.
Ghielen vertelde hem van zijne schoone, schoone volle veerze die hij op stal had, dat ze moest kalven in 't korte, en dat Doka te oud werd en te veel lastig werk had en de koe afsteken wilde,—maar 't was een buitenkans, jongen: een kostelijke koe.
En 'k zou ze toch geern kwijt zijn, seffens kwijt zijn.
—Wel, 'k kome zien, na den noen; als we koop slaan moet ze morgen uchtend meê, ik weet een kooper,—als ge niet overgaapt in den prijs!
—We zullen genadelijk zijn en overeenkomen. Bazinne nog twee borrels.
Als ze uit waren en betaald, vertrok Ghielen gelukkig en mompelde halfluide woorden tusschen zijn klutsend kinnebakken.
De menschen waren al weerom t'huis en de straat was eenig en de huizen van weerskanten dichte gesloten met doove ruitjes en daar hingen lange ijskrekels lijk gesteven zeeverslijm in reken van de euzies. Daar was een halve klaarte gekomen, god-weet van waar, zoodat Ghielen onderweg, hier en ginder een boomstam zag uitsteken in den mist en den gevel van een boerenhuizeke, doch een stuk lands verre was 't al onduidelijk en dood toegedekt lijk bij vallenden avond.
Als hij op 't hof kwam begon er lichtelijk sneeuwmijzel te vallen, de boer keek misnoegd in de lucht, stak de lippen op en grommelend tord hij binnen.
—Doka 't gaat sneeuwen.
De warme lucht kwam tegen en de goede geur van kokend lijnzaad en gebraden vleesch.
Doka had over den blauwsteenen vloer versch, glimmende geluw strooi opengeschud en alles zoo behoort, te kante gezet zoodat 't er nu ordentelijk zondagsch uit zag. z'Had heur dikken wollen rok aan, heur nieuwen gebloemden borstdoek, heur goudewerk en een zwart satijnen voorschoot met een geperkt blauwen daarboven. Binst dat Ghielen zijn verkleumde knoken warmde bij denheerd, zette Doka de tellooren en soep op tafel en al 't ander gerief. Ghielen snuffelde nog boven den smakelijken damp uit de eerden kommekes; dan hielp Doka Ghielens leerzen uittrekken en zij aten huns tweeëns eerst soep met houten lepels en daarna een stuk vet zwijnsvleesch met schoone, gebruinde, lekkerblinkende gefruite raapkes. Ghielen vertelde van 't loof dat jammerlijk vervroren lag achter de velden, en wat hij al wist van Boer Vramme en dat Uuznie Pasters schielijk dood was en dat de oude pastor van langs om moeilijker sprak zoodat er geen woord van te verstaan viel.
Doka luisterde met nieuwsgierigheid naar al die dingen; het dorp was voor haar een wereld uit een ver verleden waar ze eens in meeleefde, maar nu al lang geen mensch meer zag of wist wie er nog rondliep. Ze vroeg nog een en ander te weten over oude boerinnen die nu nog te gange waren en kosten naar de misse komen: of hij deze en gene gezien had en hoe 't er meê stond.
—En Vinie, de koeiplote, begon Ghielen. Ka den noen komt hij zien naar onze koe. Hoeveel zouden w'er voor vragen, Doka?
—Wat ge wilt,—wat weet ik van de beesten? maar eene schoone koe is 't! en een kostelijke; als hij maar niet merkt dat z'al een maand óver is.
—We zullen hooren hoe hij zingt, besloot Ghielen.
Het gerei ruimde zij van de tafel en ze lazen beiden een dankgebed. Dan sleurden zij samen den pot drinken buiten en voederden de koe, het zwijn en den hond; Doka hing een moor water over 't vuur en dan zetten zij zich al elken kant van den heerd wat te tukkebollen. Ze hoestten onderwijle en trokken lastig aan den asem.
Buiten, uit 't grijs geluchte, ranselde de sneeuwmijzel lijk bloemenstof fijn, aanhoudelijk den grond en de daken dekkend stillekens met wit. De koude blies over het lage, verlaten land en al dat er nog buiten liep was ievers een verdoolde, uitgehongerde hond.
Vinie rotelde al aan de voordeur als Ghielen wakker werd. Hij riep naar Doka en ging haastig opendoen.
—Binnen, Vinie, binnen.
Vinie gromde een goeden dag en stampte 't sneeuwstof van zijne schoenen.
—We gaan kwâweer krijgen, boer, en hij kwam ingrimmig, opgekrompen nader bij 't vuur.
—'t Is de tijd van 't jaar, meende Ghielen, we zijn in de donkere zes-weken. Doka, Vinie zal eerst koffie drinken!
—Danke, boer, hebbe maar weinig tijd. Willen we maar seffens naar de koe gaan zien? Maar hij moest eerst koffie nemen. Ghielen stoefte daarbinst met zijne koe; daarna gingen ze alle drie naar buiten. De hond stormde uit zijn kot en bastte nu naar den vreemdeling, maar ze stapten zonderommezien over de werf. Het zwijn snorkte daar ze voorbij zijn kot kwamen. De haan was, om de bijtende koude met zijne hennen in het wagenhuis gebleven en stond te midden zijn toom onder eene kar te treuren op éénen poot. Doka trok de staldeur open en deed de koe opstaan met zacht vermanende woorden.
—Ze heeft het hier warm, meende Vinie.
—Ja ze staat er goed en er kan geen windeken in den stal als de luchtgaten toegestopt zijn.
Maar Vinie wilde de koe buiten in den helderen dag zien. Ghielen moest ze ontbinden en buiten brengen. Ze waagde zwaar heur eendlijk lijf voorwaards en stond daar wijd op de pooten met groote trekken snuivend de versche lucht door haren natten neus. Haar oogen keken verweerd rond. En de drie kadoterige oude sukkelwezentjes stonden daar op te kijken lijk vereeuwde, slonk-gesnekkerde postenakels uit een donkere, oude kerk, voor den eersten keer in 't daglicht gebracht. Hun asem met dien van de koe dampte in wazige wolkjes uit hunne neusgaten op. Vinie, met zijn hoofd diep tusschen de bochelachtige schouders, piepoogde onder zijne groote pet, neep den mispelaar tusschen de vingers en stapte rond de koe, mat hare gestalte aan de kin, betastte heupen, pooten en rug en balg en ging weer al den overkant.
Ghielen hield de koe big 't zeel en stond verkrompen van de koude, zijn vest achteruit getrokkenmet de armen tot aan de ellebogen bijkans in de broekzakken en zijn groote voorbroek spande over den ingevallenen buik en heel zijn magerte, zoodat de heupbeenderen lijk twee bulten uitstaken boven zijne korte beentjes. Doka hield de handen geborgen onder haren voorschoot en haalde ze beurtelings bloot om 't water uit de oogen te vegen. Ze klutterbeende en voelde haren neus bevriezen, maar ze hield gestadig den blik op den koopman in verwachting of hij iets van de gedokene doening zou bemerken.
Vinie ging nu op een afstand staan, kwam weer bij, trok de koe haren muil open, en telde de tanden met zijne vingers.
—Wanneer heeft ze hare rekening vol? vroeg hij.
Ze bezagen elkaar en:
—Met 't eerste maansching, zei Ghielen en hij hield zich gesloten om niet te pinkoogen.
—Newaar, Doka?
—Ja, nog een manestond. 't Geen ze er nog wilde bijzeggen verging in een geweldige hoestbui.
—'t Is hier koud staan, meende Ghielen.
—'t Is eigenlijk een schoone koe.
—Newaar! zegden ze alle twee.
—Steek ze maar weer binnen. Hoeveel moet ze kosten?
—Ik meende zeshonderd franken, zei Ghielen en dan hield hij den adem op.
—Doe er honderd af.
—Geen cent min, schudde Ghielen.
Ze stonden een tijdeke sprakeloos.
—Den stok in tweeën, da's mijn laatste woord. Is ze verkocht?
En de koopman stond omgekeerd, gereed te vertrekken.
Ghielen stak zijne koe op stal en Doka durfde niet antwoorden.
—Vijfhonderd vijftig, herzei Vinie, ze gaat morgen naar de markt, 'k heb daar een kooper.
—Voor min dan zeshonderd gaat ze uit den stal niet, besloot Ghielen.
—Wel, geluk ermeê, en de koopman vertrok.
Aan de hofpoort keerde hij zich om en:
—Als ge beter gedachten krijgt, kom zeg het mij van den avond nog en 'k doe morgen uw beest meê.
—We kunnen wij ook naar de markt gaan, zei Ghielen tegen Doka en hij liet Vinie vertrekken.
De zwarte palulhond had heel dat spel aanschouwd en als de koe weer op stal en de koopman van 't hof weg was en Ghielen en Doka in huis, gromde hij wat en kroop in 't diepste van zijn kot.
Ghielen sloeg Doka op den schouder, kletste op zijne bil en spetterde uit in eenen kikkerlach.
—Hij is gefopt, de slimmerik en ziet er niets aan en hij zal onze koe komen halen!
Hij viel op eenen stoel om uit te hoesten en Doka ook grijnsmonkelde welgezind.
—O, 't is eene schoone koe, zei hij, ze bevalt hem ... ze moet binnen de naaste mane kalven! loech Ghielen.
—Zal hij terugkeeren?
—Maar zeker zal hij, zoo zeker als Evangelie.
Dan begonnen ze ondereen in overvloed van gehakte woordekes uit te gaan over nieuwe schikkingen en te hoesten daartusschen.
—Nu zal 't slameur gedaan zijn en we leven heel den winter stil op onze zokjes; ten uitkomende koopen we een versch veerzekalf.
Ze raasden voort: hoe ze met de nieuwe lente 't land zouden bedrichten; ze gingen ook een muurken doen insmijten, een nieuwe haag bouwen en boomen verplanten en de 600 franken bij 't ander leggen onder den blauwen steen, en ze regelden hunne dingen zoo generig alsof ze nog vijftig jaar leven te verwachten hadden.
Ze dronken elk nog een kopje koffie. Doka legde nieuwe lemen aan 't vuur en Ghielen haalde krijt en kaartenspel. Hij teekende een dubbelen boom op het tafelblad, ontstak eene pijp en zij zetten zich recht overeen in de stille schemerkeuken hun zondags-partijtje te doen.
Buiten, vóór het venster zwemelde een afgesneden eind koord in den wind en de sneeuw mijzelde traag en fijn, gezapig schuin gedreven door den windtocht bij striepen gispend in een wevende lijnflikkering zwepend als dansende witte regen.
z'En spraken geen woord schier en speelden verslonden. Een zucht altemets, een stenen of hoesten of een enkele uitroep van spijt of voldoening als de Zot of 't Aas de kans deed keeren of een grooten slag besliste. Doka veegde de witte strepen van den boom met heur natten vinger uit en ze hielden beiden hun spel gesloten als de vimmen van een opengescherrelden waaier in de magere, vereelte handen. Ze dubden, betastten de bladen en legden ze stil vooruit neer op tafel of sloegen ze hard met eenen vuistslag die bonsde.
Als de eerste boom was afgespeeld, haalde Doka de pulle uit en schonk voor elk een goeden druppel;—Ghielen liet den zijne nog eens volschenken omdat hij gewonnen had; ze herbegonnen een nieuw spel en dan nog een; ze knuffelden en keken bedenkelijk op hunne kaarten en deden gezapig voort tot ze tusschen de slagen, den donkere zagen in huis vallen en gewaar werden dat de dag op zijn einde draaide. Ze dachten alle twee aan Vinie dien ze verwachtten maar z'en zegden er niets van.
—'t Wordt weeral avond, en 't was schaars middag, neuzelde Ghielen.
—'t Is die sneeuwlucht ... en Doka keek overzijds langs heur schouder naar buiten maar eigenlijk naar de hofpoort over 't land of er iemand in de verte te zien was.
—Zou hij wel zeker komen, Ghielen?
—We kunnen nog wachten.
—En als hij niet komt?
—Wel, wat zouden we doen?—de koe is nu zoo goed als verkocht ... en vijfhonderd vijftig is al vet betaald voor eene koe die niet en kalft. En ze kan te naaste weke doodgaan met 't kalf in heur lijf.
—En naar de markt leiden, waagde Doka.
—Maar dat was zotternije, lachedingen, kan ik met mijn kranke beenen naar stad en die koe drijven?
Ze legden de kaarten neer en zaten op malkaar te kijken om raad. Dan ging Ghielen bij 't venster staan en Doka werkte in 't achterhuis.
—Als ge wilt uitgaan, 'k en zou toch in Godsnaam niet wachten tot 't avondt, riep ze.
Ghielen draaide onvoldaan en mismoedig rond op zijne kloefen, ging buiten aan 't hofgat, keerde weer, altijd in 't gedacht: met wat te wachten win ik misschien vijftig franken. Dan keek hij in de dreigende, donkere lucht en over 't veld dat reeds onkennelijk overstrooid lag vol wittigheid.
—Doka, 'k zal dan maar uitzetten, besloot hij. Ze kwam bij, veegde de handen aan heuren voorschoot, haalde zijne kleeren en leerzen en stond over hem gebogen, te beulen dat z'er bij steende, om dat alles te helpen aantrekken.
—Waar is mijn stok, en mijne wanten? Hij hoestte, snakte achter zijnen asem, maar hij toonde zich sterk om Doka geene vrees aan te doen.
—Wat is dat? een wandelingske, twee stukken lands verre!
—Ja maar in 't donker is 't niet goed met die sneeuw, meende zij. Kijk hoe zeer het avond wordt; Ghielen, duffel u wel of ge komt met eene doodelijke ziekte thuis.
Maar kom, help me eerst den ketel op 't vuur hangen, de koe moet toch eten.
-'t Is voorzeker de laatste keer, troostte hij en ze zeulden samen den zwaren sopketel tot hij aan den hangel hing.
—Vrouwe, schenk me nog eenen borrel, dat geeft asem.
Hij knoopte eenen zakdoek over zijne ooren, trok de warme wanten aan en:
—Doka, 'k ga.
Zij kwam mee tot aan de deur en daar keerde Ghielen nog weer om te zeggen:
—Doka, Vramme sprak mij van de dood van Uuznie Pasters.... Dat hoekje land achter de beek zal nu te koope komen, dat zou goed doen bij onze driehonderd klaverland, en 't zou goede weide zijn nadat w'er nog een paar jaar vruchten opgedaan hebben. 'k Zou best doen daar een woordeken naar te gaan vragen als de verkoop van de koe goed deurevalt.
—Maar haast u toch weer, Ghielen, dat we de koe op tijds bestellen en 't is hier zoo eenig op 't hof.
