[Inhoud]HOOFDSTUK III.HOOFDSTUK III.Omtrent vier dagen later stond David, vroeg in den morgen bij zijns vaders wagen, bezig om zijn geweer schoon te maken, en er een nieuwen vuursteen in te zetten, toen iemand hem kwam zeggen, dat de Kommandant-Generaal hem wilde zien. De jonge man zette dadelijk zijn geweer neder, en ging naar Retiefs tent, voor welke hij dezen zag staan met een half dozijn andere Emigranten.„David,” sprak Retief, „ik ga morgen op reis naar kapitein Sikonyella en van daar naar Moshesh. Ik wil een man of wat samen nemen als escort, en jij moet een van hullie wees. Oom Frans Joubert[24]gaat samen, en Lang Hans Malan ook. Maar als jij liever wil thuisblijven, kan je zoo zeggen.”„Neen, Oom Pieter, ik zal samen gaan,” riep David uit, blij om een kans te krijgen om wat rond te rijden en de wereld te zien. Voor geen geld ter wereld had hij willen thuisblijven, alsof hij een lafaard was.„Morgen ochtend dagbreek rij ons hier vandaan,” vervolgde Retief, „je moet voor minstens acht dagen brood of beschuit samen nemen. Vleesch zullen wij wel op pad kunnen schieten. Zorg, dat je geweer in orde is, en dat je kruit en kogels genoeg heb.”David beloofde daarvoor te zorgen, en ging daarop Lang Hans opzoeken, die niet alleen zijn neef was, maar ook zijn boezemvriend, zoodat men hun dikwijls de namen gaf van David en Jonathan. Hans wist reeds, dat hij met Retief moest samengaan, en hij had er even veel plezier in als zijn neef. Beiden waren den geheelen morgen bezig om hunne geweren in de best mogelijke orde te brengen, en een aantal kogels te gieten. Toen gingen zij naar hunne paarden kijken, zorgden voor hunne zadels en toomen, en gingen dien avond vroeg naar bed, ten einde den volgenden morgen met uitgerust lijf den langen rit te aanvaarden. Martje was echter niet in haar schik met de zaak. Haar Pa moest met Retief samen, en[25]nu nog David ook. Zij zeide dan ook, dat zij dit glad niet mooi van Oom Pieter vond, om beiden samen te nemen. Waarom moest David altijd samen, wanneer er gevaar was? En dan was David zoo onverschillig en was voor niets bang. Zij pruttelde op die wijze voort, geheel en al ontevreden, en voor zij David dien avond den vaarwelkus gaf, moest deze met hand en mond beloven, om toch voorzichtig te wezen, en zijn leven niet bloot te stellen. Wel lachte David om al die vreesachtigheid van het meisje, maar om haar gerust te stellen beloofde hij alles, wat zij wou hebben.Den volgenden dag, bij het eerste licht des dageraads trok een kleine stoet van vier blanken en drie kleurlingen het kamp te Vetrivier uit, en reed langs de rivier in eene oostelijke richting. Daar er geen pad was, ging het dwars door het veld, waarop sommige plekken het gemboks gras vijf voet hoog stond. Vooraan reden Pieter Retief en Frans Joubert, Martje’s vader, een fluksche Afrikaner, die in den oorlog van 1834 aan Retiefs zijde had gestreden, en reeds jaren lang diens grooten vriend en helper was. Als Retief raad noodig had, was Frans Joubert de eerste man tot wien hij zich wendde, en de raad, die hij dan ontving, was dan ook altijd zoo verstandig en degelijk, dat hij nooit verder behoefde te[26]gaan. Een twintig treden achter hen reden David en Hans en waarlijk, zij sloegen bij elkaar zulk een snaaksch figuur, dat men niet helpen kon er over te lachen. David, hoewel breed van schouders en sterk gebouwd, was een beetje kort. Hij reed op een klein, vast paard, uit dat oude geslacht der Kaapsche „ponies,” dat thans helaas, bijna geheel uitgestorven is, doch wier kenteekenen waren: een ontembare moed en een ontzaglijke gehardheid tegen vermoeienis. Walton, zooals Davids paard heette, was dan ook nog nooit in zijn leven „flauw” geweest, niettegenstaande hij menigen dag van zonop tot zononder onder den zadel was. Lang Hans verdiende zijn naam eerlijk. Zijne lengte was zes voet acht duim, maar bij verre het grootste gedeelte hiervan kwam voor rekening zijner ontzettend lange beenen. Dit maakte dat hij een groot paard noodig had. Inderdaad reed hij dan ook op een dat zeer hoog was en wit van kleur, hetgeen echter niet belette, dat zijne beenen niet meer dan twee voet van den grond hingen. Het contrast tusschen die twee was dan ook zeer wonderlijk, zooals een ieder zal kunnen begrijpen.Achter Hans en David reden drie kleurlingen, ieder met een handpaard, dat beladen was met brood en beschuit, koffie, suiker, tabak, een keteltje, een rooster[27]en dergelijke benoodigdheden meer. Een pakpaard droeg vier overige geweren, en een voorraad kruit en lood. Een dier kleurlingen verdient een woordje van ons. Het is Willem, de trouwe dienaar van Pieter Retief, nu reeds meer dan vijftien jaar in zijnen dienst. Willem was een Basuto van geboorte. In zijne jonge jaren had hij zich verhuurd aan een Engelsch jager, die groot wild was komen schieten ten noorden van den Oranjerivier, en met dezen was hij teruggegaan naar de Kolonie. Na eenig rondzwerven was bij eindelijk naar Grahamstown gekomen, en werd hier door Retief gehuurd. Eerlijk en getrouw, was hij vooral thans van groot nut voor Retief, want hij sprak niet alleen de Basutotaal, maar ook de dialecten der Baralong en der Batlokua, Kaffers tot welken laatsten stam Sikonyella behoorde. De vier blanken waren allen gewapend, en ook Willem had een geweer met toebehooren. De andere kleurlingen hadden geen wapens, behalve dat zij ieder een korte bijl aan den zadel gesnoerd hadden, die eigenlijk bestemd was om hout te kappen, maar in tijd van nood een zeer handig wapen kon zijn.Wij zullen Retief en de zijnen hunnen weg laten vervolgen en eerst onze lezers iets verhalen omtrent den rooverkapitein Sikonyella en het Basuto-opperhoofd Moshesh.[28]Sikonyella was de zoon van Mokotsho, het opperhoofd der Batlokua, die toen aan den bovenloop der Vaalrivier woonde. Daar zijn vader stierf, toen hij nog klein was, werd zijne moeder Ma Ntatisi regentes over den stam. Zij was eene heldhaftige vrouw, die allen ontzag inboezemde. Toen Sikonyella omtrent 18 jaar oud was, werden de Batlokua door een vijandelijken stam verdreven uit hunne woonplaatsen en trokken daarop naar het noorden van de Vaalrivier. Na eene groote slachting onder de stammen aldaar aangericht te hebben, werden zij door de Bangwaketsi verslagen en wendden zich daarop Zuid-Westwaarts. Hier echter leden zij een nieuwe nederlaag van Adam Kok, het hoofd der Griquas, waarop de bende zich in een aantal kleinere deelen opsplitste. Ma Ntatisi en Sikonyella keerden met één deel terug naar de Caledon, en vestigden zich in het tegenwoordige district Bethlehem, niet ver van den oorsprong der genoemde rivier. Daar zetten zij zich neder op een bijna ontoegankelijken berg, en van daar gingen de Batlokua steeds op rooverstochten uit, steelden wat er te stelen viel.Zijn groote vijand was Moshesh. Deze werd met een deel van zijn stam van de Tslotsi Hoogten verjaagd door Ma Ntatisi en nam toen met zijne volgelingen de wijk naar den berg Thaba Bosigo,[29]een sterke en bijna onneembare rotsvesting. Moshesh was toen een man van zoowat dertig jaren, in de volle kracht des levens. Een uitmuntend krijgsman, geslepen van aard, doch tevens gematigd en met een zeer gezond verstand begiftigd, gelukte het Moshesh binnen kort den grondslag te leggen van den later zoo machtige Basutostam. Vluchtelingen van andere stammen vonden bij hem een welkom, en geheele kleine stammen erkenden hem als opperhoofd ten einde onder zijne bescherming te staan. Op den tijd waarvan wij thans spreken, was het geheele tegenwoordige Basutoland en een groot deel van den westelijken Oranje-Vrijstaat onder zijne macht. Het grootste deel hiervan was echter eene woestenij, want de Basuto’s woonden allen rondom Thaba Bosigo, waar de vruchtbare dalen hun rijkelijk mielies en kafferkoorn verschaften en waar hun vee welig tierde. In 1833 kwamen er twee Fransche zendelingen bij Moshesh.Hij ontving hen zeer vriendelijk en gaf hun eene vruchtbare vallei ter woonplaats, omtrent vier uur te paard van Thaba Bosigo gelegen. Hier stichtte zij de Zendingsstatie Morija.Wij keeren thans tot onze reizigers terug. Na een uur of twee gereden te hebben, kwamen zij aan een boerenlagertje en hier verfrischten zij zich met een lekker „breakfast”. Dit was het laatste boerenkamp[30]en zij gingen nu letterlijk een graswoestijn in. Tegen den middag schoot Retief een prachtigen gemsbok-ram, die dan ook kort daarop een dinner verschafte, ten minste een bout er van. Het andere vleesch werd bewaard voor den avond en den volgenden morgen. Men had nu Vetrivier verlaten en reed recht tegen het Oosten op. Dien avond werd er dicht bij een spruit overnacht en ieder hield op zijn beurt met een van het volk de wacht bij een groot vuur. Wel hoorde men de leeuwen brullen, maar hinderlijk was het gedierte niet. Den volgenden dag ging men weder verder. Dien middag tegen twaalf ure, juist toen men een groote spruit was doorgereden, sprong het paard van Retief met zulk geweld plotseling op zijde, dat het zijn ruiter moeite kostte in den zadel te blijven, en het paard van Joubert deed kort daarna hetzelfde. De dieren blaasden en waren blijkbaar erg verschrikt.„Wat is dit, Oom Pieter,” riepen David en Hans als uit eenen mond, en zij galoppeerden zoo snel zij konden naar de anderen, die zoowat veertig passen voor hen uit waren.Voor Retief antwoord kon geven, deed een geweldig gebrul zich hooren, en uit een bosch hoog gras sprong een geweldige leeuw, een mannetje, te voorschijn van de soort die men „zwartmanen” noemt. Het paard van Retief was nu zoo onhandelbaar dat zijn[31]ruiter niet in staat was af te klimmen. De leeuw scheen zich voor een tweeden sprong gereed te maken, maar voor hij dien kon doen, dreunde er een schot, en de leeuw zakte ineen met een kogel in de hersenen. Het was Hans Malan, die bliksemsnel van zijn paard was gesprongen, en den leeuw den kogel tusschen de oogen had gejaagd.Toen Retief zijn paard tot bedaren had gebracht steeg hij af, gaf de teugels aan Frans Joubert en liep naar Hans toe. „Kerel, Hans, je hebt mijn leven gered, en ik ben je er dankbaar voor. Was jij niet zoo gauw geweest, dan was de leeuw zeker op mij of mijn paard gesprongen. Je hebt crediet van dat schot,” zeide hij, op den leeuw afstappende, die geheel levenloos daar lag.„Ja, Oom Pieter, die schot was een beetje banja haastig, maar dit was al kans, die ik had, want hij draaide net even zijn kop recht naar mij toe.”Na een poosje reed men verder, en op den morgen van den vierden dag wees Willem in de verte een hoogen berg, waarop, zooals hij zeide, Sikonyella’s stad lag. Tot hiertoe had men de paarden gespaard, doch nu ging het in flinken galop voorwaarts en om drie uur in den middag was men bij den voet van den berg, waar eenige Kafferkralen stonden. Willem moest nu vooruitrijden om als gids te dienen.[32]Hij reed een steile kloof in, langs een voetpad, dat zoo nauw was, dat men de één achter den ander moest rijden. De kloof werd al nauwer, en de berg werd aan weerszijden al stijler, totdat de rotswanden honderden voeten aan weerszijden zich loodrecht verhieven, en er van de blauwe lucht niets meer te zien was dan een dun streepje. Het pad was nu zoo steil en klipperig, dat de paarden nauwelijks op hunne pooten konden blijven. Willem steeg dan ook af, en leidde zijn paard, een voorbeeld, dat door al de anderen gevolgd werd. Men was bijna boven op den berg en het pad begon iets wijder te worden, toen plotseling vier Kaffers, met assegaaien hoog opgeheven, achter een vooruitstekende rotspunt uitsprongen, en in hunne taal eenige woorden uitriepen. Deze plotselinge verschijning deed onze Boeren naar hunne roers grijpen, maar Willem riep luidkeels eenige woorden tot de aanvallers, en wenkte toen zijn baas om met de anderen te blijven waar hij was, terwijl hij een twintig treden nader bij de nog steeds dreigende Kaffers ging. Er volgde toen een lange woordenstrijd en veel gebaar tusschen Willem en de vier aanvallers, die dan ook spoedig hunne assegaaien tot rust brachten. Na zoowat een kwartier liep een der Kaffers weg, en Willem wenkte, dat de anderen hooger op tot bij hem konden komen.[33]De eene Kaffer is Sikonyella gaan vertellen, dat de kapitein van de Boeren hem zien wil, en als Sikonyella gewillig is ons te ontvangen, zal hij een van de onderkapiteins zenden, om ons naar zijn kraal te brengen.Na verloop van zoowat twintig minuten kwam de boodschapper terug, vergezeld van een anderen. Deze laatste was een der onderkapiteins der Batlokua en nu ontstond er weder een gepraat tusschen hem en Willem. Daarna zeide Willem dat men te paard kon stijgen en hem volgen. Eenige minuten later was men op den top van den berg en hier deed zich een aardig gezicht voor. De berg was boven bijna geheel vlak. Op omtrent vierhonderd treden afstands van den pas of de kloof lag de stad van Sikonyella uit zoowat duizend ronde Kafferhutten bestaande. Daarachter was een groote pan, vol water, en aan den anderen kant van deze pan een groote vlakte waarop paarden, beesten en bokken in menigte weidden. De twee geleiders liepen recht op de stad af, voorbij een aantal hutten en hielden eindelijk stil bij een hoogen ronden muur. Hier gaven zij Willem te kennen, dat hij en de anderen moesten wachten, waarop zij door den ingang verdwenen. Eenige oogenblikken later kwamen zij terug en begonnen weder een gesprek met Willem.[34]„Hulle zeg, baas” zeide Willem tot Retief, „dat die wit menschen kan ingaan, maar die paarden moet hier buiten blijven, en die bazen moet ook hulle roers hier laten.”Misschien zou Retief dit werkelijk gedaan hebben, maar Frans Joubert dacht er anders over. Hij had geleerd om nooit een Kaffer te vertrouwen, en hij zeide dan ook aan Willem: „Zeg aan hulle dat onze paarden hier zullen blijven, maar dat ons nergens gaat zonder onze roers.”Dit antwoord scheen de twee Batlokua niet te bevallen, en zij verdwenen weder door den ingang. Ditmaal bleven zij meer dan een half uur weg, doch toen zij eindelijk terugkwamen, gaven zij Willem te kennen „dat die Boeren konden binnengaan met hulle roers.”De vier Boeren stegen toen van hunne paarden af en met Retief voorop en hunne roers in den arm, gingen zij den nauwen ingang binnen.Binnen den ringmuur stonden negen Kafferhutten, grooter dan de andere van de stad, en voor die in het midden zat een sterke, groote en pikzwarte Kaffer. Dit was Sikonyella. Langs hem zat een oude Kaffervrouw, niemand anders dan de eens zoo gevreesde Ma Ntatisa, Sikonyella’s moeder. Aan weerszijden van hen, gehurkt op den grond, was er een twaalftal[35]van Sikonyella’s raadslieden, en achter hen stonden een honderdtal Batlokuastrijders met schild en assegaai.Retief en de andere drie bleven een paar schreden voor Sikonyella stilstaan, en daarop zeide Willem in de Batlokua taal:„De kaptein der Boeren groet den grooten kaptein der Batlokua.”„Dit is goed,” antwoordde Sikonyella, „ik groet den kaptein der Boeren. Maar wat komt de kaptein hier maken en wat wil hij van mij hebben.”Willem vertaalde dit aan Retief, die antwoordde: „Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren hier in het land gekomen zijn in vrede en in vrede wenschen te leven met al de stammen, die in dit land wonen. Zij willen met kaptein Sikonyella een verbond van vriendschap aangaan, en daarvoor hebben zij mij, hun grooten kaptein, gezonden.”„Waar wonen de Boeren?” vroeg Sikonyella.„Wij wonen niet ver van Thaba ’Nchu, bij de Vetrivier,” antwoordde Retief.„Dat is niet mijn land, maar hoort aan Moselikatse, en zoolang zij daar blijven zal ik de Boeren niet hinderen. Maar in het land waar ik woon, zullen de Boeren niet komen. Mijn land is klein, en mijn stam is groot, en ik zal niet toelaten, dat de Boeren mijn volk hinderen.”[36]„Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren geen strook gronds van hem zullen nemen. Hun plan is om te blijven wonen waar zij zijn, want daar is veld genoeg voor hun vee.”Dit antwoord scheen Sikonyella te bevredigen, en zijn eenigszins stoutmoedige houding begon te verdwijnen.„Als ik een verbond van vriendschap met de Boeren maak, zullen zij dan mij tegen mijne vijanden helpen?” vroeg de slimme Kaffer-kapitein.Retief zag echter door de strikvraag en antwoordde: „Als kapitein Sikonyella’s vijanden hem aanvallen, zullen de Boeren hem zekerlijk helpen.”„Zult gij mij tegen Moshesh helpen,” was de volgende vraag.„Wij zullen niet toelaten dat Moshesh u aanvalt. Doet hij dit, dan zullen wij hem straffen.”Sikonyella deed een tevredenHm!hooren, alsof hij gerustgesteld was.„Ik zal een vriendschapsverbond aangaan met de Boeren,” vervolgde hij na eenig stilzwijgen: „op deze voorwaarde dat zij mij zullen helpen tegen mijne vijanden, en ik hen tegen de hunne.”Toen dit aan Retief vertaald werd, zeide hij aan David om de geschenken te halen, die hij medegebracht had, en David ging toen naar buiten en kwam[37]spoedig terug met een geweer, een zakjekruit, een zakje kogels, en een doek, waarin iets gewikkeld was.Retief nam het geweer, hetkruiten de kogels, en zeide tot Willem: „Geef dit aan kapitein Sikonyella als een geschenk van mij en als bewijs van ons verbond.”Sikonyella was opgetogen van blijdschap, toen hij dit geschenk ontving, want een extra goed geweer, zooals dit er een was, had hij al lang begeerd.Op een wenk en een paar woorden van hem, sprong een der raadslieden op, en liep een der hutten binnen en kwam terug met een prachtige Karros van tijgervellen.Sikonyella overhandigde die aan Willem: „Geef die aan den grooten kapitein der Boeren, en zeg hem dat Sikonyella trouw zijn verbond zal bewaren.”Retief had nu den doek losgemaakt en haalde er een halssnoer uit van groote kralen van allerlei kleuren en dit gaf hij aan Ma Ntatisi ten geschenke. De oude vrouw greep gretig naar het snoer, en deed het dadelijk om haar hals, waarna zij opstond en de hut aan de achterzijde inging, zeker om haar kostbaar geschenk aan Sikonyella’s vrouwen te gaan wijzen.Tot op dit oogenblik waren Retief en zijne volgelingen staande gebleven; maar Sikonyella liet nu matten voor hen spreiden, om op te zitten. Ook zond[38]hij eenige Kaffers om voor de paarden te zorgen, en het goed op de paarden te bergen in eene daartoe aangewezen hut, en verder gaf hij last om aan de dienstboden der blanken het noodige voedsel te verschaffen.Er vond toen nog een lang gesprek plaats tusschen Retief en den Kafferkapitein.Een hut werd daarna den Boeren aangewezen, waar zij konden overnachten, en daar de hut nieuw en schoon was, was het volstrekt geen slechten slaapplek. Ook zond Sikonyella een slachtbok, melk, mielies en „juala” of Kafferbier, dat, zooals Hans zeide, glad niet slecht smaakte.Den volgenden morgen vertrok Retief en de zijnen, na Sikonyella gegroet te hebben, en vervolgden hunnen weg naar Thaba Bosigo.Ook Moshesh ontving hen goed, en trad ook in een vriendschapsverbond met de Emigranten. Retief was zeer in zijn schik met den uitslag zijner reis, en toen hij, na tien dagen weg te zijn geweest, weder te Vetrivier terug kwam, kon hij zijne vrienden aldaar verzekeren, dat zij voor de naburige Kaffers niet behoefden te vreezen.Kort na Retiefs terugkomst kwam er een nieuwe trek der Emigranten, onder aanvoer van den ouden patriarch Jacobus Uys. Zij kwamen uit het district[39]Uitenhage, en waren een groote aanwinst voor de Boeren, vooral in den persoon van Peter Lavras Uys, den zoon van den ouden Jacobus. Deze had in den Kafferoorlog van 1834 aan de zijde van Retief gestreden en zijne dapperheid en krijgskunde waren hoog geroemd, zoowel door Engelschen als Afrikaners. Zulke mannen had men noodig en het was geen wonder, dat Pieter Lavras Uys, kort na zijn aankomst, gekozen werd als een der kommandanten.[40]
[Inhoud]HOOFDSTUK III.HOOFDSTUK III.Omtrent vier dagen later stond David, vroeg in den morgen bij zijns vaders wagen, bezig om zijn geweer schoon te maken, en er een nieuwen vuursteen in te zetten, toen iemand hem kwam zeggen, dat de Kommandant-Generaal hem wilde zien. De jonge man zette dadelijk zijn geweer neder, en ging naar Retiefs tent, voor welke hij dezen zag staan met een half dozijn andere Emigranten.„David,” sprak Retief, „ik ga morgen op reis naar kapitein Sikonyella en van daar naar Moshesh. Ik wil een man of wat samen nemen als escort, en jij moet een van hullie wees. Oom Frans Joubert[24]gaat samen, en Lang Hans Malan ook. Maar als jij liever wil thuisblijven, kan je zoo zeggen.”„Neen, Oom Pieter, ik zal samen gaan,” riep David uit, blij om een kans te krijgen om wat rond te rijden en de wereld te zien. Voor geen geld ter wereld had hij willen thuisblijven, alsof hij een lafaard was.„Morgen ochtend dagbreek rij ons hier vandaan,” vervolgde Retief, „je moet voor minstens acht dagen brood of beschuit samen nemen. Vleesch zullen wij wel op pad kunnen schieten. Zorg, dat je geweer in orde is, en dat je kruit en kogels genoeg heb.”David beloofde daarvoor te zorgen, en ging daarop Lang Hans opzoeken, die niet alleen zijn neef was, maar ook zijn boezemvriend, zoodat men hun dikwijls de namen gaf van David en Jonathan. Hans wist reeds, dat hij met Retief moest samengaan, en hij had er even veel plezier in als zijn neef. Beiden waren den geheelen morgen bezig om hunne geweren in de best mogelijke orde te brengen, en een aantal kogels te gieten. Toen gingen zij naar hunne paarden kijken, zorgden voor hunne zadels en toomen, en gingen dien avond vroeg naar bed, ten einde den volgenden morgen met uitgerust lijf den langen rit te aanvaarden. Martje was echter niet in haar schik met de zaak. Haar Pa moest met Retief samen, en[25]nu nog David ook. Zij zeide dan ook, dat zij dit glad niet mooi van Oom Pieter vond, om beiden samen te nemen. Waarom moest David altijd samen, wanneer er gevaar was? En dan was David zoo onverschillig en was voor niets bang. Zij pruttelde op die wijze voort, geheel en al ontevreden, en voor zij David dien avond den vaarwelkus gaf, moest deze met hand en mond beloven, om toch voorzichtig te wezen, en zijn leven niet bloot te stellen. Wel lachte David om al die vreesachtigheid van het meisje, maar om haar gerust te stellen beloofde hij alles, wat zij wou hebben.Den volgenden dag, bij het eerste licht des dageraads trok een kleine stoet van vier blanken en drie kleurlingen het kamp te Vetrivier uit, en reed langs de rivier in eene oostelijke richting. Daar er geen pad was, ging het dwars door het veld, waarop sommige plekken het gemboks gras vijf voet hoog stond. Vooraan reden Pieter Retief en Frans Joubert, Martje’s vader, een fluksche Afrikaner, die in den oorlog van 1834 aan Retiefs zijde had gestreden, en reeds jaren lang diens grooten vriend en helper was. Als Retief raad noodig had, was Frans Joubert de eerste man tot wien hij zich wendde, en de raad, die hij dan ontving, was dan ook altijd zoo verstandig en degelijk, dat hij nooit verder behoefde te[26]gaan. Een twintig treden achter hen reden David en Hans en waarlijk, zij sloegen bij elkaar zulk een snaaksch figuur, dat men niet helpen kon er over te lachen. David, hoewel breed van schouders en sterk gebouwd, was een beetje kort. Hij reed op een klein, vast paard, uit dat oude geslacht der Kaapsche „ponies,” dat thans helaas, bijna geheel uitgestorven is, doch wier kenteekenen waren: een ontembare moed en een ontzaglijke gehardheid tegen vermoeienis. Walton, zooals Davids paard heette, was dan ook nog nooit in zijn leven „flauw” geweest, niettegenstaande hij menigen dag van zonop tot zononder onder den zadel was. Lang Hans verdiende zijn naam eerlijk. Zijne lengte was zes voet acht duim, maar bij verre het grootste gedeelte hiervan kwam voor rekening zijner ontzettend lange beenen. Dit maakte dat hij een groot paard noodig had. Inderdaad reed hij dan ook op een dat zeer hoog was en wit van kleur, hetgeen echter niet belette, dat zijne beenen niet meer dan twee voet van den grond hingen. Het contrast tusschen die twee was dan ook zeer wonderlijk, zooals een ieder zal kunnen begrijpen.Achter Hans en David reden drie kleurlingen, ieder met een handpaard, dat beladen was met brood en beschuit, koffie, suiker, tabak, een keteltje, een rooster[27]en dergelijke benoodigdheden meer. Een pakpaard droeg vier overige geweren, en een voorraad kruit en lood. Een dier kleurlingen verdient een woordje van ons. Het is Willem, de trouwe dienaar van Pieter Retief, nu reeds meer dan vijftien jaar in zijnen dienst. Willem was een Basuto van geboorte. In zijne jonge jaren had hij zich verhuurd aan een Engelsch jager, die groot wild was komen schieten ten noorden van den Oranjerivier, en met dezen was hij teruggegaan naar de Kolonie. Na eenig rondzwerven was bij eindelijk naar Grahamstown gekomen, en werd hier door Retief gehuurd. Eerlijk en getrouw, was hij vooral thans van groot nut voor Retief, want hij sprak niet alleen de Basutotaal, maar ook de dialecten der Baralong en der Batlokua, Kaffers tot welken laatsten stam Sikonyella behoorde. De vier blanken waren allen gewapend, en ook Willem had een geweer met toebehooren. De andere kleurlingen hadden geen wapens, behalve dat zij ieder een korte bijl aan den zadel gesnoerd hadden, die eigenlijk bestemd was om hout te kappen, maar in tijd van nood een zeer handig wapen kon zijn.Wij zullen Retief en de zijnen hunnen weg laten vervolgen en eerst onze lezers iets verhalen omtrent den rooverkapitein Sikonyella en het Basuto-opperhoofd Moshesh.[28]Sikonyella was de zoon van Mokotsho, het opperhoofd der Batlokua, die toen aan den bovenloop der Vaalrivier woonde. Daar zijn vader stierf, toen hij nog klein was, werd zijne moeder Ma Ntatisi regentes over den stam. Zij was eene heldhaftige vrouw, die allen ontzag inboezemde. Toen Sikonyella omtrent 18 jaar oud was, werden de Batlokua door een vijandelijken stam verdreven uit hunne woonplaatsen en trokken daarop naar het noorden van de Vaalrivier. Na eene groote slachting onder de stammen aldaar aangericht te hebben, werden zij door de Bangwaketsi verslagen en wendden zich daarop Zuid-Westwaarts. Hier echter leden zij een nieuwe nederlaag van Adam Kok, het hoofd der Griquas, waarop de bende zich in een aantal kleinere deelen opsplitste. Ma Ntatisi en Sikonyella keerden met één deel terug naar de Caledon, en vestigden zich in het tegenwoordige district Bethlehem, niet ver van den oorsprong der genoemde rivier. Daar zetten zij zich neder op een bijna ontoegankelijken berg, en van daar gingen de Batlokua steeds op rooverstochten uit, steelden wat er te stelen viel.Zijn groote vijand was Moshesh. Deze werd met een deel van zijn stam van de Tslotsi Hoogten verjaagd door Ma Ntatisi en nam toen met zijne volgelingen de wijk naar den berg Thaba Bosigo,[29]een sterke en bijna onneembare rotsvesting. Moshesh was toen een man van zoowat dertig jaren, in de volle kracht des levens. Een uitmuntend krijgsman, geslepen van aard, doch tevens gematigd en met een zeer gezond verstand begiftigd, gelukte het Moshesh binnen kort den grondslag te leggen van den later zoo machtige Basutostam. Vluchtelingen van andere stammen vonden bij hem een welkom, en geheele kleine stammen erkenden hem als opperhoofd ten einde onder zijne bescherming te staan. Op den tijd waarvan wij thans spreken, was het geheele tegenwoordige Basutoland en een groot deel van den westelijken Oranje-Vrijstaat onder zijne macht. Het grootste deel hiervan was echter eene woestenij, want de Basuto’s woonden allen rondom Thaba Bosigo, waar de vruchtbare dalen hun rijkelijk mielies en kafferkoorn verschaften en waar hun vee welig tierde. In 1833 kwamen er twee Fransche zendelingen bij Moshesh.Hij ontving hen zeer vriendelijk en gaf hun eene vruchtbare vallei ter woonplaats, omtrent vier uur te paard van Thaba Bosigo gelegen. Hier stichtte zij de Zendingsstatie Morija.Wij keeren thans tot onze reizigers terug. Na een uur of twee gereden te hebben, kwamen zij aan een boerenlagertje en hier verfrischten zij zich met een lekker „breakfast”. Dit was het laatste boerenkamp[30]en zij gingen nu letterlijk een graswoestijn in. Tegen den middag schoot Retief een prachtigen gemsbok-ram, die dan ook kort daarop een dinner verschafte, ten minste een bout er van. Het andere vleesch werd bewaard voor den avond en den volgenden morgen. Men had nu Vetrivier verlaten en reed recht tegen het Oosten op. Dien avond werd er dicht bij een spruit overnacht en ieder hield op zijn beurt met een van het volk de wacht bij een groot vuur. Wel hoorde men de leeuwen brullen, maar hinderlijk was het gedierte niet. Den volgenden dag ging men weder verder. Dien middag tegen twaalf ure, juist toen men een groote spruit was doorgereden, sprong het paard van Retief met zulk geweld plotseling op zijde, dat het zijn ruiter moeite kostte in den zadel te blijven, en het paard van Joubert deed kort daarna hetzelfde. De dieren blaasden en waren blijkbaar erg verschrikt.„Wat is dit, Oom Pieter,” riepen David en Hans als uit eenen mond, en zij galoppeerden zoo snel zij konden naar de anderen, die zoowat veertig passen voor hen uit waren.Voor Retief antwoord kon geven, deed een geweldig gebrul zich hooren, en uit een bosch hoog gras sprong een geweldige leeuw, een mannetje, te voorschijn van de soort die men „zwartmanen” noemt. Het paard van Retief was nu zoo onhandelbaar dat zijn[31]ruiter niet in staat was af te klimmen. De leeuw scheen zich voor een tweeden sprong gereed te maken, maar voor hij dien kon doen, dreunde er een schot, en de leeuw zakte ineen met een kogel in de hersenen. Het was Hans Malan, die bliksemsnel van zijn paard was gesprongen, en den leeuw den kogel tusschen de oogen had gejaagd.Toen Retief zijn paard tot bedaren had gebracht steeg hij af, gaf de teugels aan Frans Joubert en liep naar Hans toe. „Kerel, Hans, je hebt mijn leven gered, en ik ben je er dankbaar voor. Was jij niet zoo gauw geweest, dan was de leeuw zeker op mij of mijn paard gesprongen. Je hebt crediet van dat schot,” zeide hij, op den leeuw afstappende, die geheel levenloos daar lag.„Ja, Oom Pieter, die schot was een beetje banja haastig, maar dit was al kans, die ik had, want hij draaide net even zijn kop recht naar mij toe.”Na een poosje reed men verder, en op den morgen van den vierden dag wees Willem in de verte een hoogen berg, waarop, zooals hij zeide, Sikonyella’s stad lag. Tot hiertoe had men de paarden gespaard, doch nu ging het in flinken galop voorwaarts en om drie uur in den middag was men bij den voet van den berg, waar eenige Kafferkralen stonden. Willem moest nu vooruitrijden om als gids te dienen.[32]Hij reed een steile kloof in, langs een voetpad, dat zoo nauw was, dat men de één achter den ander moest rijden. De kloof werd al nauwer, en de berg werd aan weerszijden al stijler, totdat de rotswanden honderden voeten aan weerszijden zich loodrecht verhieven, en er van de blauwe lucht niets meer te zien was dan een dun streepje. Het pad was nu zoo steil en klipperig, dat de paarden nauwelijks op hunne pooten konden blijven. Willem steeg dan ook af, en leidde zijn paard, een voorbeeld, dat door al de anderen gevolgd werd. Men was bijna boven op den berg en het pad begon iets wijder te worden, toen plotseling vier Kaffers, met assegaaien hoog opgeheven, achter een vooruitstekende rotspunt uitsprongen, en in hunne taal eenige woorden uitriepen. Deze plotselinge verschijning deed onze Boeren naar hunne roers grijpen, maar Willem riep luidkeels eenige woorden tot de aanvallers, en wenkte toen zijn baas om met de anderen te blijven waar hij was, terwijl hij een twintig treden nader bij de nog steeds dreigende Kaffers ging. Er volgde toen een lange woordenstrijd en veel gebaar tusschen Willem en de vier aanvallers, die dan ook spoedig hunne assegaaien tot rust brachten. Na zoowat een kwartier liep een der Kaffers weg, en Willem wenkte, dat de anderen hooger op tot bij hem konden komen.[33]De eene Kaffer is Sikonyella gaan vertellen, dat de kapitein van de Boeren hem zien wil, en als Sikonyella gewillig is ons te ontvangen, zal hij een van de onderkapiteins zenden, om ons naar zijn kraal te brengen.Na verloop van zoowat twintig minuten kwam de boodschapper terug, vergezeld van een anderen. Deze laatste was een der onderkapiteins der Batlokua en nu ontstond er weder een gepraat tusschen hem en Willem. Daarna zeide Willem dat men te paard kon stijgen en hem volgen. Eenige minuten later was men op den top van den berg en hier deed zich een aardig gezicht voor. De berg was boven bijna geheel vlak. Op omtrent vierhonderd treden afstands van den pas of de kloof lag de stad van Sikonyella uit zoowat duizend ronde Kafferhutten bestaande. Daarachter was een groote pan, vol water, en aan den anderen kant van deze pan een groote vlakte waarop paarden, beesten en bokken in menigte weidden. De twee geleiders liepen recht op de stad af, voorbij een aantal hutten en hielden eindelijk stil bij een hoogen ronden muur. Hier gaven zij Willem te kennen, dat hij en de anderen moesten wachten, waarop zij door den ingang verdwenen. Eenige oogenblikken later kwamen zij terug en begonnen weder een gesprek met Willem.[34]„Hulle zeg, baas” zeide Willem tot Retief, „dat die wit menschen kan ingaan, maar die paarden moet hier buiten blijven, en die bazen moet ook hulle roers hier laten.”Misschien zou Retief dit werkelijk gedaan hebben, maar Frans Joubert dacht er anders over. Hij had geleerd om nooit een Kaffer te vertrouwen, en hij zeide dan ook aan Willem: „Zeg aan hulle dat onze paarden hier zullen blijven, maar dat ons nergens gaat zonder onze roers.”Dit antwoord scheen de twee Batlokua niet te bevallen, en zij verdwenen weder door den ingang. Ditmaal bleven zij meer dan een half uur weg, doch toen zij eindelijk terugkwamen, gaven zij Willem te kennen „dat die Boeren konden binnengaan met hulle roers.”De vier Boeren stegen toen van hunne paarden af en met Retief voorop en hunne roers in den arm, gingen zij den nauwen ingang binnen.Binnen den ringmuur stonden negen Kafferhutten, grooter dan de andere van de stad, en voor die in het midden zat een sterke, groote en pikzwarte Kaffer. Dit was Sikonyella. Langs hem zat een oude Kaffervrouw, niemand anders dan de eens zoo gevreesde Ma Ntatisa, Sikonyella’s moeder. Aan weerszijden van hen, gehurkt op den grond, was er een twaalftal[35]van Sikonyella’s raadslieden, en achter hen stonden een honderdtal Batlokuastrijders met schild en assegaai.Retief en de andere drie bleven een paar schreden voor Sikonyella stilstaan, en daarop zeide Willem in de Batlokua taal:„De kaptein der Boeren groet den grooten kaptein der Batlokua.”„Dit is goed,” antwoordde Sikonyella, „ik groet den kaptein der Boeren. Maar wat komt de kaptein hier maken en wat wil hij van mij hebben.”Willem vertaalde dit aan Retief, die antwoordde: „Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren hier in het land gekomen zijn in vrede en in vrede wenschen te leven met al de stammen, die in dit land wonen. Zij willen met kaptein Sikonyella een verbond van vriendschap aangaan, en daarvoor hebben zij mij, hun grooten kaptein, gezonden.”„Waar wonen de Boeren?” vroeg Sikonyella.„Wij wonen niet ver van Thaba ’Nchu, bij de Vetrivier,” antwoordde Retief.„Dat is niet mijn land, maar hoort aan Moselikatse, en zoolang zij daar blijven zal ik de Boeren niet hinderen. Maar in het land waar ik woon, zullen de Boeren niet komen. Mijn land is klein, en mijn stam is groot, en ik zal niet toelaten, dat de Boeren mijn volk hinderen.”[36]„Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren geen strook gronds van hem zullen nemen. Hun plan is om te blijven wonen waar zij zijn, want daar is veld genoeg voor hun vee.”Dit antwoord scheen Sikonyella te bevredigen, en zijn eenigszins stoutmoedige houding begon te verdwijnen.„Als ik een verbond van vriendschap met de Boeren maak, zullen zij dan mij tegen mijne vijanden helpen?” vroeg de slimme Kaffer-kapitein.Retief zag echter door de strikvraag en antwoordde: „Als kapitein Sikonyella’s vijanden hem aanvallen, zullen de Boeren hem zekerlijk helpen.”„Zult gij mij tegen Moshesh helpen,” was de volgende vraag.„Wij zullen niet toelaten dat Moshesh u aanvalt. Doet hij dit, dan zullen wij hem straffen.”Sikonyella deed een tevredenHm!hooren, alsof hij gerustgesteld was.„Ik zal een vriendschapsverbond aangaan met de Boeren,” vervolgde hij na eenig stilzwijgen: „op deze voorwaarde dat zij mij zullen helpen tegen mijne vijanden, en ik hen tegen de hunne.”Toen dit aan Retief vertaald werd, zeide hij aan David om de geschenken te halen, die hij medegebracht had, en David ging toen naar buiten en kwam[37]spoedig terug met een geweer, een zakjekruit, een zakje kogels, en een doek, waarin iets gewikkeld was.Retief nam het geweer, hetkruiten de kogels, en zeide tot Willem: „Geef dit aan kapitein Sikonyella als een geschenk van mij en als bewijs van ons verbond.”Sikonyella was opgetogen van blijdschap, toen hij dit geschenk ontving, want een extra goed geweer, zooals dit er een was, had hij al lang begeerd.Op een wenk en een paar woorden van hem, sprong een der raadslieden op, en liep een der hutten binnen en kwam terug met een prachtige Karros van tijgervellen.Sikonyella overhandigde die aan Willem: „Geef die aan den grooten kapitein der Boeren, en zeg hem dat Sikonyella trouw zijn verbond zal bewaren.”Retief had nu den doek losgemaakt en haalde er een halssnoer uit van groote kralen van allerlei kleuren en dit gaf hij aan Ma Ntatisi ten geschenke. De oude vrouw greep gretig naar het snoer, en deed het dadelijk om haar hals, waarna zij opstond en de hut aan de achterzijde inging, zeker om haar kostbaar geschenk aan Sikonyella’s vrouwen te gaan wijzen.Tot op dit oogenblik waren Retief en zijne volgelingen staande gebleven; maar Sikonyella liet nu matten voor hen spreiden, om op te zitten. Ook zond[38]hij eenige Kaffers om voor de paarden te zorgen, en het goed op de paarden te bergen in eene daartoe aangewezen hut, en verder gaf hij last om aan de dienstboden der blanken het noodige voedsel te verschaffen.Er vond toen nog een lang gesprek plaats tusschen Retief en den Kafferkapitein.Een hut werd daarna den Boeren aangewezen, waar zij konden overnachten, en daar de hut nieuw en schoon was, was het volstrekt geen slechten slaapplek. Ook zond Sikonyella een slachtbok, melk, mielies en „juala” of Kafferbier, dat, zooals Hans zeide, glad niet slecht smaakte.Den volgenden morgen vertrok Retief en de zijnen, na Sikonyella gegroet te hebben, en vervolgden hunnen weg naar Thaba Bosigo.Ook Moshesh ontving hen goed, en trad ook in een vriendschapsverbond met de Emigranten. Retief was zeer in zijn schik met den uitslag zijner reis, en toen hij, na tien dagen weg te zijn geweest, weder te Vetrivier terug kwam, kon hij zijne vrienden aldaar verzekeren, dat zij voor de naburige Kaffers niet behoefden te vreezen.Kort na Retiefs terugkomst kwam er een nieuwe trek der Emigranten, onder aanvoer van den ouden patriarch Jacobus Uys. Zij kwamen uit het district[39]Uitenhage, en waren een groote aanwinst voor de Boeren, vooral in den persoon van Peter Lavras Uys, den zoon van den ouden Jacobus. Deze had in den Kafferoorlog van 1834 aan de zijde van Retief gestreden en zijne dapperheid en krijgskunde waren hoog geroemd, zoowel door Engelschen als Afrikaners. Zulke mannen had men noodig en het was geen wonder, dat Pieter Lavras Uys, kort na zijn aankomst, gekozen werd als een der kommandanten.[40]
HOOFDSTUK III.HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK III.
Omtrent vier dagen later stond David, vroeg in den morgen bij zijns vaders wagen, bezig om zijn geweer schoon te maken, en er een nieuwen vuursteen in te zetten, toen iemand hem kwam zeggen, dat de Kommandant-Generaal hem wilde zien. De jonge man zette dadelijk zijn geweer neder, en ging naar Retiefs tent, voor welke hij dezen zag staan met een half dozijn andere Emigranten.„David,” sprak Retief, „ik ga morgen op reis naar kapitein Sikonyella en van daar naar Moshesh. Ik wil een man of wat samen nemen als escort, en jij moet een van hullie wees. Oom Frans Joubert[24]gaat samen, en Lang Hans Malan ook. Maar als jij liever wil thuisblijven, kan je zoo zeggen.”„Neen, Oom Pieter, ik zal samen gaan,” riep David uit, blij om een kans te krijgen om wat rond te rijden en de wereld te zien. Voor geen geld ter wereld had hij willen thuisblijven, alsof hij een lafaard was.„Morgen ochtend dagbreek rij ons hier vandaan,” vervolgde Retief, „je moet voor minstens acht dagen brood of beschuit samen nemen. Vleesch zullen wij wel op pad kunnen schieten. Zorg, dat je geweer in orde is, en dat je kruit en kogels genoeg heb.”David beloofde daarvoor te zorgen, en ging daarop Lang Hans opzoeken, die niet alleen zijn neef was, maar ook zijn boezemvriend, zoodat men hun dikwijls de namen gaf van David en Jonathan. Hans wist reeds, dat hij met Retief moest samengaan, en hij had er even veel plezier in als zijn neef. Beiden waren den geheelen morgen bezig om hunne geweren in de best mogelijke orde te brengen, en een aantal kogels te gieten. Toen gingen zij naar hunne paarden kijken, zorgden voor hunne zadels en toomen, en gingen dien avond vroeg naar bed, ten einde den volgenden morgen met uitgerust lijf den langen rit te aanvaarden. Martje was echter niet in haar schik met de zaak. Haar Pa moest met Retief samen, en[25]nu nog David ook. Zij zeide dan ook, dat zij dit glad niet mooi van Oom Pieter vond, om beiden samen te nemen. Waarom moest David altijd samen, wanneer er gevaar was? En dan was David zoo onverschillig en was voor niets bang. Zij pruttelde op die wijze voort, geheel en al ontevreden, en voor zij David dien avond den vaarwelkus gaf, moest deze met hand en mond beloven, om toch voorzichtig te wezen, en zijn leven niet bloot te stellen. Wel lachte David om al die vreesachtigheid van het meisje, maar om haar gerust te stellen beloofde hij alles, wat zij wou hebben.Den volgenden dag, bij het eerste licht des dageraads trok een kleine stoet van vier blanken en drie kleurlingen het kamp te Vetrivier uit, en reed langs de rivier in eene oostelijke richting. Daar er geen pad was, ging het dwars door het veld, waarop sommige plekken het gemboks gras vijf voet hoog stond. Vooraan reden Pieter Retief en Frans Joubert, Martje’s vader, een fluksche Afrikaner, die in den oorlog van 1834 aan Retiefs zijde had gestreden, en reeds jaren lang diens grooten vriend en helper was. Als Retief raad noodig had, was Frans Joubert de eerste man tot wien hij zich wendde, en de raad, die hij dan ontving, was dan ook altijd zoo verstandig en degelijk, dat hij nooit verder behoefde te[26]gaan. Een twintig treden achter hen reden David en Hans en waarlijk, zij sloegen bij elkaar zulk een snaaksch figuur, dat men niet helpen kon er over te lachen. David, hoewel breed van schouders en sterk gebouwd, was een beetje kort. Hij reed op een klein, vast paard, uit dat oude geslacht der Kaapsche „ponies,” dat thans helaas, bijna geheel uitgestorven is, doch wier kenteekenen waren: een ontembare moed en een ontzaglijke gehardheid tegen vermoeienis. Walton, zooals Davids paard heette, was dan ook nog nooit in zijn leven „flauw” geweest, niettegenstaande hij menigen dag van zonop tot zononder onder den zadel was. Lang Hans verdiende zijn naam eerlijk. Zijne lengte was zes voet acht duim, maar bij verre het grootste gedeelte hiervan kwam voor rekening zijner ontzettend lange beenen. Dit maakte dat hij een groot paard noodig had. Inderdaad reed hij dan ook op een dat zeer hoog was en wit van kleur, hetgeen echter niet belette, dat zijne beenen niet meer dan twee voet van den grond hingen. Het contrast tusschen die twee was dan ook zeer wonderlijk, zooals een ieder zal kunnen begrijpen.Achter Hans en David reden drie kleurlingen, ieder met een handpaard, dat beladen was met brood en beschuit, koffie, suiker, tabak, een keteltje, een rooster[27]en dergelijke benoodigdheden meer. Een pakpaard droeg vier overige geweren, en een voorraad kruit en lood. Een dier kleurlingen verdient een woordje van ons. Het is Willem, de trouwe dienaar van Pieter Retief, nu reeds meer dan vijftien jaar in zijnen dienst. Willem was een Basuto van geboorte. In zijne jonge jaren had hij zich verhuurd aan een Engelsch jager, die groot wild was komen schieten ten noorden van den Oranjerivier, en met dezen was hij teruggegaan naar de Kolonie. Na eenig rondzwerven was bij eindelijk naar Grahamstown gekomen, en werd hier door Retief gehuurd. Eerlijk en getrouw, was hij vooral thans van groot nut voor Retief, want hij sprak niet alleen de Basutotaal, maar ook de dialecten der Baralong en der Batlokua, Kaffers tot welken laatsten stam Sikonyella behoorde. De vier blanken waren allen gewapend, en ook Willem had een geweer met toebehooren. De andere kleurlingen hadden geen wapens, behalve dat zij ieder een korte bijl aan den zadel gesnoerd hadden, die eigenlijk bestemd was om hout te kappen, maar in tijd van nood een zeer handig wapen kon zijn.Wij zullen Retief en de zijnen hunnen weg laten vervolgen en eerst onze lezers iets verhalen omtrent den rooverkapitein Sikonyella en het Basuto-opperhoofd Moshesh.[28]Sikonyella was de zoon van Mokotsho, het opperhoofd der Batlokua, die toen aan den bovenloop der Vaalrivier woonde. Daar zijn vader stierf, toen hij nog klein was, werd zijne moeder Ma Ntatisi regentes over den stam. Zij was eene heldhaftige vrouw, die allen ontzag inboezemde. Toen Sikonyella omtrent 18 jaar oud was, werden de Batlokua door een vijandelijken stam verdreven uit hunne woonplaatsen en trokken daarop naar het noorden van de Vaalrivier. Na eene groote slachting onder de stammen aldaar aangericht te hebben, werden zij door de Bangwaketsi verslagen en wendden zich daarop Zuid-Westwaarts. Hier echter leden zij een nieuwe nederlaag van Adam Kok, het hoofd der Griquas, waarop de bende zich in een aantal kleinere deelen opsplitste. Ma Ntatisi en Sikonyella keerden met één deel terug naar de Caledon, en vestigden zich in het tegenwoordige district Bethlehem, niet ver van den oorsprong der genoemde rivier. Daar zetten zij zich neder op een bijna ontoegankelijken berg, en van daar gingen de Batlokua steeds op rooverstochten uit, steelden wat er te stelen viel.Zijn groote vijand was Moshesh. Deze werd met een deel van zijn stam van de Tslotsi Hoogten verjaagd door Ma Ntatisi en nam toen met zijne volgelingen de wijk naar den berg Thaba Bosigo,[29]een sterke en bijna onneembare rotsvesting. Moshesh was toen een man van zoowat dertig jaren, in de volle kracht des levens. Een uitmuntend krijgsman, geslepen van aard, doch tevens gematigd en met een zeer gezond verstand begiftigd, gelukte het Moshesh binnen kort den grondslag te leggen van den later zoo machtige Basutostam. Vluchtelingen van andere stammen vonden bij hem een welkom, en geheele kleine stammen erkenden hem als opperhoofd ten einde onder zijne bescherming te staan. Op den tijd waarvan wij thans spreken, was het geheele tegenwoordige Basutoland en een groot deel van den westelijken Oranje-Vrijstaat onder zijne macht. Het grootste deel hiervan was echter eene woestenij, want de Basuto’s woonden allen rondom Thaba Bosigo, waar de vruchtbare dalen hun rijkelijk mielies en kafferkoorn verschaften en waar hun vee welig tierde. In 1833 kwamen er twee Fransche zendelingen bij Moshesh.Hij ontving hen zeer vriendelijk en gaf hun eene vruchtbare vallei ter woonplaats, omtrent vier uur te paard van Thaba Bosigo gelegen. Hier stichtte zij de Zendingsstatie Morija.Wij keeren thans tot onze reizigers terug. Na een uur of twee gereden te hebben, kwamen zij aan een boerenlagertje en hier verfrischten zij zich met een lekker „breakfast”. Dit was het laatste boerenkamp[30]en zij gingen nu letterlijk een graswoestijn in. Tegen den middag schoot Retief een prachtigen gemsbok-ram, die dan ook kort daarop een dinner verschafte, ten minste een bout er van. Het andere vleesch werd bewaard voor den avond en den volgenden morgen. Men had nu Vetrivier verlaten en reed recht tegen het Oosten op. Dien avond werd er dicht bij een spruit overnacht en ieder hield op zijn beurt met een van het volk de wacht bij een groot vuur. Wel hoorde men de leeuwen brullen, maar hinderlijk was het gedierte niet. Den volgenden dag ging men weder verder. Dien middag tegen twaalf ure, juist toen men een groote spruit was doorgereden, sprong het paard van Retief met zulk geweld plotseling op zijde, dat het zijn ruiter moeite kostte in den zadel te blijven, en het paard van Joubert deed kort daarna hetzelfde. De dieren blaasden en waren blijkbaar erg verschrikt.„Wat is dit, Oom Pieter,” riepen David en Hans als uit eenen mond, en zij galoppeerden zoo snel zij konden naar de anderen, die zoowat veertig passen voor hen uit waren.Voor Retief antwoord kon geven, deed een geweldig gebrul zich hooren, en uit een bosch hoog gras sprong een geweldige leeuw, een mannetje, te voorschijn van de soort die men „zwartmanen” noemt. Het paard van Retief was nu zoo onhandelbaar dat zijn[31]ruiter niet in staat was af te klimmen. De leeuw scheen zich voor een tweeden sprong gereed te maken, maar voor hij dien kon doen, dreunde er een schot, en de leeuw zakte ineen met een kogel in de hersenen. Het was Hans Malan, die bliksemsnel van zijn paard was gesprongen, en den leeuw den kogel tusschen de oogen had gejaagd.Toen Retief zijn paard tot bedaren had gebracht steeg hij af, gaf de teugels aan Frans Joubert en liep naar Hans toe. „Kerel, Hans, je hebt mijn leven gered, en ik ben je er dankbaar voor. Was jij niet zoo gauw geweest, dan was de leeuw zeker op mij of mijn paard gesprongen. Je hebt crediet van dat schot,” zeide hij, op den leeuw afstappende, die geheel levenloos daar lag.„Ja, Oom Pieter, die schot was een beetje banja haastig, maar dit was al kans, die ik had, want hij draaide net even zijn kop recht naar mij toe.”Na een poosje reed men verder, en op den morgen van den vierden dag wees Willem in de verte een hoogen berg, waarop, zooals hij zeide, Sikonyella’s stad lag. Tot hiertoe had men de paarden gespaard, doch nu ging het in flinken galop voorwaarts en om drie uur in den middag was men bij den voet van den berg, waar eenige Kafferkralen stonden. Willem moest nu vooruitrijden om als gids te dienen.[32]Hij reed een steile kloof in, langs een voetpad, dat zoo nauw was, dat men de één achter den ander moest rijden. De kloof werd al nauwer, en de berg werd aan weerszijden al stijler, totdat de rotswanden honderden voeten aan weerszijden zich loodrecht verhieven, en er van de blauwe lucht niets meer te zien was dan een dun streepje. Het pad was nu zoo steil en klipperig, dat de paarden nauwelijks op hunne pooten konden blijven. Willem steeg dan ook af, en leidde zijn paard, een voorbeeld, dat door al de anderen gevolgd werd. Men was bijna boven op den berg en het pad begon iets wijder te worden, toen plotseling vier Kaffers, met assegaaien hoog opgeheven, achter een vooruitstekende rotspunt uitsprongen, en in hunne taal eenige woorden uitriepen. Deze plotselinge verschijning deed onze Boeren naar hunne roers grijpen, maar Willem riep luidkeels eenige woorden tot de aanvallers, en wenkte toen zijn baas om met de anderen te blijven waar hij was, terwijl hij een twintig treden nader bij de nog steeds dreigende Kaffers ging. Er volgde toen een lange woordenstrijd en veel gebaar tusschen Willem en de vier aanvallers, die dan ook spoedig hunne assegaaien tot rust brachten. Na zoowat een kwartier liep een der Kaffers weg, en Willem wenkte, dat de anderen hooger op tot bij hem konden komen.[33]De eene Kaffer is Sikonyella gaan vertellen, dat de kapitein van de Boeren hem zien wil, en als Sikonyella gewillig is ons te ontvangen, zal hij een van de onderkapiteins zenden, om ons naar zijn kraal te brengen.Na verloop van zoowat twintig minuten kwam de boodschapper terug, vergezeld van een anderen. Deze laatste was een der onderkapiteins der Batlokua en nu ontstond er weder een gepraat tusschen hem en Willem. Daarna zeide Willem dat men te paard kon stijgen en hem volgen. Eenige minuten later was men op den top van den berg en hier deed zich een aardig gezicht voor. De berg was boven bijna geheel vlak. Op omtrent vierhonderd treden afstands van den pas of de kloof lag de stad van Sikonyella uit zoowat duizend ronde Kafferhutten bestaande. Daarachter was een groote pan, vol water, en aan den anderen kant van deze pan een groote vlakte waarop paarden, beesten en bokken in menigte weidden. De twee geleiders liepen recht op de stad af, voorbij een aantal hutten en hielden eindelijk stil bij een hoogen ronden muur. Hier gaven zij Willem te kennen, dat hij en de anderen moesten wachten, waarop zij door den ingang verdwenen. Eenige oogenblikken later kwamen zij terug en begonnen weder een gesprek met Willem.[34]„Hulle zeg, baas” zeide Willem tot Retief, „dat die wit menschen kan ingaan, maar die paarden moet hier buiten blijven, en die bazen moet ook hulle roers hier laten.”Misschien zou Retief dit werkelijk gedaan hebben, maar Frans Joubert dacht er anders over. Hij had geleerd om nooit een Kaffer te vertrouwen, en hij zeide dan ook aan Willem: „Zeg aan hulle dat onze paarden hier zullen blijven, maar dat ons nergens gaat zonder onze roers.”Dit antwoord scheen de twee Batlokua niet te bevallen, en zij verdwenen weder door den ingang. Ditmaal bleven zij meer dan een half uur weg, doch toen zij eindelijk terugkwamen, gaven zij Willem te kennen „dat die Boeren konden binnengaan met hulle roers.”De vier Boeren stegen toen van hunne paarden af en met Retief voorop en hunne roers in den arm, gingen zij den nauwen ingang binnen.Binnen den ringmuur stonden negen Kafferhutten, grooter dan de andere van de stad, en voor die in het midden zat een sterke, groote en pikzwarte Kaffer. Dit was Sikonyella. Langs hem zat een oude Kaffervrouw, niemand anders dan de eens zoo gevreesde Ma Ntatisa, Sikonyella’s moeder. Aan weerszijden van hen, gehurkt op den grond, was er een twaalftal[35]van Sikonyella’s raadslieden, en achter hen stonden een honderdtal Batlokuastrijders met schild en assegaai.Retief en de andere drie bleven een paar schreden voor Sikonyella stilstaan, en daarop zeide Willem in de Batlokua taal:„De kaptein der Boeren groet den grooten kaptein der Batlokua.”„Dit is goed,” antwoordde Sikonyella, „ik groet den kaptein der Boeren. Maar wat komt de kaptein hier maken en wat wil hij van mij hebben.”Willem vertaalde dit aan Retief, die antwoordde: „Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren hier in het land gekomen zijn in vrede en in vrede wenschen te leven met al de stammen, die in dit land wonen. Zij willen met kaptein Sikonyella een verbond van vriendschap aangaan, en daarvoor hebben zij mij, hun grooten kaptein, gezonden.”„Waar wonen de Boeren?” vroeg Sikonyella.„Wij wonen niet ver van Thaba ’Nchu, bij de Vetrivier,” antwoordde Retief.„Dat is niet mijn land, maar hoort aan Moselikatse, en zoolang zij daar blijven zal ik de Boeren niet hinderen. Maar in het land waar ik woon, zullen de Boeren niet komen. Mijn land is klein, en mijn stam is groot, en ik zal niet toelaten, dat de Boeren mijn volk hinderen.”[36]„Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren geen strook gronds van hem zullen nemen. Hun plan is om te blijven wonen waar zij zijn, want daar is veld genoeg voor hun vee.”Dit antwoord scheen Sikonyella te bevredigen, en zijn eenigszins stoutmoedige houding begon te verdwijnen.„Als ik een verbond van vriendschap met de Boeren maak, zullen zij dan mij tegen mijne vijanden helpen?” vroeg de slimme Kaffer-kapitein.Retief zag echter door de strikvraag en antwoordde: „Als kapitein Sikonyella’s vijanden hem aanvallen, zullen de Boeren hem zekerlijk helpen.”„Zult gij mij tegen Moshesh helpen,” was de volgende vraag.„Wij zullen niet toelaten dat Moshesh u aanvalt. Doet hij dit, dan zullen wij hem straffen.”Sikonyella deed een tevredenHm!hooren, alsof hij gerustgesteld was.„Ik zal een vriendschapsverbond aangaan met de Boeren,” vervolgde hij na eenig stilzwijgen: „op deze voorwaarde dat zij mij zullen helpen tegen mijne vijanden, en ik hen tegen de hunne.”Toen dit aan Retief vertaald werd, zeide hij aan David om de geschenken te halen, die hij medegebracht had, en David ging toen naar buiten en kwam[37]spoedig terug met een geweer, een zakjekruit, een zakje kogels, en een doek, waarin iets gewikkeld was.Retief nam het geweer, hetkruiten de kogels, en zeide tot Willem: „Geef dit aan kapitein Sikonyella als een geschenk van mij en als bewijs van ons verbond.”Sikonyella was opgetogen van blijdschap, toen hij dit geschenk ontving, want een extra goed geweer, zooals dit er een was, had hij al lang begeerd.Op een wenk en een paar woorden van hem, sprong een der raadslieden op, en liep een der hutten binnen en kwam terug met een prachtige Karros van tijgervellen.Sikonyella overhandigde die aan Willem: „Geef die aan den grooten kapitein der Boeren, en zeg hem dat Sikonyella trouw zijn verbond zal bewaren.”Retief had nu den doek losgemaakt en haalde er een halssnoer uit van groote kralen van allerlei kleuren en dit gaf hij aan Ma Ntatisi ten geschenke. De oude vrouw greep gretig naar het snoer, en deed het dadelijk om haar hals, waarna zij opstond en de hut aan de achterzijde inging, zeker om haar kostbaar geschenk aan Sikonyella’s vrouwen te gaan wijzen.Tot op dit oogenblik waren Retief en zijne volgelingen staande gebleven; maar Sikonyella liet nu matten voor hen spreiden, om op te zitten. Ook zond[38]hij eenige Kaffers om voor de paarden te zorgen, en het goed op de paarden te bergen in eene daartoe aangewezen hut, en verder gaf hij last om aan de dienstboden der blanken het noodige voedsel te verschaffen.Er vond toen nog een lang gesprek plaats tusschen Retief en den Kafferkapitein.Een hut werd daarna den Boeren aangewezen, waar zij konden overnachten, en daar de hut nieuw en schoon was, was het volstrekt geen slechten slaapplek. Ook zond Sikonyella een slachtbok, melk, mielies en „juala” of Kafferbier, dat, zooals Hans zeide, glad niet slecht smaakte.Den volgenden morgen vertrok Retief en de zijnen, na Sikonyella gegroet te hebben, en vervolgden hunnen weg naar Thaba Bosigo.Ook Moshesh ontving hen goed, en trad ook in een vriendschapsverbond met de Emigranten. Retief was zeer in zijn schik met den uitslag zijner reis, en toen hij, na tien dagen weg te zijn geweest, weder te Vetrivier terug kwam, kon hij zijne vrienden aldaar verzekeren, dat zij voor de naburige Kaffers niet behoefden te vreezen.Kort na Retiefs terugkomst kwam er een nieuwe trek der Emigranten, onder aanvoer van den ouden patriarch Jacobus Uys. Zij kwamen uit het district[39]Uitenhage, en waren een groote aanwinst voor de Boeren, vooral in den persoon van Peter Lavras Uys, den zoon van den ouden Jacobus. Deze had in den Kafferoorlog van 1834 aan de zijde van Retief gestreden en zijne dapperheid en krijgskunde waren hoog geroemd, zoowel door Engelschen als Afrikaners. Zulke mannen had men noodig en het was geen wonder, dat Pieter Lavras Uys, kort na zijn aankomst, gekozen werd als een der kommandanten.[40]
Omtrent vier dagen later stond David, vroeg in den morgen bij zijns vaders wagen, bezig om zijn geweer schoon te maken, en er een nieuwen vuursteen in te zetten, toen iemand hem kwam zeggen, dat de Kommandant-Generaal hem wilde zien. De jonge man zette dadelijk zijn geweer neder, en ging naar Retiefs tent, voor welke hij dezen zag staan met een half dozijn andere Emigranten.
„David,” sprak Retief, „ik ga morgen op reis naar kapitein Sikonyella en van daar naar Moshesh. Ik wil een man of wat samen nemen als escort, en jij moet een van hullie wees. Oom Frans Joubert[24]gaat samen, en Lang Hans Malan ook. Maar als jij liever wil thuisblijven, kan je zoo zeggen.”
„Neen, Oom Pieter, ik zal samen gaan,” riep David uit, blij om een kans te krijgen om wat rond te rijden en de wereld te zien. Voor geen geld ter wereld had hij willen thuisblijven, alsof hij een lafaard was.
„Morgen ochtend dagbreek rij ons hier vandaan,” vervolgde Retief, „je moet voor minstens acht dagen brood of beschuit samen nemen. Vleesch zullen wij wel op pad kunnen schieten. Zorg, dat je geweer in orde is, en dat je kruit en kogels genoeg heb.”
David beloofde daarvoor te zorgen, en ging daarop Lang Hans opzoeken, die niet alleen zijn neef was, maar ook zijn boezemvriend, zoodat men hun dikwijls de namen gaf van David en Jonathan. Hans wist reeds, dat hij met Retief moest samengaan, en hij had er even veel plezier in als zijn neef. Beiden waren den geheelen morgen bezig om hunne geweren in de best mogelijke orde te brengen, en een aantal kogels te gieten. Toen gingen zij naar hunne paarden kijken, zorgden voor hunne zadels en toomen, en gingen dien avond vroeg naar bed, ten einde den volgenden morgen met uitgerust lijf den langen rit te aanvaarden. Martje was echter niet in haar schik met de zaak. Haar Pa moest met Retief samen, en[25]nu nog David ook. Zij zeide dan ook, dat zij dit glad niet mooi van Oom Pieter vond, om beiden samen te nemen. Waarom moest David altijd samen, wanneer er gevaar was? En dan was David zoo onverschillig en was voor niets bang. Zij pruttelde op die wijze voort, geheel en al ontevreden, en voor zij David dien avond den vaarwelkus gaf, moest deze met hand en mond beloven, om toch voorzichtig te wezen, en zijn leven niet bloot te stellen. Wel lachte David om al die vreesachtigheid van het meisje, maar om haar gerust te stellen beloofde hij alles, wat zij wou hebben.
Den volgenden dag, bij het eerste licht des dageraads trok een kleine stoet van vier blanken en drie kleurlingen het kamp te Vetrivier uit, en reed langs de rivier in eene oostelijke richting. Daar er geen pad was, ging het dwars door het veld, waarop sommige plekken het gemboks gras vijf voet hoog stond. Vooraan reden Pieter Retief en Frans Joubert, Martje’s vader, een fluksche Afrikaner, die in den oorlog van 1834 aan Retiefs zijde had gestreden, en reeds jaren lang diens grooten vriend en helper was. Als Retief raad noodig had, was Frans Joubert de eerste man tot wien hij zich wendde, en de raad, die hij dan ontving, was dan ook altijd zoo verstandig en degelijk, dat hij nooit verder behoefde te[26]gaan. Een twintig treden achter hen reden David en Hans en waarlijk, zij sloegen bij elkaar zulk een snaaksch figuur, dat men niet helpen kon er over te lachen. David, hoewel breed van schouders en sterk gebouwd, was een beetje kort. Hij reed op een klein, vast paard, uit dat oude geslacht der Kaapsche „ponies,” dat thans helaas, bijna geheel uitgestorven is, doch wier kenteekenen waren: een ontembare moed en een ontzaglijke gehardheid tegen vermoeienis. Walton, zooals Davids paard heette, was dan ook nog nooit in zijn leven „flauw” geweest, niettegenstaande hij menigen dag van zonop tot zononder onder den zadel was. Lang Hans verdiende zijn naam eerlijk. Zijne lengte was zes voet acht duim, maar bij verre het grootste gedeelte hiervan kwam voor rekening zijner ontzettend lange beenen. Dit maakte dat hij een groot paard noodig had. Inderdaad reed hij dan ook op een dat zeer hoog was en wit van kleur, hetgeen echter niet belette, dat zijne beenen niet meer dan twee voet van den grond hingen. Het contrast tusschen die twee was dan ook zeer wonderlijk, zooals een ieder zal kunnen begrijpen.
Achter Hans en David reden drie kleurlingen, ieder met een handpaard, dat beladen was met brood en beschuit, koffie, suiker, tabak, een keteltje, een rooster[27]en dergelijke benoodigdheden meer. Een pakpaard droeg vier overige geweren, en een voorraad kruit en lood. Een dier kleurlingen verdient een woordje van ons. Het is Willem, de trouwe dienaar van Pieter Retief, nu reeds meer dan vijftien jaar in zijnen dienst. Willem was een Basuto van geboorte. In zijne jonge jaren had hij zich verhuurd aan een Engelsch jager, die groot wild was komen schieten ten noorden van den Oranjerivier, en met dezen was hij teruggegaan naar de Kolonie. Na eenig rondzwerven was bij eindelijk naar Grahamstown gekomen, en werd hier door Retief gehuurd. Eerlijk en getrouw, was hij vooral thans van groot nut voor Retief, want hij sprak niet alleen de Basutotaal, maar ook de dialecten der Baralong en der Batlokua, Kaffers tot welken laatsten stam Sikonyella behoorde. De vier blanken waren allen gewapend, en ook Willem had een geweer met toebehooren. De andere kleurlingen hadden geen wapens, behalve dat zij ieder een korte bijl aan den zadel gesnoerd hadden, die eigenlijk bestemd was om hout te kappen, maar in tijd van nood een zeer handig wapen kon zijn.
Wij zullen Retief en de zijnen hunnen weg laten vervolgen en eerst onze lezers iets verhalen omtrent den rooverkapitein Sikonyella en het Basuto-opperhoofd Moshesh.[28]
Sikonyella was de zoon van Mokotsho, het opperhoofd der Batlokua, die toen aan den bovenloop der Vaalrivier woonde. Daar zijn vader stierf, toen hij nog klein was, werd zijne moeder Ma Ntatisi regentes over den stam. Zij was eene heldhaftige vrouw, die allen ontzag inboezemde. Toen Sikonyella omtrent 18 jaar oud was, werden de Batlokua door een vijandelijken stam verdreven uit hunne woonplaatsen en trokken daarop naar het noorden van de Vaalrivier. Na eene groote slachting onder de stammen aldaar aangericht te hebben, werden zij door de Bangwaketsi verslagen en wendden zich daarop Zuid-Westwaarts. Hier echter leden zij een nieuwe nederlaag van Adam Kok, het hoofd der Griquas, waarop de bende zich in een aantal kleinere deelen opsplitste. Ma Ntatisi en Sikonyella keerden met één deel terug naar de Caledon, en vestigden zich in het tegenwoordige district Bethlehem, niet ver van den oorsprong der genoemde rivier. Daar zetten zij zich neder op een bijna ontoegankelijken berg, en van daar gingen de Batlokua steeds op rooverstochten uit, steelden wat er te stelen viel.
Zijn groote vijand was Moshesh. Deze werd met een deel van zijn stam van de Tslotsi Hoogten verjaagd door Ma Ntatisi en nam toen met zijne volgelingen de wijk naar den berg Thaba Bosigo,[29]een sterke en bijna onneembare rotsvesting. Moshesh was toen een man van zoowat dertig jaren, in de volle kracht des levens. Een uitmuntend krijgsman, geslepen van aard, doch tevens gematigd en met een zeer gezond verstand begiftigd, gelukte het Moshesh binnen kort den grondslag te leggen van den later zoo machtige Basutostam. Vluchtelingen van andere stammen vonden bij hem een welkom, en geheele kleine stammen erkenden hem als opperhoofd ten einde onder zijne bescherming te staan. Op den tijd waarvan wij thans spreken, was het geheele tegenwoordige Basutoland en een groot deel van den westelijken Oranje-Vrijstaat onder zijne macht. Het grootste deel hiervan was echter eene woestenij, want de Basuto’s woonden allen rondom Thaba Bosigo, waar de vruchtbare dalen hun rijkelijk mielies en kafferkoorn verschaften en waar hun vee welig tierde. In 1833 kwamen er twee Fransche zendelingen bij Moshesh.Hij ontving hen zeer vriendelijk en gaf hun eene vruchtbare vallei ter woonplaats, omtrent vier uur te paard van Thaba Bosigo gelegen. Hier stichtte zij de Zendingsstatie Morija.
Wij keeren thans tot onze reizigers terug. Na een uur of twee gereden te hebben, kwamen zij aan een boerenlagertje en hier verfrischten zij zich met een lekker „breakfast”. Dit was het laatste boerenkamp[30]en zij gingen nu letterlijk een graswoestijn in. Tegen den middag schoot Retief een prachtigen gemsbok-ram, die dan ook kort daarop een dinner verschafte, ten minste een bout er van. Het andere vleesch werd bewaard voor den avond en den volgenden morgen. Men had nu Vetrivier verlaten en reed recht tegen het Oosten op. Dien avond werd er dicht bij een spruit overnacht en ieder hield op zijn beurt met een van het volk de wacht bij een groot vuur. Wel hoorde men de leeuwen brullen, maar hinderlijk was het gedierte niet. Den volgenden dag ging men weder verder. Dien middag tegen twaalf ure, juist toen men een groote spruit was doorgereden, sprong het paard van Retief met zulk geweld plotseling op zijde, dat het zijn ruiter moeite kostte in den zadel te blijven, en het paard van Joubert deed kort daarna hetzelfde. De dieren blaasden en waren blijkbaar erg verschrikt.
„Wat is dit, Oom Pieter,” riepen David en Hans als uit eenen mond, en zij galoppeerden zoo snel zij konden naar de anderen, die zoowat veertig passen voor hen uit waren.
Voor Retief antwoord kon geven, deed een geweldig gebrul zich hooren, en uit een bosch hoog gras sprong een geweldige leeuw, een mannetje, te voorschijn van de soort die men „zwartmanen” noemt. Het paard van Retief was nu zoo onhandelbaar dat zijn[31]ruiter niet in staat was af te klimmen. De leeuw scheen zich voor een tweeden sprong gereed te maken, maar voor hij dien kon doen, dreunde er een schot, en de leeuw zakte ineen met een kogel in de hersenen. Het was Hans Malan, die bliksemsnel van zijn paard was gesprongen, en den leeuw den kogel tusschen de oogen had gejaagd.
Toen Retief zijn paard tot bedaren had gebracht steeg hij af, gaf de teugels aan Frans Joubert en liep naar Hans toe. „Kerel, Hans, je hebt mijn leven gered, en ik ben je er dankbaar voor. Was jij niet zoo gauw geweest, dan was de leeuw zeker op mij of mijn paard gesprongen. Je hebt crediet van dat schot,” zeide hij, op den leeuw afstappende, die geheel levenloos daar lag.
„Ja, Oom Pieter, die schot was een beetje banja haastig, maar dit was al kans, die ik had, want hij draaide net even zijn kop recht naar mij toe.”
Na een poosje reed men verder, en op den morgen van den vierden dag wees Willem in de verte een hoogen berg, waarop, zooals hij zeide, Sikonyella’s stad lag. Tot hiertoe had men de paarden gespaard, doch nu ging het in flinken galop voorwaarts en om drie uur in den middag was men bij den voet van den berg, waar eenige Kafferkralen stonden. Willem moest nu vooruitrijden om als gids te dienen.[32]Hij reed een steile kloof in, langs een voetpad, dat zoo nauw was, dat men de één achter den ander moest rijden. De kloof werd al nauwer, en de berg werd aan weerszijden al stijler, totdat de rotswanden honderden voeten aan weerszijden zich loodrecht verhieven, en er van de blauwe lucht niets meer te zien was dan een dun streepje. Het pad was nu zoo steil en klipperig, dat de paarden nauwelijks op hunne pooten konden blijven. Willem steeg dan ook af, en leidde zijn paard, een voorbeeld, dat door al de anderen gevolgd werd. Men was bijna boven op den berg en het pad begon iets wijder te worden, toen plotseling vier Kaffers, met assegaaien hoog opgeheven, achter een vooruitstekende rotspunt uitsprongen, en in hunne taal eenige woorden uitriepen. Deze plotselinge verschijning deed onze Boeren naar hunne roers grijpen, maar Willem riep luidkeels eenige woorden tot de aanvallers, en wenkte toen zijn baas om met de anderen te blijven waar hij was, terwijl hij een twintig treden nader bij de nog steeds dreigende Kaffers ging. Er volgde toen een lange woordenstrijd en veel gebaar tusschen Willem en de vier aanvallers, die dan ook spoedig hunne assegaaien tot rust brachten. Na zoowat een kwartier liep een der Kaffers weg, en Willem wenkte, dat de anderen hooger op tot bij hem konden komen.[33]
De eene Kaffer is Sikonyella gaan vertellen, dat de kapitein van de Boeren hem zien wil, en als Sikonyella gewillig is ons te ontvangen, zal hij een van de onderkapiteins zenden, om ons naar zijn kraal te brengen.
Na verloop van zoowat twintig minuten kwam de boodschapper terug, vergezeld van een anderen. Deze laatste was een der onderkapiteins der Batlokua en nu ontstond er weder een gepraat tusschen hem en Willem. Daarna zeide Willem dat men te paard kon stijgen en hem volgen. Eenige minuten later was men op den top van den berg en hier deed zich een aardig gezicht voor. De berg was boven bijna geheel vlak. Op omtrent vierhonderd treden afstands van den pas of de kloof lag de stad van Sikonyella uit zoowat duizend ronde Kafferhutten bestaande. Daarachter was een groote pan, vol water, en aan den anderen kant van deze pan een groote vlakte waarop paarden, beesten en bokken in menigte weidden. De twee geleiders liepen recht op de stad af, voorbij een aantal hutten en hielden eindelijk stil bij een hoogen ronden muur. Hier gaven zij Willem te kennen, dat hij en de anderen moesten wachten, waarop zij door den ingang verdwenen. Eenige oogenblikken later kwamen zij terug en begonnen weder een gesprek met Willem.[34]
„Hulle zeg, baas” zeide Willem tot Retief, „dat die wit menschen kan ingaan, maar die paarden moet hier buiten blijven, en die bazen moet ook hulle roers hier laten.”
Misschien zou Retief dit werkelijk gedaan hebben, maar Frans Joubert dacht er anders over. Hij had geleerd om nooit een Kaffer te vertrouwen, en hij zeide dan ook aan Willem: „Zeg aan hulle dat onze paarden hier zullen blijven, maar dat ons nergens gaat zonder onze roers.”
Dit antwoord scheen de twee Batlokua niet te bevallen, en zij verdwenen weder door den ingang. Ditmaal bleven zij meer dan een half uur weg, doch toen zij eindelijk terugkwamen, gaven zij Willem te kennen „dat die Boeren konden binnengaan met hulle roers.”
De vier Boeren stegen toen van hunne paarden af en met Retief voorop en hunne roers in den arm, gingen zij den nauwen ingang binnen.
Binnen den ringmuur stonden negen Kafferhutten, grooter dan de andere van de stad, en voor die in het midden zat een sterke, groote en pikzwarte Kaffer. Dit was Sikonyella. Langs hem zat een oude Kaffervrouw, niemand anders dan de eens zoo gevreesde Ma Ntatisa, Sikonyella’s moeder. Aan weerszijden van hen, gehurkt op den grond, was er een twaalftal[35]van Sikonyella’s raadslieden, en achter hen stonden een honderdtal Batlokuastrijders met schild en assegaai.
Retief en de andere drie bleven een paar schreden voor Sikonyella stilstaan, en daarop zeide Willem in de Batlokua taal:
„De kaptein der Boeren groet den grooten kaptein der Batlokua.”
„Dit is goed,” antwoordde Sikonyella, „ik groet den kaptein der Boeren. Maar wat komt de kaptein hier maken en wat wil hij van mij hebben.”
Willem vertaalde dit aan Retief, die antwoordde: „Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren hier in het land gekomen zijn in vrede en in vrede wenschen te leven met al de stammen, die in dit land wonen. Zij willen met kaptein Sikonyella een verbond van vriendschap aangaan, en daarvoor hebben zij mij, hun grooten kaptein, gezonden.”
„Waar wonen de Boeren?” vroeg Sikonyella.
„Wij wonen niet ver van Thaba ’Nchu, bij de Vetrivier,” antwoordde Retief.
„Dat is niet mijn land, maar hoort aan Moselikatse, en zoolang zij daar blijven zal ik de Boeren niet hinderen. Maar in het land waar ik woon, zullen de Boeren niet komen. Mijn land is klein, en mijn stam is groot, en ik zal niet toelaten, dat de Boeren mijn volk hinderen.”[36]
„Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren geen strook gronds van hem zullen nemen. Hun plan is om te blijven wonen waar zij zijn, want daar is veld genoeg voor hun vee.”
Dit antwoord scheen Sikonyella te bevredigen, en zijn eenigszins stoutmoedige houding begon te verdwijnen.
„Als ik een verbond van vriendschap met de Boeren maak, zullen zij dan mij tegen mijne vijanden helpen?” vroeg de slimme Kaffer-kapitein.
Retief zag echter door de strikvraag en antwoordde: „Als kapitein Sikonyella’s vijanden hem aanvallen, zullen de Boeren hem zekerlijk helpen.”
„Zult gij mij tegen Moshesh helpen,” was de volgende vraag.
„Wij zullen niet toelaten dat Moshesh u aanvalt. Doet hij dit, dan zullen wij hem straffen.”
Sikonyella deed een tevredenHm!hooren, alsof hij gerustgesteld was.
„Ik zal een vriendschapsverbond aangaan met de Boeren,” vervolgde hij na eenig stilzwijgen: „op deze voorwaarde dat zij mij zullen helpen tegen mijne vijanden, en ik hen tegen de hunne.”
Toen dit aan Retief vertaald werd, zeide hij aan David om de geschenken te halen, die hij medegebracht had, en David ging toen naar buiten en kwam[37]spoedig terug met een geweer, een zakjekruit, een zakje kogels, en een doek, waarin iets gewikkeld was.
Retief nam het geweer, hetkruiten de kogels, en zeide tot Willem: „Geef dit aan kapitein Sikonyella als een geschenk van mij en als bewijs van ons verbond.”
Sikonyella was opgetogen van blijdschap, toen hij dit geschenk ontving, want een extra goed geweer, zooals dit er een was, had hij al lang begeerd.
Op een wenk en een paar woorden van hem, sprong een der raadslieden op, en liep een der hutten binnen en kwam terug met een prachtige Karros van tijgervellen.
Sikonyella overhandigde die aan Willem: „Geef die aan den grooten kapitein der Boeren, en zeg hem dat Sikonyella trouw zijn verbond zal bewaren.”
Retief had nu den doek losgemaakt en haalde er een halssnoer uit van groote kralen van allerlei kleuren en dit gaf hij aan Ma Ntatisi ten geschenke. De oude vrouw greep gretig naar het snoer, en deed het dadelijk om haar hals, waarna zij opstond en de hut aan de achterzijde inging, zeker om haar kostbaar geschenk aan Sikonyella’s vrouwen te gaan wijzen.
Tot op dit oogenblik waren Retief en zijne volgelingen staande gebleven; maar Sikonyella liet nu matten voor hen spreiden, om op te zitten. Ook zond[38]hij eenige Kaffers om voor de paarden te zorgen, en het goed op de paarden te bergen in eene daartoe aangewezen hut, en verder gaf hij last om aan de dienstboden der blanken het noodige voedsel te verschaffen.
Er vond toen nog een lang gesprek plaats tusschen Retief en den Kafferkapitein.
Een hut werd daarna den Boeren aangewezen, waar zij konden overnachten, en daar de hut nieuw en schoon was, was het volstrekt geen slechten slaapplek. Ook zond Sikonyella een slachtbok, melk, mielies en „juala” of Kafferbier, dat, zooals Hans zeide, glad niet slecht smaakte.
Den volgenden morgen vertrok Retief en de zijnen, na Sikonyella gegroet te hebben, en vervolgden hunnen weg naar Thaba Bosigo.
Ook Moshesh ontving hen goed, en trad ook in een vriendschapsverbond met de Emigranten. Retief was zeer in zijn schik met den uitslag zijner reis, en toen hij, na tien dagen weg te zijn geweest, weder te Vetrivier terug kwam, kon hij zijne vrienden aldaar verzekeren, dat zij voor de naburige Kaffers niet behoefden te vreezen.
Kort na Retiefs terugkomst kwam er een nieuwe trek der Emigranten, onder aanvoer van den ouden patriarch Jacobus Uys. Zij kwamen uit het district[39]Uitenhage, en waren een groote aanwinst voor de Boeren, vooral in den persoon van Peter Lavras Uys, den zoon van den ouden Jacobus. Deze had in den Kafferoorlog van 1834 aan de zijde van Retief gestreden en zijne dapperheid en krijgskunde waren hoog geroemd, zoowel door Engelschen als Afrikaners. Zulke mannen had men noodig en het was geen wonder, dat Pieter Lavras Uys, kort na zijn aankomst, gekozen werd als een der kommandanten.[40]