HOOFDSTUK VII.

[Inhoud]HOOFDSTUK VII.HOOFDSTUK VII.Het is de avond van den 27stenDecember 1837 en wij gaan nog eens een kijkje nemen naar het kamp bij de Vetrivier. Wij zullen alles goed kunnen zien, want het is een heldere heerlijke avond, en hoewel de maan maar half is, geeft zij toch zooveel licht, dat men alles duidelijk kan uitmaken.Hallo! wat is dit? Het kamp is weg. Geen tent zien wij; geen wagen; geen menschelijk wezen. Niets dan een paar oude verlaten veekralen, een groote aschhoop, en een aantal diepe wagensporen.Retief en de zijnen zijn zeker vertrokken, zegt ge?Wel, dat is zoo, en als gij met mij thans naar Winburg gaat zult gij hem daar zien.[71]Mijn hemel, wat een gewoel is er in Winburg! ’t Is reeds negen ure en gewoonlijk is het nieuw aangelegde dorpje tegen dien tijd doodstil, want Afrikaansche Boeren gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Maar heden avond branden er nog overal vuren, en ook de vetkaarsen in de tenten verspreiden nog hun somber flikkerend licht. En een geloop en een herrie is er, die ons verbaast.„Jan, kom hier,” roept een mannenstem; „helpt jouMa met die potten. Maak hullie goed aan die wagen vast.”„Mimi,” roept een vrouwenstem, die gij dadelijk als die van Martje herkent, „moet niet daar staan gezels, maar help mij die kommetjes inpakken, en dan moet jij die koffieketeltje schoonmaak.”„David, heb jij al die ossenriemen bij elkaar?”„Ja Pa,” is het antwoord van David Malan.„Jong, loop dan gauw naar oom Frans, en vraag hem of hij niet een plat vaatje voor mij kan leenen. Die een hier lekt banja, en daar is nou niet tijd om hem recht te maken.”En zoo is het een geroep hier en een geroep daar, een geloop, een wertschaft, dat men geheel verward raakt.En daar buiten het dorp is het bijna even erg. Zoowat negenhonderd wagens zijn daar verzameld, in lange rijen, en voor elke wagen ligt het trekgoed[72]in gereedheid. Sommigen der wagens zijn blijkbaar nog niet in orde, want bij hen zijn er mannen aan het werk. Daar kapt een man nog bij een groot vuur een aantal jukschijven; hier zijn er twee bezig om een voortouw te herstellen; daar ginder zijn er drie bezig een wagen te smeren, en hier loopt een oude kerel rond, om te zien of hij niet een juk kan krijgen, want hij is er een kort, en heeft niet behoorlijk voor zijn goed gezorgd.„Neef Piet, een van mijn voorossen heeft vandaag zeer gekrijg. Kan jij mij niet een vooros leen?”„Ja, neef Andries, jij kan een krijg. Zeg maar voor zwager Willem, dat hij jou die roode vooros van mij kan geven. Maar pas op, hij is een beetje banja wijs, en jij moet een goede maat voor hem hebben, want hij trekt banja scherp.”Bij de kralen is het niet minder levendig. Zij zijn te klein om al het vee te bevatten, dat er heden nacht is. Een twaalf- of vijftienhonderd ossen staan buiten of liggen op den grond te herkauwen; en daar ginder is er een groote troep paarden, terwijl daar bij de boomen een groot aantal schapen en bokken liggen te rusten. De ossen bulken, de koeien loeien, de paarden hinneken, de schapen blaeren, en daartusschen hoort men het geroep van het volk. Het geraas is oorverdoovend, en wij zullen maar[73]liever het dorp weder binnengaan. Daar bij een groote tent staan een half dozijn mannen, en wij bemerken al dadelijk de forsche gestalte van den Kommandant-Generaal. Ook Charel Cilliers, Gert Maritz, Frans Joubert, Piet Uys en Hendrik Potgieter zijn daar.„Neef Piet,” zegt Retief, „laat nu eens goed uwe gedachten gaan. Voor de laatste maal vraag ik je of je niet met ons wil samengaan?”„Neen, oom Piet,” antwoordt Pieter Lavras Uys, „ik zal hier blijven. Het land hier bevalt mij goed, en ik geloof dat ik hier vreedzamer zal wonen dan in Natal. De Kaffers plagen ons hier niet, en geloof mij, oom Piet, gij zult in Natal moeilijkheden met Dingaan krijgen.”Retief zucht en wendt zich tot Hendrik Potgieter.„En jij, oom Hendrik?”„Ik ben hier mijn eigen baas,” is het trotsche antwoord van Hendrik Potgieter; „ik hoef hier geen mensen naar de oogen te kijken, en ik woon hier rustig. Waarom zou ik nog verder voorttrekken?”„Vrienden,” zegt Retief, „het zij zoo. Wij zouden graag uwe hulp hebben gehad, maar het is de wil des Heeren, dat wij moeten scheiden en wij buigen onder dien wil.”„Kommandant,” valt Piet Uys snel in, „als gij of de anderen onze hulp ooit noodig hebt, en als gij[74]in gevaar zijt, laat mij slechts een woord van u ontvangen, en ik zal daar zijn om u te helpen. Maar de omstandigheden zijn zoo, dat wij thans niet kunnen samen gaan.”Retief weet, helaas! wat die omstandigheden zijn. De oude twist tusschen Potgieter en Maritz was weer uitgebroken, en waar Maritz heenging, wilde Potgieter niet. Maritz ging met Retief, dus bleef Potgieter. En Piet Uys had zich aan de zijde van Potgieter geschaard, omdat, naar hij voorgaf, ook Maritz hem beleedigd had. Het was de oude storie van jaloezie en nijd, die tusschen de Emigranten tweedracht deed ontstaan, en ongelukkig nog tot op dezen huidigen dag de oorzaak is waarom wij Afrikaners nietéénmachtige natie kunnen worden.„Nu,” zeide Retief, „wij zullen elkander wel morgenochtend vroeg zien,” en met deze woorden wenschte hij en Frans Joubert de anderen „goeden nacht,” en stapten zij het kamp uit.Retief kwam bij zijnen wagen, en na een oogenblik met zijn vrouw gesproken te hebben, riep hij: „Willem, zadel gauw voor Prins op.”Vijf minuten later sprong de Kommandant-Generaal in den zadel, en reed door de lange rijen wagens, ten einde alles te bezien en de noodige orders te geven.Hier bij een wagen vindt hij een vijftal[75]jonge Boeren, die rustig bij een vuur zitten te rooken.„Arrie, kerels,” roept hij uit, „jullie krijg immers lekker. Dit is nou niet tijd om bij die vuur te zitten en pijp te rooken.”„Ons is kant en klaar, oom Piet,” roept Abraham Greyling uit. „Ons wacht net voor die morgenster, en die ossen.”„Dat is fluks,” zeide de Kommandant-Generaal, die dan ook zag dat de drie naastbijzijnde wagens in extra orde waren, gereed voor den trek.Hij reed voort, doch hield plotseling zijn paard in. „Abraham,” riep hij, „ik heb twee adjudanten noodig voor den trek. Zal jij er een wezen?”„Met pleizier, oom Piet,” was het gulle antwoord van Abraham Greyling, die nooit „neen” zeide, als er werk te doen was. De Kommandant reed voort.