Zij zag hem gaan met kleine perneuteligestapjes, één schouder opgesteken en stekkend met zijnen stok in de sneeuw.
—Heere-God wat koude, kermde zij, 't is beter in huis. Toch bleef ze staan zien en Ghielen werd allengerhand kleiner: een zwarte vlek, alleen op het al witte veld, lijk verdoold te midden de sneeuw en met de vallende duisternis nakend boven zijn hoofd. Dan miek Doka den hond los en liet hem bij haar in huis. Zij deed heur zondagsche kleeren uit, om te beginnen werken aan den avondkost voor de beesten. Ze ontstak al tastend het lampken, dompelde nog verschillende keers buiten en bracht telkens een armvracht eten meê: een mandeken beeten, twee, drie koolen, een bakje lijnzaad, oliebrood, boonen en tarwen gruis. Ze stekte en korf dat al dooreen in de kuip en goot het mengsel in den ketel en doorroerde het met eenen stok.
Ze legde wat droge spaanders op 't vuur, duwde de koffiekan bezijds in de heete assche. Dan schepte zij eenen ketel sloebering uit en droeg dat naar den zwijnsbak. Daarna stond zij rond te zien en te dubben om te weten of er nog iets te doen was? Neen't.—Zij rakelde wat houtkoolkes in haren steenen vuurpot en zette hem bij haren stoel onder de voeten, ze neep het lampken dood en flokte zich daar onder den heerdmantel warm neer.
Heur oogen keken in de fletsflodderige vlammen die rond het gat van den zwarten ketel opkrulden. Dan wendde ze 't hoofd naar 't venster waar de roode vuurgloed op blonk en zij keek hoe dewitte vlokjes zoo stil, vlijtig speeldansten, zoo wollig zacht, zonder krijzelen, en licht ronddraaiend als waren 't altijd dezelfde die zonder vallen voor 't vensterruitje kwamen wentelen.
De hond lag met den muil op de voorpooten in den rossen glans tegen den heerdschoot en hij zuchtte van de welligheid.
Doka wist niet meer wat gedaan en ze volgde in hare zinnen Ghielen waar hij ging over 't veld; ze zag hem aankomen bij Vinie en ze hoorde hem redekavelen en ritsepeeuwen om gelijk te halen en 't voordeeligst den koop te sluiten; ze zag hoe Ghielen als 't gedaan en af was, terugkeerde naar huis. Maar dan ook liepen heure gedachten veel rasser dan Ghielen gaan kon en ze wist nog lang te moeten wachten. Ze wilde een trekje slapen eerst.
Zij duffelde de handen onder heuren voorschoot, peinsde nog op het hoekje land dat Ghielen wilde koopen en op Uuznie Pastere die nu dood was—z'had er honderd keers tegen gekout—en dan zocht ze weer in de gedachten naar Ghielen over 't veld. Maar de warmte kloesterde haar zoo zacht dat se alles liet varen en heur hoofd knikkebolde neer en buiten 't groot statig uurwerk leefde er niets meer in de keuken.
De vlammen kronkelden zoo langen tijd rond het zwarte lijf van den koeketel tot er daarbinnen leven kwam, een holle brutseling en de damp met ziedend schuim hieven 't deksel met eengeuleken op waardoor 't sop uitzabberde en de damp opproestte in de schouw. Eindelijk vielen de brandschieren verkoold ineen en 't gerucht en de brobbeling hield op.
Dan schrikte Doka uit een vervaarlijken droom, ze keek verweerd door de keuken en was blijde dat 't allemaal bedriegelijke leugens waren. Ze schormde recht in 't donker, zwaaide de armen en liet ze 't halven den haal neervallen als ontdaan nog en half ongerust van wat ze gezien had en zocht nu naar den draad van heur verstand.—Ghielen bleef te lange weg en ze meende dat 't al late nacht was. De ketel en 't vuur was ze vergeten.
O, z'had Ghielen daar zien ronddompelen, heel wit besneeuwd lijk een vriezeman, vechtend tegen de koude en den donkere, zonder dat hij zijnen weg kon vinden. En z'had hem, tenden gejaagd, zien staan, boutstil in 't veld, met de armen wijd open, de handen rondzoekend lijk een blindeman, en de sneeuwbrokken dekten hem toe en hij verging daar in een witten hoop. z'Had hem willen helpen, was buiten gegaan met de lanteern en op eenige stappen van daar bleef ze ook zot ronddolen zonder hem of zichzelf te kunnen verlossen, en ze waren daar gestraft om alle twee te vergaan in den nacht.
—w'Hebben misdaan dien man te bedriegen met onze koe, meende ze ineens. Dan zag ze 't heerdvuur uitgebrand en den ketel hangen; zeontstak al bevend het lampje en lichtte benieuwd om te zien hoe laat het was. Neen, 't en was, God zij gedankt, nog geen nacht en ze was zot zichzelf alzoo met vrees nutteloos op te winden. Ghielen zal seffens t'huiskomen en wat doet die droom daaraan? ze legde nieuw hout op en bleef dan staan rekenen al de stappen die Ghielen moest doen om t'huis te geraken, 't Was toch helledonker buiten! ze zette 't lampke op de vensterbank omdat hij zóó beter 't huis zou vinden. Hij was misschien met Vinie naar de Klok of naar 't Wit Peerd, of hij was misschien iemand gaan zoeken om van dien koop te spreken....
