NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG

Terwijl de Dichter voortgaat langs de rivier, met gelijken tred de Vrouwe volgende, die aan gene zijde der rivier is, wordt hij door haar gemaand aandachtig te zijn; en zie, plotseling doorloopt een glans het woud èn eene zoete melodie; waarop volgt een schouwspel vol wonder en mysterie.

1Zingende als eene Vrouwe, die verliefd is, vervolgde zij om hare woorden te eindigen: „Gelukzalig degenen,wier zondenverborgen zijn.”

4En als nimfen, die eenzaam gaan door de woudschaduwen, begeerende dezen om de zon te ontvluchten, genen om haar te zien,

7bewoog zij zich stroom-op-waarts, gaande op den oever en ik gelijkelijk met haar, haar kleine schrede met kleine schrede volgende.

10Nog waren er geen honderd schreden bij elkaar door haar en mij afgelegd, wanneer de oevers gelijkelijk eene zwenking maakten, derwijze dat ik mij naar het Oosten begaf.

13Noch ook zóó was onze weg lang, wanneer deVrouwe zich gansch te mij-waart keerde, zeggende: „Broeder mijn, schouw en luister.”

16En zie, plotseling liep een luister van alle kanten door het groote woud, zóódat het mij in vermoeden bracht dat het bliksemde.

19Maar omdat het bliksemen, gelijk het kwam, bleef en het, durende, meer en meer straalde, zeide ik in mijne gedachte: „Wat is dit?”

22En eene zoete melodie liep door de lichtende lucht: waarom goede ijver mij deed laken de vermetelheid van Eva,

25die dáár, waar hemel en aarde gehoorzaam was, zij de eenige vrouw, en wel zoo even geschapen, 't niet gedroegonder eenigen sluierte blijven:

28onder welken ik, als zij onderdanig ware geweest, die onuitsprekelijke geneugten hadde gevoeld voormaals, en voorts in eeuwigheid.

31Terwijl ik voortging, mids zóó groote eerstelingen van het eeuwige geneugt, gansch in verrukking, en begeerig tot nog meerdere blijdschappen,

34toen werd vóór ons, als een ontstoken vuur, aldus de lucht, onder de groene takken, en het zoete geluid werd reeds gehoord als een lied.

37O onaantastbare Maagden, zoo ik ooit honger, koude of nacht-wake voor u doorstond, nu noopt mij de gelegenheid dat ik loon daarvoor eische.

40Nu voegt het dat de Helicon zich voor mij vergiete, en Urania mij helpe met haar koor, om dingen, die zwaar zijn te denken, in verzen te zetten.

43Weinig later deed ons den schijn zien van zeven boomen van goud de lange tusschen-ruimte, die nog tusschen hen en ons was;

46maar wanneer ik zoo nabij hen was gekomen, dathet verkeerd gezienevoorwerp, dat den zinmisleidt, door den afstand geen enkel onderdeel kwijt ging;

49ontwaarde dat vermogen, dat der rede de stoffe toedient, ze zooals ze waren: als kandelaren, en in de stemmen van het zingen: „Hozanna.”

52Van boven vlamde dat schoon gerei veel heller dan maan aan wolkenloozen hemel des middernachts in 't midden van haar maand.

55Ik keerde mij vol verwondering tot den goeden Virgilius, en hij antwoordde mij met een aangezicht, niet minder vol van verbazen.

58Voorts hergaf ik den blik aan die hooge dingen, die zóó traag zich te ons-waart bewogen, dat zij zouden verwonnen zijn door jonge bruiden.

61De Vrouwe kreet tot mij: „Waarom toch brandt gij zóó in begeerte voor de levende lichten, en op wat achter hen komt, acht gij niet?”

64Luiden zag ik toen, als achter hunne gidsen, komen achter hen in het wit gekleed; en zulke witheid was er nooit aan deze zijde.

67Het water was in lichtglans aan mijn linkerkant en hergaf me ook mijne linker-zijde, als ik daarin zag, als een spiegel.