„’n Avond, nicht Mita,” riep hij tot een fluksche dikke tante, die met een viertal dochters bezig was, om een spul goed in een wagenkist in te pakken.„Heb je nog niet een koppie koffie, ik is banja dorst.”„Oh ja, oom Pieter, daar is nog koffie,” en meteen schonk zij een kopje in voor Retief.„Heeft oom Pieter niet voor Andries gezien,” vroeg tante Mita.[76]„Neen,” zeide Retief, „wat is er dan.”„Ons, is drie ossen kort,” was het antwoord van nicht Mita, „en Andries heeft al den heelen avond rondgeloopen om ze ergens te leen te krijgen, maar hij kan er geen krijgen. Maar daar komt hij zelf aan,” zeide zij, op een korte, dikke boer wijzende, die langzaam en blijkbaar vermoeid aan kwam stappen.Retief groette hem, en zeide: „Wel, neef Andries, heb je drie ossen gekregen?”„Neen, oom Piet, en ik is nou zoo in die middel dat ik niet weet om wat te doen.”„Ja, maar dit is jou eigen schuld, neef Andries,” sprak Retief op scherpen toon. „Jij had al lang voor die goed moeten zorgen, en nou kom jij op die laatste oogenblik, en hinder die menschen, als hullie bezig is. Jij moet beter voor jou goed zorgen.”„Ja, oom Pieter, dit is wat ik hem ook gezegd had,” viel tante Mita in, die eigenlijk blij was, dat haar eenigszins luie en onverschillige man een goede schrobbeering kreeg.„Abraham,” bulderde de zware basstem van Retief.„Ja, oom,” klonk het uit de verte, en in een minuut tijd was Abraham Greyling op de plek.„Toe, ik zal jou zoo maar inspan als adjudant,”[77]zeide Retief lachend. „Hardloop, gauw naar oom Gert Maritz, en vraag hem of hij niet drie ossen zal leenen aan oom Andries hier. Ik zal voor hullie goed staan.”Abraham liep als een haas weg, en Retief reed verder.„’n Avond David,” zeide hij tot onzen held van dit verhaal, die bezig was om een grooten drievoet aan een wagen vast te maken. „Jij moet een van mijn adjudanten wezen. Abraham Greyling is de andere. Of wil jij liever op den wagen zitten bij Martje?” vroeg hij, half spottend.„Neen, oom, ik blijf bij oom Pieter. Elk ding heeft zijn tijd. Dit ’s avonds tijds genoeg om bij die nooiens te kuier,” was het vroolijke antwoord van David Malan.Zoo rijdt de wakkere Kommandant-Generaal overal rond, hier een woord van lof sprekende, daar berispende, hier hulp verleenende, daar weder een grapje makende, en het is bijna twaalf uur als hij weder bij zijn wagen terugkomt, en na zijn paard aan Willem te hebben afgegeven, zich nedervleit op den katel in den wagen om eenige uren rust te hebben. En ook de andere Emigranten zoeken hunne legersteden, en spoedig is het dan ook tamelijk stil in Winburg. Doch ook maar voor een paar uur[78]lang. De morgenster heeft nauwelijks hare verschijning gemaakt boven de oosterkim, of er komt weer leven in de brouwerij. Vuren worden aangestoken, en koffie wordt gereed gemaakt, en bij het eerste krieken van den dageraad hoort men het geroep van „Inspan, inspan,” dat van den eenen wagen tot den anderen herhaald wordt, totdat het den laatsten wagen bereikt. En nu is het woeliger dan ooit te voren. De vrouwen pakken zoo snel mogelijk, koffieketeltjes, kommetjes, en al het verder gebruikte weg, en schikken de wagens voor de lange reis terecht. De mannen, jong en oud, gaan naar de kralen, en hier ontstaat een oorverdoovend lawaai. Een ieder tracht zoo snel mogelijk zijn span ossen uit te jagen, en die bij zijn wagen te brengen. Hoe elkeen, uit die duizenden van ossen, weet wie zijn Zwartland, of Makman, of Wildeman is, is voor den aanschouwer onbegrijpelijk en toch vindt er, zelfs in dit half schemerlicht, geene vergissing plaats. Een uur daarna is elke wagen ingespannen.Intusschen zijn zij, die met Uys en Potgieter te Winburg blijven, allen uit het dorpje gekomen, om de vertrekkenden te groeten. Menige handdruk, menig „God zegen je” wordt gewisseld; ook menige traan wordt gestort. En zoenen, wel die klappen zooals zweepen. En treurige harten zijn er, zooals[79]bijvoorbeeld die van dien jongeling, die met den trek medegaat, en dat jonge meisje, die met hare ouders te Winburg achterblijft. Die twee zijn verloofd, maar het onverbiddelijk noodlot zal spoedig de Drakensbergen tusschen hen plaatsen, en misschien, ja misschien zien zij elkander nooit weder.Maar ook de harten van ouderen zijn treurig, en zoo is het hart van Retief. Ernstig en zwijgend drukt hij de hand van Potgieter; maar een diepe zucht ontsnapt zijn mannelijke borst, als hij, met aangedanen stem den dapperen Piet Uys vaarwel zegt en Gods zegen toewenscht. Want Uys en hij hadden zoo menigmaal naast elkander gestreden, en hadden zoo dikwijls elkander in gevaar geholpen, dat het Retief nu wee om het harte wordt, om van zijn ouden kameraad te scheiden. Een plotselinge stilte ontstaat onder die groote menigte van menschen, als Charel Cilliers zijn hoed afneemt, en staande een innig gebed opzendt aan den grooten Heer der Legerscharen, en langs menige zonverbrande wang rolt een traan, als hij zijn plechtig „Amen” uitspreekt. En toen hoort men de stem van den ouden Frans Joubert, die invalt met het6devers van den prachtigen Psalm 84.„Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,Is t’ allen tijd’ een zon en schild.”[80]En daar, in den stillen morgen, bij dat eenzame dorp, verheffen zich meer dan tweeduizend stemmen tot Jehovah, om Hem te kennen te geven, dat zij slechts op Hem vertrouwen. Misschien is nog nooit weer dat vers in Zuid-Afrika op die innige wijze en met dat gevoel gezongen als op dien morgen van den 28stenDecember 1837.Het gezang is geëindigd, en een oogenblik stilte volgt. Dan springt Retief op zijn paard, en rijdt, gevolgd door Abraham en David, insgelijks te paard naar de voorste wagens. Een aantal jonge Boeren komen daar ook, en rijden tot op een kleinen afstand van de wagens, en blijven daar stilstaan, geschaard twee aan twee.Retief kijkt een oogenblik achter en om zich, om te zien of alles in orde is. Dan zwaait hij zijn hoed en roept luid:„Trek!” en zachtjes voegt hij er bij „en moge God onze Leider zijn.”De ossen geven een ruk, de zware wagen kraakt in zijn assen en rolt dan langzaam voort, en wagen op wagen volgen.De tocht naar Natal is begonnen.Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”[81]