Ze haalde alsaan nieuwe redens uit om zijn wegblijven uit te leggen en alzoo de onrust te verdrijven.
Dat lampke schemerde zoo vreemd tegen die sneeuwruiten en 't was overal zoo stil dat ze altijd meende dat 't nacht was. Ze pijnde zich om niet vervaard te worden en ze zegde nu de redens luidop om zichzelf te paaien.
—Wanneer gaat hij komen? Ze luisterde naar al wat ze peinsde gerucht te maken, maar 't was altijd niets.
—Waar is hij nu? Die vragen kwamen lijk spoken rond haar staan en ze kon er geen enkele wegdrijven of daar kwam een andere in de plaats.
Ze zette zich weer op den stoel, maar zoo seffens zag zij Ghielen weer bejaagd rondzwieren door de sneeuw, versmoord in die zwijgende, wittezee, zonder mensch of beeste en al de huizen en boomen donker, met zware, witte mutsen bedekt, éénkleurig, onkennelijk onder 't zwart geluchte. Ze herinnerde zich de vertelsels van grootvader: van den ouden Miechels die een heelen nacht rond zijn hof doolde zonder de poorte van zijn eigen hof te vinden en dat ze hem 's morgends versmoord uit den wal trokken. Van anderen die ievers op doolkruid getorden hadden, of door een kwaden wensch waren misleid om nooit meer uit te komen,—van den metser die drie dagen op den doolstap liep en van Ziene 't oude werkwijf, die in 't naar huisgaan eenen aweg insloeg en zóó aan de rampe kwam.
Doka keek onwillens naar 't venster en als ze de groote sneeuwbrokken gruisdikke zag toevallen tegen 't glas, dan ijsde zij en krijzelde bij 't gedacht: moet het zóó voortduren, ze hier kon insneeuwen en versmachten zonder van een levende ziel hulpe of bijstand te zullen krijgen.
Ghielen die daar in rondkrasselde, wekte nu opeens heur groot medelijden. Ze tastte in den zak, haalde den paternoster uit en bad Ons-Heere en Moeder-Maria toch te willen genadig zijn met twee oude dutsen die zoo geern nog lange te leven hadden!
Tusschen heur gebed kwamen alle soort moord-histories en zij hoorde mannen rond het huis waareren die wisten dat ze alleen t'huis was en heur wilden vermoorden.
Hoor, de koe beurelde om eten.
Beurelen, zoo wreed, vereend dat 't nu ineens duidelijk scheen: de groote koe ginder in den donkeren stal trok de rampe die komen ging in den nacht. De wreede stilte was als het voorteeken van 't geen gebeuren ging.
De wijzer draaide traag naar een nieuw uur, zonder uitkomst.
Dat beurelen riep weer al Doka's vrees wakker, ze aarzelde nog wat en eindelijk opende zij zonder schromen en om heur vervaardheid meester te blijven, de voordeur.
Twee strepen klaarte lagen op de sneeuw die al schrikkelijk dik gevallen lag, verder was 't inktezwarte nacht. Doka kreeg nu eene narigheid in 't herte en ze begon te weenen en te vragen om hulpe, doch aan wie zich te wenden en wist ze niet. Ze keerde weer binnen en haalde uit de schuiflade de gewijde keers en ontstak ze voor 't lieve-Vrouwbeeld, dan ging ze buiten en in heur wanhoop riep ze twee, drie keers door 't donker:
—Ghielen! Ghielen!
De hond liep over de sneeuw naar zijn kot, anders en zag of en hoorde zij niets, ze moest eindelijk wel weer in huis komen.
En met die brandende keers zag 't er nu zoo akelig uit als in eene sterf kamer. Daar was toch nog niets gebeurd, en Ghielen kon alle stonden t'huis komen. En moest hij die keer se zien hij zou wel vragen wie er zot of simpel werd.—Hetbleek heur zelf nu als een schendig misbruik van gewijd goed en ze blies 't licht uit en draaide de wassen keers weer weg. 't Speet heur dat lampke daar ook zoo lang en nutteloos te moeten laten branden.
Ze ging nog verschillende keeren buiten staan en keerde maar binnen als 't haar te koud werd. Ze was zelf al wit besneeuwd en ze kwam de handen drogen bij den heerd.
Ze had deernis met den ouden man die zoo laat in den avond vertrokken was. Heur armen hingen moedeloos langs het lijf, en ze verzuchtte:
—Och Herre toch, help mij, Herre!
Het koeisop kookte nu geweldig zoodat 't water sissend uit den ketel in 't vuur liep. In een plots besluit spande ze al hare kracht in en wilde zichzelf verhelpen in haar enigheid. De koe moest toch eten krijgen! Ze proefde om te heffen aan de einze en alzoo den ketel van 't vuur te verarmen, maar ze schoot te kort. Dan greep ze met meer kracht bij de twee ringen, ging dichter staan en zóó kreeg ze hem boven den haak, maar dan voelde ze ineens die bijtende warmte tegen de beenen en ze keek beneden, en eer ze den ketel kon laten zakken, zag ze al vlam en rook, in brand heur kleeren, overal.
Ze gilde, sloeg met de handen, maar ze laaide altijd en de nijpenden pijn was over heel haar lijf en de lekkende vlam liep rap als de weerlicht.
Dan verloor ze 't besef en verstikte door den stinkenden rook. In de groote beroerte kreeg ze den inval buiten te vluchten.
Heere-God! ze lichtte waar ze stond, een heele klaarte wijd uit en ze was al vuur en vlam. Heur gewonde handen trokken de vunzende vendels vaneen, tot ze onmachtig was nog iets te doen.
Ze kreet een laatsten asem uit, geweldig om hulp en dan zakte zij door hare beenen en viel op den grond en lag er nog wat zoetjes te kermen en te piepen en haar droog uitgemergeld lijf en heur kleeren, 't brandde daar stillekens uit lijk een wassen keersken.
De kerel ontwiek in zijn zelfde donker koolkot, even moe en strem als gisteravond, stijf van 't liggen op den harden grond, met de vochtigheid van den regen in zijne kleeren en de pijn in de voeten van 't slenteren heel den verleden dag. Hij rekte zijne leden en rechtte zich, maar eene lusteloosheid hing op zijn gemoed om de werkelooze ijlte die hij voorzag en de weerzin voor den nieuwen dropregen waarin hij nog eens zou moeten buiten liggen dat lange getij. Met 't opstaan stekten de nagels weer door zijne schoenzool in den rechter voet en door den linkerschoen voelde hij den grond met zijn bloote teenen.
En het wijf schreeuwde weerom achter de deur zoo bitsig:
—Toe, luizevel, blijft ge weer luileeg in uw kot liggen tot 't al is opgeschept!
Hij gromde iets en kwam met mijde treden in de woonkamer kijken.
Zijne snede brood lag gereed bij zijne kommekoffie en hij at haastig dien morgenkost. Terwijl volgden zijne oogen het wijf in haren gang; ze loerden alonder waar zij keerde of keek en als zijn brood was binnen geslokt, wachtte hij nog tot ze weer even den rug draaide, dan, met een sluwe vlugheid, snapte hij ook den broodkant uit de kast, dook hem onder rijn vest en, met den verlegen daver in zijn hart, haastte hij zich in gemaakte, trage onverschilligheid buiten. Op een loopken sprong hij den hoek om en dan weer den gewonen pikkeltred, mijde op de teenen en snukkend been, denzelfden zwemelstap dansend door het steegje. Hij vermeed de regenplasschen, zocht de hoogste steenen om zoolang mogelijk droog te blijven aan de zeere voeten. Hij hief den kop, zocht met opgetrokken neus in 't nauw streepje grijze lucht tusschen de twee vuile huizenreken, om te raden wat weer vandaag op zijn lijf zou vallen. 't Was overal effen halfdonker, schemermistig, ijverachtig klam van de gevallene vochtigheid. Zoo seffens was zijn opmerken gedaan en hij keek naar het wijveken dat de planken van haar winkelvenster wegdroeg. Dan ontmoette hij Toppie den Slunseman die met zijn ijdelen zak op den rug in de vroegte zijne ronde deed al toeterende op zijnen hoorn door de stilte. Hij groette met een oogknipje de kennis en hinkte verder. Aan den hoek van het straatje bleef hij weer een stonde besluiteloos en wendde eindelijk rechts langs de geslotene huizen tot aan dezwarte aschhoopen langs de spoorbaan. Hij herkende de oude Lotte die daar als een uivallige fakkel gebogen neerlag en haar gerief vuurmaaksel gaarde in een mandetje.
—Lotte de Poetser, liggen er veel koolkies, vandaag? loech hij van ver en hij bleef staan kijken op zijn één been. Het vervallen wijf wendde haar oud wezen.
—Ha, Treite den Bemmel! grijnsde zij en raapte voort op den aschhoop.
—Slechte tegenkomst een wijf in den morgen! gekte hij in 't voortgaan. Ze gromde iets van; lammepikkel, maar hij verstond den zin niet. Hij loech luide en hinkte voort langs de rij zwart houtene palen die gereekt stonden langs de hooge spoorbaan, onafzienbaar ver.
Uit eene doffe dreuning groeide het zwaar gedommel van den aankomenden trein; forsig sterk en hoog snorkte het machtig stoomtuig vooruit met stampen en blazen. Treite stond met openen mond te kijken naar 't varend geweld voorbij de wagens waar de menschen door de vensterkes van uit hunne hoogte, op hem neerkeken. Met schrillen schuifelroep reed de trein de stad binnen en eene pluime zwarte rook warrelde achter den laatsten wagen weg.
