[Inhoud]HOOFDSTUK VI.HOOFDSTUK VI.Den volgenden morgen, bij het krieken van den dag, waren Lang Hans Malan, en Johannes Joubert, Martjes oudste broeder, op weg naar Sikonyella om Retiefs boodschap over te brengen. Willem, de getrouwe van Retief, was bij hen als tolk.Zes dagen later waren zij terug, en brachten de tijding, dat Sikonyella zou komen. En werkelijk, op den 2denDecember zag men een groote troep ruiters in een stofwolk gehuld, op het kamp te Winburg aanrijden, en men zond dadelijk kennis aan Retief, die dan ook een uur daarna Winburg inreed aan het hoofd van een veertigtal der zijnen.[62]Sikonyella was vergezeld van twee zijner „induna’s” en een dertigtal volgelingen. Retief liet hem weten dat hij en zijne twee „induna’s” binnen het kamp konden komen, maar de volgelingen buiten moesten blijven. Ten einde echter den Kafferkapitein niet onnoodig achterdochtig te maken, liet Retief een tafel en eenige stoelen brengen, dicht bij het einde van het kamp, waar Sikonyella zijn volgelingen kon zien. Deze waren van hunne paarden afgeklommen, die zij toen kniehalterden, terwijl zij zelven in een klompje op hunne hurken gingen zitten. Allen waren met schild, assegaai en strijdbijl gewapend.Piet Retief nam plaats aan de tafel, tezamen met Piet Uys en Charel Cilliers, terwijl de andere Emigranten zich achter hen schaarden. Ter rechterzijde van de tafel, op een distantie van vijftig treden, stonden een dertigtal jonge Boeren, met het roer in de hand.Sikonyella en zijn twee „induna’s”naderden tot op een voet of twaalf van de tafel, en zetten zich toen neder op een vel, dat voor hen op den grond was geplaatst.„Kapitein Sikonyella,” begon Retief, „ik heb u laten roepen en ik ben blij dat gij aan mijn verzoek hebt gehoor gegeven.”Willem, die weder als tolk ageerde, vertaalde dit.[63]„Wat wil de groote Kapitein der Boeren van mij hebben, dat hij mij zoo’n langen weg laat rijden?” vroeg Sikonyella, die blijkbaar erg gestoord was.„Sikonyella, dit is een zeer ernstige zaak waarover ik u wil zien. Gij weet, dat eenigen tijd geleden ik een verbond van vriendschap met u gemaakt heb en nu vind ik uit, dat gij geen vriend der Boeren zijt.”„Wat heb ik gedaan, dat de groote Kapitein zoo iets kan zeggen?” vroeg Sikonyella op een zeer verbaasden toon.„Gij hebt vee van Dingaan gestolen,” vervolgde Retief, „en om suspicie op de Boeren te gooien hebt gij die beesten langs een onzer kampen gedreven.”„Ik heb geen vee van Dingaan gestolen,” zeide Sikonyella op brutale wijze. „Hoe zal ik, een arme kapitein, het wagen om iets te nemen van den grooten, machtigen Dingaan,” vervolgde hij op den meest onschuldigen toon. „Ben ik dan de eenigste kapitein hier; zijn daar niet Maroko, Tawane en Moshesh. Misschien heeft Moshesh dit gedaan; hij is een machtig Kapitein, en is niet bang voor Dingaan. Ik weet van Dingaans beesten niets af.”Retief riep den heer Jan Meyer, om wien hij gezonden had, en deze verhaalde het gebeurde met Sikonyella’s volk. Zijn verklaring werd woord voor woord aan den Kaffer-kapitein door Willem vertaald.[64]„Wat zegt gij nu, Sikonyella?” vroeg Retief, toen de heer Meyer alles verteld had, wat hij wist.„Ik kan niet daarvoor, als ander volk zeggen, dat zij tot mijn stam behooren. Hoe weet die baas, dat het Batlokua waren.”„Sikonyella,” zeide Retief op scherpen toon, „dit helpt u niet om te liegen. Het spoor van het vee is gevolgd tot bij uwen berg, en gij hebt het vee van Dingaan. Dingaan heeft mij gelast, dat vee terug te krijgen, en ik eisch het van u op.”„Ik heb geen vee van Dingaan,” zeide Sikonyella op stoutmoedigen toon, en hij stond op met zijn „induna’s.”„Grijpt ze,” was het korte bevel van Retief en voor de drie Kaffers wisten, wat er gebeurde, waren zij tegen den grond geworpen en met riemen werden hunne handen op den rug gebonden.Sikonyella stiet een Kafferkreet uit, en zijne volgelingen sprongen op. Tot hunne verwondering vonden zij zich echter plotseling omringd door de dertig jonge Boeren, die bedaard en stilletjes hen omsingeld hadden, zonder dat zij het bemerkt hadden. Dertig geweer-monden waren op hen gericht, en zij deinsden verschrokken terug, buiten staat hunnen Kapitein te helpen. Retief had zijne plannen goed beraamd en uitgevoerd.[65]„Bindt den Kapitein en de induna’s daar aan dien wagen vast,” beval Retief, opstaande.„Willem, zeg aan Sikonyella, dat ik hem prisonnier zal houden totdat hij gewillig is Dingaans beesten af te leveren. En een spul van jullie moet daar die Kaffers bewaken,”vervolgde hij tot eenige der omringende Boeren.„Vijftien man is genoeg, maar jullie past op, dat er niet een wegloopt. De eerste de beste die probeert te ontsnappen, schiet jullie neer. Ik zal daarom die Kaffers wijzen, dat ons niet hullie speelgoed is.”De bevelen van den Kommandant-Generaal werden streng opgevolgd. Sikonyella en de twee onderkapiteins werden stevig aan het achterwiel van een wagen vastgebonden, zoodat zij zich niet roeren konden, en David Malan ontving order om met een geladen geweer wacht over hen te houden.De overige Kaffers werden omringd door een vijftiental Boeren en, op bevel van Retief, gaf Willem hun kennis, dat wanneer zij trachtten te ontsnappen, zij zonder genade zouden doodgeschoten worden, en dat zij hunne wapenen zoolang moesten afgeven. De verschrikte Batlokua begrepen, dat zij in een val waren, en gehoorzaamden dan ook zonder tegenstribbelen.Voedsel werd hun verschaft, en toen zij zagen,[66]dat men hen goed behandelde, hielden zij zich zeer rustig.Sikonyella zelf had geen aangename gedachten. Hij wist, dat hij thans in de macht der Boeren was, en hij verzon te vergeefs naar middelen om een uitweg uit zijnen moeilijken toestand te vinden. Het ging hem geweldig legen de borst om Dingaans beesten af te geven, en aan den anderen kant vreesde hij, dat de Boeren een commando naar zijn kraal zouden zenden. Hij wist, dat in zijn afwezigheid zijn volk zou vluchten, want Ma Ntatisi was reeds oud, en zou niet meer in staat zijn om tegenstand te bieden.Dan zou zijn volk weder moeten gaan rondzwerven, misschien zich opsplitsen, en zou hij, Sikonyella, zijn opperhoofdschap verliezen, en zelve weder een zwerveling worden, zoo hij niet een gevangene der Boeren zou blijven. Hij raadpleegde zijn twee „induna’s” maar deze waren niet in staat hem te helpen.Men bracht de gevangenen vleesch en brood als voedsel, en hunne handen werden zoodanig los gemaakt, dat zij in staat waren te eten. De induna’s aten hun voedsel gretig, doch Sikonyella raakte niets aan, maar bleef in gedachten verzonken.Dien geheelen dag en den geheelen nacht bleven de gevangenen aldus, en hoewel Willem, op bevel van Retief, gedurende dien tijd driemaal kwam[67]vragen, wat het antwoord van Sikonyella was, bleef deze in een stijfhoofdig stilzwijgen volharden.Den volgenden morgen vroeg, toen Willem weder aankwam, zeide Sikonyella, dat hij den Grooten Kapitein der Boeren wilde zien.Retief kwam hierop naar den wagen.„Zeg aan den Grooten Kapitein, dat ik Dingaan zijn beesten zal gaan halen en hen afleveren, als hij mij losmaakt,” zeide de slimme Sikonyella.Doch Retief liet zich niet zoo gemakkelijk verschalken. Hij wist, dat als Sikonyella eens een vrij man was, hij noch hem, noch de beesten ooit weer zou zien.„Neen,” antwoordde hij. „Gij zult hier blijven totdat de beesten hier zijn, en zoo ook de eene induna. De andere induna kan met de helft van uw volgelingen gaan om de beesten te halen. Ik zal hun twaalf dagen tijd geven, en als zij dan niet met de beesten hier zijn, kunnen zij er zeker van zijn, dat ik u, Sikonyella, zal laten doodschieten voor uw bedrog en verraderlijk gedrag.”Het laatste dreigement, dat Retief zeker nooit uitgevoerd zou hebben, en dat hij alleen er bijvoegde om de zaken te bespoedigen, deed Sikonyella aschvaal worden, en hij haastte zich om te antwoorden dat hij tevreden was met Retiefs voorstel.[68]De eene induna werd nu losgemaakt, en was binnen het half uur met twintig der Batlokua vertrokken. Na hun vertrek gelastte Retief ook Sikonyella en den anderen onderkapitein los te maken, doch hij liet hen goed bewaken, en des nachts werden zij weder aan het wagenwiel vastgemaakt, op zulke wijze, dat zij op den grond konden slapen onder hunne karossen, maar er geen kans was om te ontsnappen, daar twee man bovendien de wacht over hen hielden.Op den tienden dag kwam de induna terug met een troepje Batlokua, en leverde 683 beesten af, en daar Dingaan aan Retief gezegd had, dat het 700 beesten waren, nam Retief dit getal aan.Sikonyella werd nu op vrije voeten gesteld. Voor zijn vertrek las Retief hem echter duchtig de les en waarschuwde hem, om nooit weer met verraad tegen de Boeren te gaan. „Maar,” zeide hij, „ten einde Sikonyella te bewijzen, dat ik hem thans vergeven heb en weder zijn vriend ben, geef ik hem dit paard als een geschenk.”Een zeer goed paard werd toen aan den Kaffer-kapitein gegeven, die dan ook verklaarde, dat hij een fout had gemaakt en zulks nooit weer zou doen. Daarop reed Sikonyella naar huis, heel wat minder parmantig, als hij gekomen was. Hij had een les gehad,[69]die hij niet spoedig zou vergeten, en inderdaad heeft hij zich nooit weer tegen de Boeren verzet.Mogen er sommigen mijner lezers zijn, die het Retief kwalijk nemen, dat hij zoo hard met Sikonyella handelde, dan vraag ik hun doodeenvoudig om de omstandigheden in aanmerking te nemen, en als zij alles bedaard nagaan, dan zullen zij met mij de flinkheid en krijgslist van den Kommandant-Generaal bewonderen, evenals de Emigranten het toenmaals deden.[70]
