HOOFDSTUK V.

[Inhoud]HOOFDSTUK V.HOOFDSTUK V.„Het volk is koning,” dat hoort men nog heden dikwijls zeggen in de beide Republieken van Zuid-Afrika. Is dit in zekeren zin nog een waar woord, in den tijd van den Grooten Trek was het ongetwijfeld waar. Geen belangrijk besluit werd genomen zonder dat men het volk raadpleegde, en elke man, van 18 jaar en daarboven, had een stem in de Volksvergadering. Op zulk een Volksvergadering wil ik mijne lezers nu brengen, en dat wel op die, welke te Winburg gehouden werd twee dagen na de terugkomst van Pieter Retief van Natal.Winburg was toenmaals nog geen behoorlijk opgemeten dorp. Het was nog een boerenkamp, maar er[51]waren reeds verscheidene hartebeest huisjes opgetrokken, en er stond een aantal tenten. De wagens stonden in een wijden kring om het dorp, niet in echt lagerfatsoen, maar zoo, dat in een korten tijd men ze in een lager zou kunnen vormen.Heden echter had men de wagens in een nauweren kring, buiten het eigenlijke kamp getrokken, en binnen de ruimte door hen ingesloten, zou de Volksvergadering plaats vinden. Er was een groot aantal Boeren aangekomen uit de omringende kampen, en Winburg was bijzonder levendig. Om tien uur vond er eene bijeenkomst plaats van de leiders, waarop men besprak, wat men voor het volk zou brengen, en welke plannen men ondersteunen zoude. Kommandant Potgieter was echter op deze vergadering niet tegenwoordig; hij was naarThaba ’Nchugeweest en kwam eerst om twaalf uur te Winburg aan.Om twaalf uur gingen allen het middagmaal gebruiken, en toen men eenige pijpjes gerookt had, luidde er een klok om de menschen bij elkander te roepen, en spoedig was het in den wagenkring stampend vol. Een aantal Emigranten zaten op veldstoeltjes; de jongeren stonden meest. Op de voorkisten der wagens zaten de vrouwen en meisjes, die, hoewel zij niets te zeggen hadden, toch erg nieuwsgierig waren.[52]Aan de eene zijde van den kring stonden eenige tafels met stoelen er bij. Aan den eenen kant van die tafel stond een „tamai” inktkoker, waarbij een dozijn ganzenvederen lagen, die voor pennen moesten dienen, want stalen pennen waren toen nog niet in Zuid-Afrika bekend.Juist om half twee trad Pieter Retief den wagenkring binnen, gevolgd door de Kommandanten Hendrik Potgieter, Gert Maritz en Piet Uys, en door de leden van den Volksraad Jan Gerrit Bronkhorst, Christiaan Jacobus Liebenberg, Pieter Greyling, Daniel Kruger, en Stephanus Janse van Vuuren.Deze namen aan de tafels plaats, slechts den middelsten stoel onbezet latende.Toen zij plaats hadden genomen en er eenige stilte was onder het publiek, stond Gert Maritz op en stelde voor, dat de heer Charel Cilliers als Voorzitter zou worden gekozen. Dit werd behoorlijk gesecondeerd door den heer Pieter Greyling, en met handengeklap aangenomen.Oom Charel trad toen voor uit het publiek en nam den Voorzittersstoel in, dat wil zeggen den middelsten stoel.Daarop werd voorgesteld, gesecondeerd en aangenomen, dat de heer Alfred Smith als Secretaris zou worden aangesteld. Deze was een schoolmeester, die[53]met Pieter Retief was samengekomen, en ook als private Secretaris van dezen ageerde, zoodat hij onder de Emigranten de vaardigste met de pen was. Hij was reeds een bejaard man van omtrent zestig, en toen hij nu vooruittrad naar de plek waar de groote inktkoker en de pennen stonden, kon men zien, dat zijne haren reeds spierwit waren. Een der jongelingen haalde toen op zijn verzoek een half dozijn vellen blauw papier, voor het opschrijven der notulen.Charel Cilliers gebood nu stilte, en zeide: „Laat ons den Heere Zijnen zegen afsmeeken.”De mannen stonden op, en daar in de woestijn ging een gebed op tot den grooten Jehovah, Hem smeekende om wijsheid en leiding. Waarlijk onze voorouders waren niet ongodsdienstig, en niet ten onrechte vergeleken zij zich zelven met de Israëlieten van ouds.Toen het eenigszins lange gebed geëindigd was met een krachtig „Amen,” begon de Voorzitter het doel der vergadering uit te leggen. Hij zeide, dat deCommandant Generaalonder de leiding des Heeren veilig en gezond was teruggekomen van zijne reis naar Natal, en nu daarvan verslag zou doen. Hij verzocht allen om ordelijk te zijn en goed te luisteren, en na daarop Retief opgeroepen te hebben, ging hij zitten.[54]Retief stond op en begon.„Vrienden en burgers! ik zal u zoo kort mogelijk vertellen van mijne reis. Zooals gij weet verliet ik mijn kamp op den 3denOctober, in gezelschap van een escort. Wij reden hiervandaan over de Drakensbergen, waarover wij met groote moeite een pas vonden. Toen wij den berg aan den anderen kant afgingen vonden wij voor ons een geheel andere wereld, veel prachtiger dan deze, volop water, prachtige rivieren, heerlijk gras en blijkbaar wonderlijk geschikt voor groot en klein vee. Op den 19denkwamen wij aan te Durban, dat aan de zee ligt. Hier wonen omtrent dertig Engelschen, die er een dorp aangelegd hebben, en verder een aantal kleurlingen. De Engelschen hebben ons bijzonder goed ontvangen, boden mij een adres aan, en waren erg in hun schik, toen zij hoorden, dat wij van plan waren ons in Natal te vestigen. Zij zonden dadelijk een boodschapper naar Dingaan om hem te doen weten, dat ik hem kwam bezoeken, en eenige dagen vertoefden wij toen te Durban. Op den 27stengingen wij op weg naarUmkungunhlovu, de groote kraal van Dingaan, en twee der aanzienlijkste Engelschen, de heeren John Cane en Thomas Holstead begeleidden ons als gidsen en tolken, hetgeen ons zeer te pas kwam, daar zij goed met Dingaan bekend waren. Na eenige dagen reizens[55]door een prachtig land kwamen wij bij de kraal van den Zulukoning. Dingaan ontving ons uitmuntend goed. Hij zeide dat hij blij was dat de blanken in zijne nabijheid zouden komen, en op mijne vraag, om ons dan een stuk grond bij de rivier de Tugela te geven, beloofde hij ons binnen een paar dagen een antwoord hieromtrent te geven, en verzocht ons zoolang zijne gasten te zijn. Gedurende dien tijd behandelde hij ons goed.