[Inhoud]HOOFDSTUK VII.HOOFDSTUK VII.Het is de avond van den 27stenDecember 1837 en wij gaan nog eens een kijkje nemen naar het kamp bij de Vetrivier. Wij zullen alles goed kunnen zien, want het is een heldere heerlijke avond, en hoewel de maan maar half is, geeft zij toch zooveel licht, dat men alles duidelijk kan uitmaken.Hallo! wat is dit? Het kamp is weg. Geen tent zien wij; geen wagen; geen menschelijk wezen. Niets dan een paar oude verlaten veekralen, een groote aschhoop, en een aantal diepe wagensporen.Retief en de zijnen zijn zeker vertrokken, zegt ge?Wel, dat is zoo, en als gij met mij thans naar Winburg gaat zult gij hem daar zien.[71]Mijn hemel, wat een gewoel is er in Winburg! ’t Is reeds negen ure en gewoonlijk is het nieuw aangelegde dorpje tegen dien tijd doodstil, want Afrikaansche Boeren gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Maar heden avond branden er nog overal vuren, en ook de vetkaarsen in de tenten verspreiden nog hun somber flikkerend licht. En een geloop en een herrie is er, die ons verbaast.„Jan, kom hier,” roept een mannenstem; „helpt jouMa met die potten. Maak hullie goed aan die wagen vast.”„Mimi,” roept een vrouwenstem, die gij dadelijk als die van Martje herkent, „moet niet daar staan gezels, maar help mij die kommetjes inpakken, en dan moet jij die koffieketeltje schoonmaak.”„David, heb jij al die ossenriemen bij elkaar?”„Ja Pa,” is het antwoord van David Malan.„Jong, loop dan gauw naar oom Frans, en vraag hem of hij niet een plat vaatje voor mij kan leenen. Die een hier lekt banja, en daar is nou niet tijd om hem recht te maken.”En zoo is het een geroep hier en een geroep daar, een geloop, een wertschaft, dat men geheel verward raakt.En daar buiten het dorp is het bijna even erg. Zoowat negenhonderd wagens zijn daar verzameld, in lange rijen, en voor elke wagen ligt het trekgoed[72]in gereedheid. Sommigen der wagens zijn blijkbaar nog niet in orde, want bij hen zijn er mannen aan het werk. Daar kapt een man nog bij een groot vuur een aantal jukschijven; hier zijn er twee bezig om een voortouw te herstellen; daar ginder zijn er drie bezig een wagen te smeren, en hier loopt een oude kerel rond, om te zien of hij niet een juk kan krijgen, want hij is er een kort, en heeft niet behoorlijk voor zijn goed gezorgd.„Neef Piet, een van mijn voorossen heeft vandaag zeer gekrijg. Kan jij mij niet een vooros leen?”„Ja, neef Andries, jij kan een krijg. Zeg maar voor zwager Willem, dat hij jou die roode vooros van mij kan geven. Maar pas op, hij is een beetje banja wijs, en jij moet een goede maat voor hem hebben, want hij trekt banja scherp.”Bij de kralen is het niet minder levendig. Zij zijn te klein om al het vee te bevatten, dat er heden nacht is. Een twaalf- of vijftienhonderd ossen staan buiten of liggen op den grond te herkauwen; en daar ginder is er een groote troep paarden, terwijl daar bij de boomen een groot aantal schapen en bokken liggen te rusten. De ossen bulken, de koeien loeien, de paarden hinneken, de schapen blaeren, en daartusschen hoort men het geroep van het volk. Het geraas is oorverdoovend, en wij zullen maar[73]liever het dorp weder binnengaan. Daar bij een groote tent staan een half dozijn mannen, en wij bemerken al dadelijk de forsche gestalte van den Kommandant-Generaal. Ook Charel Cilliers, Gert Maritz, Frans Joubert, Piet Uys en Hendrik Potgieter zijn daar.„Neef Piet,” zegt Retief, „laat nu eens goed uwe gedachten gaan. Voor de laatste maal vraag ik je of je niet met ons wil samengaan?”„Neen, oom Piet,” antwoordt Pieter Lavras Uys, „ik zal hier blijven. Het land hier bevalt mij goed, en ik geloof dat ik hier vreedzamer zal wonen dan in Natal. De Kaffers plagen ons hier niet, en geloof mij, oom Piet, gij zult in Natal moeilijkheden met Dingaan krijgen.”Retief zucht en wendt zich tot Hendrik Potgieter.„En jij, oom Hendrik?”„Ik ben hier mijn eigen baas,” is het trotsche antwoord van Hendrik Potgieter; „ik hoef hier geen mensen naar de oogen te kijken, en ik woon hier rustig. Waarom zou ik nog verder voorttrekken?”„Vrienden,” zegt Retief, „het zij zoo. Wij zouden graag uwe hulp hebben gehad, maar het is de wil des Heeren, dat wij moeten scheiden en wij buigen onder dien wil.”„Kommandant,” valt Piet Uys snel in, „als gij of de anderen onze hulp ooit noodig hebt, en als gij[74]in gevaar zijt, laat mij slechts een woord van u ontvangen, en ik zal daar zijn om u te helpen. Maar de omstandigheden zijn zoo, dat wij thans niet kunnen samen gaan.”Retief weet, helaas! wat die omstandigheden zijn. De oude twist tusschen Potgieter en Maritz was weer uitgebroken, en waar Maritz heenging, wilde Potgieter niet. Maritz ging met Retief, dus bleef Potgieter. En Piet Uys had zich aan de zijde van Potgieter geschaard, omdat, naar hij voorgaf, ook Maritz hem beleedigd had. Het was de oude storie van jaloezie en nijd, die tusschen de Emigranten tweedracht deed ontstaan, en ongelukkig nog tot op dezen huidigen dag de oorzaak is waarom wij Afrikaners nietéénmachtige natie kunnen worden.„Nu,” zeide Retief, „wij zullen elkander wel morgenochtend vroeg zien,” en met deze woorden wenschte hij en Frans Joubert de anderen „goeden nacht,” en stapten zij het kamp uit.Retief kwam bij zijnen wagen, en na een oogenblik met zijn vrouw gesproken te hebben, riep hij: „Willem, zadel gauw voor Prins op.”Vijf minuten later sprong de Kommandant-Generaal in den zadel, en reed door de lange rijen wagens, ten einde alles te bezien en de noodige orders te geven.Hier bij een wagen vindt hij een vijftal[75]jonge Boeren, die rustig bij een vuur zitten te rooken.„Arrie, kerels,” roept hij uit, „jullie krijg immers lekker. Dit is nou niet tijd om bij die vuur te zitten en pijp te rooken.”„Ons is kant en klaar, oom Piet,” roept Abraham Greyling uit. „Ons wacht net voor die morgenster, en die ossen.”„Dat is fluks,” zeide de Kommandant-Generaal, die dan ook zag dat de drie naastbijzijnde wagens in extra orde waren, gereed voor den trek.Hij reed voort, doch hield plotseling zijn paard in. „Abraham,” riep hij, „ik heb twee adjudanten noodig voor den trek. Zal jij er een wezen?”„Met pleizier, oom Piet,” was het gulle antwoord van Abraham Greyling, die nooit „neen” zeide, als er werk te doen was. De Kommandant reed voort.