Onze broeder Lazarusdie is doodzottekloot;we zullen hem begravenal in Jerusalem-me-lem-me-lem.We zullen hem begravenal in Jerusa-lem.
Ze trokken de tafels en de stoelen weg en legden hem de armen gekruist op de borst, raat de beenen lang uitgestrekt als een doode in zijne kist en herbegonnen hun liedje, gestopen staande als lijkbidders:
We zullen hem begravenal in Jerusalem-me-lemme-lem.
—We gaan onzen broeder eerst een slokske geven! en ze goten Verlinde een teugsken bier in den mond, maar ineens klaverde de schijndoode boer weer op de beenen, greep Vandoorn en Vanhoutte bij de hand en alle drie in ronde dansend zongen zij, Verlinde het luidst:
En onze broeder Lazarusdie is doodzottekloot!. . . . . . . . . . . . .
—Gij zijt verloren! riep Vanhoutte, we gaan de verrijzenis vieren, en dan....
De kanne werd gevuld. Maar z'en konden niet meer, de glazen ontvielen hunne handen en ze moesten elkaar bij de lenden grijpen om niet te vallen.
—Laat ons naar huis gaan, naar huis gaan, besloten zij.
—Ja, ik ga betalen, zei Verlinde. Hij tastte onder zijnen kiel, en haalde geld uit en wierp het op tafel.—Dààr!
De veerman was niet meer in staat te tellen en de drie dronken boeren vertrokken arm aan arm, gebroederlijk—Vandoorn in 't midden. Zoo waggelden zij voort op hunne slappe beenen en zwenkend lijf. z'En hielden geen straat en gingen op goed geluk, tot aan den buik in 't gras, den wijden meersch in. Ze zwaaiden hunne armen tastend naar evenwicht en hunne beenen schrankten van links naar rechts, schommelend voort.
We zullen hem begravenal in Jerusalem-me-lemme-lem.We zullen hem begravenal in Jerusalem.
De meersch lag als een groene zee zonder einde; de zon was weg en de koele, blauwende schemermist steeg uit de grachten en overwaterde den einder.
De drie boeren vorderden traag, ze stonden nu en dan om adem te halen, te rusten of zich te ontlasten, en arm aan arm hernamen zij hun treuzelenden gang.
De veerman stond nog tegen den muur van zijn huis geleund en zag hoe ze verminderden in de verte, hoe ze stand hielden soms en plots alle drie verdwenen in 't gras en traag weer opklaverden, en voort djoezelden weer met vage armzwaaien, zwemmend boven de groene zee van hoog gras. Hij volgde nog den flauwen gang van hun liedje, zag de gestalten verminderen, en eindelijk werden zij drie zwarte vlekken tegeneen. Ze tuimelden altemets, lijk kerels omgeblazen en bleven een thoelang gedoken liggen. Later kropen ze één voor één weer boven, hernamen den wankelgang en doolden voort tot ze onzichtbaar werden, versmolten in den schemer, bachten den voorhang van den vallenden dauw.
't Liedje was uit en al het drukke van den warmen dag keerde weer in dezelfde rost en den vrede met den gewonen zomeravond.
Dien zondagmorgen was het bijtend winterweer. De oude boeren waren thuis gebleven en na de mis stonden de jonge kerels een enkel stondeke maar, in twee hagen gereekt, langs den kerkeweg en stampten op den harden grond en pierden naar de meisjes die bibberend en in zwarte mantels gedoken, haastig naar huis gingen, 't Gedrom was zoo gauw geruimd op 't kerkplein, want de knapen polkten de handen diepe in de broekzakken en liepen met ingetrokkene schouders, om 't zeerst naar de Klokke of naar den Hert, hunne borrels pakken. Daar had de bazinne den heerd goed aangestookt zoodat de warmte van ver al deugddoende tegenkwam. De klanten kropen dicht in de ronde, lieten hunne schenen roosten, ontstaken eene pijp en dompten lustig. Het luide gebabbel ging overal en elk snapte naar een borrel klare genever om 't herte te warmen.
Odo en André, de rijke boerenzonen, hielden zich afgezonderd in hunnen hoogmoed, maar degezellen uit dezelfde buurt zaten den linkschen hoek vol en loechen en praatten onder elkaar en, ze begekten den ouden Filie die vandage zijne geboden kreeg van den preekstoel om de aanstaande week te trouwen ... met een meisje dat hij al veertien jaar vrijde! Ze bespraken dat boerinnetje rechts en links, met al de gissingen in het leven der aanstaande echtelingen en den toestand der oude hofstede waar ze gingen inwonen. En Filie, de oude jonkman, zat daar zelve bij en hij luisterde dat af, goêloos, met een onnoozelen monkellach zonder één weergekkend woord uit te laten. En de luide, jolige leute ging al hooger bij elke nieuwe spotspreuk. Bintsdien grepen de grove handen naar versche borrels op 't schenkschaalken en de koperen vuurpot deed alsaan de ronde om nieuwe pijpen te ontsteken. De klap ging elders onbezorgd, vrij, lustig, vriendelijk. Onder makkers werd afgesproken hoe men den achtermiddag zou overbrengen, naar wat gehucht of welken hoek of herberg of waar ze malkaar zouden vinden om te schieten, te bollen of te kaarten.
Dan stonden zij bij benden recht en vertrokken gezamenlijk; maar in de "Gouden Leerze" wilden, ze nog eerst binnen bij Leentje, het geestig dochterken. Daar bleven zij staan lanterfanten bij den disch en taterden tegen 't mesje dat vrij meêgiechelde, terwijl heur poezelige hand met de flesch het klokkend geneverwater klaar als gesmoltenijs, perelend de glazekes volschonk. Ze gaarde de stuivers in den zak van haren netten voorschoot.
Vandaar vertrokken de gasten te veldewaard elk naar zijn huis en 't dorp bleef leeg en dood, lijk bij wekedage als ieder in zijn huis en aan 't werk is.
Odo en André ontstaken eene laatste pijp en gingen ook hunne wegen korten. Zij moesten langs denzelfden kant en daardoor was het sedert lange jaren gewoonte geworden samen naar huis te gaan. Ze praatten stil en schaars lijk menschen die malkaar veel zien en niets nieuws te zeggen hebben. Maar ze rookten duchtig fel om de koude en als ze aan 't houten kappelleken kwamen waar hun wegen verscheen liepen:
—Wat schikt gij te dòen, vandage? vroeg André.
—Weet niet.
—'t Weer is te goed om te slapen heel den dag. 't Regende of sneeuwde nu al zes zondagen aan één eind; zouden we niet een tochtje te peerde doen? De beesten staan daar, ze zullen er deugd van hebben en de wegen zijn goed.
—Voor mij niet gelaten, meende Odo.
—We moeten er nu gebruik van maken binst dat 't deugt en de weken zijn zoo drommels lang om verluieren.
—Waar rijden we?
—Waar ge wilt. Wel we schikken dat als we te peerde zitten.
—Goed, hoe late?
—Doppe na 't eten, 't is anders te gauw donker. Ik kom u halen.
—Goed, na 't eten.
Ze gingen elk zijnen weg. Een zware stap klinkend over den vervrozen grond en de blauwe damp dwarrelde als pluimkes altijd nieuw uit hunne pijp achter hun hoofd weg. Het land lag vlak als een kale vloer, grof verbrokkeld en gedeeld in wintervoren; en de harde haardkluiten, overpoeierd met lichten sneeuwmijzel, glinsterden in de nabijheid en bleekten verder uit in grijze eentonigheid. De lucht daarboven zat vaal zonder zon of kleur, triestig en eindeloos. Overal eenzame, uitgestorvene rust van liggend doode land. De hoven daarin stonden zeldzaam met naakte boomen verzaaid over de wereldvlakte. De wegen zelf waren half verwischt en lagen in hun kronkeligen kruisloop, oud, doorkorven met wagenslagen, gerimpeld als doodvergane, nuttelooze dingen. Daardoor stapte Odo onverschillig voort, met de leegheid der blekkende lucht en grijze omgeving die hij onbewust drukken voelde op zijn gemoed, zonder gedachten stappend uit gewoonte, over dezelfde baan, op denzelfden tijd, lijk elken zondagmorgen, zonder nieuws of verandering eentonig. Ginder herkende hij zijn hof in de verte: de oude, zwaar staande daken, wit berijmd onder den berijmden hemel, op de sombere muren die zwart vlekten tegen den grijzen grond; heel de doening stond lijk gedroomd en gereed te vergaan, te smeltenin 't overwegend wintergrijs, verdrietig om zien.