„Hij liet zijne regimenten krijgsdansen voor ons uitvoeren, en naar schatting waren er zeker twintigduizend man. Het snaakste van die krijgsdansen was, dat omtrent tweehonderd zwarte ossen met de regimenten samendansten, en net alles deden wat de krijgers deden. En wat mij zeer verwonderde was, dat Dingaan ons een honderd en tien schapen teruggaf, die hij zeide aan ons behoorden en die hij van Moselikatse had afgenomen, en aan de merken was het ons duidelijk, dat dit een deel van onze schapen was, die de Matabelen van onze menschen hadden geroofd. De schapen heb ik te Durban verkocht, omdat wij ze niet zoo ver konden aanjagen.„Op den 8stenNovember liet Dingaan ons roepen door een zendeling, Owen genaamd, die bij hem woont. Hij liet toen den heer Owen een document aan ons voorlezen, waarin hij erkende gewillig te[56]zijn, ons het gevraagde land te geven, op voorwaarde, dat wij het vee, dat sommige van de Emigranten van hem gestolen hadden, zouden teruggeven. Ik vroeg toen Dingaan, hoe hij wist dat het van onze menschen waren, die zijn vee gestolen hadden, en hij zeide, dat eenige der wachters de roovers hadden gezien, dat zij op gezadelde paarden reden en gekleed waren zooals blanke menschen, en ook geweren hadden. Ik antwoordde dat ik zeker was, dat geen onzer menschen aan den Natal kant van de bergen was geweest, maar Dingaan beweerde, dat als wij onschuldig waren, wij het gemakkelijk zouden kunnen bewijzen, en dat hij dus niet het land zou geven, voor hij het vee terug had. De heer Owen wilde toen, dat ik het document moest teekenen, maar zooals het luidde, wilde ik zulks niet doen, omdat ik daardoor erkend zou hebben dat onze menschen roovers waren. Na eenige woordenwisseling veranderde de heer Owen, de woorden „Boeren” in „menschen, die er uit zagen als de Emigranten,” en daarop teekende ik het document, voornamelijk omdat ik Dingaan niet wilde kwaad maken.„Dienzelfden dag keerden wij terug naar Durban, en gingen van daar op onzen weg naar huis. Kort aan de zijde van de Drakensbergen is er een kamp van eenige onzer Emigranten, waar Jan Meijer de[57]kommandant van is. Oom Jan vertelde mij, toen ik daar den nacht doorbracht, dat eenige maanden geleden een troep volk zijn kamp voorbij kwam, met een spul Zulubeesten. Hij liet vragen, wie zij waren en zij zeiden, dat zij volk van Sikonyella waren en toen hij hen liet komen naar het kamp, en vroeg, waar zij die beesten kregen, zeiden zij, dat de beesten verdwaald waren geraakt, en dat zij hen van de andere zijde der bergen hadden gebracht. Oom Jan had sterke suspicie, dat die beesten gestolen waren, maar hij meende, dat het hem niet aanging, en dat hij niets te maken had met de ruzies tusschen de Kaffers zelve, en hij liet hen dus rustig met de beesten gaan. Toen Oom Jan mij vertelde, dat partij van die volk geweren hadden, en broeken en baatjes droegen, en ook op gezadelde paarden reden, toen wist ik, dat Sikonyella de dief van de beesten van Dingaan was.„Nu ik terug ben, meen ik, dat het onze eerste plicht is, om aan mijne belofte aan Dingaan te voldoen, en dit is nu aan de vergadering om te beslissen, wat ons met Sikonyella zal doen, en hoe ons Dingaans beesten zal terugkrijgen. Krijg ons hulle, dan ben ik zeker, dat Dingaan ons een stuk grond zal geven, en doet hij dit, dan zijn wij verzekerd van rustig en goed in Natal te kunnen leven. Wij zullen[58]dan ons eigen haven hebben en zijn dan geheel onafhankelijk van de Engelschen in de Kolonie.”Na deze lange aanspraak, die ik hier zoo volledig mogelijk heb teruggegeven, ging Retief zitten. Charel Cilliers zeide toen, dat een ieder, die iets wenschte te zeggen, thans kon spreken.De haastige Hendrik Potgieter was in een oogwenk op zijne beenen, en begon:„Vrienden, ik denk wij zijn allen dankbaar aan den Kommandant-Generaal voor de fluksche wijze waarop hij zijne reis volvoerd heeft. Alleen lijkt dit mij, dat hij Dingaan te veel vertrouwt, en ik voor mijn part, ben niet zoo zeker, dat de Zulukoning zijn belofte zal houden. Ik heb nog nooit een Kaffer vertrouwd en ik vertrouw Dingaan ook niet. Wat Sikonyella aanbetreft, zal ik voorstellen, dat wij dadelijk een commando afzenden naar hem, om die beesten op te eischen en als hij ze niet opgeeft, moeten wij hem maar goed op zijn baatje geven, en het vee afnemen. Spulletjes maken met Kaffers geloof ik niet aan.”Frans Joubert stond toen op en sprak: „Ik geloof dat Kommandant Potgieter een beetje te haastig is. Wij hebben nog maar suspicie op Sikonyella, maar geen vast bewijs. Als Sikonyella die beesten niet heeft, wat vang ons dan aan. Om een vijand te gaan[59]maken van Sikonyella voor niets, dat zal niet gaan, want dan halen wij ons net moeilijkheden op den nek. Oom Hendrik was niet op Sikonyella zijn berg. Ik was daar, en ik kan hem verzekeren, dat er vele van onze menschen zullen vallen, voor wij die sterkte genomen hebben.”Charel Cilliers nam toen het woord. „Ik stem geheel met den heer Joubert samen, en ik denk, dat ons eerst zachte middelen met Sikonyella behoort te nemen. Misschien heeft de Kommandant-Generaal een plan.”„Ja,” zeide Pieter Retief, „ik heb een plan, en dit zal ik voorstellen. Ik zou een paar onzer mannen naar Sikonyella willen zenden om hem te zeggen, dat ik hem graag wil zien en hem verzoek naar ons kamp te komen. Ik ben zeker, dat hij komen zal, en als hij hier eenmaal is, dan weet ik wel raad met hem; ik zal hem doodeenvoudig hier houden, tot hij de beesten afgeleverd heeft.”Pieter Uys ondersteunde dit voorstel, en nadat eenige verdere sprekers hunne goedkeuring er aan gehecht hadden, werd het dan ook met algemeene stemmen aangenomen. Aangezien er niets meer te doen was, verzocht de heer Charel Cilliers aan den schoolmeester Alfred Smith om de notulen voor te lezen, en toen deze in orde werden bevonden, werden[60]zij door Voorzitter en Secretaris geteekend. Daarna sloot de Voorzitter de vergadering met een ernstig gebed, den Heer dankende voor Zijnen bijstand en Hem biddende dien nog verder te verleenen aan Zijn volk.Tien minuten daarna was de wagenkring ledig en stonden de Emigranten overal in het kamp Winburg in groepjes met elkander te praten en koffie te drinken.[61]

[Inhoud]HOOFDSTUK V.HOOFDSTUK V.„Het volk is koning,” dat hoort men nog heden dikwijls zeggen in de beide Republieken van Zuid-Afrika. Is dit in zekeren zin nog een waar woord, in den tijd van den Grooten Trek was het ongetwijfeld waar. Geen belangrijk besluit werd genomen zonder dat men het volk raadpleegde, en elke man, van 18 jaar en daarboven, had een stem in de Volksvergadering. Op zulk een Volksvergadering wil ik mijne lezers nu brengen, en dat wel op die, welke te Winburg gehouden werd twee dagen na de terugkomst van Pieter Retief van Natal.Winburg was toenmaals nog geen behoorlijk opgemeten dorp. Het was nog een boerenkamp, maar er[51]waren reeds verscheidene hartebeest huisjes opgetrokken, en er stond een aantal tenten. De wagens stonden in een wijden kring om het dorp, niet in echt lagerfatsoen, maar zoo, dat in een korten tijd men ze in een lager zou kunnen vormen.Heden echter had men de wagens in een nauweren kring, buiten het eigenlijke kamp getrokken, en binnen de ruimte door hen ingesloten, zou de Volksvergadering plaats vinden. Er was een groot aantal Boeren aangekomen uit de omringende kampen, en Winburg was bijzonder levendig. Om tien uur vond er eene bijeenkomst plaats van de leiders, waarop men besprak, wat men voor het volk zou brengen, en welke plannen men ondersteunen zoude. Kommandant Potgieter was echter op deze vergadering niet tegenwoordig; hij was naarThaba ’Nchugeweest en kwam eerst om twaalf uur te Winburg aan.Om twaalf uur gingen allen het middagmaal gebruiken, en toen men eenige pijpjes gerookt had, luidde er een klok om de menschen bij elkander te roepen, en spoedig was het in den wagenkring stampend vol. Een aantal Emigranten zaten op veldstoeltjes; de jongeren stonden meest. Op de voorkisten der wagens zaten de vrouwen en meisjes, die, hoewel zij niets te zeggen hadden, toch erg nieuwsgierig waren.[52]Aan de eene zijde van den kring stonden eenige tafels met stoelen er bij. Aan den eenen kant van die tafel stond een „tamai” inktkoker, waarbij een dozijn ganzenvederen lagen, die voor pennen moesten dienen, want stalen pennen waren toen nog niet in Zuid-Afrika bekend.Juist om half twee trad Pieter Retief den wagenkring binnen, gevolgd door de Kommandanten Hendrik Potgieter, Gert Maritz en Piet Uys, en door de leden van den Volksraad Jan Gerrit Bronkhorst, Christiaan Jacobus Liebenberg, Pieter Greyling, Daniel Kruger, en Stephanus Janse van Vuuren.Deze namen aan de tafels plaats, slechts den middelsten stoel onbezet latende.Toen zij plaats hadden genomen en er eenige stilte was onder het publiek, stond Gert Maritz op en stelde voor, dat de heer Charel Cilliers als Voorzitter zou worden gekozen. Dit werd behoorlijk gesecondeerd door den heer Pieter Greyling, en met handengeklap aangenomen.Oom Charel trad toen voor uit het publiek en nam den Voorzittersstoel in, dat wil zeggen den middelsten stoel.Daarop werd voorgesteld, gesecondeerd en aangenomen, dat de heer Alfred Smith als Secretaris zou worden aangesteld. Deze was een schoolmeester, die[53]met Pieter Retief was samengekomen, en ook als private Secretaris van dezen ageerde, zoodat hij onder de Emigranten de vaardigste met de pen was. Hij was reeds een bejaard man van omtrent zestig, en toen hij nu vooruittrad naar de plek waar de groote inktkoker en de pennen stonden, kon men zien, dat zijne haren reeds spierwit waren. Een der jongelingen haalde toen op zijn verzoek een half dozijn vellen blauw papier, voor het opschrijven der notulen.Charel Cilliers gebood nu stilte, en zeide: „Laat ons den Heere Zijnen zegen afsmeeken.”De mannen stonden op, en daar in de woestijn ging een gebed op tot den grooten Jehovah, Hem smeekende om wijsheid en leiding. Waarlijk onze voorouders waren niet ongodsdienstig, en niet ten onrechte vergeleken zij zich zelven met de Israëlieten van ouds.Toen het eenigszins lange gebed geëindigd was met een krachtig „Amen,” begon de Voorzitter het doel der vergadering uit te leggen. Hij zeide, dat deCommandant Generaalonder de leiding des Heeren veilig en gezond was teruggekomen van zijne reis naar Natal, en nu daarvan verslag zou doen. Hij verzocht allen om ordelijk te zijn en goed te luisteren, en na daarop Retief opgeroepen te hebben, ging hij zitten.[54]Retief stond op en begon.„Vrienden en burgers! ik zal u zoo kort mogelijk vertellen van mijne reis. Zooals gij weet verliet ik mijn kamp op den 3denOctober, in gezelschap van een escort. Wij reden hiervandaan over de Drakensbergen, waarover wij met groote moeite een pas vonden. Toen wij den berg aan den anderen kant afgingen vonden wij voor ons een geheel andere wereld, veel prachtiger dan deze, volop water, prachtige rivieren, heerlijk gras en blijkbaar wonderlijk geschikt voor groot en klein vee. Op den 19denkwamen wij aan te Durban, dat aan de zee ligt. Hier wonen omtrent dertig Engelschen, die er een dorp aangelegd hebben, en verder een aantal kleurlingen. De Engelschen hebben ons bijzonder goed ontvangen, boden mij een adres aan, en waren erg in hun schik, toen zij hoorden, dat wij van plan waren ons in Natal te vestigen. Zij zonden dadelijk een boodschapper naar Dingaan om hem te doen weten, dat ik hem kwam bezoeken, en eenige dagen vertoefden wij toen te Durban. Op den 27stengingen wij op weg naarUmkungunhlovu, de groote kraal van Dingaan, en twee der aanzienlijkste Engelschen, de heeren John Cane en Thomas Holstead begeleidden ons als gidsen en tolken, hetgeen ons zeer te pas kwam, daar zij goed met Dingaan bekend waren. Na eenige dagen reizens[55]door een prachtig land kwamen wij bij de kraal van den Zulukoning. Dingaan ontving ons uitmuntend goed. Hij zeide dat hij blij was dat de blanken in zijne nabijheid zouden komen, en op mijne vraag, om ons dan een stuk grond bij de rivier de Tugela te geven, beloofde hij ons binnen een paar dagen een antwoord hieromtrent te geven, en verzocht ons zoolang zijne gasten te zijn. Gedurende dien tijd behandelde hij ons goed.