NEGENDE ZANG

De Dichter, ingeslapen zijnde, heeft tegen den morgen eenen droom; als hij daaruit ontwaakt, bevindt hij zich met Virgilius vóór de Poort van de eigenlijke plaats der Loutering, welke hij door den haar bewakenden engel wordt binnengelaten.

1Debijzit van den ouden Tithonusschemerde reeds aan de Ooster-kim, [opgerezen] uit de armen van haren zoete-lief:

4haar voorhoofd was lichtend vanedel-gesteenten, die gezet waren naar de teekening van dat kille dier, dat met den staart de volkeren slaat:

7en de nacht had van de schreden, waarmede zij stijgt, er twee gedaan op de plaats, waar wij waren, en de derde neeg reeds de vleugelen naar beneden,

10wanneer ik, die met mij had van dat van Adam, verwonnen van den slaap, mij op het gras neeg, daar waar wij reedsalle vijfgezeten waren.

13Op de ure dat de zwaluw haar droeve zangen begint dicht bij den morgen, wellicht ter gedachtenis van hare eerste weeën,

16en dat onze geest, meer vervreemd van het vleesch, en minder door gedachten ingenomen, in zijne gezichten bijna profetisch is;

19was het mij in den droom of ik eenen adelaar zag, hangend in den hemel op gouden pennen, met de vlerken geopend, en bereid om zich neder te laten:

22en het docht mij dat ik dáár was, waar de zijnen door Ganymedes verlaten werden, daar hij ter hoogste vergadering getogen werd.

25Bij mij-zelven dacht ik: wellicht loert deze steeds hier uit gewoonte en wellicht gewaardigt deze zich niet van een andere plaats iets mede te nemen in zijne klauwen.

28Voorts docht me dat hij, na eerst nog een weinig in den ronde gewield te hebben, verschrikkelijk als een bliksem nederdaalde en mij naar boven haaldetot aan het vuur.

31Daar docht me dat hij en ik brandden, en zoo stak mij de verbeelde brand, dat het geviel dat de slaap verbroken werd.

34Niet anders huiverde Achilles, de ontwaakte oogen in een kring rond-bewegende, en niet wetende waar hij was,

37wanneer zijne moeder hem, slapende in hare armen, van Chiron wegvoerde naar Scyrus, daar van waar voorts de Grieken hem deden heengaan;

40als ik huiverde, mèt dat de slaap mij van het aangezicht vluchtte, en ik werd bleek, gelijk de mensch wordt, die ontsteld ijst.

43Alleen mijn trooster was mij ter zijde, en de zon was reeds hooger dan twee uren, en mijn gezicht was naar de zee toe gewend.

46„Heb geen vrees,” zeide mijn Heer: „stel u gerust,daar wij op eengoedeplaats zijn, wil alle kracht niet benauwen maar verruimen.”

49„Thans zijt gij aan het oord der Loutering gekomen. Zie daar den rand, die het van rondom sluit; zie daar den ingang waar die rand open schijnt.

52Zoo-even in den dageraad, die den dag vóórgaat, wanneer uwe ziel binnen-in u sliep op de bloemen, waarmee de grond daar beneden is getooid,

55kwam eene vrouw, en zeide: „Ik benLucia; laat mij hem opnemen, die daar slaapt, aldus zal ik hem bekwamen tot zijnen weg.”

58Sordello bleef achter, en ook de andere edele gestalten; zij nam u op, en mèt dat het helder dag was, ging zij opwaarts, en ik in hare voetstappen.

61Hier legde zij u neer: en eerst wezen hare schoone oogen mij dien open ingang; voorts gingen zij en uw slaap teffens weg.”

64Op de wijze van een mensch, die in twijfel zich voelt gerust gesteld, en die zijn vrees in welgemoedheid verandert, wanneer de waarheid hem ontdekt is,

67zoo verkeerde ik; en wanneer mijn Gids mij onbezorgd zag, bewoog hij zich voort over den rand, en ik achter hem naar de hoogte.

70Lezer, gij ziet wel hoe ik mijne stoffe verhoog, dies verwonder u niet zoo ik haar met meer kunst versterk.

73Wij naderden, en wij waren op eene plaats zóó dat ik daar, waar mij eerst docht een kloof te zijn, gelijk een spleet die een muur deelt,

76eene poort zag, en drie treden daaronder om tot haar te komen, van kleur verscheiden, eneenen poortwachter, die tot nog toe geen woord zei.

79En naar gelang ik meer en meer het oog er op opende, zag ik hem zitten boven op de bovenste trede, zoodanig in het aangezicht, dat ik het niet verdroeg:

82en een ontbloot zwaard had hij in de hand, dat de zonnestralen zoozeer te ons-waart weerkaatste, dat ik vele malen den blik vergeefs op hem richtte.

85„Zegt gij mij daar: wat wilt gij?” begon hij te zeggen: „waar is uw geleide? Ziet toe dat het boven-komen u niet schade.”

88„Eene vrouw uit den Hemel, van deze dingen wel-onderricht,” aldus antwoordde hem mijn Meester, „zeide zooeven tot ons: „Gaat daarheen, daar is de poort.””

91„En zij moge te goeder ure u uwe schreden voorwaarts doen richten,” herbegon de hoofsche portier: „nadert dus tot onze trappen.”

94Daar kwamen wij; ende eerste tredewas wit marmer, zóó glad-gewreven, dat ik er mij in spiegelde gelijk ik verschijn.

97De tweede, donkerder dan donkerpaars, van een ruw en branderig steen over lang en over dwars gebarsten.

100De derde, die het bovenst opgestapeld lag, docht mij van een zoo vlammend porphier, als bloed, dat uit een ader spuit.

103Boven op deze hield de Engel Gods beide devoetzolen, zittende op den dorpel, die mij scheen van diamant.

106Over de drie treden trok mijn Gids mij, die vol ijver was, en hij zeide: „Vraag nederig dat hij het slot ontgrendele.”

109Deemoedig wierp ik mij aan de heilige voeten: erbarmen vroeg ik, en dat hij me opendeed; maar te voren gaf ik mij drie slagen op de borst.

112Zeven P'sschreef hij mij op het voorhoofd met de spits van het zwaard, en: „Maak dat gij, wanneer gij binnen zijt, u deze wonden afwascht,” zeide hij.

115Asch of aarde, die droog opgegraven wordt, mocht wel van éénzelfde kleur zijn alszijn kleedijen van onder deze bracht hij twee sleutelen te voorschijn.

118De ééne was vangoud, en de andere was van zilver; eerst met de witte en voorts met de gele deed hij aldus aan de poort, dat ik tevreden was.

121„Telkens wanneer één van deze sleutelen faalt, daar zij niet recht in het sleutelgat gestoken wordt,” zeide hij tot ons: „dan gaat de poort niet open.

124Kostbaarder is de ééne; maar de andere wil meer kunst en vernuft voordat zij opent, daar zij het is, die den knoop ontknoedelt.

127Van Petrus heb ik ze;”en hij zeide mij dat ik liever moest dwalen door haar te openen dan door haar dicht te houden, zoo maar de luiden zich voor mij ter aarde werpen.

130Voorts stiet hij de heilige deur open, zeggende: „Treedt binnen; maar ik maak u opmerkzaam, dat hij naar buiten terugkeert, die terugziet.”

133En toen in de scharnieren de spillen van die heilige deur waren omgedraaid, die van metaal zijn,dreunend en zwaar,

136niet loeide de Tarpejische rots aldus noch toonde zij zich zóó toornig, wanneer haar de goede Metellus werd ontnomen, waardoor zij voortaan ledig bleef.

139Ik richtte mij aandachtig naar den eersten donder, en „Te Deum laudamus” docht ik mij te hooren in zang-stem gemengd met de zoete muziek.

142Juist zulk eene verbeelding gaf mij dat wat ik hoorde, als men gewoon is te krijgen, wanneer men staat te zingen met het orgel:

145zoodat men dàn wel dàn niet de woorden verstaat.

Eerste ommegang van den Louteringsberg

Op den eersten ommegang gekomen, zien de beide Dichters de in marmer gehouden tafereelen der deemoedigheid (1–96), daarna de schimmen, die boete doen voor hoovaardigheid.

1Toen wij waren binnen den dorpel van de poort, welken de kwade begeerte der zielen in onbruik brengt, daar zij den krommen weg recht doet schijnen,

4hoorde ik haar dreunende gesloten worden: en zoo ik de oogen naar haar gericht hadde, welke waardige verontschuldiging ware er geweest voor de feil?

7Wij stegen door een gespleten rots, die zichdan naar dezen dan naar dien kantbewoog, gelijk de golf, die vlucht en naderkomt.

10„Hier voegt het een weinig kunst te gebruiken,” begon mijn Gids: „om dan hier dan ginds den wand te naderen, die wijkt.”

13En dat maakte onze schreden zoo schaarsch, datde donkere helft der maanaan hare legerstede kwam om zich ter ruste te begeven,

16voordat wij buiten die kloof waren. Maar wanneer wij vrij en open waren, daar boven-op, waar de berg zich van achteren weer sluit,

19toen stonden wij, ik vermoeid, en beiden onzeker over onzen weg, stil boven op een vlak, meer eenzaam dan wegen door woestijnen.

22De ruimte van den rand, waar die het ledige begrenst, tot aan den voet van den hoogen rotswand, die staeg rijst, zou in drie malen het lichaam van een mensch hebben gemeten:

25en zoover mijn oog de vleugelen kon spannen, ter linker en ter rechter zijde, docht mij die kornis aldus te zijn.

28Nog hadden onze voeten zich niet daar boven op bewogen, wanneer ik gewaar werd dat die rots-rand in den ronde, die niet in rechte richting bestegen kan worden,

31van wit marmer was, en dèr-wijze gesierd met er in uitgehouwen beeldwerk, dat niet maar Polycletus maar ook Natuur daarvoor had moeten onderdoen.

34De Engel, die op aarde kwam met de Boodschap van den vele jaren met tranen afgebeden vrede, welke den Hemel opende na het lange verbod,

37verscheen voor ons, waarachtig daar uitgehouwen, met zoo vredig gebaar, dat hij geen beeld scheen, dat zwijgt.

40Men zou gezworen hebben dat hij zeide: „Wees gegroet!” omdat daar uitgebeeld wasDegene, die de sleutels omdraaide om de hoogeLiefdete openen.

43En in haar doen drukte zij zoo eigenlijk deze woorden uit: „Zie hier uwe Dienstmaagd,” als waren het letters, gestempeld in lak.

46„Houd toch niet op ééne plaats de aandacht gericht,” zeide mijn zoete Meester, die mij had aan dien kant, aan welken de mensch het hart heeft:

49waarom ik mij draaide met den blik, en ik zag achter Maria, naar dien kant, waaraan degene was die mij aanporde,

52een andere historie in de rots gebeeld: waarom ik Virgilius voorbij-trad, en mij er dichter bij bracht opdat het me beter onder de oogen kwam.

55Daar waren in het marmer uitgehouwende wagen en de ossen, trekkende de heilige Ark, door welke men zich schroomt voorniet toevertrouwden dienst.

58Daarvoor vertoonden zich lieden; en die allen, verdeeld in zeven koren, deden van twee van mijne zinnen den éénen zeggen: „zij zingen,” den anderen: „zij zingen niet.”

61Evenzeer aangaande den rook der wierookvaten, die daar was afgebeeld, geraakten de oogen en de neus over het al of niet branden in tweedracht.

64Daar ging, opgeschort dansende, de nederige Psalmist de gebenedijde Bondskist vóór, en was in dat geval tegelijkmeer en minder dan Koning.

67Tegenover hem, aan het venster van een groot paleis, keek Michal, gelijk een minachtende en verdrietige vrouw.

70Ik verzette de voeten van de plaats waar ik stond, om van dichte-bij een andere historie tebezien, welke achter Michal in wit steen zich mij vertoonde.

73Daar was getafereeldde hooge glorie des Romeinschen vorsten, wiens groote deugd Gregorius prikkelde tot zijn groote overwinning:

76van Trajanus den Keizer, spreek ik: en een weeuwtjen was hem aan den toom, ontdaan door tranen en door smart.

79Rondom haar scheen het stampvol van ruiteren, en de adelaren van goud bewogen zich boven hen zichtbaar op den wind.

82Het rampzalig vrouwtje scheen te midden van deze allen te zeggen: „Heer, wreek mij mijnen zoon, die gedood is, dies ik treur.”

85En gene [scheen] haar te antwoorden: „Dan wacht totdat ik keere.” En zij: „Heer mijn,” gelijk een mensch in wien de smart ongeduldig wordt:

88„Zoo gij niet keert?” En hij: „Wie dàn zit, waar ik nù, zal het u doen.” En zij: „De goede daad des anderen, wat baat die u, zoo gij uw plicht verzaakt?”

91Waarop hij: „Dan troost u, daar het voegt dat ik mij kwijte van mijn plicht, voor ik uittrekke: Gerechtigheid wil 't en plichtsbesef houdt mij terug.”

94Degene, die nooit nog iets nieuws gezien heeft, bracht dat zichtbare spreken voort, nieuw voor ons, daar het hier niet gevonden wordt.

97Terwijl ik mij verlustigde met het aanschouwen der tafereelen van zoo groote deemoedigheden, wier aanblik mij ook lief was om der wille van hunnen Maker;

100toenfluisterdede Dichter: „Zie van ginds komen, maar met schaarsche treden, vele luiden: zijzullen den weg wijzen tot de hoogere ommegangen.”

103Mijne oogen, die bezig gehouden werden door de aanschouwing, om het nog nooit geziene te zien, waarnaar zij zoozeer verlangend zijn, waren niet traag om zich naar hem te keeren.

106Ik wil niet, lezer, dat gij daarom aflaat van goede voornemens, wanneer gij hoort hoe God wil dat de schuld geboet wordt.

109Let niet op den vorm van het martelen: let op hetgeen erop volgt; bedenk dat, in het ergste geval, het niet kan duren ginds van het groote Oordeel.

112Ik begon: „Meester, dat wat ik te-ons-waart zie bewegen, schijnen mij niet personen: ik en weet niet wat; zoo machteloos ben ik in het zien.”

115En hij tot mij: „De zware gesteldheid van hunne foltering doet ze zich ter aarde buigen, zóódat mijne oogen er eerst door te strijden hadden.

118Maar houd den blik daarop gericht, en ontbolster met den blik dat wat daar onder rotsblokken naderkomt: reeds kunt gij ontwaren hoe ieder gedrukt wordt.”

121O trotsche Christenen, rampzalig neergedrukten, die, zwak met de oogen des geestes, vertrouwen hebt op derugge-waartsche schreden,

124beseft gij niet, dat wij wormen zijn, geboren om den engel-gelijken vlinder te vormen, die ter rechtvaardigheid vliegt zonder omhulling?

127Waarop gaat uwe ziel hoovaardig als een haan? Gij zijt als insecten in onvolkomenheid, gelijk rupsen, in welke de formatie nog ontbreekt.

130Gelijk, om vloer of dak te stutten, men menig malen tot stut een [menschelijke] gedaante ziet, wie de knieën tegen de borst komen,

133hoedanig eene over het niet-ware ware droefenis doet opkomen bij wie het ziet; zoo zag ik ze, toen ik ze wèl beschouwde.

136Waar is dat ze meer of min samengetrokken waren, naarmate ze meer of minder op den rug hadden; en hij, die het meeste geduld in het voorkomen had,

139scheen weenende te zeggen: „Ik kan niet meer.”

Voortzetting van den eersten ommegang, waarin geboet wordt voor hoovaardigheid

Volgens aanwijzing gekregen van ééne van die zielen, wenden de Dichters zich ter rechter over de eerste kornis; en ondertusschen vertoont zich aan hen Humbert, een der graven van Santafiore, en wordt Dante herkend door Oderisi da Cubbio, die spreekt over de ijdelheid van den wereldschen roem en hem een en ander mededeelt aangaande Provenzano Salvani, die aldaar zich loutert van de vroegere hoovaardigheid.

1„O Vader onze, die in de hemelen zijt,niet dáártoebeperkt, maar wegens de grootere liefde die Gij voor de eerste werken van daarboven hebt,

4Uw naam en Uw macht zij geprezen van alle schepsel, naar het voegt dank te zeggen aan uwen liefde-walm.

7Kome tot ons de vrede van Uw koninkrijk, daarwij niet uit ons zelven met alle onze ingeboren krachten tot haar kunnen komen, als zij niet tot ons komt.

10Gelijk uwe engelen van hunnen wil offerande doen aan U, zingende Hosanna, dat de menschen zóó doen van den hunnen.

13Geef ons heden ons dagelijksch manna, zonder hetwelk door deze rauwe woestenij teruggaat ook wie het meest zich inspant te gaan.

16En gelijk wij het kwaad, dat wij geleden hebben, aan een ieder mogen vergeven, zoo vergeef ook gij weldadig, en zie niet naar onze verdienste.

19Onze deugd, die lichtelijk bezwijkt, beproef die niet [in den strijd] met den Ouden Tegenstander, maar verlos haar van hem, die zóózeer haar bestookt.

22Dit laatste gebed, lieve Heer, wordt reeds niet gedaan om onzentwille, daar wij dat niet van noode hebben, maar ter wille van hen, die achter ons zijn blijven staan.”

25Aldus voor ons en voor zichzelven goede reize afbiddende, gingen deze schimmen onder den last, een dergelijken als waar men zoo dikwijls van droomt,

28naar verscheiden wijze benauwd, allen in het rond en moede, boven over den eersten rand, louterende de nevelender wereld.

31Zoo aan gindsche zijde steeds goede voorspraak voor ons gedaan wordt, wat kan dan aan deze zijde voor hen gedaan worden doordegenen, die goeden wortel hebben voor hunnen wil.

34Wèl moet menhen helpen te wasschen de merken, die zij hier droegen, zóódat zij rein en licht kunnen uitgaan tot de bestarnde sferen.

37„Zegt!zoo waarlijk moge gerechtigheid en vroomheidu weldra ontlasten, zoodat gij den vleugel kunt uitslaan, die u naar verlangen opheffe:

40wijst ons naar welken kant men het kortst gaat naar de trap: en zoo er meer dan ééne opening is, zegt ons die, welke het minst steil stijgt;

43daar deze, die met mij komt, door den last des vleesches van Adam, waarmede hij bekleed is, tegen zijnen wil zuinig is met opstijgen.”

46Deze hunne woorden, die ze antwoordden op gene, welke gezegd waren door hem, dien ik volgde, 't was niet duidelijk van wien ze kwamen;

49maar er werd gezegd: „Ter rechter hand langs den rotswand komt met ons, en gij zult den doorweg vinden, mogelijk voor een levend wezen om er langs op te gaan.

52En zoo ik niet belemmerd ware door het rotsblok, dat mijnen hoovaardigen nek ònderhoudt, vanwaar het mij voegt het hoofd laag te houden,

55zoude ik schouwen naar hem, die nog leeft en zich niet noemt, om te zien of ik hem ken en om hem medelijdend te maken met dezen last.

58Ik waseen Latijner, geboren uit eenen grooten Toscaan: Willem Aldobrandeschi was mijn vader: ik weet niet of zijn naam ooit met u was.

61Het oude bloed en de roemrijke daden van mijne voorvaderen maakten mij zóó aanmatigend, dat ik, niet denkend aan de gemeenschappelijke moeder, te voren allen mensch

64zoozeer in minachting hield, dat ik er van stierf, gelijk de Sieneezen weten, en in Campagnatico elk sprekend wezen het weet.

67Ik ben Humberto; en niet slechts mij schaadde mijn hoovaardigheid, want alle mijne stamgenooten heeft zij met zich in het ongeluk getrokken.

70En hier voegt het dat ik dit gewicht drage voorhen, zoolang totdat hier bij de dooden Gode voldoening worde gegeven, daar ik dat niet bij de levenden deed.”

73Luisterende, neeg ik het aangezicht naar omlaag; en één van hen (niet degene die gesproken had) draaide zich onder het gewicht, dat hem belastte:

76en zag mij, en kende mij en riep, houdende de oogen met moeite gericht op mij, die gansch gebukt mèt hen ging:

79„O,” zeide ik tot hem: „Zijt gij niet Oderisi, de eer van Agubbio, en de eer van die kunst, welkeverluchtenin Parijs wordt genoemd?”

82„Broeder,” zeide hij: „meer lachen de papieren, welke Franco Bolognese penseelt: en thans is de eer ganschzijnenmijn[slechts] voor een deel.

85Wel zoude ik niet zoo hoffelijk geweest zijn, zoolang ik leefde, door de groote begeerte om uit te munten, waarop mijn hart zich richtte.

88Voor zóódanige hoovaardigheid betaalt men hier de boete: en nog zoude ik niet hier zijn, 't en ware het dat ik,[nog] kunnende zondigen, mij tot God heb gewend.

91O ijdele roem van de menschelijke vermogens, hoe kort duurt het groen op zijn kruin alshijniet wordt besprongen door ruwe tijden.

94Cimabue meende in de schilderkunst het veld te houden en nù heeft Giotto den roep, zoodat hij den roem van genen verduistert.

97Aldus heeft de ééneGuidoden anderen den roem der taal ontnomen; en wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.

100Niet anders is het wereldsch gerucht dan een windvlaag, die nu eens her-, dan derwaarts komten van naam verandert omdat hij van kant verandert.

103Welken roem zult gij meer hebben, indien de ouderdom het vleesch van u scheidt, dan indien gij gestorven waart vóórdat gij afliet van „bôo, bôo” en „dui en dui” [te zeggen],

106eer duizend jaar voorbijgaan? Hetwelk eene kortere tijdsruimte is [vergeleken] bij de eeuwigheid, dan een oogwenk is [vergeleken] bijden cirkel, die het traagstin den hemel gewenteld wordt.

109Van dengene, die vóór mij zoo weinig op den weg vooruitkomt, schalde gansch Toscane, en nu fluistert men ternauwernood van hem in Siena,

112waarvan hij Heer was, wanneer verdelgd werdde Florentijnsche woede, dewelke te dien tijd hoovaardig was, gelijk zij thans veil is.

115Uw roep is als de kleur van 't kruid, die komt en gaat, endezelfdedoet haar verkleuren, door wie zij onrijp uitgaat uit den grond.”

118En ik tot hem: „Uw ware woorden boezemen mij goede nederigheid in en maken plat groote gezwollenheid: maar wie is degene van wien gij zooeven spraakt?”

121„Dat is,” antwoordde hij: „Salvani Provenzano; en hij is hier, omdat hij zich aanmatigde gansch Siena onder zijne handen te krijgen.

124Hij is aldus gegaan en gaat aldus zonder verpoozen, sinds hij stierf: zoodanige munt betaalt om voldoening te geven, hij die daarginds te vermetel was.”

127En ik: „Zoo de geest, die, voor hij zich berouwt, den rand des levens bereikt, daar omlaag blijft en niet hier omhoog stijgt,

130indien goede gebeden hem niet helpen, voordatverloopt zóó lange [tijd] als hij geleefd heeft, hoe werd de toegang hem gegeven?”

133„Wanneer hij roemrijkst leefde,” zeide hij: „vrij in het land van Siena, heeft hij, afleggendealle schaamte, zich gevest:

136en daar, om zijnen vriend te verlossen uit de pijne, die hij doorstond in de gevangenis van Karel, onderstond hij het om te beven over alle leden.

139Meer zal ik niet zeggen, en ik weet dat ik duister spreek, maar weinig tijd zal voorbijgaan, dat uwe geburen zoo zullen doen, dat gij het zult kunnen toelichten.

142Dit werk onthief hem van diegrenslanden.”

Vervolg van den eersten ommegang

Hier zien de Dichters in de rots afgebeeld voorbeelden van gestrafte hoovaardigheid. Een Engel wijst hun den opgang tot den tweeden omgang.

1Paarswijze, als runderen die onder het juk gaan, ging ik verder met die belaste ziel, zoolang het toestond de zoete leidsman.

4Maar wanneer hij zeide: „Laat hem en kom mee, daar het hier goed is met het zeil en de riemen zoo goed [en zoo kwaad] ieder kan, zijn hulkje voort te drijven,”

7maakte ik mij weder recht, gelijk men pleegt te gaan, met mijn persoon, hoewel mijne gedachten gebogen en geknot bleven.

10Ik had mij voortbewogen, en volgde volgaarne de schreden van mijnen Meester, en beiden toonden wij reeds hoe licht wij waren;

13wanneer hij tot mij zeide: „Richt de oogen naaromlaag: het zal u goed zijn, tot het verlichten van den weg, het bed te zien van uwe voetzolen.”

16Gelijk, opdat er heugenis van hen zij, boven de begravenen de aardsche graftomben dragen verbeeld dat wat zij vroeger waren;

19waarom men daar vele malen weent, door den stekel der heugenis, die alleen aan de vromen de sporen geeft;

22zóó zag ik dáár, maar met betere gelijkenis, naar gelang van de kunstvaardigheid, bebeeld zooveel [ruimte] als voor weg buiten den berg naar voren komt.

25Aan ééne zijde zag ikdengene, die edelst geschapen wasvan alle schepsel, bliksemende nederdalen van den hemel.

28Briareus zag ik, doorboord van den hemelschen schicht, liggen aan den anderen kant,zwaarvoor de aarde door de doods-kou.

31Ik zag [Apollo] Thymbraeus, ik zag Pallas en Mars, nog gewapend,rond hunnen vader, staren op de verspreide ledematen der Giganten.

34Ik zag Nimrod aan den voet van het groote werk, geheel verbijsterd de luiden aanstaren, die in Sennaär met hem hoovaardig waren.

37O Niobe, met welke treurende oogen zag ik u gebeeld op het plaveisel temidden van uwe zeven en zeven gedoode kinderen.

40O Saul, hoe scheent gij daar gestorven op uw eigen zwaard op den berg Gilboa, die voortaan noch regen noch dauw voelde.

43O dwaze Arachne, zóó zag ik u, reeds half eene spinne, droef bovenop de flarden van het werk dat tot uw nadeel gemaakt was.

46ORehabeam, uw beeltenis schijnt daar niet meer dreigende te zijn, maar vol van vreezendraagt hemeen wagen vandaar voor men hem verjage.

49Nog vertoonde het harde plaveisel hoeAlcmeon zijner moeder duur deed dunken het heilloos sieraad.

52Het vertoonde hoe zijne [eigene] zonen zich wierpen op Sennacherib binnen in den tempel en hoe zij hem dood daar lieten.

55Het vertoonde den ondergang en het wreede voorbeeld dat Tamyris stelde, daar zij zeide tot Cyrus: „Naar bloed dorstte u en van bloed verzadig ik u.”

58Het vertoonde hoe in verwarring vluchtten de Assyriërs, nadat Holophernes dood was, en ook het overschot des vermoorden.

61Ik zag Troja in asch en bouw-val: o Ilium, hoe vernederd en waardeloos toonde u de beeltenis, die men dáár ontwaart.

64Wie was er meester van penseel en teekenstift, dat hij weergaf de schaduwen en lijnen, die daar elken fijnen geest tot bewondering zouden brengen?

67Dood schenen daar de dooden en levend de levenden: hij, die de werkelijkheid ziet, ziet niet meer dan ik, [ziende] al wat ik betrad zoolang ik gebukt ging.

70Nu braveert maar en gaat met het gezicht omhoog, zonen Eva's, en buigt maar niet het gelaat zóó dat gij uw kwade pad ziet.

73Meer was er reeds door ons van den berg omgegaan en van den weg der zon vrij wat meer afgelegd, dan mijnonvrije zielwel vermeende;

76wanneer hij, die altijd opmerkzaam vóórging, begon: „Hef het hoofd, het is niet meer tijd aldus in gedachten te gaan.

79Zie daar een Engel, die zich opmaakt te ons-waart te komen: zie hoede zesde dienstmaagdkeert van de bediening des daags.

82Doe uwe gebaren en gelaat aan met eerbiedigheid, zoodat het hem behage ons naar boven te geleiden: gedenk dat deze dag nooit weder daagt.

85Ik was aan zijn waarschuwen goed gewend, om toch geenen tijd te loor te laten gaan, zoodat hij in die stoffe niet duister tot mij kon spreken.

88Tot ons kwam het schoone schepsel, wit gekleed, en in het aangezicht zoodanig als de morgenstar flonkerend zich vertoont.

91De armen opende hij en daarna opende hij de vleugelen: en zeide: „Komt; hier dichtbij zijn de treden, en licht kan men van stonde aan stijgen.

94Op deze nooding komen maar zeer schaarschen: o menschelijk geslacht, geboren om opwaart te vliegen, waarom valt gij bij zoo weinig wind?”

97Hij leidde ons daar waar de rots was uitgehouwen; daar sloeg hij mij de vleugelen voor het voorhoofd, voorts beloofde hij mij veiligen gang.

100Gelijk om ter rechterhand ten berg op te klimmen, waar de kerk gelegen is, die neer ziet opde goed geleideboven de Rubaconte,

103de straffe heftigheid des stijgens verbroken wordt door de trappen, die gemaakt werdenten tijde datkwatern en schepel veilig waren;

106aldus vergemakkelijkt zich de rand, die hier wel zeer snel valt, van den tweeden ommegang: maar hier en daar scheert [ons] de hooge rots.

109Terwijl wij ons aldaar omwendden, zongen stemmen aldaar „Zalig zijn de armen van geest,” derwijze dat geen woorden het konden weergeven.

112Ai mij! hoe verscheiden zijn deze ingangen van de helsche! daar men hier onder gezangen binnentreedt en daar onder woeste jammerkreten.

115Alreede stegen wij op langs de heilige treden, en veel lichter scheen het mij toe te zijn, dan het mij te voren in de vlakte had toegeschenen:

118waarop ik: „Meester” zeide: „welke zwarigheid is er van mij weggenomen, dat bijna geen vermoeienis onder het gaan door mij wordt gekregen?”

121Hij antwoordde: „Wanneer de P's, die nog op uw gelaat, bijna uitgewischt, overgebleven zijn, ganschelijk gelijk die ééne, zullen zijn weggeschoren,

124worden uwe voeten aldus overwonnen door uwen goeden wil, dat zij niet slechts geen vermoeienis zullen gevoelen, maar dat het hun vermaak zal zijn opwaart te worden gedrongen.”

127Toen deed ik gelijk degenen die gaan met op hun hoofd iets, waarvan zij niet weten tenzij dat de gebaren der andere menschen het hen doen vermoeden;

130waarom de hand hen helpt om hen te vergewissen, en zoekt en vindt, en dat werk verricht, wat niet kan worden verricht door het gezicht:

133en met de gescheiden vingers van de rechterhand bevond ik slechts zes der letters, welke die van de sleutelen mij boven de slapen had ingegrift:

136En mijn gids, dit ziende, glimlachte.


Back to IndexNext