Dingen uit het dorp kwamen nog in zijn gedacht, de hardklinkende, lachgalmende woorden van daareven in de herberg hoorde hij hier stikken over de verre vlakte heen. De menschen zag hij van rond zich uit de kerk, de aangezichten van makkers, het leutig, lief smoeltje van Leentje en den walmende tabaksdamp overal op. De doode dingen ook uit de verledene week kwamen in zijn gedacht: doffe, kleine gebeurtenissen van alle dagen, avonden gesleten bij André en zijne zuster Ida en elders op andere hoven in de buurt. En met Ida kwam heel den geleidelijken sleep van hunne lange kennis en verkeer en hij dacht aan dat meisje dat eens moest komen zijne vrouw te worden op 't hof, maar dat was 't einde, dat stond verre nog, heel ver en onvast, uitgesteld als een lastig, moeilijk ding waar hij nog niet durfde mede bezig zijn omdat het heel den gemakkelijken sleur van gewoon boerenleven en boerenrust, die nu zoo vast stond in den harden winter, moest komen storen en veranderen: een vreemde vrouw in dat innig, omsloten huis die er al het ongewone van de nieuwe doening zou moeten aanleeren. Hij wierp dat weg en seffens zag hij zijne zware peerden staan, warm en lui in den stal, en Jan den ouden knecht, die er zijn gewoon zondagwerk verrichtte. Daarbij raadde hij al den wagenden stilgang en doening in de zondagsche keuken waar hij zoo seffens zou binnenkomen;de warmte en den reuk van den maaltijd snoof hij reeds met 't gedacht aan moeder en Julie zijne zuster....
Hij lichtte den ring van de groote hofpoort en stapte tusschen wagens en karren door de schuur. Daarbinst overviel hem een groote, verdrietige moedeloosheid, de wederwerking van 't geruchte op 't dorp en de doodsche winterstilte hier alom. Hij vroeg niet hoe het kwam of waarom, maar dacht alleen aan de verdrietigheid omdat 't overal en eeuwig eenbaarlijk 't eigenste en 't zelfde was in eentonigheid: 't gedraai van menschen en dingen die hij zoo lange kende en die nooit beu waren van de wintersche triestigheid, den godslagen Zondag.
Hij klopte als gewoonlijk 't vuur uit zijne pijp, keek over de werf die levenloos en goed opgeschikt lag heel de lange wintermaanden, maar hij vond niets om over te vitten tegen 't werkvolk. Huis en staldeuren en schuurpoorten en luchtgaten, 't was alles zorgvuldig dichtgestopt en stil, 't scheen er bachten al uit verhuisd—geen beest dat leven miek. De hennen ook, en de wakkere haan bleven op hunnen warmen zolder tenzij juist den tijd om te eten.
Waar Odo door de vensters gluurde, gaandeweg over de hooge stoep, zag hij al de gordijntjes nauw dichtgeschoven. De deur kriepte haar gewonen kriep onder den stoot van zijne hand en binnen vond hij moeder en zuster met hunernstig gelaat, stil bij den haard zitten wachten. Over 't vuur en in de heerdasch er rond, hingen en stonden ijzeren potten en pannen waar dampen uit walmden tusschen de spleet van de deksels. Over het verste eind van de lange tafel was een blauw geperkte dwale gespreid waarop de witte borden met vorken en lepels gereed stonden. Dat alles gaf Odo een tegenzin van vunze gewoonte, vastgegroeid in ouderdom, dringend als eene noodzaak. Zonder spreken nam hij plaats bij den heerd, trok de leerden uit en zijn vest, deed de wit gewasschene kloefen aan en bleef in de baaimouwen zitten geeuwen en rekken met de armen achterover.
Hij keek bezijds naar de gedekte tafel en naar moeder, die den blik verstond, hij lonkte naar het uurwerk, stond op en zette zich bij tafel.
—Julie, 't is tijd, we gaan eten.
Het meisje ging eerst aan 't venster kijken over de werf en riep naar Jan voor 't noengetij. De kerel kwam allichte binnen, zette zich op de bank bij tafel, nam zijne muts in de handen en las zijne gebeden. De anderen ook kwamen bij en mieken een kruis.
Julie diende de soep op in een bruinen eerden kom die dampte en zij schepte met den ijzeren pollepel de borden vol. Zonder spreken, zonder opzien, elk gebogen over tafel, namen zij met gelijke beweging van den arm, de soep met lepels binnen. Het getik van ijzer en geschreep op gleiermiek 't eenig gerucht. Als de kom uit was, rekte Odo weer de armen open en keek naar zijne zuster en naar den pot op den heerd, wachtend om 't andere. Ze bracht de dampende aardappels en gebraden zwijnsvleesch en schonk de glazekes vol bier. Nu hernamen zij het eten met de vorke en het mes, zonder haast of zichtbaren smaak of genot, snijden en stekken en binnenhalen, als gewone, onverschillige bezigheid.
Moeder knabbelde lastig haren kost en herkauwde en peuzelde en hielp met bevende handen haren tandeloozen mond. Ze bekeek al de stukjes eer ze binnen te moffelen met weifelende meening, in beraad of ze wilde uitscheiden of voortdoen heur lastigen maaltijd. En Odo merkte het niet omdat hij met 't zijne alleen bezig was en hij at met knappe beten gestadig voort, om gedaan.
Als 't uit was deden zij hun dankgebed en namen hunne gewone plaats weer in bij den heerd. Jan haalde zijn zwart berookt pijpken uit den ondervestezak, vulde het en nam vuur uit de assche. Moeder zette zich in den ouden leunstoel te tukkebollen. Julie liep over den vloer, haakte den moor met warm water van den hangel en ging in 't achterhuis de schotels wasschen. Odo zat en keek naar de zolderribben, naar den top van zijne kloefen, op 't gewiebel van 't vlammeken in den heerd en op de blauwe walmkes van Jan zijne pijp. En als die walmkes verminderden en achterbleven en 't laatste met een blaas als eenuitsproeiend aschfonteintje door den bak opvloog, zei Odo, alsof hij met alle geduld naar 't einde gewacht had:
—Jan, doe dan Baai gereed, smeer zijne hoeven en leg hem den zadel op.
De knecht stond op, luisterde zonder roeren tot de reek was uitgezegd, dan knikte hij instemmend, stak de pijp in den ondervestezak en vertrok. Odo ook veegde den vaak uit de oogen, keek nog eens op 't uurwerk, rekte de armen en ging geeuwend naar de vaute.
—Gaat ge rijden? vroeg Julie.
—Ja, André komt alhier, maak de koffie gereed. Dat was de gewone gebeurtenis van elken Zondagnoen en daarom en sprak men daar niet verder over. Odo kwam beneden in zijne rijbroek, gespte de sporen vast en de zeemvellene beenkleeren als André met vasten stoot de deur openduwde en binnenkwam. De jonge boerenzoon knikte goedgezind naar Julie, riep een luiden goên dag naar de vrouwe en een vroolijken:
—De maaltijd wel gesmaakt? Prinselijk weer buiten, jongen! Echt om te rijden!
Hij zette zich ongedwongen als in eigen huis op eenen stoel, stond zoo seffens weer op en ging bij 't venster een deuntje fluiten; vandaar keerde hij naar 't achterhuis en bleef in 't deurgat luide staan kouten tegen Julie. Hij stond daar zelfgenoegelijk, de jonge kerel, geleersd en gespoord en verschblinkend, frisch uitgeborsteld en verteldeen plaagde op blijden toon. Zoo gauw was de gespannene, zwijgende doening vergeten en alles keerde in beweging en geruchte.
Odo gerocht ook aan 't gekken en de trotsch opgeruimde moed kwam weer over zijn frisch en sterk gelaat. De lach klonk op bij elke spreuk en 't was nu blijruchtig en gezellig in de groote, warme winterkeuken. Het meisje handelde met vlugge, beweging heur schotels en lonkte met vlijtige oogen naar André al loopend vol bedrijvigheid, met lichten tred. Zoo deed ze ook de noenekoffie gereed.
Moeder had er zoo wel wel heur schik in, ze zag den jongen geern om zijne aanvalligheid en omdat zijn vriendelijk gezelschap zoo'n deugd deed aan haren Odo. André was anders ook een flinke boerenzoon en ze merkte met behagen dat hij trek had naar Julie en hoe dat het meisje zoo blij voldaan weêrlonkte en ze leutig uitbloeiden zoo gauw ze bijeen kwamen. André had daarenboven ook eene ferme, goede zuster en daarom zag de oude boerin geern dat haren zoon daar veel ten huize ging; hij kon zijne zinnen nergens beter vastzetten, en 't was heur blij, gerust voorgevoel: de jongens al ondereen samen gelukkig te zien, dat was haar troost in heur afgaande, oud leven. En heel de geschiedenis van haat en vroegere veete, heel het droevig kwaad leven van voortijds hield zij de jongens gedoken achter heur oud, gerimpeld aangezicht. Boer Vanmarcke was dood en Boer Verschaeve ook en dekinders waren onwetend van 't kwaad bedrijf hunner eigene ouders, en dat was maar beter ook.
—Ze zijn van weerskanten brave, deugdelijke kinders, dacht ze, de twee families leven nu zoo goed als maagschap ondereen en 't ware een geluk als ze door een dubbel huwelijk voorgoed den vrede bestendigden eer ik doodga. Eerlijke, begoede ouders van beiderzijde en hun hof en stalling met bed en bulster staat voor malkaar gereed. Maar niemand en sprak daar openlijk over, tenzij de knapen in de herberg en de meiden rond den heerd. Voor dezen die er in betrokken waren, bleef dat eene verwachting voor de toekomst en het was onnoodig er over te spreken omdat de tijd er nog niet was daarmede voort te doen; ze waren van weerskanten te jong nog en als de vriendelijke omgang nu maar onderhouden bleef, was 't al een deugdelijk dingen en eene gerustheid voor later. Intusschen namen Odo en André samen hun verzet en genoten vrij van hun jong leven.
Door de keukenvensters zagen zij nu Jan die Baai bij den breidel buiten bracht. Het forsch peerd lei schichtig de ooren en in zijne brooddronkene weelde begon het te steigeren, hief den kop en snoffelde naar 't vreemd peerd dat bij de schuurpoort gebonden stond. 't Sloeg in een plotse zotternije de hoeven hoog in de lucht en dan, op een vermaan van den ouden knecht, begon het ingehouden te trappelen op licht dansende pooten en liet zich leiden tot bij de voordeur.
—We zijn gereed, meende André en hij ging nu ook zijn peerd halen.
—Mijne rijzweep en mijne handschoenen? vroeg Odo. Moeder, tot t'avond!
—Julie! en de jonge kerel belonkte nog eens vlijtig het meisje voor een afzonderlijken groet. Ze kwamen mede buiten om de knapen te zien opstijgen.
Jan hield het onrustig peerd alsaan bij den toom. Odo onderzocht den zadelriem, greep den stijgbeugel, tord met den linkschen voet in en met vluchtigen zwaai zwierde hij 't lijf naar boven. Baai was hem bijna ontsprongen en nu, in 't verschot van de verrassing buitelde het ineens zijn onwillige zottigheid uit en wilde wegrennen. De vier hoeven kletsten twee en twee overhand tegen den harden grond met wreeden zwong van zware pooten en slaanden kop. Jan was bezijds gesprongen, maar Odo zat vast met knellende knieën en praamde den toom in de vuist; daar zat hij trotsch te glimlachen, preusch om het groot geweld dat hij met handige macht in bedwang hield. André was ook op zijne merrie gesprongen en de twee peerden hinnikten nu en begonnen eene wilde danspooterije, eerselden en kapten, ongedurig met drang om weg en in 't vrije te geraken. In hunne bradde wildheid zwierden zij den kop dat 't schuim rondspatte en ze knabbelden met de tanden het ijzeren gebit dat al hunne kracht gebonden hield. Zoo kwamenzij er eindelijk toe door veel gepraam van toom en gremmet, hunne rijdieren in bedwang te houden en kregen ze nevenseen als een getemd koppel waar zij bleven staan strappelen en slaan met den kop in ongeduld om aan te zetten. Maar als ze den toom voelden lossen, dreven zij gezamenlijk met harden hoefslag stampend den grond, een fermen ademsnoffel uit en zoo stoven zij 't hof af door de opene poort en in wilde vaart vooruit, zoo geweldig dat moeder en dochter bewonderend eerst dat spel, nu angstig opschreeuwden en buiten de poorte liepen met vrees voor ongelukken. Maar de twee felle ruiters waren al een eind ver en zaten er goed en gemakkelijk gewiegd op de breede, dansende ruggen en ze keken nog eens over den schouder ter geruststelling en om bewonderd te worden. André zond nog een laatsten groet naar 't meisje dat hem glimlachend nakeek. Als zij gezien hadden dat het goed ging, keerden de twee vrouwen in huis. Moeder schudde toch bedenkelijk het hoofd:
—De waaghalzen, ze zullen toch eens den nekke breken met die zotte peerden!
—Maar moeder, zij zijn jong en zitten er vast op.
Daarmee zweeg moeder en 't meisje ging zich nu wat opschikken en zou moeder komen voorlezen uit een oud boek. In de keuken hing weer de kalme, oude stilte, met eene onrust die onuitgesproken bleef: 't was eene te vroege verwachting om Odo ongedeerd te zien thuiskeeren, maar destilte hield dat onuitgesproken verlangen besloten heel den achtermiddag tot t' avond late als 't nacht zou zijn misschien.
Terwijl zaten de twee kerels onbezorgd, hoog in de winterlucht en lieten zich gaan in vluggen draf. Zij loechen om de vrees van het lichte vrouwvolk en waren vol van de verwachting der vreugde die ze zoeken gingen.
Aan den ingang van 't dorp kletsten de hoefijzers dubbel hard op de kasseisteenen en de menschen kwamen uit hunne huizen kijken en bewonderden de twee ferme ruiters: Odo, de zoon van den ouden burgemeester, en André, de landrijke boer. Ze reden over 't kerkplein door de straat en hielden nu de leden sterk uitgespannen, als twee schoone knapen, en keken met overmoed uit de hoogte, preusch om hunne kostelijke peerden, rechts en links en knikten naar de dorpelingen die vriendelijk monkelden. De peerden gingen stapvoets nevenseen en Odo en André zaten er stijf en statig op, met gespannene knieën, de beenen stevig in de glimmende leerzen en zeemvellene broek, de rijzweep en teugels vast in de geschoeide banden, bewust van hunnen rijkdom en broederlijke weelde. Odo hief zijn gezond bleuzenden zwaren boerenkop met trotsoh-blinkende oogen, stijf op den breeden hals. Hij wist zijne schouders eendlijk en zijnen rechten rug sterker dan den sterkste van 't dorp. André daarnevens wat rilder, hooger opgeschoten op zijne stevige ledendie plooiden genadig in het wiegen van zijn ros.
—Dat zijn een prachtig koppel ruiters, zegden de kennissen, jong zijn ze en niets en kan hen deren, ze hebben 't geluk in pachte! Dat wisten zij zelf ook, de twee boerenzonen en dat kropte hoogmoedig in hunnen zin, maar hunne wezens bleven goedaardig kijken en vriendelijk. Ze waren als prinsen in hun eigen land, met al de dorpsgenooten als onderdanen, zoo sterk, zoo schoon als niemand. Nu gingen ze hunne kracht en hunne prachtige peerden toonen naar 't vreemde; daar zouden ze met trotschen, onverschilligen blik laten zien en bewonderen wie ze waren en van waar ze kwamen.
—Waar rijden we nu eigenlijk? vroeg André.
—Voorwaards! loech Odo; hebt ge zin ergens te zijn?
—Neen.
't En was nievers noch feest noch kermis; z' en hadden geen kennissen te bezoeken of vrienden; 't meisje dat ze vrijden woonde in 't huis van waar ze kwamen en al de andere deernen bleven hen doodonverschillig, 't bezien niet weerd.
Aan den keerdraai waar de kassei weer in harde, oud verknuiste eerdestraat uitliep, draaide Odo zijn peerd om en André volgde zijnen makker.
—Naar 't Meulenhout, raadden zij beiden.
Ze kwamen weer in 't vlakke veld, eentonig dezelfde landstreek, met de platte eerdelaag en eenzame, verkrompene huisjes en magere boomen in reken of alleen, berijmeld en grijs,tegen den einder het donkerblauw van een bosch.
Met 't noenuur was 't geluchte wat opgeklaard en in 't eindelooze zwerk, ééndikte vol wolken, teekende de zon een flauwe klaarteronde achter dien voorhang van somber grijs. Over 't veld lag de sneeuwmijzel nu in glinsterkristaaltjes te blinken, eene dunne laag perelgrijze wittigheid. Maar dezelfde spijtige wind dreef gestadig zijn kouden tocht van 't Noorden naar 't Zuiden en beet de ruiters in rug en hals. De beweging in de vrije lucht hield hun echter 't bloed warm, en hun wel ingekleed lijf voelde er te meer de prikkelende deugd van. Ze ademden met genot even als hunne snuivende peerden, de dikke, gezonde lucht.
De twee ruiters kwamen aan 't vreemd dorp en daar tusschen de huizen, lieten zij hunne peerden op stap gaan om gemakkelijk de menschen te bezien die ze ontmoetten.
—Kent ge hier iemand? vroeg Odo.
—Niets bezonders, we zullen moeten vragen waar 't plezier woont, anders maken we 't zelf.
De dorpsplaats lag in zondagsche ruste, zonder leven in de herbergen. 't Was al dat er een vent of wijf te ziene was op straat en een deel jongens die poenderden in eenen hoek en dansten over de straatgoot om hunne voeten warm te houden.
—"In 't Meulenhof" las André op 't uithangbord van eene oude afspanning.
—Willen we maar eens zien en een glas bier drinken?
't Was zoo gauw besloten en ze dreven hunne peerden bij de deur. De baas kwam haastig buiten, groette vriendelijk en wenschte de heeren welkom.
—Beste weer om uit te rijden!
—Breng ons twee pinten bier.
Vlugbeende was de baas weer binnen en zoo seffens bracht hij hun twee glazen.
—Dat verwarmt het bloed. Ge zijt een wandelingske komen doen naar 't dorp ... wellicht de beesten komen bezien in 't Meulenhof ... of de meisjes?... en hij bezag de kerels met een fijn vragend oogknipje.
Odo en André namen 't glas van de lippen en wat benieuwd:
—Is er iets bezonders te zien op de streek? loech André. Waar er mooie dochters zijn, zouden we wel een paar kalvers koopen vandaag!
—Maar als wij den Zondag op zoek gaan, moet het puike ware zijn, zwetste Odo. Als ge ons iets bijzonders kunt aanwijzen, ziet ge ons terug en we zullen u weten te zeggen of 't naar den smaak is.
—Den weg zult ge wel vinden zonder mij, merkte de baas, al de boerenjongens van de streek raden zulke dingen op den reuk.
—'t Is gemeend, we zijn onbekend en niemand bij ons en spreekt van 't Meulenhof, niet meer als van gelijk welk ander. Zonder dat zouden we zoo lang niet gewacht hebben dien boer een bezoek te brengen.
—Als 't alzoo is, loech de baas, ge zult er mijweten van te vertellen: op heel de streek en vindt ge de weergade niet!
—Ernstig gesproken, meende Odo, dat belangt ons, waar wonen ze nu eigenlijk die fleurige rozen?
—De eerste straatjongen de beste zou ze u wijzen; den Zondag in de kerk zijn al de aanzichten op boer Meulenhofs twee dochters gekeerd; en naar 't geen er van bezoekers, ver en bij, daar op 't hof komt, moet het wel de moeite weerd zijn.
—Ge doet me verlangen, loech Odo.
—De twee schoonste bloemen van de streke, meende de baas, de balie is stuk gereden van de ruiters die daar 's Zondagsch bezoek doen.
—We gaan er naartoe voor de leute, zegde André gedoken tot zijnen makker.
—'t Is hier dicht bij, ginder 't groot hof met die blauwe daken, dat ge ziet tusschen de boomen, de dreef leidt er heen, 't is nauwe tien minuten rijdens. Maar, let op dat ge den hals niet en breekt en t' avond gave bij moeder thuis geraakt, want de dorpsjongens hier zijn eenhandig en zij beweren dat de snelle poesjes van de streke niet weg en mogen en hier op 't eigen dorp moeten blijven als ze verkocht geraken.
Dat prikkelde de kerels.
—Waarlijk, baas, zoo ge ons grappen wijsmaakt komen we uwen kelder afdrinken en we steken onze peerden in uwe beste kamer. Zeg, hoe heeten de meisjes?
—Meisjes, meisjes?! freulen zijn 't, sterkedeernen: Paula, de bruine en Anna de blonde.
—'t Is half gewonnen spel nu we de namen kennen! loech André. Vooruit!
Ze gaven hunne peerden de spoor en reden weg.
—Ik neme de bruine, zei André.
—En ik de blonde; is 't aanveerd?
—Zeker, en zonder zien.
—We gaan er alleszins naartoe, meende Odo.
—Werkelijk? Maar wat zullen we daar uitkramen als we binnenkomen? Weet ge eene reden?
—Naar den duivel, eene reden! moeten boerenzonen lijk wij redens hebben om eene dochter te bezoeken! Al de hofsteden der wereld staan voor ons open. We gaan eenvoudig de meisjes bezien en wil de boer ze ons niet toonen, wel dan bezien we zijne peerden en kalvers en hij toogt ons seffens de dochters op den hoop toe!
De dreef liep tusschen twee reken populieren naar de opene poort.
Odo en André ze loechen om hunne eigene, zotte stoutigheid en meer nog om de verwachting van 't geen gebeuren zou.
—De boer moest eens met zijn roer uitkomen of ons de werfhonden achternazenden! meende Odo.
—Laat mij maar doen en ik verwed dat we er vandage nog onthaald worden op hespe en bier! beweerde André.
—Gewed voor eene ronde pinten, Zondag na de hoogmis te drinken onder al de makkers, stelde Odo voor.
—Aanveerd!
Twee groote honden kwamen inderdaad uit hun kot geschormd en basten op de vreemdelingen.
—Kijk, kijk! riep Odo.
Terwijl ze over de werf reden, zagen ze achter de vensters van 't boerenhuis twee meisjeswezens kijken. Maar als de peerden vóór de deur stilhielden, stoven zij weg lijk schuwe musschen. 't Was de boer zelf die de deur opende. Een korte, dikke stamper, stevig op de beenen, de handen in de wijde broekzakken en een dikken baai over zijn ronden buik. Zijn rood, bleuzend wezen loech vriendelijk verrast, met een greintje spotlust en hij groette al van ver:
—Ha, ha! jonge kerels, ge komt 'ne keer de streke bezien en de menschen! welgekomen. Pier-Cies! riep hij luide naar buiten, steek die schoone peerden op stal.
—Danke, boer, danke, begon André, we hebben weinig tijd, we zullen maar even afspringen en u goêndag zeggen.
Ze merkten reeds dat de boer aan zulke bezoeken gewend was en de twee kerels gevoelden zich daardoor op den stond gemakkelijk en ongedwongen.
Een vlasharige, halfvolgroeide koeier kwam uit den stal naar de peerden toe.
—Pier-Cies, ge zult hier bij de peerden blijven. Terwijl kwam de boer, als kenner en liefhebber, nader bij de beesten zien.
—Een kostelijke reun, meende hij, en dat....
—Een tweejaarsche merrie, zei André op zijn peerd doelend.
—Kostelijke beesten! en de boer smekte er bij van bewondering.
—Komt gij van ver, als ik vragen mag? Ik ken veel menschen, maar 't jong volk groeit boven mijn hoofd.
—g'Hebt nog gehoord van den Hoogen Doorn? vroeg Odo.
—Zeker, zeker, loech de boer, 'k ben er dikwijls geweest! wie zou boer Verschaeve niet gekend hebben!? g'En zijt toch nooit zijn zoon?
—Wel en zeker.
—En 't Berkenhof, kent ge dat? vroeg André.
—Boer Vanmarcke? zeker, 'k heb hem veel peerden helpen koopen en vrouw Vermeulen ken ik best. Maar dat is nu langen tijd geleden.
De naam van eene hofsteê draagt al de faam en de weerdigheid en den rijkdom in den klank zelf van het woord en elken boer is daarmede goed bekend. Over heel de streek blijft dat onveranderlijk en vast en duidelijk omdat het van vader tot zoon, ver en wijd vermaard is, evenals de honderdjarige linden aan 't hofgat. 't Gewicht en weerde van belaai en rijkdom van land ligt voor elk ende een open onder den blooten hemel en 't valt te schatten voor al wie tellen kan en van de zaken op de hoogte is.
Met 't vermelden van die twee namen, klaarde 't aangezicht van den boer ineens op, zijne handenbleven alevenwel gerust in zijne broekzakken zitten, maar hij draaide den rug en ging binnen, zonder ommezien, in de overtuiging dat de bezoekers, zonder verdere uitnoodiging, hem wel volgen zouden.
—Zet u maar wat bij 't vuur, kerels, we gaan kouten, we zijn immers oude kennissen.
Hij zat al gemakkelijk in zijnen hoogen stoel bij den heerd en streek met de handen over zijn rond gevulden baai.
—Wel, jongens, Berkenhof en den Hoogen Doorn! dat zijn twee hoven zoo oud als 't land! En in zijn gedacht kwam heel die reeks stevige boeren en burgemeesters, die rijke als koningen, daar geheerscht hadden over hunne wijde werf en 't land er rond. Ze zaten er van over oude tijden muurvast en warm geland; 't waren eigenzinnige, koppige tjokken, hard als eekenhout, maar goedaardig met 't volk en wreed met de vijanden.
André knipte een oog naar Odo om te bedieden dat zijne wedding gewonnen was. De andere had geen tijd te antwoorden, al zijne oogen waren op de twee deernen,—dat sloeg hem eerst met verbazing—zulk vrouwvolk had hij nooit gezien, en zijn eerste gedacht was: dat zijn eigen zuster en Ida ook, daar begijntjes bij waren en meisjes van niemendal! 't Geen de twee bezoekers trof was: de wijde, ouderwetsche, glimnette keuken, waar alles in schoone orde geschikt stond, maar 't meestgreide het hen in de oogen te kijken van die twee prachtige dochters, de bruine en de blonde, die hen zoo vrank in 't gelaat loechen. In 't begin stonden Odo en André er wat mijde voor en in 't eerste kennismaken hielden zij zich nog op hun weerhouden, maar op het bloeiend wezen en den openen glimlach der twee freulen was het genoeg te zien dat zij met geen beschroomdheid gediend waren, dat ze aan bezoek van vreemde liefhebbers hun genoegen hadden. Al stonden ze op de kloefen, kortgerokt en den balen voorschoot aan, ze bloosden maar niet van schaamte en ze hadden leute om hunne verwaarloosde, vreemde zondagdracht.