„Hij liet zijne regimenten krijgsdansen voor ons uitvoeren, en naar schatting waren er zeker twintigduizend man. Het snaakste van die krijgsdansen was, dat omtrent tweehonderd zwarte ossen met de regimenten samendansten, en net alles deden wat de krijgers deden. En wat mij zeer verwonderde was, dat Dingaan ons een honderd en tien schapen teruggaf, die hij zeide aan ons behoorden en die hij van Moselikatse had afgenomen, en aan de merken was het ons duidelijk, dat dit een deel van onze schapen was, die de Matabelen van onze menschen hadden geroofd. De schapen heb ik te Durban verkocht, omdat wij ze niet zoo ver konden aanjagen.„Op den 8stenNovember liet Dingaan ons roepen door een zendeling, Owen genaamd, die bij hem woont. Hij liet toen den heer Owen een document aan ons voorlezen, waarin hij erkende gewillig te[56]zijn, ons het gevraagde land te geven, op voorwaarde, dat wij het vee, dat sommige van de Emigranten van hem gestolen hadden, zouden teruggeven. Ik vroeg toen Dingaan, hoe hij wist dat het van onze menschen waren, die zijn vee gestolen hadden, en hij zeide, dat eenige der wachters de roovers hadden gezien, dat zij op gezadelde paarden reden en gekleed waren zooals blanke menschen, en ook geweren hadden. Ik antwoordde dat ik zeker was, dat geen onzer menschen aan den Natal kant van de bergen was geweest, maar Dingaan beweerde, dat als wij onschuldig waren, wij het gemakkelijk zouden kunnen bewijzen, en dat hij dus niet het land zou geven, voor hij het vee terug had. De heer Owen wilde toen, dat ik het document moest teekenen, maar zooals het luidde, wilde ik zulks niet doen, omdat ik daardoor erkend zou hebben dat onze menschen roovers waren. Na eenige woordenwisseling veranderde de heer Owen, de woorden „Boeren” in „menschen, die er uit zagen als de Emigranten,” en daarop teekende ik het document, voornamelijk omdat ik Dingaan niet wilde kwaad maken.„Dienzelfden dag keerden wij terug naar Durban, en gingen van daar op onzen weg naar huis. Kort aan de zijde van de Drakensbergen is er een kamp van eenige onzer Emigranten, waar Jan Meijer de[57]kommandant van is. Oom Jan vertelde mij, toen ik daar den nacht doorbracht, dat eenige maanden geleden een troep volk zijn kamp voorbij kwam, met een spul Zulubeesten. Hij liet vragen, wie zij waren en zij zeiden, dat zij volk van Sikonyella waren en toen hij hen liet komen naar het kamp, en vroeg, waar zij die beesten kregen, zeiden zij, dat de beesten verdwaald waren geraakt, en dat zij hen van de andere zijde der bergen hadden gebracht. Oom Jan had sterke suspicie, dat die beesten gestolen waren, maar hij meende, dat het hem niet aanging, en dat hij niets te maken had met de ruzies tusschen de Kaffers zelve, en hij liet hen dus rustig met de beesten gaan. Toen Oom Jan mij vertelde, dat partij van die volk geweren hadden, en broeken en baatjes droegen, en ook op gezadelde paarden reden, toen wist ik, dat Sikonyella de dief van de beesten van Dingaan was.„Nu ik terug ben, meen ik, dat het onze eerste plicht is, om aan mijne belofte aan Dingaan te voldoen, en dit is nu aan de vergadering om te beslissen, wat ons met Sikonyella zal doen, en hoe ons Dingaans beesten zal terugkrijgen. Krijg ons hulle, dan ben ik zeker, dat Dingaan ons een stuk grond zal geven, en doet hij dit, dan zijn wij verzekerd van rustig en goed in Natal te kunnen leven. Wij zullen[58]dan ons eigen haven hebben en zijn dan geheel onafhankelijk van de Engelschen in de Kolonie.”Na deze lange aanspraak, die ik hier zoo volledig mogelijk heb teruggegeven, ging Retief zitten. Charel Cilliers zeide toen, dat een ieder, die iets wenschte te zeggen, thans kon spreken.De haastige Hendrik Potgieter was in een oogwenk op zijne beenen, en begon:„Vrienden, ik denk wij zijn allen dankbaar aan den Kommandant-Generaal voor de fluksche wijze waarop hij zijne reis volvoerd heeft. Alleen lijkt dit mij, dat hij Dingaan te veel vertrouwt, en ik voor mijn part, ben niet zoo zeker, dat de Zulukoning zijn belofte zal houden. Ik heb nog nooit een Kaffer vertrouwd en ik vertrouw Dingaan ook niet. Wat Sikonyella aanbetreft, zal ik voorstellen, dat wij dadelijk een commando afzenden naar hem, om die beesten op te eischen en als hij ze niet opgeeft, moeten wij hem maar goed op zijn baatje geven, en het vee afnemen. Spulletjes maken met Kaffers geloof ik niet aan.”Frans Joubert stond toen op en sprak: „Ik geloof dat Kommandant Potgieter een beetje te haastig is. Wij hebben nog maar suspicie op Sikonyella, maar geen vast bewijs. Als Sikonyella die beesten niet heeft, wat vang ons dan aan. Om een vijand te gaan[59]maken van Sikonyella voor niets, dat zal niet gaan, want dan halen wij ons net moeilijkheden op den nek. Oom Hendrik was niet op Sikonyella zijn berg. Ik was daar, en ik kan hem verzekeren, dat er vele van onze menschen zullen vallen, voor wij die sterkte genomen hebben.”Charel Cilliers nam toen het woord. „Ik stem geheel met den heer Joubert samen, en ik denk, dat ons eerst zachte middelen met Sikonyella behoort te nemen. Misschien heeft de Kommandant-Generaal een plan.”„Ja,” zeide Pieter Retief, „ik heb een plan, en dit zal ik voorstellen. Ik zou een paar onzer mannen naar Sikonyella willen zenden om hem te zeggen, dat ik hem graag wil zien en hem verzoek naar ons kamp te komen. Ik ben zeker, dat hij komen zal, en als hij hier eenmaal is, dan weet ik wel raad met hem; ik zal hem doodeenvoudig hier houden, tot hij de beesten afgeleverd heeft.”Pieter Uys ondersteunde dit voorstel, en nadat eenige verdere sprekers hunne goedkeuring er aan gehecht hadden, werd het dan ook met algemeene stemmen aangenomen. Aangezien er niets meer te doen was, verzocht de heer Charel Cilliers aan den schoolmeester Alfred Smith om de notulen voor te lezen, en toen deze in orde werden bevonden, werden[60]zij door Voorzitter en Secretaris geteekend. Daarna sloot de Voorzitter de vergadering met een ernstig gebed, den Heer dankende voor Zijnen bijstand en Hem biddende dien nog verder te verleenen aan Zijn volk.Tien minuten daarna was de wagenkring ledig en stonden de Emigranten overal in het kamp Winburg in groepjes met elkander te praten en koffie te drinken.[61]

HOOFDSTUK V.HOOFDSTUK V.

HOOFDSTUK V.

„Het volk is koning,” dat hoort men nog heden dikwijls zeggen in de beide Republieken van Zuid-Afrika. Is dit in zekeren zin nog een waar woord, in den tijd van den Grooten Trek was het ongetwijfeld waar. Geen belangrijk besluit werd genomen zonder dat men het volk raadpleegde, en elke man, van 18 jaar en daarboven, had een stem in de Volksvergadering. Op zulk een Volksvergadering wil ik mijne lezers nu brengen, en dat wel op die, welke te Winburg gehouden werd twee dagen na de terugkomst van Pieter Retief van Natal.Winburg was toenmaals nog geen behoorlijk opgemeten dorp. Het was nog een boerenkamp, maar er[51]waren reeds verscheidene hartebeest huisjes opgetrokken, en er stond een aantal tenten. De wagens stonden in een wijden kring om het dorp, niet in echt lagerfatsoen, maar zoo, dat in een korten tijd men ze in een lager zou kunnen vormen.Heden echter had men de wagens in een nauweren kring, buiten het eigenlijke kamp getrokken, en binnen de ruimte door hen ingesloten, zou de Volksvergadering plaats vinden. Er was een groot aantal Boeren aangekomen uit de omringende kampen, en Winburg was bijzonder levendig. Om tien uur vond er eene bijeenkomst plaats van de leiders, waarop men besprak, wat men voor het volk zou brengen, en welke plannen men ondersteunen zoude. Kommandant Potgieter was echter op deze vergadering niet tegenwoordig; hij was naarThaba ’Nchugeweest en kwam eerst om twaalf uur te Winburg aan.Om twaalf uur gingen allen het middagmaal gebruiken, en toen men eenige pijpjes gerookt had, luidde er een klok om de menschen bij elkander te roepen, en spoedig was het in den wagenkring stampend vol. Een aantal Emigranten zaten op veldstoeltjes; de jongeren stonden meest. Op de voorkisten der wagens zaten de vrouwen en meisjes, die, hoewel zij niets te zeggen hadden, toch erg nieuwsgierig waren.[52]Aan de eene zijde van den kring stonden eenige tafels met stoelen er bij. Aan den eenen kant van die tafel stond een „tamai” inktkoker, waarbij een dozijn ganzenvederen lagen, die voor pennen moesten dienen, want stalen pennen waren toen nog niet in Zuid-Afrika bekend.Juist om half twee trad Pieter Retief den wagenkring binnen, gevolgd door de Kommandanten Hendrik Potgieter, Gert Maritz en Piet Uys, en door de leden van den Volksraad Jan Gerrit Bronkhorst, Christiaan Jacobus Liebenberg, Pieter Greyling, Daniel Kruger, en Stephanus Janse van Vuuren.Deze namen aan de tafels plaats, slechts den middelsten stoel onbezet latende.Toen zij plaats hadden genomen en er eenige stilte was onder het publiek, stond Gert Maritz op en stelde voor, dat de heer Charel Cilliers als Voorzitter zou worden gekozen. Dit werd behoorlijk gesecondeerd door den heer Pieter Greyling, en met handengeklap aangenomen.Oom Charel trad toen voor uit het publiek en nam den Voorzittersstoel in, dat wil zeggen den middelsten stoel.Daarop werd voorgesteld, gesecondeerd en aangenomen, dat de heer Alfred Smith als Secretaris zou worden aangesteld. Deze was een schoolmeester, die[53]met Pieter Retief was samengekomen, en ook als private Secretaris van dezen ageerde, zoodat hij onder de Emigranten de vaardigste met de pen was. Hij was reeds een bejaard man van omtrent zestig, en toen hij nu vooruittrad naar de plek waar de groote inktkoker en de pennen stonden, kon men zien, dat zijne haren reeds spierwit waren. Een der jongelingen haalde toen op zijn verzoek een half dozijn vellen blauw papier, voor het opschrijven der notulen.Charel Cilliers gebood nu stilte, en zeide: „Laat ons den Heere Zijnen zegen afsmeeken.”De mannen stonden op, en daar in de woestijn ging een gebed op tot den grooten Jehovah, Hem smeekende om wijsheid en leiding. Waarlijk onze voorouders waren niet ongodsdienstig, en niet ten onrechte vergeleken zij zich zelven met de Israëlieten van ouds.Toen het eenigszins lange gebed geëindigd was met een krachtig „Amen,” begon de Voorzitter het doel der vergadering uit te leggen. Hij zeide, dat deCommandant Generaalonder de leiding des Heeren veilig en gezond was teruggekomen van zijne reis naar Natal, en nu daarvan verslag zou doen. Hij verzocht allen om ordelijk te zijn en goed te luisteren, en na daarop Retief opgeroepen te hebben, ging hij zitten.[54]Retief stond op en begon.„Vrienden en burgers! ik zal u zoo kort mogelijk vertellen van mijne reis. Zooals gij weet verliet ik mijn kamp op den 3denOctober, in gezelschap van een escort. Wij reden hiervandaan over de Drakensbergen, waarover wij met groote moeite een pas vonden. Toen wij den berg aan den anderen kant afgingen vonden wij voor ons een geheel andere wereld, veel prachtiger dan deze, volop water, prachtige rivieren, heerlijk gras en blijkbaar wonderlijk geschikt voor groot en klein vee. Op den 19denkwamen wij aan te Durban, dat aan de zee ligt. Hier wonen omtrent dertig Engelschen, die er een dorp aangelegd hebben, en verder een aantal kleurlingen. De Engelschen hebben ons bijzonder goed ontvangen, boden mij een adres aan, en waren erg in hun schik, toen zij hoorden, dat wij van plan waren ons in Natal te vestigen. Zij zonden dadelijk een boodschapper naar Dingaan om hem te doen weten, dat ik hem kwam bezoeken, en eenige dagen vertoefden wij toen te Durban. Op den 27stengingen wij op weg naarUmkungunhlovu, de groote kraal van Dingaan, en twee der aanzienlijkste Engelschen, de heeren John Cane en Thomas Holstead begeleidden ons als gidsen en tolken, hetgeen ons zeer te pas kwam, daar zij goed met Dingaan bekend waren. Na eenige dagen reizens[55]door een prachtig land kwamen wij bij de kraal van den Zulukoning. Dingaan ontving ons uitmuntend goed. Hij zeide dat hij blij was dat de blanken in zijne nabijheid zouden komen, en op mijne vraag, om ons dan een stuk grond bij de rivier de Tugela te geven, beloofde hij ons binnen een paar dagen een antwoord hieromtrent te geven, en verzocht ons zoolang zijne gasten te zijn. Gedurende dien tijd behandelde hij ons goed.„Hij liet zijne regimenten krijgsdansen voor ons uitvoeren, en naar schatting waren er zeker twintigduizend man. Het snaakste van die krijgsdansen was, dat omtrent tweehonderd zwarte ossen met de regimenten samendansten, en net alles deden wat de krijgers deden. En wat mij zeer verwonderde was, dat Dingaan ons een honderd en tien schapen teruggaf, die hij zeide aan ons behoorden en die hij van Moselikatse had afgenomen, en aan de merken was het ons duidelijk, dat dit een deel van onze schapen was, die de Matabelen van onze menschen hadden geroofd. De schapen heb ik te Durban verkocht, omdat wij ze niet zoo ver konden aanjagen.„Op den 8stenNovember liet Dingaan ons roepen door een zendeling, Owen genaamd, die bij hem woont. Hij liet toen den heer Owen een document aan ons voorlezen, waarin hij erkende gewillig te[56]zijn, ons het gevraagde land te geven, op voorwaarde, dat wij het vee, dat sommige van de Emigranten van hem gestolen hadden, zouden teruggeven. Ik vroeg toen Dingaan, hoe hij wist dat het van onze menschen waren, die zijn vee gestolen hadden, en hij zeide, dat eenige der wachters de roovers hadden gezien, dat zij op gezadelde paarden reden en gekleed waren zooals blanke menschen, en ook geweren hadden. Ik antwoordde dat ik zeker was, dat geen onzer menschen aan den Natal kant van de bergen was geweest, maar Dingaan beweerde, dat als wij onschuldig waren, wij het gemakkelijk zouden kunnen bewijzen, en dat hij dus niet het land zou geven, voor hij het vee terug had. De heer Owen wilde toen, dat ik het document moest teekenen, maar zooals het luidde, wilde ik zulks niet doen, omdat ik daardoor erkend zou hebben dat onze menschen roovers waren. Na eenige woordenwisseling veranderde de heer Owen, de woorden „Boeren” in „menschen, die er uit zagen als de Emigranten,” en daarop teekende ik het document, voornamelijk omdat ik Dingaan niet wilde kwaad maken.„Dienzelfden dag keerden wij terug naar Durban, en gingen van daar op onzen weg naar huis. Kort aan de zijde van de Drakensbergen is er een kamp van eenige onzer Emigranten, waar Jan Meijer de[57]kommandant van is. Oom Jan vertelde mij, toen ik daar den nacht doorbracht, dat eenige maanden geleden een troep volk zijn kamp voorbij kwam, met een spul Zulubeesten. Hij liet vragen, wie zij waren en zij zeiden, dat zij volk van Sikonyella waren en toen hij hen liet komen naar het kamp, en vroeg, waar zij die beesten kregen, zeiden zij, dat de beesten verdwaald waren geraakt, en dat zij hen van de andere zijde der bergen hadden gebracht. Oom Jan had sterke suspicie, dat die beesten gestolen waren, maar hij meende, dat het hem niet aanging, en dat hij niets te maken had met de ruzies tusschen de Kaffers zelve, en hij liet hen dus rustig met de beesten gaan. Toen Oom Jan mij vertelde, dat partij van die volk geweren hadden, en broeken en baatjes droegen, en ook op gezadelde paarden reden, toen wist ik, dat Sikonyella de dief van de beesten van Dingaan was.„Nu ik terug ben, meen ik, dat het onze eerste plicht is, om aan mijne belofte aan Dingaan te voldoen, en dit is nu aan de vergadering om te beslissen, wat ons met Sikonyella zal doen, en hoe ons Dingaans beesten zal terugkrijgen. Krijg ons hulle, dan ben ik zeker, dat Dingaan ons een stuk grond zal geven, en doet hij dit, dan zijn wij verzekerd van rustig en goed in Natal te kunnen leven. Wij zullen[58]dan ons eigen haven hebben en zijn dan geheel onafhankelijk van de Engelschen in de Kolonie.”Na deze lange aanspraak, die ik hier zoo volledig mogelijk heb teruggegeven, ging Retief zitten. Charel Cilliers zeide toen, dat een ieder, die iets wenschte te zeggen, thans kon spreken.De haastige Hendrik Potgieter was in een oogwenk op zijne beenen, en begon:„Vrienden, ik denk wij zijn allen dankbaar aan den Kommandant-Generaal voor de fluksche wijze waarop hij zijne reis volvoerd heeft. Alleen lijkt dit mij, dat hij Dingaan te veel vertrouwt, en ik voor mijn part, ben niet zoo zeker, dat de Zulukoning zijn belofte zal houden. Ik heb nog nooit een Kaffer vertrouwd en ik vertrouw Dingaan ook niet. Wat Sikonyella aanbetreft, zal ik voorstellen, dat wij dadelijk een commando afzenden naar hem, om die beesten op te eischen en als hij ze niet opgeeft, moeten wij hem maar goed op zijn baatje geven, en het vee afnemen. Spulletjes maken met Kaffers geloof ik niet aan.”Frans Joubert stond toen op en sprak: „Ik geloof dat Kommandant Potgieter een beetje te haastig is. Wij hebben nog maar suspicie op Sikonyella, maar geen vast bewijs. Als Sikonyella die beesten niet heeft, wat vang ons dan aan. Om een vijand te gaan[59]maken van Sikonyella voor niets, dat zal niet gaan, want dan halen wij ons net moeilijkheden op den nek. Oom Hendrik was niet op Sikonyella zijn berg. Ik was daar, en ik kan hem verzekeren, dat er vele van onze menschen zullen vallen, voor wij die sterkte genomen hebben.”Charel Cilliers nam toen het woord. „Ik stem geheel met den heer Joubert samen, en ik denk, dat ons eerst zachte middelen met Sikonyella behoort te nemen. Misschien heeft de Kommandant-Generaal een plan.”„Ja,” zeide Pieter Retief, „ik heb een plan, en dit zal ik voorstellen. Ik zou een paar onzer mannen naar Sikonyella willen zenden om hem te zeggen, dat ik hem graag wil zien en hem verzoek naar ons kamp te komen. Ik ben zeker, dat hij komen zal, en als hij hier eenmaal is, dan weet ik wel raad met hem; ik zal hem doodeenvoudig hier houden, tot hij de beesten afgeleverd heeft.”Pieter Uys ondersteunde dit voorstel, en nadat eenige verdere sprekers hunne goedkeuring er aan gehecht hadden, werd het dan ook met algemeene stemmen aangenomen. Aangezien er niets meer te doen was, verzocht de heer Charel Cilliers aan den schoolmeester Alfred Smith om de notulen voor te lezen, en toen deze in orde werden bevonden, werden[60]zij door Voorzitter en Secretaris geteekend. Daarna sloot de Voorzitter de vergadering met een ernstig gebed, den Heer dankende voor Zijnen bijstand en Hem biddende dien nog verder te verleenen aan Zijn volk.Tien minuten daarna was de wagenkring ledig en stonden de Emigranten overal in het kamp Winburg in groepjes met elkander te praten en koffie te drinken.[61]

„Het volk is koning,” dat hoort men nog heden dikwijls zeggen in de beide Republieken van Zuid-Afrika. Is dit in zekeren zin nog een waar woord, in den tijd van den Grooten Trek was het ongetwijfeld waar. Geen belangrijk besluit werd genomen zonder dat men het volk raadpleegde, en elke man, van 18 jaar en daarboven, had een stem in de Volksvergadering. Op zulk een Volksvergadering wil ik mijne lezers nu brengen, en dat wel op die, welke te Winburg gehouden werd twee dagen na de terugkomst van Pieter Retief van Natal.

Winburg was toenmaals nog geen behoorlijk opgemeten dorp. Het was nog een boerenkamp, maar er[51]waren reeds verscheidene hartebeest huisjes opgetrokken, en er stond een aantal tenten. De wagens stonden in een wijden kring om het dorp, niet in echt lagerfatsoen, maar zoo, dat in een korten tijd men ze in een lager zou kunnen vormen.

Heden echter had men de wagens in een nauweren kring, buiten het eigenlijke kamp getrokken, en binnen de ruimte door hen ingesloten, zou de Volksvergadering plaats vinden. Er was een groot aantal Boeren aangekomen uit de omringende kampen, en Winburg was bijzonder levendig. Om tien uur vond er eene bijeenkomst plaats van de leiders, waarop men besprak, wat men voor het volk zou brengen, en welke plannen men ondersteunen zoude. Kommandant Potgieter was echter op deze vergadering niet tegenwoordig; hij was naarThaba ’Nchugeweest en kwam eerst om twaalf uur te Winburg aan.

Om twaalf uur gingen allen het middagmaal gebruiken, en toen men eenige pijpjes gerookt had, luidde er een klok om de menschen bij elkander te roepen, en spoedig was het in den wagenkring stampend vol. Een aantal Emigranten zaten op veldstoeltjes; de jongeren stonden meest. Op de voorkisten der wagens zaten de vrouwen en meisjes, die, hoewel zij niets te zeggen hadden, toch erg nieuwsgierig waren.[52]

Aan de eene zijde van den kring stonden eenige tafels met stoelen er bij. Aan den eenen kant van die tafel stond een „tamai” inktkoker, waarbij een dozijn ganzenvederen lagen, die voor pennen moesten dienen, want stalen pennen waren toen nog niet in Zuid-Afrika bekend.

Juist om half twee trad Pieter Retief den wagenkring binnen, gevolgd door de Kommandanten Hendrik Potgieter, Gert Maritz en Piet Uys, en door de leden van den Volksraad Jan Gerrit Bronkhorst, Christiaan Jacobus Liebenberg, Pieter Greyling, Daniel Kruger, en Stephanus Janse van Vuuren.

Deze namen aan de tafels plaats, slechts den middelsten stoel onbezet latende.

Toen zij plaats hadden genomen en er eenige stilte was onder het publiek, stond Gert Maritz op en stelde voor, dat de heer Charel Cilliers als Voorzitter zou worden gekozen. Dit werd behoorlijk gesecondeerd door den heer Pieter Greyling, en met handengeklap aangenomen.

Oom Charel trad toen voor uit het publiek en nam den Voorzittersstoel in, dat wil zeggen den middelsten stoel.

Daarop werd voorgesteld, gesecondeerd en aangenomen, dat de heer Alfred Smith als Secretaris zou worden aangesteld. Deze was een schoolmeester, die[53]met Pieter Retief was samengekomen, en ook als private Secretaris van dezen ageerde, zoodat hij onder de Emigranten de vaardigste met de pen was. Hij was reeds een bejaard man van omtrent zestig, en toen hij nu vooruittrad naar de plek waar de groote inktkoker en de pennen stonden, kon men zien, dat zijne haren reeds spierwit waren. Een der jongelingen haalde toen op zijn verzoek een half dozijn vellen blauw papier, voor het opschrijven der notulen.

Charel Cilliers gebood nu stilte, en zeide: „Laat ons den Heere Zijnen zegen afsmeeken.”

De mannen stonden op, en daar in de woestijn ging een gebed op tot den grooten Jehovah, Hem smeekende om wijsheid en leiding. Waarlijk onze voorouders waren niet ongodsdienstig, en niet ten onrechte vergeleken zij zich zelven met de Israëlieten van ouds.

Toen het eenigszins lange gebed geëindigd was met een krachtig „Amen,” begon de Voorzitter het doel der vergadering uit te leggen. Hij zeide, dat deCommandant Generaalonder de leiding des Heeren veilig en gezond was teruggekomen van zijne reis naar Natal, en nu daarvan verslag zou doen. Hij verzocht allen om ordelijk te zijn en goed te luisteren, en na daarop Retief opgeroepen te hebben, ging hij zitten.[54]

Retief stond op en begon.

„Vrienden en burgers! ik zal u zoo kort mogelijk vertellen van mijne reis. Zooals gij weet verliet ik mijn kamp op den 3denOctober, in gezelschap van een escort. Wij reden hiervandaan over de Drakensbergen, waarover wij met groote moeite een pas vonden. Toen wij den berg aan den anderen kant afgingen vonden wij voor ons een geheel andere wereld, veel prachtiger dan deze, volop water, prachtige rivieren, heerlijk gras en blijkbaar wonderlijk geschikt voor groot en klein vee. Op den 19denkwamen wij aan te Durban, dat aan de zee ligt. Hier wonen omtrent dertig Engelschen, die er een dorp aangelegd hebben, en verder een aantal kleurlingen. De Engelschen hebben ons bijzonder goed ontvangen, boden mij een adres aan, en waren erg in hun schik, toen zij hoorden, dat wij van plan waren ons in Natal te vestigen. Zij zonden dadelijk een boodschapper naar Dingaan om hem te doen weten, dat ik hem kwam bezoeken, en eenige dagen vertoefden wij toen te Durban. Op den 27stengingen wij op weg naarUmkungunhlovu, de groote kraal van Dingaan, en twee der aanzienlijkste Engelschen, de heeren John Cane en Thomas Holstead begeleidden ons als gidsen en tolken, hetgeen ons zeer te pas kwam, daar zij goed met Dingaan bekend waren. Na eenige dagen reizens[55]door een prachtig land kwamen wij bij de kraal van den Zulukoning. Dingaan ontving ons uitmuntend goed. Hij zeide dat hij blij was dat de blanken in zijne nabijheid zouden komen, en op mijne vraag, om ons dan een stuk grond bij de rivier de Tugela te geven, beloofde hij ons binnen een paar dagen een antwoord hieromtrent te geven, en verzocht ons zoolang zijne gasten te zijn. Gedurende dien tijd behandelde hij ons goed.

„Hij liet zijne regimenten krijgsdansen voor ons uitvoeren, en naar schatting waren er zeker twintigduizend man. Het snaakste van die krijgsdansen was, dat omtrent tweehonderd zwarte ossen met de regimenten samendansten, en net alles deden wat de krijgers deden. En wat mij zeer verwonderde was, dat Dingaan ons een honderd en tien schapen teruggaf, die hij zeide aan ons behoorden en die hij van Moselikatse had afgenomen, en aan de merken was het ons duidelijk, dat dit een deel van onze schapen was, die de Matabelen van onze menschen hadden geroofd. De schapen heb ik te Durban verkocht, omdat wij ze niet zoo ver konden aanjagen.

„Op den 8stenNovember liet Dingaan ons roepen door een zendeling, Owen genaamd, die bij hem woont. Hij liet toen den heer Owen een document aan ons voorlezen, waarin hij erkende gewillig te[56]zijn, ons het gevraagde land te geven, op voorwaarde, dat wij het vee, dat sommige van de Emigranten van hem gestolen hadden, zouden teruggeven. Ik vroeg toen Dingaan, hoe hij wist dat het van onze menschen waren, die zijn vee gestolen hadden, en hij zeide, dat eenige der wachters de roovers hadden gezien, dat zij op gezadelde paarden reden en gekleed waren zooals blanke menschen, en ook geweren hadden. Ik antwoordde dat ik zeker was, dat geen onzer menschen aan den Natal kant van de bergen was geweest, maar Dingaan beweerde, dat als wij onschuldig waren, wij het gemakkelijk zouden kunnen bewijzen, en dat hij dus niet het land zou geven, voor hij het vee terug had. De heer Owen wilde toen, dat ik het document moest teekenen, maar zooals het luidde, wilde ik zulks niet doen, omdat ik daardoor erkend zou hebben dat onze menschen roovers waren. Na eenige woordenwisseling veranderde de heer Owen, de woorden „Boeren” in „menschen, die er uit zagen als de Emigranten,” en daarop teekende ik het document, voornamelijk omdat ik Dingaan niet wilde kwaad maken.

„Dienzelfden dag keerden wij terug naar Durban, en gingen van daar op onzen weg naar huis. Kort aan de zijde van de Drakensbergen is er een kamp van eenige onzer Emigranten, waar Jan Meijer de[57]kommandant van is. Oom Jan vertelde mij, toen ik daar den nacht doorbracht, dat eenige maanden geleden een troep volk zijn kamp voorbij kwam, met een spul Zulubeesten. Hij liet vragen, wie zij waren en zij zeiden, dat zij volk van Sikonyella waren en toen hij hen liet komen naar het kamp, en vroeg, waar zij die beesten kregen, zeiden zij, dat de beesten verdwaald waren geraakt, en dat zij hen van de andere zijde der bergen hadden gebracht. Oom Jan had sterke suspicie, dat die beesten gestolen waren, maar hij meende, dat het hem niet aanging, en dat hij niets te maken had met de ruzies tusschen de Kaffers zelve, en hij liet hen dus rustig met de beesten gaan. Toen Oom Jan mij vertelde, dat partij van die volk geweren hadden, en broeken en baatjes droegen, en ook op gezadelde paarden reden, toen wist ik, dat Sikonyella de dief van de beesten van Dingaan was.

„Nu ik terug ben, meen ik, dat het onze eerste plicht is, om aan mijne belofte aan Dingaan te voldoen, en dit is nu aan de vergadering om te beslissen, wat ons met Sikonyella zal doen, en hoe ons Dingaans beesten zal terugkrijgen. Krijg ons hulle, dan ben ik zeker, dat Dingaan ons een stuk grond zal geven, en doet hij dit, dan zijn wij verzekerd van rustig en goed in Natal te kunnen leven. Wij zullen[58]dan ons eigen haven hebben en zijn dan geheel onafhankelijk van de Engelschen in de Kolonie.”

Na deze lange aanspraak, die ik hier zoo volledig mogelijk heb teruggegeven, ging Retief zitten. Charel Cilliers zeide toen, dat een ieder, die iets wenschte te zeggen, thans kon spreken.

De haastige Hendrik Potgieter was in een oogwenk op zijne beenen, en begon:

„Vrienden, ik denk wij zijn allen dankbaar aan den Kommandant-Generaal voor de fluksche wijze waarop hij zijne reis volvoerd heeft. Alleen lijkt dit mij, dat hij Dingaan te veel vertrouwt, en ik voor mijn part, ben niet zoo zeker, dat de Zulukoning zijn belofte zal houden. Ik heb nog nooit een Kaffer vertrouwd en ik vertrouw Dingaan ook niet. Wat Sikonyella aanbetreft, zal ik voorstellen, dat wij dadelijk een commando afzenden naar hem, om die beesten op te eischen en als hij ze niet opgeeft, moeten wij hem maar goed op zijn baatje geven, en het vee afnemen. Spulletjes maken met Kaffers geloof ik niet aan.”

Frans Joubert stond toen op en sprak: „Ik geloof dat Kommandant Potgieter een beetje te haastig is. Wij hebben nog maar suspicie op Sikonyella, maar geen vast bewijs. Als Sikonyella die beesten niet heeft, wat vang ons dan aan. Om een vijand te gaan[59]maken van Sikonyella voor niets, dat zal niet gaan, want dan halen wij ons net moeilijkheden op den nek. Oom Hendrik was niet op Sikonyella zijn berg. Ik was daar, en ik kan hem verzekeren, dat er vele van onze menschen zullen vallen, voor wij die sterkte genomen hebben.”

Charel Cilliers nam toen het woord. „Ik stem geheel met den heer Joubert samen, en ik denk, dat ons eerst zachte middelen met Sikonyella behoort te nemen. Misschien heeft de Kommandant-Generaal een plan.”

„Ja,” zeide Pieter Retief, „ik heb een plan, en dit zal ik voorstellen. Ik zou een paar onzer mannen naar Sikonyella willen zenden om hem te zeggen, dat ik hem graag wil zien en hem verzoek naar ons kamp te komen. Ik ben zeker, dat hij komen zal, en als hij hier eenmaal is, dan weet ik wel raad met hem; ik zal hem doodeenvoudig hier houden, tot hij de beesten afgeleverd heeft.”

Pieter Uys ondersteunde dit voorstel, en nadat eenige verdere sprekers hunne goedkeuring er aan gehecht hadden, werd het dan ook met algemeene stemmen aangenomen. Aangezien er niets meer te doen was, verzocht de heer Charel Cilliers aan den schoolmeester Alfred Smith om de notulen voor te lezen, en toen deze in orde werden bevonden, werden[60]zij door Voorzitter en Secretaris geteekend. Daarna sloot de Voorzitter de vergadering met een ernstig gebed, den Heer dankende voor Zijnen bijstand en Hem biddende dien nog verder te verleenen aan Zijn volk.

Tien minuten daarna was de wagenkring ledig en stonden de Emigranten overal in het kamp Winburg in groepjes met elkander te praten en koffie te drinken.[61]


Back to IndexNext