Inhoudsopgave

Dante en Beatrice door F. van EedenInhoudsopgave(Sla inhoudsopgave over)Dante en Beatrice.Inleiding.Eerste Deel.I.II.III.IV.V.VI.VII.VIII.IX.X.XI.XII.XIII.XIV.Tweede Deel.XV.XVI.XVII.XVIII.XIX.XX.XXI.XXII.XXIII.XXIV.XXV.Des Leevens Kern (andere verzen).Des Leevens Kern.Koele Mei-dag.De schat mijns harten.Het looverlied.Alles voor U.De Staf.Aan de Groote Dichters.Shelley's Epipsychidion.Stem van Génerzijds.Een Minnezang.In Memoriam.Zelf-Schouw.Julius Oldach.De Klok.Vrees niet.Op de heuvelen.Het Gebergte.Goede Werking.Mijn Vrienden.Dichter en Geleerde.Besluit.INHOUD.Naamloos hoofdstukDe Rivier.De Planeet.Mijn Bloemenpleegster.Van de Passie-looze Leelie.De Aanroep.Het Antwoord.INHOUD.Transcriber's notes.DANTE EN BEATRICEEN ANDERE VERZENDOORFREDERIK VAN EEDEN.AMSTERDAMW. VERSLUYSMCMXVIITWEEDE DRUK.[Afbeelding of ex libris?]DANTE EN BEATRICE.INLEIDING.De volgende verzen ontstonden na 't herleezen van Dante's eersteontmoeting met Beatrice, toen hij bijna neegen en zij acht jaren oud was, zooals beschreeven wordt in "Vita Nuova". Of Beatrice die Bice Portinari geweest is, waarvan Boccacio in zijn Leeven van Dante spreekt is niet zeeker. Dat zij nooit in werkelijkheid zou bestaan hebben—zooals G. Rosetti, La Farina e.a. beweeren—is niet te gelooven. Zij mooge een anderen naam gedragen hebben, het meisje in 't roode kleedje heeft bestaan, en is door Dante gezien en bemind. Potgieter vraagt of wij het hem ten goede houden, dat hij, in zijn Florence, Beatrice's kleed in plaats van rood, wit maakte, "voor de onschuld", zooals hij zegt. Het in deezen den Florentijn te willen verbeeteren is echter den Amsterdammer moeyelijk ten goede te houden. Het achtjarige meisje ging in 't rood, "zooals het haren leeftijd paste" zegt Dante. Tien jaren later, als volwassen maagd, werd zij door hem in wit gewaad gezien. Na deeze tweede ontmoeting zag hij Beatrice in een vizioen, naakt, in een bloedig laken gewikkeld in de armen vanAmor, die haar Dante's hart te eeten gaf, en daarna opvoerde ter zaligheid. Beatrice's dood in de "Vita Nuova" valt volgens d'Ancona, in 1290 ongeveer. Vóór 1298 trad Dante in 't huuwelijk met Gemma Donati. Vier jaren later ging hij alleen in ballingschap en schreef Hel, Vagevuur en Paradijs.EERSTE DEEL.I.Een vizioen van wonderhoog genuchtheeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staardeen langs reeds winterige velden waarde,den dag, den nacht en weer den dag verlucht.Het was zoo fijn en lieflijk als 't geruchtder voogels, die in herfstnacht naar hun gaardein 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde,zacht snaterend in ongeziene vlucht.Het was zoo scherp en kleurig als van vlindersde vleugel-cier—als zij zich rustend zonnenop gloedbescheenen muur,—en zoo vol diepgeheimenis, alsof er uit de bronnenvan alle licht en vreugde⁀een lokstem riep:Ik zag een stoet van bloembekranste kinders.II.Een meisje⁀in kleedje, heerelijk getintvan zacht en zeedig rood, met wat sieradenals 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden,het ranke lijfje⁀omstrikt met blinkend lint,zag 'k in gewoel van bloemen en gewadenals heldre ster die vóór alle⁀andren blindt,en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk tradenom haar, als eene die elk 't minnigst vindten als de schoonste zonder spijt wil roemen,daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen,de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemennaar 't blonde haar. Verleegen lachend beurtzij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.III.Toen zag 'k twee felle donker-vuurige⁀oogen,in streng en ernstig knapen-aangezicht,onafgewend naar 't lieflijk wicht gerichtdoor óóvermacht'ge tooverkracht getoogen.De kind'ren eeten. Hij zit aan, doch zwichtvoor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogendrinken zijn blikken 't jonge, lieve licht,'t éénige wat zij nog te zien vermoogen.'t Feestvolk stroomt uit, hij volgt, als weezenloos,'t lieftallig weezen dat haar macht niet weeten niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden.Hij treedt haar toe, heft stamelend de handen,beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed...en zwijmt doodsbleek,—geslaag'ne voor altoos.IV.O meester, zag ik met mijn geest de brondes ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloedenna eeuwen nog een dorre waereld voeden,die zulke weelde zelf niet baren kon?Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon,drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden,nog voelt een dichterhart of 't moest verbloedenzoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht!Het kinderfeest, de blanke bloemenstad,de schoone maatschappij, nog jong en blijde—Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje natuit woudenrijk gebergt, en babbelt zachtwaar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.V.Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleedendat allerteerste, allerzoetste leed?—Door dagen vuurig en door nachten heetzaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden,die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!....en naar de zoete folter dieper beethebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf,den wonder-broozen kinderdroom wou breeken,dreef 't u van haar op verre weegen af,maar kon den innerlijken glans niet bleeken.Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven,dien eersten luister liet gij u niet dooven.VI.Wie ben ik, als ik denk aan u, mijn held!ik kleine,⁀in 't klein-gevoelend volk begraven—maar toch!—wat zoeten drank van min zij gaven,mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld,naar minder niet, dan wat uw mond mocht laven,kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld.Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt,heb ik voor alle tijden willen staven.Uw stroom is majestatisch neergedonderdmet wentelsprongen tot den blanken plas,maar als een zwoel, vermaledijd moerashoudt U van mij mijn tijd en volk gezonderd.En daar was géén, ik zeg u, die verstondde taal der stroeve plooyen om mijn mond.VII.Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnenals fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór,en liet in vuur uw zondaars-hart verreinenen hield het brandende⁀aan de waereld vóór,hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnengekend, verwonnen en als meteoordoen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen,den menschen-volken tot belichtend spoor?Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent,të eenzaam en të innig voor gedichten,hebt gij dat óók aan uw zielsfirmamentgenageld en als richt-gesternt doen lichten?Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wendtot onzen God u, die weet, en zal richten.VIII.De voogel Waarheid mijmert bij mijn handen peilt met ingetrokken kop de grondendes heemels,—als verlangend naar zijn landterug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.Ik wacht in ootmoed, heilige gezant!Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden.Vertoef! en doe mij weeten en verkonden,eer gij ter opvaart weer de wieken spant.Ook hij, de zanger, hield u niet gevangenin zijner lied'ren goudenkoordig wanten kon ter uwer woonsteê niet gelangeneer zij, die hij beminde,⁀uit Liefde's handzijn hart met al zijn bitterheid verteerdeen zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.IX.Het was dezelfde wonderbare vonkdie oover mijnen opgang heeft geglommen,waaruit de groote gloeden zijn geklommen,die hij, de meester, onzer waereld schonk—en die hem veilig voerde door de drommenvan spooken in hun gruuwlijken spelonk,tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonkin 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen.Zoozeer verscheiden zijn twee menschen nietdoor ééne Hand uit eender stof geweeven,of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen lietis 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven...O àl te machtig, àl te teer ontroeren!mijn hand ligt stil—kan 't schrijftuig niet meer voeren.X.Mijn hart heeft bitterheeden als de Dooden diepten waar geen woorden van gewagen,is daar wel Liefde sterk genoeg en groot,die 't kan verzwelgen en ten Heemel dragen?Ik blader vluchtig thans in 't boek der dagenen leg het duisterst zonder deernis bloot,tot schuuwe schimmen angstig rond mij klagen:"Gedenk! Gedenk! Gedenk!—éér gij verstoot!"Hebt Gij, mijn zanger, ongeschokt vernoomenden doodssnik van uw allerschoonste waan?en zijt gij vast de treeden opgegaanbestroomd van 't bloed der teerste, liefste droomen?Welk Licht-verschiet was 't dat u schrijden deedzoozeer als God, zóó liefdrijk en zóó wreed?XI.Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringende jonge ziel in haren opgang uit.Zij breekt den schors van waan die haar omsluiten neigt tot nadering aan vreemde dingen.Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuitbaart zij dan teedre ranken, die 't omringenen gansch tot eigen-worden willen dwingen—en geeft zich vangeling aan de⁀eigen buit.'t Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurtwat aan een schaduw zich heeft willen hechten?En vast kan zich geen tweedemaal vervlechtende rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.Dan worden alle klanken, alle kleurenvan 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.XII.De schakel brak,—de Dood hield u gescheiden,het Leeven sleepte u op zijn deining voort,en, onder nieuwen liefde-groei versmoord,ging schuil het glanzend schoon der eerste tijden.Nochthans, nochthans voltrok zich ongestoordhet heilig Wonder, dat Gelieven beidendoor de⁀eigen liefde⁀elkaar tot God geleiden,—en werd geboekstaafd in ontzach'lijk Woord.Ik zie het aan en huiv'ring grijpt mijn ziel,wij hadden van die Liefde een zwak vermoeden,verrukt alree door 't ongeveer bevroeden—Gedoog, dat ik voor haar gewisheid kniel.Mijn hoofd buigt neer, omgolfd door staat'ge klanken,laat de arme vreemd'ling in úw Tempel danken.XIII.Wat zegt het najaar dat de blaren strooit,het rul-geworden zomerloof doet zwijgenvan voogellied,—en leevens-weeke twijgenmet harde doodspracht van kristallen tooit?Wat zal het leeven van zijn schoon herkrijgen,door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid?Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooidterwijl de welkende geslachten zijgen?Er staat een boom, in lichten Hof geplant,zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len,zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand,zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'lenvan voogelzang. Elk looverken een zielversterkt zijn machtig Leeven, éér het viel.XIV.Ze noemen Liefde wat de ziel doet ziedenin helle vreugde van een oogwenk duur,in lijden leevenslang,—met ieder uurzien ze haar vluchtige bekooring vlieden,—een sidd'rend glimpjen onstandvastig vuurin woestenij van donkre doods-gebieden,waar alle dingen zonder zin geschiedennaar starre wet van ijzige natuur.Maar Hij, die op vervaarlijken en verrenboet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam,kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam,Hij gaf éénzelfden naam aan d'ééne Macht,die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht,en die de Zon beweegt en d'andre sterren.TWEEDE DEEL.XV.'t Zij dan door zesmaal honderd jaar gescheiden,'t zij dan zóó ongelijk van maat en macht,zijn telgen wij nochthans van één geslachten draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden.Als klank van verre kerk-klok in den nachtd'eenzamen dwaler oover duistre heidenvertroostend meldt waar zijn verwanten beiden,waar hem de lang gederfde haardstee wacht,zoo heeft van ver 't plechtstatige geluid,bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden,mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid,en d'ooren van 't verlaten kindje hoordenmet grooter vreugd de moeder niet, die 't riep,dan ik die roepstem uit der eeuwen diep.XVI.Mijn Land, mijn Land, hoe blinken spiegelklaaruw vlieten in de riet-bewassen zoomen,stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen,kalm ligt het vreedige gehuchtje daarmet toorenspitsje en moolentje, te droomen,breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar,die statig aandrijft uit de kimmen, waarhet zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen.Mijn Land van weide en rustloos winde-lied,gij hebt de pracht van Arno's bloemen nieten niet de grootschheid van Ravenna's wouden,mijn Land, toch deed gij mij, als Hem, verstaanwat in 't verganklijke niet kan vergaan,wat ons van 't aardsche leeven voegt te⁀onthouden.XVII.Gij werdt gebannen uit uw vaderstad,gij moest het bittre brood der deernis eetenen kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten,wat hulde en glans de vreemde voor u had,en nimmer heeft één, zooals gij, geweetenhoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad,herdenken van verlooren vreugde-schat,van vroegre banden ééns voor àl gereeten.Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't landmij booven allen dierbaar en gemeenzaam,waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam!Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld?Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld?XVIII.Mijn hart smacht naar dat verre vaderland,waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen,toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen,zich ziel aan ziele spon met teedren band.Toen, door dat bliksemfelle licht geslagen,verhief zich ons verwonderde verstand,en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen branden om terugkeer naar dat licht-heil vragen.Dit is mijn smart, dàt raakt het diepste weezenvan al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klankvan innigheid aan deeze zwakke zangen—Gij steegt omhoog, op wieken, sterk en blank,van een grootmachtig, triomfant verlangen—mijn wonde brandt nog altijd ongeneezen.XIX."De Zeegenbrengster" luidde uw naam, o milde,aan wie de waereld zooveel zeegen dankt,wier brooze leeven, marmervast verklankt,den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde.Ach, blanke liefde-zuil, bloedrood omranktdoor vuurig lied,—één vriendlijk groeten tildeden Held in 't licht,—dat uw zacht aanschijn wildenogmaals verlichten wie er doolt en wankt!Het menschdom stroomt, langs onheilvolle weegen,de stralende uitkomst angstig tegemoet.Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen!Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen!Hoe reiken zij de handen, om den zeegenvan Liefde's minnelijken, zachten groet.XX.Men noemde u Beatrice, maar gij draagtheil'ger benaming, onbekend den veelen.Hij heet u "Liefde", wien de glans-tafreelenvan uw verheerlijkt weezen zijn gedaagd,die kroonde uw zeedig hoofd met de juweelenvan zijn kleurfonklend woord. Naar Liefde vraagtnog immer wat op aarde duldt en klaagt.—Zal ooit haar adem 't waereld-aanzicht streelen?Kom, Zeegenrijke! jammerlijk in noodom uwen bijstand moet nog 't menschdom strijden.Vermag nooit in terugkomst te ooverschrijdenuw blijde voet den drempel van den Dood?Des Vreedes Ster! der onrust vijandinne!Verhelder d'aard met uwen lach van minne!XXI.Gij, Alighieri, "Glans der Eeuw" geheeten,Ook U noem ik met wijdingsvoller Naam,wantLiefdezaligt slechts metWijsheidsaamen alle Smart vergaat voor 't zoete Weeten.Kom, Wijsheid! dat uw zeegnend licht beschaamwie vreezen van de vrucht der kennis te eeten,en breng' te schand wie lichtschuuw zich vermeetende kracht te keeren van uw vrijen Aâm.Vaar als een frissche wind de velden oover,de vuuren aller Liefde wakker aan!doe aller Harten Vlammen samenslaan!en vaag den Heemel schoon met éénen toover!dat 't dwalend volk weer d'oogen opwaarts richten schouwt naar d'één'gen Oorsprong van Uw licht.XXII.De Stem des Lichts, die dóórbreekt ooveral,doet dreunend òp de gouden heemeldeuren,en de verborgen duisternissen scheurendoor 't verre daveren van haar geschal,dan baart de troostelooze nachtgrond kleuren,dan bloeit de leelie in het diepste dal,dan stort zich, als een gouden waterval,vreugde in het hart van allen die daar treuren.Voor Wijsheid's aanblik houdt geen jammer stand,voor haar handheffing zwicht de vale ellende,waar zij haar wèl-betoomde rossen mendegloeit al het leevende in haar stralenbrand.En als de bloem naar d'ongenaakbre Zonwendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron.XXIII.Thans weet ge, als ik, dat d'Almacht hooger troontdan uw goud-vleugelige zangen steegen,en dat de ziel langs nog benarder weegen't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont,en dat alom daarbuiten is geleegende macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont,en dat Gehenna geen verschrikking toontzóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen.Wat is er Hel, 't en zij de Hel van Waanwaar, door een schijn verblijd, wij armen allenverspeelen ons kortstondige bestaan,om lachend in den muil des Doods te vallen?En God ziet toe, hoe ons wuft leeven vlucht,maar van zijn strengen mond valt geen gerucht.XXIV.Wie eens uw watervelden heeft aanschouwdo zee! waaroover zilvren glanzen glijenen zag uw eindelooze golvenrijenaanstrijken van de kimme, grijs en goud,wie ééns met uwer blauwe woestenijenschriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd,en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud,d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen,hoe kan die anders dan in smachtend duldende droefheid ondergaan van enger sfeer?Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meerschoon aarde en zon hem elke wensch vervulden.Hij wil de wijdheid der verlaten kustenals kon hij nader dáár aan Gods hart rusten.XXV.'t Is niet om mij, 't is om ons droef geslachtdat nog die wonde branden blijft hierbinnen,want ik moet haten teevens en beminnenen liefde blijven geeven waar 'k veracht.Zoo was Hij niet, die met gelijke krachtgeliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen,en zich van 's Waerelds einddoel en beginnenen d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht.Maar in mij gloort een vonk van nieuwen dag,wèl ongewis nog en in hachlijk beeven,maar voorboô van een ruimer, schooner leevendan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag.Zoo zal ik dan, welweetend, zonder klagen,dit heilig lijdensmerk geduldig dragen.DES LEEVENS KERN.Des Leevens Kern.Zooals de kleuren nu mijn hart opbeurendeeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd,en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeurenheeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.Het Leeven spreekt nu met een klare stem.Als 't carrillon des morgens van een tooren,dreunt mij, die opziet, wislijk en met klemde blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.Elk lijden waan, zonder bestand noch duur,elk pijntje⁀een wenk en richtvonk onzer weegen,de waan een toornwolk rond Gods liefdevuurhoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vaderdigt bij mij, digt, den dag, den nacht—den nacht,liever dan 't liefst en dan het naaste nader,de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.Nu zie ik weer geranium en lindemet 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakten zee en duin, die ik als kind zóó mindemijn manlijk hart met voller vreugde raakt.Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden!wanneer herinnren faalt en denkkracht dooftheb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden,dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen,'k zie gansch den nacht niet om één vonkske lichten waar een hart zich ópdoet, moet ook vallenmijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden,niemand moog danken, nochthans blijft de lust,om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden,ik ken het zoete werk om zoeter rust.Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwend'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht,geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwendie zich ontvouwen voor het reegenvocht.Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden,geen meerder weetenschap en doet u nood:blijf 's Leevens kern betrouwen—en de Doodmet àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.Koele Mei-dag.

Dante en Beatrice door F. van Eeden

(Sla inhoudsopgave over)

EN ANDERE VERZEN

DOORFREDERIK VAN EEDEN.

AMSTERDAM

W. VERSLUYS

MCMXVII

TWEEDE DRUK.

[Afbeelding of ex libris?]

De volgende verzen ontstonden na 't herleezen van Dante's eersteontmoeting met Beatrice, toen hij bijna neegen en zij acht jaren oud was, zooals beschreeven wordt in "Vita Nuova". Of Beatrice die Bice Portinari geweest is, waarvan Boccacio in zijn Leeven van Dante spreekt is niet zeeker. Dat zij nooit in werkelijkheid zou bestaan hebben—zooals G. Rosetti, La Farina e.a. beweeren—is niet te gelooven. Zij mooge een anderen naam gedragen hebben, het meisje in 't roode kleedje heeft bestaan, en is door Dante gezien en bemind. Potgieter vraagt of wij het hem ten goede houden, dat hij, in zijn Florence, Beatrice's kleed in plaats van rood, wit maakte, "voor de onschuld", zooals hij zegt. Het in deezen den Florentijn te willen verbeeteren is echter den Amsterdammer moeyelijk ten goede te houden. Het achtjarige meisje ging in 't rood, "zooals het haren leeftijd paste" zegt Dante. Tien jaren later, als volwassen maagd, werd zij door hem in wit gewaad gezien. Na deeze tweede ontmoeting zag hij Beatrice in een vizioen, naakt, in een bloedig laken gewikkeld in de armen vanAmor, die haar Dante's hart te eeten gaf, en daarna opvoerde ter zaligheid. Beatrice's dood in de "Vita Nuova" valt volgens d'Ancona, in 1290 ongeveer. Vóór 1298 trad Dante in 't huuwelijk met Gemma Donati. Vier jaren later ging hij alleen in ballingschap en schreef Hel, Vagevuur en Paradijs.

Een vizioen van wonderhoog genuchtheeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staardeen langs reeds winterige velden waarde,den dag, den nacht en weer den dag verlucht.Het was zoo fijn en lieflijk als 't geruchtder voogels, die in herfstnacht naar hun gaardein 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde,zacht snaterend in ongeziene vlucht.Het was zoo scherp en kleurig als van vlindersde vleugel-cier—als zij zich rustend zonnenop gloedbescheenen muur,—en zoo vol diepgeheimenis, alsof er uit de bronnenvan alle licht en vreugde⁀een lokstem riep:Ik zag een stoet van bloembekranste kinders.

Een vizioen van wonderhoog genuchtheeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staardeen langs reeds winterige velden waarde,den dag, den nacht en weer den dag verlucht.

Het was zoo fijn en lieflijk als 't geruchtder voogels, die in herfstnacht naar hun gaardein 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde,zacht snaterend in ongeziene vlucht.

Het was zoo scherp en kleurig als van vlindersde vleugel-cier—als zij zich rustend zonnenop gloedbescheenen muur,—en zoo vol diep

geheimenis, alsof er uit de bronnenvan alle licht en vreugde⁀een lokstem riep:

Ik zag een stoet van bloembekranste kinders.

Een meisje⁀in kleedje, heerelijk getintvan zacht en zeedig rood, met wat sieradenals 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden,het ranke lijfje⁀omstrikt met blinkend lint,zag 'k in gewoel van bloemen en gewadenals heldre ster die vóór alle⁀andren blindt,en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk tradenom haar, als eene die elk 't minnigst vindten als de schoonste zonder spijt wil roemen,daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen,de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemennaar 't blonde haar. Verleegen lachend beurtzij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.

Een meisje⁀in kleedje, heerelijk getintvan zacht en zeedig rood, met wat sieradenals 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden,het ranke lijfje⁀omstrikt met blinkend lint,

zag 'k in gewoel van bloemen en gewadenals heldre ster die vóór alle⁀andren blindt,en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk tradenom haar, als eene die elk 't minnigst vindt

en als de schoonste zonder spijt wil roemen,daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.

Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen,de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemen

naar 't blonde haar. Verleegen lachend beurtzij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.

Toen zag 'k twee felle donker-vuurige⁀oogen,in streng en ernstig knapen-aangezicht,onafgewend naar 't lieflijk wicht gerichtdoor óóvermacht'ge tooverkracht getoogen.De kind'ren eeten. Hij zit aan, doch zwichtvoor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogendrinken zijn blikken 't jonge, lieve licht,'t éénige wat zij nog te zien vermoogen.'t Feestvolk stroomt uit, hij volgt, als weezenloos,'t lieftallig weezen dat haar macht niet weeten niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden.Hij treedt haar toe, heft stamelend de handen,beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed...en zwijmt doodsbleek,—geslaag'ne voor altoos.

Toen zag 'k twee felle donker-vuurige⁀oogen,in streng en ernstig knapen-aangezicht,onafgewend naar 't lieflijk wicht gerichtdoor óóvermacht'ge tooverkracht getoogen.

De kind'ren eeten. Hij zit aan, doch zwichtvoor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogendrinken zijn blikken 't jonge, lieve licht,'t éénige wat zij nog te zien vermoogen.

't Feestvolk stroomt uit, hij volgt, als weezenloos,'t lieftallig weezen dat haar macht niet weeten niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden.

Hij treedt haar toe, heft stamelend de handen,beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed...en zwijmt doodsbleek,—geslaag'ne voor altoos.

O meester, zag ik met mijn geest de brondes ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloedenna eeuwen nog een dorre waereld voeden,die zulke weelde zelf niet baren kon?Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon,drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden,nog voelt een dichterhart of 't moest verbloedenzoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht!Het kinderfeest, de blanke bloemenstad,de schoone maatschappij, nog jong en blijde—Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje natuit woudenrijk gebergt, en babbelt zachtwaar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.

O meester, zag ik met mijn geest de brondes ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloedenna eeuwen nog een dorre waereld voeden,die zulke weelde zelf niet baren kon?

Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon,drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden,nog voelt een dichterhart of 't moest verbloedenzoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.

Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht!Het kinderfeest, de blanke bloemenstad,de schoone maatschappij, nog jong en blijde—

Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje natuit woudenrijk gebergt, en babbelt zachtwaar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.

Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleedendat allerteerste, allerzoetste leed?—Door dagen vuurig en door nachten heetzaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden,die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!....en naar de zoete folter dieper beethebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf,den wonder-broozen kinderdroom wou breeken,dreef 't u van haar op verre weegen af,maar kon den innerlijken glans niet bleeken.Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven,dien eersten luister liet gij u niet dooven.

Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleedendat allerteerste, allerzoetste leed?—Door dagen vuurig en door nachten heetzaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:

dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden,die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!....en naar de zoete folter dieper beethebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.

Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf,den wonder-broozen kinderdroom wou breeken,dreef 't u van haar op verre weegen af,maar kon den innerlijken glans niet bleeken.

Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven,dien eersten luister liet gij u niet dooven.

Wie ben ik, als ik denk aan u, mijn held!ik kleine,⁀in 't klein-gevoelend volk begraven—maar toch!—wat zoeten drank van min zij gaven,mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld,naar minder niet, dan wat uw mond mocht laven,kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld.Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt,heb ik voor alle tijden willen staven.Uw stroom is majestatisch neergedonderdmet wentelsprongen tot den blanken plas,maar als een zwoel, vermaledijd moerashoudt U van mij mijn tijd en volk gezonderd.En daar was géén, ik zeg u, die verstondde taal der stroeve plooyen om mijn mond.

Wie ben ik, als ik denk aan u, mijn held!ik kleine,⁀in 't klein-gevoelend volk begraven—maar toch!—wat zoeten drank van min zij gaven,mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld,

naar minder niet, dan wat uw mond mocht laven,kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld.Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt,heb ik voor alle tijden willen staven.

Uw stroom is majestatisch neergedonderdmet wentelsprongen tot den blanken plas,maar als een zwoel, vermaledijd moerashoudt U van mij mijn tijd en volk gezonderd.

En daar was géén, ik zeg u, die verstondde taal der stroeve plooyen om mijn mond.

Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnenals fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór,en liet in vuur uw zondaars-hart verreinenen hield het brandende⁀aan de waereld vóór,hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnengekend, verwonnen en als meteoordoen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen,den menschen-volken tot belichtend spoor?Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent,të eenzaam en të innig voor gedichten,hebt gij dat óók aan uw zielsfirmamentgenageld en als richt-gesternt doen lichten?Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wendtot onzen God u, die weet, en zal richten.

Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnenals fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór,en liet in vuur uw zondaars-hart verreinenen hield het brandende⁀aan de waereld vóór,

hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnengekend, verwonnen en als meteoordoen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen,den menschen-volken tot belichtend spoor?

Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent,të eenzaam en të innig voor gedichten,hebt gij dat óók aan uw zielsfirmamentgenageld en als richt-gesternt doen lichten?

Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wendtot onzen God u, die weet, en zal richten.

De voogel Waarheid mijmert bij mijn handen peilt met ingetrokken kop de grondendes heemels,—als verlangend naar zijn landterug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.Ik wacht in ootmoed, heilige gezant!Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden.Vertoef! en doe mij weeten en verkonden,eer gij ter opvaart weer de wieken spant.Ook hij, de zanger, hield u niet gevangenin zijner lied'ren goudenkoordig wanten kon ter uwer woonsteê niet gelangeneer zij, die hij beminde,⁀uit Liefde's handzijn hart met al zijn bitterheid verteerdeen zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.

De voogel Waarheid mijmert bij mijn handen peilt met ingetrokken kop de grondendes heemels,—als verlangend naar zijn landterug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.

Ik wacht in ootmoed, heilige gezant!Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden.Vertoef! en doe mij weeten en verkonden,eer gij ter opvaart weer de wieken spant.

Ook hij, de zanger, hield u niet gevangenin zijner lied'ren goudenkoordig wanten kon ter uwer woonsteê niet gelangeneer zij, die hij beminde,⁀uit Liefde's handzijn hart met al zijn bitterheid verteerdeen zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.

Het was dezelfde wonderbare vonkdie oover mijnen opgang heeft geglommen,waaruit de groote gloeden zijn geklommen,die hij, de meester, onzer waereld schonk—en die hem veilig voerde door de drommenvan spooken in hun gruuwlijken spelonk,tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonkin 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen.Zoozeer verscheiden zijn twee menschen nietdoor ééne Hand uit eender stof geweeven,of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen lietis 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven...O àl te machtig, àl te teer ontroeren!mijn hand ligt stil—kan 't schrijftuig niet meer voeren.

Het was dezelfde wonderbare vonkdie oover mijnen opgang heeft geglommen,waaruit de groote gloeden zijn geklommen,die hij, de meester, onzer waereld schonk—

en die hem veilig voerde door de drommenvan spooken in hun gruuwlijken spelonk,tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonkin 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen.

Zoozeer verscheiden zijn twee menschen nietdoor ééne Hand uit eender stof geweeven,of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen lietis 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven...

O àl te machtig, àl te teer ontroeren!mijn hand ligt stil—kan 't schrijftuig niet meer voeren.

Mijn hart heeft bitterheeden als de Dooden diepten waar geen woorden van gewagen,is daar wel Liefde sterk genoeg en groot,die 't kan verzwelgen en ten Heemel dragen?Ik blader vluchtig thans in 't boek der dagenen leg het duisterst zonder deernis bloot,tot schuuwe schimmen angstig rond mij klagen:"Gedenk! Gedenk! Gedenk!—éér gij verstoot!"Hebt Gij, mijn zanger, ongeschokt vernoomenden doodssnik van uw allerschoonste waan?en zijt gij vast de treeden opgegaanbestroomd van 't bloed der teerste, liefste droomen?Welk Licht-verschiet was 't dat u schrijden deedzoozeer als God, zóó liefdrijk en zóó wreed?

Mijn hart heeft bitterheeden als de Dooden diepten waar geen woorden van gewagen,is daar wel Liefde sterk genoeg en groot,die 't kan verzwelgen en ten Heemel dragen?

Ik blader vluchtig thans in 't boek der dagenen leg het duisterst zonder deernis bloot,tot schuuwe schimmen angstig rond mij klagen:"Gedenk! Gedenk! Gedenk!—éér gij verstoot!"

Hebt Gij, mijn zanger, ongeschokt vernoomenden doodssnik van uw allerschoonste waan?en zijt gij vast de treeden opgegaanbestroomd van 't bloed der teerste, liefste droomen?

Welk Licht-verschiet was 't dat u schrijden deedzoozeer als God, zóó liefdrijk en zóó wreed?

Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringende jonge ziel in haren opgang uit.Zij breekt den schors van waan die haar omsluiten neigt tot nadering aan vreemde dingen.Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuitbaart zij dan teedre ranken, die 't omringenen gansch tot eigen-worden willen dwingen—en geeft zich vangeling aan de⁀eigen buit.'t Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurtwat aan een schaduw zich heeft willen hechten?En vast kan zich geen tweedemaal vervlechtende rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.Dan worden alle klanken, alle kleurenvan 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.

Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringende jonge ziel in haren opgang uit.Zij breekt den schors van waan die haar omsluiten neigt tot nadering aan vreemde dingen.

Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuitbaart zij dan teedre ranken, die 't omringenen gansch tot eigen-worden willen dwingen—en geeft zich vangeling aan de⁀eigen buit.

't Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurtwat aan een schaduw zich heeft willen hechten?En vast kan zich geen tweedemaal vervlechtende rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.

Dan worden alle klanken, alle kleurenvan 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.

De schakel brak,—de Dood hield u gescheiden,het Leeven sleepte u op zijn deining voort,en, onder nieuwen liefde-groei versmoord,ging schuil het glanzend schoon der eerste tijden.Nochthans, nochthans voltrok zich ongestoordhet heilig Wonder, dat Gelieven beidendoor de⁀eigen liefde⁀elkaar tot God geleiden,—en werd geboekstaafd in ontzach'lijk Woord.Ik zie het aan en huiv'ring grijpt mijn ziel,wij hadden van die Liefde een zwak vermoeden,verrukt alree door 't ongeveer bevroeden—Gedoog, dat ik voor haar gewisheid kniel.Mijn hoofd buigt neer, omgolfd door staat'ge klanken,laat de arme vreemd'ling in úw Tempel danken.

De schakel brak,—de Dood hield u gescheiden,het Leeven sleepte u op zijn deining voort,en, onder nieuwen liefde-groei versmoord,ging schuil het glanzend schoon der eerste tijden.

Nochthans, nochthans voltrok zich ongestoordhet heilig Wonder, dat Gelieven beidendoor de⁀eigen liefde⁀elkaar tot God geleiden,—en werd geboekstaafd in ontzach'lijk Woord.

Ik zie het aan en huiv'ring grijpt mijn ziel,wij hadden van die Liefde een zwak vermoeden,verrukt alree door 't ongeveer bevroeden—Gedoog, dat ik voor haar gewisheid kniel.

Mijn hoofd buigt neer, omgolfd door staat'ge klanken,laat de arme vreemd'ling in úw Tempel danken.

Wat zegt het najaar dat de blaren strooit,het rul-geworden zomerloof doet zwijgenvan voogellied,—en leevens-weeke twijgenmet harde doodspracht van kristallen tooit?Wat zal het leeven van zijn schoon herkrijgen,door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid?Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooidterwijl de welkende geslachten zijgen?Er staat een boom, in lichten Hof geplant,zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len,zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand,zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'lenvan voogelzang. Elk looverken een zielversterkt zijn machtig Leeven, éér het viel.

Wat zegt het najaar dat de blaren strooit,het rul-geworden zomerloof doet zwijgenvan voogellied,—en leevens-weeke twijgenmet harde doodspracht van kristallen tooit?

Wat zal het leeven van zijn schoon herkrijgen,door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid?Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooidterwijl de welkende geslachten zijgen?

Er staat een boom, in lichten Hof geplant,zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len,zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand,zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'lenvan voogelzang. Elk looverken een zielversterkt zijn machtig Leeven, éér het viel.

Ze noemen Liefde wat de ziel doet ziedenin helle vreugde van een oogwenk duur,in lijden leevenslang,—met ieder uurzien ze haar vluchtige bekooring vlieden,—een sidd'rend glimpjen onstandvastig vuurin woestenij van donkre doods-gebieden,waar alle dingen zonder zin geschiedennaar starre wet van ijzige natuur.Maar Hij, die op vervaarlijken en verrenboet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam,kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam,Hij gaf éénzelfden naam aan d'ééne Macht,die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht,en die de Zon beweegt en d'andre sterren.

Ze noemen Liefde wat de ziel doet ziedenin helle vreugde van een oogwenk duur,in lijden leevenslang,—met ieder uurzien ze haar vluchtige bekooring vlieden,—

een sidd'rend glimpjen onstandvastig vuurin woestenij van donkre doods-gebieden,waar alle dingen zonder zin geschiedennaar starre wet van ijzige natuur.

Maar Hij, die op vervaarlijken en verrenboet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam,kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam,

Hij gaf éénzelfden naam aan d'ééne Macht,die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht,en die de Zon beweegt en d'andre sterren.

't Zij dan door zesmaal honderd jaar gescheiden,'t zij dan zóó ongelijk van maat en macht,zijn telgen wij nochthans van één geslachten draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden.Als klank van verre kerk-klok in den nachtd'eenzamen dwaler oover duistre heidenvertroostend meldt waar zijn verwanten beiden,waar hem de lang gederfde haardstee wacht,zoo heeft van ver 't plechtstatige geluid,bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden,mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid,en d'ooren van 't verlaten kindje hoordenmet grooter vreugd de moeder niet, die 't riep,dan ik die roepstem uit der eeuwen diep.

't Zij dan door zesmaal honderd jaar gescheiden,'t zij dan zóó ongelijk van maat en macht,zijn telgen wij nochthans van één geslachten draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden.

Als klank van verre kerk-klok in den nachtd'eenzamen dwaler oover duistre heidenvertroostend meldt waar zijn verwanten beiden,waar hem de lang gederfde haardstee wacht,

zoo heeft van ver 't plechtstatige geluid,bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden,mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid,

en d'ooren van 't verlaten kindje hoordenmet grooter vreugd de moeder niet, die 't riep,dan ik die roepstem uit der eeuwen diep.

Mijn Land, mijn Land, hoe blinken spiegelklaaruw vlieten in de riet-bewassen zoomen,stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen,kalm ligt het vreedige gehuchtje daarmet toorenspitsje en moolentje, te droomen,breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar,die statig aandrijft uit de kimmen, waarhet zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen.Mijn Land van weide en rustloos winde-lied,gij hebt de pracht van Arno's bloemen nieten niet de grootschheid van Ravenna's wouden,mijn Land, toch deed gij mij, als Hem, verstaanwat in 't verganklijke niet kan vergaan,wat ons van 't aardsche leeven voegt te⁀onthouden.

Mijn Land, mijn Land, hoe blinken spiegelklaaruw vlieten in de riet-bewassen zoomen,stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen,kalm ligt het vreedige gehuchtje daar

met toorenspitsje en moolentje, te droomen,breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar,die statig aandrijft uit de kimmen, waarhet zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen.

Mijn Land van weide en rustloos winde-lied,gij hebt de pracht van Arno's bloemen nieten niet de grootschheid van Ravenna's wouden,

mijn Land, toch deed gij mij, als Hem, verstaanwat in 't verganklijke niet kan vergaan,wat ons van 't aardsche leeven voegt te⁀onthouden.

Gij werdt gebannen uit uw vaderstad,gij moest het bittre brood der deernis eetenen kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten,wat hulde en glans de vreemde voor u had,en nimmer heeft één, zooals gij, geweetenhoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad,herdenken van verlooren vreugde-schat,van vroegre banden ééns voor àl gereeten.Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't landmij booven allen dierbaar en gemeenzaam,waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam!Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld?Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld?

Gij werdt gebannen uit uw vaderstad,gij moest het bittre brood der deernis eetenen kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten,wat hulde en glans de vreemde voor u had,

en nimmer heeft één, zooals gij, geweetenhoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad,herdenken van verlooren vreugde-schat,van vroegre banden ééns voor àl gereeten.

Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't landmij booven allen dierbaar en gemeenzaam,waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,

en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam!

Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld?Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld?

Mijn hart smacht naar dat verre vaderland,waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen,toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen,zich ziel aan ziele spon met teedren band.Toen, door dat bliksemfelle licht geslagen,verhief zich ons verwonderde verstand,en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen branden om terugkeer naar dat licht-heil vragen.Dit is mijn smart, dàt raakt het diepste weezenvan al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klankvan innigheid aan deeze zwakke zangen—Gij steegt omhoog, op wieken, sterk en blank,van een grootmachtig, triomfant verlangen—mijn wonde brandt nog altijd ongeneezen.

Mijn hart smacht naar dat verre vaderland,waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen,toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen,zich ziel aan ziele spon met teedren band.

Toen, door dat bliksemfelle licht geslagen,verhief zich ons verwonderde verstand,en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen branden om terugkeer naar dat licht-heil vragen.

Dit is mijn smart, dàt raakt het diepste weezenvan al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klankvan innigheid aan deeze zwakke zangen—

Gij steegt omhoog, op wieken, sterk en blank,van een grootmachtig, triomfant verlangen—

mijn wonde brandt nog altijd ongeneezen.

"De Zeegenbrengster" luidde uw naam, o milde,aan wie de waereld zooveel zeegen dankt,wier brooze leeven, marmervast verklankt,den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde.Ach, blanke liefde-zuil, bloedrood omranktdoor vuurig lied,—één vriendlijk groeten tildeden Held in 't licht,—dat uw zacht aanschijn wildenogmaals verlichten wie er doolt en wankt!Het menschdom stroomt, langs onheilvolle weegen,de stralende uitkomst angstig tegemoet.Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen!Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen!Hoe reiken zij de handen, om den zeegenvan Liefde's minnelijken, zachten groet.

"De Zeegenbrengster" luidde uw naam, o milde,aan wie de waereld zooveel zeegen dankt,wier brooze leeven, marmervast verklankt,den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde.

Ach, blanke liefde-zuil, bloedrood omranktdoor vuurig lied,—één vriendlijk groeten tildeden Held in 't licht,—dat uw zacht aanschijn wildenogmaals verlichten wie er doolt en wankt!

Het menschdom stroomt, langs onheilvolle weegen,de stralende uitkomst angstig tegemoet.Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen!Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen!Hoe reiken zij de handen, om den zeegenvan Liefde's minnelijken, zachten groet.

Men noemde u Beatrice, maar gij draagtheil'ger benaming, onbekend den veelen.Hij heet u "Liefde", wien de glans-tafreelenvan uw verheerlijkt weezen zijn gedaagd,die kroonde uw zeedig hoofd met de juweelenvan zijn kleurfonklend woord. Naar Liefde vraagtnog immer wat op aarde duldt en klaagt.—Zal ooit haar adem 't waereld-aanzicht streelen?Kom, Zeegenrijke! jammerlijk in noodom uwen bijstand moet nog 't menschdom strijden.Vermag nooit in terugkomst te ooverschrijdenuw blijde voet den drempel van den Dood?Des Vreedes Ster! der onrust vijandinne!Verhelder d'aard met uwen lach van minne!

Men noemde u Beatrice, maar gij draagtheil'ger benaming, onbekend den veelen.Hij heet u "Liefde", wien de glans-tafreelenvan uw verheerlijkt weezen zijn gedaagd,

die kroonde uw zeedig hoofd met de juweelenvan zijn kleurfonklend woord. Naar Liefde vraagtnog immer wat op aarde duldt en klaagt.—Zal ooit haar adem 't waereld-aanzicht streelen?

Kom, Zeegenrijke! jammerlijk in noodom uwen bijstand moet nog 't menschdom strijden.Vermag nooit in terugkomst te ooverschrijdenuw blijde voet den drempel van den Dood?

Des Vreedes Ster! der onrust vijandinne!Verhelder d'aard met uwen lach van minne!

Gij, Alighieri, "Glans der Eeuw" geheeten,Ook U noem ik met wijdingsvoller Naam,wantLiefdezaligt slechts metWijsheidsaamen alle Smart vergaat voor 't zoete Weeten.Kom, Wijsheid! dat uw zeegnend licht beschaamwie vreezen van de vrucht der kennis te eeten,en breng' te schand wie lichtschuuw zich vermeetende kracht te keeren van uw vrijen Aâm.Vaar als een frissche wind de velden oover,de vuuren aller Liefde wakker aan!doe aller Harten Vlammen samenslaan!en vaag den Heemel schoon met éénen toover!dat 't dwalend volk weer d'oogen opwaarts richten schouwt naar d'één'gen Oorsprong van Uw licht.

Gij, Alighieri, "Glans der Eeuw" geheeten,Ook U noem ik met wijdingsvoller Naam,wantLiefdezaligt slechts metWijsheidsaamen alle Smart vergaat voor 't zoete Weeten.

Kom, Wijsheid! dat uw zeegnend licht beschaamwie vreezen van de vrucht der kennis te eeten,en breng' te schand wie lichtschuuw zich vermeetende kracht te keeren van uw vrijen Aâm.

Vaar als een frissche wind de velden oover,de vuuren aller Liefde wakker aan!doe aller Harten Vlammen samenslaan!en vaag den Heemel schoon met éénen toover!

dat 't dwalend volk weer d'oogen opwaarts richten schouwt naar d'één'gen Oorsprong van Uw licht.

De Stem des Lichts, die dóórbreekt ooveral,doet dreunend òp de gouden heemeldeuren,en de verborgen duisternissen scheurendoor 't verre daveren van haar geschal,dan baart de troostelooze nachtgrond kleuren,dan bloeit de leelie in het diepste dal,dan stort zich, als een gouden waterval,vreugde in het hart van allen die daar treuren.Voor Wijsheid's aanblik houdt geen jammer stand,voor haar handheffing zwicht de vale ellende,waar zij haar wèl-betoomde rossen mendegloeit al het leevende in haar stralenbrand.En als de bloem naar d'ongenaakbre Zonwendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron.

De Stem des Lichts, die dóórbreekt ooveral,doet dreunend òp de gouden heemeldeuren,en de verborgen duisternissen scheurendoor 't verre daveren van haar geschal,

dan baart de troostelooze nachtgrond kleuren,dan bloeit de leelie in het diepste dal,dan stort zich, als een gouden waterval,vreugde in het hart van allen die daar treuren.

Voor Wijsheid's aanblik houdt geen jammer stand,voor haar handheffing zwicht de vale ellende,waar zij haar wèl-betoomde rossen mendegloeit al het leevende in haar stralenbrand.

En als de bloem naar d'ongenaakbre Zonwendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron.

Thans weet ge, als ik, dat d'Almacht hooger troontdan uw goud-vleugelige zangen steegen,en dat de ziel langs nog benarder weegen't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont,en dat alom daarbuiten is geleegende macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont,en dat Gehenna geen verschrikking toontzóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen.Wat is er Hel, 't en zij de Hel van Waanwaar, door een schijn verblijd, wij armen allenverspeelen ons kortstondige bestaan,om lachend in den muil des Doods te vallen?En God ziet toe, hoe ons wuft leeven vlucht,maar van zijn strengen mond valt geen gerucht.

Thans weet ge, als ik, dat d'Almacht hooger troontdan uw goud-vleugelige zangen steegen,en dat de ziel langs nog benarder weegen't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont,

en dat alom daarbuiten is geleegende macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont,en dat Gehenna geen verschrikking toontzóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen.

Wat is er Hel, 't en zij de Hel van Waanwaar, door een schijn verblijd, wij armen allenverspeelen ons kortstondige bestaan,om lachend in den muil des Doods te vallen?

En God ziet toe, hoe ons wuft leeven vlucht,maar van zijn strengen mond valt geen gerucht.

Wie eens uw watervelden heeft aanschouwdo zee! waaroover zilvren glanzen glijenen zag uw eindelooze golvenrijenaanstrijken van de kimme, grijs en goud,wie ééns met uwer blauwe woestenijenschriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd,en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud,d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen,hoe kan die anders dan in smachtend duldende droefheid ondergaan van enger sfeer?Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meerschoon aarde en zon hem elke wensch vervulden.Hij wil de wijdheid der verlaten kustenals kon hij nader dáár aan Gods hart rusten.

Wie eens uw watervelden heeft aanschouwdo zee! waaroover zilvren glanzen glijenen zag uw eindelooze golvenrijenaanstrijken van de kimme, grijs en goud,

wie ééns met uwer blauwe woestenijenschriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd,en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud,d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen,

hoe kan die anders dan in smachtend duldende droefheid ondergaan van enger sfeer?Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meerschoon aarde en zon hem elke wensch vervulden.Hij wil de wijdheid der verlaten kustenals kon hij nader dáár aan Gods hart rusten.

't Is niet om mij, 't is om ons droef geslachtdat nog die wonde branden blijft hierbinnen,want ik moet haten teevens en beminnenen liefde blijven geeven waar 'k veracht.Zoo was Hij niet, die met gelijke krachtgeliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen,en zich van 's Waerelds einddoel en beginnenen d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht.Maar in mij gloort een vonk van nieuwen dag,wèl ongewis nog en in hachlijk beeven,maar voorboô van een ruimer, schooner leevendan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag.Zoo zal ik dan, welweetend, zonder klagen,dit heilig lijdensmerk geduldig dragen.

't Is niet om mij, 't is om ons droef geslachtdat nog die wonde branden blijft hierbinnen,want ik moet haten teevens en beminnenen liefde blijven geeven waar 'k veracht.

Zoo was Hij niet, die met gelijke krachtgeliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen,en zich van 's Waerelds einddoel en beginnenen d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht.

Maar in mij gloort een vonk van nieuwen dag,wèl ongewis nog en in hachlijk beeven,maar voorboô van een ruimer, schooner leevendan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag.

Zoo zal ik dan, welweetend, zonder klagen,dit heilig lijdensmerk geduldig dragen.

Zooals de kleuren nu mijn hart opbeurendeeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd,en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeurenheeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.Het Leeven spreekt nu met een klare stem.Als 't carrillon des morgens van een tooren,dreunt mij, die opziet, wislijk en met klemde blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.Elk lijden waan, zonder bestand noch duur,elk pijntje⁀een wenk en richtvonk onzer weegen,de waan een toornwolk rond Gods liefdevuurhoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vaderdigt bij mij, digt, den dag, den nacht—den nacht,liever dan 't liefst en dan het naaste nader,de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.Nu zie ik weer geranium en lindemet 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakten zee en duin, die ik als kind zóó mindemijn manlijk hart met voller vreugde raakt.Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden!wanneer herinnren faalt en denkkracht dooftheb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden,dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen,'k zie gansch den nacht niet om één vonkske lichten waar een hart zich ópdoet, moet ook vallenmijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden,niemand moog danken, nochthans blijft de lust,om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden,ik ken het zoete werk om zoeter rust.Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwend'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht,geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwendie zich ontvouwen voor het reegenvocht.Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden,geen meerder weetenschap en doet u nood:blijf 's Leevens kern betrouwen—en de Doodmet àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.

Zooals de kleuren nu mijn hart opbeurendeeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd,en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeurenheeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.

Het Leeven spreekt nu met een klare stem.Als 't carrillon des morgens van een tooren,dreunt mij, die opziet, wislijk en met klemde blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.

Elk lijden waan, zonder bestand noch duur,elk pijntje⁀een wenk en richtvonk onzer weegen,de waan een toornwolk rond Gods liefdevuurhoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.

En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vaderdigt bij mij, digt, den dag, den nacht—den nacht,liever dan 't liefst en dan het naaste nader,de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.

Nu zie ik weer geranium en lindemet 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakten zee en duin, die ik als kind zóó mindemijn manlijk hart met voller vreugde raakt.

Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden!wanneer herinnren faalt en denkkracht dooftheb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden,dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.

Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen,'k zie gansch den nacht niet om één vonkske lichten waar een hart zich ópdoet, moet ook vallenmijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.

Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden,niemand moog danken, nochthans blijft de lust,om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden,ik ken het zoete werk om zoeter rust.

Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwend'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht,geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwendie zich ontvouwen voor het reegenvocht.

Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden,geen meerder weetenschap en doet u nood:blijf 's Leevens kern betrouwen—en de Doodmet àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.


Back to IndexNext