De Tweede Ommegang. Hier wordt de zonde van de afgunst geboet.
Op den tweeden rand, waar nu de Dichters komen, wordt de zonde der afgunst gelouterd. De zielen aldaar zijn gekleed in een grove pij, en hebben de oogen met een ijzerdraad toegenaaid. Van afstand tot afstand vliegen stemmen door de lucht, door hemelsche geesten voortgebracht, die den afgunstigen eenig schoon voorbeeld van barmhartigheid of naasten-liefde in herinnering brengen. Voorts vertoont zich aan Dante Sapia van Siena.
1Wij waren aan den top der trap, waar ten tweeden male de berg ingesneden wordt, die door zijne bestijging de menschen loutert:
4aldaar omwindt een kornis evenzoo de helling gansch gelijk de eerste, tenzij dat haar boog zich vroeger ombuigt.
7Noch platte, noch bolle beeltenis is daar, diemen ziet; zoo maar ziet men daar den wand, zoo maar ziet men daar den affenen weg met de loodkleur der rots-massa.
10„Zoo we hier menschen afwachten om na te vragen,” sprak de Dichter: „dan vrees ik dat wellicht ons besluit te veel vertraging ondervindt.”
13Voorts richtte hij de oogen vast op de zon; hij maakte van zijn rechterzijde het middelpunt voor de beweging, en den linkerkant van zich zelven draaide hij.
16„O zoete Licht, in vertrouwen waarop ik binnentreed langs den nieuwen weg, gij geleidt ons,” zeide hij: „gelijk men hier wel geleid wil zijn.
19Gij verwarmt de wereld, gij licht over haar: zoo niet andere reden tot het tegendeel nope, moeten uwe stralen altijd geleide zijn.”
22Zooveel men (aan deze zijde) voor een mijl rekent, zoo ver waren wij reeds van daar gegaan, in weinig tijd, door den vaardigen wil.
25En te ontwaart te vliegen werden bemerkt, daarom nog niet gezien, geesten, sprekende tot den disch der liefde heusche noodingen.
28De eerste stem, die voorbij ging, vliegende zeide luide: „Zij hebben geen wijn” en achter ons ging zij, het herhalende.
31En voordat die door den afstand gansch niet meer gehoord werd, daar ging een andere voorbij schreeuwende: „Ik ben Orestes” en hield mede geen stand.
34„O,” zeide ik: „Vader, welke stemmen zijn dezen?”en mèt dat ik het vroeg, een derde was daar, zeggende: „Hebt lief van wien gij kwaad ondervindt.”
37De goede Meester zeide: „Deze ommegang tuchtigt de schuld der afgunst, en daarom wordende koorden der geeselroede door liefde gehanteerd.
40De breidelwil zijn van tegengestelden klank; ik geloof dat gij hem zult hooren, mijns bedunkens, voor gij geraakt tot den overtocht der vergiffenis.
43Maar houd de oogen vast door de lucht gericht, en gij zult menschen voor ons zien zitten, en ieder van hen zit langs den rotswand.”
46Toen opende ik de oogen meer dan te voren; ik schouwde voor mij en ik zag schimmen met mantelen van de kleur van de steen niet ver scheiden.
49En toen wij een weinig meer vooruit waren, hoorde ik roepen: „Maria, bid voor ons;” ik hoorde ze roepen Michaël en Petrus en alle de heiligen.
52Ik geloof niet dat er heden op aarde een mensch gaat, zoo hard, die niet geslagen werd met medelijden voor dat wat ik voorts zag:
55want, wanneer ik zóó nabij hen was gekomen dat hunne gebaren duidelijk tot mij kwamen, werden door de zware smart me de tranen uit de oogen getogen.
58Van eengrovepij schenen zij me bedekt, en de één schoorde den ander met den schouder, en allen waren geschoord van den rotswand.
61Zoo staan de blinden met het haveloos kleed,bij debiechtom hun nooddruft te vragen, en de één neigt het hoofd over den ander,
64opdat te eer bij de menschen het medelijden opkome, niet maar door het klinken der woorden, maar door den aanblik, die niet minder fleemt.
67En gelijk de blinden het zonlicht niet baat, zoo wil daarginds aan de schimmen, waarvan ik nuspreek, het zonlicht niet van zich mededeelen;
70daar bij allen een ijzeren draad het ooglid doorboort en toenaait gelijk men met den wilden sperwer doet, omdat hij niet rustig blijft.