„’n Avond, nicht Mita,” riep hij tot een fluksche dikke tante, die met een viertal dochters bezig was, om een spul goed in een wagenkist in te pakken.„Heb je nog niet een koppie koffie, ik is banja dorst.”„Oh ja, oom Pieter, daar is nog koffie,” en meteen schonk zij een kopje in voor Retief.„Heeft oom Pieter niet voor Andries gezien,” vroeg tante Mita.[76]„Neen,” zeide Retief, „wat is er dan.”„Ons, is drie ossen kort,” was het antwoord van nicht Mita, „en Andries heeft al den heelen avond rondgeloopen om ze ergens te leen te krijgen, maar hij kan er geen krijgen. Maar daar komt hij zelf aan,” zeide zij, op een korte, dikke boer wijzende, die langzaam en blijkbaar vermoeid aan kwam stappen.Retief groette hem, en zeide: „Wel, neef Andries, heb je drie ossen gekregen?”„Neen, oom Piet, en ik is nou zoo in die middel dat ik niet weet om wat te doen.”„Ja, maar dit is jou eigen schuld, neef Andries,” sprak Retief op scherpen toon. „Jij had al lang voor die goed moeten zorgen, en nou kom jij op die laatste oogenblik, en hinder die menschen, als hullie bezig is. Jij moet beter voor jou goed zorgen.”„Ja, oom Pieter, dit is wat ik hem ook gezegd had,” viel tante Mita in, die eigenlijk blij was, dat haar eenigszins luie en onverschillige man een goede schrobbeering kreeg.„Abraham,” bulderde de zware basstem van Retief.„Ja, oom,” klonk het uit de verte, en in een minuut tijd was Abraham Greyling op de plek.„Toe, ik zal jou zoo maar inspan als adjudant,”[77]zeide Retief lachend. „Hardloop, gauw naar oom Gert Maritz, en vraag hem of hij niet drie ossen zal leenen aan oom Andries hier. Ik zal voor hullie goed staan.”Abraham liep als een haas weg, en Retief reed verder.„’n Avond David,” zeide hij tot onzen held van dit verhaal, die bezig was om een grooten drievoet aan een wagen vast te maken. „Jij moet een van mijn adjudanten wezen. Abraham Greyling is de andere. Of wil jij liever op den wagen zitten bij Martje?” vroeg hij, half spottend.„Neen, oom, ik blijf bij oom Pieter. Elk ding heeft zijn tijd. Dit ’s avonds tijds genoeg om bij die nooiens te kuier,” was het vroolijke antwoord van David Malan.Zoo rijdt de wakkere Kommandant-Generaal overal rond, hier een woord van lof sprekende, daar berispende, hier hulp verleenende, daar weder een grapje makende, en het is bijna twaalf uur als hij weder bij zijn wagen terugkomt, en na zijn paard aan Willem te hebben afgegeven, zich nedervleit op den katel in den wagen om eenige uren rust te hebben. En ook de andere Emigranten zoeken hunne legersteden, en spoedig is het dan ook tamelijk stil in Winburg. Doch ook maar voor een paar uur[78]lang. De morgenster heeft nauwelijks hare verschijning gemaakt boven de oosterkim, of er komt weer leven in de brouwerij. Vuren worden aangestoken, en koffie wordt gereed gemaakt, en bij het eerste krieken van den dageraad hoort men het geroep van „Inspan, inspan,” dat van den eenen wagen tot den anderen herhaald wordt, totdat het den laatsten wagen bereikt. En nu is het woeliger dan ooit te voren. De vrouwen pakken zoo snel mogelijk, koffieketeltjes, kommetjes, en al het verder gebruikte weg, en schikken de wagens voor de lange reis terecht. De mannen, jong en oud, gaan naar de kralen, en hier ontstaat een oorverdoovend lawaai. Een ieder tracht zoo snel mogelijk zijn span ossen uit te jagen, en die bij zijn wagen te brengen. Hoe elkeen, uit die duizenden van ossen, weet wie zijn Zwartland, of Makman, of Wildeman is, is voor den aanschouwer onbegrijpelijk en toch vindt er, zelfs in dit half schemerlicht, geene vergissing plaats. Een uur daarna is elke wagen ingespannen.Intusschen zijn zij, die met Uys en Potgieter te Winburg blijven, allen uit het dorpje gekomen, om de vertrekkenden te groeten. Menige handdruk, menig „God zegen je” wordt gewisseld; ook menige traan wordt gestort. En zoenen, wel die klappen zooals zweepen. En treurige harten zijn er, zooals[79]bijvoorbeeld die van dien jongeling, die met den trek medegaat, en dat jonge meisje, die met hare ouders te Winburg achterblijft. Die twee zijn verloofd, maar het onverbiddelijk noodlot zal spoedig de Drakensbergen tusschen hen plaatsen, en misschien, ja misschien zien zij elkander nooit weder.Maar ook de harten van ouderen zijn treurig, en zoo is het hart van Retief. Ernstig en zwijgend drukt hij de hand van Potgieter; maar een diepe zucht ontsnapt zijn mannelijke borst, als hij, met aangedanen stem den dapperen Piet Uys vaarwel zegt en Gods zegen toewenscht. Want Uys en hij hadden zoo menigmaal naast elkander gestreden, en hadden zoo dikwijls elkander in gevaar geholpen, dat het Retief nu wee om het harte wordt, om van zijn ouden kameraad te scheiden. Een plotselinge stilte ontstaat onder die groote menigte van menschen, als Charel Cilliers zijn hoed afneemt, en staande een innig gebed opzendt aan den grooten Heer der Legerscharen, en langs menige zonverbrande wang rolt een traan, als hij zijn plechtig „Amen” uitspreekt. En toen hoort men de stem van den ouden Frans Joubert, die invalt met het6devers van den prachtigen Psalm 84.„Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,Is t’ allen tijd’ een zon en schild.”[80]En daar, in den stillen morgen, bij dat eenzame dorp, verheffen zich meer dan tweeduizend stemmen tot Jehovah, om Hem te kennen te geven, dat zij slechts op Hem vertrouwen. Misschien is nog nooit weer dat vers in Zuid-Afrika op die innige wijze en met dat gevoel gezongen als op dien morgen van den 28stenDecember 1837.Het gezang is geëindigd, en een oogenblik stilte volgt. Dan springt Retief op zijn paard, en rijdt, gevolgd door Abraham en David, insgelijks te paard naar de voorste wagens. Een aantal jonge Boeren komen daar ook, en rijden tot op een kleinen afstand van de wagens, en blijven daar stilstaan, geschaard twee aan twee.Retief kijkt een oogenblik achter en om zich, om te zien of alles in orde is. Dan zwaait hij zijn hoed en roept luid:„Trek!” en zachtjes voegt hij er bij „en moge God onze Leider zijn.”De ossen geven een ruk, de zware wagen kraakt in zijn assen en rolt dan langzaam voort, en wagen op wagen volgen.De tocht naar Natal is begonnen.Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”[81]