70Wanneer ik zóó dicht bij mijnen oever stond, dat alleen de stroom mij [van dat alles] gescheiden maakte, bracht ik, om beter te zien, mijne schreden tot stilstand;

73en ik zag de vlammekens naar voren gaan, latende achter zich de lucht gekleurd, en van getrokkenpenseelenhadden zij den schijn;

76zóódat (de lucht) er boven bleef geschakeerd met zeven strepen, alle in die kleuren, waarvan de zon haren boog maakt en Delia haren gordel.

79Die vlaggen waren naar achteren grooter dan ik kon zien en naar mijne schatting waren ertienschredentusschen de voorste [en de achterste].

82Onder zóó schoonen hemel, als ik [vertellende] verdeel, kwamenvierentwintig ouderlingen, twee aan twee, bekranst met leliën.

85Allen zongen: „Gezegend zijt gij onder de dochteren van Adam, en gezegend zijn in eeuwigheid uwe schoonheden.”

88Nadat de bloemen en de andere versche kruiden, tegenover mij op den anderen oever, vrij waren van die uitverkoren lieden,

91zóóals ['t eene] licht het [andere] licht opvolgt in den hemel, kwamen achter hen vier dieren, elk bekranst met groen loover.

94Elk was gevlerkt met zeven vlerken, de vlerken vol met oogen; en de oogen vanArguszouden, zoo ze levend waren, aldus zijn geweest.

97Om hunne gestalte verder te beschrijven kwist ik geene rijmen meer, lezer; daar andere uitgave mij zóózeer nijpt dat ik in dezen niet mild kan zijn.

100Maar lees Ezechiël, die ze beschrijft, hoe hij ze zag van den kouden kant komen met wind, met wolken en met vuur;

103en hoedanig gij ze vinden zult in zijne geschriften, zóó waren ze daar, behalve dat, voor de vederen, Johannes met mij is en van hem zich scheidt.

106De ruimte tusschen hen gevieren bevatte eenen triumfwagen, op twee raderen, die kwam getrokken aan den hals van eenengriffoen.

109En hij stak den éénen en den anderen vlerk omhoog tusschen de middelste en de drie en drie strepen, zoodat hij geene, klievende, kwaad deed.

112Zóó hoog rezen zij, dat zij niet werden gezien; de leden had hij van goud, zóó verre hij vogel was, en wit de andere met bloedrood gemengd.

115Geen denken aan dat Rome met zoo schoonenwagen Scipio Africanus of wel Augustus verheugde; maar [zelfs] die van de Zon ware arm bij dezen;

118die van de Zon, die den weg bijster, werd verbrand, op de bede der deemoedige Aarde, wanneer Jupiter in zijnen geheimen raad rechtvaardig was.

121Drie vrouwenrondom het rechter-rad kwamen dansende; de ééne zóó rood, dat zij binnen in het vuur nauwelijks ware herkend;

124de tweede was als of haar vleesch en beenderen van smaragd waren gemaakt; de derde scheen sneeuw, zoo even neergekomen.

127En nu schenen zij door de witte getrokken, dan door de roode, van den zang van deze namen de anderen het snelle en het trage gaan.

130Ter slinker maakten erviereen feest, in purper gekleed, volgende de maat van ééne van haar, die drie oogen had in het hoofd.

133Na de gansche voorzeide groep, zag iktweeouden, in kleeding verscheiden, maar gelijken in gebaren, eerlijk en ernstig.

136De één toonde zich één der volgelingen van dien grooten Hippocrates, dien de natuur maakte voor de wezens, die zij het liefste heeft.

139De ander toonde de tegengestelde zorg met een zwaard, dat lichtend was en scherp, zóódat het mij van den anderen kant der rivier vreeze gaf.

142Voorts zag ikvierin nederigen schijn, en achter allen eenen oude alléén komen, slapende, met helder-ziend gelaat.

145En deze zeven waren gekleed als die van den eersten stoet; maar van leliën maakten zij rond om het hoofd geenen tuin;

148maar van rozen en andere bloedroode bloemen:gezworen hadde, wie ze van wat verder zag, dat allen brandden van boven de brauwen.

151En wanneer de kar was tegenover mij, werd een donder gehoord; en dien waardigen luiden scheen het verder gaan ontzeid te zijn,

154daar zij stille stonden bij de eersteteekenen.

Zie Beatrice, te midden van de feestelijke toejuichingen en eerbetuigingen der Engelen. Virgilius is vertrokken en Dante weent. Tot hem wendt zich de goddelijke Vrouwe, en gispt hem hevig over zijne vergetelheid en ontrouw. Waardoor de Dichter zoo verbijsterd geraakt, dat de Engelen zelf er erbarmen mede betuigen. Beatrice houdt niettemin aan en, om hem meer te deemoedigen, ontvouwt zij hem zijne ondankbaarheid en zijne dwalingen.

1Wanneerhet zevengesterntevan den eersten Hemel, dat noch ondergang ooit kende, noch opgang, noch sluier van eenigen anderen nevel dan schuld,

4en dat dáár een iegelijk indachtig maakte aan zijnen plicht, gelijk het lagere [zevengesternte een iegelijk], die de roer-pen draait om in de haven te geraken,

7stille stond, keerde dat waarachtige volk, eerst gekomen tusschen den griffoen en dat gesternte, zich tot de kar, als tot zijnen vrede:

10en één van hen, of hij ware van den hemel gezonden: „kom mijne bruid van den Libanon,” zingende, riep hij drie malen, en alle de anderen hem nà.

13Gelijk de zaligen bij den jongsten ban op zullen staan, vlug een iegelijk uit zijne holte, het weer aangenomen vleesch op doende rijzen,

16aldus op den goddelijken wagen, rezen er honderd, „op de stem vanzóó groot eenen grijsaard,” dienaren en boden des eeuwigen levens.

19Allen zeiden: „Gezegend, gij die komt;” en bloemen werpende van omhoog en in het rond: „Geeft, o geeft met volle handen leliën.”

22Wel zag ik bij het beginnen van den dag het Oostelijk deel des hemels ganschrooskleurig, en den overigen hemel met schoone wolkeloosheid gesierd,

25en het gelaat der zon beschaduwd geboren worden, zóó dat door de matiging der dampen het oog haar langen tijd doorstond:

28aldus, binnen eenen nevel van bloemen, die van de engelen-handen oprees en nederviel binnen en buiten [den wagen]

31met den olijf-krans boven den witten sluier, verscheen mij eene vrouw, die, onder den groenen mantel, gekleed was met de verwe van levende vlam.

34En mijn geest,—daar het reeds zóó lang her was, sinds hij in hare tegenwoordigheid van verstomming sidderende, was verbroken—

37zonder door de oogen meer kennisse van haar te krijgen, voelde door de verborgen kracht, die van haar uit ging, „het groot vermogen der oude liefde.”

40Zoodra de hooge deugd mij in de oogen trof, diemij had doorschoten vóór ik buiten den knapenleeftijd was,

43draaide ik mij ter slinker, met dat vertrouwen, waarmede het kindje tot de moederborst snelt, wanneer het vrees heeft of bedroefd is,

46om te zeggen tot Virgilius: „Minder dan een wichtjen bloed is mij gebleven dat niet siddert: ik herken de teekenen der oude vlam;”

49maar Virgilius had ons verlaten, zoodat wij van hem verstoken waren, Virgilius, die zoetste vader, Virgilius, wien ik mij tot mijn heil had overgegeven;

52en datalles, watonze Oude Moeder (Eva) had verloren, vermocht niet op mijne wangen, die van tranen vrij waren, zóóveel dat zij niet weenende werden verduisterd.

55„Dante, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog niet, daar het om een anderzwaardu voegt te weenen.”

58Gelijk een admiraal, die op vóór- en achter-steven komt om de lieden te zien, die de andere schepen bedienen, en om wèl te handelen hen aanmoedigt,

61zóó zag ik, op den linkerrand der kar, wanneer ik mij keerde op het geluid vanmijnen naam, die noodzakelijkerwijze hier wordt opgeteekend,

64de Vrouwe, die te voren mij verscheen gesluierd onder den engelen-feesttooi, de oogen te mijwaart richten van gene zijde der rivier.

67Ofschoon de sluier, die haar daalde van het hoofd, omkranst met het loover van Minerva, haar niet openbaar liet verschijnen,

70ging zij, koninklijk, in het gebaar nog onmeedoogend, voort, gelijk degene, die spreekt, en het warmere spreken nog achterhoudt:

73„Aanschouw mij wèl: wèl ben, wèl ben ik Beatrice: hoeverwaardigdetgij u tot den berg toe te komen? Wist gij niet dat hier de mensch gelukkig is?”

76Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin ziende, trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte bezwaarde mij het voorhoofd.

79Aldus dunkt de moeder trotsch den zoon, gelijk zij mij docht; omdat bitter smaakt de strenge moederliefde.

82Zij zweeg, en de engelen zongen plots: „In U Heer heb ik gehoopt;” maar verder dan tot „mijne voeten” kwamen zij niet.

85Zooals sneeuw te midden der levende balken over den rug van Italië bevriest, als zij wordt beademd en genepen door de Slavonische winden,

88voorts gesmolten in zich zelve druppelt, mèt dat het land, waar de mensch zijn schaduw kwijt gaat, blaast, zooals men 't vuur de kaars ziet doen smelten;

91zóó was ik zonder tranen en zuchten vóór het zingen van degenen, die altijd maat-houden, volgende de maten der eeuwige sferen.

94Maar nadat ik had vernomen in hunne zoete maatgeluiden hun erbarmen met mij, méér dan zoo ze gezegd hadden: „Vrouwe, waarom hem zóó vernederd?”

97werd de vorst, die me rond het hart was verhard, tot adem en tranen, en met doods-weeën kwam ze door mond en oogen uit de borst.

100Zij, steeds stille op de gezegde zijde des wagens staande, richtte voorts hare woorden aldus tot de vrome wezens:

103„Gij waakt in den eeuwigen dag, zoodat nachtnoch slaap u eene schrede steelt, welke de eeuw doet op hare wegen;

106waarom mijn antwoord met meer zorg is, opdat mij versta degene, die daar weent, waardoor zijne schuld en de droefenis daarover van ééne mate zij.

109Niet maar door de in-werkingder groote raderen, die elk zaad tot eenig doel sturen, al naar de starren begeleidsters zijn;

112maar door mildheid der goddelijke genade, die zóó dichtedampenvoor hare regens heeft, dat onze blikken hun niet nabij komen,

115was deze aldús in zijn jonge leven invermogen, dat alle passendegewaadhem wonder wel hadde gestaan.

118Maar zoo veel slechter en meer verwilderd wordt de bodem door het kwade zaad en wanneer hij niet goed is bebouwd, hoe meer eigen goede kracht hij heeft.

121Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen hem vertoonende, leidde ik hem [zoodat hij was] met mij op het goede doel gericht.

124Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van leven verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich aan een ander.

127Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en minder gevallig;

130en hij richtte de schreden langs den niet waren weg, valsche schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat ze beloofden.

133Noch dat ik voor heminblazingenwist te winnen van God, vermocht mij iet, waarmede ik hem inden droom en op andere wijze terugriep; zóó weinig gaf hij er om.

136Zóó diep viel hij, dat alle middelen tot zijn heil reeds te kort schoten,behalve hem de verdoemden te doen zien.

139Om hèm bezocht ik den ingang der dooden en tot hèm, die hem tot hier omhoog heeft geleid, werden mijne gebeden weenende gebracht.

142Het hooge gebod van God zou worden verbroken, als Lethe werd gepasseerd, en zulk een drank werd geproefd zonder eenigen tol van berouw, dat tranen plengt.

Beatrice vervolgt hare verwijten aan den Dichter, en noopt hem tot de belijdenis van zijne dwalingen. Door zoo groote vernedering voorbereid tot het grootste geluk, wordt hij opgenomen door Mathilde en gedopt in den stroom der vergetelheid. Dan passeeren hem de vier zedelijke Deugden, dansende met den arm boven zijn hoofd, en brengen hem tot voor den wagen. Voorts presenteeren hem de drie theologische Deugden aan Beatrice en verzoeken haar zich voor haren getrouwe te ontsluieren. De sluier wordt afgenomen en de Dichter wordt in verrukking gebracht door het Paradijs, dat straalt in de oogen zijner Vrouwe.—

1„O gij, die zijt aan gene zijde van den heiligen stroom” (keerende tot mij [het zwaard] van haar spreken met de spits, dat ook reeds met de snede mij scherp had geschenen),

4herbegon zij, vervolgende zonder dralen: „Zeg,zeg of dit waar is: bij zóó groote beschuldiging past het dat uwe belijdenis gevoegd zij.”