73Het scheen me dat ik al gaande beleediging aandeed, daar ik, genen ziende, niet werd gezien; waarom ik mij wendde tot mijnen wijzen raadsman.
76Wel wist hij, wat de stomme wilde zeggen; en daarom wachtte hij mijn vraag niet af, maar zeide: „Spreek, en wees kort en bondig.”
79Virgilius kwam me aan dien kant van de kornis van waar men vallen kan, omdat die door geen rand omringd wordt.
82Aan mijn anderen kant waren de vrome zielen, die door den gruwelijken naad zoo zeer [de tranen] persten, dat ze de wangen baadden.
85Ik wendde mij tot hen, en: „O menschen,” begon ik: „verzekerd van te zullen zien het hooge licht, waarom alleen uwe begeerte bekommerd is,
88zoo waarlijk moge weldra de genade het schuim van uw geweten afnemen, zoodat de stroom van den geest helder daarin nederdale,
91zegt mij (daar het mij welgevallig en dierbaar zal zijn) of er hier tusschen u een latijnsche ziel is; en wellichtzal het haar goed zijn, zoo ik het verneem.”
94„O broeder mijn, elke [ziel] is burgeres van ééne ware stad; maar gij wilt zeggen, of er eene leefde als vreemdelinge in Italië.”
97Dit meende ik als antwoord te hooren van een weinig meer naar voren dan waar ik stond; waarom ik mij nog meer daar deed bemerken.
100Te midden van de anderen zag ik eene schimme,die kennelijk wachtte; en zoo iemand wilde vragen: hoe? de kin hief zij op de wijze van eenen blinde omhoog.
103„Ziele,” zeide ik: „die omlaag gehouden wordt om omhoog te rijzen, zoo gij degene zijt, die mij antwoorddet, maak u mij bekend door geboorteplaats of naam.”
106„Van Siena wasik,” antwoordde zij: „en met deze anderen louter ik hier het schuldig leven, tranen vergietende tot Hem dat Hij zich ons mededeele.
109Wijs was ik niet, hoewel ik Sapia was genoemd, en ik was veel blijder om eens anders schade dan om mijn eigen geluk.
112En opdat gij niet geloovet dat ik u bedrieg, hoor of ik, zooals ik u zeg, dwaas was, reeds afdalende den boog mijner jaren.
115Mijne medeburgers waren nabij Colle in het veld gekomen met hunne tegenstanders,en ik bad God om dat wat Hij wilde.
118Gebroken werden zij daar en gedreven op de bittere wegen der vlucht; en de jacht ziende, won ik in mij een blijdschap aan elke andere ongelijk:
121zoodat ik het onvervaarde gelaat omhoog hief, schreeuwende tot God: „Voortaan vrees ik u niet”gelijk de meerle deedbij 't eerste mooie weer.
124Vrede met God wenschte ik op het uiterste van mijn leven; en nog zoude mijn schuld niet door boetvaardigheid zijn verminderd,
127't en ware het dat Peter Pettinagno mijner had gedacht in zijn heilige gebeden, wien uit barmhartigheid mijner deerde.
130Maar gij, wie zijt gij, die gaat vragende naaronze toestanden en de oogen ongebonden draagt, naar ik geloof; en ademende spreekt?”
133„Wel zullen me,” zeide ik: „de oogen hier nog eenmaal worden ontnomen; maar gedurende weinig tijd, daar klein hun vergrijp is van met nijd te zijn bewogen.
136Veel meer is de vrees, waardoor mijn ziel wordt benard, voor de pijniging van hieronder, zoodat reeds de last van daarbeneden mij weegt.”
139En zij tot mij: „Wie heeft u dan hierboven te midden van ons geleid, indien gij gelooft daarbeneden te zullen terugkeeren?” En ik: „Hij die met mij is en geen woord spreekt:
142en levend ben ik; en daarom vraag mij weder, verkoren ziel, indien gij wilt dat ik daarginds de sterfelijke voeten voor u beweeg.”
145„O dit is om te hooren zoo nieuwe zaak”, antwoordde zij: „dat het een groot bewijs is dat God u liefheeft: daarom help mij dan nu en dan met uw gebed.
148En ik vraag u bij dat wat gij meest begeert: zoo gij ooit het Toscaansche land betreedt, dat gij bij mijne verwanten ten beste van mij spreekt.