HOOFDSTUK VII.HOOFDSTUK VII.

HOOFDSTUK VII.

Het is de avond van den 27stenDecember 1837 en wij gaan nog eens een kijkje nemen naar het kamp bij de Vetrivier. Wij zullen alles goed kunnen zien, want het is een heldere heerlijke avond, en hoewel de maan maar half is, geeft zij toch zooveel licht, dat men alles duidelijk kan uitmaken.Hallo! wat is dit? Het kamp is weg. Geen tent zien wij; geen wagen; geen menschelijk wezen. Niets dan een paar oude verlaten veekralen, een groote aschhoop, en een aantal diepe wagensporen.Retief en de zijnen zijn zeker vertrokken, zegt ge?Wel, dat is zoo, en als gij met mij thans naar Winburg gaat zult gij hem daar zien.[71]Mijn hemel, wat een gewoel is er in Winburg! ’t Is reeds negen ure en gewoonlijk is het nieuw aangelegde dorpje tegen dien tijd doodstil, want Afrikaansche Boeren gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Maar heden avond branden er nog overal vuren, en ook de vetkaarsen in de tenten verspreiden nog hun somber flikkerend licht. En een geloop en een herrie is er, die ons verbaast.„Jan, kom hier,” roept een mannenstem; „helpt jouMa met die potten. Maak hullie goed aan die wagen vast.”„Mimi,” roept een vrouwenstem, die gij dadelijk als die van Martje herkent, „moet niet daar staan gezels, maar help mij die kommetjes inpakken, en dan moet jij die koffieketeltje schoonmaak.”„David, heb jij al die ossenriemen bij elkaar?”„Ja Pa,” is het antwoord van David Malan.„Jong, loop dan gauw naar oom Frans, en vraag hem of hij niet een plat vaatje voor mij kan leenen. Die een hier lekt banja, en daar is nou niet tijd om hem recht te maken.”En zoo is het een geroep hier en een geroep daar, een geloop, een wertschaft, dat men geheel verward raakt.En daar buiten het dorp is het bijna even erg. Zoowat negenhonderd wagens zijn daar verzameld, in lange rijen, en voor elke wagen ligt het trekgoed[72]in gereedheid. Sommigen der wagens zijn blijkbaar nog niet in orde, want bij hen zijn er mannen aan het werk. Daar kapt een man nog bij een groot vuur een aantal jukschijven; hier zijn er twee bezig om een voortouw te herstellen; daar ginder zijn er drie bezig een wagen te smeren, en hier loopt een oude kerel rond, om te zien of hij niet een juk kan krijgen, want hij is er een kort, en heeft niet behoorlijk voor zijn goed gezorgd.„Neef Piet, een van mijn voorossen heeft vandaag zeer gekrijg. Kan jij mij niet een vooros leen?”„Ja, neef Andries, jij kan een krijg. Zeg maar voor zwager Willem, dat hij jou die roode vooros van mij kan geven. Maar pas op, hij is een beetje banja wijs, en jij moet een goede maat voor hem hebben, want hij trekt banja scherp.”Bij de kralen is het niet minder levendig. Zij zijn te klein om al het vee te bevatten, dat er heden nacht is. Een twaalf- of vijftienhonderd ossen staan buiten of liggen op den grond te herkauwen; en daar ginder is er een groote troep paarden, terwijl daar bij de boomen een groot aantal schapen en bokken liggen te rusten. De ossen bulken, de koeien loeien, de paarden hinneken, de schapen blaeren, en daartusschen hoort men het geroep van het volk. Het geraas is oorverdoovend, en wij zullen maar[73]liever het dorp weder binnengaan. Daar bij een groote tent staan een half dozijn mannen, en wij bemerken al dadelijk de forsche gestalte van den Kommandant-Generaal. Ook Charel Cilliers, Gert Maritz, Frans Joubert, Piet Uys en Hendrik Potgieter zijn daar.„Neef Piet,” zegt Retief, „laat nu eens goed uwe gedachten gaan. Voor de laatste maal vraag ik je of je niet met ons wil samengaan?”„Neen, oom Piet,” antwoordt Pieter Lavras Uys, „ik zal hier blijven. Het land hier bevalt mij goed, en ik geloof dat ik hier vreedzamer zal wonen dan in Natal. De Kaffers plagen ons hier niet, en geloof mij, oom Piet, gij zult in Natal moeilijkheden met Dingaan krijgen.”Retief zucht en wendt zich tot Hendrik Potgieter.„En jij, oom Hendrik?”„Ik ben hier mijn eigen baas,” is het trotsche antwoord van Hendrik Potgieter; „ik hoef hier geen mensen naar de oogen te kijken, en ik woon hier rustig. Waarom zou ik nog verder voorttrekken?”„Vrienden,” zegt Retief, „het zij zoo. Wij zouden graag uwe hulp hebben gehad, maar het is de wil des Heeren, dat wij moeten scheiden en wij buigen onder dien wil.”„Kommandant,” valt Piet Uys snel in, „als gij of de anderen onze hulp ooit noodig hebt, en als gij[74]in gevaar zijt, laat mij slechts een woord van u ontvangen, en ik zal daar zijn om u te helpen. Maar de omstandigheden zijn zoo, dat wij thans niet kunnen samen gaan.”Retief weet, helaas! wat die omstandigheden zijn. De oude twist tusschen Potgieter en Maritz was weer uitgebroken, en waar Maritz heenging, wilde Potgieter niet. Maritz ging met Retief, dus bleef Potgieter. En Piet Uys had zich aan de zijde van Potgieter geschaard, omdat, naar hij voorgaf, ook Maritz hem beleedigd had. Het was de oude storie van jaloezie en nijd, die tusschen de Emigranten tweedracht deed ontstaan, en ongelukkig nog tot op dezen huidigen dag de oorzaak is waarom wij Afrikaners nietéénmachtige natie kunnen worden.„Nu,” zeide Retief, „wij zullen elkander wel morgenochtend vroeg zien,” en met deze woorden wenschte hij en Frans Joubert de anderen „goeden nacht,” en stapten zij het kamp uit.Retief kwam bij zijnen wagen, en na een oogenblik met zijn vrouw gesproken te hebben, riep hij: „Willem, zadel gauw voor Prins op.”Vijf minuten later sprong de Kommandant-Generaal in den zadel, en reed door de lange rijen wagens, ten einde alles te bezien en de noodige orders te geven.Hier bij een wagen vindt hij een vijftal[75]jonge Boeren, die rustig bij een vuur zitten te rooken.„Arrie, kerels,” roept hij uit, „jullie krijg immers lekker. Dit is nou niet tijd om bij die vuur te zitten en pijp te rooken.”„Ons is kant en klaar, oom Piet,” roept Abraham Greyling uit. „Ons wacht net voor die morgenster, en die ossen.”„Dat is fluks,” zeide de Kommandant-Generaal, die dan ook zag dat de drie naastbijzijnde wagens in extra orde waren, gereed voor den trek.Hij reed voort, doch hield plotseling zijn paard in. „Abraham,” riep hij, „ik heb twee adjudanten noodig voor den trek. Zal jij er een wezen?”„Met pleizier, oom Piet,” was het gulle antwoord van Abraham Greyling, die nooit „neen” zeide, als er werk te doen was. De Kommandant reed voort.