7Mijne deugdwas zóózeer onthutst, dat mijne stem begon en doofde, vóór zij uit hare organen was uitgegaan.

10Een weinig wachtte zij; voorts zeide zij: „Waaraan denkt ge? Antwoord mij; daar de droeve heugenissen in u nog niet door het water zijn uitgewischt.”

13Verwarring en vrees onder een gemengd dreven mij zulk een „ja” uit den mond, om het welk te verstaan ook de oogen noodig waren.

16Gelijk een handboog, wanneer die afgaat al te zeer gespannen, zijn koord en boog breekt, en met minder vaart de pijl het doelwit treft;

19zóó borst ik onder dien zwaren last, uit mij latende gaan tranen en zuchten, en mijn stem vertraagde op haren weg.

22Waarop zij tot mij: „Mids de door mij gewekte begeerten, die u leidden om het goede te minnen ginds waarvan niets meer valt na te streven,

25welke dwarsgrachten, welke ketenen vondt gij daar, dat de hoop om verder te komen u aldus moest worden benomen?

28En welke gemakken, of welke voordeelen vertoonden zich in het voorhoofd der andere [goederen], waarom gijvóór hen uit moest loopen?”

31Na het ophalen van eenen bitteren zucht, had ik nauwelijks de stem die antwoordde, en de lippen vormden haar met moeienis.

34Weenende zeide ik: „De tegenwoordige zaken met heur valsche behagen, keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuil gegaan.”

37En zij: „Zoo gij verzweegt, of ontkendet datgenewat gij belijdt, ware uwe schuld niet minder bekend: door zulk eenen rechter wordt die geweten.

40Maar wanneer uit den eigen mond uitgaat de aanklacht van het misdrijf, dan keert zich in ons hof het rad tegen de snede.

43Nochtans, opdat ge meerdere schaamte draagt over uwe dwaling, en opdat gij een andermaal wanneer gij de sirenen hoort, sterker zijt,

46leg af den lastdie oorzaakis van uw weenen en luister; zóó zult ge hooren hoe in tegengestelde richting u moest nopen mijn vleesch, dat begraven is.

49Nooit bood natuur en kunst u behagen zóó groot als de schoone leden waarin ik gesloten was, en die, nu ze ontbonden zijn, aarde zijn.

52En zoo het hoogste behagen u ontging door mijnen dood, welke sterfelijke zaak moest u voorts trekken, tot hare begeerte?

55Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke zaken troffen, hadt ge u moeten opheffen, om mij die niet meerzoodanigwas te volgen.

58Gij moest niet meer uwe vleugelen omlaag laten drukken, om meer slagen te verwachten, hetzij door een meisje of eenige andere ijdelheid met zóó korte bate.

61Een jeugdig vogelken laat zich twee of drie malen beknippen; maar voor de oogen der gevederden spant men vergeefs het net of schiet men den pijl.”

64Gelijk de kinderen van schaamte sprakeloos, met de oogen op den grond luisterende staan, hunne schuld inziende en zich berouwende;

67aldus stond ik. En zij zeide: „Daar gij door het hooren droefenis hebt, richt omhoog den baard,en meer droefenis zult ge krijgen door te kijken.”

70Met minder weerbarstigheid ontwortelt zich een krachtige eik, of wel voor onzen wind of wel dien van het land van Iärbas,

73dan ik op haar bevel de kin oprichtte: en daar zij met den baard het aangezicht aanduidde, herkende ik wel het venijnige der betichting.

76En toen mijn aangezicht zich ontspande, ontwaarde mijn oog datdie eerste schepselenvan hunne besprenkeling hadden afgelaten:

79en mijne oogen nog weinig gerust, zagen Beatricegerichtop dat wilde dier, dat alléénéén persoon is in twee naturen.

82[Hoewel] onder haren sluier, en ginds van de groene rivier, scheen ze mij haar oude zelf meer te overtreffen, dan zij de andere vrouwen hier [overtrof], toen zij hier was.