[Inhoud]HOOFDSTUK VI.HOOFDSTUK VI.Den volgenden morgen, bij het krieken van den dag, waren Lang Hans Malan, en Johannes Joubert, Martjes oudste broeder, op weg naar Sikonyella om Retiefs boodschap over te brengen. Willem, de getrouwe van Retief, was bij hen als tolk.Zes dagen later waren zij terug, en brachten de tijding, dat Sikonyella zou komen. En werkelijk, op den 2denDecember zag men een groote troep ruiters in een stofwolk gehuld, op het kamp te Winburg aanrijden, en men zond dadelijk kennis aan Retief, die dan ook een uur daarna Winburg inreed aan het hoofd van een veertigtal der zijnen.[62]Sikonyella was vergezeld van twee zijner „induna’s” en een dertigtal volgelingen. Retief liet hem weten dat hij en zijne twee „induna’s” binnen het kamp konden komen, maar de volgelingen buiten moesten blijven. Ten einde echter den Kafferkapitein niet onnoodig achterdochtig te maken, liet Retief een tafel en eenige stoelen brengen, dicht bij het einde van het kamp, waar Sikonyella zijn volgelingen kon zien. Deze waren van hunne paarden afgeklommen, die zij toen kniehalterden, terwijl zij zelven in een klompje op hunne hurken gingen zitten. Allen waren met schild, assegaai en strijdbijl gewapend.Piet Retief nam plaats aan de tafel, tezamen met Piet Uys en Charel Cilliers, terwijl de andere Emigranten zich achter hen schaarden. Ter rechterzijde van de tafel, op een distantie van vijftig treden, stonden een dertigtal jonge Boeren, met het roer in de hand.Sikonyella en zijn twee „induna’s”naderden tot op een voet of twaalf van de tafel, en zetten zich toen neder op een vel, dat voor hen op den grond was geplaatst.„Kapitein Sikonyella,” begon Retief, „ik heb u laten roepen en ik ben blij dat gij aan mijn verzoek hebt gehoor gegeven.”Willem, die weder als tolk ageerde, vertaalde dit.[63]„Wat wil de groote Kapitein der Boeren van mij hebben, dat hij mij zoo’n langen weg laat rijden?” vroeg Sikonyella, die blijkbaar erg gestoord was.„Sikonyella, dit is een zeer ernstige zaak waarover ik u wil zien. Gij weet, dat eenigen tijd geleden ik een verbond van vriendschap met u gemaakt heb en nu vind ik uit, dat gij geen vriend der Boeren zijt.”„Wat heb ik gedaan, dat de groote Kapitein zoo iets kan zeggen?” vroeg Sikonyella op een zeer verbaasden toon.„Gij hebt vee van Dingaan gestolen,” vervolgde Retief, „en om suspicie op de Boeren te gooien hebt gij die beesten langs een onzer kampen gedreven.”„Ik heb geen vee van Dingaan gestolen,” zeide Sikonyella op brutale wijze. „Hoe zal ik, een arme kapitein, het wagen om iets te nemen van den grooten, machtigen Dingaan,” vervolgde hij op den meest onschuldigen toon. „Ben ik dan de eenigste kapitein hier; zijn daar niet Maroko, Tawane en Moshesh. Misschien heeft Moshesh dit gedaan; hij is een machtig Kapitein, en is niet bang voor Dingaan. Ik weet van Dingaans beesten niets af.”Retief riep den heer Jan Meyer, om wien hij gezonden had, en deze verhaalde het gebeurde met Sikonyella’s volk. Zijn verklaring werd woord voor woord aan den Kaffer-kapitein door Willem vertaald.[64]„Wat zegt gij nu, Sikonyella?” vroeg Retief, toen de heer Meyer alles verteld had, wat hij wist.„Ik kan niet daarvoor, als ander volk zeggen, dat zij tot mijn stam behooren. Hoe weet die baas, dat het Batlokua waren.”„Sikonyella,” zeide Retief op scherpen toon, „dit helpt u niet om te liegen. Het spoor van het vee is gevolgd tot bij uwen berg, en gij hebt het vee van Dingaan. Dingaan heeft mij gelast, dat vee terug te krijgen, en ik eisch het van u op.”„Ik heb geen vee van Dingaan,” zeide Sikonyella op stoutmoedigen toon, en hij stond op met zijn „induna’s.”„Grijpt ze,” was het korte bevel van Retief en voor de drie Kaffers wisten, wat er gebeurde, waren zij tegen den grond geworpen en met riemen werden hunne handen op den rug gebonden.Sikonyella stiet een Kafferkreet uit, en zijne volgelingen sprongen op. Tot hunne verwondering vonden zij zich echter plotseling omringd door de dertig jonge Boeren, die bedaard en stilletjes hen omsingeld hadden, zonder dat zij het bemerkt hadden. Dertig geweer-monden waren op hen gericht, en zij deinsden verschrokken terug, buiten staat hunnen Kapitein te helpen. Retief had zijne plannen goed beraamd en uitgevoerd.[65]„Bindt den Kapitein en de induna’s daar aan dien wagen vast,” beval Retief, opstaande.„Willem, zeg aan Sikonyella, dat ik hem prisonnier zal houden totdat hij gewillig is Dingaans beesten af te leveren. En een spul van jullie moet daar die Kaffers bewaken,”vervolgde hij tot eenige der omringende Boeren.