151Gij zult ze zien bij dat wufte volk dat hoopt op Talamone,en dáár zal het nog meer hoop verliezendan om de „Diana” te vinden.
154Maar nog meer zullen daar de admiraals verliezen.”
Voortzetting van den tweeden ommegang.
Guido del Duca da Bertinoro beschrijft aan Rinieri dei Calboli, zijnen buurman, het slechte gedrag van de verschillende volkeren van het dal van den Arno en profeteert hem de schande van zijnen naneef. Voorts bejammert hij het ontaarde Romagna, en vermeldt de namen van vele edele en geëerde Romagnolen van zijnen tijd. Wanneer ten slotte de Dichters van die schimmen zijn weggegaan, hooren zij stemmen als van den donder, die hen herinneren aan de kastijdingen, die de afgunstigen te wachten staan.
1„Wie is degene, die onzen erg òmgaat, voordat de dood hem vleugelen heeft gegeven, en die de oogen opent en toemaakt naar welbehagen?”
4„Niet weet ik wie hij is; maar wel weet ik dat hij niet alleen is: vraag gij het hem, daar gij hem nader bij zijt, en bejegen vriendelijk hem zóó dat hij spreke.”
7Aldus twee geesten, de één tot den ander geneigd, spraken daar van mij ter rechterhand; voorts hieven zij de aangezichten, om tot mij te spreken, achterover;
10ende één zeide: „O ziel, die nog in het lichaam gevest, hemelwaart gaat, vertroost ons uit barmhartigheid, en zeg ons,
13van waar gij komt, en wie gij zijt; daar gij ons zóó zeer doet verwonderen over uwe genade, als iets [verwondering] eischt, dat nog nooit is gebeurd.”
16En ik: „Midden door Toscana spanceert een stroompje, dat geboren wordt op de Falterona, en honderd mijlen loops verzadigt het niet.
19Van zijnen oever draag ik dit mijn lichaam; te zeggen wie ik ben, ware ijdel praten, daar mijn naam nog niet luide verluidt.”
22„Wanneer ik uwe bedoeling wèl begrijp,” antwoordde toen hij, die het eerste sprak: „dan spreekt gij van den Arno.”
25En de andere zeide tot hem: „Waarom verheelde hij den naam van die rivier, gelijk de mensch doet met gruwelijke dingen?”
28En de schim, die hieromtrent ondervraagd was, kweet zich aldus: „Dat weet ik niet, maar wel verdient de naam van zulk eene vallei dat hij te gronde ga,
31daar van zijnen aanvang (waar het Alpijnsch gebergt, van 't welk Pelorum is losgerukt, zóó van water is gedrenkt, dat het op weinig plaatsen die maat te boven gaat)
34tot daar, waar hij zich weder uitstort tot herstel van dat deel van 't zeewater, dat de hemel opslorpt, waardoor de rivieren hebben dat wat mèt hen gaat,
37aldus de deugd als vijandin door allen wordt gevloden, als het gesijfel [van eene slang], hetzij door het lot der plaatse, hetzij door kwade praktijk, die hen noopt:
40vanwaar de bewoners dier rampzalige vallei zóó hunnen aard veraêrd hebben, dat het lijkt of Circe hen in de kost hadde gehad.
43Doorbotte varkensheen, die eikelen meer verdienen dan ander voedsel, geschapen tot menschelijk gebruik, richt hij eerst zijn armelijk pad.
46Keffertjesvindt hij voorts, daar hij lager komt, meer grijnzend dan hun kracht vergt, en ze minachtend keert hij den muil van hen af.
49Hij gaat al vallende, en hoe meer die gemaledijde en ellendige sloot aangroeit, te meer ziet hijde honden tot wolven worden.
52Voorts afgedaald doormeerdere diepezeeën, vindt hij de vossen zóó vol van loosheid, dat zij geen list vreezen die hen ving.
55En ik zal niet nalaten te spreken opdateen andermij hoore: en het zal hem goed zijn zoo hij zich herinnere dat wat een ware geest mij ingeeft.
58Ik zieuwen kleinzoon, die jager wordt van die wolven langs het strand van den wreeden stroom en ze allen verschrikt.
61Hij verkoopt hun vleesch, daar het [nog] levend is, voorts doodt hij ze als slachtvee; velen berooft hij van 't leven en zich van de eer.
64Bloedig komt hij uit het droevewoud; hij laat het zóó dat het in geen duizendjaarzich tot den ouden staat weer belommert.”
