The Project Gutenberg eBook ofDante's Louteringsberg

The Project Gutenberg eBook ofDante's LouteringsbergThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Dante's LouteringsbergAuthor: Dante AlighieriTranslator: H. J. BoekenRelease date: March 17, 2012 [eBook #39181]Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE'S LOUTERINGSBERG ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Dante's LouteringsbergAuthor: Dante AlighieriTranslator: H. J. BoekenRelease date: March 17, 2012 [eBook #39181]Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

Title: Dante's Louteringsberg

Author: Dante AlighieriTranslator: H. J. Boeken

Author: Dante Alighieri

Translator: H. J. Boeken

Release date: March 17, 2012 [eBook #39181]

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE'S LOUTERINGSBERG ***

Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie) zijn behouden.Van de illustraties van de voorkant en de titelpagina's is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.Dit e-boek is het tweede deel van “De Goddelijke Komedie” van Dante Alighieri. De oorspronkelijke italiaanse versie van dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg:La Divina Commedia di Dante: Purgatorio(e-boek #1010).Via Project Gutenberg zijn ook de volgende vertalingen beschikbaar:Engels:Divine Comedy, Longfellow's Translation, Purgatory(e-boek #1002)Engels:Divine Comedy, Cary's Translation, Purgatory(e-boek #1006)Engels:Divine Comedy, Norton's Translation, Purgatory(e-boek #1996, proza-vorm)Engels:The Divine Comedy by Dante, Illustrated, Purgatory(e-boek #8795)Fins:Jumalainen näytelmä: Kiirastuli(e-boek #11072)Friuliaans:La Divina Comèdia: Purgatòri(e-boek #16188)Het eerste deel van “De Goddelijke Komedie” is via Project Gutenberg beschikbaar als e-boek #30229:Dante's Hel, in proza overgebracht.Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie) zijn behouden.

Van de illustraties van de voorkant en de titelpagina's is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Dit e-boek is het tweede deel van “De Goddelijke Komedie” van Dante Alighieri. De oorspronkelijke italiaanse versie van dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg:La Divina Commedia di Dante: Purgatorio(e-boek #1010).Via Project Gutenberg zijn ook de volgende vertalingen beschikbaar:

Het eerste deel van “De Goddelijke Komedie” is via Project Gutenberg beschikbaar als e-boek #30229:Dante's Hel, in proza overgebracht.

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

WERELDBIBLIOTHEEKOnder leiding van L. Simons.HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.UITGEGEVEN DOOR:DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE ENGOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM

WERELDBIBLIOTHEEKOnder leiding van L. Simons.

HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.

UITGEGEVEN DOOR:DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE ENGOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM

DANTE'SLOUTERINGSBERGIN PROZA OVERGEBRACHTDOOR DR. H. J. BOEKENDERDE DRUK—(9e, 10e en 11e DUIZEND)1920

DANTE'SLOUTERINGSBERG

IN PROZA OVERGEBRACHT

DOOR DR. H. J. BOEKEN

DERDE DRUK—(9e, 10e en 11e DUIZEND)

1920

Lezers dezer vertaling worden gewezen op het hoogst belangrijke werk, in onzeWereld-Bibliotheekverschenen:PROF. HENRI HAUVETTE: Inleiding tot de studie van deDivina Commedia. Vertaling William Davids.Keurboek voor Vlamingen: „Als algemeene Inleiding tot de Goddelijke Comedie kon de W. B. geen beter werk kiezen dan de studie van Prof. Hauvette.”GEDRUKT TER DRUKKERIJ „DE DEGEL”—AMSTERDAM

Lezers dezer vertaling worden gewezen op het hoogst belangrijke werk, in onzeWereld-Bibliotheekverschenen:

PROF. HENRI HAUVETTE: Inleiding tot de studie van deDivina Commedia. Vertaling William Davids.

Keurboek voor Vlamingen: „Als algemeene Inleiding tot de Goddelijke Comedie kon de W. B. geen beter werk kiezen dan de studie van Prof. Hauvette.”

GEDRUKT TER DRUKKERIJ „DE DEGEL”—AMSTERDAM

Aankomst der beide Dichters op het andere Halfrond; ontmoeting met Cato van Utica, die hun de eerste voorschriften geeft.

1Om koers te zetten over beter water, hijscht nu het scheepje van mijn ingeborenheid de zeilen, dat zóó gruwbare zee achter zich laat:

4en zingen zal ik van dat tweede Rijk, waar de menschelijke geest zich loutert, en waardig wordt om naar den Hemel te stijgen.

7Maar hier herrijze de doode Dichtkunst, o heilige Muzen, daar ik de Uwe ben, en datCalliopehier een weinig hooger trede,

10mijnen zang volgende met dat geluid, van het welk de rampzaligeEksterenden slag zóódanig gevoelen, dat zij aan vergiffenis moesten wanhopen.

13Zoete kleur van oostelijk saffier, die zich gaarde in den wolkloozen aanblik van de zuivere lucht tot aan den eerstenkring,

16herbegon geneugt voor mijne oogen, zoodra iknaar buiten trad uit de doode lucht, die mij de oogen en de borst had bedroefd.

19De schoone planeet, die tot minnentroost, deed het gansche Oosten glimlachen, verhullende devisschen, die in haren sleep gingen.

22Ik wendde mij ter rechter hand, en richtte mijnen geest op de andere pool, en ik zag vier starren nimmer gezien, uitgezeid aan de eerste menschen.

25De hemel scheen zich te verheugen in hunne vlammetjes. O noordelijke verweeuwde streek, daar gij verstoken zijt van die te bewonderen!

28Toen ik mij van hunnen aanblik had losgemaakt, mij een weinig wendend naar de andere pool, daar waar de Wagen reeds verdwenen was,

31zag ik dicht bij mij eenen oude alleen, zóó grooten eerbied in zijnen aanblik waardig, dat niet meerderen eenig zoon zijnen vader verschuldigd is.

34Den baard droeg hij lang en met witte haren ondermengd, gelijkende op zijne lokken, van welke op zijne borst een dubbele lijst afhing.

37De stralen der heilige vier lichten verluisterden zóó zijn aangezicht met licht, dat ik het zag alsof de Zon hem te voren ware.

40„Wie zijt gij, die tegen den blinden stroom op den eeuwigen kerker zijt ontvlucht?” zeide hij, bewegende dat eerwaarde pluimaadje:

43„wie heeft u geleid? Of wie was u een lamp, daar gij uitgingt buiten den duistren nacht, die altijd de vallei der onderwereld verdonkert?

46Zijn de wetten des afgronds aldus verbroken? Of is men in den Hemel tot nieuw beleid veraêrd, dat gij, die veroordeeld zijt, komt tot mijne rotsen?”

49Toen greep de Gids mij aan, en met woorden, handen en gebaarden, maakte hij mij de knieën en de wenkbrauw eerbiedbetuigend.

52Voorts antwoordde hij hem: „Niet uit mij zelven ben ik gekomen; eene vrouw daalde neder uit den Hemel, door wier gebeden ik dezen met mijn gezelschap ter hulpe kwam.

55Maar sinds het uw verlangen is dat meer worde verklaard van onzen toestand hoe die naar waarheid is, zoo kan het niet zijn dat het mijne aan u worde ontzegd.

58Deze zag nooit den laatsten avond, maar door zijne dwaasheid was hij dien zoo nabij, dat er zeer weinig tijd was om terug te keeren.

61Zooals ik zeide, werd ik tot hem gezonden om hem te redden, en er was geen andere weg, dan die langs welken ik mij heb begeven.

64Getoond heb ik hem al het schuldige volk; en van nu aan ben ik van zins hem die zielen te toonen, die zich louteren onder uwe balije.

67Hoe ik hem getogen heb, zoude lang zijn om u te zeggen: uit den hoogen daalt een vermogen, dat mij hem geleiden helpt opdat hij u zie en opdat hij u hoore.

70Nu behage het u zijne komst in te willigen; hij gaat zoekende de vrijheid, die zoo dierbaar is, zooals hij weet die voor haar het leven weigert.

73Gij weet het, daar om haar de dood voor u niet bitter was in Utica, waar gij het kleed liet, dat op den grooten dag zoolichtzal zijn.

76Niet zijn de eeuwige wetten voor ons geschonden, omdat deze leeft en Minos mij niet verbant; maar ik ben van den cirkel, waar de kuische oogen

79van uweMarciazijn, die, in haar gelaat u nog bidt, o heilige inborst, dat gij haar voor de uwe houdt: bij hare liefde dus neig u naar ons.

82Laat ons gaan door uwe zeven rijken:dankzal ik van u aan haar overbrengen, zoo gij gewaardigt daar beneden genoemd te worden.”

85„Marcia geviel zoozeer aan mijne oogen, zoolang ik aan gene zijde was,” zeide hij daarop: „dat welke gunst zij van mij verlangde, die deed ik.

88Maar nu zij aan gene zijde van de slechte rivier woont, kan zij mij niet meer bewegen, door die wet, die gemaakt werd toen ik er uit kwam.

91Maar indien eene Vrouw des Hemels u beweegt en stiert, zooals gij zegt, is er geene vleierij noodig: het zij voor u wèl genoeg, dat gij door haar het mij vraagt.

94Ga dus en maak dat gij hem toerust met eenglad takjenen dat gij hem het gezicht wascht, zoodat gij alle onreinheid daarvan wegwischt:

97daar het niet zou betamen, het oog bevangen van eenigen nevel, te verschijnen voor den eersten dienaar, die is van diegenen van het Paradijs.

100Dit eilandjen draagt rondom gansch in de laagte, daar beneden, daar waar de golf het slaat, van die takjes boven het zachte slijk.

103Geen andere plant, die loover zou maken of harder zou worden, kan daar leven hebben omdat die niet aan de slagen (van het water) zou mee-geven.

106Voorts zij niet hier-langs uw teruggang; de zon, die alsnu oprijst, zal u wijzen den berg te nemen ter makkelijkste bestijging.”

109Zoo verdween hij en ik richtte mij op zonder te spreken, en voegde mij weder geheel bij mijnen Gids en richtte de oogen naar hem.

112Hij sprak: „Zoon, volg mijne schreden: draaien wij ons naar achteren, omdat aan dien kant deze vlakte afglooit naar hare lage grenzen.”

115De dageraad verwon de vroeg-ochtend-duisternis, die voor haar vlood, zoodat ik van verre het rimpelen van het zeevlak gewaar wierd.

118Wij gingen langs het eenzame strand gelijk een mensch, die weerkeert tot den verloren weg, zoodat, tot hij daar komt, het gaan hem ijdel schijnt.

121Toen wij waren daar waar de dauw tegen de zon strijdt, en door daar te zijn, waar schaduw is, maar langzaam verdwijnt;

124toen legde mijn Meester de beide handen zacht boven het kruid uitgespreid; waarom, ik die zijne kunsten bemerkt had,

127hem de betraande wangen bood: daar maakte hij me ganschelijk óntdekt die kleur, welke de Hel mij verborgen had.

130Toen kwamen wij op dat verlaten strand, dat nooit mensch, die later van terugkeeren ondervinding heeft gehad, zijne wateren bevaren zag.

133Hier bekranste hij mij, zooals dien anderen behaagd had; o wonder! daar zóó als hij er een geplukt had van de nederige plant, zooéén werd weer geboren

136eensklaps daar, vanwaar hij die had weggerukt.

Wanneer de beide dichters aan het strand zijn, hunnen weg overdenkende, zien zij van over zee een schip aankomen. Onder de zielen, door dat schip aan land gezet, herkent Dante Casella. Wanneer Dante en de dooden zich door diens gezang een poos laten ophouden, schrikt Cato ze uiteen en naar den voet des bergs.

1Reeds wasde Zon tot dien horizont gekomen, welks middag-cirkel met zijn hoogste punt Jerusalem overstolpt:

4en de nacht, die tegengesteld aan haar cirkelt, kwam uit den Ganges te voren met de Weegschalen, die haar uit de hand vallen,wanneer zij winnende is;

7zoodat dáár, waar ik was, de witte en vermiljoenen wangen der schoone Aurora door te grooten leeftijd oranje werden.

10Wij waren alsnog langs de zee, als menschen die hunnen weg bepeinzen, die gaan met het hart en met het lichaam blijven:

13en zie hoedanig, onder de nabijheid des uchtends, Mars door de dikke dampen rood gloeit laag in het Westen boven het zee-vlak;

16zóódanig scheen mij,—zoo waarlijk moge ik het nogmaals zien—een licht over de zee te komen zóó snel, dat geen vliegen zijn bewegen evenaart;

19dan, daar ik een weinig het oog van hetzelve had afgetrokken om mijnen gids te vragen, herzag ik het, lichtender en grooter geworden.

22Voorts aan elke zijde daarvan verscheen me een ik en weet niet wat voor wits, en van onder kwam er gaandeweg nog iet ander wits van naar buiten.

25Mijn Meester sprak nog geen woord, totdat die eerste witheden vleugelen bleken: maar toen hij wèl den galjoot herkende,

28riep hij: „Maak, maak dat gij de knieën buigt, zie hier den Engel Gods: vouw de handen: voortaan zult gij dusdanige dienstdoenden zien.

31Zie hier eenen, die de menschelijke hulpmiddelen versmaadt, zoodat hij geen roeispaan wil, noch ook eenig ander zeil dan zijne vleugels, [varende] tusschen zoo verre kusten.

34Zie hoe hij ze heeft gericht jegens den hemel, de lucht strookende met de eeuwige vederen, die niet veraêren zooals menschelijke haren.”

37Voorts daar de hemelsche vogel meer en meer ons nader kwam, te lichter verscheen hij: waarom het oog hem van nabij niet verdroeg,

40maar ik neeg het neder; maar hij kwam dichter bij den oever, met een hulkje zóó snel en zóó licht dat het water niets er van opslokte.

43Aan den achtersteven stond de hemelsche veerman, zoodanig dat hij wel zalig bleek aan hetgeenop hem te lezen stond: en meer dan honderd geesten zaten er binnen in.

46„Toen Israël uit Egypten toog” zongen allen te zamen op eene voois, met al wat er voorts van dezen psalm geschreven is.

49Voorts maakte hij hun het teeken des heiligen kruises; waarna zij allen zich op het strand wierpen, en hij ging weg, vlug, zooals hij gekomen was.

52De schare, die daar terug-bleef, vreemd bleek zij aan de plaats, schouwende in het ronde, gelijk degene die nieuwe dingen proeft.

55Van alle kanten schoot den dag de Zon, die met de wel gemikte pijlenden Steenbokvan het midden des hemels had verjaagd;

58wanneer het nieuwe volk het voorhoofd op-hief jegens ons, zeggende tot ons: „Zoo gij het weet, wijst ons den weg, om tot den berg te gaan.”

61En Virgilius antwoordde: „Gij meent wellicht dat wij kennis hebben van deze plaats; maar wij zijn vreemden, zoo als gij het zijt.

64Zooeven kwamen wij een weinig vóór u, langs eenen anderen weg, die zóó ruw en moeielijk was, dat voortaan het stijgen ons een spel zal schijnen.”

67De zielen, die van mij opgemerkt hadden, aan het ademen, dat ik nog levend was, werden, zich verwonderend, ontsteld;

70en gelijk op denbode, die het olijf-loof draagt, het volk toeloopt om tijding te hooren, en niemand zich beschroomd toont om te dringen;

73zóó bleven op het zien van mij alle deze gelukzalige zielen stil-staan, bijna vergetende om te gaan tot daar waar zij zich schooner zouden maken.

76Ik zag er ééne van hen zich naar voren dringen om mij te omhelzen in zóó groote aandoening, dat hij mij bewoog om hetzelfde te doen.

79O ijdele schimmen, uitgezeid in den aanblik! Drie malen sloeg ik de handen achter hem in één, en even zoovele malen kwam ik met ze terug op mijn borst.

82Van verbazing, geloof ik, verschoot ik; waarom de schim glimlachte en zich terugtrok, en ik, volgende hem, ging naar voren.

85Zachtelijk zeide hij dat ik zoude stilstaan: toen herkende ik wie hij was, en ik verzocht hem dat hij om tot mij te spreken een weinig zoude stil staan.

88Hij antwoordde mij: „Zoo als ik u liefhad in het sterfelijk lichaam, zoo heb ik u lief, nu ik verlost ben; daarom blijf ik staan: maar gij, waarom gaat gij [dezen weg]?”

91„Casella, om nog eenmaal te keeren daarheen waar ik ben, doe ik deze reis,” zeide ik: „maar hoe is u zoo groot tijdsverloop ontnomen?”

94En hij tot mij: „Geen schade is mij gedaan, indien degene, die opneemt wanneer en wien hem behaagt, meerdere malen mij dezen overtocht heeft ontzegd,

97daar van den Rechtvaardigen Wil zijn wil wordt gemaakt.Waarlijk heeft hijsedert drie maandenal wie wilde ingaan, in allen vrede aangenomen.

100Waarom ik, die nog zooeven der zee was toegekeerd, daar waar het water van den Tiber zich pekelt, welwillend door hem werd opgenomen.

103Naar die uitmonding heeft hij nu weer den vleugel gericht; omdat zich dáar altijd vergadert, al wie niet naar den Acheron nederdaalt.”