—De meiden zijn naar 't dorp en wij waren tewege naar den stal, zegde de oudste.
—Dat gebeurt bij ons ook, doe maar vrij, merkte Odo. En hoeveel koeien hebt ge te melken, Anna? en hij duwde op dien naam, met slimmen toon.
De deerne keek verrast op en heur mond plooide gereed om 't uit te schateren, maar eer ze iets kon zeggen:
—En gij, Paula? vroeg André.
Ze bezagen elkaar en dan kikkerden zij om de aardigheid dat twee jonkheden die zij nooit gezien hadden, hun naam kenden! z'En dachten er niet aan de vrage te beantwoorden en bleven staan lachen en de boer ook dreunde daarbij met volle geweld.
Toen stonden de bezoekers nog recht, en numerkten de dochters eerst hunne nalatigheid. Anna en Paula snapten te gelijkertijd naar stoelen en:
—Zet u, gasten; vader, wat moet ik opbrengen?
—Eerst een kanne bier om te beginnen, als ge in den stal gedaan hebt kunt ge eten gereed doen—of 't en ware de heeren nu iets wilden aanveerden? vroeg de Boer.
—Neen, niets, we moeten weg, 't is vroeg avond en onze peerden....
—De peerden staan al warm op stal, en de boer grinnikte fijn om zijne vondst. En van avond is 't klare mane.... En ineens tot zijne dochters:
—Ge Weet het Berkenhof? en den Hoogen Doorn? dat zijn....
—O, riep Paula, Ida Van Marcke is uw zuster?
—Kent ge haar? vroeg André.
De meissens knikten bevestigend.
Nu waren zij seffens bekenden en vrienden van thuis; 't vuur werd aangestookt en een grooten pot bier kregen ze op de tafel waar rond de bezoekers met den boer vaste gestoeld zaten om lange en genoegelijk te kouten.
De dochters was 't alsof ze met vertrouwde kennissen te doen hadden, met wien zij van overlange bevriend waren; ze keken om als ze naar stal gingen en riepen:
—Tot straks! Dan vezelden zij nog wat ondereen achter de deur en liepen giechelend over 't hof.
Met den boer wendde de kout over gewonezaken van 't landbouwbedrijf. Eerst over eigen kweek van peerden en koeien die ze nu op stal hadden, dan over vroeger gekochte of verkochte hoornbeesten. De boer kende bij name al de runders en 't vee van de streek, hij wist histories en wondere gevallen van kachtelen of kalven, vijftig jaar verre geleden. Dat was een ophalen en beschrijven met groot geweld van handgebaar, rond zijn gerust, liggend, breed lijf en goedig monkelend hoofd, in eigen sterk vette spraak, met boffende overtuiging zijner kennis van beesten en de kostelijkheden van zijnen kweek. De deugd en 't genoegen had en voelde hij in zijne eigene woorden.
Elk deed er 't zijne bij, met nieuwe vondsten, verzonnen of gebeurd, maar alles met slaande beweringen voor waarheid uitgesproken. Het werd eene reeks zonder einde. Tot dat de luchtige zang van de deernen klonk met gerinkel van akers en teelen in de melkkamer, zaten de boeren vol bezig. Dan stonden zij op met dreigende meening van vertrekken, maar:
—Daar en ia geen gedacht van, nu al, zegde de boer, onze achternoen is gezellig voorbij, we gaan er nog een steertje aanbinden met hespe en brood en een versche kruike bier of moet ge nog entwie of entwat gaan bezoeken? vroeg hij fijn pieroogend,—ge hebt hier uw gerief, en hij schetterlachte bij die geestigheid.
—Neen, maar we hebben heusch beloofd bij tijd thuis te zijn, merkten de knapen.
—Een boerenzoon die bijtijds thuis is! spotte de boer.
In een draai was de tafel gedekt en voorzien met borden en brood en een groote hesp. De dochters liepen vlijtig en heel opgeschikt nu: het haar gekamd en in kraaknette, klare jakken en blauwe schorten die versch uit de voegen geschud waren.
De boer had er waarlijk deugd in zijn volk zoo pertig en bloeiend te zien en hij merkte wel hoe de kerels rechts en links met de oogen lonkten.
—Ja, ja, ze zijn de bloemen van 't dorp, loech hij weer, en zonder zweem van grootspraak, als van een gewoon dingen: en 'k krijge meer kijkers in mijne keuken dan in mijnen peerdenstal!
De meissens lieten dat ongestoord over hen gaan en monkelden.
—Een schoon meisje en een schoon peerd, anders en is er niet vele 't ziene weerd, vleide André.
De boer knikte instemmend al snijdend, d'eene schel zwijnvleesch achter de andere.
Onder 't eten begon hij nu eigene gevallen te vertellen uit zijn jongen tijd; toen hij verkeerde met Vrouw Verkamer, zijn wijf ter zaliger; hij noemde al de hoven waar dertig jaar geleden, 't schoonste vrouwvolk woonde, en hoe ze dan vrijden en 't eene dorp na 't andere afdretsten te peerde. Odo's vader en moeder, boer en boerinne Verschaeve waren meestal van de mededoende geweest en in die oude gebeurtenissen betrokken.
—Dat was een tijd! en uit zijn onuitputtelijken, dikken kop haaide hij maar nieuwe histories. De kerels proestten van 't lachen en de twee deernen wisselden leute met de oogen en lieten onophoudend de witte tanden blinken achter de vol roze lippen. 't Werd een plezierige avond en late zonder dat 't iemand gemerkt had. Eer ze hunnen hoed kregen, moesten ze beloven terug te keeren om de beesten te bezien en om nog eens te kouten. De peerden werden uitgehaald en na eenen korten maar gullen groet met oogengelonk, reden de twee jonge boeren 't hof af naar huis. Ze bezagen elkaar als ze in de dreve kwamen en schoten in luiden lach. Dat was nu een vrijtochtje op 't onverwachts uit leute en zoo wel meegevallen voor een eerste bezoek.
—Een warme boer, een van de levenden! meende André. Hij zou liever zijne dochters verkoopen dan zijne peerden; welk eene neemt ge voor u? ik houde mij aan de bruine.
Odo monkelde en antwoordde onduidelijk.
—Verdomd prachtig volk toch! meende André. Iets om van te vertellen aan de makkers een zondagavond; met een woord kunnen we heel 't dorp naar 't Meulenhof Benden!
Ze reden in schoonen draf door den manesching. Ze waren gerust, voldaan over hun tochtje en lieten zich wiegen op hunne peerden. Het land lag verlaten, half gehelderd en donker in het bosseke waar ze dóór moesten.
—Die sukkelaars van boerenjongens hier, kunnen nu gaan denken dat we 't meenen en ons hier afwachten om hunne jaloerschheid op ons uit te kloppen! loech André weer.
Odo monkelde nog, maar rechtte den stijven hals,
—'t Zou er moeten een groote bende zijn om ons te lijve te komen, meende hij.
Daarop reden ze sprakeloos voort. Elk was bij zijn eigene gedachten. En ze luisterden naar de geruchten, verre. De koude wind was gevallen en 't werd nu een aangename, heldere lucht, dikke en gezond om te ademen. De hemel zat vol sterren en de mane blonk lijk geschuurd koper.
—'t Gaat herbeginnen vriezen, de sneeuw is weggevaagd, dachten zij.
Ze reden door 't bosselke gerust en betrouwend op hunne sterke leden, onbeschroomd. Tusschen de ijdele boomstammen, was er niets, de takken waren donkerzwart met wit sneeuwstof omzet, dat glinsterde al den bovenkant.
Tegen dat ze in 't dorp aankwamen, waren de herbergen gesloten en alle licht en geruchte dood. De stap van het koppel peerden klonk als bij nachte.
—'t Blijft lijk we gezegd hebben, plaagde André weer: gij de blonde en ik de zwarte!
—Neem ze vrij alle twee, merkte Odo om gerust gelaten te worden. De welgezindheid van zijnen makker verdroot hem.
Maar André liet niet los.
—Hoe is de blonde niet wel zoo schoon? en lonkt ze niet even vriendelijk?
—Ja, vrijwel, ze lonkten alle twee bezonderlïjk naar u.
—En uwe wedding zijt ge verloren!
—'k Betale geern, 't plezier van den dag is 't verlies wel weerd, wist Odo.
Ze kwamen aan 't Berkenhof en Odo reed als naar gewoonte, met zijnen makker 't hof op, zonder dat André hem zelfs meegevraagd had. Ze brachten hunne peerden in stal.