„’n Avond, nicht Mita,” riep hij tot een fluksche dikke tante, die met een viertal dochters bezig was, om een spul goed in een wagenkist in te pakken.„Heb je nog niet een koppie koffie, ik is banja dorst.”„Oh ja, oom Pieter, daar is nog koffie,” en meteen schonk zij een kopje in voor Retief.„Heeft oom Pieter niet voor Andries gezien,” vroeg tante Mita.[76]„Neen,” zeide Retief, „wat is er dan.”„Ons, is drie ossen kort,” was het antwoord van nicht Mita, „en Andries heeft al den heelen avond rondgeloopen om ze ergens te leen te krijgen, maar hij kan er geen krijgen. Maar daar komt hij zelf aan,” zeide zij, op een korte, dikke boer wijzende, die langzaam en blijkbaar vermoeid aan kwam stappen.Retief groette hem, en zeide: „Wel, neef Andries, heb je drie ossen gekregen?”„Neen, oom Piet, en ik is nou zoo in die middel dat ik niet weet om wat te doen.”„Ja, maar dit is jou eigen schuld, neef Andries,” sprak Retief op scherpen toon. „Jij had al lang voor die goed moeten zorgen, en nou kom jij op die laatste oogenblik, en hinder die menschen, als hullie bezig is. Jij moet beter voor jou goed zorgen.”„Ja, oom Pieter, dit is wat ik hem ook gezegd had,” viel tante Mita in, die eigenlijk blij was, dat haar eenigszins luie en onverschillige man een goede schrobbeering kreeg.„Abraham,” bulderde de zware basstem van Retief.„Ja, oom,” klonk het uit de verte, en in een minuut tijd was Abraham Greyling op de plek.„Toe, ik zal jou zoo maar inspan als adjudant,”[77]zeide Retief lachend. „Hardloop, gauw naar oom Gert Maritz, en vraag hem of hij niet drie ossen zal leenen aan oom Andries hier. Ik zal voor hullie goed staan.”Abraham liep als een haas weg, en Retief reed verder.„’n Avond David,” zeide hij tot onzen held van dit verhaal, die bezig was om een grooten drievoet aan een wagen vast te maken. „Jij moet een van mijn adjudanten wezen. Abraham Greyling is de andere. Of wil jij liever op den wagen zitten bij Martje?” vroeg hij, half spottend.„Neen, oom, ik blijf bij oom Pieter. Elk ding heeft zijn tijd. Dit ’s avonds tijds genoeg om bij die nooiens te kuier,” was het vroolijke antwoord van David Malan.Zoo rijdt de wakkere Kommandant-Generaal overal rond, hier een woord van lof sprekende, daar berispende, hier hulp verleenende, daar weder een grapje makende, en het is bijna twaalf uur als hij weder bij zijn wagen terugkomt, en na zijn paard aan Willem te hebben afgegeven, zich nedervleit op den katel in den wagen om eenige uren rust te hebben. En ook de andere Emigranten zoeken hunne legersteden, en spoedig is het dan ook tamelijk stil in Winburg. Doch ook maar voor een paar uur[78]lang. De morgenster heeft nauwelijks hare verschijning gemaakt boven de oosterkim, of er komt weer leven in de brouwerij. Vuren worden aangestoken, en koffie wordt gereed gemaakt, en bij het eerste krieken van den dageraad hoort men het geroep van „Inspan, inspan,” dat van den eenen wagen tot den anderen herhaald wordt, totdat het den laatsten wagen bereikt. En nu is het woeliger dan ooit te voren. De vrouwen pakken zoo snel mogelijk, koffieketeltjes, kommetjes, en al het verder gebruikte weg, en schikken de wagens voor de lange reis terecht. De mannen, jong en oud, gaan naar de kralen, en hier ontstaat een oorverdoovend lawaai. Een ieder tracht zoo snel mogelijk zijn span ossen uit te jagen, en die bij zijn wagen te brengen. Hoe elkeen, uit die duizenden van ossen, weet wie zijn Zwartland, of Makman, of Wildeman is, is voor den aanschouwer onbegrijpelijk en toch vindt er, zelfs in dit half schemerlicht, geene vergissing plaats. Een uur daarna is elke wagen ingespannen.Intusschen zijn zij, die met Uys en Potgieter te Winburg blijven, allen uit het dorpje gekomen, om de vertrekkenden te groeten. Menige handdruk, menig „God zegen je” wordt gewisseld; ook menige traan wordt gestort. En zoenen, wel die klappen zooals zweepen. En treurige harten zijn er, zooals[79]bijvoorbeeld die van dien jongeling, die met den trek medegaat, en dat jonge meisje, die met hare ouders te Winburg achterblijft. Die twee zijn verloofd, maar het onverbiddelijk noodlot zal spoedig de Drakensbergen tusschen hen plaatsen, en misschien, ja misschien zien zij elkander nooit weder.Maar ook de harten van ouderen zijn treurig, en zoo is het hart van Retief. Ernstig en zwijgend drukt hij de hand van Potgieter; maar een diepe zucht ontsnapt zijn mannelijke borst, als hij, met aangedanen stem den dapperen Piet Uys vaarwel zegt en Gods zegen toewenscht. Want Uys en hij hadden zoo menigmaal naast elkander gestreden, en hadden zoo dikwijls elkander in gevaar geholpen, dat het Retief nu wee om het harte wordt, om van zijn ouden kameraad te scheiden. Een plotselinge stilte ontstaat onder die groote menigte van menschen, als Charel Cilliers zijn hoed afneemt, en staande een innig gebed opzendt aan den grooten Heer der Legerscharen, en langs menige zonverbrande wang rolt een traan, als hij zijn plechtig „Amen” uitspreekt. En toen hoort men de stem van den ouden Frans Joubert, die invalt met het6devers van den prachtigen Psalm 84.„Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,Is t’ allen tijd’ een zon en schild.”[80]En daar, in den stillen morgen, bij dat eenzame dorp, verheffen zich meer dan tweeduizend stemmen tot Jehovah, om Hem te kennen te geven, dat zij slechts op Hem vertrouwen. Misschien is nog nooit weer dat vers in Zuid-Afrika op die innige wijze en met dat gevoel gezongen als op dien morgen van den 28stenDecember 1837.Het gezang is geëindigd, en een oogenblik stilte volgt. Dan springt Retief op zijn paard, en rijdt, gevolgd door Abraham en David, insgelijks te paard naar de voorste wagens. Een aantal jonge Boeren komen daar ook, en rijden tot op een kleinen afstand van de wagens, en blijven daar stilstaan, geschaard twee aan twee.Retief kijkt een oogenblik achter en om zich, om te zien of alles in orde is. Dan zwaait hij zijn hoed en roept luid:„Trek!” en zachtjes voegt hij er bij „en moge God onze Leider zijn.”De ossen geven een ruk, de zware wagen kraakt in zijn assen en rolt dan langzaam voort, en wagen op wagen volgen.De tocht naar Natal is begonnen.Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”[81]