—'k Wil dat ik er op zate! wenschte de jongen. Dat was nu in zijn gedacht: 't zuiverste genot van rijkdom en droge warmte die de reizigers daar hooge beleefden. Maar na dien enkelen trek wasde trein al verdwenen en zoo gauw uit zijn gedacht en hij schuifelde zijn eerste deuntje en hinkte voort over den zinderweg langs de zwarte paalstaken.
Aan 't ijzeren hek bij den los van de goederen stonden er al veel kerels van zijne soort. Hij herkende ze bij den eersten blik, elk aan een verschillig teeken: een trek van hun wezen, eene aardigheid hunner kleeding of gebrek aan hun lijf. 't Deed hem genoegen in gezelschap te komen, daarmede was de dag eigenlijk begonnen en in gang zooals al de andere die in lange gelijke reeks voorbij waren. De venten zaten of lagen zwijgend en keken op de dingen die nog gesloten en dood rondom in stilte rustten. Treite zette zich op den arduinen stander tegen de ijzeren poort en liet zijne lamme beenen zwemelen. Als hij in de lucht keek, kon hij toch raden dat de regen en de vuiligheid gister al was uitgevallen en dat zijn lijf vandage zou bevrijd blijven;—'t geluchte was toen nog, grijs met zware wolken die over de daken voeren.
Hier en daar rolde reeds een wagen over de straat door de stilte; de peerden lieten verdrietig den kop hangen en de voermans, daarnevens, vervaakt nog, keken niet naar 't geen rond hen stond. 't Werkvolk stapte haastig over de plankieren langs de huizen. Zij hielden de handen in de zakken, hun blikken drinkpullen onder den arm en de etenbeurs aan een touw over den schouder.Ze krimpten kouderig de schouders en rekten den hals vooruit in den gang. Effenaan een die voorbijkwam wisten de vrachtleuren een dom, dof woord of eene lachreden die onbeantwoord bleef. Treite loech of luisterde niet als hij uitkeek naar iets dat elders roerde of aankwam; hij wachtte lijk altijd, naar entwat dat gebeuren zou waar hij een kansje zou vinden om een stuiver of een borrel te verdienen. En lange nog was er niets te zien 't opkijken weerd en de kerels, bleven als lammelingen in den uchtend staan of liggen en keerden de oogen met weerzin van den een naar den ander, nijdig dat ze daar met zoovelen stonden.
Maar dan kwam eene zware zandkar met vier groote honden bespannen uit de poort van een stapelhuis rijden; een groote kerel mende 't span naar buiten, sprong boven op de vracht en reed voort.
—Manes! schreeuwde Treite.
De kerel keek op en zocht in de bende.
—Ha, Treite den Bemmel! en hij wenkte met den arm.
Een kansje te snappen! dat doorschokte Treite met een vreugdeklets, zijne handen stootten zijn lijf van den paalstaak, hij zwaaide de armen open en wiekte als een kieken dat vliegen wil, hinkend naar de kar.
Manes hield in en wachtte.
—Gaat-ge meê? riep hij van ver.
—Rijen? dat was de eerste en eenige voorwaarde die Treite aanlokte: zijn zeere voeten niet meer voelen en gevoerd zijn.
—Naar buiten met zand, knikte Manes.
—En de condities? begon Treite omdat hij nu zeker was van 't eerste en 't andere er nog bij wilde.
—Te noen een knorre roggenbrood met zwijnsvleesch en pap, en ook wel een pinte bier.
—En t' avond?
De kerel loech.
—t' Avond eten we bij de heeren in 't groot gasthof op de markt, met een flessche wijn, al naarvolgens de winst.
Maar Treite had zijn kreupel been reeds over 't wiel gezwaaid en klaverde met de handen om boven den karrebak te komen. Hij liet zich neer en voelde zijn zet diep-rond en zacht in het mullige zand prenten, hij legde de beenen gemakkelijk open, nevens Manes. De kar dokkerde voort over de straatsteenen en Treite loech om de aardigheid van zoo onverwachts vast te zitten en gevoerd te worden, scherend over den weg, zonder moeite te doen of pijn te voelen in de voeten en hij langde reeds naar 't beloofde roggenbrood en 't zwijnsvleesch—een dingen dat hij niet wist ooit geknabbeld te hebben maar dat, naar hij gissen kon, goede en smakelijke buikvulling moest zijn. Hij keek naar de voetgangers die bezijds de kar liepen, hij knipte oogjes naarelk ende een om te toonen hoe goed hij zat en hoe preusch.
—Eila! flikkerbeen, ge blinkt onder uw hoedje! pennelikker met uw kalen frak, krebbebijter! riep hij naar den kantoorklerk die naar zijne bezigheid ging.
Manes loech.
—We gaan twee dorpen doen vandage, ik moet tonnen koopen gij kunt het zand uitventen; een stuiver de maat.