85Het kruid des berouws stak mij daar zóó, dat van alle andere dingen dat, wat mij het meeste toog tot zijne liefde, mij het meest vijandig werd.

88Zulk eene zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel, en hoedanig ik toen werd, zij weet het, die mij er de gelegenheid toe gaf.

91Voorts, wanneer het hart mij weer de kennis der buiten [wereld] hergaf, zag ik de Vrouwe, die ik eenzaam gevonden had, boven mij, en zij zeide: „Houd mij, houd mij vast.”

94Zij had mij in den stroom getogen tot aan de keel, en mij achter haar aan trekkende, ging zij henen over het water licht als een weversspoel.

97Wanneer ik was dicht bij den gelukzaligen oever, werd er „Gij zult mij besproeien” zóó zoetelijk gehoord, dat ik het niet weet te herinneren, laat staan dat ik het schrijve.

100De schoone Vrouwe opende de armen, omarmdemij het hoofd, en dompelde mij onder, waar het paste dat ik het water inslikte.

103Voorts hief zij mij op; en gebaad bood zij mij binnen ten dans aan de vier schoone (vrouwen), en elke dekte mij met den arm.

106„Wij zijn hier nimfen en in den hemel zijn wij sterren; voordat Beatrice nederdaalde in de wereld, waren wij haar toegewezen tot hare dienstmaagden.

109Wij zullen u tot hare oogen geleiden; maar in het aangename licht, dat daarbinnen is, zullen uwe oogen scherpende drie van ginds, die dieper spieden.”

112Aldus zingende begonnen zij; en voorts tot aan de borst des griffoenen leidden zij mij met haar, waar Beatrice te ons-waart stond gewend.

115Zij zeiden: „Maak dat gij de oogen niet spaart; wij hebben u gezet voor de smaragden, vanwaar weleer liefde hare wapenen voor u trok.”

118Duizend begeerten heeter dan vlam drongen mijne oogen tot hare weerlichtende oogen, die steeds bleven boven den griffoen bestendig.

121Gelijk de Zon in den spiegel, niet anders straalde het dubbele gediertedaar binnen-in, nu met het ééne, dan met het andere bestier.

124Denk, lezer, of ik mij verwonderde, wanneer ik het ding in zich stille zag staan, en het in zijne beeltenis zich veranderde.

127Terwijl, vol verbazing en blijde, mijne ziel die spijze proefde, welke, verzadigende, doet dorsten;

130kwamen, in hare gebaren zich toonende van het hemelsche geslacht, de andere drie naar voren, dansende naar haren engelen-zang.

133„Keer, Beatrice, keer de heilige oogen,” zoo washeur zingen: „tot uwen getrouwe, die, om u te zien, zóó vele schreden heeft gedaan.

136Uit genade doe ons de genade hem uw gelaat te onthullen, zóó dat hij onderscheide de tweede schoonheid die gij verholen houdt.

139O glans van eeuwig levend licht, wie is bleek geworden in schaduw van den Parnassus, of dronk van zijne bron,

142die niet zou blijken den geest verduisterd te hebben, beproevende u zoodanig weer te geven, als gij verscheent waar de Hemel musiceerende u overschaduwt,

145wanneer gij u in de open lucht onthuldet?

Terwijl Dante, vol van begeerte, in verrukking op Beatrice staart, wordt hij gemaand door de stem van ééne der theologische deugden. En zie, de wagen beweegt zich met de heilige schare en is gekomen tot een zeer hoogen en kalen boom, aan welken de griffioen den dissel bindt; waardoor de boom weldra met looveren en bloemen zich dekt. Bij een zoet gezang slaapt de Dichter in; en wederom gewekt, ziet hij Beatrice zitten tot bewaking van den wagen met de zeven vrouwen, en voorts verschillende mysterieuse gevallen, die met boom en wagen gebeuren.

1Zóózeer waren mijne oogen gevest en gericht om te verslaan den tienjarigen dorst, dat mijne andere zinnen gansch gedoofd waren:

4en die [oogen] hadden aan deze en gene zijde [als] wanden van onverschilligheid, zóó zeer trok het heilige glimlachen ze in het oude net:

7wanneer met kracht mijn gezicht ter slinker werdgericht door die godinnen, omdat ik door haar hoorde een: „al te vast.”

10En die [on]geschiktheid tot zien die in de oogen is, zooeven door de zon getroffen, deed mij eenigen tijd zijn zonder gezicht;

13maar sinds het gezicht zich had herschapen tot het weinige (ik zeg „tot het weinige” met opzicht tot het vele zinnelijke, waarvan ik mij met geweld had losgemaakt),

16zag ik de glorieuse heerschare op den rechterarm gezwenkt, en zich keeren met de zon en de zeven vlammen in het aangezicht.

19Gelijk om zich te bergen eene schare zich omwendt onder de schilden, en met het vaandel zwenkt, voor dat zij ganschelijk zich in zich kan keeren;

22zóó passeerden ons die strijd-machten des Hemelschen Koninkrijks, vóór de Karden disselboomomkeerde.

25Voorts keerden de vrouwen zich tot de raderen, en de griffoen bewoog den gebenedijden last zóó, dat daarom toch geen zijner vederen bewoog.

28De schoone vrouwe, die mij tot het veer had getogen en Statius en ik, wij volgden het rad, dat de bocht maakte met den kleinsten boog.

31Aldus passeerende door dat woud, dat ledig is door de schuld van haar die de slang geloofde, matigde eene engelsche muziek onze schreden.

34Wellicht in drie vluchten nam-in zóó groote ruimte afgeschoten pijl, als wij verder gegaan waren, wanneer Beatrice afstapte.

37Ik hoorde mompelen door allen: „Adam!” Voorts omkringden zij eenen boom, die ontdaan was van bloemen en alle loover op elken tak.

40Zijn getakte, dat zooveel zich verbreedt naarmatehet hooger komt, zoude [zelfs] door de Indiërs in hunne bosschen om zijn hoogte zijn bewonderd.

43„Gelukkig zijt gij, griffoen, die met den bek niets afscheert van dat hout, dat den smaak zoet is, omdat de buik daarna kwalijk wordt gefolterd.”

46Aldus rondom den krachtigen boom riepen de anderen, en het dier, dat twee maal werd geboren: „Aldus wordt bewaard het zaad van alle recht.”

49En gekeerd naar den dissel, dien hij had getrokken, trok hij hem tot den voet van den verweeuwden boom; en dien [dissel] die van hem was, liet hij aan hem gebonden.

52Gelijk onze planten, wanneer het groote licht omlaag-valt gemengd met dat hetwelk straalt achter den hemelschen riet-voorn;

55zwellen en voorts elke zich met zijne kleur hernieuwt, voor dat deZonhare renners aanspant onder een ander gesternte;

58eene kleur openbarende, minder dan van rozen en meer dan van violen, vernieuwde zich die boom, die te voren het getakte zóó vereenzaamd had.

61Ik verstond het niet, noch wordt het hier beneden gezongen, het loflied dat die luiden zongen, noch ook verdroeg ik den galm gansch-en-al.

64Zoo ik konde wedergeven hoe in slaap geraakten de meedoogenlooze oogen, daar zij hoorden van Syrinx, de oogen, welken het zoo duur kwam te staan dat ze wakkerder waren dan andere,

67dàn zoude ik, als schilder die schildert náár het model, afteekenen hoe ik insluimerde; maar wie maar wil, die zij het die het insluimeren zich verbeelde.

70Daarom spring ik over tot wanneer ik wakker wierd, en zeg ik dat een lichtgloed mij open-reet den sluier des slapens, en een roepen: „Sta op, wat doet gij?”

73Gelijk tot het zien van de bloesemen des appelbooms, die de engelen naar zijne vracht gulzig, en eeuwig durende bruiloft in den hemel maakt,

76Petrus en Jacobus en Johannes geleid waren en zij [eerst] overweldigd zijnde terugkeerden tot [het hooren van] het woord, door hetwelk ook diepere slaap werd gebroken;

79en zij het gezelschap gedund zagen, zoowel van Mozes als van Elias, en van hunnen Meester het gewaad verwisseld;

82aldus keerde ik weder [tot mijn bewustzijn] en zag ik diePiaboven mij staan, die geleidster was geweest van mijne schreden langs den stroom te voren:

85en gansch in twijfel zeide ik: „Waar is Beatrice?” en zij: „Zie haar onder het nieuwe loover zitten op den wortel.