Het is de avond van den 27stenDecember 1837 en wij gaan nog eens een kijkje nemen naar het kamp bij de Vetrivier. Wij zullen alles goed kunnen zien, want het is een heldere heerlijke avond, en hoewel de maan maar half is, geeft zij toch zooveel licht, dat men alles duidelijk kan uitmaken.

Hallo! wat is dit? Het kamp is weg. Geen tent zien wij; geen wagen; geen menschelijk wezen. Niets dan een paar oude verlaten veekralen, een groote aschhoop, en een aantal diepe wagensporen.

Retief en de zijnen zijn zeker vertrokken, zegt ge?

Wel, dat is zoo, en als gij met mij thans naar Winburg gaat zult gij hem daar zien.[71]

Mijn hemel, wat een gewoel is er in Winburg! ’t Is reeds negen ure en gewoonlijk is het nieuw aangelegde dorpje tegen dien tijd doodstil, want Afrikaansche Boeren gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Maar heden avond branden er nog overal vuren, en ook de vetkaarsen in de tenten verspreiden nog hun somber flikkerend licht. En een geloop en een herrie is er, die ons verbaast.

„Jan, kom hier,” roept een mannenstem; „helpt jouMa met die potten. Maak hullie goed aan die wagen vast.”

„Mimi,” roept een vrouwenstem, die gij dadelijk als die van Martje herkent, „moet niet daar staan gezels, maar help mij die kommetjes inpakken, en dan moet jij die koffieketeltje schoonmaak.”

„David, heb jij al die ossenriemen bij elkaar?”

„Ja Pa,” is het antwoord van David Malan.

„Jong, loop dan gauw naar oom Frans, en vraag hem of hij niet een plat vaatje voor mij kan leenen. Die een hier lekt banja, en daar is nou niet tijd om hem recht te maken.”

En zoo is het een geroep hier en een geroep daar, een geloop, een wertschaft, dat men geheel verward raakt.

En daar buiten het dorp is het bijna even erg. Zoowat negenhonderd wagens zijn daar verzameld, in lange rijen, en voor elke wagen ligt het trekgoed[72]in gereedheid. Sommigen der wagens zijn blijkbaar nog niet in orde, want bij hen zijn er mannen aan het werk. Daar kapt een man nog bij een groot vuur een aantal jukschijven; hier zijn er twee bezig om een voortouw te herstellen; daar ginder zijn er drie bezig een wagen te smeren, en hier loopt een oude kerel rond, om te zien of hij niet een juk kan krijgen, want hij is er een kort, en heeft niet behoorlijk voor zijn goed gezorgd.

„Neef Piet, een van mijn voorossen heeft vandaag zeer gekrijg. Kan jij mij niet een vooros leen?”

„Ja, neef Andries, jij kan een krijg. Zeg maar voor zwager Willem, dat hij jou die roode vooros van mij kan geven. Maar pas op, hij is een beetje banja wijs, en jij moet een goede maat voor hem hebben, want hij trekt banja scherp.”

Bij de kralen is het niet minder levendig. Zij zijn te klein om al het vee te bevatten, dat er heden nacht is. Een twaalf- of vijftienhonderd ossen staan buiten of liggen op den grond te herkauwen; en daar ginder is er een groote troep paarden, terwijl daar bij de boomen een groot aantal schapen en bokken liggen te rusten. De ossen bulken, de koeien loeien, de paarden hinneken, de schapen blaeren, en daartusschen hoort men het geroep van het volk. Het geraas is oorverdoovend, en wij zullen maar[73]liever het dorp weder binnengaan. Daar bij een groote tent staan een half dozijn mannen, en wij bemerken al dadelijk de forsche gestalte van den Kommandant-Generaal. Ook Charel Cilliers, Gert Maritz, Frans Joubert, Piet Uys en Hendrik Potgieter zijn daar.

„Neef Piet,” zegt Retief, „laat nu eens goed uwe gedachten gaan. Voor de laatste maal vraag ik je of je niet met ons wil samengaan?”

„Neen, oom Piet,” antwoordt Pieter Lavras Uys, „ik zal hier blijven. Het land hier bevalt mij goed, en ik geloof dat ik hier vreedzamer zal wonen dan in Natal. De Kaffers plagen ons hier niet, en geloof mij, oom Piet, gij zult in Natal moeilijkheden met Dingaan krijgen.”

Retief zucht en wendt zich tot Hendrik Potgieter.

„En jij, oom Hendrik?”

„Ik ben hier mijn eigen baas,” is het trotsche antwoord van Hendrik Potgieter; „ik hoef hier geen mensen naar de oogen te kijken, en ik woon hier rustig. Waarom zou ik nog verder voorttrekken?”

„Vrienden,” zegt Retief, „het zij zoo. Wij zouden graag uwe hulp hebben gehad, maar het is de wil des Heeren, dat wij moeten scheiden en wij buigen onder dien wil.”

„Kommandant,” valt Piet Uys snel in, „als gij of de anderen onze hulp ooit noodig hebt, en als gij[74]in gevaar zijt, laat mij slechts een woord van u ontvangen, en ik zal daar zijn om u te helpen. Maar de omstandigheden zijn zoo, dat wij thans niet kunnen samen gaan.”

Retief weet, helaas! wat die omstandigheden zijn. De oude twist tusschen Potgieter en Maritz was weer uitgebroken, en waar Maritz heenging, wilde Potgieter niet. Maritz ging met Retief, dus bleef Potgieter. En Piet Uys had zich aan de zijde van Potgieter geschaard, omdat, naar hij voorgaf, ook Maritz hem beleedigd had. Het was de oude storie van jaloezie en nijd, die tusschen de Emigranten tweedracht deed ontstaan, en ongelukkig nog tot op dezen huidigen dag de oorzaak is waarom wij Afrikaners nietéénmachtige natie kunnen worden.

„Nu,” zeide Retief, „wij zullen elkander wel morgenochtend vroeg zien,” en met deze woorden wenschte hij en Frans Joubert de anderen „goeden nacht,” en stapten zij het kamp uit.

Retief kwam bij zijnen wagen, en na een oogenblik met zijn vrouw gesproken te hebben, riep hij: „Willem, zadel gauw voor Prins op.”

Vijf minuten later sprong de Kommandant-Generaal in den zadel, en reed door de lange rijen wagens, ten einde alles te bezien en de noodige orders te geven.Hier bij een wagen vindt hij een vijftal[75]jonge Boeren, die rustig bij een vuur zitten te rooken.

„Arrie, kerels,” roept hij uit, „jullie krijg immers lekker. Dit is nou niet tijd om bij die vuur te zitten en pijp te rooken.”

„Ons is kant en klaar, oom Piet,” roept Abraham Greyling uit. „Ons wacht net voor die morgenster, en die ossen.”

„Dat is fluks,” zeide de Kommandant-Generaal, die dan ook zag dat de drie naastbijzijnde wagens in extra orde waren, gereed voor den trek.

Hij reed voort, doch hield plotseling zijn paard in. „Abraham,” riep hij, „ik heb twee adjudanten noodig voor den trek. Zal jij er een wezen?”

„Met pleizier, oom Piet,” was het gulle antwoord van Abraham Greyling, die nooit „neen” zeide, als er werk te doen was. De Kommandant reed voort.