Treite greep reeds de ijzeren schop en woelde in den zeuzelenden hoop tusschen de beenen.
—Niet lastig, meende hij.
Manes hield de leidkoorde en snokte zijne honden naar links en rechts door de straten en ruischte ze op om 't gespan nog zeerder te doen rollen. Hij vertelde ondertusschen wat er bij de boeren te lande al te zien was voor aardigheden en van den handel en de geldwinst. Hij zat als een degelijk zandman, wel gekleed in de wijde vloeren broek en vest; een groote, blonde haarlok lag zorgelijk gekruld en gevet in schuinen hoek over zijn voorhoofd en daarover de groote blinkende bek van zijn blauwe pet. Treite had ook al geloerd naar het blauwe flanellen hemd, met overgelegden halskraag en de geelzijde koord die met twee flosjes onder de kin was toegeknoopt. Aan zijn ondervest stonden twee reken koperen knopjes die bevielen Treite buitenmate en hij keek met meewarigheid op zijn eigene voeten, als hij destevige, zwaargezoolde en vernagelde, waterdichte schoenen van Manes bezien en herbezien had. Treite kende zijnen makker van ten tijde dat zij aleven arm en slecht aangekleed, samen de kansjes snapten en centen verdienden met pakjes te sleuren en peerdenmest te rapen. Maar de beenen en armen en borst waren bij Manes zoo stevig uitgegroeid en zijne vloeren kleeren zwabbelden nu zoo los om dat forsig lijf van den zwierigen vent, en hij had ook zoo'n kloeken neus en zijne oogen stonden zee stout en diepe in den kop. 't Was hem dan ook al meêgevallen en hij scheen om 't geluk geboren, meende Treite. Integendeel was Treite altijd dezelfde tamme sul gebleven; zijne armen en beenen waren verdroogd aan zijn lijf, hingen lijk koorden slap en zijne oogen zagen loensch zoodat hem niemand en betrouwde of iets liet winnen.
—Hoe zijt ge aan die kar en die honden gerocht? vroeg hij.
Manes loech en beet zijn jongen knevel, hij snokte aan 't zeel.
—Juu, Baron, hup! dat is een heele geschiedenis, jongen, en hij vergat verder uitleg te geven.
—Is dat allemaal 't uwe, kerel? geërfd van een moeie of zoo? ge zijt ineens rijkman geworden?
—Dat is de zaak, Treite; eene vondst! 't ligt te rapen en die het grijpen kan heeft het meê.
Treite wachtte naar den uitleg om te leeren: waar zulk een ding wel mocht te vinden liggen.Ze reden nu door eene straat die uitwijdde tusschen hooge gebouwen en tenden begonnen twee reken boomen waar de huizenreeks ophield. De wind woei er vrijer en koel en van weerskanten den weg lag het land bewrocht in wijde groensel velden, pachthovekes stonden daarin en tegen de verte, lange kazernen van gelijk aaneengereekte werkmanswoningen.
—'t En zal niet regenen, Manes?
—Neen 't, de wind zit Oost.
Treite en wist niet waar Manes zijne wijsheid haalde, maar hij geloofde hem geern, 't ware anders wel jammer geweest moest het nu weeral regenen als hij voor een enkelen keer zoo zachte op zijn vigelante over de bane reed. En rijen, jongens, ze reden, de honden, vier aaneen, gelijk effen dravend dat ge geen pooten en zaagt en de wielen dokkerden luide over de straatsteenen dat de inzittenden malkaar de woorden luide schreeuwen moesten als ze iets zeggen of vragen wilden. De boomen draaiden achterwaards weg en Treite merkte nu eerst dat er nog geen blaren aan de takken waren. De wereld en had hij nog nooit zoo wijd, zoo vlakuit zien liggen en hij verlangde reeds om ievers uit te komen waar er weer huizen en menschen te vinden zouden zijn. De boeren en de peerden in de verte leken hem zoo klein en dat rondtrappelen op het land zoo zot en zoo nieuw.
—Is 't nog ver, Manes?
De kerel had zijn pijpje gestopt, keerde zijn lijfgebogen van den wind weg en hield het vlammetje in 't holle van de hand; de blauwe rookkuilen warrelden als pluimen rond zijn hoofd en hij trok al lastig nieuwe walmen.
—Nog een kwartiertje rijdens, en we zijn er! Toen begon hij in korte zinnen oolijk monkelend te vertellen.
—De arme leuren zijn zot van daar in stad te liggen luierikken; naar den buiten moesten ze komen! Ik was 't al lange beu van honger te lijden aan 't ijzeren hek en van pakken te sleuren, 'k wist wel dat er iets beters moest zijn, maar ik moest het alevel nog vinden. 'k Prakkezeerde bij mijn eigen en ... w'hadden gekaart op een ijdele bierton en al mijn oordjes was ik verloren! en dan kwam het gedacht!
Manes hield in, rekte den hals om zijn woorden in Treite's oor te tieren en hij deed wijde bewegingen met de armen.