67Gelijk, bij tijding van toekomstig leed, zich ontstelt het gelaat van dengene, die luistert, van welken kant ook het gevaar hem aangrijpt;
70zóó zag ik de andere ziel, die stond gekeerd totluisteren, zich onthutsen en bedroefd worden, nadat zij deze woorden in zich had opgenomen.
73Het spreken des éénen en het gezicht des anderen maakten mij begeerig hunne namen te weten, en een vraag deed ik hun, met gebeden gemengd.
76Waarom de geest, die het eerst tot mij sprak, herbegon: „Gij wilt dat ik mij neerbuige voor u te doen datgene wat gij voor mij niet wilt doen;
79maar sinds God wil dat in u zoo groote genade van Hem doorlichte, zal ik niet schriel voor u zijn; daarom weet dat ik ben Guido del Duca.
82Mijn bloed was in nijdigheid zóó ontbrand, dat wanneer ik een mensch zich zag verheugen, gij mij met loodkleur zoudt hebben zien bedekt.
85Van mijn zaad oogst ik zoodanig stroo. O menschelijk geslacht, waarom zet gij het hart op die dingen, waarvan gij ugemeenschapontzeggen moet?
88Dit is Reinier; dit is de prijs en eere van het huis Calboli, waar voorts niemand erfgenaam is geworden van zijn deugd.
91En niet slechts zijn bloed is berooid—tusschen den Po en het gebergte, en de zeekust en den Reno—van het goed dat vereischt wordt voor waarheid en geneugt:
94daar binnen die grenzen ['t land] vol is van giftige kruiden, zóó dat ze, te laat [gekomen] om het te wieden, weldra zouden bezwijken.
97Waar is de goede Lizio, en Arrigo Manardi, Pier Traversaro en Guido di Carpagni? O Romagnolen, verkeerd tot bastaarden!
100Wanneer wordt weder in Bologna een Fabbro geboren? Wanneer in Faënza een Bernardin di Fosco, een edele spruit van nederig kruid?
103Verwonder u niet, zoo ik ween, Toscaan, wanneer ik met Guido da Prata Ugolino d'Azzo gedenk, die met ons geleefd heeft;
106Federigo Tignoso en zijn gezelschap, het huis Traversara en de Anastasii; (onterfd is het één en het andere geslacht!)
109de vrouwen en de ridders, het leed en het lief, al wat ons liefde en hoofschheid ingaf, daar waar de harten zóó zijn ontaard.
112OBrettinoro, waarom vlucht ge niet weg, nu uw gansche stamhuis weg is gegaan, en velen daarvan om niet misdadig te worden?
115Wèl doet Bagnacaval, dat het geen zonen meer teelt, en slecht doet Castrocaro en slechter Conio, die zich al dieper in schuld wikkelen door zulke graven voort te brengen.
118Goed zullen zijn dePagani, wanneer hun Demon weg zal gaan; maar daarom [geschiedt het] toch niet dat er steeds zuiver getuigenis van hen zal zijn.
121O Ugolino de Fantoli, veilig is uw naam sedert niet meer [een zoon] verwacht wordt, die door ontaarding hem kan bezwalken.
124Maar nu ga voort, Toscaan, daar het mij nu al te zeer lust te weenen, meer dan te spreken; zóó heeft onze landstreek mij het gemoed genepen.”
127Wij wisten dat die dierbare zielen merkten dat wij gingen: dies deden ze door hun zwijgen ons vertrouwen hebben in onzen weg.
130Toen wij, al voortgaande, alleen waren, een bliksem, wanneer die de lucht klieft, scheen toen eene stem, die ons tegen kwam, zeggende:
133„Mij zal dood slaan, al wie mij vindt,” en [de stem] vluchtte, als donder die verrommelt, wanneer plotseling de wolk zich ontlaadt.
136Wanneer ons oor rust had van dien te hooren, en zie een andere stem kwam met zóó groot gedruisch, dat het donder leek, die terstond [den bliksem] volgt.
139„Ik benAglauros, die een steen werd.” En om mij tegen den Dichter te dringen, deed ik een stap naar achter en niet naar voren.
142Reeds was de lucht van elke zijde stil, en hij zeide tot mij: „Dat washet hard gebit, dat den mensch binnen zijne baan moest houden.
145Maar gij neemt het aas zoodat de haak des ouden Vijands u tot zich trekt; en weinig vermag daarom breidel of roepstem.
148De Hemel roept u, en draait zich rondom u, u zijne eeuwige schoonheden vertoonende, en toch staart uw oog gestadig op den grond;
151waarom de Hemel u kastijdt, die alles ziet.”
Van den tweeden ommegang naar den derden.
Bij het vallen van den avond komen de Dichters daar waar men van den tweeden ommegang opgaat tot den derden.
Op aanduiding van den Engel gaan zij op langs de trap; ondertusschen vraagt Dante den Meester verklaring van hetgeen hij gehoord heeft van Guido del Duca. Wanneer zij aan den rand gekomen zijn, geraakt Dante in verrukking en ziet als tegenwoordig eenige oude daden van merkwaardige zachtmoedigheid. Hij keert weder tot zijne zinnen en wordt van lieverlede gewikkeld in een dikken rook, die hem geheel het gezicht beneemt.
1Hoeveel tusschen het einde van de derde ure en het begin van den dag schijnt afgelegd van dienkring, die altijd speelt als een kind,
4zóóveel van zijnen loop scheen er te avondwaartnog overig te zijn voor de zon:dáárwas het avond en hier middernacht.
7En zijne stralen sloegen ons midden op den neus, omdat wij zóó [ver]den berg waren omgeloopen, dat wij reeds recht op het Westen aangingen,
10wanneer ik bemerkte dat mij het voorhoofd meer dan te voren werd bezwaard door den gloed, en tot verbazing werden mij de niet gekende dingen:
13waarom ik mijne handen hief tot boven mijne wenkbrauwen, en ik maakte mij een zonnescherm, dat als een vijl afneemt van de overmaat van licht.
16Gelijk de straal door het water of door den spiegel naar de tegenovergestelde zijde opspringt, uitvallende met den zelfden hoek,
19waarmede hij invalt, en op gelijken afstand evenveel afwijkt van de loodlijn, zooals ondervinding en kunst het [ons] leeren;
22zoo scheen het mij toe dat ik getroffen werd door licht, dat daar vóór mij werd weerkaatst; waarom mijne oogen zich haastten het te ontvluchten.
25„Wat is dat, zoete vader, waartegen ik mijn oog niet zoo [zeer] kan beschutten dat het mij baat,” zeide ik: „en schijnt te-ons-waart te zijn bewogen?”
28„Verwonder u niet als de dienaars-stoet des Hemels u nog verblindt,” antwoordde hij mij: „Gezonden is hij, die gekomen is om den mensch tot stijgen te nooden.
31Weldra zal het gebeuren dat zulke dingen te zien u niet zwaar zal vallen, maar u geneugt zal zijn, naar mate uw aard u beschikt om het [te meer] te gevoelen.”
34Nadat wij tot den gebenedijden Engel waren gekomen,zeide hij met blijde stem: „Komt hier binnen, tot eene trap, veel minder steil omhoog gaande dan de andere.”
37Wij stegen op, reeds van daar verscheiden, en: „Beati Misericordes” werd achter ons gezongen, en: „Verheug u gij die overwint.”
40Mijn meester en ik, wij gingen samen alleen opwaart en ik dacht al gaande voordeel te winnen in zijne woorden:
43en ik richtte mij tot hem, aldus vragende: „Wat wilde de geest [van dien] van Romagna zeggen, gewagende van gemeenschap en van zich te ontzeggen?”
46Waarom hij tot mij: „Van zijn grootste feil kent hij de schade; en daarom verwondere men zich niet zoo hij haar [den menschen] verwijt, opdat men hier te minder haar beweene.
49Omdat uwe begeerten zich op dátgene spitsen, waarvan door deelgenootschap elk deel kleiner wordt, beweegt afgunst den blaasbalg voor de zuchten.
52Maar indien de liefde tot de hoogste sfeer uwe begeerte naar boven trok, dan zoudt gij niet in de borst die vrees hebben:
55want hoe meer dát het onze wordt genoemd, des te meer goed bezit ieder en des te meer liefde brandt in dat klooster.”
58„Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder,” zeide ik: „dan indien er tot mij gezwegen ware, en meer twijfel heb ik in mijne ziel.
61Hoe kan het zijn, dat een goed, verdeeld zijnde, het grootere aantal bezitters rijker maakt aan zich dan wanneer het door weinigen wordt bezeten?”
64En hij tot mij: „Omdat gij maar stadig den geestricht op de aardsche zaken, gaart gij duisternis uit het waarachtig licht.
67Dat oneindig en onuitsprekelijk goed, dat daarboven is, snelt op dezelfde wijze naar de liefde, als een straal komt naar een spiegelend lichaam.
70Zoo veel gloed wordt daar [terug]gegeven als daar gevonden wordt: zoodathoeverook barmhartigheid zich uitstrekke, het eeuwig [liefdes]-vermogen daarover zich uitbreidt.
73En hoe meer luidenelkanderdaarboven verstaan, te meer goeds valt daar te beminnen en te meer wordt daar bemind, en als een spiegel kaatst de één den ander weer.
76En zoo mijne rede u niet verzaadt, Beatrice zult gij zien, en die zal u ten volle deze en elke andere begeerte ontnemen.
79Dan verjaag, opdat ze spoedig, gelijk reeds de twee litteekenen zijn uitgewischt, de vijf litteekenen, die zich sluiten door pijnlijk te zijn.”
82Met dat ik zeggen wilde: „Gij stelt mij gerust!” zag ik mij gekomen tot den volgenden ommegang, zoodat mijne begeerige oogen mij deden zwijgen.
85Daar scheen ik mij toe plotseling getrokken te zijn tot een gezicht in verrukking, en in eenen tempel meerdere personen te zien;
88en dat eene vrouw aan den ingang, met het zoet gebaren eener moeder, zeide: „Mijn zoon, waarom hebt gij aldus jegens ons gedaan?
91Zie, in smarte hebben wij, uw vader en ik, u gezocht.” En toen het daar stil werd, verdween dat wat het eerst verscheen.
94Daarop verscheen mijeen andere vrouw, met dát water op de wangen, dat de smart ontperst,wanneer die door groote minachting van eenen anderen geboren wordt,
97en dat zij zeide: „Zoo gij heer zijt van die Stad, over welker naam tusschen de goden zoo groote strijd was en van waar alle wetenschap als licht uitstraalt,
100neem wrake op die overmoedige armen, die onze dochter omarmden, o Pisistratus.” En de heer scheen mij toe welwillend en zachtaardig
103met vredig gelaat haar te antwoorden: „Wat zouden wij doen hèm die ons kwaad toewenscht, zoo degene die ons bemint, door ons wordt veroordeeld?”
106Voorts zag ik luiden in vuur van toorn ontbrand, met steeneneenen jonkmandooden, die elkanderen vast luide toeriepen: „Sla dood, sla dood.”
109En hem zag ik door den dood, die reeds op hem woog, zich ter aarde buigen, maar zijne oogen maakte hij altijd tot poorten voor den hemel;
112biddende tot den hoogen Heer in zoo groote benauwenis, dat Hij zijnen belagers vergave, met dien blik, die het mededoogen ontgrendelt.
115Wanneer mijne ziel wederkeerde naar buiten naar de dingen, die waarlijk buiten haar zijn, ik erkende mijne niet valsche dwalingen.
118Mijn gids, die mij kon zien doen zóó gelijk een mensch die zich losmaakt van den slaap, zeide: „Wat hebt gij dat gij u niet kunt houden?
121Maar gij zijt meer dan een halve mijl gekomen, de oogen luikende, en met de beenen gekromd, naar de wijze van éénen, wien wijn of slaap nederbuigt.”
124„O zoete vader mijn, zoo gij naar mij luistert, zal ik u zeggen,” zeide ik: „dat wat mij verscheen,wanneer mij [het gebruik der] beenen aldus was ontnomen.”
127En hij: „Zoo gij honderd mommen hadt over het aangezicht, ook dan zouden uwe gedachten, hoe klein ook, mij niet gesloten zijn.
130Dat wat gij zaagt was opdat gij u niet zoudt verontschuldigen het hart te openen voor de wateren des vredes, die uit de eeuwige bron worden vergoten.
133Ik vroeg niet: „Wat hebt gij?”om die [reden], die hèm doet vragen, die nog slechts ziet met het oog, dat niet [meer] ziet, wanneer het lichaam ligt ontzield.
136Maar ik vroeg [het u] om u kracht aan de voeten te geven. Zoo voegt het de luien aan te porren, die traag zijn om hunne wake te gebruiken, wanneer die wederkeert.”
139Wij gingen verder door den avond, aandachtig uitkijkend, zooverre onze oogen konden reiken, tegen de avondlijke en lichtende stralen,
142en zie bij beetjen en beetjen aan nadert ons daar een rook, donker als de nacht en er was geen plaats om dien te ontwijken:
145en hij ontnam ons de oogen èn de zuivere lucht.
Op den derden ommegang in eenen rook en in de gruwelijkheid van eenen nacht, erger dan die van de hel, wordt de toorn gelouterd. Een Geest richt het woord tot Alighieri, en, zich kenbaar makende, spreekt hij van de ondeugden en de traagheid der tegenwoordig-levenden; waarom de Dichter, in twijfel vanwaar zoo groote verdorvenheid uitgaat, hetzij van de planeten of van de maatschappelijke toestanden, er den Geest over ondervraagt; die, met veel filosofie redeneerende, hem tevreden stelt.
1Het donker van de Hel en van den Nacht, beroofd van alle sterren, onder armen hemel, zooveel die maar kàn zijn door nevel verduisterd,
4maakte voor mijn gezicht niet zóó donkeren sluier als die rook, die ons daar omhulde, noch éénen [sluier] van zoo ruige harigheid,
7die gedoogde niet dat het oog open bleef staan; waarop mijn wijze èn trouwe Geleider mij aan zijne zijde nam en mij zijnen schouder bood.
10Gelijk een blinde gaat achter zijnen gids om niette dolen; en om niet het hoofd te stooten tegen eenig ding, dat hem beleedigen of wellicht dooden kon,
13zóó ging ik voort door de bittere en onzuivere lucht, hoorende mijnen Gids, die vast zeide: „Wacht u, dat gij niet van mij los raakt.”
16Ik hoorde stemmen; en elke scheen om vrede en erbarmen te bidden tot het Lam Gods, dat de zonden wegneemt.
19En: „Agnus Dei” zóó was van allen de aanhef: éénerlei woorden waren het bij allen en ééne zangwijs, zóó dat tusschen hen allen éénstemmigheid scheen te zijn.”
22„Wie zijn die geesten, Meester, die ik hoor?” zeide ik. En hij tot mij: „Verneem gij de waarheid: van gramstorigheidontknoedelen zij den knoop.”
25„Wie zijt gij, die onzen rook klieft, en van ons spreekt, of gij nog den tijd indeeldet naar maanden?”
28Aldus werd door eene stemme gesproken. Waarop mijn Meester mij zeide: „Antwoord, en vraag of men hierlangs opwaart gaat.”
31En ik: „O schepsel, die u reinigt om schoon te keeren tot Dengene, die u maakte, wonder zoudt gij hooren zoo gij mij hielpt.”
34„Ik zal u volgen zoover mij geoorloofd is,” antwoordde hij: „en zoo ook de rook het zien niet toelaat, zal het hooren ons op deze wijze verbonden houden.”
37Toen begon ik: „Met dien last, welken de dood ons afneemt, ga ik opwaart, en hierheen kwam ik door de helsche moeienis;
40en zoo waarlijk God mij zóó zeer in zijne genade heeft opgenomen, dat Hij wil dat ik tot Zijn hofkome opeene wijze gansch buiten het hedendaagsch gebruik,
43verheel mij niet wie gij waart vóór den dood, maar zeg het mij en zeg mij of ik zóó goed naar den opgang ga; en uwe woorden mogen mijn geleide worden.”
46„Een Lombarder was ik, en men noemde mijMarco: van de wereld wist ik en die gedegenheid had ik lief, op welke nu niemand den boog meer gespannen houdt.
49Om omhoog te gaan moet gij rechtuit gaan.” Zóó antwoordde hij; en voegde er aan toe: „Ik bid u dat gij voor mij biddet, wanneer gij boven zijt.”
52En ik tot hem: „Bij mijne trouw verbind ik mij te doen datgene wat gij mij vraagt; maar ik berst binnen-in van een twijfel, als ik daar van niet verlost word.
55Eerst was hij enkel en nu is hij dubbel geworden in uw gezegde, dat hier mij onderricht, en hetelders [gehoorde]waaraan ik het vast knoop.
58De wereld is wel zoo zeer verlaten van alle deugd, gelijk gij mij te hooren geeft, van kwaadwilligheid zwanger en daarmee overdekt;
61maar ik bidde u dat gij mij de reden aanwijst, zóó dat ik haar zie, en dat ik haar aan anderen toone; daar de één haar in den hemel, en de andere haar hier beneden stelt.”
