Beatrice verkondigt den Dichter in duistere woorden een naderenden wreker der ontheiligde Kerk van Christus en hersteller des Rijks. Zij gebiedt hem om, wanneer hij onder de levenden teruggekeerd zal zijn, dat te vertellen wat hij gezien heeft rondom den Mystischen Boom; en na andere besprekingen doet zij hem doopen door Mathilde in de wateren van Eunoë, waarin ook Statius zich baadt. Aldus herboren door het heilige bad, voelt hij zich gansch geschikt tot de reis door den hemel.
1„God, de volkeren zijn gekomen,” aldus elkaar afwisselende, dan drie dan vier, begonnen de vrouwen weenende een zoeten zang;
4en Beatrice zuchtende en vol erbarmen, hoorde derwijze naar ze, dat maar weinig meer [van kleur] verschoot Maria bij het kruis.
7Maar nadat de andere maagden haar de beurt lieten om te spreken, hief zij zich recht op de voeten en antwoordde gekleurd als vuur:
10„Een korte wijle, en gij zult mij niet zien, en andermaal,mijne beminde zusteren, eene korte wijle en gij zult mij zien.”
13Voorts stelde zij ze alle zeven vóór zich; en slechts door een teeken, deed zij achter zich gaan mij en de Vrouwe en den Wijze, die gebleven was.
16Aldus ging zij henen en ik geloof niet dat nog de tiende schrede van haar op den grond was gezet, wanneer zij met de oogen mij de oogen trof;
19en met rustigen aanblik: „Kom schiedijker,” zeide zij tot mij: „zóódat, als ik met u spreke, gij wèl geschikt zijt om mij aan te hooren.”
22Mèt dat ik, zooals ik moest, gelijk met haar was, zeide zij tot mij: „Broeder, waarom waagt gij het niet eenige vraag te doen nu gij met mij mede komt?”
25Gelijk degenen, die al te vol eerbiedenis zijn sprekende vóór hunne meerderen, dat zij niet de stem levend tot de tanden trekken,
28zóó gebeurde het mij, dat ik zonder volkomen geluid begon: „Vrouwe mijn, mijne nooddruft kent gij en dat wat haar goed is.”
31En zij tot mij: „Van vreeze en van schaamte wil ik dat gij alsnu u ontpopt, zóó dat gij niet meer spreekt als mensch, die droomt.
34Weet dathet vatdat de slang heeft gebroken,wàsen nietis; maar wie er de schuld van heeft, hij geloove dat de wrake van God geen ontkomen vreest.
37Niet zal ten allen tijde zonder erfgenaam zijn de adelaar, die de vederen aan den wagen liet, waardoor die werd eene wangestalte en voorts een buit;
40daar ik met zekerheid, (en daarom ook vertel ik het) reeds een gesternte nader zie komen, bestemdom ons te geven een tijd gevrijwaard voor elken tegenstand en elken hinderpaal,
43waarineen aanvoerder, gezonden door God, de Verworpene zal dooden, en genen Reus, die met haar zich vergreep.
46En wellicht dat mijn duister verhaal, als van Themis en Sfinx, u luttel overtuigt, daar het naar hare wijze het verstand benevelt;
49maar weldra komen de feiten, de Najaden, die dat zware raadsel zullen oplossen,zonder schadevoor vee en graan.
52Gij, let wel; en zóó als deze woorden van mij tot u worden gedragen, aldus onderwijs ze aan de levenden van dàt leven, dat is een snellen tot den dood;
55en houd in gedachten, wanneer gij ze schrijft, niet te verhelen hoedanig gij zaagt de plant, die hier nu twee malen ontlooverd is.
58Alwie haar ontloovert of haar plukt met schendende daad, vergrijpt zich aan God, die de plant alleen heilig schiep tot 's menschen gebruik.
61Omdat zij daarin beet, heeft de eerste ziel vijfduizend en meer jaren in pijn en verlangen begeerd Dengene, dieden beet in zich zelven bestrafte.
64Uw verstand slaapt, zoo het meent dat zij niet door bijzondere oorzaak zoo hoog gerezen is en zóó averechtsch van vorm in de kruin.