„Vijftien man is genoeg, maar jullie past op, dat er niet een wegloopt. De eerste de beste die probeert te ontsnappen, schiet jullie neer. Ik zal daarom die Kaffers wijzen, dat ons niet hullie speelgoed is.”De bevelen van den Kommandant-Generaal werden streng opgevolgd. Sikonyella en de twee onderkapiteins werden stevig aan het achterwiel van een wagen vastgebonden, zoodat zij zich niet roeren konden, en David Malan ontving order om met een geladen geweer wacht over hen te houden.De overige Kaffers werden omringd door een vijftiental Boeren en, op bevel van Retief, gaf Willem hun kennis, dat wanneer zij trachtten te ontsnappen, zij zonder genade zouden doodgeschoten worden, en dat zij hunne wapenen zoolang moesten afgeven. De verschrikte Batlokua begrepen, dat zij in een val waren, en gehoorzaamden dan ook zonder tegenstribbelen.Voedsel werd hun verschaft, en toen zij zagen,[66]dat men hen goed behandelde, hielden zij zich zeer rustig.Sikonyella zelf had geen aangename gedachten. Hij wist, dat hij thans in de macht der Boeren was, en hij verzon te vergeefs naar middelen om een uitweg uit zijnen moeilijken toestand te vinden. Het ging hem geweldig legen de borst om Dingaans beesten af te geven, en aan den anderen kant vreesde hij, dat de Boeren een commando naar zijn kraal zouden zenden. Hij wist, dat in zijn afwezigheid zijn volk zou vluchten, want Ma Ntatisi was reeds oud, en zou niet meer in staat zijn om tegenstand te bieden.Dan zou zijn volk weder moeten gaan rondzwerven, misschien zich opsplitsen, en zou hij, Sikonyella, zijn opperhoofdschap verliezen, en zelve weder een zwerveling worden, zoo hij niet een gevangene der Boeren zou blijven. Hij raadpleegde zijn twee „induna’s” maar deze waren niet in staat hem te helpen.Men bracht de gevangenen vleesch en brood als voedsel, en hunne handen werden zoodanig los gemaakt, dat zij in staat waren te eten. De induna’s aten hun voedsel gretig, doch Sikonyella raakte niets aan, maar bleef in gedachten verzonken.Dien geheelen dag en den geheelen nacht bleven de gevangenen aldus, en hoewel Willem, op bevel van Retief, gedurende dien tijd driemaal kwam[67]vragen, wat het antwoord van Sikonyella was, bleef deze in een stijfhoofdig stilzwijgen volharden.Den volgenden morgen vroeg, toen Willem weder aankwam, zeide Sikonyella, dat hij den Grooten Kapitein der Boeren wilde zien.Retief kwam hierop naar den wagen.„Zeg aan den Grooten Kapitein, dat ik Dingaan zijn beesten zal gaan halen en hen afleveren, als hij mij losmaakt,” zeide de slimme Sikonyella.Doch Retief liet zich niet zoo gemakkelijk verschalken. Hij wist, dat als Sikonyella eens een vrij man was, hij noch hem, noch de beesten ooit weer zou zien.„Neen,” antwoordde hij. „Gij zult hier blijven totdat de beesten hier zijn, en zoo ook de eene induna. De andere induna kan met de helft van uw volgelingen gaan om de beesten te halen. Ik zal hun twaalf dagen tijd geven, en als zij dan niet met de beesten hier zijn, kunnen zij er zeker van zijn, dat ik u, Sikonyella, zal laten doodschieten voor uw bedrog en verraderlijk gedrag.”Het laatste dreigement, dat Retief zeker nooit uitgevoerd zou hebben, en dat hij alleen er bijvoegde om de zaken te bespoedigen, deed Sikonyella aschvaal worden, en hij haastte zich om te antwoorden dat hij tevreden was met Retiefs voorstel.[68]De eene induna werd nu losgemaakt, en was binnen het half uur met twintig der Batlokua vertrokken. Na hun vertrek gelastte Retief ook Sikonyella en den anderen onderkapitein los te maken, doch hij liet hen goed bewaken, en des nachts werden zij weder aan het wagenwiel vastgemaakt, op zulke wijze, dat zij op den grond konden slapen onder hunne karossen, maar er geen kans was om te ontsnappen, daar twee man bovendien de wacht over hen hielden.Op den tienden dag kwam de induna terug met een troepje Batlokua, en leverde 683 beesten af, en daar Dingaan aan Retief gezegd had, dat het 700 beesten waren, nam Retief dit getal aan.Sikonyella werd nu op vrije voeten gesteld. Voor zijn vertrek las Retief hem echter duchtig de les en waarschuwde hem, om nooit weer met verraad tegen de Boeren te gaan. „Maar,” zeide hij, „ten einde Sikonyella te bewijzen, dat ik hem thans vergeven heb en weder zijn vriend ben, geef ik hem dit paard als een geschenk.”Een zeer goed paard werd toen aan den Kaffer-kapitein gegeven, die dan ook verklaarde, dat hij een fout had gemaakt en zulks nooit weer zou doen. Daarop reed Sikonyella naar huis, heel wat minder parmantig, als hij gekomen was. Hij had een les gehad,[69]die hij niet spoedig zou vergeten, en inderdaad heeft hij zich nooit weer tegen de Boeren verzet.Mogen er sommigen mijner lezers zijn, die het Retief kwalijk nemen, dat hij zoo hard met Sikonyella handelde, dan vraag ik hun doodeenvoudig om de omstandigheden in aanmerking te nemen, en als zij alles bedaard nagaan, dan zullen zij met mij de flinkheid en krijgslist van den Kommandant-Generaal bewonderen, evenals de Emigranten het toenmaals deden.[70]
HOOFDSTUK VI.HOOFDSTUK VI.
HOOFDSTUK VI.
Den volgenden morgen, bij het krieken van den dag, waren Lang Hans Malan, en Johannes Joubert, Martjes oudste broeder, op weg naar Sikonyella om Retiefs boodschap over te brengen. Willem, de getrouwe van Retief, was bij hen als tolk.Zes dagen later waren zij terug, en brachten de tijding, dat Sikonyella zou komen. En werkelijk, op den 2denDecember zag men een groote troep ruiters in een stofwolk gehuld, op het kamp te Winburg aanrijden, en men zond dadelijk kennis aan Retief, die dan ook een uur daarna Winburg inreed aan het hoofd van een veertigtal der zijnen.[62]Sikonyella was vergezeld van twee zijner „induna’s” en een dertigtal volgelingen. Retief liet hem weten dat hij en zijne twee „induna’s” binnen het kamp konden komen, maar de volgelingen buiten moesten blijven. Ten einde echter den Kafferkapitein niet onnoodig achterdochtig te maken, liet Retief een tafel en eenige stoelen brengen, dicht bij het einde van het kamp, waar Sikonyella zijn volgelingen kon zien. Deze waren van hunne paarden afgeklommen, die zij toen kniehalterden, terwijl zij zelven in een klompje op hunne hurken gingen zitten. Allen waren met schild, assegaai en strijdbijl gewapend.Piet Retief nam plaats aan de tafel, tezamen met Piet Uys en Charel Cilliers, terwijl de andere Emigranten zich achter hen schaarden. Ter rechterzijde van de tafel, op een distantie van vijftig treden, stonden een dertigtal jonge Boeren, met het roer in de hand.Sikonyella en zijn twee „induna’s”naderden tot op een voet of twaalf van de tafel, en zetten zich toen neder op een vel, dat voor hen op den grond was geplaatst.„Kapitein Sikonyella,” begon Retief, „ik heb u laten roepen en ik ben blij dat gij aan mijn verzoek hebt gehoor gegeven.”Willem, die weder als tolk ageerde, vertaalde dit.[63]„Wat wil de groote Kapitein der Boeren van mij hebben, dat hij mij zoo’n langen weg laat rijden?” vroeg Sikonyella, die blijkbaar erg gestoord was.„Sikonyella, dit is een zeer ernstige zaak waarover ik u wil zien. Gij weet, dat eenigen tijd geleden ik een verbond van vriendschap met u gemaakt heb en nu vind ik uit, dat gij geen vriend der Boeren zijt.”„Wat heb ik gedaan, dat de groote Kapitein zoo iets kan zeggen?” vroeg Sikonyella op een zeer verbaasden toon.„Gij hebt vee van Dingaan gestolen,” vervolgde Retief, „en om suspicie op de Boeren te gooien hebt gij die beesten langs een onzer kampen gedreven.”„Ik heb geen vee van Dingaan gestolen,” zeide Sikonyella op brutale wijze. „Hoe zal ik, een arme kapitein, het wagen om iets te nemen van den grooten, machtigen Dingaan,” vervolgde hij op den meest onschuldigen toon. „Ben ik dan de eenigste kapitein hier; zijn daar niet Maroko, Tawane en Moshesh. Misschien heeft Moshesh dit gedaan; hij is een machtig Kapitein, en is niet bang voor Dingaan. Ik weet van Dingaans beesten niets af.”Retief riep den heer Jan Meyer, om wien hij gezonden had, en deze verhaalde het gebeurde met Sikonyella’s volk. Zijn verklaring werd woord voor woord aan den Kaffer-kapitein door Willem vertaald.[64]„Wat zegt gij nu, Sikonyella?” vroeg Retief, toen de heer Meyer alles verteld had, wat hij wist.„Ik kan niet daarvoor, als ander volk zeggen, dat zij tot mijn stam behooren. Hoe weet die baas, dat het Batlokua waren.”„Sikonyella,” zeide Retief op scherpen toon, „dit helpt u niet om te liegen. Het spoor van het vee is gevolgd tot bij uwen berg, en gij hebt het vee van Dingaan. Dingaan heeft mij gelast, dat vee terug te krijgen, en ik eisch het van u op.”„Ik heb geen vee van Dingaan,” zeide Sikonyella op stoutmoedigen toon, en hij stond op met zijn „induna’s.”„Grijpt ze,” was het korte bevel van Retief en voor de drie Kaffers wisten, wat er gebeurde, waren zij tegen den grond geworpen en met riemen werden hunne handen op den rug gebonden.Sikonyella stiet een Kafferkreet uit, en zijne volgelingen sprongen op. Tot hunne verwondering vonden zij zich echter plotseling omringd door de dertig jonge Boeren, die bedaard en stilletjes hen omsingeld hadden, zonder dat zij het bemerkt hadden. Dertig geweer-monden waren op hen gericht, en zij deinsden verschrokken terug, buiten staat hunnen Kapitein te helpen. Retief had zijne plannen goed beraamd en uitgevoerd.[65]„Bindt den Kapitein en de induna’s daar aan dien wagen vast,” beval Retief, opstaande.„Willem, zeg aan Sikonyella, dat ik hem prisonnier zal houden totdat hij gewillig is Dingaans beesten af te leveren. En een spul van jullie moet daar die Kaffers bewaken,”vervolgde hij tot eenige der omringende Boeren.„Vijftien man is genoeg, maar jullie past op, dat er niet een wegloopt. De eerste de beste die probeert te ontsnappen, schiet jullie neer. Ik zal daarom die Kaffers wijzen, dat ons niet hullie speelgoed is.”De bevelen van den Kommandant-Generaal werden streng opgevolgd. Sikonyella en de twee onderkapiteins werden stevig aan het achterwiel van een wagen vastgebonden, zoodat zij zich niet roeren konden, en David Malan ontving order om met een geladen geweer wacht over hen te houden.De overige Kaffers werden omringd door een vijftiental Boeren en, op bevel van Retief, gaf Willem hun kennis, dat wanneer zij trachtten te ontsnappen, zij zonder genade zouden doodgeschoten worden, en dat zij hunne wapenen zoolang moesten afgeven. De verschrikte Batlokua begrepen, dat zij in een val waren, en gehoorzaamden dan ook zonder tegenstribbelen.Voedsel werd hun verschaft, en toen zij zagen,[66]dat men hen goed behandelde, hielden zij zich zeer rustig.Sikonyella zelf had geen aangename gedachten. Hij wist, dat hij thans in de macht der Boeren was, en hij verzon te vergeefs naar middelen om een uitweg uit zijnen moeilijken toestand te vinden. Het ging hem geweldig legen de borst om Dingaans beesten af te geven, en aan den anderen kant vreesde hij, dat de Boeren een commando naar zijn kraal zouden zenden. Hij wist, dat in zijn afwezigheid zijn volk zou vluchten, want Ma Ntatisi was reeds oud, en zou niet meer in staat zijn om tegenstand te bieden.Dan zou zijn volk weder moeten gaan rondzwerven, misschien zich opsplitsen, en zou hij, Sikonyella, zijn opperhoofdschap verliezen, en zelve weder een zwerveling worden, zoo hij niet een gevangene der Boeren zou blijven. Hij raadpleegde zijn twee „induna’s” maar deze waren niet in staat hem te helpen.Men bracht de gevangenen vleesch en brood als voedsel, en hunne handen werden zoodanig los gemaakt, dat zij in staat waren te eten. De induna’s aten hun voedsel gretig, doch Sikonyella raakte niets aan, maar bleef in gedachten verzonken.Dien geheelen dag en den geheelen nacht bleven de gevangenen aldus, en hoewel Willem, op bevel van Retief, gedurende dien tijd driemaal kwam[67]vragen, wat het antwoord van Sikonyella was, bleef deze in een stijfhoofdig stilzwijgen volharden.Den volgenden morgen vroeg, toen Willem weder aankwam, zeide Sikonyella, dat hij den Grooten Kapitein der Boeren wilde zien.Retief kwam hierop naar den wagen.„Zeg aan den Grooten Kapitein, dat ik Dingaan zijn beesten zal gaan halen en hen afleveren, als hij mij losmaakt,” zeide de slimme Sikonyella.Doch Retief liet zich niet zoo gemakkelijk verschalken. Hij wist, dat als Sikonyella eens een vrij man was, hij noch hem, noch de beesten ooit weer zou zien.„Neen,” antwoordde hij. „Gij zult hier blijven totdat de beesten hier zijn, en zoo ook de eene induna. De andere induna kan met de helft van uw volgelingen gaan om de beesten te halen. Ik zal hun twaalf dagen tijd geven, en als zij dan niet met de beesten hier zijn, kunnen zij er zeker van zijn, dat ik u, Sikonyella, zal laten doodschieten voor uw bedrog en verraderlijk gedrag.”Het laatste dreigement, dat Retief zeker nooit uitgevoerd zou hebben, en dat hij alleen er bijvoegde om de zaken te bespoedigen, deed Sikonyella aschvaal worden, en hij haastte zich om te antwoorden dat hij tevreden was met Retiefs voorstel.[68]De eene induna werd nu losgemaakt, en was binnen het half uur met twintig der Batlokua vertrokken. Na hun vertrek gelastte Retief ook Sikonyella en den anderen onderkapitein los te maken, doch hij liet hen goed bewaken, en des nachts werden zij weder aan het wagenwiel vastgemaakt, op zulke wijze, dat zij op den grond konden slapen onder hunne karossen, maar er geen kans was om te ontsnappen, daar twee man bovendien de wacht over hen hielden.Op den tienden dag kwam de induna terug met een troepje Batlokua, en leverde 683 beesten af, en daar Dingaan aan Retief gezegd had, dat het 700 beesten waren, nam Retief dit getal aan.Sikonyella werd nu op vrije voeten gesteld. Voor zijn vertrek las Retief hem echter duchtig de les en waarschuwde hem, om nooit weer met verraad tegen de Boeren te gaan. „Maar,” zeide hij, „ten einde Sikonyella te bewijzen, dat ik hem thans vergeven heb en weder zijn vriend ben, geef ik hem dit paard als een geschenk.”Een zeer goed paard werd toen aan den Kaffer-kapitein gegeven, die dan ook verklaarde, dat hij een fout had gemaakt en zulks nooit weer zou doen. Daarop reed Sikonyella naar huis, heel wat minder parmantig, als hij gekomen was. Hij had een les gehad,[69]die hij niet spoedig zou vergeten, en inderdaad heeft hij zich nooit weer tegen de Boeren verzet.Mogen er sommigen mijner lezers zijn, die het Retief kwalijk nemen, dat hij zoo hard met Sikonyella handelde, dan vraag ik hun doodeenvoudig om de omstandigheden in aanmerking te nemen, en als zij alles bedaard nagaan, dan zullen zij met mij de flinkheid en krijgslist van den Kommandant-Generaal bewonderen, evenals de Emigranten het toenmaals deden.[70]
Den volgenden morgen, bij het krieken van den dag, waren Lang Hans Malan, en Johannes Joubert, Martjes oudste broeder, op weg naar Sikonyella om Retiefs boodschap over te brengen. Willem, de getrouwe van Retief, was bij hen als tolk.