64Een diepen zucht, welken de smart samenneep tot een „hoei,” slaakte hij eerst en voorts begon hij: „Broeder, de wereld is blind, en gij komt wèl van haar.
67Gij, die leeft, brengt maar alle oorzaak terug op den hemel, alsof die alles in noodzaak met zich mede bewoog.
70Indien het zóó ware, dan ware de vrije wil in uvernietigd en het ware niet recht over het goede blijdschap en over het kwade rouw te hebben.
73De hemel geeft oorsprong aan uwe bewegingen; ik zeg niet aan alle; maar gesteld al dat ik het zeg, licht is u gegeven ten goede en ten kwade,
76en vrije wil, die, als hij, in de eerste gevechten met den hemel, de vermoeienissen doorstaat, later alles overwint, als hij goed wordt gevoed.
79Aangrootere kracht en aan betere natuurzijt gij als vrijen onderworpen, endieschept het verstand in u, hetwelk niet door den hemel wordt bestuurd.
82Daarom, indien de tegenwoordige wereld het spoor bijster raakt, de oorzaak ligt in u, in u worde zij gezocht, en ik zal er u een ware gids in zijn.
85Van Zijne Hand gaatzijuit, Die haar bemint [nog] vóór zij bestaat, naar de wijze van een kind, dat weenende en lachende dartelt,
88de eenvoudige ziel, die niets weet dan dat zij, uitgezonden door eenen blijmoedigenMaker, gaarne keert tot dat, wat haar vermaakt.
91Van kleine dingen voelt zij in het eerst den smaak; daarop verlekkert zij en die loopt zij na, zoo gids of teugel haar begeerte niet keert.
94Waarom het voegelijk was wetten als teugel in te stellen; voegelijk was het eenen koning te hebben, dat die ten minste den toren der ware stad zoude onderscheiden.
97De wetten zijn er, maar wie houdt hand aan ze?Niemand; ómdat de herder, die vóórgaat, herkauwen kan, maar niet de hoeven gespleten heeft.
100Weshalve de luiden, die hunnen gids vast zien mikken op die dingen, waarop zij zelf belust zijn,zich daarmede voeden en niet naar verder vragen.
103Goed kunt gij dus zien dat het slecht bestier de oorzaak is, die de wereld zondig heeft gemaakt en niet de natuur, die in u bedorven zoude zijn.
106Rome, dat degoede wereldmaakte, placht twee zonnen te hebben, die den éénen en den anderen weg deden zien, dien van de wereld en dien van God.
109De ééne heeft de andere verdaan; en het zwaard is verbonden met den herdersstaf; en dat de één en de andere te zamen niet goed gaan, hiertoe ligt de noodzakelijkheid;
112omdat, verbonden, de één den ander niet vreest. Als ge mij niet gelooft, let op de aar, daar elk kruid wordt gekend aan zijn zaad.
115Op het land, dat Etsch en Po bewateren, plachten moed en hoofschheid te zijn voordat Frederik moeielijkheden had.
118Nukan veilig daar passeeren al wie, uit schaamte om met de goeden te spreken, het zou nagelaten hebben ze te naderen.
121Wel zijn daar nog drie ouden, in wie de oude tijd den nieuwen gispt, en het schijnt hun laat dat God hen in het beter leven haalt:
124Currado da Palazza en de goede Gherardo, en Guido da Castel, wien men beter naar Frankenwijze den eenvoudigenLombardnoemt.
127Zeg van nu aan, dat de kerk van Rome, door in zich twee heerschappijen te verwarren, valt in het slijk, en vervuilt zich en haren last.”
130„O Marcus mijn,” zeide ik: „wel gesproken; en nu doorzie ik waarom dezonen van Levi van de erfenis waren uitgesloten:
133maar wie is die Gherardo, die ge zegt dat geblevenis als heugenis van het voorbij gegane geslacht tot gisping van de verwilderde eeuw?”
136„Of uw spreken bedriegt mij, of stelt me op de proef,” antwoordde hij mij: „dat gij, die Toscaansch spreekt, schijnt niets te weten van den goeden Gherardo.
139Bij een anderen bijnaamken ik hem niet, zoo die hem niet gekomen ware van zijne dochter Gaja. God zij met u, daar ik niet verder met u kome.
142Zie den dageraad, die door den rook straalt, reeds wit worden en het voegt mij weg te gaan—de Engel is daar—voordat hij verschijnt.”
145Zóó sprak hij, en hij wilde mij niet meer hooren.