VIJF EN TWINTIGSTE ZANG

Op den nauwen weg, die van den Zesden Omgang leidt tot den Zevenden en laatsten, vraagt Dante aan zijnen Meester hoe het wezen kan dat men zóó vermagert daar waar men geen voedsel noodig heeft. Virgilius geeft hem eenig antwoord, en voorts vraagt hij Statius om hem meer tevreden te stellen. Deze, heuschelijk het verzoek inwilligende, maakt zich op om te spreken van de generatie van het menschelijk lichaam, van de instorting van den geest daarin, en van de wijze van bestaan na den dood. Gekomen boven op den Omgang, vinden zij dezen gansch bezet door vlammen, behalve den uitersten tand, en ze zien geesten daardoor heen en weder loopen eenen lofzang zingende en beroemde voorbeelden van kuischheid roepende.

1Het was de stonde dat het stijgen geen uitstel gedoogde, daar de Zon den middagcirkel voor den Stier, en de Nacht dien voor den Skorpioen had vrijgemaakt.

4Waarom, gelijk de mensch doet, die niet stillestaat, maar op zijnen weg voortgaat, wat ook hem verschijne, als prikkel van nooddruft hem steekt;

7aldus traden wij binnen door de heg-opening, één vóór den ander, de trap nemende, die door nauwte de bestijgers één voor één doet gaan.

10En gelijk het ooievaars-jong, dat de vleugelen heft, uit begeerte tot vliegen en zich niet waagt om het nest te verlaten, en ze weer strijkt;

13zóódanig was ik, met de begeerte tot vragen, ontvlamd èn gedoofd, komende tot dàt gebaar, hetwelk maakt degene, die zich tot spreken zet.

16Niet liet om 't gaan, dat snel was, de zoete Vader mijn [het spreken], maar hij zeide: „Schiet af den boog des sprekens, dien ge tot het ijzer hebt gespannen.”

19Toen opende ik vreesloos den mond, en ik begon: „Hoe kan men mager worden daar waar de nooddruft van het voeden [ons] niet raakt?”

22„Zoo ge u herinnerdet hoe Meleager wegteerde naar gelang van het wegteren van een talhout, dàn ware,” zeide hij: „dit u niet zóó moeilijk:

25en zoo ge bedacht hoe, naar uw verloop, uw beeld binnen den spiegel verloopt, zoude dat wat u moeilijk schijnt, u gemakkelijk schijnen.

28Maar omdat gij gansch in uw begeeren opgaat, zie hier Statius, en hem roep en verzoek ik, dat hij nu heeler zij van uwe wonden.”

31„Zoo ik hemden eeuwigen blik open,” antwoordde Statius: „daar waar gij bij zijt, verontschuldig mij: u kan ik niet weigeren.”

34Voorts begon hij: „Zoo uw geest, mijn zoon, mijne woorden bewaart en opneemt, zullen zij u worden een licht, voor het „hoe” dat gij zegt.

37Volmaakt bloed, dat nooit gedronken wordt doorde dorstige aderen en blijft als voedsel, dat ge van den disch opneemt,

40neemt in het hart een vormend vermogen tot [het vormen van] alle menschelijke leden; gelijk dat [bloed] dat door de aderen gaat om zich tot deze [tot ledematen] te maken.

43Nog [meer] verwerkt, daalt het tot waar het schooner is te zwijgen dan te spreken; en vandaar voorts wordt het overgestort tot eens anders bloed in een door de natuur daartoe bestemd vat.

46Daar komt het een en 't ander bloed te zamen, het een bestemd tot lijden, het ander tot doen, wegens de volmaakte plaats [het hart] vanwaar het wordt gestuwd;

49en is dàt gekomen, dan begint dit te werken, eerst het stremmende en voorts maakt het levend dat wat 't door zijne stof deed tot vastheid komen.

52Wanneer het doende vermogen tot ziel is geworden, als van eene plant, maar zooverre verschillend, dat deze is op weg en gene [de plant] reeds aan de kust [aangekomen],

55werkt het zóóveel uit, dat zij [de ziel] reeds zich beweegt en gewaar wordt, als een zee-zwam; en daar begint [dat vermogen] in te richten de vermogens, van welke het zijn oorsprong heeft.

58Nu ontvouwt zich, mijn zoon, en zet zich uit het vermogen, dat [afkomstig] is uit het hart des verwekkers, vanwaar de natuur naar alle ledematen [haar krachten] stuwt.

61Maar hoe hij van dier wordt redelijk wezen, dat ziet gij nog niet: dit is zulk een punt dat het ookeenen wijzere, dan gij zijt, deed dwalen;

64zóó dat hij, in zijne leer hetmogelijkverstand gescheiden maakt van de ziel, omdat hij van datverstand geen orgaan ziet in beslag genomen.

67Open de borst voor de waarheid, die komt, en weet dat, zoodra bij de ongeboren vrucht de bewerktuiging der hersenen is voltooid,

70de Schepper [Eerste Veroorzaker] zich daartoe keert blijde, over zóó groot gewrocht der natuur, en het inblaast eenen nieuwen levensgeest van deugd vervuld,

73die den werkenden geest, dien hij daar vindt, tot zijne zelfstandigheid trekt, en daarmede wordt tot ééne ziel, die leeft en gewaar wordt en tot zich zelve terugkeert.

76En opdat gij minder u verwondert over mijne woorden, zie naar de warmte der zon, die wijn wordt, verbonden met het vocht, dat van den wingerd doorzijgt.

79En wanneer Lachesis geen draad meer heeft, ontbindt zij [de ziel] zich van het vleesch, en neemtin mogelijkheidmet zich èn het menschelijke èn het goddelijke.

82[Dan zijn] alle de andere vermogens stom; [maar] geheugen, begrip en wil, in hunne werking, veel scherper dan te voren.

85Zonder vertoeven, komt zij uit zich zelve op wonderdadige wijze neder op eene van de oevers; dáár eerst verneemt zij haren weg.

88Zoodra eene plaats haar daar aan zich bindt, straalt het vormend vermogen rondom uit, in zoo groote en zoodanige mate als in delevende leden.

91En gelijk de lucht, wanneer die gansch gedrenkt is van regen, door de zonnestralen, die in haar worden weerkaatst, met bonte kleuren zich toont getooid;

94zoo schikt zich de naburige lucht in zulke gestalte,welke in haar stempelt door haar vermogen de ziel die daar in stand hield:

97en voorts gelijkende de vlam, die met het vuur meeloopt waarhenen zich dat ook begeeft, volgt den geest zijne nieuwe gestalte.

100Omdat hij voortaandáárvanzijn voorkomen heeft, wordt hijschimmeofschaduwgenoemd, en daarin vormt hij zich alle zintuigen tot [zelfs] het gezicht.

103Dáárin nu spreken, daarin nu lachen wij, daarin maken wij de tranen en de zuchten, de welke gij langs dezen berg hebt kunnen ontwaren.

106Al naar de wijze waarop de begeerten en de andere aandoeningen ons aandoen, vormt zich de schimme, en dat is de oorzaak van wat gij, u verwonderend, aanschouwt.”

109En reeds wastot de laatste pijniging gekomendoor ons, en gekeerd ter rechterhand en we waren aandachtig tot andere zorge.

112Daar werpt de rotswand vlammen van zich uit, en de rand blaast adem naar boven, die de vlam terug dringt en haar ver van den rand houdt.

115Zoodat het ons voegde te gaan aan den openen kant, één voor één, en ik vreesde het vuur hier, en ginds vreesde ik het vallen naar beneden.

118De Gids mijn zeide: Langs deze plaats moet men aan de oogen strak de teugels houden, omdat men dwalen kon door kleinen [misstap].

121„Summae Deus clementiae” hoorde ik toen zingen in den boezem van den grooten brand, hetwelk niet minder deed mij er op bedacht zijn me daarheen te wenden.

124En zielen zag ik gaand door de vlammen, waarom ik schouwde naar hen en naar mijne schreden, het kijken nu en dan afwisselende.

127Na het einde, dat aan het zingen werd gemaakt, riepen zij luide: „Virum non cognosco;” voorts herbegonnen zij den zang met zachtere stemmen.

130Was het uit, wederom zongen zij: „In het woud hield zich Diana op, en Elice joeg zij er uit, daar die Venus' aanraking had gevoeld.”

133Voorts wendden zij zich tot het zingen; voorts riepen zij [namen van] vrouwen en van gehuwde mannen die kuisch waren, gelijk deugd en huwelijk hun opgelegd had.

136En deze wijze, geloof ik, dat voor hen volstaat, gedurende den ganschen tijd dat het vuur hen brandt: met zulke zorge en met zulke spijze voegt het datde laatste wondezich sluite.

Zij, die zich te buiten gingen in genietingen, louteren zich van dit onreine vuur, te midden van de vlammen den berg omkringende in twee aan elkaar tegengestelde scharen. Dante onderhoudt zich met Guido Guinicelli, en voorts met Arnaut Daniel, Provençaalsch dichter.

1Terwijl aldus langs den rand, de een voor den ander, wij voortgingen, zeide dikmalen de goede Meester: „Wees op uwe hoede; verheug u dat ik u beschut.”

4Op den rechter schouder trof mij de zon, die reeds, stralende, gansch het Westen van hemelsch blauw verschieten deed tot eenen witten aanblik;

7en ik deed met mijne schaduwe de vlam meer blozend verschijnen, en toch reeds op zoo klein een kenteeken zag ik vele schimmen, al gaande, hunne aandacht vesten.

10Dit was de oorzaak, die hun eenen aanvang gaf om te spreken van mij; en zij begonnen te zeggen: „Deze blijkt geen schijn-lichaam.”

13Voorts maakten eenigen zóóverre als zij konden, zich op tot mij, altijd met zorge niet uit te gaan tot daar waar zij niet zouden worden verbrand.

16„O gij, die gaat, niet omdat gij trager zijt, maar wellicht uit eerbied, achter de anderen, antwoord mij, die in dorst en in vuur brande:

19en niet alleen mij is uw antwoord van noode; daar alle dezen er grooteren dorst naar hebben, dan naar koud water Indiaan of Ethiopiër.

22Zeg ons hoe het is dat gij van u zelven eenen muur maakt voor de zon, alsof gij nog niet binnen het net des doods waart getreden.”

25Zoo sprak mij één van dezen en ik zoude mij reeds hebben geopenbaard, zoo ik niet oplettend ware geworden op andere nieuwigheid, die toen zich voordeed:

28daar door het midden van den in brand gestokenen weg lieden kwamen met het aangezicht genen tegemoet, welke mij vol verwachting maakten om toe te zien.

31Daar zie ik van elken kant elke schim zich haasten, en de een de ander kussen, zonder stille te staan, tevreden met zóó kort festijn.

34Aldus binst hunne donkere schare raakt de eene de andere mier met den snuit, wellicht om te speuren elkander reize en elkanders lot.

37Zoodra zij uitéén gaan van de lievende begroetenis, nog voor zij tot de eerste schreden zich bewegen, bemoeit zich elke boven de anderen uit te schreeuwen,

40de nieuwgekomen luiden: „Sodom en Gomorrah!” en de anderen: „In de koe kroop Pasiphaë, dat de stier tot haar minneweelde kwam.”

43Voorts, als kraanvogels, die vlogen deels naar de Ripaeische bergen, deels naar de zanden [derwoestijnen], dezen de koude, genen de zonne schuwende;

46het ééne volk gaat henen, het andere komt, en zij keeren weenende tot hunne eerste liederen, en tot dien kreet, die hun het meest voegelijk is;

49en zij praaiden mij wederom, gelijk te voren, diezelfden die mij hadden gebeden, en vol aandacht waren zij om te luisteren in hun voorkomen.

52Ik die twee malen hun begeerte had gezien, begon: „O zielen verzekerd van te hebben, wanneer het ook zij, eenen staat van vrede,

55niet zijn mijne ledematen noch onrijp noch rijp aan gene zijde gebleven, maar zij zijn hier met mij met hun bloed en met hunne samenvoegingen;

58daar omhoog ga ik om niet langer blind te zijn: eene vrouw is omhoog, die de genade voor mij heeft gewonnen, door welke [genade] ik mijn sterfelijk [deel] door uwe wereld tors.

61Maar zóó waarlijkuwe grootere begeertespoedig verzadigd worde, zóódat de hemel u herberge, die vol is van liefde en zich al wijder ruimt,

64zeg mij, opdat ik er nog papieren mee bestrepele, wie zijt gij, en wie is gene drom, die weg gaat achter van uwe ruggen?”

67Niet anders ontstelt zich verstomd de bergbewoner, en schouwende staat hij sprakeloos, wanneer hij, ruw en onbehouwen ter stede komt,

70als elke schim in haar voorkomen deed; maar nadat zij ontlast waren van de ontsteltenis die in hooge harten dra zich matigt:

73herbegon degene die het eerst had gevraagd: „Welzalig gij, die van onze gewesten, de hoop medeneemt om beter te leven!

76De lieden die niet met ons mede gaan, misdedenin dat, waarom voorhenen Caesar, triompheerende, zich in zijn gezicht, „koningin” hoorde noemen;

79daarom gaan zij henen „Sodom” roepende, in zich gispende, gelijk gij gehoord hebt, en helpen zij den brand door zich te schamen.

82Onze zonde is die van Hermafrodiet; maar omdat wij niet hielden menschelijke wet, als beesten onzen lust volgend,

85wordt tot onze eigene schande door ons aangeroepen, wanneer wij van elkanderen gaan, de naam van degene die zich tot beest maakte in het tot beest gemaakte hout.

88Nu weet gij onze daden en weet waaraan wij schuldig waren; zoo ge wellicht bij name weten wilt wie [allen] we zijn; er is geen tijd om het te zeggen en gij zult het niet weten.

91Den wensch echter omtrent mij zal ik u bevredigen; ik ben Guido Guinicelli, en reeds word ik gelouterd daar 't mij wel rouwde vóór mijn levens-einde.”

94Hoedanig bij de droefenis vanLycurgusde twee zonen werden op het weerzien der moeder, zóó werd ik, maar niet tot zóó groote daad verrijs ik,

97wanneer ik zich zelven noemen hoorde den vader van mij en zoovele anderen, die beter zijn dan ik, die ooit in rijmen, zoete en gevallige, spraken van minne:

100en zonder te hooren en te spreken ging ik peinzende eene lange wijle hem aanziende, toch kwam ik wegens het vuur hem niet nader.

103Toen ik van hem te zien verzadigd was, bood ik mij hem bereid tot zijnen dienst, met zulke verzekering als iemand doet gelooven.

106En hij tot mij: „Gij laat door wat ik hoor, in mij zulk een spoor en zoo duidelijk, dat Lethe het niet kan wegnemen of verduisteren.

109Maar zoo zooeven uwe woorden de waarheid bezwoeren, zeg mij wat de reden is waarom gij toont in uw spreken en uw blikken mij lief te hebben.”

112En ik tot hem: „De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche spreekwijze zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen dierbaar maken.”

115„O broeder,” zeide hij: „gene, dien ik u aanwijs met den vinger (en hij wees voor ons uit er éénen met den vinger aan), was beter werkman in de moederlijke sprake.

118Gedichten van minne en proza-verhalen, hij overtrof ze alle en laat de dwazen [vrij] zeggen die gelooven dat die van Limoges hèm overtreft.

121Zij richten de gezichten meer naar het gerucht dan naar de waarheid en aldus vesten zij hunne meening vóórdat kunst of rede door hen wordt gehoord.

124Aldus deden vele ouden met Guittone, de één den ander nasprekend om hem lof te geven, totdat met meerdere personen de waarheid hem heeft overwonnen.

127Dies, indien gij zoo ruim een voorrecht hebt, dat het u veroorloofd zij te gaan tot het klooster, in het welk Christus abt is van het Collegium,

130doe bij hem voor mij een Pater noster,tot zóóverals wij nog in deze wereld noodig hebben, waar we nu niet meer het vermogen tot zondigen hebben.”

133Voorts, wellicht om eene tweede plaats te geven aan een ander, dien hij bij zich had, verdween hijin het vuur, gelijk door het water een visch die naar den bodem gaat.

136Ik ging een weinig naar voren tot dengene, die mij gewezen was, en zeide dat mijn verlangen zijnen naam een welgevallige plaats inruimde.

139Hij begon vrijmoediglijk te zeggen: „Zoozeer bevalt mij uwe hoofsche vraag, dat ik me u noch kan noch wil verbergen.

142Ik ben Arnaut, die ween en ga zingende; herdenkend zie ik mijne vroegere dwaasheid, en blijde zie ik de blijdschap die ik weldra hope.

145Nu bid ik u bij dat vermogen, dat u geleidt tot den top, die is zonder koude en zonder warmte, gedenk mijne smart te lenigen.”

148Voorts verborg hij zich in het vuur dat hem nabij was.

De Engel, die den toegang bewaakt, waarschuwt de Dichters dat om te stijgen ze door de vlammen moeten gaan. Bij deze aankondiging wordt Alighieri ontsteld en weifelt, totdat hij, door den Meester getroost, den doortocht doet. Op de trap overvalt hen bijna plotseling de nacht. Dante slaapt in en heeft een droom-gezicht. Wanneer hij met den dag den tocht hervat heeft, komt hij aan het aardsche Paradijs, waar Virgilius hem zegt dat nu zijn taak is volbracht en dat hij hem van nu aan zijn eigen heer laat zijn.

1Gelijk wanneer de Zon hare eerste stralen drilt, daar waar haar Maker zijn bloed vergoot, terwijl de Ebro onder de hooge Weegschaal valt,

4en de wateren van den Ganges door den noen worden geschroeid, zóó stond de Zon; waarom de Dag wegging, wanneer de Engel Gods blijde ons verscheen.

7Buiten de vlam stond hij op den rand, en zong: „Zalig de reinen van harte,” in stemme veel meer levend dan de onze.

10Voorts: „Verder gaat men niet, zoo niet te voren, o heilige zielen, het vuur u bijt; treedt er binnen, en weest niet doof voor het zingen van ginds,”

13sprak hij tot ons, toen wij hem nabij waren; waardoor ik zoo werd, toen ik hem verstond, als degene is, die in den kuil wordt gelegd.

16De gevouwen handen opheffende, strekte ik mij naar voren, ziende naar het vuur en mij heftig verbeeldende menschelijke lichamen, die ik wel eens in brand gestoken had gezien.

19Tot mij wendden zich mijne goede geleiders en Virgilius zeide tot mij: „Zoon mijn, hier kan marteling zijn, maar geen dood.

22Herinner u, herinner u.. en, zoo ik boven op dienGerionu veilig heb geleid, wat zal ik doen nu ik ben veel nader bij God?

25Geloof voorzeker dat, al stondt ge binnen de bedding van dit vuur wel duizend jaren, het u niet één haar kaler konde maken.

28En zoo gij wellicht geloovet dat ik u bedriege, maak u op tot de vlam, en laat het u bewijzen met uwe handen aan den zoom van uwe slippen.

31Leg af van nu, leg af alle vreeze: keer u ginds heen en kom onbezorgd tot den overkant.”En ik [bleef] stil, ook tegen [beter] weten.

34Toen hij mij nochtans zag blijven staan, stil en onbewegelijk, [toen] een weinig onthutst, zeide hij: „Nu zie, zoon, tusschen Beatrice en u is deze muur.”

37Gelijk bij den naam van Thisbe Piramus vlak voor den dood de oogleden opende en naar haar keek, ten tijde dat de moerbei bloedrood werd;

40alzoo, toen mijne hardheid zacht was gemaakt,keerde ik mij tot den wijzen Gids, den naam hoorende, die altijd in mijnen geest weerbaûwt.

43Waarom hij het hoofd schudde en zeide: „Hoe nu, willen we hier blijven?” Dan glimlachte hij, gelijk men tot het kindje doet, dat zich laat winnen door den appel.

46Voorts binnen-in het vuur vóór mij begaf hij zich, Statius verzoekende achter aan te komen, die eerst op langen weg ons [beiden] scheidde.

49Toen ik er in was, zoude ik mij in kokend glas geworpen hebben om mij te verfrisschen, zóó mateloos was daar de brand.

52De zoete vader mijn, om mij te troosten, ging steeds voort sprekende van Beatrice, zeggende: „'t Is me of ik reeds haar oogen zag.”

55Ons geleidde eene stemme, die zong van ginds; en wij steeds oplettende op haar, kwamen er uit daar waar men opging.

58„Venite, benedicti Patris mei,” klonk het binnen in een licht, dat dáár was, zoo sterk dat het mij verwon en ik het niet kon zien.

61„De zon gaat henen,” voegde hij er aan toe: „en de avond komt; houd u niet op, maar versnel den pas, terwijl het Westen nog niet zwart wordt.”

64Recht steeg de weg binnen de rots, naar zoodanig een kant dat ik vóór mij wegnam de stralen der zon, die reeds laag was.

67En van weinig treden namen wij de proef, wanneer ik en mijne wijzen gewaar werden aan de schaduw, die uitdoofde, dat de zon achter ons zonk.

70En voor in alle zijne onmetelijke deelen de horizont van éénen aanblik was geworden, en de Nacht over alles was verdeeld,

73had elk van ons van eene trede zich een bed gemaakt, daar de aard van den berg ons meer het vermogen dan het geneugt tot stijgen had benomen.

76Gelijk de geiten al herkauwende mak worden, die snel en dartel waren op de toppen, voor zij hebben gevroegmaald,

79zwijgende in de schaduw, terwijl de zonne brandt, gehoed door den herder, die op den staf zich heeft geleend, en hen van rust dient;

82en gelijk de kudde-hoeder, die buiten huist, en bij zijn vee rustig overnacht, wakende dat geen wild dier ze verstrooie;

85zóó waren wij gedrieën alstoen, ik als geitje en zij als herderen, ommuurd van hier en ginds door de grot.

88Weinig kon daar zichtbaar worden van buiten; maar dóór dat weinige zag ik de sterren meer dan naar hunne gewoonte helder en groot.

91Aldus herkauwende en gene [de starren] bespiedende, vatte mij de slaap; de slaap die vele malen, eer het feit bestaat, de nieuwstijdingen weet.

94In de ure, geloof ik, dat uit het Oosten het eerst op den berg straaldeCytherea, die van minnevuur altijd brandende schijnt,

97docht ik mij jong en schoon in den droom eene vrouw te zien gaan door eene landouw, bloemen plukkende; en zingende zeide zij:

100„Hij wete, wie ook naar mijnen naam mocht vragen, dat ikLeaben en ga bewegende in het rond de schoone handen om mij eenen bloemslinger te maken.

103Om mij zelve in den spiegel te gevallen sier ik mij hier; maar mijne zuster Rachel gaat nooitvan haren spiegel, maar zit den ganschen dag.

106Zij is om hare eigene schoone oogen te zien zóó begeerig, als ik om mij te tooien met mijne handen; haar geeft het zien, mij het arbeiden den vrede.”

109En reeds, door de glanzen die komen voor het licht, die den te beê-vaart-gaanden zóóveel te aangenamer rijzen, als zij, weerkeerende, minder verre vernachten,

112vluchtten de duisternissen van alle kanten, en mijn slaap met haar; waarom ik oprees, ziende de groote Meesters reeds gerezen.

115„Die zoete appel, welken door zoovele takken zoekende gaat de zorg der stervelingen, zal heden uwen honger te vrede stellen.”

118Virgilius gebruikte te mij-waart zoodanige woorden, en nooit waren er lekkernijen, die aan gene gelijk waren om te behagen.

121Zóó groote begeerte boven begeerte kwam mij om boven te zijn, dat ik bij elke schrede voortaan als om te vliegen mij de vleugelen voelde wassen.

124Toen de gansche trap onder ons was afgeloopen, en wij op de bovenste trede waren, vestteVirgiliuszijne oogen op mij,

127en zeide: „Het tijdelijk vuuren het eeuwige, hebt gij gezien, Zoon, en zijt gekomen in een deel waar ikuit mijzelvenniet verder onderscheide.

130Getrokken heb ik u hierheen met verstand en met kunst; neem alsnu uw eigen wèlgevallen als leids-man; gij zijt buiten de steile wegen, buiten de enge.

133Daar zie de Zon, die u op het vóórhoofd licht; zie het kruid, zie de bloemen, de boomkens, welke deze grond alleen uit zich zelven voortbrengt.

136Terwijl blijde [tot u] komen de schoone oogendie, weenende, mij tot u deden komen, kunt gij zitten en tusschen dezen henengaan.

139Wacht noch mijn zeggen meer, noch mijne aanwijzing: vrij, recht, gezond is uwe keuze: en falen ware het, niet te doen naar zij verkiest;

142waarom ik uover u zelvenkroon met kroon en mijter.”

Hier wordt met betooverende verwen geschilderd het gelukzalig verblijf, geboden door het aardsch Paradijs. Alighieri schrijdt daar eenigen tijd door voort, wanneer een stroompjen hem het verdergaan belet. Eene vrouwe van wonderlijke schoonheid vertoont zich hem aan den anderen kant, zij verklaart hem de gelegenheid der plaats en beantwoordt de door hem gestelde vragen.

1Begeerig om alhaast van binnen en rondom het goddelijk woud te doorzoeken, dat dicht en levendig was, en voor de oogen den nieuwen dag matigde,

4verliet ik zonder langer te wachten den zoom, langzaam aan den weg door het landschap nemende over den grond, die van allen kant geurde.

7Een zacht koeltje, zonder verandering in zich te hebben, sloeg mij voor het voorhoofd, niet met meer slag dan liefelijke wind;

10door hetwelk de looveren, snel trillende, allenegen naar die zijde, waar de heilige berg de eerste schaduw werpt;

13niet daarom nog dat ze zoo recht-op gespreid werden dat de vogeltjes door hunne toppen aflieten van al hunne kunsten uit te oefenen,

16maar met volle blijdschap ontvingen zij zingende de eerste uren binnen de looveren, welke bij hunne rijmen zulk een gegons aanhielden,

19als dat, hetwelk van tak tot tak zich gaart door het pijnenwoud over het kustland van Classis, wanneer Aeolus den Sirocco naar buiten loslaat.

22Reeds hadden de langzame voetstappen mij zooverre binnen in het oude woud gebracht, dat ik niet kon herzien van waar ik het binnen getreden was:

25en zie, het verder gaan benam mij eene beek, die naar de slinker hand met hare kleine golfjes het gras neigde, dat op haar oever groeide.

28Alle de wateren die daar ginds de zuiverste zijn, zouden schijnen de een of andere aanlenging in zich te hebben, vergeleken met dit, hetwelk niets verbergt,

31hoewel het zich al donkerlijk voortbeweegt onder de gedurige schaduw, die daar nooit zon of maan toelaat te schijnen.

34Met de voeten hield ik stand en met de oogen stak ik over naar gindsche zijde van het stroompje, om de groote bontheid der frissche meien te bewonderen:

37en daar verscheen mij, zooals plotseling verschijnt een ding, dat door wonderbaarlijkheid al ander denken van den weg leidt,

40eene vrouw in haar eentje, die ging al zingende en al plukkende bloem na bloem, met welke haar gansche weg beschilderd was.

43„Ei, schoone vrouw, die aan de stralen der liefde u warmt, indien ik wil gelooven de verschijnselen, die plegen te zijn getuigenis van het hart;

46kome u de wil u voorwaarts te bewegen,” zeide ik, „nader naar deze rivier, zoodat ik verstaan kunne dat wat gij zingt.

49Gij doet mij gedenken waar en hoedanig-eene Proserpina was toen hare moeder haar en zij hare lente verloor.”

52Zooals zich draait, met de voetzolen dicht bij de aarde en bij elkander gehouden, eene vrouw, die danst en nauwelijks den éénen voet voor den anderen zet;

55draaide zij zich over de bloed-roode en de gele bloempjes te mij-waart, niet anders dan als eene maagd, die de eerlijke oogen nederslaat;

58en zij maakte dat mijne beden bevredigd werden, zich zóó nabij mij begevend, dat het zoete geluid tot mij kwam mèt wat het beduidde.

61Zoodra ik daar was, waar de gras-sprietjes reeds bespoeld worden door de golven van den schoonen stroom, deed zij mij het geschenk van de oogen op te slaan.

64Ik geloof niet dat bij Venus zóóveel licht onder de wenkbrauwen schitterde, wanneer zij door haren zoon, gansch tegen diens gewoonte, [met een pijl] was getroffen.

67Zij lachtenu recht-op gerichtvan den anderen oever, velerlei kleuren met hare handen hanteerende, welke de hooge aarde zonder zaad deed ontspruiten.

70De stroom maakte ons drie passen van elkander verwijderd, maar de Hellespont, daar waar Xerxes er over trok, nog steeds toom aan alle menschelijke hoovaardijen,

73werd niet meer gehaat door Leander, omdat hij golfde tusschen Sestos en Abydos, dan die rivier door mij, omdat zij zich toen niet voor mij opende.

76„Gijlieden zijt hier nieuw, en misschien omdat ik lach,” zeide zij: „in deze plaats, voor het menschelijk geslacht uitverkoren tot zijn nest,

79houdt u in uwe verwondering een argwaan; maarde psalm, „Want gij hebt mij verblijd,”geeft u licht, hetwelk uw verstand van den nevel kan bevrijden.

82En gij, die vóór mij zijt en mij gebeden hebt, zeg of gij iets anders wilt hooren, opdat ik dadelijk kome tot alle vraag van u, zoodat ik u voldoe.”

85„Het water,” zeide ik: „en het geluid van het woud bestrijden binnen in mij een nieuw geloof over eene zaak, die ik hoorde, tegengesteld aan deze.”

88Waarop zij: „Ik zal zeggen hoe het voortkomt uit zijne oorzaak, dat, hetwelk u doet verwonderd zijn, en ik zal den nevel weg doen, die u verbijstert.

91De hoogste Goedheid, die alleen aan zichzelve behaagt, heeft den mensch goed gemaakt; en zij gaf hem het goed van deze plaats tot pand van eeuwigen vrede.

94Door zijn vergrijp woonde hij hier weinig tijd; door zijn vergrijp verkeerde hij in klacht en in verdriet eerlijk lachen en aangenaam spel.

97Opdat de werveling, welke de uitwasemingen van het water en van de aarde beneden veroorzaken (die zooveel zij kunnen de warmte achterna gaan),

100den mensch geenerlei warrigheid zoude maken, rees deze berg zooverre hemelwaarts en is hij vrijvan daar af, waar hij gesloten wordt.

103Daar nu in den ganschen omtrek de lucht draaitmet het eerste gewelf, indien haar de omgang niet op eenige plek is verbroken,

106daarom treft op deze hoogte, die gansch los is in de levende lucht, zulk eene beweging het bosch en doet het ruischen daar het dicht is.

109En de getroffen plant vermag zooveel dat zij met haar vermogen de lucht drenkt, en dat vermogen voorts ronddraaiende, rondstrooit.

112En de overige aarde, naardat zij waardig is door zich zelve of door haar hemelstreek, ontvangt en brengt voort verscheiden gewas van verscheiden vermogen.

115Voortaan zal het u dus niet meer verwonderlijk schijnen, nu gij dit gehoord hebt, wanneer eenige plant zonder zichtbaar zaad hier op-spruit.

118En gij moet weten dat de heilige landouw, waarin gij zijt, van alle gewas vol is, en gewas in zich heeft dat aan gindsche zij niet geplukt wordt.

121Het water, dat gij ziet, ontspringt niet van een ader, welken damp herstelt, door vorst bekeerd, zooals een stroom die buiten adem en bij adem komt;

124Maar het komt uit een gestadige en zekere bron, die zooveel aan den wil van God ontneemt, als zij vergiet naar twee zijden open.

127Naar deze zijde daalt het met een vermogen, dat iemand de heugenis der zonde ontneemt; naar de andere zijde, hergeeft zij die van alle goede daad.

130Hier heet zij Lethe, en zoo aan de andere zijde Eunoë en zij werkt niet als zij niet van deze en van gene zijde geproefd is.

133Alle andere smaken gaat zij te boven. En hoewel uw dorst genoegzaam kanverzadigdzijn, zoodat ik u niet meer ontvouwe,

136zal ik u uit gevalligheid nog eenkransjegeven; en ik geloof dat mijn spreken u niet minder lief zal zijn, indien het boven belofte met u weiden gaat.

139Diegenen die van oudsher dichtten van de Gouden Eeuw en haren gelukkigen staat, droomden die plaats wellicht op den Parnas.

142Hier was de menschelijke oorsprong onschuldig; hier is altijd lente en hier is alle gewas; dit is de nectar, waarvan iederspreekt.”

145Toen wendde ik mij ganschelijk achter-om naar mijne dichters, en ik zag dat zij met een lach de laatste uitlegging hadden vernomen.

148Voorts keerde ik het gezicht naar de schoone vrouw.


Back to IndexNext