Zes dagen later waren zij terug, en brachten de tijding, dat Sikonyella zou komen. En werkelijk, op den 2denDecember zag men een groote troep ruiters in een stofwolk gehuld, op het kamp te Winburg aanrijden, en men zond dadelijk kennis aan Retief, die dan ook een uur daarna Winburg inreed aan het hoofd van een veertigtal der zijnen.[62]
Sikonyella was vergezeld van twee zijner „induna’s” en een dertigtal volgelingen. Retief liet hem weten dat hij en zijne twee „induna’s” binnen het kamp konden komen, maar de volgelingen buiten moesten blijven. Ten einde echter den Kafferkapitein niet onnoodig achterdochtig te maken, liet Retief een tafel en eenige stoelen brengen, dicht bij het einde van het kamp, waar Sikonyella zijn volgelingen kon zien. Deze waren van hunne paarden afgeklommen, die zij toen kniehalterden, terwijl zij zelven in een klompje op hunne hurken gingen zitten. Allen waren met schild, assegaai en strijdbijl gewapend.
Piet Retief nam plaats aan de tafel, tezamen met Piet Uys en Charel Cilliers, terwijl de andere Emigranten zich achter hen schaarden. Ter rechterzijde van de tafel, op een distantie van vijftig treden, stonden een dertigtal jonge Boeren, met het roer in de hand.
Sikonyella en zijn twee „induna’s”naderden tot op een voet of twaalf van de tafel, en zetten zich toen neder op een vel, dat voor hen op den grond was geplaatst.
„Kapitein Sikonyella,” begon Retief, „ik heb u laten roepen en ik ben blij dat gij aan mijn verzoek hebt gehoor gegeven.”
Willem, die weder als tolk ageerde, vertaalde dit.[63]
„Wat wil de groote Kapitein der Boeren van mij hebben, dat hij mij zoo’n langen weg laat rijden?” vroeg Sikonyella, die blijkbaar erg gestoord was.
„Sikonyella, dit is een zeer ernstige zaak waarover ik u wil zien. Gij weet, dat eenigen tijd geleden ik een verbond van vriendschap met u gemaakt heb en nu vind ik uit, dat gij geen vriend der Boeren zijt.”
„Wat heb ik gedaan, dat de groote Kapitein zoo iets kan zeggen?” vroeg Sikonyella op een zeer verbaasden toon.
„Gij hebt vee van Dingaan gestolen,” vervolgde Retief, „en om suspicie op de Boeren te gooien hebt gij die beesten langs een onzer kampen gedreven.”
„Ik heb geen vee van Dingaan gestolen,” zeide Sikonyella op brutale wijze. „Hoe zal ik, een arme kapitein, het wagen om iets te nemen van den grooten, machtigen Dingaan,” vervolgde hij op den meest onschuldigen toon. „Ben ik dan de eenigste kapitein hier; zijn daar niet Maroko, Tawane en Moshesh. Misschien heeft Moshesh dit gedaan; hij is een machtig Kapitein, en is niet bang voor Dingaan. Ik weet van Dingaans beesten niets af.”
Retief riep den heer Jan Meyer, om wien hij gezonden had, en deze verhaalde het gebeurde met Sikonyella’s volk. Zijn verklaring werd woord voor woord aan den Kaffer-kapitein door Willem vertaald.[64]
„Wat zegt gij nu, Sikonyella?” vroeg Retief, toen de heer Meyer alles verteld had, wat hij wist.
„Ik kan niet daarvoor, als ander volk zeggen, dat zij tot mijn stam behooren. Hoe weet die baas, dat het Batlokua waren.”
„Sikonyella,” zeide Retief op scherpen toon, „dit helpt u niet om te liegen. Het spoor van het vee is gevolgd tot bij uwen berg, en gij hebt het vee van Dingaan. Dingaan heeft mij gelast, dat vee terug te krijgen, en ik eisch het van u op.”
„Ik heb geen vee van Dingaan,” zeide Sikonyella op stoutmoedigen toon, en hij stond op met zijn „induna’s.”
„Grijpt ze,” was het korte bevel van Retief en voor de drie Kaffers wisten, wat er gebeurde, waren zij tegen den grond geworpen en met riemen werden hunne handen op den rug gebonden.
Sikonyella stiet een Kafferkreet uit, en zijne volgelingen sprongen op. Tot hunne verwondering vonden zij zich echter plotseling omringd door de dertig jonge Boeren, die bedaard en stilletjes hen omsingeld hadden, zonder dat zij het bemerkt hadden. Dertig geweer-monden waren op hen gericht, en zij deinsden verschrokken terug, buiten staat hunnen Kapitein te helpen. Retief had zijne plannen goed beraamd en uitgevoerd.[65]
„Bindt den Kapitein en de induna’s daar aan dien wagen vast,” beval Retief, opstaande.
„Willem, zeg aan Sikonyella, dat ik hem prisonnier zal houden totdat hij gewillig is Dingaans beesten af te leveren. En een spul van jullie moet daar die Kaffers bewaken,”vervolgde hij tot eenige der omringende Boeren.„Vijftien man is genoeg, maar jullie past op, dat er niet een wegloopt. De eerste de beste die probeert te ontsnappen, schiet jullie neer. Ik zal daarom die Kaffers wijzen, dat ons niet hullie speelgoed is.”
De bevelen van den Kommandant-Generaal werden streng opgevolgd. Sikonyella en de twee onderkapiteins werden stevig aan het achterwiel van een wagen vastgebonden, zoodat zij zich niet roeren konden, en David Malan ontving order om met een geladen geweer wacht over hen te houden.
De overige Kaffers werden omringd door een vijftiental Boeren en, op bevel van Retief, gaf Willem hun kennis, dat wanneer zij trachtten te ontsnappen, zij zonder genade zouden doodgeschoten worden, en dat zij hunne wapenen zoolang moesten afgeven. De verschrikte Batlokua begrepen, dat zij in een val waren, en gehoorzaamden dan ook zonder tegenstribbelen.
Voedsel werd hun verschaft, en toen zij zagen,[66]dat men hen goed behandelde, hielden zij zich zeer rustig.
Sikonyella zelf had geen aangename gedachten. Hij wist, dat hij thans in de macht der Boeren was, en hij verzon te vergeefs naar middelen om een uitweg uit zijnen moeilijken toestand te vinden. Het ging hem geweldig legen de borst om Dingaans beesten af te geven, en aan den anderen kant vreesde hij, dat de Boeren een commando naar zijn kraal zouden zenden. Hij wist, dat in zijn afwezigheid zijn volk zou vluchten, want Ma Ntatisi was reeds oud, en zou niet meer in staat zijn om tegenstand te bieden.
Dan zou zijn volk weder moeten gaan rondzwerven, misschien zich opsplitsen, en zou hij, Sikonyella, zijn opperhoofdschap verliezen, en zelve weder een zwerveling worden, zoo hij niet een gevangene der Boeren zou blijven. Hij raadpleegde zijn twee „induna’s” maar deze waren niet in staat hem te helpen.
Men bracht de gevangenen vleesch en brood als voedsel, en hunne handen werden zoodanig los gemaakt, dat zij in staat waren te eten. De induna’s aten hun voedsel gretig, doch Sikonyella raakte niets aan, maar bleef in gedachten verzonken.
Dien geheelen dag en den geheelen nacht bleven de gevangenen aldus, en hoewel Willem, op bevel van Retief, gedurende dien tijd driemaal kwam[67]vragen, wat het antwoord van Sikonyella was, bleef deze in een stijfhoofdig stilzwijgen volharden.
Den volgenden morgen vroeg, toen Willem weder aankwam, zeide Sikonyella, dat hij den Grooten Kapitein der Boeren wilde zien.
Retief kwam hierop naar den wagen.
„Zeg aan den Grooten Kapitein, dat ik Dingaan zijn beesten zal gaan halen en hen afleveren, als hij mij losmaakt,” zeide de slimme Sikonyella.
Doch Retief liet zich niet zoo gemakkelijk verschalken. Hij wist, dat als Sikonyella eens een vrij man was, hij noch hem, noch de beesten ooit weer zou zien.
„Neen,” antwoordde hij. „Gij zult hier blijven totdat de beesten hier zijn, en zoo ook de eene induna. De andere induna kan met de helft van uw volgelingen gaan om de beesten te halen. Ik zal hun twaalf dagen tijd geven, en als zij dan niet met de beesten hier zijn, kunnen zij er zeker van zijn, dat ik u, Sikonyella, zal laten doodschieten voor uw bedrog en verraderlijk gedrag.”
Het laatste dreigement, dat Retief zeker nooit uitgevoerd zou hebben, en dat hij alleen er bijvoegde om de zaken te bespoedigen, deed Sikonyella aschvaal worden, en hij haastte zich om te antwoorden dat hij tevreden was met Retiefs voorstel.[68]
De eene induna werd nu losgemaakt, en was binnen het half uur met twintig der Batlokua vertrokken. Na hun vertrek gelastte Retief ook Sikonyella en den anderen onderkapitein los te maken, doch hij liet hen goed bewaken, en des nachts werden zij weder aan het wagenwiel vastgemaakt, op zulke wijze, dat zij op den grond konden slapen onder hunne karossen, maar er geen kans was om te ontsnappen, daar twee man bovendien de wacht over hen hielden.
Op den tienden dag kwam de induna terug met een troepje Batlokua, en leverde 683 beesten af, en daar Dingaan aan Retief gezegd had, dat het 700 beesten waren, nam Retief dit getal aan.
Sikonyella werd nu op vrije voeten gesteld. Voor zijn vertrek las Retief hem echter duchtig de les en waarschuwde hem, om nooit weer met verraad tegen de Boeren te gaan. „Maar,” zeide hij, „ten einde Sikonyella te bewijzen, dat ik hem thans vergeven heb en weder zijn vriend ben, geef ik hem dit paard als een geschenk.”
Een zeer goed paard werd toen aan den Kaffer-kapitein gegeven, die dan ook verklaarde, dat hij een fout had gemaakt en zulks nooit weer zou doen. Daarop reed Sikonyella naar huis, heel wat minder parmantig, als hij gekomen was. Hij had een les gehad,[69]die hij niet spoedig zou vergeten, en inderdaad heeft hij zich nooit weer tegen de Boeren verzet.
Mogen er sommigen mijner lezers zijn, die het Retief kwalijk nemen, dat hij zoo hard met Sikonyella handelde, dan vraag ik hun doodeenvoudig om de omstandigheden in aanmerking te nemen, en als zij alles bedaard nagaan, dan zullen zij met mij de flinkheid en krijgslist van den Kommandant-Generaal bewonderen, evenals de Emigranten het toenmaals deden.[70]