Moeder Vanmarcke en Ida zaten bij tafel in de rijke kamer. Bij 't binnenkomen rechtte de oude 't hoofd en 't meisje glimlachte vriendelijk.
—'n Avond Odo.
—'n Avond Ida.
Ze wisselden zoo gemakkelijk dien groet omdat ze gewend waren malkaar te zien en te spreken, 't Meisje draaide de lamp wat op en elk zocht zijne plaats om te zitten.
—Braaf van zoo vroeg te huis te komen, begon moeder, en ze schoof haren bril op en legde zich achterover om te luisteren naar 't nieuws dat de ruiters op hunnen tocht vernomen hadden.
En zoo gauw begon André met zijne gulle babbelachtigheid:
—Moeder, o, we zijn te vrijen geweest, naar de twee schoonste meisjes van 't land! en hij vertelde lang en breed heel het bezoek op 'tMeulenhof. Ida keek ongeloovig en vragend Odo in de oogen en de kerel, om haar te plagen, loech stil bevestigend en deed er dan ook nog 't zijne bij. Hij vertelde: nooit schooner zomerrozen van meisjes gezien te hebben en hoe bovenmate vriendelijk, beleefd en welgemanierd ze waren en dat het er op 't Meulenhof vooral deftig en rijke uitzag. Eindelijk kwam hij heel en al los:
—Wonderschoone boerinnen! riep hij, meissens lijk boomen zoo groot! met een lijf en eene leest! met armen en heupen! en blinkende oogen en tanden, en krullend haar: de eene blond en de andere bruin.
André op zijne beurt, somde nog andere gaven op, naar de wijze van peerdenliefhebbers die met kennis over een nieuw ontdekten kostbaren kweek, uitpakken.
Ida keek half pruilend met een goedig lachje al wist ze toch dat 't allemaal plagerije was.
—Zot volk! meende ze, g'hebt in eene herberg wat veel gedronken en ge zijt blind geworden aan uwe oogen.
Moeder loech stil.
—En ons akkoord is al gemaakt, spotte André. Odo heeft de blonde en ik de bruine. We regelden 't zóó onder den weg om in ruzie niet te geraken, maar de slimmerik, 'k gevoel het, hij zou de afspraak willen verbreken en mij de bruine ontfutselen.
—'k Zou ze alle twee willen! dat is 't, riep
Odo ineens opschietend uit zijne mijmering, en hij loech meê, omdat ze allemaal in luiden lach uitschoten en zijne buitensporige reden aardig vonden.
Daarmee bleef de zaak uitgepraat en Odo stond op om te vertrekken. Heden avond vond hij de warme gezelligheid niet als naar gewoonte en hij voelde zich nu op zijn ongemak waar hij anders zoo genoegelijk zitten kon zonder spreken, in 't genot alleen van de warme genegenheid waarmede hij hier altijd onthaald werd. In korte plegingen wenschte hij nu goênavond en ging zijn peerd halen naar den stal met André; Ida kwam meê met de lanteern.
De kerel sprong op en riep een laatsten groet in 't wegrijen en 't meisje hield heur licht hoog om hem langer te zien en heur eigen wezen in de klaarte te houden, en zijnen laatsten groet op te vangen.
Zoo gauw Odo buiten op strate en alleene was, neep hij de vuisten en knieën en beet op de tanden dat ze kraakten.
—Alle twee de mijne zijn 't! en gij of een ander en zult er geen poot aan steken, verdoemenis! de mijne alle twee! Hij wist zelf niet van waar die plotse ophitsing en hevigheid in hem kwam, maar die onverschillige spotlust van André was hem onuitstaanbaar en hij voelde daarom lust nu om te vechten, gelijk met wie. Hij sloeg de sporen in zijn peerds balg en rende zot voort door denlaten avond in den maneschijn. Aan zijn hofgat kreeg hij nog een plotsen inval en lust om terug naar 't Meulenhout te rijden,—naar 't Meulenhout zou hij niet gaan, maar die weg alleen trok hem als een belangende nieuwigheid, al wat nu maar in die richting lag had een nieuwe weerde.
—Morgen! meende hij en daarmede wilde hij zijne begeerte nu intoomen. Hij reed 't hof op en hij gaf zijn jagende peerd aan Jan die heel vervaakt en met verslapene oogen het licht bracht. Odo ging schoffelig in huis, wierp de leerzen over den vloer en ging zonder iets te zeggen aan zijne zuster, rechte door, gaan slapen. Uitgestrekt in de duisternis dacht hij aan 't zottespel van den achtermiddag en eerst wilde hij heel die stoornis uit de zinnen schudden,—in zijne verbeelding overkeek hij die twee groote boerendeernen, de bruine en de blonde, hij zag hen staan in die wijde keuken en herdeed met hen al de gesprokene woorden, en 't greide hem 't wenden van hunne vlijtige blikken en 't bewegen van hun raaide lijf na te gaan. Hij hoorde hun galmend lachen, wezenlijk alsof hij er bij was. En de bruine en de blonde, Paula en Anna, hij bekeek ze overhand, vergeleek en koos wie de beste en de schoonste was, stelde zijne voorkeur nu eens op de blonde en dan weer op de bruine, maar bij 't gedacht dat de andere dan door André te pakken was, kwam even gauw de hitsige jaloerschheid op en hij raasde weer waar hij lag en 't brieschen joegop in zijn gemoed en hij vloekte omdat hij ze vast alle twee wilde en geen eene laten gaan of nemen door 't is gelijk wie anders.
De opgewondenheid bedaarde weer en hij keerde de gedachten naar 't stil huiselijke van al die winteravonden op 't Berkenhof, bij Ida en André en hij kende moeders verwachtingen en die van het meisje ... dan verkoos hij voor dezen nacht aan niets meer te denken, hij keerde zich op de linker zijde om te slapen.
Als de koude dagklaarte al lang in Odo's kamer zat, bleef hij daar liggen met opene oogen; hij wilde niet opstaan en was slecht gezind omdat het weeral een dag was zooals al d'andere. Hij voorzag hoe hij den tijd zou verslijten en wist het overal koud tenzij in bed en in de keuken, en zijn moeder en zuster wilde hij nu onder de oogen niet hebben. Dat dingen van gister had hij meenen te vergeten met slapen en 't stond daar nu groot gegroeid, sterker dan ooit in zijne nieuwigheid, met hevige verlangens en zotte voornemens. Al 't andere daarbuiten werd groote nietigheid, en daar zat een harden angst in zijn gemoed en eene felle afgunst ook: het was hem te wers dat iemand "Zijne" meissens zou bezien of afnemen eer hij ze voor vast zijn eigendom gemaakt had—want hij wilde, hij moest ze hebben—alle twee. Maar ter zelfder tijde wist hij dat 't groote zottigheid was, eene verwaande koppigheid, eene onmogelijkheid en dat er zijngerust gemoed zou door verstoord worden, maar hij gaf zichzelf de buitensporigheid toe en 't moest, muurvast! Hij zag daar Paula en Anna, met de fijnste trekjes van hun wezen, beter dan dichtebij met oogen, en den zwaai en 't keeren van armen en hoofd en leden, duidelijker dan de doening en voeren van zijn eigene zuster die heel zijn leven dagelijks onder zijne oogen liep. En 't pijnde hem dat de bruine met haar fieren lippenplooi en prachtigen hals, en de blonde met haar bollekaken en blauwe oogen zoo blijde, dat ze nu voort hunne wegen gingen en loechen, in zijne afwezigheid en dat hij, Odo van den Hoogen Doorn uit de verte, misschien niet heel hun gedacht en vulde. De onzekerheid welken indruk hij op de eene en op de andere gemaakt had, was zijne groote bezorgdheid. Hij werd gedreven om zich te laten zien, om er tegen te gaan praten, om over 't hof te rijden op zijn zwarten hengst, die vervaarlijk steigeren zou. Moed en kracht had hij er willen bij te pas brengen om hen beiden te veroveren, te schaken of vast te leggen als eigen bezit voor later. En André liep daar tusschen als een ongelegene gast dien hij uit den weg weren moest. En hij voelde priemende steken van drift telkens die tooverende meisjesoogen naar hem lonkten. De bruine deed het met rappe weerlichten die ketsten als vuurgensters, uitdagend en spottend,—als priemen waren 't die overal doordrongen. De oogen der blonde streeldenmeer en keken weemoedig, om dan ineens zot uit te proesten om haar eigen smachtend gelonk. Hij wist dat ze hem aan 't betooveren waren, maar moest hen laten begaan omdat 't hem zoo razend belustte. Niemand zou er toch iets van merken wat er in hem gebeurde, en met een knip van zijn vinger was het allemaal dood als hij 't wilde,... en 't had nooit bestaan! Want de sterk duidelijke boerderije stond hier zoo ernstig, met den geest daarop van de stevige, koppige Verschaeven die geen zotternije en duldden, en nu was hij bang dat moeder iets van zijne gedachten zou raden en vermoeden wat er in hem gebeurde. Hij sprong recht en met spijtigen nijd trachtte hij weer de sobere kerel te zijn die 't gewoon dagelijksch werk moest gaan bewaken, 't Overige zou wel van zelfs uitslijten.
Hij draaide wat rond op zijne kloefen in de keuken en wandelde dan buiten, naar 't land waar 't werkvolk den mest openvoerde. Als hij 't daar ook moe werd, haalde hij zijn roer en ging kraaien schieten.
's Avonds bleef hij tegen zijne gewoonte, thuis en zat sprakeloos bij den heerd.
's Anderen daags kwam André te peerde hem al lachend vragen: of hij meêreed naar 't Meulenhout?
—'k Moet in de buurt een kalf gaan koopen bij eenen boer, 't is eene gelegenheid om eens te gaan zien en wat plezier te maken bij onze twee prachtmeiden!
Odo weigerde kort.
—Zoo zal ik maar uwen groet brengen aan de blonde!
—Kan mij niet schelen.
André's gezicht was hem nu onverdragelijk, hij had hem willen beletten naar ginder te rijden en hij was in den grond jaloersch van zijn makkers gezonde gerustheid. Hij zag hem wegrijden en van dan af werd hij ongemakkelijk, zocht rond, keek langs de straat in de richting van 't dorp, ging wat zitten op de haverkiste in den peerdenstal en trachtte bij zichzelf de woorden te raden die André ginder zeggen zou. Dan gaf hij toe aan den drang: hij zocht eene reden uit, verkleedde zich haastig en deed den zadel opleggen. Hij hoopte de gejaagde onrust te verdrijven met veel beweging en buitenlucht en wilde zijne eigene drift loslaten omdat 't hier al zoo voos en 't zelfde winterdoof, zwijgzaam leven was, met menschen die suffig hun werk deden, zoo gerust als ossen. Hij reed al wat hij drijven kon langs eenen omweg achter 't dorp, om verder op de straat te komen waar André voorbij was.
Na de eerste spanning kwam de kalmte van 't deemsterend ommeland op hem werken en hij vond zijne doening flauw, jongensachtig; hij zag zich als een hond die op den reuk uitzet en belachen en verjaagd wordt. Hij werd beschaamd en op den stond wendde hij zijn peerd in eene zijstraat links en reed langs een ander dorp weernaar huis. De doffe zon hing tegen den einder toen en ging varings wegzinken; de dag eindde voor hem in lange triestigheid omdat de verlangde zaak niet gebeurd was en morgen weer niet zou gebeuren. Hij was kwaad op al dat hij zag en meest op zijn eigene, ongedurige gejaagdheid. De peerden trokken stil de mestkarren naar huis en 't land lag dood en toegedekt met den vallenden nacht.
Aan eene herberg herkende Odo het peerd van Vinie den kalverkoopman en hij ging zoo seffens in beraad. Zijn voornemen was: naar 't Meulenhof te gaan, niet als een verliefde schijtjongen, maar met een vaste reden, als een onverschillige koopman die voor zaken een bezoek doet. Om dat besluit te doorvoeren wilde hij Vinie spreken. Hij sprong af en bond zijn peerd.
Aan eene tafel zat de kooiman met een grooten druppel genever en hij koutte luide met den baas over zijnen handel. Zoo gauw groette hij met eere den rijken boerenzoon en Odo zette zich bij om met hen te drinken. Odo wachtte tot de koopman opstond en dan:
—We rijden samen?
—Met genoegen, jonge heer.
Vinie sprong op zijn manken schimmel en hij dreef hem nevens de kostelijke merrie.
—Niet te druistig boer of 'k moet achterblijven.
Odo had anders geen lust hard te rijden.
—Kent gij 't Meulenhof? begon hij.
—Al de Meulenhoven van 't land! bofte Vinie. Boer Verkamer en zijn schoone dochters?
Odo wist niet hoe zijn ontwerp uiteenzetten, en hij voorzag al dat de geslepene fijnaard raadde waar hij zijn wilde.
—Is 't een schoon hof?
—Een schoon hof, een heerenhof! meende Vinie.
—Hij zit er warm in, Verkamer?
—Vast en warm, heere—en de koopman trok zijn voorhoofd in rimpels en duwde de onderlip over de bovenste.
—En de dochters kent ge goed?
—O, plezierig volk, leutig maar prompt, kostelijke kermispeerden! flink van pooten en hals geen beste prijsmerrie in 't land die zooveel bezoekers krijgt als die meissens; maar ze zijn wat verleerd: z'hebben knepen in 't lijf en wonen op hunne bovenkamer,—ze zouden een jonkman doen dansen om hem dan uit te fluiten, meende Vinie.
—De meisjes kunnen dat al, merkte Odo, maar, Vinie, herbegon hij, ineens gul uitsprekend, kunt ge me daar eens op 't hof brengen? ge zoudt kunnen meêgaan als makelaar om 't een of 't ander te koopen?
—O, best! Verkamer heeft lijnzaad en tarwe zijne zolders vol, en veulens ook wel,—ge geraakt daar anders best bij als peerdenliefhebber, —hij heeft een prachtigen stal.
En Vinie vertelde voort van de doening en den peerdenkweek op 't Meulenhof; hoe hij met veel boerenzoons daar was naartoe gegaan, maar ze waren allen te dom,—geen aanleg,—te bot of te zot! zoo werd de rijkste kerel van de streek geweigerd en nu vrijt de oudste met den jongen burgemeester van een dorp ievers uit 't ronde.
—Maar dat gij wildet, vleide de koopman, ik verwed een peerd dat ik u op drie maanden een dochter zal leveren!
—Maar 'k moet ze alle twee krijgen—om te kiezen, voegde de jonge Verschaeve er lachend bij. Nu, ge brengt me met d'een of d'ander reden daar op 't hof.
—'t Is aanveerd, we gaan den eersten keer naar den peerdenstal, 't ander doet ge zelf als ge verstand hebt. Prachtig ras van meisjes zijn t, rond geblokt en welgemaakt alleszins, en verstand, wat mijde in 't begin, maar dat is er gauw af! en voor de zwaarte: nievers van beter! en de koopman wreef inzichtig den duim over de vingers.
—Zondag na den noen? vroeg Odo.
—Best.
—Zoo tot Zondag!
De boer draaide zijn peerd de dreef in en Vinie reed langs 't dorp naar huis.
—André hier niet geweest? vroeg Odo aan zijne zuster. Dat belangde hem nu en in al zijn weerzin wilde hij den makker toch zien omdathij, bezeten door nieuwsgierigheid, alles weten wilde wat er ginder gebeurd was. Na 't avondeten ging hij recht naar 't Berkenhof.
En André vertelde zonder achterdocht, hoe hij boer Verkamer langs den weg, op 't land ontmoette, dat hij werd meegevraagd in huis.
—En daar hebben we samen leutig zitten praten en oogjes geknipt, en de bruine was vriendelijk en de blonde nog vriendelijker, loech André, en z' hebben gevraagd wat we meenden van onzen rit van Zondag en wanneer we 't zouden hergaan.
Odo gloeide van binnen maar hield zich uitwendig als verdroot hem die zaak op 't einde, en als moeder Vermeulen binnenkwam met Ida, begonnen zij over andere dingen te praten, heel den avond lijk gewoonte. Odo bleef vriendelijk met het meisje en hij vond bij zichzelf een stonde de oude gezelligheid weer.
Als hij vertrok deed André een stap uitgeleid en bij 't scheiden vroeg de kerel lachend aan zijnen makker:
—Gaan we Zondag weer op bezoek?
Odo gaf hem geen bescheid en André keerde naar huis met 't gedacht dat Odo gelijk had en dat 't tijd werd aan heel die zotte geschiedenis niet meer te denken.
Odo integendeel wilde het niet vergeten, hij hield het alleen, diepe voor zich; André moest daar verre van en uit blijven: daarom vertelde hij niets van zijne afspraak met Vinie en zijn voornemen.
De wrok duurde en groeide van langs om heviger en hij bleef onder den druk van dien plotsen minneslag, onkennelijk voor zichzelf. Hij wilde het doordrijven en als hij de zake wel naging en er dieper in doordrong, wist hij niet waar 't zou uitkomen. Aan zijne moeder en zuster sprak hij er ook niet over. Hij werd weer vriendelijk uitwendig, om niemand te verontrusten, maar van binnen grolde zijn trots: hij vroeg of er wel iemand,—pastor of burgemeester—iets te raden of te zeggen had aan 't geen de boer van den Hoogen Doorn wilde!? Om 't stoute en 't raadselachtige van de onderneming zelf, beviel hem die nieuwe liefde en hij grijnslachte er bij van genoegen omdat hij—de sterkste en rijkste kerel van de streek, nu eene buitensporigheid ging doen en met één ruk vernietigen al 't geen moeder en al de anderen zoo zachtjes meenden op een lijntje te houden. Ida haatte hij om haar gedoezige zoetheid en heel die afgesprokene handeling van jaren ver, scheen hem een lam, kwenig kousekraam dat hij nu met zijn mannelijke voeten wilde in gruis stampen! Dat bespookte zijnen kop heel de week lang, maar daarboven lag de kalmte waarmede hij wachtte naar den Zondag daar hij handelen ging.
Hij trok naar de vroegmis morgens om André niet te ontmoeten en bleef thuis tot 's noens.
Hij beval aan Jan den zwarten hengst te wrijven en met veel zorg de hoeven te blinken. Hij bleefer zelf bij om te zien hoe alles gebeurde en in orde was; dan ging hij zich met veel zorg aankleeden. Als Vinie na den noen op 't hof kwam, vond hij Odo in zijn wintersche rijkleeren met blinkende leerzen, ongeduldig staan spelen met zijne zweep.
—Ge komt op tijd, kerel! 'k ben gereed! riep hij al van ver. En hij ging in stal zijn peerd uithalen.
De eendlijke, zwarte hengst stak den kop in de lucht en sprong met zwaar gestamp, te vierklauwe in de dagklaarte en zoo gauw richtte hij zich op de achterpooten, schudderde de lippen, brieschend om los, maar Odo duwde den schouder tegen de felle borst van het hingstdier en hield met forsche hand den toom gesloten. Hij dwong het felle beest met eenen ruk van den arm, stil te blijven; hij bekeek het staal, met kwaden blik zoodat de wilde oogappels van het peerd schichtig wegkeerden, 't legde de ooren en 't achterlijf hukte om weer in vervaarlijken slag de pooten uit te smijten boven den kop. Odo wilde zijne kracht laten zien en weigerde hulpe van Jan en Vinie die dat bewonderend en bevreesd stonden aan te zien.
—'t Is de eerste, keer van den winter dat hij uit stal komt, Vinie, we zullen plezier hebben vandage! De achterhoeven sloegen herhaaldelijk, kort lijk bliksem, hooge zoevend en vielen met doffen slag op den grond. En Odo hield met oogen en handen het hingstdier in bedwang en hij trappelde medegerukt door den zwaai van dat machtiglijf, maar binstdien zocht hij naar een gunstigen stand; alsaan moest hij rond met den eerselenden pootendans tot hij meteens: in één zwaai, met de hand aan de manen, den teugel losliet hem terug ving in den sprong, en zonder hulpe van stijgbeugels zat hij, eer 't iemand geraden had, bovenop, vast in den zadel, zijne voeten hadden reeds stand gevonden als 't zwarte gedrocht door 't verschot aangezet, weer 't lijf oprichtte, achterwaards deinzend op twee pooten en zwaaide de twee voorklauwen in de lucht. Vinie sprong toe maar Odo even kalm, liet zich voorover wegen en dwong het peerd beneden. Het wendde den kop, speelde met de ooren en zocht met de pooten een uitweg om van onder den dwang te geraken.
—'k Ben gereed, Vinie! loech de ruiter, preusch over zijne handigheid, we kunnen rijden. Hij dwong met de knieën en neep het gebit zoo fel dat het driftig ros stapvoets naar de poorte danste, nevens het tam peerdeken van den koopman.
Ze praatten onder den weg van nieuws en van zaken. Vinie de makelaar, met zijne losse tong, wist de toedracht te vertellen van al de hoven waar hij voor zaken ten huize was. Odo beaamde dat met schaarsche woorden. Zijne gedachten verlangden naar ginder op 't Meulenhof en zijn makker en telde maar als een voorwensel voor 't bezoek.
—Als we er maar geen ander liefhebbers aantreffen is 't goed, merkte Vinie.
—Dan kunnen we best zien hen een beentje te lichten.
De kerel was zoo overmoedig als zijn peerd en hij reed met stijven hals en monkelde van uit zijne hoogte naar de menschen die beneden over den grond gingen. De kerels en boerenknapen bezagen den vreemden ruiter die zoo fier zijn jonge knevels wribbelde en ze keken hem na om te weten waar hij wel mocht naartoe rijden.
Hij kwam op 't Meulenhof als een ridder uit oude tijden en met eene kitteling van de sporen, deed hij zijn peerd geweldig steigeren. Verkamer en de dochters kwamen ijlings buiten kijken en ze loechen vriendelijk en voldaan naar de welgekomene bezoekers. Odo liet zijn blinkend peerd bewonderen binst bij er nog op zat en keerde en wendde het waar hij zijn wilde. Hij loech als Vinie met zijne boodschap voor den dag kwam:
—Boer 'k brenge u hier een kerel die wenscht uwen stal te zien en een veulen wil koopen als ge hebbelijk zijt.
Maar de boer en had geen oogen genoeg voor den zwarten hengst die glimmend bleusde van 't loopen en zoo zwierig forsch met de pooten kapte en hoog den kop droeg en den steert. Hij kwam nader er rond, altijd met de handen in de broekzakken en keek zonder moe te worden. Hij opende zelf den stal en hielp het prachtig peerd ontzadelen. Dan noodde hij de bezoekers naar binnen.
—Twee boerenkerels zijn juiste vertrokken, merkte hij, 'k wilde hadden zij uw peerd gezien.
Vinie zwaaide zijn mispelaren stok en begon zoo seffens zijn gewonen klap over zaken, lijk hij overal gewend was te doen. Hij wond er veel zotte spreuken tusschen en wist wat vleiends voor de dochters.
Anna en Paula waren even vriendelijk en leutig en Odo moest bekennen, nu hij de twee nevenseen staan zag, dat hij om de dood, d'eene voor d'andere niet kon verkiezen; hij bleef dol afgunstig van beiden.
Vinie hield den boer in druk gesprek en daarbinst waren de meisjes bij den schoonen ruiter en onderhielden zich met halfluide woorden en lachjes en oogenspel. Hij zag met genoegen dat ze hem om 't even bewonderden; maar terwijl was hij zelf onder den toover van de lonkende oogen, de schoone handen, de bleuzende kaken en kriekroode monden. Hij dacht het niet noodig groote woorden te zoeken of verklaringen te doen, ze verstonden hem alle twee zoo wel en hij liet zich maar wiegen in wellust. Hij wist niet aan wie 't beste woord geven of hoe hij 't doen zou en ze praatten opgewekt en vroegen naar thuis en naar moeder en zuster, met dubbelzinnige lachedingen daartusschen.
—Nu gaan we binst dat 't nog klaar is en dag, naar den stal gaan zien, meende Verkamer. Vinie was al gereed en Odo volgde. Als ze reedsop weg en buiten waren, zag hij Anna alleen die met lichten voet over 't messingstroo huppelde. Paula zou in huis blijven en voor eten zorgen, zegde zij en daarom kwam ze nader bij Odo, toonde hem alles waarin hij belang stelde, maar onderwijl praatten zij maar door en ze loechen daarbij en keken elkaar telkens lang in de oogen.
In den grooten stal stonden de veertien peerden in twee reken te stampen en te trekken 't hooi uit de rosteelen. De boer overging één voor één en deed Vinie tasten en bewonderen; hij kroop onder hunnen balg en hief hen de pooten op, al vertellend al hunne gaven en kostbaarheden.
Anna leidde Odo al den overkant en ze bleven huns getweeën en spraken voor hun eigen van heel andere dingen. Ze waren nog altijd aan 't eerste sliet bij eene gedaagde, baaide merrie in den halfdonkeren stalhoek en z'en voelden d'een noch d'ander, haast om voort te wandelen. Anna dreelde de gummende heupe van de merrie en Odo's oogen volgden de klare vlek van de witte hand aan den ronden poezeligen arm die over en weer ging. Dan begon hij te dreelen op dezelfde plaats en hij greep met zijne andere hand heuren arm die naast hem neerhing en hield de woorden in waaraan hij bezig was om het meisje in de oogen te kijken. Ze monkelde en greep ook met hare vingers en duwde hem ferm den arm. Dan liet hij haar los. Hun dingen was gezeid zonder dat ze een woord gesproken hadden. Hare oogenkeken hem vragend aan en in haren blijden blik las hij hare instemming: eene belofte met niets meer te breken. Dat voldeed hem en gerustgesteld als na 't afhandelen eener zake, gingen zij gezamenlijk bij den boer en bij Vinie en spraken nu in 't gemeene van peerden, Odo schafte verder niet meer bijzonder op het meisje.
Vandaar gingen zij naar den veulenstal. Odo liet hen binnengaan en gebaarde nog iets te bezien buiten en zonder ommekijken draaide hij achter den muur en ging recht naar de keuken. Hij vond er Paula alleen, de bleuzende met heur bruin golvend haar. Hij trad op haar toe en met een plotse stoutmoedigheid, zonder aarzelen: