[Inhoud]HOOFDSTUK IV.HOOFDSTUK IV.Het zou, geachte lezer, inderdaad een lang verhaal wezen, wanneer ik u hierinallesging vertellen, wat er in de jaren 1837 en 1838 met de Emigranten gebeurde, en bovendien zou het u misschien beginnen te vervelen. Wanneer gij van de geschiedenis dier jaren meer wilt weten, dan recommandeer ik u ten sterkste het lezen van het uitmuntend werk van den heer Dr. G. M. Theal, getiteld: „Geschiedenis der Boeren in Zuid-Afrika,” een boek dat elk rechtgeaard Afrikaner in zijn huis behoorde te hebben. Ik ben echter verplicht om zekere feiten over te slaan, teneinde den draad van dit verhaal niet te verliezen.[41]Het was steeds den wensch der Emigranten om een zeehaven van hun eigen te hebben, daar zij alsdan geheel onafhankelijk van de Kolonie en de Engelschen konden zijn, en vrijen handel konden drijven met andere Europeesche natiën. Retief zag dan ook in, dat men niet kon blijven, waar men thans was, en met dit doel sloeg hij het oog op Natal. Doch Natal was in de macht van Dingaan, den koning der machtige Zulu-natie, en de eerste zaak die dus moest verricht worden, was het oprichten van een verbond met Dingaan. Ten einde dit te doen, besloot Retief, om zelve een reis naar Natal te doen, en den Zulu-koning een bezoek te brengen.In October 1837 vertrok Retief met een klein escort. Frans Joubert, Abraham Greyling en nog zes andere Emigranten begeleidden hem als escort, en verder nam hij een achttal kleurlingen mede, waaronder natuurlijk den trouwen Willem. Hoe het met die reis afliep, zullen wij later uit Retiefs eigen mond vernemen. Wij zullen hem dus niet vergezellen, maar bij het kamp te Vetrivier blijven.Het is de 18deNovember 1837, ’s avonds om negen uur, en inderdaad een prachtige avond. De dag was heet geweest, doch nu woei er een zachte koelte, en de bijna volle maan scheen helder aan den wolkeloozen[42]hemel. Buiten het kamp, bij de kralen, brandden er een aantal vuren, want de leeuwen zijn nog steeds brutaal en zouden, zonder zulke voorzorgen, licht een half dozijn ossen in het stof doen bijten. Derhalve is er ook steeds een wacht van eenige blanken bij de kralen, behalve verscheidenen van het volk. Op dezen avond is David Malan een van de wacht, en op het oogenblik stapt hij met het geweer op den schouder en een pijp in den mond rustig op en neer, tusschen het kamp en de kralen. Maar toch heeft hij ooren en oogen open, en het fijnste geritsel in het gras wordt door hem gehoord, en zelfs de vleermuizen ontsnappen zijne scherpe oogen niet. In het kamp is alles blijkbaar doodstil; hier en daar brandt nog een licht in een wagen, maar dat is dan ook al.Daar hoort David den zachten tred van iemand, die door het gras uit de richting van het kamp komt. Hij laat echter zijn geweer rustig op den schouder rusten, want aan den voetval weet hij wie het is, en spoedig in den helderen maneschijn ziet hij een vrouwelijke gedaante naar hem toekomen.„David,” roept eene zachte meisjesstem, en David blijft stilstaan. Een oogenblik later is Martje aan zijne zijde, en heeft hij haar een hartelijken kus gegeven.[43]„Mensche!” zeide David, „ik dacht dat je van avond niet zou komen, Martje. Jij hebt mij lang laten wachten.”„Ik kon niet eerder komen, want Ma was nog niet aan slaap, en ik heb Mimi gevraagd om zoo lang op te zitten tot ik terug kom.”De twee geliefden liepen op en neder onder allerlei zoet gekeuvel.„Ik wonder wanneer Pa en Oom Piet komen,”zeide het meisje. „Ma is al recht angstig en ik word ook bang, dat hullie misschien een ongeluk is overgekomen.”„Och wat,” zeide David lachend, „jullie vrouw-menschen wordt ook zoo gauw bang voor niks. Oom Pieter is zeker opgehouden in Natal, en het zal mij niets verwonderen, als hij ons goede tijding brengt, wanneer hij terugkomt. Ik wou dat ik met hem samen gegaan was.”„Jij hebt ook geen stuk rust, David,” hernam het meisje. „Je wil altijd rondrijden en werkschaften.”„Je wil toch niet, dat ik, net zooals een jong meisje, altijd bij het vuur moet zitten,” was het lachende antwoord van den jongen man. „Stil,” riep hij toen, „ik hoor iets.”Beiden luisterden. „Dit is paardenruiters,” riep David, „en ik wed dit is Oom Pieter.”[44]Het paardengetrappel kwam nader, en spoedig, in het maanlicht, zag men een troepje ruiters die snel naar het kamp toekwamen.Martje was thans weggesneld, zoo gauw hare beenen haar konden dragen, en David, zijn geweer in gereedheid houdende, riep: „Wie is daar?”„Goede vrienden,” was het antwoord van eene zware mansstem, die David dadelijk herkende als de stem van Pieter Retief.„O, is dat jij, David,” zeide de Kommandant-Generaal, toen hij nader kwam, en hij boog over den nek van het paard en schudde den jongen man de hand. „En hoe gaat het hier, nog alles frisch?”„Ja Oom, dit gaat nog alles goed,” antwoordde de jongeling: „ons begon net bang te worden dat daar iets met jullie een ongeluk gekrijg had, omdat jullie zoo lang weg bleef.”Tegen dezen tijd waren de andere wachten ook op de plaats aangekomen, en groetten de ruiters. Oom Jan Greyling, een goede, oude dikke kerel, was zoo verblijd, dat hij den Kommandant-Generaal weer zag, dat hij, uit pure opgewondenheid, zijn geweer in de lucht afschoot, en daarop ging het boms! boms! uit de andere drie geweren ook. In een oogenblik waren de lichten in het kamp aan het branden, en een twintigtal Boeren kwamen hard aangeloopen,[45]met een angstig: „Wat is dit? Wat mankeer?” Toen zij uitvonden, wat het was, volgde er nog een aantal geweerschoten, en toen begeleidden allen de aangekomenen naar het kamp.Nu vond er een gegroet en gezoen plaats, en een gevraag en gepraat, dat een mensch hooren en zien verging, en toen de vrouwen vernamen, dat de ruiters nog niet dien avond gegeten hadden, werden er vuren aangestoken, ketels gekookt en vleesch gebraden.Het was Retief en de zijnen onmogelijk om op alle vragen te antwoorden, en hij zeide dan ook, dat hij overmorgen eene volksvergadering bij elkaar zou roepen en behoorlijk verslag geven van zijne reis, en tot zoolang moest men maar een beetje geduld hebben.Dien avond was het over twaalven, toen er weder rust in het kamp was, en toen David kort daarop van zijne wacht afgelost werd, waren allen reeds in slaap, en kroop hij stilletjes in den wagen naast zijn neef Lang Hans, die reeds hard aan het snorken was.Den volgenden morgen was het levendig in het kamp. Een aantal jonge Boeren, en ook eenige ouderen waren reeds vroeg bezig hunne paarden op te zadelen, teneinde kennisgevingen aan de verschillende[46]kampen te brengen, dat den volgenden dag om één uur in den namiddag, er een groote vergadering zou plaats vinden te Winburg. Een tal van anderen waren gereed om het veld in te gaan, om wild te schieten, want natuurlijk moest er voor kost gezorgd worden voor allen, die de vergadering bijwoonden. Derhalve waren de vrouwen dan ook hard bezig met broodbakken en andere noodige toebereidselen te maken.Dien dag verloor David Malan bijna het leven en wel op de volgende wijze1. Hij was gaan jagen, en zag op een afstand een klein troepje mooie koodoo’s waarvan hij er graag een wilde hebben. Daar echter de koodoo’s zeer fijn zien en tamelijk wild waren, zag David rond naar eene gelegenheid om hen te bekruipen. Niet ver van hem was eene diepe sloot, die naar het scheen dicht achter de koodoo’s liep, en dit was dus eene schoone kans. David daalde dan ook met paard en al den steilen wal der sloot af, en bond toen zijn paard aan een sterken wortel vast. Hij zag naar zijn geweer, deed nieuw kruid in de pan, en sloop toen behoedzaam in de sloot voort, nu en dan voorzichtig over den wal loerende,[47]om te zien hoever hij nog van het wild af was. Toen hij dit de derde keer deed, vond hij, dat hij nog meer dan driehonderd treden van hen af was, en dit was een veel te lang schot voor zijn ouden Sanna. Hij wilde juist weer in de sloot afdalen, toen hij, met het omdraaien van zijn hoofd, iets zag dat voor een oogenblik zijn bloed in de aderen deed verstijven. Op veertig treden afstands, tusschen het hooge gras lagen een zestal leeuwen, drie mannetjes en drie wijfjes. Zij lagen met hun achterlijf naar David toegekeerd, en schenen vast in den slaap. De naaste leeuw, een groot mannetje, lag half op zijne zijde. Zooals ik zeide, schrok David voor een oogenblik, maar dadelijk daarop kwam zijn jagersgeest hem te hulp en dacht hij, dat er hier een kans was om een leeuw te schieten, zoo prachtig als hij het maar ooit kon hebben. Hij sloop dan ook voorzichtig tegen den wal der sloot op, en mikte toen zeer precies op den naastbijzijnden leeuw. Het schot dreunde, en David gleed dadelijk den wal af, en laadde zoo snel mogelijk zijn geweer. Niets hoorende, kroop hij weder den wal op en loerde. De leeuw waarop hij korrel gevat had, lag roerloos dood, de andere vijf waren opgestaan, doch niet wetende, waar het schot vandaan kwam, stonden zij nog met hunne koppen van David weggekeerd. Op omtrent vijftig treê stond een ander[48]mannetje, den kop hoog opgeheven, en de lucht insnuivende om den vijand te ruiken, doch gelukkig woei de wind in de richting van David. De jonge man legde zich bedaard op de knie en vuurde, korrel vattende op den achterkop des leeuws. Weder knalde het schot, en weder liep David den wal af en laadde zijn geweer. Doch nu schoot hem plotseling de gedachte in het hoofd, dat wanneer de leeuwen omsprongen en naar de sloot kwamen, hij een verloren man zou zijn, want tegen vier leeuwen op eens was hij niet opgewassen. Deze gedachte deed hem langer in de sloot blijven, dan hij anders zou gedaan hebben. Toen hij echter na verloop van vijf minuten niets zag of hoorde kroop hij nogmaals den wal op. Daar lag de tweede leeuw in den doodsstrijd, en gaf juist de laatste stuiptrekking, terwijl de vier andere leeuwen bezig waren om met groote sprongen zich te verwijderen. David keek hen na, totdat zij goed en wel achter een hoog randje verdwenen waren. Toen stapte hij naar de twee doode dierenkoningen en begon hen zoo snel mogelijk de huid af te stroopen, iets dat hem een volle twee uur bezighield. Toen hij dien avond thuis kwam in het kamp, bracht hij geen ander wild mee dan één springbok, maar in de plaats daarvan had hij twee prachtige leeuwenvellen.Toen Martje van haar geliefden diens avontuur[49]hoorde, was zij erg kwaad op hem voor zijne onvoorzichtigheid, maar die boosheid was spoedig over, toen zij hoorde dat een ieder, en zelfs haar vader den jongen man prees voor zijne onverschrokkenheid. Toen was zij, in plaats van kwaad, trotsch op haren jongen minnaar. En welk rechtgeaard Afrikaner meisje zou dit niet wezen?[50]1Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in speelde.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK IV.HOOFDSTUK IV.Het zou, geachte lezer, inderdaad een lang verhaal wezen, wanneer ik u hierinallesging vertellen, wat er in de jaren 1837 en 1838 met de Emigranten gebeurde, en bovendien zou het u misschien beginnen te vervelen. Wanneer gij van de geschiedenis dier jaren meer wilt weten, dan recommandeer ik u ten sterkste het lezen van het uitmuntend werk van den heer Dr. G. M. Theal, getiteld: „Geschiedenis der Boeren in Zuid-Afrika,” een boek dat elk rechtgeaard Afrikaner in zijn huis behoorde te hebben. Ik ben echter verplicht om zekere feiten over te slaan, teneinde den draad van dit verhaal niet te verliezen.[41]Het was steeds den wensch der Emigranten om een zeehaven van hun eigen te hebben, daar zij alsdan geheel onafhankelijk van de Kolonie en de Engelschen konden zijn, en vrijen handel konden drijven met andere Europeesche natiën. Retief zag dan ook in, dat men niet kon blijven, waar men thans was, en met dit doel sloeg hij het oog op Natal. Doch Natal was in de macht van Dingaan, den koning der machtige Zulu-natie, en de eerste zaak die dus moest verricht worden, was het oprichten van een verbond met Dingaan. Ten einde dit te doen, besloot Retief, om zelve een reis naar Natal te doen, en den Zulu-koning een bezoek te brengen.In October 1837 vertrok Retief met een klein escort. Frans Joubert, Abraham Greyling en nog zes andere Emigranten begeleidden hem als escort, en verder nam hij een achttal kleurlingen mede, waaronder natuurlijk den trouwen Willem. Hoe het met die reis afliep, zullen wij later uit Retiefs eigen mond vernemen. Wij zullen hem dus niet vergezellen, maar bij het kamp te Vetrivier blijven.Het is de 18deNovember 1837, ’s avonds om negen uur, en inderdaad een prachtige avond. De dag was heet geweest, doch nu woei er een zachte koelte, en de bijna volle maan scheen helder aan den wolkeloozen[42]hemel. Buiten het kamp, bij de kralen, brandden er een aantal vuren, want de leeuwen zijn nog steeds brutaal en zouden, zonder zulke voorzorgen, licht een half dozijn ossen in het stof doen bijten. Derhalve is er ook steeds een wacht van eenige blanken bij de kralen, behalve verscheidenen van het volk. Op dezen avond is David Malan een van de wacht, en op het oogenblik stapt hij met het geweer op den schouder en een pijp in den mond rustig op en neer, tusschen het kamp en de kralen. Maar toch heeft hij ooren en oogen open, en het fijnste geritsel in het gras wordt door hem gehoord, en zelfs de vleermuizen ontsnappen zijne scherpe oogen niet. In het kamp is alles blijkbaar doodstil; hier en daar brandt nog een licht in een wagen, maar dat is dan ook al.Daar hoort David den zachten tred van iemand, die door het gras uit de richting van het kamp komt. Hij laat echter zijn geweer rustig op den schouder rusten, want aan den voetval weet hij wie het is, en spoedig in den helderen maneschijn ziet hij een vrouwelijke gedaante naar hem toekomen.„David,” roept eene zachte meisjesstem, en David blijft stilstaan. Een oogenblik later is Martje aan zijne zijde, en heeft hij haar een hartelijken kus gegeven.[43]„Mensche!” zeide David, „ik dacht dat je van avond niet zou komen, Martje. Jij hebt mij lang laten wachten.”„Ik kon niet eerder komen, want Ma was nog niet aan slaap, en ik heb Mimi gevraagd om zoo lang op te zitten tot ik terug kom.”De twee geliefden liepen op en neder onder allerlei zoet gekeuvel.„Ik wonder wanneer Pa en Oom Piet komen,”zeide het meisje. „Ma is al recht angstig en ik word ook bang, dat hullie misschien een ongeluk is overgekomen.”„Och wat,” zeide David lachend, „jullie vrouw-menschen wordt ook zoo gauw bang voor niks. Oom Pieter is zeker opgehouden in Natal, en het zal mij niets verwonderen, als hij ons goede tijding brengt, wanneer hij terugkomt. Ik wou dat ik met hem samen gegaan was.”„Jij hebt ook geen stuk rust, David,” hernam het meisje. „Je wil altijd rondrijden en werkschaften.”„Je wil toch niet, dat ik, net zooals een jong meisje, altijd bij het vuur moet zitten,” was het lachende antwoord van den jongen man. „Stil,” riep hij toen, „ik hoor iets.”Beiden luisterden. „Dit is paardenruiters,” riep David, „en ik wed dit is Oom Pieter.”[44]Het paardengetrappel kwam nader, en spoedig, in het maanlicht, zag men een troepje ruiters die snel naar het kamp toekwamen.Martje was thans weggesneld, zoo gauw hare beenen haar konden dragen, en David, zijn geweer in gereedheid houdende, riep: „Wie is daar?”„Goede vrienden,” was het antwoord van eene zware mansstem, die David dadelijk herkende als de stem van Pieter Retief.„O, is dat jij, David,” zeide de Kommandant-Generaal, toen hij nader kwam, en hij boog over den nek van het paard en schudde den jongen man de hand. „En hoe gaat het hier, nog alles frisch?”„Ja Oom, dit gaat nog alles goed,” antwoordde de jongeling: „ons begon net bang te worden dat daar iets met jullie een ongeluk gekrijg had, omdat jullie zoo lang weg bleef.”Tegen dezen tijd waren de andere wachten ook op de plaats aangekomen, en groetten de ruiters. Oom Jan Greyling, een goede, oude dikke kerel, was zoo verblijd, dat hij den Kommandant-Generaal weer zag, dat hij, uit pure opgewondenheid, zijn geweer in de lucht afschoot, en daarop ging het boms! boms! uit de andere drie geweren ook. In een oogenblik waren de lichten in het kamp aan het branden, en een twintigtal Boeren kwamen hard aangeloopen,[45]met een angstig: „Wat is dit? Wat mankeer?” Toen zij uitvonden, wat het was, volgde er nog een aantal geweerschoten, en toen begeleidden allen de aangekomenen naar het kamp.Nu vond er een gegroet en gezoen plaats, en een gevraag en gepraat, dat een mensch hooren en zien verging, en toen de vrouwen vernamen, dat de ruiters nog niet dien avond gegeten hadden, werden er vuren aangestoken, ketels gekookt en vleesch gebraden.Het was Retief en de zijnen onmogelijk om op alle vragen te antwoorden, en hij zeide dan ook, dat hij overmorgen eene volksvergadering bij elkaar zou roepen en behoorlijk verslag geven van zijne reis, en tot zoolang moest men maar een beetje geduld hebben.Dien avond was het over twaalven, toen er weder rust in het kamp was, en toen David kort daarop van zijne wacht afgelost werd, waren allen reeds in slaap, en kroop hij stilletjes in den wagen naast zijn neef Lang Hans, die reeds hard aan het snorken was.Den volgenden morgen was het levendig in het kamp. Een aantal jonge Boeren, en ook eenige ouderen waren reeds vroeg bezig hunne paarden op te zadelen, teneinde kennisgevingen aan de verschillende[46]kampen te brengen, dat den volgenden dag om één uur in den namiddag, er een groote vergadering zou plaats vinden te Winburg. Een tal van anderen waren gereed om het veld in te gaan, om wild te schieten, want natuurlijk moest er voor kost gezorgd worden voor allen, die de vergadering bijwoonden. Derhalve waren de vrouwen dan ook hard bezig met broodbakken en andere noodige toebereidselen te maken.Dien dag verloor David Malan bijna het leven en wel op de volgende wijze1. Hij was gaan jagen, en zag op een afstand een klein troepje mooie koodoo’s waarvan hij er graag een wilde hebben. Daar echter de koodoo’s zeer fijn zien en tamelijk wild waren, zag David rond naar eene gelegenheid om hen te bekruipen. Niet ver van hem was eene diepe sloot, die naar het scheen dicht achter de koodoo’s liep, en dit was dus eene schoone kans. David daalde dan ook met paard en al den steilen wal der sloot af, en bond toen zijn paard aan een sterken wortel vast. Hij zag naar zijn geweer, deed nieuw kruid in de pan, en sloop toen behoedzaam in de sloot voort, nu en dan voorzichtig over den wal loerende,[47]om te zien hoever hij nog van het wild af was. Toen hij dit de derde keer deed, vond hij, dat hij nog meer dan driehonderd treden van hen af was, en dit was een veel te lang schot voor zijn ouden Sanna. Hij wilde juist weer in de sloot afdalen, toen hij, met het omdraaien van zijn hoofd, iets zag dat voor een oogenblik zijn bloed in de aderen deed verstijven. Op veertig treden afstands, tusschen het hooge gras lagen een zestal leeuwen, drie mannetjes en drie wijfjes. Zij lagen met hun achterlijf naar David toegekeerd, en schenen vast in den slaap. De naaste leeuw, een groot mannetje, lag half op zijne zijde. Zooals ik zeide, schrok David voor een oogenblik, maar dadelijk daarop kwam zijn jagersgeest hem te hulp en dacht hij, dat er hier een kans was om een leeuw te schieten, zoo prachtig als hij het maar ooit kon hebben. Hij sloop dan ook voorzichtig tegen den wal der sloot op, en mikte toen zeer precies op den naastbijzijnden leeuw. Het schot dreunde, en David gleed dadelijk den wal af, en laadde zoo snel mogelijk zijn geweer. Niets hoorende, kroop hij weder den wal op en loerde. De leeuw waarop hij korrel gevat had, lag roerloos dood, de andere vijf waren opgestaan, doch niet wetende, waar het schot vandaan kwam, stonden zij nog met hunne koppen van David weggekeerd. Op omtrent vijftig treê stond een ander[48]mannetje, den kop hoog opgeheven, en de lucht insnuivende om den vijand te ruiken, doch gelukkig woei de wind in de richting van David. De jonge man legde zich bedaard op de knie en vuurde, korrel vattende op den achterkop des leeuws. Weder knalde het schot, en weder liep David den wal af en laadde zijn geweer. Doch nu schoot hem plotseling de gedachte in het hoofd, dat wanneer de leeuwen omsprongen en naar de sloot kwamen, hij een verloren man zou zijn, want tegen vier leeuwen op eens was hij niet opgewassen. Deze gedachte deed hem langer in de sloot blijven, dan hij anders zou gedaan hebben. Toen hij echter na verloop van vijf minuten niets zag of hoorde kroop hij nogmaals den wal op. Daar lag de tweede leeuw in den doodsstrijd, en gaf juist de laatste stuiptrekking, terwijl de vier andere leeuwen bezig waren om met groote sprongen zich te verwijderen. David keek hen na, totdat zij goed en wel achter een hoog randje verdwenen waren. Toen stapte hij naar de twee doode dierenkoningen en begon hen zoo snel mogelijk de huid af te stroopen, iets dat hem een volle twee uur bezighield. Toen hij dien avond thuis kwam in het kamp, bracht hij geen ander wild mee dan één springbok, maar in de plaats daarvan had hij twee prachtige leeuwenvellen.Toen Martje van haar geliefden diens avontuur[49]hoorde, was zij erg kwaad op hem voor zijne onvoorzichtigheid, maar die boosheid was spoedig over, toen zij hoorde dat een ieder, en zelfs haar vader den jongen man prees voor zijne onverschrokkenheid. Toen was zij, in plaats van kwaad, trotsch op haren jongen minnaar. En welk rechtgeaard Afrikaner meisje zou dit niet wezen?[50]1Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in speelde.↑
HOOFDSTUK IV.HOOFDSTUK IV.
HOOFDSTUK IV.
Het zou, geachte lezer, inderdaad een lang verhaal wezen, wanneer ik u hierinallesging vertellen, wat er in de jaren 1837 en 1838 met de Emigranten gebeurde, en bovendien zou het u misschien beginnen te vervelen. Wanneer gij van de geschiedenis dier jaren meer wilt weten, dan recommandeer ik u ten sterkste het lezen van het uitmuntend werk van den heer Dr. G. M. Theal, getiteld: „Geschiedenis der Boeren in Zuid-Afrika,” een boek dat elk rechtgeaard Afrikaner in zijn huis behoorde te hebben. Ik ben echter verplicht om zekere feiten over te slaan, teneinde den draad van dit verhaal niet te verliezen.[41]Het was steeds den wensch der Emigranten om een zeehaven van hun eigen te hebben, daar zij alsdan geheel onafhankelijk van de Kolonie en de Engelschen konden zijn, en vrijen handel konden drijven met andere Europeesche natiën. Retief zag dan ook in, dat men niet kon blijven, waar men thans was, en met dit doel sloeg hij het oog op Natal. Doch Natal was in de macht van Dingaan, den koning der machtige Zulu-natie, en de eerste zaak die dus moest verricht worden, was het oprichten van een verbond met Dingaan. Ten einde dit te doen, besloot Retief, om zelve een reis naar Natal te doen, en den Zulu-koning een bezoek te brengen.In October 1837 vertrok Retief met een klein escort. Frans Joubert, Abraham Greyling en nog zes andere Emigranten begeleidden hem als escort, en verder nam hij een achttal kleurlingen mede, waaronder natuurlijk den trouwen Willem. Hoe het met die reis afliep, zullen wij later uit Retiefs eigen mond vernemen. Wij zullen hem dus niet vergezellen, maar bij het kamp te Vetrivier blijven.Het is de 18deNovember 1837, ’s avonds om negen uur, en inderdaad een prachtige avond. De dag was heet geweest, doch nu woei er een zachte koelte, en de bijna volle maan scheen helder aan den wolkeloozen[42]hemel. Buiten het kamp, bij de kralen, brandden er een aantal vuren, want de leeuwen zijn nog steeds brutaal en zouden, zonder zulke voorzorgen, licht een half dozijn ossen in het stof doen bijten. Derhalve is er ook steeds een wacht van eenige blanken bij de kralen, behalve verscheidenen van het volk. Op dezen avond is David Malan een van de wacht, en op het oogenblik stapt hij met het geweer op den schouder en een pijp in den mond rustig op en neer, tusschen het kamp en de kralen. Maar toch heeft hij ooren en oogen open, en het fijnste geritsel in het gras wordt door hem gehoord, en zelfs de vleermuizen ontsnappen zijne scherpe oogen niet. In het kamp is alles blijkbaar doodstil; hier en daar brandt nog een licht in een wagen, maar dat is dan ook al.Daar hoort David den zachten tred van iemand, die door het gras uit de richting van het kamp komt. Hij laat echter zijn geweer rustig op den schouder rusten, want aan den voetval weet hij wie het is, en spoedig in den helderen maneschijn ziet hij een vrouwelijke gedaante naar hem toekomen.„David,” roept eene zachte meisjesstem, en David blijft stilstaan. Een oogenblik later is Martje aan zijne zijde, en heeft hij haar een hartelijken kus gegeven.[43]„Mensche!” zeide David, „ik dacht dat je van avond niet zou komen, Martje. Jij hebt mij lang laten wachten.”„Ik kon niet eerder komen, want Ma was nog niet aan slaap, en ik heb Mimi gevraagd om zoo lang op te zitten tot ik terug kom.”De twee geliefden liepen op en neder onder allerlei zoet gekeuvel.„Ik wonder wanneer Pa en Oom Piet komen,”zeide het meisje. „Ma is al recht angstig en ik word ook bang, dat hullie misschien een ongeluk is overgekomen.”„Och wat,” zeide David lachend, „jullie vrouw-menschen wordt ook zoo gauw bang voor niks. Oom Pieter is zeker opgehouden in Natal, en het zal mij niets verwonderen, als hij ons goede tijding brengt, wanneer hij terugkomt. Ik wou dat ik met hem samen gegaan was.”„Jij hebt ook geen stuk rust, David,” hernam het meisje. „Je wil altijd rondrijden en werkschaften.”„Je wil toch niet, dat ik, net zooals een jong meisje, altijd bij het vuur moet zitten,” was het lachende antwoord van den jongen man. „Stil,” riep hij toen, „ik hoor iets.”Beiden luisterden. „Dit is paardenruiters,” riep David, „en ik wed dit is Oom Pieter.”[44]Het paardengetrappel kwam nader, en spoedig, in het maanlicht, zag men een troepje ruiters die snel naar het kamp toekwamen.Martje was thans weggesneld, zoo gauw hare beenen haar konden dragen, en David, zijn geweer in gereedheid houdende, riep: „Wie is daar?”„Goede vrienden,” was het antwoord van eene zware mansstem, die David dadelijk herkende als de stem van Pieter Retief.„O, is dat jij, David,” zeide de Kommandant-Generaal, toen hij nader kwam, en hij boog over den nek van het paard en schudde den jongen man de hand. „En hoe gaat het hier, nog alles frisch?”„Ja Oom, dit gaat nog alles goed,” antwoordde de jongeling: „ons begon net bang te worden dat daar iets met jullie een ongeluk gekrijg had, omdat jullie zoo lang weg bleef.”Tegen dezen tijd waren de andere wachten ook op de plaats aangekomen, en groetten de ruiters. Oom Jan Greyling, een goede, oude dikke kerel, was zoo verblijd, dat hij den Kommandant-Generaal weer zag, dat hij, uit pure opgewondenheid, zijn geweer in de lucht afschoot, en daarop ging het boms! boms! uit de andere drie geweren ook. In een oogenblik waren de lichten in het kamp aan het branden, en een twintigtal Boeren kwamen hard aangeloopen,[45]met een angstig: „Wat is dit? Wat mankeer?” Toen zij uitvonden, wat het was, volgde er nog een aantal geweerschoten, en toen begeleidden allen de aangekomenen naar het kamp.Nu vond er een gegroet en gezoen plaats, en een gevraag en gepraat, dat een mensch hooren en zien verging, en toen de vrouwen vernamen, dat de ruiters nog niet dien avond gegeten hadden, werden er vuren aangestoken, ketels gekookt en vleesch gebraden.Het was Retief en de zijnen onmogelijk om op alle vragen te antwoorden, en hij zeide dan ook, dat hij overmorgen eene volksvergadering bij elkaar zou roepen en behoorlijk verslag geven van zijne reis, en tot zoolang moest men maar een beetje geduld hebben.Dien avond was het over twaalven, toen er weder rust in het kamp was, en toen David kort daarop van zijne wacht afgelost werd, waren allen reeds in slaap, en kroop hij stilletjes in den wagen naast zijn neef Lang Hans, die reeds hard aan het snorken was.Den volgenden morgen was het levendig in het kamp. Een aantal jonge Boeren, en ook eenige ouderen waren reeds vroeg bezig hunne paarden op te zadelen, teneinde kennisgevingen aan de verschillende[46]kampen te brengen, dat den volgenden dag om één uur in den namiddag, er een groote vergadering zou plaats vinden te Winburg. Een tal van anderen waren gereed om het veld in te gaan, om wild te schieten, want natuurlijk moest er voor kost gezorgd worden voor allen, die de vergadering bijwoonden. Derhalve waren de vrouwen dan ook hard bezig met broodbakken en andere noodige toebereidselen te maken.Dien dag verloor David Malan bijna het leven en wel op de volgende wijze1. Hij was gaan jagen, en zag op een afstand een klein troepje mooie koodoo’s waarvan hij er graag een wilde hebben. Daar echter de koodoo’s zeer fijn zien en tamelijk wild waren, zag David rond naar eene gelegenheid om hen te bekruipen. Niet ver van hem was eene diepe sloot, die naar het scheen dicht achter de koodoo’s liep, en dit was dus eene schoone kans. David daalde dan ook met paard en al den steilen wal der sloot af, en bond toen zijn paard aan een sterken wortel vast. Hij zag naar zijn geweer, deed nieuw kruid in de pan, en sloop toen behoedzaam in de sloot voort, nu en dan voorzichtig over den wal loerende,[47]om te zien hoever hij nog van het wild af was. Toen hij dit de derde keer deed, vond hij, dat hij nog meer dan driehonderd treden van hen af was, en dit was een veel te lang schot voor zijn ouden Sanna. Hij wilde juist weer in de sloot afdalen, toen hij, met het omdraaien van zijn hoofd, iets zag dat voor een oogenblik zijn bloed in de aderen deed verstijven. Op veertig treden afstands, tusschen het hooge gras lagen een zestal leeuwen, drie mannetjes en drie wijfjes. Zij lagen met hun achterlijf naar David toegekeerd, en schenen vast in den slaap. De naaste leeuw, een groot mannetje, lag half op zijne zijde. Zooals ik zeide, schrok David voor een oogenblik, maar dadelijk daarop kwam zijn jagersgeest hem te hulp en dacht hij, dat er hier een kans was om een leeuw te schieten, zoo prachtig als hij het maar ooit kon hebben. Hij sloop dan ook voorzichtig tegen den wal der sloot op, en mikte toen zeer precies op den naastbijzijnden leeuw. Het schot dreunde, en David gleed dadelijk den wal af, en laadde zoo snel mogelijk zijn geweer. Niets hoorende, kroop hij weder den wal op en loerde. De leeuw waarop hij korrel gevat had, lag roerloos dood, de andere vijf waren opgestaan, doch niet wetende, waar het schot vandaan kwam, stonden zij nog met hunne koppen van David weggekeerd. Op omtrent vijftig treê stond een ander[48]mannetje, den kop hoog opgeheven, en de lucht insnuivende om den vijand te ruiken, doch gelukkig woei de wind in de richting van David. De jonge man legde zich bedaard op de knie en vuurde, korrel vattende op den achterkop des leeuws. Weder knalde het schot, en weder liep David den wal af en laadde zijn geweer. Doch nu schoot hem plotseling de gedachte in het hoofd, dat wanneer de leeuwen omsprongen en naar de sloot kwamen, hij een verloren man zou zijn, want tegen vier leeuwen op eens was hij niet opgewassen. Deze gedachte deed hem langer in de sloot blijven, dan hij anders zou gedaan hebben. Toen hij echter na verloop van vijf minuten niets zag of hoorde kroop hij nogmaals den wal op. Daar lag de tweede leeuw in den doodsstrijd, en gaf juist de laatste stuiptrekking, terwijl de vier andere leeuwen bezig waren om met groote sprongen zich te verwijderen. David keek hen na, totdat zij goed en wel achter een hoog randje verdwenen waren. Toen stapte hij naar de twee doode dierenkoningen en begon hen zoo snel mogelijk de huid af te stroopen, iets dat hem een volle twee uur bezighield. Toen hij dien avond thuis kwam in het kamp, bracht hij geen ander wild mee dan één springbok, maar in de plaats daarvan had hij twee prachtige leeuwenvellen.Toen Martje van haar geliefden diens avontuur[49]hoorde, was zij erg kwaad op hem voor zijne onvoorzichtigheid, maar die boosheid was spoedig over, toen zij hoorde dat een ieder, en zelfs haar vader den jongen man prees voor zijne onverschrokkenheid. Toen was zij, in plaats van kwaad, trotsch op haren jongen minnaar. En welk rechtgeaard Afrikaner meisje zou dit niet wezen?[50]
Het zou, geachte lezer, inderdaad een lang verhaal wezen, wanneer ik u hierinallesging vertellen, wat er in de jaren 1837 en 1838 met de Emigranten gebeurde, en bovendien zou het u misschien beginnen te vervelen. Wanneer gij van de geschiedenis dier jaren meer wilt weten, dan recommandeer ik u ten sterkste het lezen van het uitmuntend werk van den heer Dr. G. M. Theal, getiteld: „Geschiedenis der Boeren in Zuid-Afrika,” een boek dat elk rechtgeaard Afrikaner in zijn huis behoorde te hebben. Ik ben echter verplicht om zekere feiten over te slaan, teneinde den draad van dit verhaal niet te verliezen.[41]
Het was steeds den wensch der Emigranten om een zeehaven van hun eigen te hebben, daar zij alsdan geheel onafhankelijk van de Kolonie en de Engelschen konden zijn, en vrijen handel konden drijven met andere Europeesche natiën. Retief zag dan ook in, dat men niet kon blijven, waar men thans was, en met dit doel sloeg hij het oog op Natal. Doch Natal was in de macht van Dingaan, den koning der machtige Zulu-natie, en de eerste zaak die dus moest verricht worden, was het oprichten van een verbond met Dingaan. Ten einde dit te doen, besloot Retief, om zelve een reis naar Natal te doen, en den Zulu-koning een bezoek te brengen.
In October 1837 vertrok Retief met een klein escort. Frans Joubert, Abraham Greyling en nog zes andere Emigranten begeleidden hem als escort, en verder nam hij een achttal kleurlingen mede, waaronder natuurlijk den trouwen Willem. Hoe het met die reis afliep, zullen wij later uit Retiefs eigen mond vernemen. Wij zullen hem dus niet vergezellen, maar bij het kamp te Vetrivier blijven.
Het is de 18deNovember 1837, ’s avonds om negen uur, en inderdaad een prachtige avond. De dag was heet geweest, doch nu woei er een zachte koelte, en de bijna volle maan scheen helder aan den wolkeloozen[42]hemel. Buiten het kamp, bij de kralen, brandden er een aantal vuren, want de leeuwen zijn nog steeds brutaal en zouden, zonder zulke voorzorgen, licht een half dozijn ossen in het stof doen bijten. Derhalve is er ook steeds een wacht van eenige blanken bij de kralen, behalve verscheidenen van het volk. Op dezen avond is David Malan een van de wacht, en op het oogenblik stapt hij met het geweer op den schouder en een pijp in den mond rustig op en neer, tusschen het kamp en de kralen. Maar toch heeft hij ooren en oogen open, en het fijnste geritsel in het gras wordt door hem gehoord, en zelfs de vleermuizen ontsnappen zijne scherpe oogen niet. In het kamp is alles blijkbaar doodstil; hier en daar brandt nog een licht in een wagen, maar dat is dan ook al.
Daar hoort David den zachten tred van iemand, die door het gras uit de richting van het kamp komt. Hij laat echter zijn geweer rustig op den schouder rusten, want aan den voetval weet hij wie het is, en spoedig in den helderen maneschijn ziet hij een vrouwelijke gedaante naar hem toekomen.
„David,” roept eene zachte meisjesstem, en David blijft stilstaan. Een oogenblik later is Martje aan zijne zijde, en heeft hij haar een hartelijken kus gegeven.[43]
„Mensche!” zeide David, „ik dacht dat je van avond niet zou komen, Martje. Jij hebt mij lang laten wachten.”
„Ik kon niet eerder komen, want Ma was nog niet aan slaap, en ik heb Mimi gevraagd om zoo lang op te zitten tot ik terug kom.”
De twee geliefden liepen op en neder onder allerlei zoet gekeuvel.
„Ik wonder wanneer Pa en Oom Piet komen,”zeide het meisje. „Ma is al recht angstig en ik word ook bang, dat hullie misschien een ongeluk is overgekomen.”
„Och wat,” zeide David lachend, „jullie vrouw-menschen wordt ook zoo gauw bang voor niks. Oom Pieter is zeker opgehouden in Natal, en het zal mij niets verwonderen, als hij ons goede tijding brengt, wanneer hij terugkomt. Ik wou dat ik met hem samen gegaan was.”
„Jij hebt ook geen stuk rust, David,” hernam het meisje. „Je wil altijd rondrijden en werkschaften.”
„Je wil toch niet, dat ik, net zooals een jong meisje, altijd bij het vuur moet zitten,” was het lachende antwoord van den jongen man. „Stil,” riep hij toen, „ik hoor iets.”
Beiden luisterden. „Dit is paardenruiters,” riep David, „en ik wed dit is Oom Pieter.”[44]
Het paardengetrappel kwam nader, en spoedig, in het maanlicht, zag men een troepje ruiters die snel naar het kamp toekwamen.
Martje was thans weggesneld, zoo gauw hare beenen haar konden dragen, en David, zijn geweer in gereedheid houdende, riep: „Wie is daar?”
„Goede vrienden,” was het antwoord van eene zware mansstem, die David dadelijk herkende als de stem van Pieter Retief.
„O, is dat jij, David,” zeide de Kommandant-Generaal, toen hij nader kwam, en hij boog over den nek van het paard en schudde den jongen man de hand. „En hoe gaat het hier, nog alles frisch?”
„Ja Oom, dit gaat nog alles goed,” antwoordde de jongeling: „ons begon net bang te worden dat daar iets met jullie een ongeluk gekrijg had, omdat jullie zoo lang weg bleef.”
Tegen dezen tijd waren de andere wachten ook op de plaats aangekomen, en groetten de ruiters. Oom Jan Greyling, een goede, oude dikke kerel, was zoo verblijd, dat hij den Kommandant-Generaal weer zag, dat hij, uit pure opgewondenheid, zijn geweer in de lucht afschoot, en daarop ging het boms! boms! uit de andere drie geweren ook. In een oogenblik waren de lichten in het kamp aan het branden, en een twintigtal Boeren kwamen hard aangeloopen,[45]met een angstig: „Wat is dit? Wat mankeer?” Toen zij uitvonden, wat het was, volgde er nog een aantal geweerschoten, en toen begeleidden allen de aangekomenen naar het kamp.