67En zoo niet, als wateren van denElsa, te ijdele gedachten waren geweest rond uwen geest, en heur geneugt [als] een Piramus voor den moerbeiboom;
70dan zoudet door zóóvele omstandigheden alléén de rechtvaardigheid van God in het verbodgij als zedeles aan den boom hebben leeren kennen.
73Maar daar ik u zie in uw verstand gemaakt van steen en in het versteende gedoopt, zóó dat het u het licht van mijn woorden verduistert;
76wil ik ook, en zoo niet geschreven, dan toch afgemaald, dat gij het binnen in u draagt tot dat [einde] waartoe men draagt den staf met palm omkranst.”
79En ik: „Zooals was door den stempel, dat den ingedrukten vorm niet verandert, zóó is alsnu door u mijn brein gestempeld.
82Maar waarom vliegt zóó verre boven mijn gezicht uwe begeerde rede, dat het die te meer verliest als het meer zich inspant?”
85„Opdat gij kennet,” zeide zij: „die leerschool, die gij hebt gevolgd, en [opdat] gij inziet hoe [weinig] haar leer mijne rede kan volgen;
88en [opdat] gij ziet dat uw weg van den goddelijken zóóverre afwijkt als van de aarde die hemel afwijkt, die het hoogst voortsnelt.”
91Waarop ik haar antwoordde: „Ik herinner mij niet dat ik mij ooit vervreemdde vanulieden, noch heb ik er bewustzijn van, dat mij bijt.”
94„En zóó gij het u niet herinneren kunt,” antwoordde zij glimlachend: „dan herinner u hoe gij nog heden van Lethe hebt gedronken:
97en zoo door den rook het vuur wordt bewezen, dan bewijst die vergetelheid duidelijk schuld in uwen wil, die elders heen gericht was.”
100Warelijk zullen alsnu mijne woorden naakt zijn, zooverre het voegen zal die te onthullen aan uw nog onontbolsterd gezicht.”
103En meer schitterend, en met tragere schreden, hield de zon den middagcirkel, die daar enginds, al naar de gezichtspunten, wordt gemaakt;
106wanneer stille-hielden, gelijk stille-houdt, hij die tot escorte vóórgaat aan eenen legertrein, zoo hij iets nieuws op zijne schreden vindt,
109de zeven vrouwen, aan de grens van een bleeke schaduw, hoedanig eene onder groene bladeren en zwarte takken op hunne koude beken de Alpen dragen.
112Voor haar scheen ik me den Euphraat en den Tigris uit ééne bron te zien uitgaan, en als vrienden noode van elkaar te gaan.
115„O licht, o roem des menschelijken geslachts, welk water is dit, dat hier uit één beginsel zich verdeelt, en zich van zich verwijdert?”
118Op zulke bede werd mij gezegd: „Bid Mathilde dat zij het u zegge.” En hier antwoordde, als degene doet, die zich kwijt van een schuld,
121de schoone vrouwe: „Dit en andere dingen zijn hem door mij gezegd: en ik ben gewis dathet water van Lethehet hem niet heeft verborgen.”
124En Beatrice: „Wellicht grootere zorge, die dikmaals de heugenis berooft, heeft zijnen geest in zijne oogen duister gemaakt.
127Maar zie Eunoë, die daar ontspringt: leid hem daarheen en gelijk gij gewoon zijt, herlevendig hem de halfgestorven vermogens.”
130Gelijk eene edele ziele, die zich niet verschoont, maar haren wil maakt van eens anders wil, zoodra deze door een teeken is kenbaar gemaakt,
133aldus, nadat ik door haar was medegenomen, maakte de schoone vrouwe zich op, en tot Statius zeide zij naar edeler vrouwe-wijze: „Kom met hem.”
136Zoo ik hadde, lezer, meerdere ruimte tot schrijven, zoude ik in onderdeelen zingen van hetzoete drinken, dat mij nooit zoude hebben verzadigd:
139maar omdat volle zijn alle de bladen die toegedeeld zijn tot dit tweede gedicht, laat mij de teugel der kunst niet verder gaan.
142Ik keerde van die heiligste wateren, herschapen aldus, als jonge planten weer getooid met jeugdige looveren,
145gelouterd en bekwaam tot stijgen tot de sterren.