VIJFDE ZANG

De beide Dichters, verder opstijgende, zien weder eene schare van boetedoenden, allen zondaars, die eerst, door een gewelddadigen dood overvallen, zich tot God begaven; drie van dezen maken zich kenbaar.

1Reeds was ik van die schimmen verscheiden, en volgde ik de voetstappen mijns Gidsen, wanneer achter mij aan, richtende den vinger,

4er ééne schreeuwde: „Zie, want niet schijnt het dat de straal licht geeft ter slinker van hem, die het benedenst gaat, en als een levende schijnt het dat hij zich gedraagt.”

7De oogen wendde ik op den klank van dat woord, en ik zag ze kijken in verwondering alleen maar naar mij, alleen maar naar mij en naar het licht dat gebroken was.

10„Waarom onthutst zich uwe ziel zoozeer,” zeide de Meester, „dat gij het gaan vertraagt? Wat deert het u wat zij-daar murmureeren?

13Kom achter mij, en laat de luiden praten; stavast als een toren, die den top nooit schudt voor het blazen der winden.

16Daar altijd de mensch, in wien de gedachte na de gedachte opborrelt, het doelwit van zich verwijdert, daar de eene gedachte het vuur van de andere verdooft.”

19Wat konde ik meer zeggen dan: „Ik kom?” Ik zeide het, een weinig van die verf betogen, die wèl eens den mensch vergiffenis waardig maakt.

22En ondertusschen kwamen er dwars langs de helling, een weinig vóór ons, menschen, zingende „Miserere” vers-regel na regel.

25Wanneer zij gewaar wierden dat ik, van wege mijn lichaam, geen plaats liet aan het doorgaan der stralen, veranderden zij het zingen in eene lange en rauwe O.

28En twee van hen, in den schijn van boodschappers, liepen ons tegemoet, en vroegen ons: „Onderricht ons van uwen staat.”

31En mijn Meester: „Gij kunt weer heen gaan en vertellen aan degenen, die u zonden, dat het lichaam van dezen werkelijk vleesch is.

34Indien zij, gelijk ik oordeel, bleven staan om zijne schaduw te zien, is hun genoeg geantwoord: dat ze hem eer bewijzen, en hij kan zich hun dierbaar maken.”

37Nooit zag ik zoo snelontstoken wasemsin den voornacht de heldere lucht doorklieven, noch, bij het dalen der zon, Augustus-nevelen,

40of in nog minder tijd keerden genen naar boven: en daar gekomen keerden zij met de anderen te-ons-waarts, als ene schare, die toomeloos loopt.

43„Dat volk, dat op ons aandringt, is talrijk, en zij komen tot u om te vragen,” zeide de Dichter; „daarom ga stadig door, en luister al gaande.”

46„O ziel, die gaat om u te verblijden met dàt lichaam, waarmede gij geboren zijt,” (zoo krijtende kwamen zij) „vertraag een weinig uwen gang.

49Zie of gij ooit iemand van ons gezien hebt, zoodat gij naar ginds berichten van hem medeneemt: ei lieve waarom gaat gij? ei lieve waarom staat gij niet stil?

52Wij zijn voormaals allen gewelddadig gestorven, en waren zondaars tot onzen laatsten stonde: toen bracht een hemelsch licht ons tot bezinning,

55zóódat wij, ons berouwende envergevende, uit het leven gingen, met God in vrede, die ons nu pijnigt door de begeerte om Hem te zien.”

58En ik: „Hoe zeer ik in uwe aangezichten spiede, ik herken er niet ééne; maar indien u gevalt eenig ding dat ik zou kunnen, wèl-geboren zielen,

61zegt gij het, en ik zal het doen bij dien vrede, die, achter de voeten van dusdanig geleide, mij van wereld tot wereld hem doet zoeken.”

64En één begon er: „Ieder vertrouwt op uw weldaad zonder dat gij ze bezweert, al neemt ook het willen het niet-kunnen niet weg.

67Waaromik, die alleen voor de anderen spreek, u vraag, zoo ge ooit dat land gezien hebt, dat ligttusschen Romagna en dat van Karel,

70dat gij mij in Fano zoozeer de hoofschheid betoont van uwe gebeden, [vragende] dat men er op de goede wijze voor mij bidde, opdat ik de zware feilen kunne boeten.

73Daar was ik, maar de diepe wonden, waar het bloed uitging,waarinik eenmaalhuisde, werden mij gemaakt te midden derAntenoren,

76daar waar ik veiliger meende te zijn; die van Este liet het doen, die op mij toornde vrij wat meer dan het recht het wel wilde.

79Maar indien ik naar Mira ware gevlucht, wanneer ik besprongen werd bij Oriacum, zoude ik nóg dáár zijn, waar men ademt.

82Ik liep naar den poel, en riet en slijk verstrikten mij zóó, dat ik viel, en daar zag ik op den grond zich uit mijne aderen een meer maken.”

85Voorts zeide een ander: „Eilieve, zoo waarlijk worde die begeerte vervuld, die u trekt ten hoogen berge, ontferm u en help mijne begeerte.

88Ik was van Montefeltro, ik benBuonconte: Johanna en [mijne] andere [verwanten] gedenken mijner niet: waarom ik [nog] tusschen dezen ga met gebogen hoofde.”

91En ik tot hem: „Welke dwang of welk toeval deed u zoo ver buiten Campaldino verdwalen, dat men nooit de plaats van uwe begrafenis wist?”

94„O,” antwoordde gene: „langs den voet van het Casentijnsche gaat een water dat Archiano heet, en dat ontspringt boven het klooster op den Apennijn.

97Daar waar zijn naam ijdel wordt, kwam ik aan, met de keel doorboord, vluchtende te voet en de vlakte met bloed bezoedelende.

100Daar verloor ik het gezicht, en de spraak eindigde ik met den naam van Maria, en daar viel ik en bleef mijn vleesch alleen.

103Ik zal de waarheid zeggen, en gij herzeg haar onder de levenden: de Engel van God greep mij, en die van de Hel kreet: „O Gij van den Hemel, waarom berooft gij mij?

106Gij draagt van hem het eeuwige met u weg, wegens eenen kleinen traan die hem mij ontneemt; maar ik zal met het andere anders huis houden.”

109Gij weet wel hoe in de lucht zich die vochte damp vergaart, die weer tot water overgaat, zoodra hij tot zóó hoog stijgt, waar het koude hem opneemt.

112Dat kwaad bedoelen, dat stadig naar kwaad vraagt, verbond hij met zijn verstand, en hij bewoog den dam en den wind door dat vermogen dat zijn natuur hem gaf.

115Voorts, toen de dag voorbij was, bedekte hij met nevel het dal vanPratomagnotot aan den grooten bergrug en maakte hij den hemel van boven betogen

118zóó zeer, dat de gedrenkte lucht zich in water verkeerde: de regen viel en datgene er-van wat de aarde niet kon verduwen, kwam tot greppels.

121En toen het zich verzameld had tot groote beken stortte het zoo snel naarden Konings-stroom, dat niets het weerhield.

124Mijn verkild lichaam vond de gezwollen Archiano aan zijne uitmonding, en die drong het in den Arno, en ontbond op mijn borst het kruis

127dat ik van mijne handen gemaakt had toen het berouw mij overwon: hij wentelde mij tegen de oevers en tegen den bodem; voorts bedekte hij mij en omgaf hij mij met zijnbuit.”

130„Eilieve, wanneer gij tot de wereld zult zijn teruggekeerd en zult zijn uitgerust van den langen weg,” zóó volgde de derde geest op den tweeden:

133„herinner u mijner, ik die benPia: Siena gaf mij het leven, Maremma den dood:hijweet het die mij, de reeds eenmaal gehuwde,

136met zijn edelsteen weder ten huwelijk nam.”

Nadat de beide Dichters zich met moeite hebben losgemaakt uit de schare van schimmen, ondervraagt Dante Virgilius en onderhoudt Virgilius Dante over den grond van hoop, waarmede dezen heil van de gebeden der levenden verwachten. Voorts zien zij Sordello, die, eerst zich afgezonderd houdend, bij het hooren van zijn landaard, Virgilius op het hartelijkst begroet, hetgeen Dante aanleiding geeft tot een uitweiding over de ellende en verdeeldheid van Italië.

1Bij het scheiden van het dobbel-spel, dan blijft degene, die verliest, treurende achter, de kansen overrekenende, en hij bedilt ze ontstemd;

4met den andere gaan al de luiden mede: de eene gaat hem voor, en de andere vat hem van achter, en gene vraagt hem van ter zijde zijner te gedenken:

7hij echter blijft niet staan, en hoort dezen en genen aan; deze, wien hij de hand reikt, diedringt niet meer aan; en zóó verdedigt hij zich tegen het gedrang.

10Zoo was ik in dien dichten drom, her- en der-waart hun het gelaat toekeerende, en al belovende maakte ik er mij van los.

13Daar was de Aretijn, die van de wreede armen van Ghin di Tacco den dood kreeg; en de andere, die verdronk, daar hij vervolgende liep.

16Daar smeekte met de handen uitgespreid Frederik Novello, en die van Pisa, die den goeden Marzucco zich dapper betoonen deed.

19Ik zag Graaf Orso; en de ziel van het lichaam gescheiden door kwade trouw en nijd, zooals hij zeide, niet wegens zich berokkende schuld;

22Pieter Dalla Brocciabedoel ik; en hier zie, zoolang zij aan deze zijde is, de Vrouwe van Brabant toe, dat zij daarom niet kome te behooren tot slechtere kudde.

25Toen ik vrij was van alle deze schimmen, die stadig baden dat men voor hen bad, opdat zich hun heilig-worden verhaastte,

28begon ik: „Het schijnt mij dat gij me, o Licht mijn, uitdrukkelijkergens in uw geschriftontkent, dat eenige bede een besluit des Hemels wijzigt;

31en deze lieden bidden toch juist om dit. Zoude dan hunne hoop ijdel zijn? Of is uwe uitspraak mij niet genoegzaam duidelijk?”

34En hij tot mij: „Mijne schriftuur is duidelijk, en hunne hoop faalt niet, indien men het goed beschouwt met het gezonde verstand;

37daar top van gerechtigheid zich niet neer laat halen, omdat het vuur der liefde in eenen oogenblik vervult dat wat voldoening geven moet aan dengene, die hier verblijf houdt:

40en daar waar ik dat punt bevestigde, daar werd door bidden geen misslag geboet, omdat het gebed van God gescheiden was.

43Maar voorwaar berust niet bij zulk een diepe twijfeling, als gene het niet zegt, die tot een licht worde tusschen de waarheid en uw verstand.

46Ik weet niet of gij mij begrijpt: ik spreek van Beatrice; omhoog zult gij haar zien, boven op den top van dezen berg, lachende en gelukkig.”

49En ik: „Goede Gids, laten we gaan met grooteren spoed; daar ik reeds niet meer zoo moede word als te voren, en zie nu hoe de hoogte schaduw werpt.”

52„Wij zullen bij dezen dag zooveel vooruitgaan,” antwoordde hij: „als wij op zijn meest zullen kunnen; maar de zaak is anders gesteld dan gij denkt.

55Voordat gij daarboven zijt, zult gij zien wederkeeren dengene, die reeds schuilt achter de helling, zoodat gij zijne stralen zich niet doet breken.

58Maar ziedaar eene schimme, die eenzaam den blik op ons heeft gevest:diezal ons den kortsten weg wijzen.”

61Wij kwamen tot haar: o Lombardische ziel, hoe stondt gij hooghartig en trotsch, in het bewegen der oogen edel en traag!

64Zij zeide niets tot ons; maar liet ons verder gaan, alleen kijkende op de wijze van een leeuw, wanneer hij gaat liggen.

67Toch bewoog zich Virgilius tot hem, vragende dat hij ons den besten opgang wees; en gene antwoordde niet op zijn vraag;

70maar naar ons land en ons leven vroeg hij ons. En de zoete Gids mijn begon: „Mantua...” en de schimme, die gansch eenzelvig was, verhief

73zich tot hem van de plaats waar zij eerst stond, zeggende: „O Mantuaan, ik benSordello, van land.” En de één omarmde den ander.

76Wee dienstbaar Italië, tehuis van smart, schip zonder schipper in grooten storm, niet heerinne van provinciën, maar bordeel!

79Die edele schim was zóó vlug, alleen op den zoeten klank [van den naam] zijns lands, om zijnen medeburger daar onthaal te geven;

82en nu bestaan in u niet zonder oorlog uwe levenden, en de een knaagt aan den andere onder degenen, welke één muur en ééne gracht omsluit.

85Zoek, rampzalige, de kusten langs van uwe zeeën, en dan zie u in den boezem of eenig deel van u zich in vrede verheugt.

88Wat baatte het, datJustinianusu het gebit weer optoomde, zoo het zadel ledig is? Zonder hem zoude de schande minder zijn.

91Wee volk, dat deemoedig moest zijn, en Caesar moest laten zitten op den zadel, zóó gij goed verstaat dat wat God u voorschrijft!

94Zie, hoe deze trotsche woest is geworden, door niet geregeerd te worden met de sporen, sinds gij de hand sloegt aan den halster.

97O duitscheAlbert, gij die háár verlaat, die ongetemd en wild is geworden, gij die haar zadel schrijlings moest omvatten,

100gerechte gerechtigheid valle van de sterren over uw bloed, en zij zij nieuw en openbaar, zoodat uw opvolger er vrees door gevoele,

103omdat gij en uw vader geduld hebt, doorbegeerigheidaan gene zijde gehouden, dat de tuin des Rijks verlaten zij.

106Kom om te zien [de geslachtender] Montecchien Cappelletti, [der] Monaldi en Filippeschi, gij mensch zonder zorg, genen [beiden] reeds bedroefd, dezen [beiden] rampen verwachtend.

109Kom, wreede, kom en zie de verdrukking van uwe edelen, en heel hun leed, en gij zult zienhoe veiligSantafiore is.

112Kom om uw Rome te zien, dat weent, verweduwd en eenzaam, en dag en nacht u roept: „Mijn Caesar, waarom verzelschapt gij mij niet?”

115Kom om te zien hoezeer [de menschen van] uw volk elkanderen beminnen; en zoo geen medelijden met ons u beweegt, kom om u te schamen over uwen naam.

118En zoo het mij veroorloofd is, o hoogste God, die op aarde voor ons gekruisigd werdt, zijn uw gerechte oogen elders heen gekeerd?

121Of is de voorbereiding, die gij in den afgrond uws raads maakt voor eenig Goed, in alles van ons besef afgesneden?

124Daar de landen van Italië gansch vol zijn van tirannen, en elkehooveling, die als partijganger komt, eenMarcelluswordt.

127Florence mijn, wel kunt gij tevreden zijn over deze uitweiding, welke u niet raakt, dank zij uw volk dat zóó goed redeneert.

130Velen hebben gerechtigheid in het hart, maar zij wordt eerst laag afgeschoten, uit vrees dat men onbezonnen den boog hanteere: maar uw volk heeft haar boven op de tong.

133Velen weigerenden algemeenen last; maar uw volk antwoordt haastig, zonder dat men het roept, en schreeuwt: „Ik neem hem op mij.”

136Nu verheug u, daar gij er wel reden toe hebt: gij rijke, gij vreedzame, gij verstandige: of ik de waarheid spreek, de uitwerking verheelt het niet.

139Athene en Lacedaemon, die de antieke wetten maakten, en zóó burgerlijk waren, brachten het maar weinig ver in de goede levens-wijze,

142vergeleken bij u, die zoo ragfijne maatregelen treft, dat niet tot midden-November komt, dat wat gij in October spint.

145Hoevele malen bij den tijd, waarvan u heugt, hebt gij van wetten, munten, en ambten en costumen veranderd, en van ingezetenen verwisseld!

148En als gij u goed herinnert en licht ziet, gij zult u zien gelijk aan die zieke, die geen rust kan vinden op de veeren,

151maar door zich te wenden en te keeren zich tegen de pijnen beschut.

Sordello, aan wien Virgilius zich bekend heeft gemaakt, zegt op diens verzoek om hun den weg te wijzen naar den Ingang van den eigenlijken Louteringsberg, dat zij zich eerst, daar men 's nachts niet kan verder gaan, een nachtverblijf moeten opzoeken en wijst hun als zoodanig een dal in den berg uitgehold, waarin de trage vorsten zich bevinden.

1Nadat de eervolle en blijde begroetingen drie en vier malen waren herhaald, trad Sordello [een weinig] terug en zeide: „Wie zijt gij?”

4„Voor dat tot dezen berg de zielen gekomen waren, waardig om tot God te stijgen, werden mijne beenderen door Octavianus begraven.

7Ik ben Virgilius; en door geene andere schuld verloor ik den hemel dan door geen geloof te hebben;” zoo antwoordde toen mijn Gids.

10Gelijk degene is, die plotseling iets voor zich ziet, waarom hij zich verwondert, dat hij gelooft en niet gelooft, zeggende: het is zoo, het is zoo niet;

13zoo scheen hij en voorts neeg hij de wenkbrauwen, en nederig keerde hij tot hem terug en omarmde hem daar, waar de mindere [zijnen meerdere]vastgrijpt.

16„O roem der Latijnen,” zeide hij: „door wien onze taal toonde wat zij vermocht: o eeuwige prijs van de plaats, vanwaar ik was;

19welke verdienste of welke genade vertoont u aan mij? zoo ik waardig ben uwe woorden te hooren, zeg mij of gij van de Hel komt en van welke afdeeling.”

22„Door alle de cirkels van dat treurende rijk,” antwoordde hij hem: „ben ik van daar gekomen; eene kracht des Hemels deed mij gaan, en met haar kom ik.

25Niet door te doen, maar door niet te doen heb ik [het recht] verloren omde hooge Zonte zien, naar welke gij wenscht, en die te laat door mij gekend werd.

28Daar beneden is een plaats, niet droef door martelingen maar alleen van duisternissen, waar de klachten niet klinken als jammerkreten, maar zuchten zijn.

31Daar vertoef ik met de kleine onnoozelen, die door de tanden des doods gebeten zijn, voordat zij van de menschelijke erfzondebevrijdzijn.

34Daar vertoef ik met degenen, wiede drie heilige deugdenniet bekleeden, en die zonder ondeugd de andere kenden, en die alle betrachtten.

37Maar zoo gij het weet en kunt, geef ons eenige aanwijzing, waardoor wij eerder kunnen komen daar, waar de plaats der Loutering den rechten ingang heeft.”

40Hij antwoordde: „Eene vaste plaats is ons niet toegewezen; het is mij veroorloofd naar bovenen in 't rond te gaan; zoover als ik gaan kan, blijf ik u ter zij als gids.

43Maar zie reeds hoe de dag ten einde nijgt, en bij nacht kan men niet naar boven gaan; dies is het goed om aan een schoone plaats tot vertoeven te denken.

46Zielen zijn er ginds ter rechter zijde vertogen; zoo gij het mij toestemt, zal ik u tot haar brengen, en niet zonder geneugt zullen zij u bekend worden.”

49„Hoe is dat?” werd er geantwoord: „wie bij nacht zou willen stijgen, werd hij door een ander verhinderd? of zou het zóó zijn dat het niet kon?”

52En de goede Sordello haalde zijn vinger over den grond, zeggende: „Zie, ook maar deze streep kondt gij niet òverkomen na 't scheiden der Zon:

55niet dat iet anders verhindering gaf dan de nachtelijke duisternis, om òp te gaan; deze mèt het niet kunnen houdt den wil gebonden.

58Wel konde men bij donker neerwaarts keeren, en dwalende rondom de helling her en derwaart gaan, zoolang als de horizont den dag weggesloten houdt.”

61Toen mijn Heer, als het ware benieuwd: „Leid ons,” zeide hij: „daar waar gij zegt dat men vertoevende geneugt kan hebben.”

64Maar weinig hadden wij ons van daar verwijderd, wanneer ik gewaar werd dat de berg gehalveerd was, gelijk hier valleien bergen halveeren.

67„Daar,” zeide die schim; „zullen wij henengaan, daar waar de bergwand van zichzelven een schoot maakt, en daar zullen wij den nieuwen dag verwachten.

70Tusschensteil en vlak was een kronkel-weg, die ons bracht in de zijde van de delling, daar waar meer dan voor de helft de rand sterft.

73Goud en fijn zilver, en scharlaken en loodwit, indisch hout, licht en doorschijnend, frisch smaragd in den stonde dat het gebroken wordt,

76dat alles gelegdnaasthet kruid en de bloemen binnen in die delling, zou door hun verw overwonnen zijn, gelijk het mindere door het meerdere overwonnen wordt.

79Niet alleen had de natuur daar [kleuren] geschakeerd, maar zij maakte van de zoetheid van duizend geuren een ononderscheidelijke mengeling.

82„Salve Regina” zag ik daar op het groen en de bloemen zielen zitten te zingen, die men van wege de delling niet van buiten kon zien.

85„Voordat nog het weinigezonlichtin zijn nest gaat,” begon de Mantuaan die ons geleid had, „wilt niet dat ik u te midden van hen leide.

88Van dezen rand zult gij beter de gebaren en gezichten van hen allen onderscheiden, dan beneden in de delling opgenomen.

91Gene, die het hoogste zit, en schijnt veronachtzaamd te hebben dat wat hij doen moest en die den mond niet opent voor het gezang der anderen,

94waskeizer Rudolf, die de wonden kon helen, welke Italië gedood hebben, zóódat zij maar al te laat door anderen tot verademing komt.

97De andere, die in het aangezicht hem troost, regeerde het land waaruit het water geboren wordt dat de Moldau in de Elbe, en de Elbe in zee brengt:

100Ottocarheette hij, en in de windselen was hij vrij wat beter dan Wenzislaus zijn zoon, nu hij een baard heeft, wien weelde en luiheid mest.

103En die Klein-neus, die in beraad schijnt met dengene die zoogoedwillig uitzichtheeft, stierfvluchtendeen de lelie onteerend.

106Ziet daar, hoe hij zich de borst slaat. Zietden andere, die zich al zuchtende van de handpalm een kussen voor de wang heeft gemaakt.

109Vader en Schoonvader zijn zij van het ongeluk van Frankrijk: zij weten van zijn snood en vuil leven, en vandaar komt die smart, die ze zoo zeer slaat.

112Hij die zoo vleezig schijnt, en die zingende te zamen stemt met genenvan den mannelijken neus, droeg van elkedeugd het koord gegord.

115En zoo na hem koning gebleven ware de jongeling, die achter hem zit, dan ging de deugdelijkheid schoon van vat tot vat;

118hetgeen men niet kon zeggen van den anderen erfgenaam. Jacob en Frederik hebben de koninkrijken; geen heeft bezit van 's vaders betere nalatenschap.

121Zelden gaat de menschelijke voortreffelijkheid door de takken naarboven: en dat wil Degene, Die haar geeft, opdat ze Zijn gave genoemd worde.

124Ook tot dien vanden grooten Neusgaan mijne woorden (niet minder dan tot den andere, Peter, die met hem zingt) om wien Apulië en Provence nu smart hebben.

127Zooveel is de plant minder dan haar zaad, als, meer nog danBeatrice en Margherita, Constantiaop haar echtgenoot boogt.

130Ziet den koning van het eenvoudige leven daar alleen zitten,Hendrik van Engeland: deze heeft in zijn spruiten beter voortzetting.

133Gene, die verder naar beneden onder genen op aarde zit, naar boven kijkend, is markgraaf Willem, om wien èn Alessandria en diens oorlog

136Monferrat en het Cannoveserland laat weenen.

In Sordello's gezelschap gaan de beide Dichters het dal binnen; terwijl twee Engelen, nedergedaald uit den Hemel, post vatten om de boetedoenden tegen de slang te beschutten, onderhoudt Dante zich met Nino en CurradoMalaspina.

1Het was reeds de ure die den zeevarenden de begeerte doet keeren en hun het hart verteêrt, den dag dat zij hunnen zoeten vrienden vaartwel hebben gezegd;

4en die den nieuwen bee-vaarder met liefde steekt, wanneer hij van verre den beiaard hoort, welke schijnt den dag te beweenen die wegsterft:

7wanneer ik het hooren begon te veronachtzamen, en te schouwen naar eene der zielen, die opgerezen was en die het luisteren vroeg met de hand.

10Zij voegde saam en hief beide de handpalmen, de oogen naar het Oosten richtende, of zij tot God zeide: „Al het andere wat raakt het me?”

13Te lucis antekwam haar met zulk een wijding uit den mond, en met zóó zoete tonen, dat het mij mijn ziel buiten mij zelven deed treden.

16En voorts volgden de anderen zoetelijk en met wijding haar na door het gansche gezang, de oogen houdende naar de bovenste sferen.

19Spits hier wel, lezer, de oogen op de waarheid, daar het weefsel nu wel zoo dun is, voorzeker, dat het makkelijk is er door heen te vallen.

22En ik zag de edelaardge heir-schare zwijgend voorts naar boven kijken, als wachtende, bleek en deemoedig:

25en ik zag van den hoogen komen en naar beneden dalen twee Engelen met twee vlammende zwaarden, geknot en van hunne punten ontdaan.

28Groen als maar even uitgebotte loovertjes waren hunne gewaden, die zij slepen lieten, door hunne groene vleugelen geslagen en bewaaierd.

31De één kwam een weinig boven ons te staan, en de ander daalde neder op den tegenovergelegen rand, zoodat die lieden zich in het midden bevonden.

34Goed onderscheidde ik in hen het blonde hoofd; maar in de aangezichten verdoolde zich het oog als een vermogen dat in te veel raakt verbijsterd.

37„Beiden komen van den schoot van Maria,” zeide Sordello, „ter bewaking van het dal, tegen de slang, die zoo aanstonds zal komen.”

40Waarom ik, die niet wist, langs welken weg, mij rondom keerde, en mij nauw aandrong, gansch bevrozen, tegen de vertrouwde schouderen.

43En Sordello [sprak] nog weer: „Laten wij nu nederdalen tusschen de grootsche schimmen, entot hen spreken; zeer welgevallig zal het hun zijn u te zien.”

46Nog maar drie passen geloof ik dat ik was nedergedaald, en ik was beneden en ik zag er eenen die stadig mij beschouwde, of hij mij wilde herkennen.

49Reeds was het de tijd dat de lucht zich verdonkerde, maar toch niet zóó dat tusschen zijne en mijne oogen niet geopenbaard werd dat wat hij eerst verborgen hield.

52Tot mij maakte hij zich op en ik maakte mij op tot hem: „Edele rechter Nino, hoe zeer gevalt het mij, wanneer ik u niet tusschen de schuldigen zie!”

55Geen enkele schoone begroetenis werd tusschen ons verzwegen: voorts vroeg hij: „Hoe lang is het sinds gij aan den voet van den berg over de verre wateren gekomen zijt?”

58„O!” zeide ik hem: „door de droeve plaatsen kwam ik dezen morgen, en ik ben in het eerste leven, zij het ook dat ik, aldus gaande, het andere gewin.”

61En wanneer mijn antwoord gehoord was, trokken Sordello en hij zich terug, als lieden plotseling verbijsterd.

64De ééne wendde zich tot Virgilius en de andere tot éénen, die daar zat, roepende: „Op Currado, kom om te zien dat wat God door zijne genade wilde.”

67Voorts tot mij gewend: „Bij dien bijzonderen dank, dien gij Hem schuldig zijt, Die zóózeer zijn eerste „waarom” verbergt, dat geen wadde daarheen voert,

70wanneer gij zijn zult aan gene zijde der breede wateren, zeg dan aan mijne Johanna, dat zijom mij roepe daar waar de onschuldigen beantwoord worden.

73Ik geloof niet dat hare moeder mij nog bemint, sinds zij de witte linten verwisselde, naar welke het zoo gevalt dat zij, ongelukkige, nog weder terug verlangt.

76In haar kan men gemakkelijk zien, hoe lang in eene vrouw het vuur der liefde duurt, als het gezicht en de tast het niet vaak weder opstookt.

79Zoo schoone begrafenis zal de slang, die de Milaneezer ten strijde voert haar niet geven als de haan van Gallura haar zou hebben gegeven.”

82Zoo sprak hij, in zijn aangezicht met dat kenteeken van dien gerechten ijver gemerkt, die met mate in het hart brandt.

85Mijne begeerige oogen gingen stadig ten hemel, stadig daarheen, waar de sterren het traagst gaan, zooals een rad het dichtst bij zijn as.

88En de Gids mijn: „Zoon, waarnaar kijkt gij daar omhoog?” En ik tot hem: „Naar diedrie fakkels, door welke gindsche pool ganschelijk in brand staat.”

91En hij tot mij: „De vier heldere sterren, die gij daar van morgen zaagt, zijn nu ginds omlaag, en deze zijn omhoog gestegen waar die waren.”

94Terwijl hij sprak, trok Sordello hem tot zich zeggende: „Zie daar onzen tegenstander;” en hij richtte den vinger, opdat hij daarheen zou zien.

97Aan dien kant waar de kleinedellinggeene beschutting had, was een slang, wellicht, zoo één als aan Eva de bittere bete gaf.

100Tusschen 't gras en de bloemen kwam de kwade schuifelaar, al en al maar den kop draaiende, en den rug zich lekkende als een beest, dat zich glad maakt.

103Ik zag het niet en daarom kan ik het niet zeggen, hoe de hemelsche roofvogels opvlogen, maar ik zag heel goed zoowel den een als den ander opgevlogen.

106Toen ze merkte dat de lucht door de groene vleugels gekliefd werd, vluchtte de slang, en de Engelen keerden weer omhoog naar hunne posten gelijkelijk terug vliegende.

109De schim, die zich tot den rechter had teruggetrokken, wanneer hij hem riep, liet gedurende dezen ganschen aanval geen oogenblik af van naar mij te kijken.

112„Zoode lamp, die u ten hoogen voert, in uwen vrijen wil zoo groote pit vindt als noodig is om te komen aan debergvlakteop den top,”

115begon zij: „zoo gij ware tijding weet van Valdimagra, of van eenig naburig land, zeg haar aan mij, die daar eertijds machtig was.

118Ik heetteCurrado Malaspina: niet de Oude ben ik, maar van hem stam ik af: tot de mijnen droeg ik die liefde, die hier wordt gelouterd!”

121„O!” zeide ik tot hem: „in uwe landen ben ik nooit geweest; maar waar vertoeft iemand in gansch Europa, wien ze niet bekend zijn?

124De roem, die uw huis eert, verbreidt de heeren, verbreidt het land, zoo dat ook hij, die er niet was, ze kent.

127En ik zweer u, zoo waarlijk moge ik boven aankomen, dat uw geëerd geslacht niet aan het afnemen is in roem vanbeurs en zwaard.

130Gewoonte en aanleg bevoorrechten het zoo dat, hoezeerhet slechte Hoofdde Wereld doet dwalen, het alleen den rechten weg houdt en den slechten weg versmaadt.”

133En hij: „Nu ga, daar de Zon zichgeen zevenmalen te ruste zal leggenin het leger dat de Ram met alle vier de pooten dekt en omvat,

136of deze heusche meening is u midden op het voorhoofd gegrift met grooter nagelen dan woorden van andere menschen,

139indien de loop der rechtvaardigheid niet tot stil-staan komt.”


Back to IndexNext