Nu vond er een gegroet en gezoen plaats, en een gevraag en gepraat, dat een mensch hooren en zien verging, en toen de vrouwen vernamen, dat de ruiters nog niet dien avond gegeten hadden, werden er vuren aangestoken, ketels gekookt en vleesch gebraden.
Het was Retief en de zijnen onmogelijk om op alle vragen te antwoorden, en hij zeide dan ook, dat hij overmorgen eene volksvergadering bij elkaar zou roepen en behoorlijk verslag geven van zijne reis, en tot zoolang moest men maar een beetje geduld hebben.
Dien avond was het over twaalven, toen er weder rust in het kamp was, en toen David kort daarop van zijne wacht afgelost werd, waren allen reeds in slaap, en kroop hij stilletjes in den wagen naast zijn neef Lang Hans, die reeds hard aan het snorken was.
Den volgenden morgen was het levendig in het kamp. Een aantal jonge Boeren, en ook eenige ouderen waren reeds vroeg bezig hunne paarden op te zadelen, teneinde kennisgevingen aan de verschillende[46]kampen te brengen, dat den volgenden dag om één uur in den namiddag, er een groote vergadering zou plaats vinden te Winburg. Een tal van anderen waren gereed om het veld in te gaan, om wild te schieten, want natuurlijk moest er voor kost gezorgd worden voor allen, die de vergadering bijwoonden. Derhalve waren de vrouwen dan ook hard bezig met broodbakken en andere noodige toebereidselen te maken.
Dien dag verloor David Malan bijna het leven en wel op de volgende wijze1. Hij was gaan jagen, en zag op een afstand een klein troepje mooie koodoo’s waarvan hij er graag een wilde hebben. Daar echter de koodoo’s zeer fijn zien en tamelijk wild waren, zag David rond naar eene gelegenheid om hen te bekruipen. Niet ver van hem was eene diepe sloot, die naar het scheen dicht achter de koodoo’s liep, en dit was dus eene schoone kans. David daalde dan ook met paard en al den steilen wal der sloot af, en bond toen zijn paard aan een sterken wortel vast. Hij zag naar zijn geweer, deed nieuw kruid in de pan, en sloop toen behoedzaam in de sloot voort, nu en dan voorzichtig over den wal loerende,[47]om te zien hoever hij nog van het wild af was. Toen hij dit de derde keer deed, vond hij, dat hij nog meer dan driehonderd treden van hen af was, en dit was een veel te lang schot voor zijn ouden Sanna. Hij wilde juist weer in de sloot afdalen, toen hij, met het omdraaien van zijn hoofd, iets zag dat voor een oogenblik zijn bloed in de aderen deed verstijven. Op veertig treden afstands, tusschen het hooge gras lagen een zestal leeuwen, drie mannetjes en drie wijfjes. Zij lagen met hun achterlijf naar David toegekeerd, en schenen vast in den slaap. De naaste leeuw, een groot mannetje, lag half op zijne zijde. Zooals ik zeide, schrok David voor een oogenblik, maar dadelijk daarop kwam zijn jagersgeest hem te hulp en dacht hij, dat er hier een kans was om een leeuw te schieten, zoo prachtig als hij het maar ooit kon hebben. Hij sloop dan ook voorzichtig tegen den wal der sloot op, en mikte toen zeer precies op den naastbijzijnden leeuw. Het schot dreunde, en David gleed dadelijk den wal af, en laadde zoo snel mogelijk zijn geweer. Niets hoorende, kroop hij weder den wal op en loerde. De leeuw waarop hij korrel gevat had, lag roerloos dood, de andere vijf waren opgestaan, doch niet wetende, waar het schot vandaan kwam, stonden zij nog met hunne koppen van David weggekeerd. Op omtrent vijftig treê stond een ander[48]mannetje, den kop hoog opgeheven, en de lucht insnuivende om den vijand te ruiken, doch gelukkig woei de wind in de richting van David. De jonge man legde zich bedaard op de knie en vuurde, korrel vattende op den achterkop des leeuws. Weder knalde het schot, en weder liep David den wal af en laadde zijn geweer. Doch nu schoot hem plotseling de gedachte in het hoofd, dat wanneer de leeuwen omsprongen en naar de sloot kwamen, hij een verloren man zou zijn, want tegen vier leeuwen op eens was hij niet opgewassen. Deze gedachte deed hem langer in de sloot blijven, dan hij anders zou gedaan hebben. Toen hij echter na verloop van vijf minuten niets zag of hoorde kroop hij nogmaals den wal op. Daar lag de tweede leeuw in den doodsstrijd, en gaf juist de laatste stuiptrekking, terwijl de vier andere leeuwen bezig waren om met groote sprongen zich te verwijderen. David keek hen na, totdat zij goed en wel achter een hoog randje verdwenen waren. Toen stapte hij naar de twee doode dierenkoningen en begon hen zoo snel mogelijk de huid af te stroopen, iets dat hem een volle twee uur bezighield. Toen hij dien avond thuis kwam in het kamp, bracht hij geen ander wild mee dan één springbok, maar in de plaats daarvan had hij twee prachtige leeuwenvellen.
Toen Martje van haar geliefden diens avontuur[49]hoorde, was zij erg kwaad op hem voor zijne onvoorzichtigheid, maar die boosheid was spoedig over, toen zij hoorde dat een ieder, en zelfs haar vader den jongen man prees voor zijne onverschrokkenheid. Toen was zij, in plaats van kwaad, trotsch op haren jongen minnaar. En welk rechtgeaard Afrikaner meisje zou dit niet wezen?[50]
1Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in speelde.↑
1Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in speelde.↑
1Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in speelde.↑
1Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in speelde.↑