„’n Avond, nicht Mita,” riep hij tot een fluksche dikke tante, die met een viertal dochters bezig was, om een spul goed in een wagenkist in te pakken.

„Heb je nog niet een koppie koffie, ik is banja dorst.”

„Oh ja, oom Pieter, daar is nog koffie,” en meteen schonk zij een kopje in voor Retief.

„Heeft oom Pieter niet voor Andries gezien,” vroeg tante Mita.[76]

„Neen,” zeide Retief, „wat is er dan.”

„Ons, is drie ossen kort,” was het antwoord van nicht Mita, „en Andries heeft al den heelen avond rondgeloopen om ze ergens te leen te krijgen, maar hij kan er geen krijgen. Maar daar komt hij zelf aan,” zeide zij, op een korte, dikke boer wijzende, die langzaam en blijkbaar vermoeid aan kwam stappen.

Retief groette hem, en zeide: „Wel, neef Andries, heb je drie ossen gekregen?”

„Neen, oom Piet, en ik is nou zoo in die middel dat ik niet weet om wat te doen.”

„Ja, maar dit is jou eigen schuld, neef Andries,” sprak Retief op scherpen toon. „Jij had al lang voor die goed moeten zorgen, en nou kom jij op die laatste oogenblik, en hinder die menschen, als hullie bezig is. Jij moet beter voor jou goed zorgen.”

„Ja, oom Pieter, dit is wat ik hem ook gezegd had,” viel tante Mita in, die eigenlijk blij was, dat haar eenigszins luie en onverschillige man een goede schrobbeering kreeg.

„Abraham,” bulderde de zware basstem van Retief.

„Ja, oom,” klonk het uit de verte, en in een minuut tijd was Abraham Greyling op de plek.

„Toe, ik zal jou zoo maar inspan als adjudant,”[77]zeide Retief lachend. „Hardloop, gauw naar oom Gert Maritz, en vraag hem of hij niet drie ossen zal leenen aan oom Andries hier. Ik zal voor hullie goed staan.”

Abraham liep als een haas weg, en Retief reed verder.

„’n Avond David,” zeide hij tot onzen held van dit verhaal, die bezig was om een grooten drievoet aan een wagen vast te maken. „Jij moet een van mijn adjudanten wezen. Abraham Greyling is de andere. Of wil jij liever op den wagen zitten bij Martje?” vroeg hij, half spottend.

„Neen, oom, ik blijf bij oom Pieter. Elk ding heeft zijn tijd. Dit ’s avonds tijds genoeg om bij die nooiens te kuier,” was het vroolijke antwoord van David Malan.

Zoo rijdt de wakkere Kommandant-Generaal overal rond, hier een woord van lof sprekende, daar berispende, hier hulp verleenende, daar weder een grapje makende, en het is bijna twaalf uur als hij weder bij zijn wagen terugkomt, en na zijn paard aan Willem te hebben afgegeven, zich nedervleit op den katel in den wagen om eenige uren rust te hebben. En ook de andere Emigranten zoeken hunne legersteden, en spoedig is het dan ook tamelijk stil in Winburg. Doch ook maar voor een paar uur[78]lang. De morgenster heeft nauwelijks hare verschijning gemaakt boven de oosterkim, of er komt weer leven in de brouwerij. Vuren worden aangestoken, en koffie wordt gereed gemaakt, en bij het eerste krieken van den dageraad hoort men het geroep van „Inspan, inspan,” dat van den eenen wagen tot den anderen herhaald wordt, totdat het den laatsten wagen bereikt. En nu is het woeliger dan ooit te voren. De vrouwen pakken zoo snel mogelijk, koffieketeltjes, kommetjes, en al het verder gebruikte weg, en schikken de wagens voor de lange reis terecht. De mannen, jong en oud, gaan naar de kralen, en hier ontstaat een oorverdoovend lawaai. Een ieder tracht zoo snel mogelijk zijn span ossen uit te jagen, en die bij zijn wagen te brengen. Hoe elkeen, uit die duizenden van ossen, weet wie zijn Zwartland, of Makman, of Wildeman is, is voor den aanschouwer onbegrijpelijk en toch vindt er, zelfs in dit half schemerlicht, geene vergissing plaats. Een uur daarna is elke wagen ingespannen.

Intusschen zijn zij, die met Uys en Potgieter te Winburg blijven, allen uit het dorpje gekomen, om de vertrekkenden te groeten. Menige handdruk, menig „God zegen je” wordt gewisseld; ook menige traan wordt gestort. En zoenen, wel die klappen zooals zweepen. En treurige harten zijn er, zooals[79]bijvoorbeeld die van dien jongeling, die met den trek medegaat, en dat jonge meisje, die met hare ouders te Winburg achterblijft. Die twee zijn verloofd, maar het onverbiddelijk noodlot zal spoedig de Drakensbergen tusschen hen plaatsen, en misschien, ja misschien zien zij elkander nooit weder.

Maar ook de harten van ouderen zijn treurig, en zoo is het hart van Retief. Ernstig en zwijgend drukt hij de hand van Potgieter; maar een diepe zucht ontsnapt zijn mannelijke borst, als hij, met aangedanen stem den dapperen Piet Uys vaarwel zegt en Gods zegen toewenscht. Want Uys en hij hadden zoo menigmaal naast elkander gestreden, en hadden zoo dikwijls elkander in gevaar geholpen, dat het Retief nu wee om het harte wordt, om van zijn ouden kameraad te scheiden. Een plotselinge stilte ontstaat onder die groote menigte van menschen, als Charel Cilliers zijn hoed afneemt, en staande een innig gebed opzendt aan den grooten Heer der Legerscharen, en langs menige zonverbrande wang rolt een traan, als hij zijn plechtig „Amen” uitspreekt. En toen hoort men de stem van den ouden Frans Joubert, die invalt met het6devers van den prachtigen Psalm 84.

„Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,Is t’ allen tijd’ een zon en schild.”

„Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,

Is t’ allen tijd’ een zon en schild.”

[80]

En daar, in den stillen morgen, bij dat eenzame dorp, verheffen zich meer dan tweeduizend stemmen tot Jehovah, om Hem te kennen te geven, dat zij slechts op Hem vertrouwen. Misschien is nog nooit weer dat vers in Zuid-Afrika op die innige wijze en met dat gevoel gezongen als op dien morgen van den 28stenDecember 1837.

Het gezang is geëindigd, en een oogenblik stilte volgt. Dan springt Retief op zijn paard, en rijdt, gevolgd door Abraham en David, insgelijks te paard naar de voorste wagens. Een aantal jonge Boeren komen daar ook, en rijden tot op een kleinen afstand van de wagens, en blijven daar stilstaan, geschaard twee aan twee.

Retief kijkt een oogenblik achter en om zich, om te zien of alles in orde is. Dan zwaait hij zijn hoed en roept luid:

„Trek!” en zachtjes voegt hij er bij „en moge God onze Leider zijn.”

De ossen geven een ruk, de zware wagen kraakt in zijn assen en rolt dan langzaam voort, en wagen op wagen volgen.

De tocht naar Natal is begonnen.

Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”

Piet Retief zwaait zijn hoed en roept luid: „Trek! en moge God onze Leider zijn.”

[81]


Back to IndexNext