[1]Naar het Engelsch van Margaret Wood. Lijkzang bij den dood van haren vader, Bisschop van Londen.Vrees niet.Lieve gezicht, met uw angstige oogen,vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek?Denk onzer minne geweldig vermoogenwaar zooveel onrust en euvel voor week—En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger minons sluit met haar getrouwe vleuglen in.Had je mij altijd door, avond en morgen,bleef je mij ooveral eeuwig nabij,dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen—waarom dan ben je nu angstig om mij?Vergeet je den veel liever Minnaar dandie nooit en nergens ons verlaten kan?Op de heuvelen.'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining,en de akkerkleeden, groen en geel geblokt,ik zag der wolken blindende verschijning,in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt,ik zag rondom, als de verstijfde omlijningvan een azuuren hoogbewoogen zee,'t wijd vergezicht, in eindlooze verfijning,tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee.Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loovergloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,—en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover,de kleine huisjes waar de menschen zijn.Het was der aarde moederlijk ontmoetend at mij beving met nameloos ontzag,'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten,zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach.'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen,als 't kind het eerste woord uit moeders mond,terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzenhel-stralend booven purpren horizont.Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denkenen mijn vervaard oog ving een ligt geruchtvan wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenkenin majestatisch kalme heemel-vlucht.Toen keerde ik in,—en vond mijn ziel zóó vreugdigen mijn geluk met een zóó diep verschiet—'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdigen een zoo onomfloerst genieten niet.En toch!...waar bleeven thands de zoete liefden,de hart-verlangens van mijn jongen tijd,mij eenmaal 't dierst?—wat macht'ger drang verhief dengeest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid?Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder,met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer,hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder,maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer.Thans moet ik noode wijder ruimten peilen,de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al,onweetend waar zij weer tot rust verwijlenwat nu haar voorig heil vervangen zal.In wat hier helderst is kan 't oog niet staren,en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft,zoolang 't geen wonderteeken kan ontwarendat zegt wat leeven aarde en zonne leeft.Het avondt zachtkens,—duizend, duizend wolkjes,als fijn blank schuim met glans van parelmoer,betrekken met hun raadselvolle kolkjesin stillen wenk den blauwen heemelvloer,en ik berust.—De lichtstem der planeetendrong éven door, met de echo van een woord.Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten,niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.Het Gebergte.De bergen gingen schuil en er ontstondensombre wolkvormen booven 't glanzig meer;die dreeven weiflend, wentlend heen en weer,stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden.Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlaken de seréniteit der wouden brak!Waar hoog met zilvren letters stond geschreevender aarde schoonste en heiligste gedicht,in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht,was niet dan duister neevelgrauw gebleeven,dat onontraadseld, onverstaan, onttooghet woord der bergen aan mijn dorstend oog.Ik had hen niet verstaan, schoon 'k dag aan dag,in heevige aandacht, 't spel der harmonieënvan wit en grauw, bekleed door draperieënvan zonbeglansde wolkenvacht, bezag,'t steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen,en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen,als een droefschoone roep om weederzien,onder des heemels zacht verbleekend blauw.Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauwof, angstbeklommen, teevens hun ontvlien.Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dande stem der zee, die zóó ontroeren kan;maar 't luiden van uw zang is zóó verheeven,en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag,dat ik onmachtig in beklemming draag't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven.En dat bij 't glanslied van uw majesteitmijn hart verwelkt en om verzachting schreit.Ik zocht in liedren, die de menschen zingen,wat zich het innigst aan uw schoonheid paart,maar er weerklinkt geen menschenzang op aard,die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen.En er ontstond een weemoed, die niet zweemtnaar uw geluk, en is uw Weezen vreemd.Ik klom toen hoog naar de bezonde weidenwaar, opziend tot den blauwen ether, staankelken van dieper-blauwe gentiaan,waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijdendoor lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind,dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt.Daar is de waereld als een droomgezichtvan licht en stilte,—booven 't sneeuwwit rondenzich donkerblauw des heemels diepste gronden,en alles laaft zich aan het gouden licht,tot van het schamel gras de teerste sprieten,in roerloos, onverzadelijk genieten.Daar dronk ik ín een laafnis koel en zuiver,en onderging de gloorie deezer wondren,ik hoorde huivrend de lawinen dondrenin grim'gen afgrond,—en verwon den huiver,tot 'k immermeer verlangend werd te kennenen aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen.Toen schoot, uit 't Heiligdom dier heldre spanning,de berg-storm los, als een verwoede hond,zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,—en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning.Als bij het toornen van een reus, getergd,fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt.'t Vervaarlijk Lijf van ros en grauw gesteent,door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid,omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.—En ik had niet begreepen,—niet geweend,—mat waren al mijn vragen, al mijn beeden't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden.Met al den last van leed, om niet gedragen,al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht,smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht,met al wat m' in verwondering doet vragenwat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft,waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,—met àl de in smart gekeetende gedachten,met al den twijfel, dien geen reede sust,met al de vragen, die in doffe rust't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten,keerde ik weerom, zooals ik was gegaan,en trad met 't oud geduld de doodsche baan.Dag zonder troost! dag van deemoediging,van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht,waarin het hart moet wenschen wat het ducht,en van 't geduchtste de bespoediging......Totdat een nijpend lieve melodiede vale neevelwade scheurde.... en zie!—En zie!—toch had de Onkenbre mij gewijden mij een sprank geschonken van zijn krachten,zoodat ik rustig schouwde in dieper schachtendan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd.'k Zag waangestalten vluchten langs de wandenen de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden.Was 't dâárom dan, dat zoolang bleef geslootenvoor teerder zangen mijn gestrenge mond?Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vondwaarmee voorheen de liefde-liedren vlooten,hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefdeden weeken harte-boodem dieper kliefde?Vergleeden leeven! lieflijk heuvelland!waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyenoopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyenmet woud en wingert, rossig in den brandvan warme zon,—waar blijde menschen gaan,waar stil en slank de popelreyen staan,waar van dorpskerkjes vroome klokken galmen,waar vriendlijk volk, geduldig en tevree,als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee,en Zondags dankt in onverstane psalmen,—waar men op heldren dag den sneeuwberg zietals heerlijke oogenlust in ver verschiet,maar van zijn ijz'ge grimmigheid niet weet;—waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden,maar rust gevonde⁀in liedren en gebeedenen schoone Zaligheid in alle leed....Vergleeden leeven! droefheid zonder naamperst mij, als ik U zie, de lippen saam.De droefheid van een vader, die vergrijsdin zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlendvan 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlendde pracht der bonte vizioenen prijst.—O bittre glimlach om gewaande prachten!O Vuurhel der verwoestende gedachten!De glimlach van een martlaar, die vóór de oovenin diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint,en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kindverrukt het spel der vlugge vlammen looven....Gelukkig volk der blijde landen! weetdat al uw waarheid nog verwoesting heet.Maar ook des vuurs vernietiging is schijn.Het kan de werking van 't bestaande wenden,maar niet des weezens vaste kern doen enden,of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn.Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaandoor wat nóg schooner is, en blijft bestaan.En weet het, allen! die in zulke beemdenvan dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt,dat ginds het barre Hooggebergt verbeidthet uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden,het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren....De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren.Gij, die de blindheid kiest, en mij beklaagtom 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen,om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen,uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd.Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten,wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten.Uw vroomheid is hen schennis en Godslastring,uw liefde haat, uw dankgebed een hoon,als vijand teegen vijand staat hun schoonoover het uwe, en stormen van verbastringzullen verdervend door uw waereld woeden—als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden.Wreed is de Liefde van wat onverganklijken hoog-verheeven is, en wreeder doethet schijnen wie Zijn zeegening ontmoeten wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk,zoodat hij liefdeloos heet en verblind,naarmaat hij méér, met vaster liefde mint.En alle trouw aan Hem die niet vergaat,heet ontrouw onder menschen, die niet lijdenwat stoort hun kleine vreede en klein verblijden.Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaaddie na geduldig en hartstochtelijk dingenéén lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen?Nog eenmaal zie 'k de blank gekante kroonenin klaren dag, in statig kalme pracht,als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht,nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonenhun stralend Heil, omgord door sombre wouden——Gij gaaft, Gebergte!—Ik nam, en zal behouden!Goede Werking.Veel kleine, nijdige dwazenwilden mijn kaarsjen uitblazen,toen werd het in mijn handeen machtige fakkelbrand.Mijn Vrienden.Ik droeg mijn baloorige vrienden't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden.Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd,ze hebben zichzelf nog méér geblameerd.Op 't schande leeger, mij toegedacht,liggen ze zelf eens, niet heel zacht,en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht,van die zelfgespreide beddenin der eeuwigheid niet meer redden.Dichter en Geleerde.De Dichter is een neuswijs kind,dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt.Hij spreekt met bergen, maan en zonalsof dat alles leeven kon.De Dood zelf lijkt hem een bedrog,zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog.Maar de Natuurgeleerdedoet juist het omgekeerde.Zijn heedendaagsche weetenschapis wonder-slim, en wonder-knap,want die verklaart, met wijsheid groot,het Leeven door den Dood.Besluit.De waereld scheen mij zoo droef-bevolkten de weg der menschen zoo'n harde baan,dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkten kommer-beladen door 't leeven te gaan.Maar ik schepte een licht verblijdenuit een bronwel booven de tijden,daarmee wil ik voortaan enk'lender aandachtigsten besprenklen,en de tijden doorschrijden met ligten tred,en ooveral waar ik mijn schreeden zeteen lichtdrop plengen den droeven,maar niet in hun duisternis toeven.INHOUD.Bladz.Dante en Beatrice.Inleiding 5I-XIV 8XV-XXV 25Andere Verzen.Des Leevens Kern 39Koele Mei-dag 41Schat mijns Harten 42Looverlied 44Alles voor U 46De Staf 49Aan de Groote Dichters 51Shelley's Epipsychidion 54Stem van Génerzijds 57Minnezang 60In memoriam 63Zelfschouw 67Julius Oldach 71De Klok 73Vrees niet 79Op de heuvelen 80Het Gebergte! 83Goede Werking 91Mijn Vrienden 92Dichter en Geleerde 93Besluit 94[Afbeelding van rug]De Rivier.De zoomerzon uit violetten dampbeglanst met kooperrooden schijnde blanke vloeden van den Rijn—die gaan door 't volkrijk landin bochten breed en machtig—de stille boomen ter weerskantstaan aan den zacht-bewaasden zoomte spieglen als in droom.Des diepsten Zelfs indachtigzie ik de groote pracht rondom—zoek in der ziele kerngrond om,'t is daar al eeven prachtig.Wat kan er zijnnog bron van pijn?Gij lieven allen die nog lijdt,om mijnentwil in droefheid zijtwaar komt uw smart vandaan?Waart gij maar diep, maar diep gegaanin allerdiepste dieptendes Zelfs, gij vondt er enkel pracht.Ik vond er enkel liefde.Wat heeft u dan tot klacht gebracht?Bestaat er kwaadook zonder haat?Nu zie 'k der menschen wonderwerkde graauwe, goud-bekruiste kerk,een ruigt van spitsen, teer en sterk,aan bleeken horizont.O menschen, hoe hebt gij 't gedaan't Schoon wat ik in mijn binnenst vondzie 'k heerlijk voor mij staan.'t Betrouwen op Gods liefde en rechtvoor eeuwig, machtig uitgezegdin prachtbouw, fijn en hecht.Laat, lieven, allen u verblijen,niet minder vast, niet minder schoonstaat in de ziel uw heil'ge woon.Wat valt er nog te schreyen?De Planeet.Blank-glanzende planeetbetuurt aandachtig weeder,strak-fonklend en teeder,mijn stillen avond-weg—alsof zij weet—Gaat hare hooge baan,blij-beezig, zeer verheeven,zelf wel vol moeizaam leeven,doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan.Stelt mij mijn hart gerust,—zóó hoog en zóó ontzachlijk!Scheen 't àl daar-éven hachlijk,—mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust.Haar scherp gekijk behaagtwie eeven klaar durft schouwen,wiens blik niet zal verflaauwendoor 't lastig leeven dat hij lachend draagt.Als zij, mijn glans-planeet,draag ik een volk van zorgen,toch vindt mij elke morgentot strengen gang in heldre vreugd gereed.Wat bergt zij, wonder-ster,voor vreemd, gestaltrijk woelen?Kent zij mijn licht bedoelen?Eens ken ik 't hare—al is zij nóg zoo ver.Mijn Bloemenpleegster.Goede verzorgster van de blijde bloemen,die fleurig rond mij staan in elk seizoen,ik blijf uw naam met eender wijding noemenals toen.—In veeler vrienden plaats vond ik een Vader,in meenig scherp gevecht vocht ik mij vrij,maar niemand kwam mijn diepsten hartsgrond naderdan gij.—Mijn leeven staat thans wonderbaar bescheenendoor glans dien gij niet kent en bijna vreest,doch hij vermooit van al ding om mij heenenú 't meest.—Door eigen leed alleen kunt gij mij deerengij doet mij lief, al doet ge mij verdriet,ik moet u goed zijn, of ik 't zou begeerenof niet.—Zoo pleeg met mij in bloeme⁀en kindren beidende schoonheid waar ons beider hart in leeft,en wat ik u onwillig heb doen lijden,vergeef 't!—VAN DE PASSIE-LOOZE LEELIE.EEN LIED IN HEBREEUWSCHEN DICHTVORM.Den eine Lilie blühet über Berg und Thal,an allen Enden der Erde. Wer da suchet derfindet.Boehme.De Aanroep.Aan de schimmen van Beethoven en Bach.O mijn Broeders, en mijn Heiligen!Mijn aldernaasten—bij God mijn bemiddelaars!Als een eenzame wijlt mijn ziel onder eenzamen,wie onder de leevenden kent mijn hart?En God's aangezicht zal ik, leevende, niet zien,Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid.Want mijn onvergolden schuld is nog te geweldigen te machtig zijn om mij de handen mijner zonde.Onder lig ik, als een worstelaar, 't gelaat op de aarde,tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden.Daarom roep ik u, mijn Broeders, mijn aldernaasten,dat gij mijn geroep opdraagt tot onzen God.In de hallen des nachts stond ik en wrong mijn handen,in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet.En ik riep, maar mijn stem kon om hun hoogte de welvingen niet aanraken,ik riep: "Bach!" en nogmaals riep ik; "Bach!"Want ik zocht u, ik, de nog in den lijve leevende,ik zocht u, Broeders, die droomt in glansrijke eeuwigheid...Daar waar het gaan der dagen niet meer bemerkt wordt,waar de eeuwen rondom staan als kaarse-vlammen om 't altaar,waar gij zweeft in sfeeren wichtloos, wilde ik koomenzachtkens, en op uw hart leggen mijn schuchtere handen.Ik haat mijn lippen die dit gerucht maken,ik verwerp deeze onnut luidende woorden.Want zij gaan onvast achter uw statige liederen,als de stap eens doods-bedroefden achter de lijkbaar.Omdat ik dronken ben van uw eevenmaat,en een geslagene door uw harmonieën.Ach, wat is het spreeken in beelden!Wat is het doen luiden van lucht door keel of snaren!Achter dat, diep daarachter is het onnoembare.Wat is het? Wel u! gij zaligen, die het beseffen kunt.Het is dansen, maar de dansers zijn er niet.Het is beweegen, maar wie is 't die beweegt?Het is spreeken, maar wat wordt gezegd?De ooren verstaan, 't hart schreit om méér verstand.Ik riep in de droomhallen, maar er was niemand.Ik ging eindloos voort, maar de vreemdsoortige steenen zweegen,Toen keerde ik weeder naar mijn slapende lijf,ik zag het liggen, klam van gelatenheid.En de dag wachtte, de koele, blanke jongeling,welgemoed wachtte de morgen, onverschillige cipier.Maar somwijlen—roep ik ze in mijn droom, de genieën des lieds,de engelen die u dienden roep ik dan machtiglijk.Ik roep ze en zij koomen, en ze dienen ook mij,zij zingen en beweegen hun bevallige handen.Zoo weet gij dat ik uw broeder ben,en gij wilt mij wel kennen, arm en klein als ik ben.Schaamt u niet oover mij, om dit stamelen,veracht mij niet, omdat ik te zwijgen niet vermocht.Hebt gij ook niet het alledaagsche gedaan?Hebt gij dan van uw verachtelijk praten nooit gewalgd?Nu zijn de woorden verwaaid als papier-asch,maar in rein-gegloeid gouden vlechtwerk van melodieën ligt uwer ziel zacht gebed.Om mijn naasten is 't dat ik spreeken moet—om den arme praat ik; die smacht en geen recht vindt,om den arme wiens ziel verschrompeld in kommernis,om den rijke die zijn ziel vergiftigt met ongerechtigheid.En ik praat, mijn hart ziedt, maar ik praat zachtkens,ik leid mijn woorden, als een geduldig meester de kinderkens.Met ijzeren toom houdt mijn liefde ze bedwongen,ik schik ze bedachtsaam en vol zorg, want de arme smacht.Een lantaarn oopen ik een handbreed voor der dwazen oogen,honderd vuuren bouw ik rond hen, en ze zeggen: "wie ziet er wat?"Ik luid de noodklok booven hun hoofden,den doorn der waarheid plant ik in hun borst.In tranen buig ik mij tot hun zweeren,de kleeren mijner trots scheur ik, wijl zij naakt zijn.Mijn stem is schor van zeggen en zij lachen,mijn lippen beeven, en zij roepen: "zing fraayer!"Maar dan, o mijn Broeders,dan, in de dagen van verbittering,ontmoet ik een zachte vlaag uwer schoonheid,uw geest die nog omwaart onder 't droeve geslacht.Uw lied hebt gij scheidend den menschen gelaten,in zwarte teekenen geboekt houden zij het.Uit aldoor stinkender poel rijst het zuiverlijk,ooveral leeft het, onaangetast, in zeeën van leelijkheid.Als de rooke eener veldbloem in vunze achterbuurt,als een verdoolde vlinder in bloedig-donker slachthuis,als het koeren eener woudduive in beurs-gezwatel,als het donder-gromlen booven het gejoel eener dorpskermis.Zoo blijft gij, herauten Gods, zijn heerlijkheid handhaven,zijn licht doet gij eerbiedigen in helsche duisternis.Waarlijk mag ik u heilgen noemen,priesters noem ik u en bemiddelaars,Zie de lieden saamkoomen, hun denken is nietigheid,hun hart is laf, hun ziel uitgedoofd, loogen kwijlt hun mond.Maar dan doen ze de doode teekenen leevenen Gods waarheid licht óp uit leevenloos hout en snaren.Al is hervonden voor een wijle, geloof en kennis,weer weet ik, hoe alles goed is wat is, om Godswil.Van uit uw doodsrust beweegt ge dan de leevenden—van uit uw zaligdom zendt gij de roozen uwer goedheid nog.Met zacht verwonden windselen stelpt gij mijn bloeden,liefelijk omstrengelen de melodieën mijne ziel.De blinkende mantel van uw liefde oopent wijd—vertrouwelijk ligt mijn hoofd in uw schouderholte.Waar de vloeren zijn, en de muuren, en de banken,waar al het geziene en getaste is, rondom,daar is een andere waereld, terzelfder uure,daar is een groote, wijde zee, terzelfder plaatse,daaroover zweef ik veilig, rondom in 't prachtige,in gouden schoonheidslicht, werkelijker dan werkelijkheid.Want deze leelijke waereld is een bange droomhet getaste en geziene is schim en ijdelheid,maar de schoonheid staat er midden doorheen waarachtiglijk,op deeze plaatsen, waar wij zijn, bestaan weezenlijker dingen.Wat is het dan toch dat spreekt? Van waar die stemmen?Hoor ik er niet die elkander vragen en elkander antwoorden?Gij zijt het niet, mijn Broeders, gij waart enkel, zij zijn veelen,gij spreekt één na d'ander, zij gelijkelijk, zonder verwarring.Omspannen zij niet ruimte en tijd in geslooten hand?Zien niet hun oogen de toekomst en elkanders harten?Want hun stemmen worden tot één ding, zonder voorafspraak,en spreekende, weet elk wat de ander zeggen zal.Als dit niet het leeven der engelen is, wat is het?Door u spreeken de gelukzaligen tot ons.Hun kristallen wooning staat vast en waarachtigdwars door onze huizen en kamers, die vaag als damp zijn.Hun glans-gestalten beweegen door onze lichamenals stoomschepen door neevelen des morgens op vlakke zee.Zie, ik word ouder, het weeke verhardt in mij,vast en rimpelig word ik, als een jonge boom die hout maakt.in mijnen groei volhard ik strammiger,ik kan niet leenig meer zwiepen met den wind.Maar mijn bloemen zijn fijn en zoet-rookig als van oudsen al mijn bladeren lispelen eeven teeder in laauwen wind.Zoodanig mijn stam gegroeid is kan ik niet meer veranderen,het gekromde kan ik niet meer recht maken in mij.Maar mijn leevende twijgen bidden om vergeeving, telken jare,en mijn bladeren beweenen mijne zonden.De eene mensch is mij zooveel liever niet meer dan de andereen den weekhartige ben ik tot aanstoot.Maar verder gaat de geur mijner bloemen,verder gaan mijne zaden en mijn schaduwen.Grooter zijn mijn verrukkingenen het licht des heemels ken ik beeter.Zoo voert dan mijn stem op, gij machtigen in licht!wat ik fluister teegen de aarde, zingt het onzen Vader,den dank uws broeders, die de lavingen geproefd heeft,het zoet dat gij van Hem in mijnen mond hebt gelegd.Veele schulden zijn mij kwijtgescholdenen uw bericht omtrent Zijn erbarmen heb ik verstaan.Maar ook het brood des doods zou ik willens gegeeten hebben,volhardend in dankbaarheid.Want ben ik niet Goodes, God kennende?En zal Hij zichzelven vernietigen?Doch weest gij mijn fakkel, en mijn vóórspraak,mijn adem, en mijn marmer-treeden,mijn licht-toorens, mijn sterke scheepen,mijn beeken langs den weg, mijn vertrouwelingen.Want mijn ziel wijlt als eene eenzame onder eenzamenen wie is er van de leevenden die mijn hart kent?Het Antwoord.Hoe ben ik beschaamd, ik wou zacht spreeken,mijn waan brak, ik ben verneederd, en zoo gelukkig.Met gevouwen handen in mijnen schoot zat ik neer,omhoog ziend als wie een schat kreeg uit den heemel.Trotsert, zeide mijn hart, zul je wéér groot doen?Zul je wéér spreeken als een machtige oover zichzelf?Ik lig neergeslagen als het graanveld na slag-reegen,langsaam maar heft God's goede zon mij op.Langsaam vervliegen in zijn licht de zware schitterende droppen,de zoete tranen mijner verneederingWat weeten wij, dwalers, neuswijze kinderen,wat kennen wij onzer eigene domeinen?In wat woordpraal wanen we beslooten onze ziel?Een kind hoort wel de gansche zee zelf in een kinkhoorn.Op ons onmeetelijk weezen groeyen de kleine gedachten,zooals kleine kruiden en mos op eeuwige gebergten.Luid verkonden wij onze meeningen en besluiten,zeggend: "Ik ben, ik wil, ik weet, ik doe."Maar het gevaarte onzes weezens weet hiervan niet.Ziet men 't mos op de bergen, als ze strak blinken aan blaauwen horizon?Waar is ik? Wie is de ik-zegger die recht heeft?Voorwaar, er zal geen ik-zegger zijn buiten God.De mensch zegt: ik wil, maar in hem wil de Eeuwige.Wie zijn Zelf vatten wil, zijn hand tast in de oneindigheid.Inwaarts tuurend door-ijlt onze blik de grondloozein zich kookerende verschieten, al heller en inniger,waaraan geen einde is.Ik riep omhoog als een eenzame zonder verwachting—Hoezeer heeft het antwoord mij beschaamd!En ik zeide Gods aangezicht niet te zullen zien.Ik keek op van 't geschreevene, en zie! waar was Hij niet?Ik zag Hem bij nacht en bij dag, in droom en in waken.Ik zag Hem in't weemelend water, in de grashalmen voor mijn venster.Ik zag Hem in 't licht der maan, ik zag Hem in de duisternis,Zijn antwoord was in 't voogelzingen, ik hoorde Hem in de stilte.In de eenzame stilte, als alleen 't bloed spreekt.De vlinder heeft mij van hem gesprooken en de morgenzonDe bevonkte heemelen antwoordden, de verbazenden.De storm sprak, ook het fluisteren der liefste was van Hem.Zie, der teere bloemen fijn uitgebeelde kleur-gedachten,om Hem alleen zijn zij aanbiddelijk.Ik wist het alles, maar ik wist het toch niet.Want ik zocht Hem immers waar mijn oogen niet reiken.Dwaas, die in 't leedig staarde!Zijn volheid omringt mij toch als den visch het water.Maar wij willen Hem niet zoeken waar hij zich te kennen geeft.Wij willen de heemelsche gloeden en de oopenbaringen terstond.Het lofzingen zijner Engelen willen wij hooren,Zijn lichttroon willen wij zien gevest in des Heelal's midden.Met deeze handen van vleesch willen wij het eeuwige tasten,Ons bevreedigt niet de vreugde van 't voorbijgaandeToch heeft hij ons alleen deeze vreugden gegeevenopdat wij Hem er in kennen zouden, en anders niet.Hebben wij niet de lichte velden en het koele water,de mooye bloemen naast ons en de geurige vruchten,de dieren met hun wonderbaar weezen, elk een schoon raadsel,de geheimen der natuurkracht, zoet om te doorgronden,de eindelooze ruimte vol waerelden,bevolkt met vreemde verbeeldingen.en het heerlijke begrip en de muziek,en elkander—O de liefde hebben wij immers!Daarin alleen vinden wij Hem,ooveral waar vreugd zeer heerlijk is en verheeven.Waar wij lust vinden die sterker maakt en verheft,waar wij de zielen voelen groeyen en stijgen in vreede.Want Hij is licht en vreugdrijk, Zijn weezen is zaligheid,smart is waar Hij niet is, lijden is gebrek aan Hem.Daarom lijden zoozeer wie Hem 't meest begeeren,dan komt Hij, hun heilige smart verkeerend in zaligheid.Mijn hand trilt en van tranen zie ik 't geschreevene nietomdat Hij mij zeggen laat meer dan ik wist te weeten,omdat ik Hem zoo goed kan noemen, die mij zoo geslagen heeft,omdat ik, de met zooveel smart gezeegende, Hem zoo danken moet.In den nacht heb ik wel getwijfeld, in de naargeestige uuren,maar hoe mijn gedachten zwerven, mijn hand schrijft geloof.Zijn stem gaat door mijn lippen, ze reinigend,verkwikt sta ik op van 't schrijven, glanzend mijn oogen.Wij hoogmoedigen twijfelen, omdat vreugden vlieden.Is God dan in 't vergankelijke?—En wat is er meer?Maar de neederige leert zien hoe niets vergaat,hij leert het altijd-duurende erkennen in 't vergankelijke.De hoogmoedige vertrapt de teere schatten om hem,door zijn vloeken hoort hij Gods zachte roepstem niet.Maar wie de lijnen en kleuren eener bloem leerde liefhebbentot hem heeft God gesprooken, als de meester tot een aandachtig kind.En wie de schoonheid der avondstonden voelde tot hij schreide,voorwaar! Gods eigen hand is hem zeegenend op 't hoofd gelegd.Maar wie verrukt is geweest door gansch onzelfzuchtige liefde,die zijn eevenmensch bemind heeft in festijnen van vreugde,ja, hem heeft God zelf de lippen gekust,hij heeft het vaderhart des Eeuwigen voelen kloppen.Weest toch niet bang en verlaat u maar, goed-willigen,waar zeer groote vreede is en vreugde, daar vindt gij Hem.In heilige boeken heeft Hij zijn wet doen staven,maar in elk hart schreef hij ze nog eens, méér kennelijk.Met letters van lichtspreidende pijn,vuurige woorden van felle heerlijkheid.Acht het niet, wat menschen goed noemen en wat slecht,laat u niet meedesleepen en niet verschrikken,maar geeft acht op het innerlijk gericht,vraagt de bevestiging van Gods eigen mond.Hij spreekt zacht maar kennelijk,aan sterke vreugde en rust zult gij Zijn woorden kennen.Doch hij spreekt niet tot wie zelfzuchtig is en bevreesd.In den storm van hartstocht verstomt Zijn geluid.Door de poorten der verneedering komt Hij ons hart binnen.Vreest niets en verlangt niets en alles geeft Hij u.Laat los, bangelijken, oopent de krampachtige handen!Laat los tijdelijk houvast, vertrouwt u moedig aan het eeuwigeVolgt aandachtig en geduldig, ziet niet angstig achterom,zoo gij dwaalt, Hij zal u door smart terechtwijzen.Zoo gaat blij en onverschrokken, zijn heerlijkheeden zoekend,vreest zijn terechtwijzing niet, noch ontwijkt ze.De menschen zullen u waarschuuwen en hatenmaar God zal u troost geeven en macht oover hun boosheid.Gaat als een wandelaar, die 's morgens uittrekt naar mooye, onbekende landen,gaat als een voogel die al zingende omhoog stijgt.Hoe gemakkelijk is het zingen in den morgenvoor wie Gods lichte werken in zich heeft.Hij vindt zonder zoeken, hij is echo van Zijn stem,hij vertelt het gebeurende als een blij kind.De wonderen staan zoo duidelijk voor zijn oogen.Zij zeggen: "hier ben ik!" noemend hunnen naam.Tot mooi-spreeken spant hij zich niet,zijn gedachten zijn gezangen, welluid is zijn zelf-gesprek.De menschen verlieten mij, de een na den ander,veelen heb ik vriend genoemd. Waar zijn nu mijn vrienden?Waar vind ik wijdheid van vertrouwen, dag aan dag?Ook die mij 't zeerst liefhebben beklagen zich oover mij.Omdat ik naauwkeuriger acht geef op het waarachtige,omdat ik stoutmoediger waag te doen wat mij recht schijnt.Maar waarlijk de Eenige heeft mij niet teleurgesteld,mijn ziel is gelaten, mijn geluk stijgt dag aan dag.Toch heb ik nu eerst al mijn zonden gezien,opdoemend als rotsen rondom een schip in neevel.Daaraan moest ik te pletter gaan, dacht mij.Ik boog het hoofd geduldig, ik genoot den kwaden roep.En zie! in veilige haven ben ik gevoerd,rein ben ik, als toen ik gebaad was op den dag mijner geboorte.O mijn Vader, vaak heb ik van wonderen gesprooken,hoe anders zijn ze, nu ik ze waarachtig gebeuren zie.Zoo is het ontmoeten van wijdvermaarde menschen,zij bedroeven de verwachting, maar de droefheid wordt beschaamd.Onze denk-beelden zijn grof en ontoereikend,maar het Zijnde is ontzachlijk en zeer subtiel,Hoelang reeds niet weet ik wat wij noodig hebben!Ik wist het immers toen ik als knaapje naar school ging?Vroome wijsheid behoeven wij, maar wie kent den weg er heen?Nu ik in mijnen middag sta, nu eerst ken ik den weg.De morgen verging, het schoone leeven neigde ten avond,nog was de weg niet gevonden, en het doel zoo ver, zoo ver.Nu is mijn tred vast, mijn ziel rustig—maar ach! wie vergoedt den verlooren tijd?Nu weet ik hoe de vroome wijze te leeven heeft,zijn zwaren gang weet ik—en zijn onvergelijkelijke zeegeningen.Nu weet ik waar de wateren des leevens vloeyen,nu weet ik waar zij bloeit, de passie-looze Leelie,de heilige bloem der vroome wijsheid,die macht geeft oover het kwade en oover den dood.Maar helaas, het is nog ver!En hoeveel zijn de dagen die mij resten?Hoe wordt het schoone en heilige leeven nog misbruikt!Hoe vermorsen wij jammerlijk onze kostbaarheid!Wij verkwisten ons duurste goed als onnoozele kinderen,als het domme vee dat zijn voer vertrapt,En toch is in ons bereik een leeven vol heerlijkheid,de macht tot allerhoogste zeegeningen is ons geschonken.De deur staat oopen tot wat alle droom en hoope oovertreft,tot vreede en geluk op aarde en zaligheid in den heemel.Zijn onze verbeeldingen niet schamel en klein?Is ons denken niet armzaliger dan het bestaande?Wie zal dan zijn hoope schooner wanen dan de werkelijkheid?Wie zal Gods Heerlijkheeden in verbeelding te booven kunnen gaan?Heerlijk, heerlijk is het leeven des vroom-wijzen.In het leeven vindt hij zeegen, met den dood neemt hij genoegen.Leevende zoekt hij de schatten die hij in sterven behouden zal,hij ontvangt van 't Leeven wat de Dood niet ontneemt,Hij gaat door zijn dagen als een blijmoedig strijder.In zijn nachten proeft hij den voorsmaak van Gods belooning.Het lijden weerstaat hij als een held.als een reiziger die den straatroover oovermant en bindt.Zijn blikken zijn als vuur, verzengend het slechte en leelijke,de schoonheid schittert hem teegen waarheen hij schouwt.Hij gaat door de droeve straten, de vuile achterbuurten.maar de zwaarmoed smelt voor zijn oogen als ijzel.Waar hij zijn hand oplegt, daar vliedt de doodsvrees,het leeven wordt gesterkt en het geluk ontbloeit.Hij weerstaat het kwade niet, maar het verwelkt voor zijn aanweezen,het kan niet zijn waar hij is, door een Gods-wonder.Hij leert te zien het waarachtige, maar het droeve en sombere niet,want het waarachtige is vreugd en schoonheid, en is in alles.Toch voelt hij alle lijden en is niet hard,hij lijdt om den onweetende, den hartstochtelijke, den schijn-vroome.Want hij weet dat hij niet zalig kan worden alleen,hij wil niet de meerdere zijn booven zijn broeders.Maar in een feest van veelen zou hij gelukkig zijn,zijn wijsheid is een brandpunt van veele stralen lichts.Zijn hartstochten zijn niet in hem verlooren gegaan,maar bedwongen tot staat van leevendiger spankracht.Zooals bedwongen beweeging tot hitte wordt, daarna tot licht,zoo wordt zijn hartstocht stil en glansspreidend.In sooberheid leeft hij en zeer groote reinheid,door zorgvuldige orde leeft hij dubbel.Geen zuivere vreugde is hem te gering,verheeven is hij door natuurlijkheid.Hij beijvert zich niet goed te doen,hij doet goed zooals 't water omlaag vliet.Hij legt zich niet toe op volmaaktheid,maar God zeer liefhebbend wordt hij van zelve volmaakt.Hij wenscht voor zich geen deugden noch zeegening,God wenscht hij te gerieven, als zijn eenigsten, liefsten vriend.Zoo koomen deugd en zeegen zijns ondanks,uit nooddruft ontstralen hem blijmoed en goede werken.De Schepper aller waereld is zijn innige vertrouwde,Hem kent hij beeter dan vader, moeder, liefste of kind.Van uur tot uur leeft hij met hem,in bangen en langen, in verrukking en beproeving.Hoe kennen wij onze lieven? wie heeft een ganschen mensch gezien?Huid en oogen zien wij, wij voelen handen en hooren stem.Maar de gansche mensch is onzen zinnen een verborgenheid.Niets weeten wij van hem dan door bemiddeling.Zouden wij dan niet eevenzeer onzen God kennen,schoon wij niets van Hem weeten dan door bemiddeling?En tot den vroom-wijze spreekt hij zeer onmiddelijk,ja, meer onmiddelijk dan vader, moeder, liefste of kind.En zooals een vriend den lieven vriend meedeelt van het zijne,zoo geeft God van zijn eigenheeden aan wie zijn vriend is.Van zijn goedheid geeft hij, van zijn vreede, van zijn zaligheid,van zijn macht oover het kwade, van zijn kennis aller dingen,ja, van zijn scheppingsmacht deelt hij meede.Den mensch, zijn maaksel, maakt hij tot maker.Maar wat ons lijfje is in de ruimte vol zonnen en waerelden,dat zijn onze gedachtetjes in Gods gedachte.Zie het vuurige zonnelijf door den befloersten kijker,met zijn vlekken en vlammen, zijn aureolen.zijn donkere kolken, zijn wervelstormen van vuur,zijn ziedend rond-zwierende gloed-oceanen, zijn licht-orkanen,zijn getakte vlam-fakkels millioenen mijlen hoog,zijn hitte-sfeeren waarin de rotssteen vluchtig moet zijn.Wij aanschouwen vlokken en kooksels en uitzwalpingen.Sombere holten waarin duizend waerelden verzwinden kunnen.Het is alles vervaarlijk, onbegrijpelijk, wij hooren geen geluid,verblindend is het en doodstil, schijnbaar onbeweegelijk.Maar wee ons! zoo het gehoord kon worden, wat ware het geluid!Wee ons! wat ware de snelheid zoo wij nabij waren!Aanschouw het langen tijd, verdiep u in het onbegrijpbareNochthans bestaat het, niet ééns, maar eindeloos veel malen.Zooals dit stoffelijk bestaan is voor ons stoffelijk bestaan,méér onbegrijpbaar nog is Gods geestelijk weezen voor het onze.Doch ons klein lijf kent de geweldige zon als mild en liefelijk.Dierbaar is zij ons en vertrouwd.—Wat dan der ziel?Zoo leeft de vroomwijze met den almachtige in vertrouwd verkeer.Hoezeer verheeven, niemand geringer vertrouwt hij gansch.Vol geheimzinnige leidingen is ons leeven.Onkenbare machten omringen ons met invloeden.Ooveral, ook hier om ons, zijn ontelbare schepselen,Engelen en démonen, heilige en ellendige.Welke dwaas acht zich de hoogste creatuur?Zou er geen schepsel meer zijn tusschen mensch en God?Maar de vroom-wijze betrouwt God alleen en vreest niet.Hoe anders zou hij heilig van onheilig onderkennen?In het land der droomen beweegt hij zich welbewust en willekeurig.Tempels en melodieën schept hij er door zijn woord.Hij ziet de démonen en de geesten,de gevaarlijken doet hij wijken in naam van God.Licht-glimpen krijgt hij er van verborgen kennis,van de dingen die ver weg zijn, van de dingen der toekomst.Want de droomwaereld is de waereld waarin ziel en lijf gescheiden zijn,waarin tijd en ruimte verwijderde dingen worden.Zoo leeft hij 's nachts in den scheemerenden voorhof van 't génerzijds.beproevend de toeneemende krachten zijner ziel.Maar ook wakend zal er kracht van hem uitgaan,zal hij booze machten beheerschen en het verborgene gewaarworden,onder heiligen invloed schoone kunstwerken scheppen,zieken geneezen, zwaarmoedigen beweegen tot geduld.Maar al zijn macht is in zijn liefde tot den Volstrekten,hij helpt alleen waar hij die liefde meedeelt.Die liefde moet hij voelen zooals het lijf hitte voelt of pijn,zoo echt en werkelijk, als het groote gevoel zijns leevens.De kiem deezer liefde is oprechtheid onverbiddelijk,wie de waarheid liefheeft bemint God immers reeds?Wie zondigt in oprechtheid, voor hem is vergeeving,ja, wie Satan liefhad in oprechtheid, zijn eind zou bij God zijn.Wie zijn waarachtigen aard deemoediglijk volgen durft, hij zal terechtkoomen,maar wie booven zijn macht grijpt valt in duivels hand.De wijze erkent zijn zwakheeden en kinderlijke begeerten,hij zal niet trachten te leeven als een volmaakte,Hij ooverspant zich niet tot onnatuurlijke heiligheid.Hij zegt neederig: "ach! ware ik beeter, maar zóó ben ik".Alleen door liefde tot waarheid wil hij beeter worden,zoo wordt eens het heilige leeven hem natuur.Hij zal durven doen wat alle waereld zonde heet,zeggend: "ik weet niet beeter, God straffe mij dan zoo ik dwaal".Om God noch mensch zal hij zijn weezen verkrachten,weetend dat niemand met vóórwending gediend is.De echtheid van zijn gevoel herproeft hij vóór alles.Zelf-bedrog vreest hij als de eigenlijke hel.Waren niet gansche menschgeslachten in de macht der loogen?Maar in elken enkeling wordt de waarheid herbooren.Zoo zal hij zijn innerlijk weezen zuiver houden,als nieuwe leevens-bron en schatkamer der waarheid.Er zijn er die vragen: Waar is God? Hoe zal ik Hem kennen?En kan men zichzelf deeze liefde gebieden?Maar woorden kunnen niets brengen waar niets is.Een lamp der erkentenis zijn ze in verborgen schatkelders.Neemt mijn lamp en doorzoekt uw binnenste,Gij zult er schoone liefde vinden voor God,liefde voor de waarheid, voor het waarachtige,verlangen naar vreede en geluk, en naar kennis van het zijnde.Elk onzen vader kennen wij door gelaat en stem,aldus kennen wij God door waarheid en vreugde.Van het licht zeggen wij: het is, maar de duisternis is niet,zoo is de heilige vreugde werkelijk, maar de somberheid is niet.En zooals de mensch meer leevend en persoonlijk is dan zand,zoo is God meer leevend en persoonlijk dan de mensch.Ja, Hij is het eenigst waarachtige leeven en de eenigste persoon,Hij is de Ziel aller zielen, het volstrekte leeven.Wie naar Hem het aanzicht rigt wordt ziende,en ontvangt den sleutel aller raadselen.Wat de mensch als waarheid liefheeft, het zal hem liefhebben,noem het licht loogen en gij blijft in duister.Maar verheft u en weest uzelven getrouwen de heerlijkheeden uwer ziel zullen u ontroeren.Zooals Hij, antwoordende, mij geringe ontroerd heeft,toen Hij mijnen waan brak omdat ik Hem vertrouwen bleef.
[1]Naar het Engelsch van Margaret Wood. Lijkzang bij den dood van haren vader, Bisschop van Londen.
[1]Naar het Engelsch van Margaret Wood. Lijkzang bij den dood van haren vader, Bisschop van Londen.
Lieve gezicht, met uw angstige oogen,vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek?Denk onzer minne geweldig vermoogenwaar zooveel onrust en euvel voor week—En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger minons sluit met haar getrouwe vleuglen in.Had je mij altijd door, avond en morgen,bleef je mij ooveral eeuwig nabij,dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen—waarom dan ben je nu angstig om mij?Vergeet je den veel liever Minnaar dandie nooit en nergens ons verlaten kan?
Lieve gezicht, met uw angstige oogen,vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek?Denk onzer minne geweldig vermoogenwaar zooveel onrust en euvel voor week—En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger minons sluit met haar getrouwe vleuglen in.
Had je mij altijd door, avond en morgen,bleef je mij ooveral eeuwig nabij,dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen—waarom dan ben je nu angstig om mij?Vergeet je den veel liever Minnaar dandie nooit en nergens ons verlaten kan?
'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining,en de akkerkleeden, groen en geel geblokt,ik zag der wolken blindende verschijning,in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt,ik zag rondom, als de verstijfde omlijningvan een azuuren hoogbewoogen zee,'t wijd vergezicht, in eindlooze verfijning,tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee.Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loovergloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,—en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover,de kleine huisjes waar de menschen zijn.Het was der aarde moederlijk ontmoetend at mij beving met nameloos ontzag,'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten,zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach.'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen,als 't kind het eerste woord uit moeders mond,terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzenhel-stralend booven purpren horizont.Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denkenen mijn vervaard oog ving een ligt geruchtvan wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenkenin majestatisch kalme heemel-vlucht.Toen keerde ik in,—en vond mijn ziel zóó vreugdigen mijn geluk met een zóó diep verschiet—'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdigen een zoo onomfloerst genieten niet.En toch!...waar bleeven thands de zoete liefden,de hart-verlangens van mijn jongen tijd,mij eenmaal 't dierst?—wat macht'ger drang verhief dengeest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid?Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder,met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer,hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder,maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer.Thans moet ik noode wijder ruimten peilen,de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al,onweetend waar zij weer tot rust verwijlenwat nu haar voorig heil vervangen zal.In wat hier helderst is kan 't oog niet staren,en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft,zoolang 't geen wonderteeken kan ontwarendat zegt wat leeven aarde en zonne leeft.Het avondt zachtkens,—duizend, duizend wolkjes,als fijn blank schuim met glans van parelmoer,betrekken met hun raadselvolle kolkjesin stillen wenk den blauwen heemelvloer,en ik berust.—De lichtstem der planeetendrong éven door, met de echo van een woord.Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten,niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.
'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining,en de akkerkleeden, groen en geel geblokt,ik zag der wolken blindende verschijning,in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt,
ik zag rondom, als de verstijfde omlijningvan een azuuren hoogbewoogen zee,'t wijd vergezicht, in eindlooze verfijning,tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee.
Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loovergloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,—en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover,de kleine huisjes waar de menschen zijn.
Het was der aarde moederlijk ontmoetend at mij beving met nameloos ontzag,'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten,zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach.
'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen,als 't kind het eerste woord uit moeders mond,terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzenhel-stralend booven purpren horizont.
Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denkenen mijn vervaard oog ving een ligt geruchtvan wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenkenin majestatisch kalme heemel-vlucht.
Toen keerde ik in,—en vond mijn ziel zóó vreugdigen mijn geluk met een zóó diep verschiet—'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdigen een zoo onomfloerst genieten niet.
En toch!...waar bleeven thands de zoete liefden,de hart-verlangens van mijn jongen tijd,mij eenmaal 't dierst?—wat macht'ger drang verhief dengeest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid?
Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder,met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer,hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder,maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer.
Thans moet ik noode wijder ruimten peilen,de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al,onweetend waar zij weer tot rust verwijlenwat nu haar voorig heil vervangen zal.
In wat hier helderst is kan 't oog niet staren,en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft,zoolang 't geen wonderteeken kan ontwarendat zegt wat leeven aarde en zonne leeft.
Het avondt zachtkens,—duizend, duizend wolkjes,als fijn blank schuim met glans van parelmoer,betrekken met hun raadselvolle kolkjesin stillen wenk den blauwen heemelvloer,
en ik berust.—De lichtstem der planeetendrong éven door, met de echo van een woord.Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten,niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.
De bergen gingen schuil en er ontstondensombre wolkvormen booven 't glanzig meer;die dreeven weiflend, wentlend heen en weer,stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden.Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlaken de seréniteit der wouden brak!Waar hoog met zilvren letters stond geschreevender aarde schoonste en heiligste gedicht,in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht,was niet dan duister neevelgrauw gebleeven,dat onontraadseld, onverstaan, onttooghet woord der bergen aan mijn dorstend oog.Ik had hen niet verstaan, schoon 'k dag aan dag,in heevige aandacht, 't spel der harmonieënvan wit en grauw, bekleed door draperieënvan zonbeglansde wolkenvacht, bezag,'t steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen,en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen,als een droefschoone roep om weederzien,onder des heemels zacht verbleekend blauw.Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauwof, angstbeklommen, teevens hun ontvlien.Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dande stem der zee, die zóó ontroeren kan;maar 't luiden van uw zang is zóó verheeven,en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag,dat ik onmachtig in beklemming draag't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven.En dat bij 't glanslied van uw majesteitmijn hart verwelkt en om verzachting schreit.Ik zocht in liedren, die de menschen zingen,wat zich het innigst aan uw schoonheid paart,maar er weerklinkt geen menschenzang op aard,die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen.En er ontstond een weemoed, die niet zweemtnaar uw geluk, en is uw Weezen vreemd.Ik klom toen hoog naar de bezonde weidenwaar, opziend tot den blauwen ether, staankelken van dieper-blauwe gentiaan,waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijdendoor lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind,dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt.Daar is de waereld als een droomgezichtvan licht en stilte,—booven 't sneeuwwit rondenzich donkerblauw des heemels diepste gronden,en alles laaft zich aan het gouden licht,tot van het schamel gras de teerste sprieten,in roerloos, onverzadelijk genieten.Daar dronk ik ín een laafnis koel en zuiver,en onderging de gloorie deezer wondren,ik hoorde huivrend de lawinen dondrenin grim'gen afgrond,—en verwon den huiver,tot 'k immermeer verlangend werd te kennenen aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen.Toen schoot, uit 't Heiligdom dier heldre spanning,de berg-storm los, als een verwoede hond,zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,—en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning.Als bij het toornen van een reus, getergd,fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt.'t Vervaarlijk Lijf van ros en grauw gesteent,door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid,omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.—En ik had niet begreepen,—niet geweend,—mat waren al mijn vragen, al mijn beeden't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden.Met al den last van leed, om niet gedragen,al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht,smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht,met al wat m' in verwondering doet vragenwat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft,waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,—met àl de in smart gekeetende gedachten,met al den twijfel, dien geen reede sust,met al de vragen, die in doffe rust't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten,keerde ik weerom, zooals ik was gegaan,en trad met 't oud geduld de doodsche baan.Dag zonder troost! dag van deemoediging,van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht,waarin het hart moet wenschen wat het ducht,en van 't geduchtste de bespoediging......Totdat een nijpend lieve melodiede vale neevelwade scheurde.... en zie!—En zie!—toch had de Onkenbre mij gewijden mij een sprank geschonken van zijn krachten,zoodat ik rustig schouwde in dieper schachtendan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd.'k Zag waangestalten vluchten langs de wandenen de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden.Was 't dâárom dan, dat zoolang bleef geslootenvoor teerder zangen mijn gestrenge mond?Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vondwaarmee voorheen de liefde-liedren vlooten,hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefdeden weeken harte-boodem dieper kliefde?Vergleeden leeven! lieflijk heuvelland!waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyenoopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyenmet woud en wingert, rossig in den brandvan warme zon,—waar blijde menschen gaan,waar stil en slank de popelreyen staan,waar van dorpskerkjes vroome klokken galmen,waar vriendlijk volk, geduldig en tevree,als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee,en Zondags dankt in onverstane psalmen,—waar men op heldren dag den sneeuwberg zietals heerlijke oogenlust in ver verschiet,maar van zijn ijz'ge grimmigheid niet weet;—waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden,maar rust gevonde⁀in liedren en gebeedenen schoone Zaligheid in alle leed....Vergleeden leeven! droefheid zonder naamperst mij, als ik U zie, de lippen saam.De droefheid van een vader, die vergrijsdin zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlendvan 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlendde pracht der bonte vizioenen prijst.—O bittre glimlach om gewaande prachten!O Vuurhel der verwoestende gedachten!De glimlach van een martlaar, die vóór de oovenin diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint,en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kindverrukt het spel der vlugge vlammen looven....Gelukkig volk der blijde landen! weetdat al uw waarheid nog verwoesting heet.Maar ook des vuurs vernietiging is schijn.Het kan de werking van 't bestaande wenden,maar niet des weezens vaste kern doen enden,of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn.Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaandoor wat nóg schooner is, en blijft bestaan.En weet het, allen! die in zulke beemdenvan dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt,dat ginds het barre Hooggebergt verbeidthet uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden,het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren....De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren.Gij, die de blindheid kiest, en mij beklaagtom 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen,om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen,uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd.Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten,wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten.Uw vroomheid is hen schennis en Godslastring,uw liefde haat, uw dankgebed een hoon,als vijand teegen vijand staat hun schoonoover het uwe, en stormen van verbastringzullen verdervend door uw waereld woeden—als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden.Wreed is de Liefde van wat onverganklijken hoog-verheeven is, en wreeder doethet schijnen wie Zijn zeegening ontmoeten wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk,zoodat hij liefdeloos heet en verblind,naarmaat hij méér, met vaster liefde mint.En alle trouw aan Hem die niet vergaat,heet ontrouw onder menschen, die niet lijdenwat stoort hun kleine vreede en klein verblijden.Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaaddie na geduldig en hartstochtelijk dingenéén lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen?Nog eenmaal zie 'k de blank gekante kroonenin klaren dag, in statig kalme pracht,als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht,nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonenhun stralend Heil, omgord door sombre wouden——Gij gaaft, Gebergte!—Ik nam, en zal behouden!
De bergen gingen schuil en er ontstondensombre wolkvormen booven 't glanzig meer;die dreeven weiflend, wentlend heen en weer,stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden.Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlaken de seréniteit der wouden brak!
Waar hoog met zilvren letters stond geschreevender aarde schoonste en heiligste gedicht,in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht,was niet dan duister neevelgrauw gebleeven,dat onontraadseld, onverstaan, onttooghet woord der bergen aan mijn dorstend oog.
Ik had hen niet verstaan, schoon 'k dag aan dag,in heevige aandacht, 't spel der harmonieënvan wit en grauw, bekleed door draperieënvan zonbeglansde wolkenvacht, bezag,'t steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen,en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen,
als een droefschoone roep om weederzien,onder des heemels zacht verbleekend blauw.Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauwof, angstbeklommen, teevens hun ontvlien.Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dande stem der zee, die zóó ontroeren kan;
maar 't luiden van uw zang is zóó verheeven,en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag,dat ik onmachtig in beklemming draag't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven.En dat bij 't glanslied van uw majesteitmijn hart verwelkt en om verzachting schreit.
Ik zocht in liedren, die de menschen zingen,wat zich het innigst aan uw schoonheid paart,maar er weerklinkt geen menschenzang op aard,die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen.En er ontstond een weemoed, die niet zweemtnaar uw geluk, en is uw Weezen vreemd.
Ik klom toen hoog naar de bezonde weidenwaar, opziend tot den blauwen ether, staankelken van dieper-blauwe gentiaan,waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijdendoor lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind,dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt.
Daar is de waereld als een droomgezichtvan licht en stilte,—booven 't sneeuwwit rondenzich donkerblauw des heemels diepste gronden,en alles laaft zich aan het gouden licht,tot van het schamel gras de teerste sprieten,in roerloos, onverzadelijk genieten.
Daar dronk ik ín een laafnis koel en zuiver,en onderging de gloorie deezer wondren,ik hoorde huivrend de lawinen dondrenin grim'gen afgrond,—en verwon den huiver,tot 'k immermeer verlangend werd te kennenen aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen.
Toen schoot, uit 't Heiligdom dier heldre spanning,de berg-storm los, als een verwoede hond,zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,—en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning.Als bij het toornen van een reus, getergd,fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt.
't Vervaarlijk Lijf van ros en grauw gesteent,door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid,omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.—En ik had niet begreepen,—niet geweend,—mat waren al mijn vragen, al mijn beeden't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden.
Met al den last van leed, om niet gedragen,al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht,smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht,met al wat m' in verwondering doet vragenwat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft,waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,—
met àl de in smart gekeetende gedachten,met al den twijfel, dien geen reede sust,met al de vragen, die in doffe rust't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten,keerde ik weerom, zooals ik was gegaan,en trad met 't oud geduld de doodsche baan.
Dag zonder troost! dag van deemoediging,van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht,waarin het hart moet wenschen wat het ducht,en van 't geduchtste de bespoediging......Totdat een nijpend lieve melodiede vale neevelwade scheurde.... en zie!—
En zie!—toch had de Onkenbre mij gewijden mij een sprank geschonken van zijn krachten,zoodat ik rustig schouwde in dieper schachtendan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd.'k Zag waangestalten vluchten langs de wandenen de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden.
Was 't dâárom dan, dat zoolang bleef geslootenvoor teerder zangen mijn gestrenge mond?Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vondwaarmee voorheen de liefde-liedren vlooten,hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefdeden weeken harte-boodem dieper kliefde?
Vergleeden leeven! lieflijk heuvelland!waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyenoopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyenmet woud en wingert, rossig in den brandvan warme zon,—waar blijde menschen gaan,waar stil en slank de popelreyen staan,
waar van dorpskerkjes vroome klokken galmen,waar vriendlijk volk, geduldig en tevree,als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee,en Zondags dankt in onverstane psalmen,—waar men op heldren dag den sneeuwberg zietals heerlijke oogenlust in ver verschiet,
maar van zijn ijz'ge grimmigheid niet weet;—waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden,maar rust gevonde⁀in liedren en gebeedenen schoone Zaligheid in alle leed....Vergleeden leeven! droefheid zonder naamperst mij, als ik U zie, de lippen saam.
De droefheid van een vader, die vergrijsdin zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlendvan 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlendde pracht der bonte vizioenen prijst.—O bittre glimlach om gewaande prachten!O Vuurhel der verwoestende gedachten!
De glimlach van een martlaar, die vóór de oovenin diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint,en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kindverrukt het spel der vlugge vlammen looven....Gelukkig volk der blijde landen! weetdat al uw waarheid nog verwoesting heet.
Maar ook des vuurs vernietiging is schijn.Het kan de werking van 't bestaande wenden,maar niet des weezens vaste kern doen enden,of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn.Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaandoor wat nóg schooner is, en blijft bestaan.
En weet het, allen! die in zulke beemdenvan dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt,dat ginds het barre Hooggebergt verbeidthet uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden,het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren....De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren.
Gij, die de blindheid kiest, en mij beklaagtom 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen,om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen,uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd.Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten,wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten.
Uw vroomheid is hen schennis en Godslastring,uw liefde haat, uw dankgebed een hoon,als vijand teegen vijand staat hun schoonoover het uwe, en stormen van verbastringzullen verdervend door uw waereld woeden—als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden.
Wreed is de Liefde van wat onverganklijken hoog-verheeven is, en wreeder doethet schijnen wie Zijn zeegening ontmoeten wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk,zoodat hij liefdeloos heet en verblind,naarmaat hij méér, met vaster liefde mint.
En alle trouw aan Hem die niet vergaat,heet ontrouw onder menschen, die niet lijdenwat stoort hun kleine vreede en klein verblijden.Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaaddie na geduldig en hartstochtelijk dingenéén lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen?
Nog eenmaal zie 'k de blank gekante kroonenin klaren dag, in statig kalme pracht,als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht,nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonenhun stralend Heil, omgord door sombre wouden——Gij gaaft, Gebergte!—Ik nam, en zal behouden!
Veel kleine, nijdige dwazenwilden mijn kaarsjen uitblazen,toen werd het in mijn handeen machtige fakkelbrand.
Veel kleine, nijdige dwazenwilden mijn kaarsjen uitblazen,toen werd het in mijn handeen machtige fakkelbrand.
Ik droeg mijn baloorige vrienden't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden.Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd,ze hebben zichzelf nog méér geblameerd.Op 't schande leeger, mij toegedacht,liggen ze zelf eens, niet heel zacht,en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht,van die zelfgespreide beddenin der eeuwigheid niet meer redden.
Ik droeg mijn baloorige vrienden't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden.Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd,ze hebben zichzelf nog méér geblameerd.
Op 't schande leeger, mij toegedacht,liggen ze zelf eens, niet heel zacht,en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht,van die zelfgespreide beddenin der eeuwigheid niet meer redden.
De Dichter is een neuswijs kind,dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt.Hij spreekt met bergen, maan en zonalsof dat alles leeven kon.De Dood zelf lijkt hem een bedrog,zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog.Maar de Natuurgeleerdedoet juist het omgekeerde.Zijn heedendaagsche weetenschapis wonder-slim, en wonder-knap,want die verklaart, met wijsheid groot,het Leeven door den Dood.
De Dichter is een neuswijs kind,dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt.Hij spreekt met bergen, maan en zonalsof dat alles leeven kon.De Dood zelf lijkt hem een bedrog,zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog.
Maar de Natuurgeleerdedoet juist het omgekeerde.Zijn heedendaagsche weetenschapis wonder-slim, en wonder-knap,want die verklaart, met wijsheid groot,het Leeven door den Dood.
De waereld scheen mij zoo droef-bevolkten de weg der menschen zoo'n harde baan,dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkten kommer-beladen door 't leeven te gaan.Maar ik schepte een licht verblijdenuit een bronwel booven de tijden,daarmee wil ik voortaan enk'lender aandachtigsten besprenklen,en de tijden doorschrijden met ligten tred,en ooveral waar ik mijn schreeden zeteen lichtdrop plengen den droeven,maar niet in hun duisternis toeven.
De waereld scheen mij zoo droef-bevolkten de weg der menschen zoo'n harde baan,dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkten kommer-beladen door 't leeven te gaan.
Maar ik schepte een licht verblijdenuit een bronwel booven de tijden,daarmee wil ik voortaan enk'lender aandachtigsten besprenklen,
en de tijden doorschrijden met ligten tred,en ooveral waar ik mijn schreeden zeteen lichtdrop plengen den droeven,maar niet in hun duisternis toeven.
Bladz.Dante en Beatrice.Inleiding 5I-XIV 8XV-XXV 25Andere Verzen.Des Leevens Kern 39Koele Mei-dag 41Schat mijns Harten 42Looverlied 44Alles voor U 46De Staf 49Aan de Groote Dichters 51Shelley's Epipsychidion 54Stem van Génerzijds 57Minnezang 60In memoriam 63Zelfschouw 67Julius Oldach 71De Klok 73Vrees niet 79Op de heuvelen 80Het Gebergte! 83Goede Werking 91Mijn Vrienden 92Dichter en Geleerde 93Besluit 94
[Afbeelding van rug]
De zoomerzon uit violetten dampbeglanst met kooperrooden schijnde blanke vloeden van den Rijn—die gaan door 't volkrijk landin bochten breed en machtig—de stille boomen ter weerskantstaan aan den zacht-bewaasden zoomte spieglen als in droom.Des diepsten Zelfs indachtigzie ik de groote pracht rondom—zoek in der ziele kerngrond om,'t is daar al eeven prachtig.Wat kan er zijnnog bron van pijn?Gij lieven allen die nog lijdt,om mijnentwil in droefheid zijtwaar komt uw smart vandaan?Waart gij maar diep, maar diep gegaanin allerdiepste dieptendes Zelfs, gij vondt er enkel pracht.Ik vond er enkel liefde.Wat heeft u dan tot klacht gebracht?Bestaat er kwaadook zonder haat?Nu zie 'k der menschen wonderwerkde graauwe, goud-bekruiste kerk,een ruigt van spitsen, teer en sterk,aan bleeken horizont.O menschen, hoe hebt gij 't gedaan't Schoon wat ik in mijn binnenst vondzie 'k heerlijk voor mij staan.'t Betrouwen op Gods liefde en rechtvoor eeuwig, machtig uitgezegdin prachtbouw, fijn en hecht.Laat, lieven, allen u verblijen,niet minder vast, niet minder schoonstaat in de ziel uw heil'ge woon.Wat valt er nog te schreyen?
De zoomerzon uit violetten dampbeglanst met kooperrooden schijnde blanke vloeden van den Rijn—die gaan door 't volkrijk landin bochten breed en machtig—de stille boomen ter weerskantstaan aan den zacht-bewaasden zoomte spieglen als in droom.
Des diepsten Zelfs indachtigzie ik de groote pracht rondom—zoek in der ziele kerngrond om,'t is daar al eeven prachtig.Wat kan er zijnnog bron van pijn?
Gij lieven allen die nog lijdt,om mijnentwil in droefheid zijtwaar komt uw smart vandaan?Waart gij maar diep, maar diep gegaanin allerdiepste dieptendes Zelfs, gij vondt er enkel pracht.Ik vond er enkel liefde.
Wat heeft u dan tot klacht gebracht?Bestaat er kwaadook zonder haat?
Nu zie 'k der menschen wonderwerkde graauwe, goud-bekruiste kerk,een ruigt van spitsen, teer en sterk,aan bleeken horizont.
O menschen, hoe hebt gij 't gedaan't Schoon wat ik in mijn binnenst vondzie 'k heerlijk voor mij staan.
't Betrouwen op Gods liefde en rechtvoor eeuwig, machtig uitgezegdin prachtbouw, fijn en hecht.
Laat, lieven, allen u verblijen,niet minder vast, niet minder schoonstaat in de ziel uw heil'ge woon.Wat valt er nog te schreyen?
Blank-glanzende planeetbetuurt aandachtig weeder,strak-fonklend en teeder,mijn stillen avond-weg—alsof zij weet—Gaat hare hooge baan,blij-beezig, zeer verheeven,zelf wel vol moeizaam leeven,doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan.Stelt mij mijn hart gerust,—zóó hoog en zóó ontzachlijk!Scheen 't àl daar-éven hachlijk,—mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust.Haar scherp gekijk behaagtwie eeven klaar durft schouwen,wiens blik niet zal verflaauwendoor 't lastig leeven dat hij lachend draagt.Als zij, mijn glans-planeet,draag ik een volk van zorgen,toch vindt mij elke morgentot strengen gang in heldre vreugd gereed.Wat bergt zij, wonder-ster,voor vreemd, gestaltrijk woelen?Kent zij mijn licht bedoelen?Eens ken ik 't hare—al is zij nóg zoo ver.
Blank-glanzende planeetbetuurt aandachtig weeder,strak-fonklend en teeder,mijn stillen avond-weg—alsof zij weet—
Gaat hare hooge baan,blij-beezig, zeer verheeven,zelf wel vol moeizaam leeven,doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan.
Stelt mij mijn hart gerust,—zóó hoog en zóó ontzachlijk!Scheen 't àl daar-éven hachlijk,—mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust.
Haar scherp gekijk behaagtwie eeven klaar durft schouwen,wiens blik niet zal verflaauwendoor 't lastig leeven dat hij lachend draagt.
Als zij, mijn glans-planeet,draag ik een volk van zorgen,toch vindt mij elke morgentot strengen gang in heldre vreugd gereed.
Wat bergt zij, wonder-ster,voor vreemd, gestaltrijk woelen?Kent zij mijn licht bedoelen?Eens ken ik 't hare—al is zij nóg zoo ver.
Goede verzorgster van de blijde bloemen,die fleurig rond mij staan in elk seizoen,ik blijf uw naam met eender wijding noemenals toen.—In veeler vrienden plaats vond ik een Vader,in meenig scherp gevecht vocht ik mij vrij,maar niemand kwam mijn diepsten hartsgrond naderdan gij.—Mijn leeven staat thans wonderbaar bescheenendoor glans dien gij niet kent en bijna vreest,doch hij vermooit van al ding om mij heenenú 't meest.—Door eigen leed alleen kunt gij mij deerengij doet mij lief, al doet ge mij verdriet,ik moet u goed zijn, of ik 't zou begeerenof niet.—Zoo pleeg met mij in bloeme⁀en kindren beidende schoonheid waar ons beider hart in leeft,en wat ik u onwillig heb doen lijden,vergeef 't!—
Goede verzorgster van de blijde bloemen,die fleurig rond mij staan in elk seizoen,ik blijf uw naam met eender wijding noemenals toen.—
In veeler vrienden plaats vond ik een Vader,in meenig scherp gevecht vocht ik mij vrij,maar niemand kwam mijn diepsten hartsgrond naderdan gij.—
Mijn leeven staat thans wonderbaar bescheenendoor glans dien gij niet kent en bijna vreest,doch hij vermooit van al ding om mij heenenú 't meest.—
Door eigen leed alleen kunt gij mij deerengij doet mij lief, al doet ge mij verdriet,ik moet u goed zijn, of ik 't zou begeerenof niet.—
Zoo pleeg met mij in bloeme⁀en kindren beidende schoonheid waar ons beider hart in leeft,en wat ik u onwillig heb doen lijden,vergeef 't!—
EEN LIED IN HEBREEUWSCHEN DICHTVORM.
Den eine Lilie blühet über Berg und Thal,an allen Enden der Erde. Wer da suchet derfindet.
Boehme.
Aan de schimmen van Beethoven en Bach.
O mijn Broeders, en mijn Heiligen!Mijn aldernaasten—bij God mijn bemiddelaars!Als een eenzame wijlt mijn ziel onder eenzamen,wie onder de leevenden kent mijn hart?En God's aangezicht zal ik, leevende, niet zien,Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid.Want mijn onvergolden schuld is nog te geweldigen te machtig zijn om mij de handen mijner zonde.Onder lig ik, als een worstelaar, 't gelaat op de aarde,tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden.Daarom roep ik u, mijn Broeders, mijn aldernaasten,dat gij mijn geroep opdraagt tot onzen God.In de hallen des nachts stond ik en wrong mijn handen,in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet.En ik riep, maar mijn stem kon om hun hoogte de welvingen niet aanraken,ik riep: "Bach!" en nogmaals riep ik; "Bach!"Want ik zocht u, ik, de nog in den lijve leevende,ik zocht u, Broeders, die droomt in glansrijke eeuwigheid...Daar waar het gaan der dagen niet meer bemerkt wordt,waar de eeuwen rondom staan als kaarse-vlammen om 't altaar,waar gij zweeft in sfeeren wichtloos, wilde ik koomenzachtkens, en op uw hart leggen mijn schuchtere handen.Ik haat mijn lippen die dit gerucht maken,ik verwerp deeze onnut luidende woorden.Want zij gaan onvast achter uw statige liederen,als de stap eens doods-bedroefden achter de lijkbaar.Omdat ik dronken ben van uw eevenmaat,en een geslagene door uw harmonieën.Ach, wat is het spreeken in beelden!Wat is het doen luiden van lucht door keel of snaren!Achter dat, diep daarachter is het onnoembare.Wat is het? Wel u! gij zaligen, die het beseffen kunt.Het is dansen, maar de dansers zijn er niet.Het is beweegen, maar wie is 't die beweegt?Het is spreeken, maar wat wordt gezegd?De ooren verstaan, 't hart schreit om méér verstand.Ik riep in de droomhallen, maar er was niemand.Ik ging eindloos voort, maar de vreemdsoortige steenen zweegen,Toen keerde ik weeder naar mijn slapende lijf,ik zag het liggen, klam van gelatenheid.En de dag wachtte, de koele, blanke jongeling,welgemoed wachtte de morgen, onverschillige cipier.Maar somwijlen—roep ik ze in mijn droom, de genieën des lieds,de engelen die u dienden roep ik dan machtiglijk.Ik roep ze en zij koomen, en ze dienen ook mij,zij zingen en beweegen hun bevallige handen.Zoo weet gij dat ik uw broeder ben,en gij wilt mij wel kennen, arm en klein als ik ben.Schaamt u niet oover mij, om dit stamelen,veracht mij niet, omdat ik te zwijgen niet vermocht.Hebt gij ook niet het alledaagsche gedaan?Hebt gij dan van uw verachtelijk praten nooit gewalgd?Nu zijn de woorden verwaaid als papier-asch,maar in rein-gegloeid gouden vlechtwerk van melodieën ligt uwer ziel zacht gebed.Om mijn naasten is 't dat ik spreeken moet—om den arme praat ik; die smacht en geen recht vindt,om den arme wiens ziel verschrompeld in kommernis,om den rijke die zijn ziel vergiftigt met ongerechtigheid.En ik praat, mijn hart ziedt, maar ik praat zachtkens,ik leid mijn woorden, als een geduldig meester de kinderkens.Met ijzeren toom houdt mijn liefde ze bedwongen,ik schik ze bedachtsaam en vol zorg, want de arme smacht.Een lantaarn oopen ik een handbreed voor der dwazen oogen,honderd vuuren bouw ik rond hen, en ze zeggen: "wie ziet er wat?"Ik luid de noodklok booven hun hoofden,den doorn der waarheid plant ik in hun borst.In tranen buig ik mij tot hun zweeren,de kleeren mijner trots scheur ik, wijl zij naakt zijn.Mijn stem is schor van zeggen en zij lachen,mijn lippen beeven, en zij roepen: "zing fraayer!"Maar dan, o mijn Broeders,dan, in de dagen van verbittering,ontmoet ik een zachte vlaag uwer schoonheid,uw geest die nog omwaart onder 't droeve geslacht.Uw lied hebt gij scheidend den menschen gelaten,in zwarte teekenen geboekt houden zij het.Uit aldoor stinkender poel rijst het zuiverlijk,ooveral leeft het, onaangetast, in zeeën van leelijkheid.Als de rooke eener veldbloem in vunze achterbuurt,als een verdoolde vlinder in bloedig-donker slachthuis,als het koeren eener woudduive in beurs-gezwatel,als het donder-gromlen booven het gejoel eener dorpskermis.Zoo blijft gij, herauten Gods, zijn heerlijkheid handhaven,zijn licht doet gij eerbiedigen in helsche duisternis.Waarlijk mag ik u heilgen noemen,priesters noem ik u en bemiddelaars,Zie de lieden saamkoomen, hun denken is nietigheid,hun hart is laf, hun ziel uitgedoofd, loogen kwijlt hun mond.Maar dan doen ze de doode teekenen leevenen Gods waarheid licht óp uit leevenloos hout en snaren.Al is hervonden voor een wijle, geloof en kennis,weer weet ik, hoe alles goed is wat is, om Godswil.Van uit uw doodsrust beweegt ge dan de leevenden—van uit uw zaligdom zendt gij de roozen uwer goedheid nog.Met zacht verwonden windselen stelpt gij mijn bloeden,liefelijk omstrengelen de melodieën mijne ziel.De blinkende mantel van uw liefde oopent wijd—vertrouwelijk ligt mijn hoofd in uw schouderholte.Waar de vloeren zijn, en de muuren, en de banken,waar al het geziene en getaste is, rondom,daar is een andere waereld, terzelfder uure,daar is een groote, wijde zee, terzelfder plaatse,daaroover zweef ik veilig, rondom in 't prachtige,in gouden schoonheidslicht, werkelijker dan werkelijkheid.Want deze leelijke waereld is een bange droomhet getaste en geziene is schim en ijdelheid,maar de schoonheid staat er midden doorheen waarachtiglijk,op deeze plaatsen, waar wij zijn, bestaan weezenlijker dingen.Wat is het dan toch dat spreekt? Van waar die stemmen?Hoor ik er niet die elkander vragen en elkander antwoorden?Gij zijt het niet, mijn Broeders, gij waart enkel, zij zijn veelen,gij spreekt één na d'ander, zij gelijkelijk, zonder verwarring.Omspannen zij niet ruimte en tijd in geslooten hand?Zien niet hun oogen de toekomst en elkanders harten?Want hun stemmen worden tot één ding, zonder voorafspraak,en spreekende, weet elk wat de ander zeggen zal.Als dit niet het leeven der engelen is, wat is het?Door u spreeken de gelukzaligen tot ons.Hun kristallen wooning staat vast en waarachtigdwars door onze huizen en kamers, die vaag als damp zijn.Hun glans-gestalten beweegen door onze lichamenals stoomschepen door neevelen des morgens op vlakke zee.Zie, ik word ouder, het weeke verhardt in mij,vast en rimpelig word ik, als een jonge boom die hout maakt.in mijnen groei volhard ik strammiger,ik kan niet leenig meer zwiepen met den wind.Maar mijn bloemen zijn fijn en zoet-rookig als van oudsen al mijn bladeren lispelen eeven teeder in laauwen wind.Zoodanig mijn stam gegroeid is kan ik niet meer veranderen,het gekromde kan ik niet meer recht maken in mij.Maar mijn leevende twijgen bidden om vergeeving, telken jare,en mijn bladeren beweenen mijne zonden.De eene mensch is mij zooveel liever niet meer dan de andereen den weekhartige ben ik tot aanstoot.Maar verder gaat de geur mijner bloemen,verder gaan mijne zaden en mijn schaduwen.Grooter zijn mijn verrukkingenen het licht des heemels ken ik beeter.Zoo voert dan mijn stem op, gij machtigen in licht!wat ik fluister teegen de aarde, zingt het onzen Vader,den dank uws broeders, die de lavingen geproefd heeft,het zoet dat gij van Hem in mijnen mond hebt gelegd.Veele schulden zijn mij kwijtgescholdenen uw bericht omtrent Zijn erbarmen heb ik verstaan.Maar ook het brood des doods zou ik willens gegeeten hebben,volhardend in dankbaarheid.Want ben ik niet Goodes, God kennende?En zal Hij zichzelven vernietigen?Doch weest gij mijn fakkel, en mijn vóórspraak,mijn adem, en mijn marmer-treeden,mijn licht-toorens, mijn sterke scheepen,mijn beeken langs den weg, mijn vertrouwelingen.Want mijn ziel wijlt als eene eenzame onder eenzamenen wie is er van de leevenden die mijn hart kent?
O mijn Broeders, en mijn Heiligen!Mijn aldernaasten—bij God mijn bemiddelaars!
Als een eenzame wijlt mijn ziel onder eenzamen,wie onder de leevenden kent mijn hart?
En God's aangezicht zal ik, leevende, niet zien,Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid.
Want mijn onvergolden schuld is nog te geweldigen te machtig zijn om mij de handen mijner zonde.
Onder lig ik, als een worstelaar, 't gelaat op de aarde,tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden.
Daarom roep ik u, mijn Broeders, mijn aldernaasten,dat gij mijn geroep opdraagt tot onzen God.
In de hallen des nachts stond ik en wrong mijn handen,in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet.
En ik riep, maar mijn stem kon om hun hoogte de welvingen niet aanraken,ik riep: "Bach!" en nogmaals riep ik; "Bach!"
Want ik zocht u, ik, de nog in den lijve leevende,ik zocht u, Broeders, die droomt in glansrijke eeuwigheid...
Daar waar het gaan der dagen niet meer bemerkt wordt,waar de eeuwen rondom staan als kaarse-vlammen om 't altaar,
waar gij zweeft in sfeeren wichtloos, wilde ik koomenzachtkens, en op uw hart leggen mijn schuchtere handen.
Ik haat mijn lippen die dit gerucht maken,ik verwerp deeze onnut luidende woorden.
Want zij gaan onvast achter uw statige liederen,als de stap eens doods-bedroefden achter de lijkbaar.
Omdat ik dronken ben van uw eevenmaat,en een geslagene door uw harmonieën.
Ach, wat is het spreeken in beelden!Wat is het doen luiden van lucht door keel of snaren!
Achter dat, diep daarachter is het onnoembare.Wat is het? Wel u! gij zaligen, die het beseffen kunt.
Het is dansen, maar de dansers zijn er niet.Het is beweegen, maar wie is 't die beweegt?
Het is spreeken, maar wat wordt gezegd?De ooren verstaan, 't hart schreit om méér verstand.
Ik riep in de droomhallen, maar er was niemand.Ik ging eindloos voort, maar de vreemdsoortige steenen zweegen,
Toen keerde ik weeder naar mijn slapende lijf,ik zag het liggen, klam van gelatenheid.
En de dag wachtte, de koele, blanke jongeling,welgemoed wachtte de morgen, onverschillige cipier.
Maar somwijlen—roep ik ze in mijn droom, de genieën des lieds,de engelen die u dienden roep ik dan machtiglijk.
Ik roep ze en zij koomen, en ze dienen ook mij,zij zingen en beweegen hun bevallige handen.
Zoo weet gij dat ik uw broeder ben,en gij wilt mij wel kennen, arm en klein als ik ben.
Schaamt u niet oover mij, om dit stamelen,veracht mij niet, omdat ik te zwijgen niet vermocht.
Hebt gij ook niet het alledaagsche gedaan?Hebt gij dan van uw verachtelijk praten nooit gewalgd?
Nu zijn de woorden verwaaid als papier-asch,maar in rein-gegloeid gouden vlechtwerk van melodieën ligt uwer ziel zacht gebed.
Om mijn naasten is 't dat ik spreeken moet—om den arme praat ik; die smacht en geen recht vindt,
om den arme wiens ziel verschrompeld in kommernis,om den rijke die zijn ziel vergiftigt met ongerechtigheid.
En ik praat, mijn hart ziedt, maar ik praat zachtkens,ik leid mijn woorden, als een geduldig meester de kinderkens.
Met ijzeren toom houdt mijn liefde ze bedwongen,ik schik ze bedachtsaam en vol zorg, want de arme smacht.
Een lantaarn oopen ik een handbreed voor der dwazen oogen,honderd vuuren bouw ik rond hen, en ze zeggen: "wie ziet er wat?"
Ik luid de noodklok booven hun hoofden,den doorn der waarheid plant ik in hun borst.
In tranen buig ik mij tot hun zweeren,de kleeren mijner trots scheur ik, wijl zij naakt zijn.
Mijn stem is schor van zeggen en zij lachen,mijn lippen beeven, en zij roepen: "zing fraayer!"
Maar dan, o mijn Broeders,dan, in de dagen van verbittering,ontmoet ik een zachte vlaag uwer schoonheid,uw geest die nog omwaart onder 't droeve geslacht.
Uw lied hebt gij scheidend den menschen gelaten,in zwarte teekenen geboekt houden zij het.
Uit aldoor stinkender poel rijst het zuiverlijk,ooveral leeft het, onaangetast, in zeeën van leelijkheid.
Als de rooke eener veldbloem in vunze achterbuurt,als een verdoolde vlinder in bloedig-donker slachthuis,
als het koeren eener woudduive in beurs-gezwatel,als het donder-gromlen booven het gejoel eener dorpskermis.
Zoo blijft gij, herauten Gods, zijn heerlijkheid handhaven,zijn licht doet gij eerbiedigen in helsche duisternis.
Waarlijk mag ik u heilgen noemen,priesters noem ik u en bemiddelaars,
Zie de lieden saamkoomen, hun denken is nietigheid,hun hart is laf, hun ziel uitgedoofd, loogen kwijlt hun mond.
Maar dan doen ze de doode teekenen leevenen Gods waarheid licht óp uit leevenloos hout en snaren.
Al is hervonden voor een wijle, geloof en kennis,weer weet ik, hoe alles goed is wat is, om Godswil.
Van uit uw doodsrust beweegt ge dan de leevenden—van uit uw zaligdom zendt gij de roozen uwer goedheid nog.
Met zacht verwonden windselen stelpt gij mijn bloeden,liefelijk omstrengelen de melodieën mijne ziel.
De blinkende mantel van uw liefde oopent wijd—vertrouwelijk ligt mijn hoofd in uw schouderholte.
Waar de vloeren zijn, en de muuren, en de banken,waar al het geziene en getaste is, rondom,
daar is een andere waereld, terzelfder uure,daar is een groote, wijde zee, terzelfder plaatse,
daaroover zweef ik veilig, rondom in 't prachtige,in gouden schoonheidslicht, werkelijker dan werkelijkheid.
Want deze leelijke waereld is een bange droomhet getaste en geziene is schim en ijdelheid,
maar de schoonheid staat er midden doorheen waarachtiglijk,op deeze plaatsen, waar wij zijn, bestaan weezenlijker dingen.
Wat is het dan toch dat spreekt? Van waar die stemmen?Hoor ik er niet die elkander vragen en elkander antwoorden?
Gij zijt het niet, mijn Broeders, gij waart enkel, zij zijn veelen,gij spreekt één na d'ander, zij gelijkelijk, zonder verwarring.
Omspannen zij niet ruimte en tijd in geslooten hand?Zien niet hun oogen de toekomst en elkanders harten?
Want hun stemmen worden tot één ding, zonder voorafspraak,en spreekende, weet elk wat de ander zeggen zal.
Als dit niet het leeven der engelen is, wat is het?Door u spreeken de gelukzaligen tot ons.
Hun kristallen wooning staat vast en waarachtigdwars door onze huizen en kamers, die vaag als damp zijn.
Hun glans-gestalten beweegen door onze lichamenals stoomschepen door neevelen des morgens op vlakke zee.
Zie, ik word ouder, het weeke verhardt in mij,vast en rimpelig word ik, als een jonge boom die hout maakt.
in mijnen groei volhard ik strammiger,ik kan niet leenig meer zwiepen met den wind.
Maar mijn bloemen zijn fijn en zoet-rookig als van oudsen al mijn bladeren lispelen eeven teeder in laauwen wind.
Zoodanig mijn stam gegroeid is kan ik niet meer veranderen,het gekromde kan ik niet meer recht maken in mij.
Maar mijn leevende twijgen bidden om vergeeving, telken jare,en mijn bladeren beweenen mijne zonden.
De eene mensch is mij zooveel liever niet meer dan de andereen den weekhartige ben ik tot aanstoot.
Maar verder gaat de geur mijner bloemen,verder gaan mijne zaden en mijn schaduwen.
Grooter zijn mijn verrukkingenen het licht des heemels ken ik beeter.
Zoo voert dan mijn stem op, gij machtigen in licht!wat ik fluister teegen de aarde, zingt het onzen Vader,
den dank uws broeders, die de lavingen geproefd heeft,het zoet dat gij van Hem in mijnen mond hebt gelegd.
Veele schulden zijn mij kwijtgescholdenen uw bericht omtrent Zijn erbarmen heb ik verstaan.
Maar ook het brood des doods zou ik willens gegeeten hebben,volhardend in dankbaarheid.
Want ben ik niet Goodes, God kennende?En zal Hij zichzelven vernietigen?
Doch weest gij mijn fakkel, en mijn vóórspraak,mijn adem, en mijn marmer-treeden,
mijn licht-toorens, mijn sterke scheepen,mijn beeken langs den weg, mijn vertrouwelingen.
Want mijn ziel wijlt als eene eenzame onder eenzamenen wie is er van de leevenden die mijn hart kent?
Hoe ben ik beschaamd, ik wou zacht spreeken,mijn waan brak, ik ben verneederd, en zoo gelukkig.Met gevouwen handen in mijnen schoot zat ik neer,omhoog ziend als wie een schat kreeg uit den heemel.Trotsert, zeide mijn hart, zul je wéér groot doen?Zul je wéér spreeken als een machtige oover zichzelf?Ik lig neergeslagen als het graanveld na slag-reegen,langsaam maar heft God's goede zon mij op.Langsaam vervliegen in zijn licht de zware schitterende droppen,de zoete tranen mijner verneederingWat weeten wij, dwalers, neuswijze kinderen,wat kennen wij onzer eigene domeinen?In wat woordpraal wanen we beslooten onze ziel?Een kind hoort wel de gansche zee zelf in een kinkhoorn.Op ons onmeetelijk weezen groeyen de kleine gedachten,zooals kleine kruiden en mos op eeuwige gebergten.Luid verkonden wij onze meeningen en besluiten,zeggend: "Ik ben, ik wil, ik weet, ik doe."Maar het gevaarte onzes weezens weet hiervan niet.Ziet men 't mos op de bergen, als ze strak blinken aan blaauwen horizon?Waar is ik? Wie is de ik-zegger die recht heeft?Voorwaar, er zal geen ik-zegger zijn buiten God.De mensch zegt: ik wil, maar in hem wil de Eeuwige.Wie zijn Zelf vatten wil, zijn hand tast in de oneindigheid.Inwaarts tuurend door-ijlt onze blik de grondloozein zich kookerende verschieten, al heller en inniger,waaraan geen einde is.Ik riep omhoog als een eenzame zonder verwachting—Hoezeer heeft het antwoord mij beschaamd!En ik zeide Gods aangezicht niet te zullen zien.Ik keek op van 't geschreevene, en zie! waar was Hij niet?Ik zag Hem bij nacht en bij dag, in droom en in waken.Ik zag Hem in't weemelend water, in de grashalmen voor mijn venster.Ik zag Hem in 't licht der maan, ik zag Hem in de duisternis,Zijn antwoord was in 't voogelzingen, ik hoorde Hem in de stilte.In de eenzame stilte, als alleen 't bloed spreekt.De vlinder heeft mij van hem gesprooken en de morgenzonDe bevonkte heemelen antwoordden, de verbazenden.De storm sprak, ook het fluisteren der liefste was van Hem.Zie, der teere bloemen fijn uitgebeelde kleur-gedachten,om Hem alleen zijn zij aanbiddelijk.Ik wist het alles, maar ik wist het toch niet.Want ik zocht Hem immers waar mijn oogen niet reiken.Dwaas, die in 't leedig staarde!Zijn volheid omringt mij toch als den visch het water.Maar wij willen Hem niet zoeken waar hij zich te kennen geeft.Wij willen de heemelsche gloeden en de oopenbaringen terstond.Het lofzingen zijner Engelen willen wij hooren,Zijn lichttroon willen wij zien gevest in des Heelal's midden.Met deeze handen van vleesch willen wij het eeuwige tasten,Ons bevreedigt niet de vreugde van 't voorbijgaandeToch heeft hij ons alleen deeze vreugden gegeevenopdat wij Hem er in kennen zouden, en anders niet.Hebben wij niet de lichte velden en het koele water,de mooye bloemen naast ons en de geurige vruchten,de dieren met hun wonderbaar weezen, elk een schoon raadsel,de geheimen der natuurkracht, zoet om te doorgronden,de eindelooze ruimte vol waerelden,bevolkt met vreemde verbeeldingen.en het heerlijke begrip en de muziek,en elkander—O de liefde hebben wij immers!Daarin alleen vinden wij Hem,ooveral waar vreugd zeer heerlijk is en verheeven.Waar wij lust vinden die sterker maakt en verheft,waar wij de zielen voelen groeyen en stijgen in vreede.Want Hij is licht en vreugdrijk, Zijn weezen is zaligheid,smart is waar Hij niet is, lijden is gebrek aan Hem.Daarom lijden zoozeer wie Hem 't meest begeeren,dan komt Hij, hun heilige smart verkeerend in zaligheid.Mijn hand trilt en van tranen zie ik 't geschreevene nietomdat Hij mij zeggen laat meer dan ik wist te weeten,omdat ik Hem zoo goed kan noemen, die mij zoo geslagen heeft,omdat ik, de met zooveel smart gezeegende, Hem zoo danken moet.In den nacht heb ik wel getwijfeld, in de naargeestige uuren,maar hoe mijn gedachten zwerven, mijn hand schrijft geloof.Zijn stem gaat door mijn lippen, ze reinigend,verkwikt sta ik op van 't schrijven, glanzend mijn oogen.Wij hoogmoedigen twijfelen, omdat vreugden vlieden.Is God dan in 't vergankelijke?—En wat is er meer?Maar de neederige leert zien hoe niets vergaat,hij leert het altijd-duurende erkennen in 't vergankelijke.De hoogmoedige vertrapt de teere schatten om hem,door zijn vloeken hoort hij Gods zachte roepstem niet.Maar wie de lijnen en kleuren eener bloem leerde liefhebbentot hem heeft God gesprooken, als de meester tot een aandachtig kind.En wie de schoonheid der avondstonden voelde tot hij schreide,voorwaar! Gods eigen hand is hem zeegenend op 't hoofd gelegd.Maar wie verrukt is geweest door gansch onzelfzuchtige liefde,die zijn eevenmensch bemind heeft in festijnen van vreugde,ja, hem heeft God zelf de lippen gekust,hij heeft het vaderhart des Eeuwigen voelen kloppen.Weest toch niet bang en verlaat u maar, goed-willigen,waar zeer groote vreede is en vreugde, daar vindt gij Hem.In heilige boeken heeft Hij zijn wet doen staven,maar in elk hart schreef hij ze nog eens, méér kennelijk.Met letters van lichtspreidende pijn,vuurige woorden van felle heerlijkheid.Acht het niet, wat menschen goed noemen en wat slecht,laat u niet meedesleepen en niet verschrikken,maar geeft acht op het innerlijk gericht,vraagt de bevestiging van Gods eigen mond.Hij spreekt zacht maar kennelijk,aan sterke vreugde en rust zult gij Zijn woorden kennen.Doch hij spreekt niet tot wie zelfzuchtig is en bevreesd.In den storm van hartstocht verstomt Zijn geluid.Door de poorten der verneedering komt Hij ons hart binnen.Vreest niets en verlangt niets en alles geeft Hij u.Laat los, bangelijken, oopent de krampachtige handen!Laat los tijdelijk houvast, vertrouwt u moedig aan het eeuwigeVolgt aandachtig en geduldig, ziet niet angstig achterom,zoo gij dwaalt, Hij zal u door smart terechtwijzen.Zoo gaat blij en onverschrokken, zijn heerlijkheeden zoekend,vreest zijn terechtwijzing niet, noch ontwijkt ze.De menschen zullen u waarschuuwen en hatenmaar God zal u troost geeven en macht oover hun boosheid.Gaat als een wandelaar, die 's morgens uittrekt naar mooye, onbekende landen,gaat als een voogel die al zingende omhoog stijgt.Hoe gemakkelijk is het zingen in den morgenvoor wie Gods lichte werken in zich heeft.Hij vindt zonder zoeken, hij is echo van Zijn stem,hij vertelt het gebeurende als een blij kind.De wonderen staan zoo duidelijk voor zijn oogen.Zij zeggen: "hier ben ik!" noemend hunnen naam.Tot mooi-spreeken spant hij zich niet,zijn gedachten zijn gezangen, welluid is zijn zelf-gesprek.De menschen verlieten mij, de een na den ander,veelen heb ik vriend genoemd. Waar zijn nu mijn vrienden?Waar vind ik wijdheid van vertrouwen, dag aan dag?Ook die mij 't zeerst liefhebben beklagen zich oover mij.Omdat ik naauwkeuriger acht geef op het waarachtige,omdat ik stoutmoediger waag te doen wat mij recht schijnt.Maar waarlijk de Eenige heeft mij niet teleurgesteld,mijn ziel is gelaten, mijn geluk stijgt dag aan dag.Toch heb ik nu eerst al mijn zonden gezien,opdoemend als rotsen rondom een schip in neevel.Daaraan moest ik te pletter gaan, dacht mij.Ik boog het hoofd geduldig, ik genoot den kwaden roep.En zie! in veilige haven ben ik gevoerd,rein ben ik, als toen ik gebaad was op den dag mijner geboorte.O mijn Vader, vaak heb ik van wonderen gesprooken,hoe anders zijn ze, nu ik ze waarachtig gebeuren zie.Zoo is het ontmoeten van wijdvermaarde menschen,zij bedroeven de verwachting, maar de droefheid wordt beschaamd.Onze denk-beelden zijn grof en ontoereikend,maar het Zijnde is ontzachlijk en zeer subtiel,Hoelang reeds niet weet ik wat wij noodig hebben!Ik wist het immers toen ik als knaapje naar school ging?Vroome wijsheid behoeven wij, maar wie kent den weg er heen?Nu ik in mijnen middag sta, nu eerst ken ik den weg.De morgen verging, het schoone leeven neigde ten avond,nog was de weg niet gevonden, en het doel zoo ver, zoo ver.Nu is mijn tred vast, mijn ziel rustig—maar ach! wie vergoedt den verlooren tijd?Nu weet ik hoe de vroome wijze te leeven heeft,zijn zwaren gang weet ik—en zijn onvergelijkelijke zeegeningen.Nu weet ik waar de wateren des leevens vloeyen,nu weet ik waar zij bloeit, de passie-looze Leelie,de heilige bloem der vroome wijsheid,die macht geeft oover het kwade en oover den dood.Maar helaas, het is nog ver!En hoeveel zijn de dagen die mij resten?Hoe wordt het schoone en heilige leeven nog misbruikt!Hoe vermorsen wij jammerlijk onze kostbaarheid!Wij verkwisten ons duurste goed als onnoozele kinderen,als het domme vee dat zijn voer vertrapt,En toch is in ons bereik een leeven vol heerlijkheid,de macht tot allerhoogste zeegeningen is ons geschonken.De deur staat oopen tot wat alle droom en hoope oovertreft,tot vreede en geluk op aarde en zaligheid in den heemel.Zijn onze verbeeldingen niet schamel en klein?Is ons denken niet armzaliger dan het bestaande?Wie zal dan zijn hoope schooner wanen dan de werkelijkheid?Wie zal Gods Heerlijkheeden in verbeelding te booven kunnen gaan?Heerlijk, heerlijk is het leeven des vroom-wijzen.In het leeven vindt hij zeegen, met den dood neemt hij genoegen.Leevende zoekt hij de schatten die hij in sterven behouden zal,hij ontvangt van 't Leeven wat de Dood niet ontneemt,Hij gaat door zijn dagen als een blijmoedig strijder.In zijn nachten proeft hij den voorsmaak van Gods belooning.Het lijden weerstaat hij als een held.als een reiziger die den straatroover oovermant en bindt.Zijn blikken zijn als vuur, verzengend het slechte en leelijke,de schoonheid schittert hem teegen waarheen hij schouwt.Hij gaat door de droeve straten, de vuile achterbuurten.maar de zwaarmoed smelt voor zijn oogen als ijzel.Waar hij zijn hand oplegt, daar vliedt de doodsvrees,het leeven wordt gesterkt en het geluk ontbloeit.Hij weerstaat het kwade niet, maar het verwelkt voor zijn aanweezen,het kan niet zijn waar hij is, door een Gods-wonder.Hij leert te zien het waarachtige, maar het droeve en sombere niet,want het waarachtige is vreugd en schoonheid, en is in alles.Toch voelt hij alle lijden en is niet hard,hij lijdt om den onweetende, den hartstochtelijke, den schijn-vroome.Want hij weet dat hij niet zalig kan worden alleen,hij wil niet de meerdere zijn booven zijn broeders.Maar in een feest van veelen zou hij gelukkig zijn,zijn wijsheid is een brandpunt van veele stralen lichts.Zijn hartstochten zijn niet in hem verlooren gegaan,maar bedwongen tot staat van leevendiger spankracht.Zooals bedwongen beweeging tot hitte wordt, daarna tot licht,zoo wordt zijn hartstocht stil en glansspreidend.In sooberheid leeft hij en zeer groote reinheid,door zorgvuldige orde leeft hij dubbel.Geen zuivere vreugde is hem te gering,verheeven is hij door natuurlijkheid.Hij beijvert zich niet goed te doen,hij doet goed zooals 't water omlaag vliet.Hij legt zich niet toe op volmaaktheid,maar God zeer liefhebbend wordt hij van zelve volmaakt.Hij wenscht voor zich geen deugden noch zeegening,God wenscht hij te gerieven, als zijn eenigsten, liefsten vriend.Zoo koomen deugd en zeegen zijns ondanks,uit nooddruft ontstralen hem blijmoed en goede werken.De Schepper aller waereld is zijn innige vertrouwde,Hem kent hij beeter dan vader, moeder, liefste of kind.Van uur tot uur leeft hij met hem,in bangen en langen, in verrukking en beproeving.Hoe kennen wij onze lieven? wie heeft een ganschen mensch gezien?Huid en oogen zien wij, wij voelen handen en hooren stem.Maar de gansche mensch is onzen zinnen een verborgenheid.Niets weeten wij van hem dan door bemiddeling.Zouden wij dan niet eevenzeer onzen God kennen,schoon wij niets van Hem weeten dan door bemiddeling?En tot den vroom-wijze spreekt hij zeer onmiddelijk,ja, meer onmiddelijk dan vader, moeder, liefste of kind.En zooals een vriend den lieven vriend meedeelt van het zijne,zoo geeft God van zijn eigenheeden aan wie zijn vriend is.Van zijn goedheid geeft hij, van zijn vreede, van zijn zaligheid,van zijn macht oover het kwade, van zijn kennis aller dingen,ja, van zijn scheppingsmacht deelt hij meede.Den mensch, zijn maaksel, maakt hij tot maker.Maar wat ons lijfje is in de ruimte vol zonnen en waerelden,dat zijn onze gedachtetjes in Gods gedachte.Zie het vuurige zonnelijf door den befloersten kijker,met zijn vlekken en vlammen, zijn aureolen.zijn donkere kolken, zijn wervelstormen van vuur,zijn ziedend rond-zwierende gloed-oceanen, zijn licht-orkanen,zijn getakte vlam-fakkels millioenen mijlen hoog,zijn hitte-sfeeren waarin de rotssteen vluchtig moet zijn.Wij aanschouwen vlokken en kooksels en uitzwalpingen.Sombere holten waarin duizend waerelden verzwinden kunnen.Het is alles vervaarlijk, onbegrijpelijk, wij hooren geen geluid,verblindend is het en doodstil, schijnbaar onbeweegelijk.Maar wee ons! zoo het gehoord kon worden, wat ware het geluid!Wee ons! wat ware de snelheid zoo wij nabij waren!Aanschouw het langen tijd, verdiep u in het onbegrijpbareNochthans bestaat het, niet ééns, maar eindeloos veel malen.Zooals dit stoffelijk bestaan is voor ons stoffelijk bestaan,méér onbegrijpbaar nog is Gods geestelijk weezen voor het onze.Doch ons klein lijf kent de geweldige zon als mild en liefelijk.Dierbaar is zij ons en vertrouwd.—Wat dan der ziel?Zoo leeft de vroomwijze met den almachtige in vertrouwd verkeer.Hoezeer verheeven, niemand geringer vertrouwt hij gansch.Vol geheimzinnige leidingen is ons leeven.Onkenbare machten omringen ons met invloeden.Ooveral, ook hier om ons, zijn ontelbare schepselen,Engelen en démonen, heilige en ellendige.Welke dwaas acht zich de hoogste creatuur?Zou er geen schepsel meer zijn tusschen mensch en God?Maar de vroom-wijze betrouwt God alleen en vreest niet.Hoe anders zou hij heilig van onheilig onderkennen?In het land der droomen beweegt hij zich welbewust en willekeurig.Tempels en melodieën schept hij er door zijn woord.Hij ziet de démonen en de geesten,de gevaarlijken doet hij wijken in naam van God.Licht-glimpen krijgt hij er van verborgen kennis,van de dingen die ver weg zijn, van de dingen der toekomst.Want de droomwaereld is de waereld waarin ziel en lijf gescheiden zijn,waarin tijd en ruimte verwijderde dingen worden.Zoo leeft hij 's nachts in den scheemerenden voorhof van 't génerzijds.beproevend de toeneemende krachten zijner ziel.Maar ook wakend zal er kracht van hem uitgaan,zal hij booze machten beheerschen en het verborgene gewaarworden,onder heiligen invloed schoone kunstwerken scheppen,zieken geneezen, zwaarmoedigen beweegen tot geduld.Maar al zijn macht is in zijn liefde tot den Volstrekten,hij helpt alleen waar hij die liefde meedeelt.Die liefde moet hij voelen zooals het lijf hitte voelt of pijn,zoo echt en werkelijk, als het groote gevoel zijns leevens.De kiem deezer liefde is oprechtheid onverbiddelijk,wie de waarheid liefheeft bemint God immers reeds?Wie zondigt in oprechtheid, voor hem is vergeeving,ja, wie Satan liefhad in oprechtheid, zijn eind zou bij God zijn.Wie zijn waarachtigen aard deemoediglijk volgen durft, hij zal terechtkoomen,maar wie booven zijn macht grijpt valt in duivels hand.De wijze erkent zijn zwakheeden en kinderlijke begeerten,hij zal niet trachten te leeven als een volmaakte,Hij ooverspant zich niet tot onnatuurlijke heiligheid.Hij zegt neederig: "ach! ware ik beeter, maar zóó ben ik".Alleen door liefde tot waarheid wil hij beeter worden,zoo wordt eens het heilige leeven hem natuur.Hij zal durven doen wat alle waereld zonde heet,zeggend: "ik weet niet beeter, God straffe mij dan zoo ik dwaal".Om God noch mensch zal hij zijn weezen verkrachten,weetend dat niemand met vóórwending gediend is.De echtheid van zijn gevoel herproeft hij vóór alles.Zelf-bedrog vreest hij als de eigenlijke hel.Waren niet gansche menschgeslachten in de macht der loogen?Maar in elken enkeling wordt de waarheid herbooren.Zoo zal hij zijn innerlijk weezen zuiver houden,als nieuwe leevens-bron en schatkamer der waarheid.Er zijn er die vragen: Waar is God? Hoe zal ik Hem kennen?En kan men zichzelf deeze liefde gebieden?Maar woorden kunnen niets brengen waar niets is.Een lamp der erkentenis zijn ze in verborgen schatkelders.Neemt mijn lamp en doorzoekt uw binnenste,Gij zult er schoone liefde vinden voor God,liefde voor de waarheid, voor het waarachtige,verlangen naar vreede en geluk, en naar kennis van het zijnde.Elk onzen vader kennen wij door gelaat en stem,aldus kennen wij God door waarheid en vreugde.Van het licht zeggen wij: het is, maar de duisternis is niet,zoo is de heilige vreugde werkelijk, maar de somberheid is niet.En zooals de mensch meer leevend en persoonlijk is dan zand,zoo is God meer leevend en persoonlijk dan de mensch.Ja, Hij is het eenigst waarachtige leeven en de eenigste persoon,Hij is de Ziel aller zielen, het volstrekte leeven.Wie naar Hem het aanzicht rigt wordt ziende,en ontvangt den sleutel aller raadselen.Wat de mensch als waarheid liefheeft, het zal hem liefhebben,noem het licht loogen en gij blijft in duister.Maar verheft u en weest uzelven getrouwen de heerlijkheeden uwer ziel zullen u ontroeren.Zooals Hij, antwoordende, mij geringe ontroerd heeft,toen Hij mijnen waan brak omdat ik Hem vertrouwen bleef.
Hoe ben ik beschaamd, ik wou zacht spreeken,mijn waan brak, ik ben verneederd, en zoo gelukkig.
Met gevouwen handen in mijnen schoot zat ik neer,omhoog ziend als wie een schat kreeg uit den heemel.
Trotsert, zeide mijn hart, zul je wéér groot doen?Zul je wéér spreeken als een machtige oover zichzelf?
Ik lig neergeslagen als het graanveld na slag-reegen,langsaam maar heft God's goede zon mij op.
Langsaam vervliegen in zijn licht de zware schitterende droppen,de zoete tranen mijner verneedering
Wat weeten wij, dwalers, neuswijze kinderen,wat kennen wij onzer eigene domeinen?
In wat woordpraal wanen we beslooten onze ziel?Een kind hoort wel de gansche zee zelf in een kinkhoorn.
Op ons onmeetelijk weezen groeyen de kleine gedachten,zooals kleine kruiden en mos op eeuwige gebergten.
Luid verkonden wij onze meeningen en besluiten,zeggend: "Ik ben, ik wil, ik weet, ik doe."
Maar het gevaarte onzes weezens weet hiervan niet.Ziet men 't mos op de bergen, als ze strak blinken aan blaauwen horizon?
Waar is ik? Wie is de ik-zegger die recht heeft?Voorwaar, er zal geen ik-zegger zijn buiten God.
De mensch zegt: ik wil, maar in hem wil de Eeuwige.Wie zijn Zelf vatten wil, zijn hand tast in de oneindigheid.
Inwaarts tuurend door-ijlt onze blik de grondloozein zich kookerende verschieten, al heller en inniger,waaraan geen einde is.
Ik riep omhoog als een eenzame zonder verwachting—Hoezeer heeft het antwoord mij beschaamd!
En ik zeide Gods aangezicht niet te zullen zien.Ik keek op van 't geschreevene, en zie! waar was Hij niet?
Ik zag Hem bij nacht en bij dag, in droom en in waken.Ik zag Hem in't weemelend water, in de grashalmen voor mijn venster.
Ik zag Hem in 't licht der maan, ik zag Hem in de duisternis,Zijn antwoord was in 't voogelzingen, ik hoorde Hem in de stilte.
In de eenzame stilte, als alleen 't bloed spreekt.De vlinder heeft mij van hem gesprooken en de morgenzon
De bevonkte heemelen antwoordden, de verbazenden.De storm sprak, ook het fluisteren der liefste was van Hem.
Zie, der teere bloemen fijn uitgebeelde kleur-gedachten,om Hem alleen zijn zij aanbiddelijk.
Ik wist het alles, maar ik wist het toch niet.Want ik zocht Hem immers waar mijn oogen niet reiken.
Dwaas, die in 't leedig staarde!Zijn volheid omringt mij toch als den visch het water.
Maar wij willen Hem niet zoeken waar hij zich te kennen geeft.Wij willen de heemelsche gloeden en de oopenbaringen terstond.
Het lofzingen zijner Engelen willen wij hooren,Zijn lichttroon willen wij zien gevest in des Heelal's midden.
Met deeze handen van vleesch willen wij het eeuwige tasten,Ons bevreedigt niet de vreugde van 't voorbijgaande
Toch heeft hij ons alleen deeze vreugden gegeevenopdat wij Hem er in kennen zouden, en anders niet.
Hebben wij niet de lichte velden en het koele water,de mooye bloemen naast ons en de geurige vruchten,
de dieren met hun wonderbaar weezen, elk een schoon raadsel,de geheimen der natuurkracht, zoet om te doorgronden,
de eindelooze ruimte vol waerelden,bevolkt met vreemde verbeeldingen.
en het heerlijke begrip en de muziek,en elkander—O de liefde hebben wij immers!
Daarin alleen vinden wij Hem,ooveral waar vreugd zeer heerlijk is en verheeven.
Waar wij lust vinden die sterker maakt en verheft,waar wij de zielen voelen groeyen en stijgen in vreede.
Want Hij is licht en vreugdrijk, Zijn weezen is zaligheid,smart is waar Hij niet is, lijden is gebrek aan Hem.
Daarom lijden zoozeer wie Hem 't meest begeeren,dan komt Hij, hun heilige smart verkeerend in zaligheid.
Mijn hand trilt en van tranen zie ik 't geschreevene nietomdat Hij mij zeggen laat meer dan ik wist te weeten,
omdat ik Hem zoo goed kan noemen, die mij zoo geslagen heeft,omdat ik, de met zooveel smart gezeegende, Hem zoo danken moet.
In den nacht heb ik wel getwijfeld, in de naargeestige uuren,maar hoe mijn gedachten zwerven, mijn hand schrijft geloof.
Zijn stem gaat door mijn lippen, ze reinigend,verkwikt sta ik op van 't schrijven, glanzend mijn oogen.
Wij hoogmoedigen twijfelen, omdat vreugden vlieden.Is God dan in 't vergankelijke?—En wat is er meer?
Maar de neederige leert zien hoe niets vergaat,hij leert het altijd-duurende erkennen in 't vergankelijke.
De hoogmoedige vertrapt de teere schatten om hem,door zijn vloeken hoort hij Gods zachte roepstem niet.
Maar wie de lijnen en kleuren eener bloem leerde liefhebbentot hem heeft God gesprooken, als de meester tot een aandachtig kind.
En wie de schoonheid der avondstonden voelde tot hij schreide,voorwaar! Gods eigen hand is hem zeegenend op 't hoofd gelegd.
Maar wie verrukt is geweest door gansch onzelfzuchtige liefde,die zijn eevenmensch bemind heeft in festijnen van vreugde,
ja, hem heeft God zelf de lippen gekust,hij heeft het vaderhart des Eeuwigen voelen kloppen.
Weest toch niet bang en verlaat u maar, goed-willigen,waar zeer groote vreede is en vreugde, daar vindt gij Hem.
In heilige boeken heeft Hij zijn wet doen staven,maar in elk hart schreef hij ze nog eens, méér kennelijk.
Met letters van lichtspreidende pijn,vuurige woorden van felle heerlijkheid.
Acht het niet, wat menschen goed noemen en wat slecht,laat u niet meedesleepen en niet verschrikken,
maar geeft acht op het innerlijk gericht,vraagt de bevestiging van Gods eigen mond.
Hij spreekt zacht maar kennelijk,aan sterke vreugde en rust zult gij Zijn woorden kennen.
Doch hij spreekt niet tot wie zelfzuchtig is en bevreesd.In den storm van hartstocht verstomt Zijn geluid.
Door de poorten der verneedering komt Hij ons hart binnen.Vreest niets en verlangt niets en alles geeft Hij u.
Laat los, bangelijken, oopent de krampachtige handen!Laat los tijdelijk houvast, vertrouwt u moedig aan het eeuwige
Volgt aandachtig en geduldig, ziet niet angstig achterom,zoo gij dwaalt, Hij zal u door smart terechtwijzen.
Zoo gaat blij en onverschrokken, zijn heerlijkheeden zoekend,vreest zijn terechtwijzing niet, noch ontwijkt ze.
De menschen zullen u waarschuuwen en hatenmaar God zal u troost geeven en macht oover hun boosheid.
Gaat als een wandelaar, die 's morgens uittrekt naar mooye, onbekende landen,gaat als een voogel die al zingende omhoog stijgt.
Hoe gemakkelijk is het zingen in den morgenvoor wie Gods lichte werken in zich heeft.
Hij vindt zonder zoeken, hij is echo van Zijn stem,hij vertelt het gebeurende als een blij kind.
De wonderen staan zoo duidelijk voor zijn oogen.Zij zeggen: "hier ben ik!" noemend hunnen naam.
Tot mooi-spreeken spant hij zich niet,zijn gedachten zijn gezangen, welluid is zijn zelf-gesprek.
De menschen verlieten mij, de een na den ander,veelen heb ik vriend genoemd. Waar zijn nu mijn vrienden?
Waar vind ik wijdheid van vertrouwen, dag aan dag?Ook die mij 't zeerst liefhebben beklagen zich oover mij.
Omdat ik naauwkeuriger acht geef op het waarachtige,omdat ik stoutmoediger waag te doen wat mij recht schijnt.
Maar waarlijk de Eenige heeft mij niet teleurgesteld,mijn ziel is gelaten, mijn geluk stijgt dag aan dag.
Toch heb ik nu eerst al mijn zonden gezien,opdoemend als rotsen rondom een schip in neevel.
Daaraan moest ik te pletter gaan, dacht mij.Ik boog het hoofd geduldig, ik genoot den kwaden roep.
En zie! in veilige haven ben ik gevoerd,rein ben ik, als toen ik gebaad was op den dag mijner geboorte.
O mijn Vader, vaak heb ik van wonderen gesprooken,hoe anders zijn ze, nu ik ze waarachtig gebeuren zie.
Zoo is het ontmoeten van wijdvermaarde menschen,zij bedroeven de verwachting, maar de droefheid wordt beschaamd.
Onze denk-beelden zijn grof en ontoereikend,maar het Zijnde is ontzachlijk en zeer subtiel,
Hoelang reeds niet weet ik wat wij noodig hebben!Ik wist het immers toen ik als knaapje naar school ging?
Vroome wijsheid behoeven wij, maar wie kent den weg er heen?Nu ik in mijnen middag sta, nu eerst ken ik den weg.
De morgen verging, het schoone leeven neigde ten avond,nog was de weg niet gevonden, en het doel zoo ver, zoo ver.
Nu is mijn tred vast, mijn ziel rustig—maar ach! wie vergoedt den verlooren tijd?
Nu weet ik hoe de vroome wijze te leeven heeft,zijn zwaren gang weet ik—en zijn onvergelijkelijke zeegeningen.
Nu weet ik waar de wateren des leevens vloeyen,nu weet ik waar zij bloeit, de passie-looze Leelie,
de heilige bloem der vroome wijsheid,die macht geeft oover het kwade en oover den dood.
Maar helaas, het is nog ver!En hoeveel zijn de dagen die mij resten?
Hoe wordt het schoone en heilige leeven nog misbruikt!Hoe vermorsen wij jammerlijk onze kostbaarheid!
Wij verkwisten ons duurste goed als onnoozele kinderen,als het domme vee dat zijn voer vertrapt,
En toch is in ons bereik een leeven vol heerlijkheid,de macht tot allerhoogste zeegeningen is ons geschonken.
De deur staat oopen tot wat alle droom en hoope oovertreft,tot vreede en geluk op aarde en zaligheid in den heemel.
Zijn onze verbeeldingen niet schamel en klein?Is ons denken niet armzaliger dan het bestaande?
Wie zal dan zijn hoope schooner wanen dan de werkelijkheid?Wie zal Gods Heerlijkheeden in verbeelding te booven kunnen gaan?
Heerlijk, heerlijk is het leeven des vroom-wijzen.In het leeven vindt hij zeegen, met den dood neemt hij genoegen.
Leevende zoekt hij de schatten die hij in sterven behouden zal,hij ontvangt van 't Leeven wat de Dood niet ontneemt,
Hij gaat door zijn dagen als een blijmoedig strijder.In zijn nachten proeft hij den voorsmaak van Gods belooning.
Het lijden weerstaat hij als een held.als een reiziger die den straatroover oovermant en bindt.
Zijn blikken zijn als vuur, verzengend het slechte en leelijke,de schoonheid schittert hem teegen waarheen hij schouwt.
Hij gaat door de droeve straten, de vuile achterbuurten.maar de zwaarmoed smelt voor zijn oogen als ijzel.
Waar hij zijn hand oplegt, daar vliedt de doodsvrees,het leeven wordt gesterkt en het geluk ontbloeit.
Hij weerstaat het kwade niet, maar het verwelkt voor zijn aanweezen,het kan niet zijn waar hij is, door een Gods-wonder.
Hij leert te zien het waarachtige, maar het droeve en sombere niet,want het waarachtige is vreugd en schoonheid, en is in alles.
Toch voelt hij alle lijden en is niet hard,hij lijdt om den onweetende, den hartstochtelijke, den schijn-vroome.
Want hij weet dat hij niet zalig kan worden alleen,hij wil niet de meerdere zijn booven zijn broeders.
Maar in een feest van veelen zou hij gelukkig zijn,zijn wijsheid is een brandpunt van veele stralen lichts.
Zijn hartstochten zijn niet in hem verlooren gegaan,maar bedwongen tot staat van leevendiger spankracht.
Zooals bedwongen beweeging tot hitte wordt, daarna tot licht,zoo wordt zijn hartstocht stil en glansspreidend.
In sooberheid leeft hij en zeer groote reinheid,door zorgvuldige orde leeft hij dubbel.
Geen zuivere vreugde is hem te gering,verheeven is hij door natuurlijkheid.
Hij beijvert zich niet goed te doen,hij doet goed zooals 't water omlaag vliet.
Hij legt zich niet toe op volmaaktheid,maar God zeer liefhebbend wordt hij van zelve volmaakt.
Hij wenscht voor zich geen deugden noch zeegening,God wenscht hij te gerieven, als zijn eenigsten, liefsten vriend.
Zoo koomen deugd en zeegen zijns ondanks,uit nooddruft ontstralen hem blijmoed en goede werken.
De Schepper aller waereld is zijn innige vertrouwde,Hem kent hij beeter dan vader, moeder, liefste of kind.
Van uur tot uur leeft hij met hem,in bangen en langen, in verrukking en beproeving.
Hoe kennen wij onze lieven? wie heeft een ganschen mensch gezien?Huid en oogen zien wij, wij voelen handen en hooren stem.
Maar de gansche mensch is onzen zinnen een verborgenheid.Niets weeten wij van hem dan door bemiddeling.
Zouden wij dan niet eevenzeer onzen God kennen,schoon wij niets van Hem weeten dan door bemiddeling?
En tot den vroom-wijze spreekt hij zeer onmiddelijk,ja, meer onmiddelijk dan vader, moeder, liefste of kind.
En zooals een vriend den lieven vriend meedeelt van het zijne,zoo geeft God van zijn eigenheeden aan wie zijn vriend is.
Van zijn goedheid geeft hij, van zijn vreede, van zijn zaligheid,van zijn macht oover het kwade, van zijn kennis aller dingen,
ja, van zijn scheppingsmacht deelt hij meede.Den mensch, zijn maaksel, maakt hij tot maker.
Maar wat ons lijfje is in de ruimte vol zonnen en waerelden,dat zijn onze gedachtetjes in Gods gedachte.
Zie het vuurige zonnelijf door den befloersten kijker,met zijn vlekken en vlammen, zijn aureolen.
zijn donkere kolken, zijn wervelstormen van vuur,zijn ziedend rond-zwierende gloed-oceanen, zijn licht-orkanen,
zijn getakte vlam-fakkels millioenen mijlen hoog,zijn hitte-sfeeren waarin de rotssteen vluchtig moet zijn.
Wij aanschouwen vlokken en kooksels en uitzwalpingen.Sombere holten waarin duizend waerelden verzwinden kunnen.
Het is alles vervaarlijk, onbegrijpelijk, wij hooren geen geluid,verblindend is het en doodstil, schijnbaar onbeweegelijk.
Maar wee ons! zoo het gehoord kon worden, wat ware het geluid!Wee ons! wat ware de snelheid zoo wij nabij waren!
Aanschouw het langen tijd, verdiep u in het onbegrijpbareNochthans bestaat het, niet ééns, maar eindeloos veel malen.
Zooals dit stoffelijk bestaan is voor ons stoffelijk bestaan,méér onbegrijpbaar nog is Gods geestelijk weezen voor het onze.
Doch ons klein lijf kent de geweldige zon als mild en liefelijk.Dierbaar is zij ons en vertrouwd.—Wat dan der ziel?
Zoo leeft de vroomwijze met den almachtige in vertrouwd verkeer.Hoezeer verheeven, niemand geringer vertrouwt hij gansch.
Vol geheimzinnige leidingen is ons leeven.Onkenbare machten omringen ons met invloeden.
Ooveral, ook hier om ons, zijn ontelbare schepselen,Engelen en démonen, heilige en ellendige.
Welke dwaas acht zich de hoogste creatuur?Zou er geen schepsel meer zijn tusschen mensch en God?
Maar de vroom-wijze betrouwt God alleen en vreest niet.Hoe anders zou hij heilig van onheilig onderkennen?
In het land der droomen beweegt hij zich welbewust en willekeurig.Tempels en melodieën schept hij er door zijn woord.
Hij ziet de démonen en de geesten,de gevaarlijken doet hij wijken in naam van God.
Licht-glimpen krijgt hij er van verborgen kennis,van de dingen die ver weg zijn, van de dingen der toekomst.
Want de droomwaereld is de waereld waarin ziel en lijf gescheiden zijn,waarin tijd en ruimte verwijderde dingen worden.
Zoo leeft hij 's nachts in den scheemerenden voorhof van 't génerzijds.beproevend de toeneemende krachten zijner ziel.
Maar ook wakend zal er kracht van hem uitgaan,zal hij booze machten beheerschen en het verborgene gewaarworden,
onder heiligen invloed schoone kunstwerken scheppen,zieken geneezen, zwaarmoedigen beweegen tot geduld.
Maar al zijn macht is in zijn liefde tot den Volstrekten,hij helpt alleen waar hij die liefde meedeelt.
Die liefde moet hij voelen zooals het lijf hitte voelt of pijn,zoo echt en werkelijk, als het groote gevoel zijns leevens.
De kiem deezer liefde is oprechtheid onverbiddelijk,wie de waarheid liefheeft bemint God immers reeds?
Wie zondigt in oprechtheid, voor hem is vergeeving,ja, wie Satan liefhad in oprechtheid, zijn eind zou bij God zijn.
Wie zijn waarachtigen aard deemoediglijk volgen durft, hij zal terechtkoomen,maar wie booven zijn macht grijpt valt in duivels hand.
De wijze erkent zijn zwakheeden en kinderlijke begeerten,hij zal niet trachten te leeven als een volmaakte,
Hij ooverspant zich niet tot onnatuurlijke heiligheid.Hij zegt neederig: "ach! ware ik beeter, maar zóó ben ik".
Alleen door liefde tot waarheid wil hij beeter worden,zoo wordt eens het heilige leeven hem natuur.
Hij zal durven doen wat alle waereld zonde heet,zeggend: "ik weet niet beeter, God straffe mij dan zoo ik dwaal".
Om God noch mensch zal hij zijn weezen verkrachten,weetend dat niemand met vóórwending gediend is.
De echtheid van zijn gevoel herproeft hij vóór alles.Zelf-bedrog vreest hij als de eigenlijke hel.
Waren niet gansche menschgeslachten in de macht der loogen?Maar in elken enkeling wordt de waarheid herbooren.
Zoo zal hij zijn innerlijk weezen zuiver houden,als nieuwe leevens-bron en schatkamer der waarheid.
Er zijn er die vragen: Waar is God? Hoe zal ik Hem kennen?En kan men zichzelf deeze liefde gebieden?
Maar woorden kunnen niets brengen waar niets is.Een lamp der erkentenis zijn ze in verborgen schatkelders.
Neemt mijn lamp en doorzoekt uw binnenste,Gij zult er schoone liefde vinden voor God,
liefde voor de waarheid, voor het waarachtige,verlangen naar vreede en geluk, en naar kennis van het zijnde.
Elk onzen vader kennen wij door gelaat en stem,aldus kennen wij God door waarheid en vreugde.
Van het licht zeggen wij: het is, maar de duisternis is niet,zoo is de heilige vreugde werkelijk, maar de somberheid is niet.
En zooals de mensch meer leevend en persoonlijk is dan zand,zoo is God meer leevend en persoonlijk dan de mensch.
Ja, Hij is het eenigst waarachtige leeven en de eenigste persoon,Hij is de Ziel aller zielen, het volstrekte leeven.
Wie naar Hem het aanzicht rigt wordt ziende,en ontvangt den sleutel aller raadselen.
Wat de mensch als waarheid liefheeft, het zal hem liefhebben,noem het licht loogen en gij blijft in duister.
Maar verheft u en weest uzelven getrouwen de heerlijkheeden uwer ziel zullen u ontroeren.
Zooals Hij, antwoordende, mij geringe ontroerd heeft,toen Hij mijnen waan brak omdat ik Hem vertrouwen bleef.