106En ik: „Zoo de nieuwe wet u noch te heugenis noch het gebruik van het amoureuze lied ontneemt, dat mij placht alle mijne begeerten te stillen,

109gevalle het u daarmee een weinig mijne ziel te troosten, die met haar stoffelijk hulsel hier komende, zoozeer is vermoeid.

112„Liefde, die mij in den geest redeneert,” begon hij toen zóó zoetelijk, dat de zoetheid mij nog binnen-in weerklinkt.

115Mijn meester en ik en die lieden, die met hem waren, schenen zóó tevreden alsof niemand iets anders raakte.

118Wij waren allen gericht en oplettend op zijne tonen en zie, de eerwaarde grijsaard, [komt] schreeuwende: „Wat is dit, trage geesten?

121Wat nalatigheid, wat voor stil-staan is dit? Loopt naar den berg om u van de schellen te bevrijden, die u het gezicht tot God benemen.”

124Gelijk wanneer, graan of onkruid pikkende, de duiven vereenigd ter voeding, gerust, zonder de gewone preutschheid te toonen,

127als er een ding verschijnt, waarvoor zij vrees hebben, plotseling het voeder laten staan, omdat ze door grooter beslommering zijn besprongen;

130zoo zag ik dat versche gezelschap het gezang laten varen en vluchten naar den bergkant, gelijk een mensch die gaat, maar niet weet waar hij uitkomt:

133en niet minder snel was onze scheiding.

De beide Dichters, aan den voet van den rots-wand gekomen, zoeken een punt, waarlangs zij dien zullen kunnen beklimmen. Zij worden op den weg geholpen door eenigen uit de voorhoede van een schare van schimmen, die in minachting van de kerk hebben geleefd. Onder dezen is ook Manfred van Hohenstaufen, die aan Dante zijn dood en tegenwoordigen toestand verhaalt.

1Hoewel de plotselinge vlucht genen over het landschap had verspreid, ten berg gewend, waarhenen de rede ons noopt;

4drong ik mij aan tegen mijn getrouw geleide: en hoe zoude ik zonder hem den tocht hebben gedaan? Wie hadde mij [anders] den berg òp-getogen?

7Hij scheen mij rouwig over zich-zelven. O waardig, onkreukbaar geweten, hoe is u kleine feil tot bitteren beet!

10Wanneer zijn voeten aflieten van de haastigheid,welke den eerlijken zwier bij elke handeling vermindert, [toen] verruimde mijn geest, die eerst benepen was,

13zijne aandrift, als begeerig, en ik zond mijne blikken tegen de helling op, welke de hoogste is, die zich uit zee ten hemel heft.

16De zon, die rood achter mij vlamde, was vóór mij gebroken, naar den omtrek, welken de weerstand van hare stralen op mij had.

19Ik wendde mij ter zijde, vreezende verlaten te zijn, daar ik alleen voor mij den grond verdonkerd zag:

22en mijn Trooster: „Waarom zijt gij nog mistrouwig,” begon hij tot mij te zeggen, gansch balsturig: „gelooft gij mij niet met u en dat ik u leid?

25De avond is reeds daar, waar het lichaam begraven is, binnen het-welke ik schaduw maakte:Napels bezit het, en van Brindisium is het weggenomen.

28Dies, wanneer vóór mij geen schaduw komt, verwonder u des niet meer dan over de hemelen, dat de één voor den anderen geenen lichtstraal onderschept.

31Om èn warme èn koude folteringen te doorstaan beschikt dát Vermogen gelijke lichamen, Dat niet wil dat zich aan ons onthulle hoe Het het doet.

34Stomp is hij die hoopt dat onze rede den oneindigen weg kan doorloopen, die vat eene zelfstandigheid in drie personen.

37Weest tevreden, menschelijk geslacht, met hetQuia, daar, indien gij alles hadt kunnen zien, het niet noodig was dat Maria zwanger werd;

40en begeeren zonder bate zaagt gijmenigeen, wantbevredigd ware hunne begeerte, die voor eeuwig hun tot foltering is gegeven.

43Van Aristoteles en van Plato spreek ik, en van vele anderen.” En hier neeg hij het voorhoofd; meer sprak hij niet, en hij bleef mismoedig.

46Wij kwamen onderwijl aan den voet van den berg: daar vonden wij de rots zóó steil, dat te vergeefs de beenen daar vlug zouden zijn geweest.

49De woestste en steilste rotswand: tusschen Lerici en Turbia is, vergeleken met dezen, een lichte en begaanbare trap!

52„Nu,wie weet er aan welke handde steilte mindert,” zeide mijn Meester, den tred vertragend: „zóódat, wie zonder vleugels gaat, haar bestijgen kan?”

55En terwijl hij, den blik naar omlaag houdende, de gesteldheid des wegs onderzocht, en ik rondom tegen de rots òp-staarde,

58verscheen mij van de linkerhand eene schaar van schimmen, die de voeten te-ons-waart bewogen; en men zag het niet, zóó langzaam kwamen zij.

61„Hef,” zeide ik tot den Meester: „uwe oogen op: zie aan deze zijde [is er iemand] die ons raad zal geven, indien gij dien uit u zelven niet kunt hebben.”

64Toen keek hij, en met vrijen blik antwoordde hij: „Laat ons daarhenen gaan, daar zij langzaam komen; en gij, stijf uwe hoop, dierbare zoon.”

67Nog was dat volk, ik bedoel nadat wij duizend schreden hadden gedaan, zóó verre als een goed werper met de hand zou werpen;

70wanneer zij zich allen aan de harde rotsen van den hoogen wand drongen, en stil en opééngedrongenstonden, gelijk hij, die twijfelende gaat, stil blijft staan om te kijken.

73„O ter goeder uur gestorvenen, o reeds verkoren geesten,” begon Virgilius: „bij dien vrede, die ik geloof dat u allen te wachten staat,

76zegt ons waar de berg [vlakker] ligt, zoodat het naar boven gaan mogelijk zij; daar het tijd-verliezen aan wie meer weet, te meer mishaagt.”

79Gelijk de schapen komen uit de kooi, één, getweeën, gedrieën, en de anderen staan vreesachtig, met oog en muil naar beneden gericht,

82en dat wat de eerste doet, dat doen ook de anderen, tegen den rug van dezen opdringend als deze blijft stilstaan, onnoozel en zachtkens en het waarom weten zij niet:

85zóó zag ik toen denkopvan die gelukzalige kudde zich bewegen om te komen, kuisch van aangezicht en eerbaar in den gang.

88Toen zij aan mijn rechter kant het licht voor mij op den grond gebroken zagen, zoodat de schaduw van mij op den rots-wand was,

91stonden zij stil, en trokken zij zich een weinig terug; en alle degenen, die meer achter aankwamen, niet wetende waarom, deden hetzelfde.

94„Zonder dat gij mij vraagt, verklaar ik u, dat dit een menschelijk lichaam is, dat gij ziet, door hetwelk het licht van de zon op den grond is gespleten.

97Verwondert u niet, maar gelooft, dat, niet zonder vermogen, dat van den hemel komt, hij dezen wand zoekt te boven te komen.”

100Aldus de Meester. En dat waardige volk: „Keert u,” zeide het: „komt bij ons in en gaat dan voort,” met de ruggen der handen een teeken gevende.

103En één van hen begon: „Wie gij ook zijt, keer dan, aldus voortgaande, het gezicht naar mij. Let op of gij mij ginds ooit hebt gezien.”

106Ik wendde mij te hem-waart, en beschouwde hem strak: blond was hij en schoon en van edelen aanblik; maar de ééne der wenkbrauwen had een houw gedeeld.

109Wanneer ik nederig ontkend had hem ooit gezien te hebben, zeide hij: „Nu zie;” en hij toonde mij eene wonde boven aan de borst.

112Voorts zeide hij glimlachende: „Ik benManfred, kleinzoon van Keizerin Constantia: waarom ik u bid dat, wanneer gij wederkeert,

115gij tot mijne schoone dochter gaat, die moeder is van de eer van Sicilië en Arragon, en dat gij haar de waarheid zegt, indien iets anders wordt verteld.

118Nadat mijn lichaam doorstoken was van twee doodelijke stooten, gaf ik mij weenende over aan Dengene, die gaarne vergeeft.

121Gruwelijk waren mijne zonden; maar de oneindige Goedheid heeft zóó groote armen, dat Zij opneemt al wie zich tot Haar wendt.

124Indien de Herder van Cosenza, die door Clemens was uitgezonden op de jacht naar mij, toen in God's Woord wèl die Bladzijde gelezen had,

127dan zouden de gebeenten van mijn lichaam nog zijn aan den opgang van de brug dicht bij Benevento, onder de bewaking van de zware zerk.

130Nu besproeit ze de regen en beweegt ze de wind buiten 't Koninkrijk, nabij den Verde, waarheen hij mij had overgebracht met gedoofde lichten.

133Door hunnen banvloek gaat men niet zóó verloren, dat de eeuwige Liefde niet kan wederkeeren,zóólangde hoop nog iets groens heeft.

136Waarheid is dat al wie sterft in minachting van de Heilige Kerk, ook al berouwt hij zich ten laatste, hem voegt het buiten dezen rots-rand te vertoeven,

139voor elken tijd, dat hij in zijn verstoktheid is geweest, dertig [tijden], indien zoodanig vonnis niet korter wordt door goede gebeden.

142Zie dan nu of gij mij blijde kunt maken, onthullende aan mijne goede Constantia hoe gij mij gezien hebt, en ook dit verbod;

145wijl men hier door die van ginds veel wint.”

De beide Dichters bestijgen den rots-wand en komen op een weg, loopende rondom den berg. Virgilius verklaart hoe de zon zich nu links vertoont, wanneer men oostwaarts ziet. Ontmoeting met de luien, die hunne bekeering tot aan het einde van het leven hebben uitgesteld.

1Wanneer door geneugten of wel door smarten, welke eenig vermogen van ons opvat, de ziel zich wèl tot dat [vermogen] bepaalt,

4blijkt het dat zij op geen ander vermogen meer acht slaat; en dit is tegen die dwaling, die gelooft dat de ééne ziel boven de andere in onsontstokenwordt.

7En daarom, wanneer men iets hoort of ziet, dat de ziel sterk op zich gericht houdt, [dan] gaat de tijd, en de mensch bemerkt het niet:

10want een ander vermogen is dat, dat het hoort, en een ander is dat, hetwelk de gansche ziel heeft: dàt is als 't ware gebonden, en dit is vrij.

13Hiervan had ik de ware ondervinding, daar ik naar dien geest hoorde en hem aanstaarde; want wel vijftig graden gestegen was

16de Zon, en ik had het niet bemerkt, wanneer wij kwamen daar waar die zielen éénstemmig tot ons riepen: „Hier is uw verlang.”

19Grooter opening stopt dikwijls met een vertakte doorntwijg de gaardenier dicht, wanneer de druif verdonkert,

22dan het pad was, waarlangs mijn Gids en ik achter hem opklommen, wij alleen, zoodra de schare zich van ons afscheidde.

25Naar Sanleo gaat men en naar Noli daalt men af, boven Bismantova klimt men naar den top met de voeten alleen; maar hier voegt het dat de mensch vliege:

28ik bedoel met de vlugge vleugelen en met de vederen der groote begeerte, opgetogen achter hèm aan, die hoop aan mij gaf en licht voor mij maakte.

31Wij klommen op tusschendoor de gebroken rots, en de kant ervan raakte ons aan beide zijden, en de bodem verlangde handen en voeten naar omlaag.

34Wanneer wij opden bovensten randwaren van den hoogen rotswand, op de opene plaats:„Mijn meester,” zeide ik: „welken weg zullen wij opgaan?”

37En hij tot mij: „Geen van uwe schreden dale: stadig den berg bestegen achter mij aan, totdat eenig ervaren geleide voor ons opdage.”

40Detopwas zóó hoog dat hij het gezicht te boven ging en de kant was vrij wat steiler dan de straal van den kwadrant, wanneer diehalver wege op het middenpuntstaat.

43Ik was moede, wanneer ik begon: „O zoete vader, keer u om en zie hoe ik alleen achter blijf, zoo gij niet stil staat.”

46„O zoon, trek u tot hiertoe op,” zeide hij, mij met den vinger een weinig lager een richel wijzende, die aan dien kant den ganschen berg omkringt.

49Zoo prikkelden mij zijne woorden dat ik mij geweld aandeed, achter hem aan naar boven kruipend, totdat mij die richel onder de voeten was.

52Daar zetten wij ons beiden neder om te zitten, gericht naar het Oosten, van waar wij waren opgestegen; welke aanblik den mensch pleegt te verheugen.

55Eerst richtte ik de oogen naar de lage kusten; voorts hief ik ze op naar de zon, en ik verwonderde mij dat wij ter slinker door haar werden beschenen.

58Wèl wierd de Dichter het gewaar dat ik geheel verstomd stond over de zonnekar, daar zijtusschen ons en het Noordenopging.

61Waarom hij tot mij: „Zoo Castor en Pollux in gezelschap waren van dezenspiegel, dieboven en benedenzijn licht rondleidt,

64zoudt gij den rooden Dierenriem nog dichter tegen de Beren gedrongen zien kringen, zoo hij niet van den ouden weg is afgeweken.

67Indien gij het u wilt denken hoe dit is, keer in u zelf en stel u voor dat Sion tegenover dezen berg op de aarde staat

70derwijze, dat zij beiden éénen eenigen Horizont en verscheiden halfronden hebben; waarom gij zien zult hoe het sluit dat het pad, dat ter kwader ure Phaëton niet te berijden verstond,

73aande ééne zijde gaat van dezen [berg], terwijl hij aan de andere zijde van genen [berg] gaat, indien uw verstand helder ziet.”

76„Zeker heb ik, Meester mijn,” zeide ik: „nooit zóó helder gezien, als ik nu, met dat deel van mijn verstand, dat kreupel scheen, inzie

79dat de midden-cirkel der Hemelsche Beweging, die in zekere kunst Equator genoemd wordt, en die altijd tusschen de Zon en den Winter blijft,

82om de reden, die gij zegt, van hier evenver noordwaarts af is, als de Hebreeuwen hem zuidwaarts van zich verwijderd zagen.

85Maar zoo het u gevalt, gaarne zoude ik weten, hoever wij hebben te gaan, daar de helling hooger stijgt dan mijne oogen kunnen stijgen.”

88En hij tot mij: „Deze berg is zoo, dat hij altijd van onder moeielijk is om te beginnen, en dat hoe hooger de mensch komt, hij hem te minder bezwaarlijk valt.

91Daarom, wanneer hij u zoo geneugtelijk zal schijnen, dat het gaan u zóó licht is, als het te scheep stroomafwaarts gaan,

94dan zult gij aan het einde van dit pad zijn; verwacht dus daar uit te rusten van de vermoeienis: meer antwoord ik niet, en dit weet ik voor waarheid.”

97En, toen hij zijn woorden gezegd had, klonk eene stem van dicht bij: „Wellicht zult gij te voren nog noodig hebben te zitten.”

100Bij den klank van haar draaide elk van ons zich om; en wij zagen ter linker een groot rotsblok, hetwelk noch ik, noch hij eerst hadden opgemerkt.

103Daarheen togen wij; en daar waren personen die zich in de schaduw bevonden achter de rots, gelijk de mensch uit luiheid zich pleegt te bevinden.

106En één van hen, die mij toescheen moede te zijn, zat en omarmde zich de knieën, het gezicht daartusschen naar omlaag houdende.

109„O zoete Heer mijn,” zeide ik: „beöogdezen, die zich veel loomer betoont dan of de luiheid zijn zusterlijn ware.”

112Daarop wendde hij zich tot ons, en werd oplettend, de blikken richtend over de heup en zeide: „Ga gij maar òp, gij die zoo krachtig zijt.”

115Toen herkende ik wie hij was; en die amechtigheid, die mij toen nog een weinig den adem versnelde, verlette mij niet tot hem te gaan: en voorts

118toen ik tot hem was gekomen, hief hij nauwelijks het hoofd op, zeggende: „Hebt gij wel gezien, hoe de zon aan den linkerkant den wagen leidt?”

121Zijne luie gebaren en korte woorden bewogen mijne lippen een weinig tot een lach; voorts begon ik: „Belacqua, nu treur ik

124niet meer over u; maar zeg mij: waarom zijt gij hier gezeten? Wacht gij geleide, of heeft weer de gewone hebbelijkheid u ingenomen?”

127En hij: „Broeder, het opwaarts gaan wat baat het? daar mij niet tot de martelingen toe zou laten de Engel Gods, die boven de Poort zit.

130Eerst moet het dat de Hemel zich zoovele malen om mij draait buiten het leven als hij zich in het leven om mij draaide, omdat ik de goede zuchten tot het einde verdaagde,

133indien gebed mij eerder niet te hulpe komt, dat opgaat uit een hart, dat in genade leeft; want wat baat het andere, dat in den hemel niet wordt gehoord?”

136En reeds steeg de Dichter voor mij op, en zeide: „Kom nu, zie datde Middagcirkel reeds door de Zon wordt geraakt, en dat aan de grens [van de beide halfronden] de nacht met de voeten Marocco raakt.


Back to IndexNext