88Zie het gezelschap, dat haar omgeeft; de anderen, achter den griffoen, gaan henen omhoog, met zoeteren en dieperen zang.”

91En of haar verder spreken meer verward was, ik weet het niet, omdat reeds mij in de oogen was zij, die voor ander ontwaren mij had gesloten.

94Alleenig zat zij op de ware aarde, als hoedster daar gelaten van den wagen, dien ik zag binden door het tweestaltig dier.

97In cirkel rondom haar maakten eene heining van zich zelven de zeven nimfen met die lichten in de hand, die ònontrust zijn door Noord- en Zuid-wind.

100„Hier zult gij korten tijd vreemdeling zijn en gij zult met mij zonder einde burger zijn van dat Rome, waarvan Christus is Romein;

103daarom voor het wel van de wereld, die kwalijk leeft, houd nu tot de kar de oogen, en wat gij ziet, maak ginds gekeerd, dat gij het schrijvet.”

106Aldus Beatrice; en ik, die gansch en al aan de voeten van hare bevelen mijne toewijding toonde, richtte geest en oogen waarheen zij wilde.

109Nooit daalde met zóó vlugge beweging vuur uit dikke wolk, wanneer het regent van die streek, die het meest verwijderd is,

112als ik den vogel van Jupiter zag dalen tot den boom omlaag, afbrekende [gedeelten] van de schors, laat staan van de bloesemen en nieuwe bladeren.

115En hij sloeg den wagen uit alle macht, waardoor deze neeg, als een schip in nood, door de golven overwonnen, dan naar stuur- dan naar bak-boord.

118Voorts zag ik zich wagen in den bak des triumphantelijken voertuigen eene wolvin, die nuchter scheen van alle goede voedsel.

121Maar haar berispend wegens leelijke schuld, deed mijne Vrouwe haar zich keeren in zoo groote vlucht, als maar gedoogden de beenderen zonder merg.

124Voorts, van waar hij was te voren gekomen, zag ik den adelaar nederdalen in de ark des wagens, en haar laten vol met zijnevederen.

127En, hoedanig eene stemme uit een hart, dat in droefenis is, zoodanig eene ging uit van den Hemel, en deze zeide aldus: „O mijn schepelijn, hoe kwalijk zijt gij bevracht!”

130Voorts scheen mij dat de aarde zich opende tusschen beide de wielen, en ik zag er uit komeneen draak, die door de kar, naar boven, den staart stak:

133en, gelijk eene wesp, die den angel terug-trekt, tot zich trekkende den kwaadaardigen staart, trok hij dien uit den bodem, en ging weg dit-heen en dat-heen [zich kronkelende].

136Dat wat overbleef [van den wagen] werd, gelijk met hondsgras vruchtbare aarde, zóó met pluimaadje geboden wellicht met bedoeling kuisch en welwillend,

139bedekt, en er mede was overdekt en het ééne en het andre rad en de dissel, in zoo weinig tijd, dat meer tijd de geopende mond eenen zucht inhoudt.

142Aldus herschapen schoot het heilige gebouwhoofdennaar buiten uit zijne deelen, drie op den dissel en één op elken hoek.

145De eerste waren gehoornd als [die van] runderen, maar de vier [andere] hadden één éénigen hoorn op het voorhoofd. Dusdanig monster was nog nooit gezien.

148Vreesloos als burcht op hoogen berg, zag ik boven op hem zitten eene hoer met losse kleederen, met de blikken rondom loenschend.

151En, als het ware, opdat zij hem niet werd ontnomen, zag ik haar ter zijde eenen Reus, en zij kusten elkander meerdere malen.

154Maar omdat zij het begeerig en zwervend oognaar mijkeerde, geeselde die woeste boel haar van het hoofd tot de voetzolen.

157Voorts, vol van argwaan en rauw van toorn, ontbond hij het monster [kar en al] en trok het door het woud zóóverre, dat hij alleen al van dat [woud] een schut voor mij maakte tegen de Hoer en dat nieuwe gedierte.


Back to IndexNext