De blindend-blanke hagelwolken drijventrotsch en geducht aan 't hardblaauw firmamenten dreigen met hun schaduw te verstijvende schuchtre kindren van de jonge lent.Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig,gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik,door den van toorn gebolden stoet onmachtiggroet lieve zon de beidende⁀aard tersluik.Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke looverten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen,de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oovermet tintellooverkes van teeder groen.De koekoek roept getrouw het voorjaar uit,de mei houdt vol, bestendig langs de dreevenschalt nachtegalenslag en lijsterfluit,en alom zeegeviert het lichte leeven.De schat mijns harten.Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteensWisslend geflonker.Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst?Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven?Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken't Nameloos wonder?!..........................................................................................................................Het is mijn ster, het is de sterke liefde,die niemand kan verstaan en niemand ziet,die alom heerscht, die al vertroost wat griefde,die stralend schoon uit alle dingen schiet.Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt,die zacht als water door geen kracht bezwijkt,den Satan slaat en voor demoonen veiligt,die immer buigend booven bergen reikt.Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragendin duldsaam beeven uitzag in den nacht,toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend,beweezen haar onnoemelijke macht,Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen,spijt aller schijndeugd, spot of hindernis,daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragenen zacht voor Liefde's kindren is...........................................................................................................................Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte,Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens,Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer,eeuwig waarachtig.Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken,d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?"Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weentvoelend verlossing.Het looverlied.Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaanvan groote boomen die in duister staan,weer naar hun machtig nachtgezang te luistrenhun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.In langen winter zongen barre twijgeneen ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgenwas angstig in den Januari-mist.—Maar 't loover kwam toch weer—en hoor nu is 'tals een gelukkig volk dat zeegezingt.Nu juicht het gansche lenteland, er klinktfijn geschalmei van voogels in de verte—zoo fijn en klaar als 't tintelend gesterntedat door de zwarte bladerschimmen kijkten met haar vaag beweegen komt en wijkt.Ik ga door looverlied en sterreschijnblij en gerust. Ook in mijn kleine breinworden nu teedre liedekens geboorendie 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren.De wind die 't nachtland als een harpe streeltin maatgang met mijn stille liedjens speelt.Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huishet looverlied verstaat en 't zeegeruisch—zal ik dan niet in sterker lijf herboorenden juubelzang der gouden sterren hooren?Alles voor U.Alles voor U,—wie is er nog betrouwbaardan Hij die 't licht en de gesternten maakt,van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar,al wat ons lijf beroert en raaktis enkel een gedachte⁀en teere droom?De breede zee met witbeschuimden zoom,zilv'rig beglansd door vluchtige lichten,'t kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken,wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?—Gij denkt hem éve' en eeuwig pronkende groote maaksels voor der schepslen oog.Het vaste veld, de luchte wolkenboog,Gij denkt, gij zingt zë,—als een blijde knaapdes morgens gaand langs glinsterende bronnenzijn zangen zingt, gelukkig na den slaap,—zoo zingt Gij waerelden en zonnen,schrijdend langs schitterenden leevensvloed,door U geleid, ontvangen en gevoed.—Alles voor U,—gij mijn getrouwe God,nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vindenbegrijp zoo luttel, zooveel haat en spot,zoo weinig vrinden en zooveel verblinden—'t Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zoutot U alleen, bron van begrijp en trouw.Al wat ik nog aan lieven en aan leevente geeven heb, 't is al, 't is al voor U,maar om Uw lieven wille kan ik geevenden menschen méér aan liefde, dan tot nú—Schoon zij mij al niet danken of verstaante lieflijker glanst mij Uw glimlach aan.Hier is mijn hart,—ze noemden het ontrouw,het was zoo wispeltuurig en zoo grillig,verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw,toch is 't standvastig en gewillig.'t Zwierf als een schaap van weide op weide verder,volgend het roepen van onzichtbren herder.Als een wit vlinderken ging 't welgemoedin zachte fladdervlucht door donker dal,en zocht met vagen schijn een stellig goed:Uw licht, Uw zoetheid ooveral,—totdat het door de sombre denne-stammen,den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen.Hier zijn mijn oogen,—ach, zoo blind! zoo blind!Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd,als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindten roept: "een diamant!" en danstin 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.—Hier is mijn stem,—die om zoo kleine reedengeweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak.Zij deed de menschen luisteren en weenen,totdat zij steeg en sterker klanken sprak....toen heeft zij onoprecht gescheenen,—....Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat,neem Gij haar aan in haar oprechten staat.Neem alle sieraad met uw zuivre handen,al wat er uitblonk van mijn weezen af,op úw altaar mag door úw vuur verbrandenal wat mij trots en aanzien gaf.Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren—maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen.Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden,ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft—Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden,hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft.Hoe ik mijn Liefste⁀om U alleen bemin,en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in.De Staf.Onrust en donker alomme,Bang als een doove-en-stomme,tastend als blind ga ik omme—Waar is mijn staf?Ik lijd en moet veelen verdrieten,ik geniet ook en doe wel genieten,maar alle vreugd zie ik vlietenin een graf.—Ik weet wat alleenig mij rust geeft,wat mijn angsten gesust heeft,als 't kind dat moeder gekust heeftvóór den nacht.Dit is mijn staf—dat alle dingen zijngedachten van een dierbaar, minnend Weezengansch wáár, maar anders dan hun schijn.Weet ik dat goed—weg zijn mijn vreezen.Dan glijdt de vrachtvan dat onrustige van mij af.Dan voelt de blinde weer zijn stafDat is de kus die moeder gafaan 't kindekijn.Maar vergeet ik het éven,dan heeft mijn staf mij begeeven.Wáár, wáár is hij gevallen?Niemand weet het van u allen,Geen één, geen één,en ik sta weer weifelend en alleen,bedenkend hoe toch alles vlietin het niet.Mocht ik een Godsgaaf bedingen—ik vroeg sterke herinneringenomtrent eeuwige dingen.Aan de Groote Dichters.Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigendes Leevens, waar ons machteloos geslachtgeen zweem van kent, opdat ons niet te buigenvermoog' hun laag gedacht'.Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofdenwelvend uit diepten van een somber woud,den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofdenin schaduw droef en koud.Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen,niet d'onze, maar der broederen rondom,die ons bestaan door eigen derving dragen,'t lijf der gerechten krom.In zorgen gaan wij, Blijden van natuure,Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,—dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duuredes meededoogens druk!Richt óp ons hoofd, als gloedrood in den morgende zonbeglansde toppen van 't gebergt',ontlokt ons schouwen aan de kleine zorgenwaarmee de waereld tergt.Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar,geen werk der waereld schoort het of genaaktde hoogten waar voor altijd en onbreekbaaruw ziel haar woonstee maakt.Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden,bóoven 't gevecht om ruimte⁀en 't zwoegen om brood,leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijdenin weelden sterk en groot.De waereld is een droom u, één uit velen,en niet de schoonste,—de verklankte schijn,'t verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelenvan 't ongelijkbaar zijn.Maar juist door macht dier zeldsame genadete kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt,kleedt gij in wondre⁀en óoverschoone wadeal wat op aarde prijkt.d'Oogappels groot en donker op de vonkenvan Gods verborgen wonderen gerichthebt gij 't klein leeven rondom u geschonkeneen rijkdom lief en licht.Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle,schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand,juist door dat vuur een luister hoog en helleaan 't heerlijk Vlaanderland.Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vindenin 't kamerkijn, de waereld breed en wijdvoor hunner liefde gloorie kan verzwindenmet al haar heerlijkheid.En voor een gouden woord van Dante's lippeneen juubel-klinken uit Hebreeër-psalmzien we⁀al ons bangelijk getob verglippenals spook voor klokkengalm.Maar wee den dichter die niet staag blijft weetendat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt,hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeetenmidde⁀in zijn kracht verlamd.Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeetende rechte waarde⁀en zin van wat bestaaten wij wat van den heemel is niet meetennaar menschenmaat.Shelley's Epipsychidion.Een vuurstorm van vervoerende gedachteneen woord vol flonkerende majesteitverlicht opnieuw de scheemring mijner nachtenen breekt des leevens vale eenvormigheid.Waar is een tweede woord als dit ontvarenaan menschenmond, in al der menschheid jaren?Dit is geen teeder lied van liefde en leed,dit is geen mijmerende klacht van minne,het is een donderende vrijheidskreeten houdt het helderst vuur van wijsheid innedat ziedend in der menschheid boezem lagen losbreekt met verbijsterenden slag.Haar klank is uit geweldige geruchtenvan donder, zee en stormen saamgesteld,haar vaart is 't waarmee wolkendriften vluchten,waarmee een meteoor den nacht doorsnelt,haar opgang stijgt in ijlste ziele-luchten,haar macht is meer dan àl wat menschen duchten.Het is een fonkelende lans gedreevenrecht in den muil van goor en donker beestdat 't schrikbevangen menschenhart doet beevenmaar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd.De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagenwaar heldenvoet den eersten stap dorst wagen.Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwendin peilloos blauw, de stramme vlerken rekten eindlijk, innerlijken drang betrouwend,den greet'gen hals ver van den rotskant strekten stort zich vreesloos in de ruime sfeerenom d'eigen nooit-beproefde macht te leeren.Ik spreek in koel bezinnen, noode drijftheilige waarheid wel-betoomde woordentot koener vlucht, want deeze schoonheid blijftder bliksemschichten helste, die doorboordenwat als een somber neeveldek bezwaart't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard.Het is alsof een volk verworpen slavenroerloos gekneeveld ligt op donker land,het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraventerwijl een vaal gewolk de lucht bespant—maar één verrijst en doet door machtig wringenmet luiden klank de bloed'ge boeyen springen.Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht,en als een gloed-fontein met duizend kleurenmaakt zijn geroep den veegen heemel lichten doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren,'t verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken,maar d'englen aan de hellepoort verbleeken.Gij armen, die niets hoordet, niets begrijptgevoelloos in uw dof bestaan verlooren,weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt.Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind geboorendat van uw doodsch geslacht den boei kan slakenen uw verdoofde blikken glanzend maken.Want niets heeft er vermoogen dan de Geest.Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomendoor wie nog kruipen, siddrend voor het beest.Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen.Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister,haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister.Stem van Génerzijds.Het was zoo licht toen ik moest scheidende spreeuwen kweelden luide en teer,en een onnoemelijk verblijdenvervulde veld en atmosfeer.Een plechtig en verblindend wonderverrees,—als waar 't voor 't eerst,—de zon,en bloem op bloem ontsloot zich onderhaar zeegen, naar zij kracht gewon.De waereld scheen verbaasd te ontwakenals vond haar 't licht voor d'eerste maal.'k Zag zwaluwen hun nestjes makenen zwieren in den morgenstraal.Ik zag de kiewiet om zijn jongenklapwieken met bezorgd gerucht—ik hoorde hoe de meerlen zongenhun welkom in de luuwe lucht.De wind bestreek de fonkel-vlieten,de golfjes plapperden in 't lisch,'t ging al van 't zoete licht genietenen blonk van dauw en ruischte frisch.—Ik was niet angstig om te sterven,maar 't zag zoo luisterrijk op aard,als had al 't schoon, dat ik ging derven,zich in één uiterst uur vergaard.Genooten goed, dat ging begeeven,had ik u wel genoeg bemind?Verheeven weelden van het leevennam ik u dankbaar, als een kind?Wist ik mijn korte leevenswijdingte vieren als een heilig feest?Is mij 't ontwaren tot verblijding,'t bepeinzen tot een lust geweest?Als vaagde ik zwarte spinneraggenvan oud en kostbaar schilderij,zag 'k onontgonnen vreugden lachenvoor 't eerst van duistre spinsels vrij.—O angst, o waan, o booze krankteder menschen, die ons elk besmet,die den hartstochtelijken dank tebewijzen onzen God, ons let,die ons doet weifelen en doet ijzenen wroegen, klaaglijk en bedrukt,waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizenomhoogvaart, juub'lend en verrukt.—Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen,dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan:"verdrijf die schimmige demoonen""die voor Gods lieflijk aanzicht staan!""Hard drukt de spijt om noodloos lijden,""Om gloorie, door een waan gemist".....De⁀aard was zoo licht, toen ik moest scheiden,en zooveel schooner dan ik wist.—Een Minnezang.Vraagt ge mij zangen?—Maar wiemaakte mijn leeven tot een harmonisch lied?Weinigen die de melodiëen er van verstaan,Maar gij toch wel?Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rikde leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren,alleen tusschen de zwarte, stille wolken,gansch alleen booven de duistere aarde,—de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme—hij waakt en zingt.Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten,de duistere aarde luistert niet.Wie heeft mij de troost gebracht en de verzoeningtoen ik mat was van strijden,niet verslagen maar duldend zonder vreugde?Wie heeft mijn wintersche dagen verkeerd in luuwte?Wie heeft mij liefde doen kennen zonder bitterheid?Wie heeft mijn blijdschap hersteld?Gij weet hoe zwaar het is God te gedenkenin alle donkere gangen des leevens.Maar door u heb ik Hem niet vergeeten.Verlangt ge nog meer?Verzoenster! met u vond ik de zeede groote zee des vreedes—en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard,zij het maar éven.En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe,en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren,en uw geduld is het mijne gewordenonder den zeegen uwer liefde.Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegenen hebben mijn hart en handen verlicht—en de trage nevelen zijn opgeklaardvan mijn voorhoofd.Welk heerlijk wonder als de vlagen staken,als het gedonder der stormen ophoudt en de koudereegen niet meer striemt,als de zon door langsaam verzwindende wolkenwarmte zendt op het verstilde loof,als dan de reegenzware halmen zich rechten,en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken,en het leeven van de ontelbare teedere weezentjesdie wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water,schuchterlijk hèrbegint.Ach, zoo zoet was het weeder opleevenonder den grooten zeegen uwer liefde,seedert zijn mijn dagen zangen geweest.Verlangt ge nòg meer?Neem dan deeze ordelooze stroofen,ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat,hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te machtigen aandrangvan zijn innigheid.In Memoriam.Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagenten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad,uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad,de pijlers breekend die niet konden schragen—zachte, bescheiden broeder! teedre vrind!te vroeg gebooren kind van beeter tijden,waarin der menschen vluchtige uuren glijdenmet ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,—zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren,die in bedachtsaam en gerust bestaan,met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aanen niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren.Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken,waar men den nooit-gezienen groet als vrinden d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt—werd gij geworpen in de neevelkolkenvan dit verbijsterd en mislukt geslacht,van deeze warre tijden. Blij en goedigstonden uw oogen in 't begin en moedigtoogt ge ten strijd met al uw kracht.Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheidvan geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer,'t hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer,ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid,want als een giftdamp vol miasmen, smoortden eedlen geest het kleine, lage leevender duizenden, wien schoonheid is om 't eeven,die spotten om oprecht en innig woord.Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen,verweerloos, arme broeder! tot dien strijd,beklom u 't weeten uwer machtloosheidtelken dag weer, met telkens weer vermannen.Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed,door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar,gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar,bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet.Doch strijden moest ge⁀of sterven! Niet gedoogd'uw diep gevoelig hart de koele rustdes wèl-voldanen, die van veil'ge kustnaar storm-geslagen schepelingen oogt.Als een die oogenlid-loos en gebondennaar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart,niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard,noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden—Zooals een die in droom zijn huis in vlamziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'renmaar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren,de stem verstikt, aan alle leeden lam—Zoo liet der waereld vale, vage noodu niet meer toe te waken of te slapen—gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen—wat bleef er uitkomst als de dood?Dit is geen tijd voor teed'ren,—als de wagenvan Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,—toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht't onnutte wapen, te zwaar om te dragen.Was 't misdrijf?—Duister is Gods raad ons armen,ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot,rondom is argwaan, weifeling en spot,—zou Hij zich des oprechten niet erbarmen,die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel?En wie van ons, bedreigden, durft het wrakenzoo gij geen andre doortocht wist te makenvoor uw bemoeyelijkte ziel?De dag dringt in mij met dezelfde pijnenals die u folterden,—zoo ik nog sta,ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ,zou mij uw val dan zwakheid schijnen?Toen kwam er rust,—de rustelooze windsuist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen,waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen,uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind.Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreedevan 't schoone en goede wat ge vondt en deedt,en van ons die u minden.—Zacht betreedik nu met stillen dank de vreed'ge steede.Zelf-Schouw.Mijn blanke dwaal-ster zie ik staanin donkerblauwe⁀omnachting—op dorp en duinland schijnt de maan—in mijn bevreedigd hart vangt aaneen diepe zelf-betrachting.Ik ben wel een gezeegend wicht,doch weet dat niet gestadig,—maar als ik stil mijn aandacht richtop 't innig zelf, komt steeds het Lichten wijst het mij genadig.Geslingerd ben ik her en der,gedoold heb ik vervaarlijk—doch schijnt mij mijn verheeven Sterna elk verdwalen minder veren 't leeven min bezwaarlijk.Een kleine en altijd heldre bronvan glinsterende blijheid,verberg ik diep, en nooit verwonmij 't leed, als ik maar woonen kon,gerust, in haar nabijheid.Doch 't wilde leeven lokt mij uit—dan kamp en lijd ik deerlijk,—tot ik weer hoor haar zacht geluiden als een bruidegom zijn bruidhaar wéérvind, schoon en heerlijk.Mijn arme lichaam, teer en broos,doe ik mij wèl serveeren.—tot ik het eenmaal, leeg en voos,te rust zal leggen voor altoos,als afgedragen kleeren.Mijn hart behoudt geen spijt of nijd,'t zoekt ook zijn lust niet grillig.—Door onbesuisde teederheidheeft het wel veelen leed bereid,doch griefde 't niemand willig.Mijn weezen heeft een tragen gang't wil tijd, zich te bezinnen,'t vreest pijn te doen en mijmert lang,maar vaart dan plotsling uit, nooit bangiets hachlijks te beginnen.Waarheid is mij, wat 't kindekijnde borsten zijn die 't voeden,doch weetend dat zij schoon moet zijn,vergrijp ik mij aan schoonen schijnvaak tot mijn handen bloeden.En onontmoedigd, weederomzoek ik wat goed en eerzaamaan elk is, wien ik teegenkom—want hoezeer onbesuisd en dom,toch ben ik niet onleerzaam.Ik acht mij maar een kleine man,bedeesd en zwak van krachten,—doch welke macht ter waereld kanverslaan wie stijgt op vleuglen vanzijn godlijke gedachten?'t Liefst ging ik als een zorgloos kindaan vaders hand door 't leeven.Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind,zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind,om hem vertrouwelijk en blindmijn kinderhand te geven?Toen moest ik wel, met zware dracht,den schijnbren hoogmoed dragen,alleenstaand met begrip en klacht,—en aan de sterren van den nachtom eenen Vader vragen.Mijn eigen, echte makelijdoet veelen zich bedriegen,ze noemen 't spel en hoovaardij,en als ik eerlijk spreek en blijdan heeten ze 't me liegen.Ik word geliefd, ik word gehaat,—noch Eer is 't, noch Beschaming,—want wie mijn weezen niet verstaat,hij raakt mij niet, maar mint of smaadteen pop, met mijn benaming.Mijn Vader maakte mij gewisaldus, opdat ik leerehoe ijl der menschen oordeel is,en ik mij van hun ergernistot Zijn vertroosting keere.Julius Oldach.Wohl nicht umsonst trägt Frau Germaniaso stolz die Krone und so hoch den Busen,errang sie doch den Ehrenpreis der Musenfür Poësie und Musika.—Jedoch es schien gar Manchem unterdessenals hätte längst Sankt Lukas sie vergessen.Sie schenkte einem Dichter oder Gleichenein weihe-volles Leben ohne Schmach,und es umspült der göttlich klare Bach,der Seelen Labsal, ihre Eichen.Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben,nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben.Es brüstet sich zwar mancher Geniusden Holbein und den Dürer zu ersetzen,doch giebt die ferne Nachwelt einen Fetzenfür Kaulbach und Cornelius?Da giebt's viel Tuch, viel Akten, und Gewänder—doch flüstert man: "es bleibt nur Oberländer".Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronenwo es zu viel des Ruhmesstolzes fand,nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand,sodass die biederen Teutonenden Bismarck hundertmal in Erze giessen,und Julius Oldach arm krepiren liessen.Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick,er hat gemalt wie die von Gott erhelltenund seiner Seele ungeheure Weltengedrängt auf tellergrosses Stück.Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt,es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt".Nicht doch!—es hat kein Mensch noch so volkommengesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich.Wer war's der an Verwegenheit ihm glichund siegreich ist davongekommen?Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus.Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus.Nach tausend Jahr und abertausend Jahrenda wird wohl mancher Schüler kaum noch rathenwas Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten,ob's Krieger oder Krämer waren....doch schmählich wird die blinde Welt genanntdie Oldach ein Jahrhundert lang verkannt.De Klok[1].Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.—Omlaag in de glinstrende gangen der staddwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes.Peillooze nachttoefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren.Posuït me in tenebris—...Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte...Ver beneeden raasde de storm van Londen,de ondiepe storm onzes leevensonder afgronden van eeuwige stilte....et in umbra, mortis.In de donkre tooren hing de klok en wachtte.Onder de klok, elk in zijne steede,sliepen de strenge dooden.In tenebris stravi lectulum....Eén voor één, onder den machtigen tooren,legden de leevenden hen.Maar hun warm leeven slaapt met hen, innigerdan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer,leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent....et in polvere dormiam.De klok omhoog toefde booven de stad.Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneedenin de donk're klok beslooten stemmen fluistren,hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht.Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte.Cor meum conturbatum est—....Dood—en de wolven van Vrees waarden in 't duister.Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte,golfden rondom de klok, als in benauwen:"verlos ons, o gij die toeft!""Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees,""Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!""Hoort! gij leevende zielen,""hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen"...formido mortis cecidit super me."Dit is de doem des Doods en géén ontkomt.""Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken,""de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden,""Dood duldt géén gezellen.""Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen,""zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig.""Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond""langsaam zijn zwichtende vleesch.""Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten,""liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken."Sicut umbra quum declinat.Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen:"Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag""van het getemperde leeven, gij die nog waakt,""hoort! het woord van den Dood:""de gerechte sterft en ook de zondaars sterven,""Dood heeft maar één domein."—Unus introitus est omnibus ad vitam—...."Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt,""of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt""jagend naar lust of macht.""Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave","vult met duister het brein, de handen met stof."...—et similis exitus."Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.""Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht,""tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?"Sic et nos nati—..."Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap.""—Maar alles vervalt den Dood—""hem die in smart uit dit leeven verlost wordt"...continuo desivimus esse."Al het geboor'ne is een prooi des Doods,"Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaarLonden omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer,ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels,onder de kalme sterren,plechtig en diep sprak de klok in de stilte:Pax Deï—...sprak het met God als alleen, in zeegening.Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang,vreede als van hem wiens werk is voleindigd!Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht.Dank zij Goode! den geever,Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aardeéven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken,...quae exsuperat omnem sensum.sprak het de zware klok in des middernachts diep.De machtige stem, aan de stilte zich bindend,deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stadin lange golven van klank.Qui confidunt in Illo intelligent veritatem.Hooge konde des Doods aan het Leeven.Zooals de wind vaagt van het heemelgelaaten onder zich ophoopt tot warre gestapelde massade gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonendde sterren in hoogte oover hoogte,zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevensverstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende.In lumine tuo videbimus lumen.En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven.Toen hoorde beneeden de wachter te middernachthoe het geluid van den Doodoover de stad hong in zeegening,het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden,alle gerechte zielen.Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap,verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad.Pax est electis Ejus.En vreede vervulde de diepe bronnen des harten.Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders.Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd,de blijde ziel van den doodeweerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid,zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding,welkom de dierbare ziel tot den Vader.Justorum autem animae....Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.En hij die rouwde in wake, onder den tooren,hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbaremajestatische stilt' des begravenen Tijds.En de jaren van hem die gestorven washoorde hij vallen als water, gestort van een schaalin de woelende, vage, vervormende zee.De getelde jaren vielenen mengden zich met 't oneindig verleeden.....in manu Dei sunt.de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid.Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend,hoorde hij en 't vloeyen aller waterentot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee,en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee,voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde.en hij zag van hem die gestorven wasde jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart,Non tanget illos tormentum mortis—en floerslooze sterren opluikend om de aarde.Toen in den tooren, onder der starren schare,booven de gescepterde dooden, de leevende werkers,elk in zijn leeger van ruste,zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegendezorg en rust,—de Engel van Vreede onuitspreeklijk.Pax in aeternum Deï.Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht.
De blindend-blanke hagelwolken drijventrotsch en geducht aan 't hardblaauw firmamenten dreigen met hun schaduw te verstijvende schuchtre kindren van de jonge lent.Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig,gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik,door den van toorn gebolden stoet onmachtiggroet lieve zon de beidende⁀aard tersluik.Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke looverten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen,de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oovermet tintellooverkes van teeder groen.De koekoek roept getrouw het voorjaar uit,de mei houdt vol, bestendig langs de dreevenschalt nachtegalenslag en lijsterfluit,en alom zeegeviert het lichte leeven.
De blindend-blanke hagelwolken drijventrotsch en geducht aan 't hardblaauw firmamenten dreigen met hun schaduw te verstijvende schuchtre kindren van de jonge lent.
Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig,gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik,door den van toorn gebolden stoet onmachtiggroet lieve zon de beidende⁀aard tersluik.
Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke looverten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen,de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oovermet tintellooverkes van teeder groen.
De koekoek roept getrouw het voorjaar uit,de mei houdt vol, bestendig langs de dreevenschalt nachtegalenslag en lijsterfluit,en alom zeegeviert het lichte leeven.
Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteensWisslend geflonker.Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst?Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven?Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken't Nameloos wonder?!..........................................................................................................................Het is mijn ster, het is de sterke liefde,die niemand kan verstaan en niemand ziet,die alom heerscht, die al vertroost wat griefde,die stralend schoon uit alle dingen schiet.Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt,die zacht als water door geen kracht bezwijkt,den Satan slaat en voor demoonen veiligt,die immer buigend booven bergen reikt.Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragendin duldsaam beeven uitzag in den nacht,toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend,beweezen haar onnoemelijke macht,Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen,spijt aller schijndeugd, spot of hindernis,daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragenen zacht voor Liefde's kindren is...........................................................................................................................Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte,Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens,Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer,eeuwig waarachtig.Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken,d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?"Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weentvoelend verlossing.
Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteensWisslend geflonker.
Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst?Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven?Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken't Nameloos wonder?!..........................................................................................................................Het is mijn ster, het is de sterke liefde,die niemand kan verstaan en niemand ziet,die alom heerscht, die al vertroost wat griefde,die stralend schoon uit alle dingen schiet.
Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt,die zacht als water door geen kracht bezwijkt,den Satan slaat en voor demoonen veiligt,die immer buigend booven bergen reikt.
Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragendin duldsaam beeven uitzag in den nacht,toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend,beweezen haar onnoemelijke macht,
Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen,spijt aller schijndeugd, spot of hindernis,daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragenen zacht voor Liefde's kindren is...........................................................................................................................Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte,Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens,Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer,eeuwig waarachtig.
Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken,d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?"Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weentvoelend verlossing.
Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaanvan groote boomen die in duister staan,weer naar hun machtig nachtgezang te luistrenhun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.In langen winter zongen barre twijgeneen ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgenwas angstig in den Januari-mist.—Maar 't loover kwam toch weer—en hoor nu is 'tals een gelukkig volk dat zeegezingt.Nu juicht het gansche lenteland, er klinktfijn geschalmei van voogels in de verte—zoo fijn en klaar als 't tintelend gesterntedat door de zwarte bladerschimmen kijkten met haar vaag beweegen komt en wijkt.Ik ga door looverlied en sterreschijnblij en gerust. Ook in mijn kleine breinworden nu teedre liedekens geboorendie 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren.De wind die 't nachtland als een harpe streeltin maatgang met mijn stille liedjens speelt.Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huishet looverlied verstaat en 't zeegeruisch—zal ik dan niet in sterker lijf herboorenden juubelzang der gouden sterren hooren?
Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaanvan groote boomen die in duister staan,weer naar hun machtig nachtgezang te luistrenhun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.
In langen winter zongen barre twijgeneen ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgenwas angstig in den Januari-mist.—Maar 't loover kwam toch weer—en hoor nu is 't
als een gelukkig volk dat zeegezingt.Nu juicht het gansche lenteland, er klinktfijn geschalmei van voogels in de verte—zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte
dat door de zwarte bladerschimmen kijkten met haar vaag beweegen komt en wijkt.Ik ga door looverlied en sterreschijnblij en gerust. Ook in mijn kleine brein
worden nu teedre liedekens geboorendie 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren.De wind die 't nachtland als een harpe streeltin maatgang met mijn stille liedjens speelt.
Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huishet looverlied verstaat en 't zeegeruisch—zal ik dan niet in sterker lijf herboorenden juubelzang der gouden sterren hooren?
Alles voor U,—wie is er nog betrouwbaardan Hij die 't licht en de gesternten maakt,van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar,al wat ons lijf beroert en raaktis enkel een gedachte⁀en teere droom?De breede zee met witbeschuimden zoom,zilv'rig beglansd door vluchtige lichten,'t kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken,wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?—Gij denkt hem éve' en eeuwig pronkende groote maaksels voor der schepslen oog.Het vaste veld, de luchte wolkenboog,Gij denkt, gij zingt zë,—als een blijde knaapdes morgens gaand langs glinsterende bronnenzijn zangen zingt, gelukkig na den slaap,—zoo zingt Gij waerelden en zonnen,schrijdend langs schitterenden leevensvloed,door U geleid, ontvangen en gevoed.—Alles voor U,—gij mijn getrouwe God,nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vindenbegrijp zoo luttel, zooveel haat en spot,zoo weinig vrinden en zooveel verblinden—'t Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zoutot U alleen, bron van begrijp en trouw.Al wat ik nog aan lieven en aan leevente geeven heb, 't is al, 't is al voor U,maar om Uw lieven wille kan ik geevenden menschen méér aan liefde, dan tot nú—Schoon zij mij al niet danken of verstaante lieflijker glanst mij Uw glimlach aan.Hier is mijn hart,—ze noemden het ontrouw,het was zoo wispeltuurig en zoo grillig,verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw,toch is 't standvastig en gewillig.'t Zwierf als een schaap van weide op weide verder,volgend het roepen van onzichtbren herder.Als een wit vlinderken ging 't welgemoedin zachte fladdervlucht door donker dal,en zocht met vagen schijn een stellig goed:Uw licht, Uw zoetheid ooveral,—totdat het door de sombre denne-stammen,den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen.Hier zijn mijn oogen,—ach, zoo blind! zoo blind!Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd,als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindten roept: "een diamant!" en danstin 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.—Hier is mijn stem,—die om zoo kleine reedengeweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak.Zij deed de menschen luisteren en weenen,totdat zij steeg en sterker klanken sprak....toen heeft zij onoprecht gescheenen,—....Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat,neem Gij haar aan in haar oprechten staat.Neem alle sieraad met uw zuivre handen,al wat er uitblonk van mijn weezen af,op úw altaar mag door úw vuur verbrandenal wat mij trots en aanzien gaf.Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren—maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen.Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden,ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft—Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden,hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft.Hoe ik mijn Liefste⁀om U alleen bemin,en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in.
Alles voor U,—wie is er nog betrouwbaardan Hij die 't licht en de gesternten maakt,van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar,al wat ons lijf beroert en raaktis enkel een gedachte⁀en teere droom?De breede zee met witbeschuimden zoom,
zilv'rig beglansd door vluchtige lichten,'t kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken,wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?—Gij denkt hem éve' en eeuwig pronkende groote maaksels voor der schepslen oog.Het vaste veld, de luchte wolkenboog,
Gij denkt, gij zingt zë,—als een blijde knaapdes morgens gaand langs glinsterende bronnenzijn zangen zingt, gelukkig na den slaap,—zoo zingt Gij waerelden en zonnen,schrijdend langs schitterenden leevensvloed,door U geleid, ontvangen en gevoed.—
Alles voor U,—gij mijn getrouwe God,nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vindenbegrijp zoo luttel, zooveel haat en spot,zoo weinig vrinden en zooveel verblinden—'t Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zoutot U alleen, bron van begrijp en trouw.
Al wat ik nog aan lieven en aan leevente geeven heb, 't is al, 't is al voor U,maar om Uw lieven wille kan ik geevenden menschen méér aan liefde, dan tot nú—Schoon zij mij al niet danken of verstaante lieflijker glanst mij Uw glimlach aan.
Hier is mijn hart,—ze noemden het ontrouw,het was zoo wispeltuurig en zoo grillig,verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw,toch is 't standvastig en gewillig.'t Zwierf als een schaap van weide op weide verder,volgend het roepen van onzichtbren herder.
Als een wit vlinderken ging 't welgemoedin zachte fladdervlucht door donker dal,en zocht met vagen schijn een stellig goed:Uw licht, Uw zoetheid ooveral,—totdat het door de sombre denne-stammen,den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen.
Hier zijn mijn oogen,—ach, zoo blind! zoo blind!Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd,als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindten roept: "een diamant!" en danstin 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.—Hier is mijn stem,—die om zoo kleine reeden
geweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak.Zij deed de menschen luisteren en weenen,totdat zij steeg en sterker klanken sprak....toen heeft zij onoprecht gescheenen,—....Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat,neem Gij haar aan in haar oprechten staat.
Neem alle sieraad met uw zuivre handen,al wat er uitblonk van mijn weezen af,op úw altaar mag door úw vuur verbrandenal wat mij trots en aanzien gaf.Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren—maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen.
Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden,ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft—Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden,hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft.Hoe ik mijn Liefste⁀om U alleen bemin,en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in.
Onrust en donker alomme,Bang als een doove-en-stomme,tastend als blind ga ik omme—Waar is mijn staf?Ik lijd en moet veelen verdrieten,ik geniet ook en doe wel genieten,maar alle vreugd zie ik vlietenin een graf.—Ik weet wat alleenig mij rust geeft,wat mijn angsten gesust heeft,als 't kind dat moeder gekust heeftvóór den nacht.Dit is mijn staf—dat alle dingen zijngedachten van een dierbaar, minnend Weezengansch wáár, maar anders dan hun schijn.Weet ik dat goed—weg zijn mijn vreezen.Dan glijdt de vrachtvan dat onrustige van mij af.Dan voelt de blinde weer zijn stafDat is de kus die moeder gafaan 't kindekijn.Maar vergeet ik het éven,dan heeft mijn staf mij begeeven.Wáár, wáár is hij gevallen?Niemand weet het van u allen,Geen één, geen één,en ik sta weer weifelend en alleen,bedenkend hoe toch alles vlietin het niet.Mocht ik een Godsgaaf bedingen—ik vroeg sterke herinneringenomtrent eeuwige dingen.
Onrust en donker alomme,Bang als een doove-en-stomme,tastend als blind ga ik omme—Waar is mijn staf?
Ik lijd en moet veelen verdrieten,ik geniet ook en doe wel genieten,maar alle vreugd zie ik vlietenin een graf.—
Ik weet wat alleenig mij rust geeft,wat mijn angsten gesust heeft,als 't kind dat moeder gekust heeftvóór den nacht.
Dit is mijn staf—dat alle dingen zijngedachten van een dierbaar, minnend Weezengansch wáár, maar anders dan hun schijn.Weet ik dat goed—weg zijn mijn vreezen.Dan glijdt de vrachtvan dat onrustige van mij af.Dan voelt de blinde weer zijn stafDat is de kus die moeder gafaan 't kindekijn.
Maar vergeet ik het éven,dan heeft mijn staf mij begeeven.Wáár, wáár is hij gevallen?Niemand weet het van u allen,Geen één, geen één,en ik sta weer weifelend en alleen,bedenkend hoe toch alles vlietin het niet.
Mocht ik een Godsgaaf bedingen—ik vroeg sterke herinneringenomtrent eeuwige dingen.
Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigendes Leevens, waar ons machteloos geslachtgeen zweem van kent, opdat ons niet te buigenvermoog' hun laag gedacht'.Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofdenwelvend uit diepten van een somber woud,den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofdenin schaduw droef en koud.Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen,niet d'onze, maar der broederen rondom,die ons bestaan door eigen derving dragen,'t lijf der gerechten krom.In zorgen gaan wij, Blijden van natuure,Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,—dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duuredes meededoogens druk!Richt óp ons hoofd, als gloedrood in den morgende zonbeglansde toppen van 't gebergt',ontlokt ons schouwen aan de kleine zorgenwaarmee de waereld tergt.Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar,geen werk der waereld schoort het of genaaktde hoogten waar voor altijd en onbreekbaaruw ziel haar woonstee maakt.Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden,bóoven 't gevecht om ruimte⁀en 't zwoegen om brood,leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijdenin weelden sterk en groot.De waereld is een droom u, één uit velen,en niet de schoonste,—de verklankte schijn,'t verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelenvan 't ongelijkbaar zijn.Maar juist door macht dier zeldsame genadete kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt,kleedt gij in wondre⁀en óoverschoone wadeal wat op aarde prijkt.d'Oogappels groot en donker op de vonkenvan Gods verborgen wonderen gerichthebt gij 't klein leeven rondom u geschonkeneen rijkdom lief en licht.Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle,schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand,juist door dat vuur een luister hoog en helleaan 't heerlijk Vlaanderland.Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vindenin 't kamerkijn, de waereld breed en wijdvoor hunner liefde gloorie kan verzwindenmet al haar heerlijkheid.En voor een gouden woord van Dante's lippeneen juubel-klinken uit Hebreeër-psalmzien we⁀al ons bangelijk getob verglippenals spook voor klokkengalm.Maar wee den dichter die niet staag blijft weetendat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt,hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeetenmidde⁀in zijn kracht verlamd.Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeetende rechte waarde⁀en zin van wat bestaaten wij wat van den heemel is niet meetennaar menschenmaat.
Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigendes Leevens, waar ons machteloos geslachtgeen zweem van kent, opdat ons niet te buigenvermoog' hun laag gedacht'.
Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofdenwelvend uit diepten van een somber woud,den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofdenin schaduw droef en koud.
Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen,niet d'onze, maar der broederen rondom,die ons bestaan door eigen derving dragen,'t lijf der gerechten krom.
In zorgen gaan wij, Blijden van natuure,Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,—dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duuredes meededoogens druk!
Richt óp ons hoofd, als gloedrood in den morgende zonbeglansde toppen van 't gebergt',ontlokt ons schouwen aan de kleine zorgenwaarmee de waereld tergt.
Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar,geen werk der waereld schoort het of genaaktde hoogten waar voor altijd en onbreekbaaruw ziel haar woonstee maakt.
Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden,bóoven 't gevecht om ruimte⁀en 't zwoegen om brood,leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijdenin weelden sterk en groot.
De waereld is een droom u, één uit velen,en niet de schoonste,—de verklankte schijn,'t verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelenvan 't ongelijkbaar zijn.
Maar juist door macht dier zeldsame genadete kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt,kleedt gij in wondre⁀en óoverschoone wadeal wat op aarde prijkt.
d'Oogappels groot en donker op de vonkenvan Gods verborgen wonderen gerichthebt gij 't klein leeven rondom u geschonkeneen rijkdom lief en licht.
Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle,schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand,juist door dat vuur een luister hoog en helleaan 't heerlijk Vlaanderland.
Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vindenin 't kamerkijn, de waereld breed en wijdvoor hunner liefde gloorie kan verzwindenmet al haar heerlijkheid.
En voor een gouden woord van Dante's lippeneen juubel-klinken uit Hebreeër-psalmzien we⁀al ons bangelijk getob verglippenals spook voor klokkengalm.
Maar wee den dichter die niet staag blijft weetendat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt,hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeetenmidde⁀in zijn kracht verlamd.
Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeetende rechte waarde⁀en zin van wat bestaaten wij wat van den heemel is niet meetennaar menschenmaat.
Een vuurstorm van vervoerende gedachteneen woord vol flonkerende majesteitverlicht opnieuw de scheemring mijner nachtenen breekt des leevens vale eenvormigheid.Waar is een tweede woord als dit ontvarenaan menschenmond, in al der menschheid jaren?Dit is geen teeder lied van liefde en leed,dit is geen mijmerende klacht van minne,het is een donderende vrijheidskreeten houdt het helderst vuur van wijsheid innedat ziedend in der menschheid boezem lagen losbreekt met verbijsterenden slag.Haar klank is uit geweldige geruchtenvan donder, zee en stormen saamgesteld,haar vaart is 't waarmee wolkendriften vluchten,waarmee een meteoor den nacht doorsnelt,haar opgang stijgt in ijlste ziele-luchten,haar macht is meer dan àl wat menschen duchten.Het is een fonkelende lans gedreevenrecht in den muil van goor en donker beestdat 't schrikbevangen menschenhart doet beevenmaar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd.De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagenwaar heldenvoet den eersten stap dorst wagen.Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwendin peilloos blauw, de stramme vlerken rekten eindlijk, innerlijken drang betrouwend,den greet'gen hals ver van den rotskant strekten stort zich vreesloos in de ruime sfeerenom d'eigen nooit-beproefde macht te leeren.Ik spreek in koel bezinnen, noode drijftheilige waarheid wel-betoomde woordentot koener vlucht, want deeze schoonheid blijftder bliksemschichten helste, die doorboordenwat als een somber neeveldek bezwaart't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard.Het is alsof een volk verworpen slavenroerloos gekneeveld ligt op donker land,het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraventerwijl een vaal gewolk de lucht bespant—maar één verrijst en doet door machtig wringenmet luiden klank de bloed'ge boeyen springen.Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht,en als een gloed-fontein met duizend kleurenmaakt zijn geroep den veegen heemel lichten doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren,'t verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken,maar d'englen aan de hellepoort verbleeken.Gij armen, die niets hoordet, niets begrijptgevoelloos in uw dof bestaan verlooren,weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt.Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind geboorendat van uw doodsch geslacht den boei kan slakenen uw verdoofde blikken glanzend maken.Want niets heeft er vermoogen dan de Geest.Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomendoor wie nog kruipen, siddrend voor het beest.Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen.Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister,haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister.
Een vuurstorm van vervoerende gedachteneen woord vol flonkerende majesteitverlicht opnieuw de scheemring mijner nachtenen breekt des leevens vale eenvormigheid.Waar is een tweede woord als dit ontvarenaan menschenmond, in al der menschheid jaren?
Dit is geen teeder lied van liefde en leed,dit is geen mijmerende klacht van minne,het is een donderende vrijheidskreeten houdt het helderst vuur van wijsheid innedat ziedend in der menschheid boezem lagen losbreekt met verbijsterenden slag.
Haar klank is uit geweldige geruchtenvan donder, zee en stormen saamgesteld,haar vaart is 't waarmee wolkendriften vluchten,waarmee een meteoor den nacht doorsnelt,haar opgang stijgt in ijlste ziele-luchten,haar macht is meer dan àl wat menschen duchten.
Het is een fonkelende lans gedreevenrecht in den muil van goor en donker beestdat 't schrikbevangen menschenhart doet beevenmaar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd.De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagenwaar heldenvoet den eersten stap dorst wagen.
Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwendin peilloos blauw, de stramme vlerken rekten eindlijk, innerlijken drang betrouwend,den greet'gen hals ver van den rotskant strekten stort zich vreesloos in de ruime sfeerenom d'eigen nooit-beproefde macht te leeren.
Ik spreek in koel bezinnen, noode drijftheilige waarheid wel-betoomde woordentot koener vlucht, want deeze schoonheid blijftder bliksemschichten helste, die doorboordenwat als een somber neeveldek bezwaart't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard.
Het is alsof een volk verworpen slavenroerloos gekneeveld ligt op donker land,het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraventerwijl een vaal gewolk de lucht bespant—maar één verrijst en doet door machtig wringenmet luiden klank de bloed'ge boeyen springen.
Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht,en als een gloed-fontein met duizend kleurenmaakt zijn geroep den veegen heemel lichten doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren,'t verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken,maar d'englen aan de hellepoort verbleeken.
Gij armen, die niets hoordet, niets begrijptgevoelloos in uw dof bestaan verlooren,weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt.Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind geboorendat van uw doodsch geslacht den boei kan slakenen uw verdoofde blikken glanzend maken.
Want niets heeft er vermoogen dan de Geest.Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomendoor wie nog kruipen, siddrend voor het beest.Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen.Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister,haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister.
Het was zoo licht toen ik moest scheidende spreeuwen kweelden luide en teer,en een onnoemelijk verblijdenvervulde veld en atmosfeer.Een plechtig en verblindend wonderverrees,—als waar 't voor 't eerst,—de zon,en bloem op bloem ontsloot zich onderhaar zeegen, naar zij kracht gewon.De waereld scheen verbaasd te ontwakenals vond haar 't licht voor d'eerste maal.'k Zag zwaluwen hun nestjes makenen zwieren in den morgenstraal.Ik zag de kiewiet om zijn jongenklapwieken met bezorgd gerucht—ik hoorde hoe de meerlen zongenhun welkom in de luuwe lucht.De wind bestreek de fonkel-vlieten,de golfjes plapperden in 't lisch,'t ging al van 't zoete licht genietenen blonk van dauw en ruischte frisch.—Ik was niet angstig om te sterven,maar 't zag zoo luisterrijk op aard,als had al 't schoon, dat ik ging derven,zich in één uiterst uur vergaard.Genooten goed, dat ging begeeven,had ik u wel genoeg bemind?Verheeven weelden van het leevennam ik u dankbaar, als een kind?Wist ik mijn korte leevenswijdingte vieren als een heilig feest?Is mij 't ontwaren tot verblijding,'t bepeinzen tot een lust geweest?Als vaagde ik zwarte spinneraggenvan oud en kostbaar schilderij,zag 'k onontgonnen vreugden lachenvoor 't eerst van duistre spinsels vrij.—O angst, o waan, o booze krankteder menschen, die ons elk besmet,die den hartstochtelijken dank tebewijzen onzen God, ons let,die ons doet weifelen en doet ijzenen wroegen, klaaglijk en bedrukt,waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizenomhoogvaart, juub'lend en verrukt.—Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen,dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan:"verdrijf die schimmige demoonen""die voor Gods lieflijk aanzicht staan!""Hard drukt de spijt om noodloos lijden,""Om gloorie, door een waan gemist".....De⁀aard was zoo licht, toen ik moest scheiden,en zooveel schooner dan ik wist.—
Het was zoo licht toen ik moest scheidende spreeuwen kweelden luide en teer,en een onnoemelijk verblijdenvervulde veld en atmosfeer.
Een plechtig en verblindend wonderverrees,—als waar 't voor 't eerst,—de zon,en bloem op bloem ontsloot zich onderhaar zeegen, naar zij kracht gewon.
De waereld scheen verbaasd te ontwakenals vond haar 't licht voor d'eerste maal.'k Zag zwaluwen hun nestjes makenen zwieren in den morgenstraal.
Ik zag de kiewiet om zijn jongenklapwieken met bezorgd gerucht—ik hoorde hoe de meerlen zongenhun welkom in de luuwe lucht.
De wind bestreek de fonkel-vlieten,de golfjes plapperden in 't lisch,'t ging al van 't zoete licht genietenen blonk van dauw en ruischte frisch.—
Ik was niet angstig om te sterven,maar 't zag zoo luisterrijk op aard,als had al 't schoon, dat ik ging derven,zich in één uiterst uur vergaard.
Genooten goed, dat ging begeeven,had ik u wel genoeg bemind?Verheeven weelden van het leevennam ik u dankbaar, als een kind?
Wist ik mijn korte leevenswijdingte vieren als een heilig feest?Is mij 't ontwaren tot verblijding,'t bepeinzen tot een lust geweest?
Als vaagde ik zwarte spinneraggenvan oud en kostbaar schilderij,zag 'k onontgonnen vreugden lachenvoor 't eerst van duistre spinsels vrij.—
O angst, o waan, o booze krankteder menschen, die ons elk besmet,die den hartstochtelijken dank tebewijzen onzen God, ons let,
die ons doet weifelen en doet ijzenen wroegen, klaaglijk en bedrukt,waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizenomhoogvaart, juub'lend en verrukt.—
Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen,dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan:"verdrijf die schimmige demoonen""die voor Gods lieflijk aanzicht staan!"
"Hard drukt de spijt om noodloos lijden,""Om gloorie, door een waan gemist".....
De⁀aard was zoo licht, toen ik moest scheiden,en zooveel schooner dan ik wist.—
Vraagt ge mij zangen?—Maar wiemaakte mijn leeven tot een harmonisch lied?Weinigen die de melodiëen er van verstaan,Maar gij toch wel?Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rikde leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren,alleen tusschen de zwarte, stille wolken,gansch alleen booven de duistere aarde,—de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme—hij waakt en zingt.Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten,de duistere aarde luistert niet.Wie heeft mij de troost gebracht en de verzoeningtoen ik mat was van strijden,niet verslagen maar duldend zonder vreugde?Wie heeft mijn wintersche dagen verkeerd in luuwte?Wie heeft mij liefde doen kennen zonder bitterheid?Wie heeft mijn blijdschap hersteld?Gij weet hoe zwaar het is God te gedenkenin alle donkere gangen des leevens.Maar door u heb ik Hem niet vergeeten.Verlangt ge nog meer?Verzoenster! met u vond ik de zeede groote zee des vreedes—en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard,zij het maar éven.En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe,en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren,en uw geduld is het mijne gewordenonder den zeegen uwer liefde.Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegenen hebben mijn hart en handen verlicht—en de trage nevelen zijn opgeklaardvan mijn voorhoofd.Welk heerlijk wonder als de vlagen staken,als het gedonder der stormen ophoudt en de koudereegen niet meer striemt,als de zon door langsaam verzwindende wolkenwarmte zendt op het verstilde loof,als dan de reegenzware halmen zich rechten,en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken,en het leeven van de ontelbare teedere weezentjesdie wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water,schuchterlijk hèrbegint.Ach, zoo zoet was het weeder opleevenonder den grooten zeegen uwer liefde,seedert zijn mijn dagen zangen geweest.Verlangt ge nòg meer?Neem dan deeze ordelooze stroofen,ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat,hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te machtigen aandrangvan zijn innigheid.
Vraagt ge mij zangen?—Maar wiemaakte mijn leeven tot een harmonisch lied?Weinigen die de melodiëen er van verstaan,Maar gij toch wel?
Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rikde leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren,alleen tusschen de zwarte, stille wolken,gansch alleen booven de duistere aarde,—de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme—hij waakt en zingt.
Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten,de duistere aarde luistert niet.
Wie heeft mij de troost gebracht en de verzoeningtoen ik mat was van strijden,niet verslagen maar duldend zonder vreugde?Wie heeft mijn wintersche dagen verkeerd in luuwte?Wie heeft mij liefde doen kennen zonder bitterheid?Wie heeft mijn blijdschap hersteld?
Gij weet hoe zwaar het is God te gedenkenin alle donkere gangen des leevens.Maar door u heb ik Hem niet vergeeten.Verlangt ge nog meer?
Verzoenster! met u vond ik de zeede groote zee des vreedes—en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard,zij het maar éven.
En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe,en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren,en uw geduld is het mijne gewordenonder den zeegen uwer liefde.
Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegenen hebben mijn hart en handen verlicht—en de trage nevelen zijn opgeklaardvan mijn voorhoofd.
Welk heerlijk wonder als de vlagen staken,als het gedonder der stormen ophoudt en de koudereegen niet meer striemt,als de zon door langsaam verzwindende wolkenwarmte zendt op het verstilde loof,als dan de reegenzware halmen zich rechten,en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken,en het leeven van de ontelbare teedere weezentjesdie wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water,schuchterlijk hèrbegint.
Ach, zoo zoet was het weeder opleevenonder den grooten zeegen uwer liefde,seedert zijn mijn dagen zangen geweest.Verlangt ge nòg meer?
Neem dan deeze ordelooze stroofen,ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat,hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te machtigen aandrangvan zijn innigheid.
Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagenten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad,uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad,de pijlers breekend die niet konden schragen—zachte, bescheiden broeder! teedre vrind!te vroeg gebooren kind van beeter tijden,waarin der menschen vluchtige uuren glijdenmet ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,—zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren,die in bedachtsaam en gerust bestaan,met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aanen niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren.Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken,waar men den nooit-gezienen groet als vrinden d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt—werd gij geworpen in de neevelkolkenvan dit verbijsterd en mislukt geslacht,van deeze warre tijden. Blij en goedigstonden uw oogen in 't begin en moedigtoogt ge ten strijd met al uw kracht.Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheidvan geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer,'t hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer,ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid,want als een giftdamp vol miasmen, smoortden eedlen geest het kleine, lage leevender duizenden, wien schoonheid is om 't eeven,die spotten om oprecht en innig woord.Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen,verweerloos, arme broeder! tot dien strijd,beklom u 't weeten uwer machtloosheidtelken dag weer, met telkens weer vermannen.Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed,door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar,gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar,bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet.Doch strijden moest ge⁀of sterven! Niet gedoogd'uw diep gevoelig hart de koele rustdes wèl-voldanen, die van veil'ge kustnaar storm-geslagen schepelingen oogt.Als een die oogenlid-loos en gebondennaar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart,niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard,noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden—Zooals een die in droom zijn huis in vlamziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'renmaar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren,de stem verstikt, aan alle leeden lam—Zoo liet der waereld vale, vage noodu niet meer toe te waken of te slapen—gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen—wat bleef er uitkomst als de dood?Dit is geen tijd voor teed'ren,—als de wagenvan Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,—toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht't onnutte wapen, te zwaar om te dragen.Was 't misdrijf?—Duister is Gods raad ons armen,ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot,rondom is argwaan, weifeling en spot,—zou Hij zich des oprechten niet erbarmen,die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel?En wie van ons, bedreigden, durft het wrakenzoo gij geen andre doortocht wist te makenvoor uw bemoeyelijkte ziel?De dag dringt in mij met dezelfde pijnenals die u folterden,—zoo ik nog sta,ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ,zou mij uw val dan zwakheid schijnen?Toen kwam er rust,—de rustelooze windsuist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen,waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen,uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind.Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreedevan 't schoone en goede wat ge vondt en deedt,en van ons die u minden.—Zacht betreedik nu met stillen dank de vreed'ge steede.
Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagenten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad,uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad,de pijlers breekend die niet konden schragen—
zachte, bescheiden broeder! teedre vrind!te vroeg gebooren kind van beeter tijden,waarin der menschen vluchtige uuren glijdenmet ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,—
zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren,die in bedachtsaam en gerust bestaan,met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aanen niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren.
Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken,waar men den nooit-gezienen groet als vrinden d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt—werd gij geworpen in de neevelkolken
van dit verbijsterd en mislukt geslacht,van deeze warre tijden. Blij en goedigstonden uw oogen in 't begin en moedigtoogt ge ten strijd met al uw kracht.
Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheidvan geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer,'t hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer,ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid,
want als een giftdamp vol miasmen, smoortden eedlen geest het kleine, lage leevender duizenden, wien schoonheid is om 't eeven,die spotten om oprecht en innig woord.
Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen,verweerloos, arme broeder! tot dien strijd,beklom u 't weeten uwer machtloosheidtelken dag weer, met telkens weer vermannen.
Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed,door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar,gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar,bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet.
Doch strijden moest ge⁀of sterven! Niet gedoogd'uw diep gevoelig hart de koele rustdes wèl-voldanen, die van veil'ge kustnaar storm-geslagen schepelingen oogt.
Als een die oogenlid-loos en gebondennaar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart,niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard,noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden—
Zooals een die in droom zijn huis in vlamziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'renmaar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren,de stem verstikt, aan alle leeden lam—
Zoo liet der waereld vale, vage noodu niet meer toe te waken of te slapen—gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen—wat bleef er uitkomst als de dood?
Dit is geen tijd voor teed'ren,—als de wagenvan Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,—toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht't onnutte wapen, te zwaar om te dragen.
Was 't misdrijf?—Duister is Gods raad ons armen,ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot,rondom is argwaan, weifeling en spot,—zou Hij zich des oprechten niet erbarmen,
die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel?En wie van ons, bedreigden, durft het wrakenzoo gij geen andre doortocht wist te makenvoor uw bemoeyelijkte ziel?
De dag dringt in mij met dezelfde pijnenals die u folterden,—zoo ik nog sta,ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ,zou mij uw val dan zwakheid schijnen?
Toen kwam er rust,—de rustelooze windsuist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen,waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen,uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind.
Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreedevan 't schoone en goede wat ge vondt en deedt,en van ons die u minden.—Zacht betreedik nu met stillen dank de vreed'ge steede.
Mijn blanke dwaal-ster zie ik staanin donkerblauwe⁀omnachting—op dorp en duinland schijnt de maan—in mijn bevreedigd hart vangt aaneen diepe zelf-betrachting.Ik ben wel een gezeegend wicht,doch weet dat niet gestadig,—maar als ik stil mijn aandacht richtop 't innig zelf, komt steeds het Lichten wijst het mij genadig.Geslingerd ben ik her en der,gedoold heb ik vervaarlijk—doch schijnt mij mijn verheeven Sterna elk verdwalen minder veren 't leeven min bezwaarlijk.Een kleine en altijd heldre bronvan glinsterende blijheid,verberg ik diep, en nooit verwonmij 't leed, als ik maar woonen kon,gerust, in haar nabijheid.Doch 't wilde leeven lokt mij uit—dan kamp en lijd ik deerlijk,—tot ik weer hoor haar zacht geluiden als een bruidegom zijn bruidhaar wéérvind, schoon en heerlijk.Mijn arme lichaam, teer en broos,doe ik mij wèl serveeren.—tot ik het eenmaal, leeg en voos,te rust zal leggen voor altoos,als afgedragen kleeren.Mijn hart behoudt geen spijt of nijd,'t zoekt ook zijn lust niet grillig.—Door onbesuisde teederheidheeft het wel veelen leed bereid,doch griefde 't niemand willig.Mijn weezen heeft een tragen gang't wil tijd, zich te bezinnen,'t vreest pijn te doen en mijmert lang,maar vaart dan plotsling uit, nooit bangiets hachlijks te beginnen.Waarheid is mij, wat 't kindekijnde borsten zijn die 't voeden,doch weetend dat zij schoon moet zijn,vergrijp ik mij aan schoonen schijnvaak tot mijn handen bloeden.En onontmoedigd, weederomzoek ik wat goed en eerzaamaan elk is, wien ik teegenkom—want hoezeer onbesuisd en dom,toch ben ik niet onleerzaam.Ik acht mij maar een kleine man,bedeesd en zwak van krachten,—doch welke macht ter waereld kanverslaan wie stijgt op vleuglen vanzijn godlijke gedachten?'t Liefst ging ik als een zorgloos kindaan vaders hand door 't leeven.Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind,zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind,om hem vertrouwelijk en blindmijn kinderhand te geven?Toen moest ik wel, met zware dracht,den schijnbren hoogmoed dragen,alleenstaand met begrip en klacht,—en aan de sterren van den nachtom eenen Vader vragen.Mijn eigen, echte makelijdoet veelen zich bedriegen,ze noemen 't spel en hoovaardij,en als ik eerlijk spreek en blijdan heeten ze 't me liegen.Ik word geliefd, ik word gehaat,—noch Eer is 't, noch Beschaming,—want wie mijn weezen niet verstaat,hij raakt mij niet, maar mint of smaadteen pop, met mijn benaming.Mijn Vader maakte mij gewisaldus, opdat ik leerehoe ijl der menschen oordeel is,en ik mij van hun ergernistot Zijn vertroosting keere.
Mijn blanke dwaal-ster zie ik staanin donkerblauwe⁀omnachting—op dorp en duinland schijnt de maan—in mijn bevreedigd hart vangt aaneen diepe zelf-betrachting.
Ik ben wel een gezeegend wicht,doch weet dat niet gestadig,—maar als ik stil mijn aandacht richtop 't innig zelf, komt steeds het Lichten wijst het mij genadig.
Geslingerd ben ik her en der,gedoold heb ik vervaarlijk—doch schijnt mij mijn verheeven Sterna elk verdwalen minder veren 't leeven min bezwaarlijk.
Een kleine en altijd heldre bronvan glinsterende blijheid,verberg ik diep, en nooit verwonmij 't leed, als ik maar woonen kon,gerust, in haar nabijheid.
Doch 't wilde leeven lokt mij uit—dan kamp en lijd ik deerlijk,—tot ik weer hoor haar zacht geluiden als een bruidegom zijn bruidhaar wéérvind, schoon en heerlijk.
Mijn arme lichaam, teer en broos,doe ik mij wèl serveeren.—tot ik het eenmaal, leeg en voos,te rust zal leggen voor altoos,als afgedragen kleeren.
Mijn hart behoudt geen spijt of nijd,'t zoekt ook zijn lust niet grillig.—Door onbesuisde teederheidheeft het wel veelen leed bereid,doch griefde 't niemand willig.
Mijn weezen heeft een tragen gang't wil tijd, zich te bezinnen,'t vreest pijn te doen en mijmert lang,maar vaart dan plotsling uit, nooit bangiets hachlijks te beginnen.
Waarheid is mij, wat 't kindekijnde borsten zijn die 't voeden,doch weetend dat zij schoon moet zijn,vergrijp ik mij aan schoonen schijnvaak tot mijn handen bloeden.
En onontmoedigd, weederomzoek ik wat goed en eerzaamaan elk is, wien ik teegenkom—want hoezeer onbesuisd en dom,toch ben ik niet onleerzaam.
Ik acht mij maar een kleine man,bedeesd en zwak van krachten,—doch welke macht ter waereld kanverslaan wie stijgt op vleuglen vanzijn godlijke gedachten?
't Liefst ging ik als een zorgloos kindaan vaders hand door 't leeven.Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind,zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind,om hem vertrouwelijk en blindmijn kinderhand te geven?
Toen moest ik wel, met zware dracht,den schijnbren hoogmoed dragen,alleenstaand met begrip en klacht,—en aan de sterren van den nachtom eenen Vader vragen.
Mijn eigen, echte makelijdoet veelen zich bedriegen,ze noemen 't spel en hoovaardij,en als ik eerlijk spreek en blijdan heeten ze 't me liegen.
Ik word geliefd, ik word gehaat,—noch Eer is 't, noch Beschaming,—want wie mijn weezen niet verstaat,hij raakt mij niet, maar mint of smaadteen pop, met mijn benaming.
Mijn Vader maakte mij gewisaldus, opdat ik leerehoe ijl der menschen oordeel is,en ik mij van hun ergernistot Zijn vertroosting keere.
Wohl nicht umsonst trägt Frau Germaniaso stolz die Krone und so hoch den Busen,errang sie doch den Ehrenpreis der Musenfür Poësie und Musika.—Jedoch es schien gar Manchem unterdessenals hätte längst Sankt Lukas sie vergessen.Sie schenkte einem Dichter oder Gleichenein weihe-volles Leben ohne Schmach,und es umspült der göttlich klare Bach,der Seelen Labsal, ihre Eichen.Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben,nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben.Es brüstet sich zwar mancher Geniusden Holbein und den Dürer zu ersetzen,doch giebt die ferne Nachwelt einen Fetzenfür Kaulbach und Cornelius?Da giebt's viel Tuch, viel Akten, und Gewänder—doch flüstert man: "es bleibt nur Oberländer".Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronenwo es zu viel des Ruhmesstolzes fand,nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand,sodass die biederen Teutonenden Bismarck hundertmal in Erze giessen,und Julius Oldach arm krepiren liessen.Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick,er hat gemalt wie die von Gott erhelltenund seiner Seele ungeheure Weltengedrängt auf tellergrosses Stück.Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt,es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt".Nicht doch!—es hat kein Mensch noch so volkommengesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich.Wer war's der an Verwegenheit ihm glichund siegreich ist davongekommen?Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus.Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus.Nach tausend Jahr und abertausend Jahrenda wird wohl mancher Schüler kaum noch rathenwas Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten,ob's Krieger oder Krämer waren....doch schmählich wird die blinde Welt genanntdie Oldach ein Jahrhundert lang verkannt.
Wohl nicht umsonst trägt Frau Germaniaso stolz die Krone und so hoch den Busen,errang sie doch den Ehrenpreis der Musenfür Poësie und Musika.—Jedoch es schien gar Manchem unterdessenals hätte längst Sankt Lukas sie vergessen.
Sie schenkte einem Dichter oder Gleichenein weihe-volles Leben ohne Schmach,und es umspült der göttlich klare Bach,der Seelen Labsal, ihre Eichen.Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben,nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben.
Es brüstet sich zwar mancher Geniusden Holbein und den Dürer zu ersetzen,doch giebt die ferne Nachwelt einen Fetzenfür Kaulbach und Cornelius?Da giebt's viel Tuch, viel Akten, und Gewänder—doch flüstert man: "es bleibt nur Oberländer".
Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronenwo es zu viel des Ruhmesstolzes fand,nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand,sodass die biederen Teutonenden Bismarck hundertmal in Erze giessen,und Julius Oldach arm krepiren liessen.
Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick,er hat gemalt wie die von Gott erhelltenund seiner Seele ungeheure Weltengedrängt auf tellergrosses Stück.Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt,es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt".
Nicht doch!—es hat kein Mensch noch so volkommengesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich.Wer war's der an Verwegenheit ihm glichund siegreich ist davongekommen?Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus.Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus.
Nach tausend Jahr und abertausend Jahrenda wird wohl mancher Schüler kaum noch rathenwas Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten,ob's Krieger oder Krämer waren....doch schmählich wird die blinde Welt genanntdie Oldach ein Jahrhundert lang verkannt.
Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.—Omlaag in de glinstrende gangen der staddwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes.Peillooze nachttoefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren.Posuït me in tenebris—...Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte...Ver beneeden raasde de storm van Londen,de ondiepe storm onzes leevensonder afgronden van eeuwige stilte....et in umbra, mortis.In de donkre tooren hing de klok en wachtte.Onder de klok, elk in zijne steede,sliepen de strenge dooden.In tenebris stravi lectulum....Eén voor één, onder den machtigen tooren,legden de leevenden hen.Maar hun warm leeven slaapt met hen, innigerdan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer,leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent....et in polvere dormiam.De klok omhoog toefde booven de stad.Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneedenin de donk're klok beslooten stemmen fluistren,hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht.Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte.Cor meum conturbatum est—....Dood—en de wolven van Vrees waarden in 't duister.Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte,golfden rondom de klok, als in benauwen:"verlos ons, o gij die toeft!""Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees,""Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!""Hoort! gij leevende zielen,""hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen"...formido mortis cecidit super me."Dit is de doem des Doods en géén ontkomt.""Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken,""de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden,""Dood duldt géén gezellen.""Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen,""zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig.""Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond""langsaam zijn zwichtende vleesch.""Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten,""liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken."Sicut umbra quum declinat.Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen:"Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag""van het getemperde leeven, gij die nog waakt,""hoort! het woord van den Dood:""de gerechte sterft en ook de zondaars sterven,""Dood heeft maar één domein."—Unus introitus est omnibus ad vitam—...."Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt,""of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt""jagend naar lust of macht.""Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave","vult met duister het brein, de handen met stof."...—et similis exitus."Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.""Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht,""tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?"Sic et nos nati—..."Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap.""—Maar alles vervalt den Dood—""hem die in smart uit dit leeven verlost wordt"...continuo desivimus esse."Al het geboor'ne is een prooi des Doods,"Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaarLonden omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer,ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels,onder de kalme sterren,plechtig en diep sprak de klok in de stilte:Pax Deï—...sprak het met God als alleen, in zeegening.Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang,vreede als van hem wiens werk is voleindigd!Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht.Dank zij Goode! den geever,Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aardeéven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken,...quae exsuperat omnem sensum.sprak het de zware klok in des middernachts diep.De machtige stem, aan de stilte zich bindend,deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stadin lange golven van klank.Qui confidunt in Illo intelligent veritatem.Hooge konde des Doods aan het Leeven.Zooals de wind vaagt van het heemelgelaaten onder zich ophoopt tot warre gestapelde massade gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonendde sterren in hoogte oover hoogte,zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevensverstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende.In lumine tuo videbimus lumen.En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven.Toen hoorde beneeden de wachter te middernachthoe het geluid van den Doodoover de stad hong in zeegening,het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden,alle gerechte zielen.Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap,verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad.Pax est electis Ejus.En vreede vervulde de diepe bronnen des harten.Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders.Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd,de blijde ziel van den doodeweerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid,zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding,welkom de dierbare ziel tot den Vader.Justorum autem animae....Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.En hij die rouwde in wake, onder den tooren,hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbaremajestatische stilt' des begravenen Tijds.En de jaren van hem die gestorven washoorde hij vallen als water, gestort van een schaalin de woelende, vage, vervormende zee.De getelde jaren vielenen mengden zich met 't oneindig verleeden.....in manu Dei sunt.de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid.Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend,hoorde hij en 't vloeyen aller waterentot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee,en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee,voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde.en hij zag van hem die gestorven wasde jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart,Non tanget illos tormentum mortis—en floerslooze sterren opluikend om de aarde.Toen in den tooren, onder der starren schare,booven de gescepterde dooden, de leevende werkers,elk in zijn leeger van ruste,zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegendezorg en rust,—de Engel van Vreede onuitspreeklijk.Pax in aeternum Deï.Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht.
Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.—Omlaag in de glinstrende gangen der staddwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes.Peillooze nachttoefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren.Posuït me in tenebris—...Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte...
Ver beneeden raasde de storm van Londen,de ondiepe storm onzes leevensonder afgronden van eeuwige stilte....et in umbra, mortis.In de donkre tooren hing de klok en wachtte.
Onder de klok, elk in zijne steede,sliepen de strenge dooden.In tenebris stravi lectulum....Eén voor één, onder den machtigen tooren,legden de leevenden hen.Maar hun warm leeven slaapt met hen, innigerdan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer,leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent....et in polvere dormiam.De klok omhoog toefde booven de stad.
Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneedenin de donk're klok beslooten stemmen fluistren,hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht.Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte.Cor meum conturbatum est—....Dood—en de wolven van Vrees waarden in 't duister.
Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte,golfden rondom de klok, als in benauwen:"verlos ons, o gij die toeft!""Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees,""Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!""Hoort! gij leevende zielen,""hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen"...formido mortis cecidit super me."Dit is de doem des Doods en géén ontkomt."
"Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken,""de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden,""Dood duldt géén gezellen.""Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen,""zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig.""Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond""langsaam zijn zwichtende vleesch.""Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten,""liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken."Sicut umbra quum declinat.Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.
Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen:"Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag""van het getemperde leeven, gij die nog waakt,""hoort! het woord van den Dood:""de gerechte sterft en ook de zondaars sterven,""Dood heeft maar één domein."—Unus introitus est omnibus ad vitam—...."Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt,""of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt""jagend naar lust of macht.""Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave","vult met duister het brein, de handen met stof."...—et similis exitus."Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte."
"Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht,""tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?"Sic et nos nati—..."Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap.""—Maar alles vervalt den Dood—""hem die in smart uit dit leeven verlost wordt"...continuo desivimus esse."Al het geboor'ne is een prooi des Doods,"
Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaarLonden omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer,ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels,onder de kalme sterren,plechtig en diep sprak de klok in de stilte:Pax Deï—...sprak het met God als alleen, in zeegening.
Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang,vreede als van hem wiens werk is voleindigd!Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht.Dank zij Goode! den geever,Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aardeéven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken,...quae exsuperat omnem sensum.sprak het de zware klok in des middernachts diep.
De machtige stem, aan de stilte zich bindend,deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stadin lange golven van klank.Qui confidunt in Illo intelligent veritatem.Hooge konde des Doods aan het Leeven.
Zooals de wind vaagt van het heemelgelaaten onder zich ophoopt tot warre gestapelde massade gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonendde sterren in hoogte oover hoogte,zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevensverstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende.In lumine tuo videbimus lumen.En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven.
Toen hoorde beneeden de wachter te middernachthoe het geluid van den Doodoover de stad hong in zeegening,het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden,alle gerechte zielen.
Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap,verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad.Pax est electis Ejus.En vreede vervulde de diepe bronnen des harten.
Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders.Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd,de blijde ziel van den doodeweerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid,zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding,welkom de dierbare ziel tot den Vader.Justorum autem animae....Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.
En hij die rouwde in wake, onder den tooren,hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbaremajestatische stilt' des begravenen Tijds.En de jaren van hem die gestorven washoorde hij vallen als water, gestort van een schaalin de woelende, vage, vervormende zee.De getelde jaren vielenen mengden zich met 't oneindig verleeden.....in manu Dei sunt.de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid.
Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend,hoorde hij en 't vloeyen aller waterentot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee,en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee,voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde.en hij zag van hem die gestorven wasde jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart,Non tanget illos tormentum mortis—en floerslooze sterren opluikend om de aarde.
Toen in den tooren, onder der starren schare,booven de gescepterde dooden, de leevende werkers,elk in zijn leeger van ruste,zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegendezorg en rust,—de Engel van Vreede onuitspreeklijk.Pax in aeternum Deï.Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht.