[Inhoud]HOOFDSTUK X.HOOFDSTUK X.Waarde lezer, ik moet u thans verzoeken om mij (natuurlijk met behulp uwer verbeelding) te vergezellen naar Umkungunhlovu, de hoofdstad van den grooten koning der Zulu’s, Dingaan, en dit wel op den morgen van den 7denFebruari 1838. Wij zullen niet de stad ingaan, maar ons op een randje stellen ten zuiden er van, vanwaar wij een goed uitzicht op de stad hebben. De zon is juist opgegaan en werpt hare eerste stralen op het landschap voor ons. Umkungunhlovu noemen wij een stad; in waarheid is het slechts een ontzettende Kafferkraal. Het bestaat uit twee ringmuren, een groote en een kleinere[99]daarbinnen. Tusschen de twee ringmuren staan de ronde Kafferhutten, in regelmatige rijen, doch die welke in de twee rijen, die het dichtst bij den binnensten ringmuur staan, zijn grooter en hooger dan de anderen, want dat zijn de hutten der getrouwde krijgers van Dingaan, de zoogenaamde Ringkoppen of oudgedienden, die de keurbenden van de Zulustam uitmaken. De kleinere hutten worden bewoond door de jongere krijgers.Binnen den tweeden ringmuur, aan het verste einde staan een tiental zeer groote hutten, waaronder vooral de middelste door hoogte uitmunt. Dit zijn de hutten van Dingaan en zijne vrouwen, want ik behoef u niet te zeggen, dat de Zulukoning aan veelwijverij doet.Achter de hutten zijn de veekralen, waar gij een groot aantal der kleine, groot gehoornde koeien en ossen kunt zien, die gewoonlijk bekend zijn als Zulu’s.Terwijl wij zoo staan te kijken, wordt het levendig in de stad. Een groot aantal manschappen verzamelen zich, en spoedig zien wij hen uittrekken. Er zijn vijf regimenten, twee met zwarte schilden en drie met witte schilden; de zwarte schilden zijn het teeken dat de dragers tot de Ringkoppen, de dappersten der dapperen behooren. Vooraan het hoofd van elk regiment loopt de kolonel, of zooals[100]hij in het Zulusch heet de „Induna-enkoolu.â€Een geweldige vederbos, die op zijn hoofd wuift, duidt ons zijn rang aan, doch ook hij draagt zijn schild en zijn assegaaien. In geregelden marsch en onder het zingen van een maatgevend krijgslied, rukt de bende of liever het leger voorwaarts, den weg inslaande naar Natal. Misschien ontmoeten wij hen later weer; voor het oogenblik zullen wij hen hunnen marsch laten voortzetten, en u eerst wat vertellen van den Zulustam. Inderdaad heeft die stam zulk een groote rol in de geschiedenis van Zuid-Afrika gespeeld, dat elke Afrikaner ten minste iets er van behoort te weten.Omtrent het jaar 1790 woonde er ten noorden van de Tugela een Kafferstam, de Abatetwa genaamd, wiens koning den naam van Jobe droeg. De oudste zoon van dezen, Dingiswayo geheeten, heeft een wonderlijken levensloop gehad, zoo romantisch, dat waarschijnlijk zijn levensgeschiedenis den Engelschen schrijver Rider Haggard heeft aangespoord om hem den held van zijn bekenden roman,King Solomon’s Mineste maken. Dingiswayo werd namelijk door zijn vader verdacht van pogingen om den troon te bemachtigen, en Jobe besloot dus om zijn gevaarlijken zoon uit den weg te ruimen. Doch met behulp van zijne zusters wist Dingiswayo[101]de wraak van zijnen vader te ontkomen en zocht hij zijn heil in de vlucht. Na lange rondzwervingen kwam hij eindelijk binnen de grenspalen der Kolonie en vertoefde waarschijnlijk in de nabijheid van Graaff-Reinet. Hier zag hij de Engelsche soldaten die in 1799 door Generaal Dundas naar de grenzen werden gezonden, en wat hem bijzonder trof was de wonderlijke krijgstucht die er in dit leger heerschte, en de gemakkelijkheid waarop gedisciplineerde soldaten zich in massa’s bewogen. Hij deed zooveel mogelijk onderzoek naar de redenen hiervan en het gaf hem veel te denken, wanneer hij die Engelsche soldaten vergeleek met de ruwe wilde krijgsbenden van zijn eigen natie.Ondertusschen kreeg Dingiswayo bericht dat zijn vader overleden was, en dat de Abatetwa, die niet wisten waar Dingiswayo was, den naasten erfgenaam tot hun koning hadden verkozen. Toen hij dit vernam zond hij bericht aan zijn volk dat hij zou komen, en werkelijk verscheen hij ook in zijn vaderland, gezeten op een fraai paard. De Abatetwa hadden nog nooit dit dier gezien, en dit feit, te zamen met de zekerheid, waarmede zij Dingiswayo herkenden, maakte dat hij spoedig in het bezit van zijn rechtmatigen troon was.Het eerste werk van den nieuwen koning was[102]om Europeesche krijgstucht in zijn leger in te voeren. Hij vormde regimenten, stelde officieren aan, en leerde de manschappen oefeningen maken, en toen ze eenigszins in orde waren, begon hij krijg te voeren tegen zijne naburen, waarin hij duidelijk bewees, welk een groot voordeel hij aan zijnen kant had.Eenige jaren daarna kwam er een vluchteling bij Dingiswayo aan, namelijk Tshaka, de zoon van Senzangakona, het opperhoofd van den kleinen Zulustam. Deze had evenals Dingiswayo in vroegere dagen moeten vluchten voor zijnen vader, en misschien was het daarom dat de koning der Abatetwa hem vriendelijk opnam en hem een plaats in zijn leger gaf. Tshaka begreep terstond het nut van de indeeling van Dingiswayo’s leger, en door bekwaamheid en dapperheid werd hij spoedig de meest geachte aanvoerder in dat leger. Toen nu Senzangakona stierf, deed Dingiswayo de Zulu’s Tshaka als hun koning erkennen. Toen voerde Tshaka ook krijgstucht onder de Zulustam in, en maakte hij zelfs vele verbeteringen op het systeem van Dingiswayo, en binnenkort waren de Zulu’s een heldhaftige natie geworden. Zoolang Dingiswayo leefde, had Tshaka vrede met hem, doch na zijn dood viel Tshaka den Abatetwa-stam aan, versloeg hen, deed hunnen koning dooden, en lijfde den stam bij den zijne in. Van af dien tijd voerde[103]Tshaka een reeks bloedige oorlogen met zijn naburen, waarin hij steeds als overwinnaar optrad, en zoo duurde het niet lang of de Zulunatie was de machtigste stam in het oosten van Zuid-Afrika, en zijne legers drongen zelfs voort tot aan de Bashee-rivier, en bedreigden de Kaapkolonie.In 1828 werd Tshaka vermoord door twee zijner half-broeders Dingaan en Umthlangana. Daarna vermoordde Dingaan op zijne beurt Umthlangana met eigen hand, en na eenige gevechten met zijne andere broeders, bemachtigde hij den Zulutroon.Tshaka was een wreed koning geweest, maar hij was talentvol en wist gebruik te maken van de talenten van anderen. Dingaan daarentegen was sluw, arglistig en bezat eene nog dierlijker wreedheid dan Tshaka.Na dit kort overzicht van de geschiedenis der Zulu’s moet ik u, waarde lezer, nogmaals vragen om mij te vergezellen naar dat kopje ten westen van Umkungunhlovu. Reeds aan den voet er van schrikken wij, want hier en daar zien wij doodsbeenderen en doodshoofden. Ja, dat is een akelige plek waarheen ik u breng, het is de plaats des Doods, de plaats waar Dingaan al zijne slachtoffers doet vellen. Maar volg mij en dan zal ik u nog iets wijzen. Kijk eens hier, daar liggen een aantal lijken,[104]blijkbaar kort geleden gedood, want er is nog geen spoor van ontbinding te zien. „Wat,†roept gij verbaasd uit, „maar dit zijn immers blanken.â€Inderdaad, het zijn blanke menschen, die hier dood liggen, en gij kent hen ook. Hier ligt de arme sterke Hans Malan, een geweldige wond op zijn hoofd wijst u, dat met een kirie zijn schedel verbrijzeld werd. Daar, dicht bij hem ligt Thomas Holstead, de Engelsche gids, insgelijks met verbrijzelden schedel. En zoo telt gij vijfenzestig blanken, allen dood op dien vreeselijken kop en zoo wat dertig kleurlingen. Behoef ik u te vertellen, dat dit Retief en de zijnen zijn, die hier vermoord liggen? Maar waar is Retief zelve?Gaat even hier ter zijde. Daar ligt hij, dood en mishandeld. Zijn dood lichaam is opengesneden; zijn hart en zijn lever zijn uitgehaald, en liggen daar ginder op den weg naar Natal begraven. Hij is het eenigste lijk, dat aldus mishandeld is; de anderen liggen zooals zij gevallen zijn; zelfs geen kleedingstuk is hen van het lijf genomen, ook niet van Retief, om wiens schouder een veldflesch en een bladzak hangen.Treurige plaats voorwaar! Eene plaats die heilig behoort te zijn voor alle Afrikaners; eene plaats waar een grafteeken behoort opgericht te zijn.[105]Maar laat ik u in het kort vertellen, hoe Retief en de zijnen hunnen dood vonden.Pieter Retief en zijn escort, geleid langs den kortsten weg door den heer Thomas Holstead kwamen op den 3denFebruari 1838 te Umkungunhlovu aan. Dingaan ontving hen bijzonder vriendelijk en prees de Boeren zeer voor hun gedrag in zake het vee van Sikonyella. Slechts zeide hij dat het hem speet dat Retief niet den Roover-kaptein had samengebracht. Hierop liet hij weder spiegelgevechten en krijgsdansen houden door de Zuluregimenten, en verschafte zijne bezoekers rijkelijk voedsel. Den volgenden dag trok de heer Owen, de zendeling, een document op, waarin Dingaan een groot stuk grond van de Tugela tot aan de Umzinvubu rivier aan de Boeren ter bewoning afstond. Dit document werd toen door Dingaan met zijn merk voorzien, en drie Boeren zoowel als drie der groote Raadsheeren van den Zulukoning teekenden het of plaatsten er hun merk op als getuigen.Geheel tevreden met den uitslag van zijn bezoek, en met niets dan dankbaarheid in zijn hart voor Dingaan, vertoefde Retief nog den 5denFebruari te Umkungunhlovu. Op den morgen van den 6denmaakte hij zich gereed om te vertrekken. De paarden waren opgezadeld en Retief en de zijnen wilden[106]thans Dingaan groeten. Deze deed hun weten dat zij in den binnensten ringmuur konden komen, maar dat zij hunne geweren buiten moesten laten. Een groot aantal der Boeren waren onwillig dit te doen, want zij vreesden verraad, maar de heer Holstead, die een gesprek met eenige der Zulu-induna’s gehad had, verklaarde dat geen vreemdeling toegelaten werd om gewapend in tegenwoordigheid van den Zuluvorst te verschijnen. Daarna lieten de Boeren hunne geweren bij hunne paarden.Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.Dingaan ontving hen vriendelijk en liet dadelijk Kafferbier brengen, waarvan men met genoegen dronk. Intusschen sprak Dingaan met Retief door middel van den heer Holstead, en gaf hij zijn spijt te kennen dat Retief niet langer bij hem wilde vertoeven. Op eens sprong de Zulukoning op, en riep „Vangt hen!†Op die woorden stormden een aantal der krijgers, die om Dingaan stonden, op de weerlooze Boeren, en bonden hen vast. De heer Holstead riep uit: „Dit is klaar met ons,†en hij trachtte met Dingaan te spreken. Deze luisterde een paar oogenblikken naar hem, doch wuifde toen zijn hand, en zeide: „Doodt de toovenaars.†De ongelukkige Boeren, zoowel als de heer Holstead, werden toen met geweld gesleept naar het kopje, dat als executie-plaats diende, en daarheen bracht men[107]ook de achterrijders der Boeren. Hierop vond eene ware slachting plaats. Eén voor één werden de Boeren door knopkiries gedood; Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien; toen deze allen gedood waren, viel ook hij als slachtoffer van den wreeden Dingaan. Zooals wij gezien hebben, werd zijn hart en lever uit zijn lichaam gesneden, en op den weg naar Natal begraven. De Zulu’s meenden dat dit een toovermiddel zou zijn om de blanken te beletten hun land in te trekken.Alzoo was de dood van Pieter Retief en zijne dapperen. Martje’s voorgevoelen was juist geweest en het was aan haar en ook aan de oude Anna tewijten, dat David Malan ook niet dood op dat kopje bij Umkungunhlovu lag.[108]
[Inhoud]HOOFDSTUK X.HOOFDSTUK X.Waarde lezer, ik moet u thans verzoeken om mij (natuurlijk met behulp uwer verbeelding) te vergezellen naar Umkungunhlovu, de hoofdstad van den grooten koning der Zulu’s, Dingaan, en dit wel op den morgen van den 7denFebruari 1838. Wij zullen niet de stad ingaan, maar ons op een randje stellen ten zuiden er van, vanwaar wij een goed uitzicht op de stad hebben. De zon is juist opgegaan en werpt hare eerste stralen op het landschap voor ons. Umkungunhlovu noemen wij een stad; in waarheid is het slechts een ontzettende Kafferkraal. Het bestaat uit twee ringmuren, een groote en een kleinere[99]daarbinnen. Tusschen de twee ringmuren staan de ronde Kafferhutten, in regelmatige rijen, doch die welke in de twee rijen, die het dichtst bij den binnensten ringmuur staan, zijn grooter en hooger dan de anderen, want dat zijn de hutten der getrouwde krijgers van Dingaan, de zoogenaamde Ringkoppen of oudgedienden, die de keurbenden van de Zulustam uitmaken. De kleinere hutten worden bewoond door de jongere krijgers.Binnen den tweeden ringmuur, aan het verste einde staan een tiental zeer groote hutten, waaronder vooral de middelste door hoogte uitmunt. Dit zijn de hutten van Dingaan en zijne vrouwen, want ik behoef u niet te zeggen, dat de Zulukoning aan veelwijverij doet.Achter de hutten zijn de veekralen, waar gij een groot aantal der kleine, groot gehoornde koeien en ossen kunt zien, die gewoonlijk bekend zijn als Zulu’s.Terwijl wij zoo staan te kijken, wordt het levendig in de stad. Een groot aantal manschappen verzamelen zich, en spoedig zien wij hen uittrekken. Er zijn vijf regimenten, twee met zwarte schilden en drie met witte schilden; de zwarte schilden zijn het teeken dat de dragers tot de Ringkoppen, de dappersten der dapperen behooren. Vooraan het hoofd van elk regiment loopt de kolonel, of zooals[100]hij in het Zulusch heet de „Induna-enkoolu.â€Een geweldige vederbos, die op zijn hoofd wuift, duidt ons zijn rang aan, doch ook hij draagt zijn schild en zijn assegaaien. In geregelden marsch en onder het zingen van een maatgevend krijgslied, rukt de bende of liever het leger voorwaarts, den weg inslaande naar Natal. Misschien ontmoeten wij hen later weer; voor het oogenblik zullen wij hen hunnen marsch laten voortzetten, en u eerst wat vertellen van den Zulustam. Inderdaad heeft die stam zulk een groote rol in de geschiedenis van Zuid-Afrika gespeeld, dat elke Afrikaner ten minste iets er van behoort te weten.Omtrent het jaar 1790 woonde er ten noorden van de Tugela een Kafferstam, de Abatetwa genaamd, wiens koning den naam van Jobe droeg. De oudste zoon van dezen, Dingiswayo geheeten, heeft een wonderlijken levensloop gehad, zoo romantisch, dat waarschijnlijk zijn levensgeschiedenis den Engelschen schrijver Rider Haggard heeft aangespoord om hem den held van zijn bekenden roman,King Solomon’s Mineste maken. Dingiswayo werd namelijk door zijn vader verdacht van pogingen om den troon te bemachtigen, en Jobe besloot dus om zijn gevaarlijken zoon uit den weg te ruimen. Doch met behulp van zijne zusters wist Dingiswayo[101]de wraak van zijnen vader te ontkomen en zocht hij zijn heil in de vlucht. Na lange rondzwervingen kwam hij eindelijk binnen de grenspalen der Kolonie en vertoefde waarschijnlijk in de nabijheid van Graaff-Reinet. Hier zag hij de Engelsche soldaten die in 1799 door Generaal Dundas naar de grenzen werden gezonden, en wat hem bijzonder trof was de wonderlijke krijgstucht die er in dit leger heerschte, en de gemakkelijkheid waarop gedisciplineerde soldaten zich in massa’s bewogen. Hij deed zooveel mogelijk onderzoek naar de redenen hiervan en het gaf hem veel te denken, wanneer hij die Engelsche soldaten vergeleek met de ruwe wilde krijgsbenden van zijn eigen natie.Ondertusschen kreeg Dingiswayo bericht dat zijn vader overleden was, en dat de Abatetwa, die niet wisten waar Dingiswayo was, den naasten erfgenaam tot hun koning hadden verkozen. Toen hij dit vernam zond hij bericht aan zijn volk dat hij zou komen, en werkelijk verscheen hij ook in zijn vaderland, gezeten op een fraai paard. De Abatetwa hadden nog nooit dit dier gezien, en dit feit, te zamen met de zekerheid, waarmede zij Dingiswayo herkenden, maakte dat hij spoedig in het bezit van zijn rechtmatigen troon was.Het eerste werk van den nieuwen koning was[102]om Europeesche krijgstucht in zijn leger in te voeren. Hij vormde regimenten, stelde officieren aan, en leerde de manschappen oefeningen maken, en toen ze eenigszins in orde waren, begon hij krijg te voeren tegen zijne naburen, waarin hij duidelijk bewees, welk een groot voordeel hij aan zijnen kant had.Eenige jaren daarna kwam er een vluchteling bij Dingiswayo aan, namelijk Tshaka, de zoon van Senzangakona, het opperhoofd van den kleinen Zulustam. Deze had evenals Dingiswayo in vroegere dagen moeten vluchten voor zijnen vader, en misschien was het daarom dat de koning der Abatetwa hem vriendelijk opnam en hem een plaats in zijn leger gaf. Tshaka begreep terstond het nut van de indeeling van Dingiswayo’s leger, en door bekwaamheid en dapperheid werd hij spoedig de meest geachte aanvoerder in dat leger. Toen nu Senzangakona stierf, deed Dingiswayo de Zulu’s Tshaka als hun koning erkennen. Toen voerde Tshaka ook krijgstucht onder de Zulustam in, en maakte hij zelfs vele verbeteringen op het systeem van Dingiswayo, en binnenkort waren de Zulu’s een heldhaftige natie geworden. Zoolang Dingiswayo leefde, had Tshaka vrede met hem, doch na zijn dood viel Tshaka den Abatetwa-stam aan, versloeg hen, deed hunnen koning dooden, en lijfde den stam bij den zijne in. Van af dien tijd voerde[103]Tshaka een reeks bloedige oorlogen met zijn naburen, waarin hij steeds als overwinnaar optrad, en zoo duurde het niet lang of de Zulunatie was de machtigste stam in het oosten van Zuid-Afrika, en zijne legers drongen zelfs voort tot aan de Bashee-rivier, en bedreigden de Kaapkolonie.In 1828 werd Tshaka vermoord door twee zijner half-broeders Dingaan en Umthlangana. Daarna vermoordde Dingaan op zijne beurt Umthlangana met eigen hand, en na eenige gevechten met zijne andere broeders, bemachtigde hij den Zulutroon.Tshaka was een wreed koning geweest, maar hij was talentvol en wist gebruik te maken van de talenten van anderen. Dingaan daarentegen was sluw, arglistig en bezat eene nog dierlijker wreedheid dan Tshaka.Na dit kort overzicht van de geschiedenis der Zulu’s moet ik u, waarde lezer, nogmaals vragen om mij te vergezellen naar dat kopje ten westen van Umkungunhlovu. Reeds aan den voet er van schrikken wij, want hier en daar zien wij doodsbeenderen en doodshoofden. Ja, dat is een akelige plek waarheen ik u breng, het is de plaats des Doods, de plaats waar Dingaan al zijne slachtoffers doet vellen. Maar volg mij en dan zal ik u nog iets wijzen. Kijk eens hier, daar liggen een aantal lijken,[104]blijkbaar kort geleden gedood, want er is nog geen spoor van ontbinding te zien. „Wat,†roept gij verbaasd uit, „maar dit zijn immers blanken.â€Inderdaad, het zijn blanke menschen, die hier dood liggen, en gij kent hen ook. Hier ligt de arme sterke Hans Malan, een geweldige wond op zijn hoofd wijst u, dat met een kirie zijn schedel verbrijzeld werd. Daar, dicht bij hem ligt Thomas Holstead, de Engelsche gids, insgelijks met verbrijzelden schedel. En zoo telt gij vijfenzestig blanken, allen dood op dien vreeselijken kop en zoo wat dertig kleurlingen. Behoef ik u te vertellen, dat dit Retief en de zijnen zijn, die hier vermoord liggen? Maar waar is Retief zelve?Gaat even hier ter zijde. Daar ligt hij, dood en mishandeld. Zijn dood lichaam is opengesneden; zijn hart en zijn lever zijn uitgehaald, en liggen daar ginder op den weg naar Natal begraven. Hij is het eenigste lijk, dat aldus mishandeld is; de anderen liggen zooals zij gevallen zijn; zelfs geen kleedingstuk is hen van het lijf genomen, ook niet van Retief, om wiens schouder een veldflesch en een bladzak hangen.Treurige plaats voorwaar! Eene plaats die heilig behoort te zijn voor alle Afrikaners; eene plaats waar een grafteeken behoort opgericht te zijn.[105]Maar laat ik u in het kort vertellen, hoe Retief en de zijnen hunnen dood vonden.Pieter Retief en zijn escort, geleid langs den kortsten weg door den heer Thomas Holstead kwamen op den 3denFebruari 1838 te Umkungunhlovu aan. Dingaan ontving hen bijzonder vriendelijk en prees de Boeren zeer voor hun gedrag in zake het vee van Sikonyella. Slechts zeide hij dat het hem speet dat Retief niet den Roover-kaptein had samengebracht. Hierop liet hij weder spiegelgevechten en krijgsdansen houden door de Zuluregimenten, en verschafte zijne bezoekers rijkelijk voedsel. Den volgenden dag trok de heer Owen, de zendeling, een document op, waarin Dingaan een groot stuk grond van de Tugela tot aan de Umzinvubu rivier aan de Boeren ter bewoning afstond. Dit document werd toen door Dingaan met zijn merk voorzien, en drie Boeren zoowel als drie der groote Raadsheeren van den Zulukoning teekenden het of plaatsten er hun merk op als getuigen.Geheel tevreden met den uitslag van zijn bezoek, en met niets dan dankbaarheid in zijn hart voor Dingaan, vertoefde Retief nog den 5denFebruari te Umkungunhlovu. Op den morgen van den 6denmaakte hij zich gereed om te vertrekken. De paarden waren opgezadeld en Retief en de zijnen wilden[106]thans Dingaan groeten. Deze deed hun weten dat zij in den binnensten ringmuur konden komen, maar dat zij hunne geweren buiten moesten laten. Een groot aantal der Boeren waren onwillig dit te doen, want zij vreesden verraad, maar de heer Holstead, die een gesprek met eenige der Zulu-induna’s gehad had, verklaarde dat geen vreemdeling toegelaten werd om gewapend in tegenwoordigheid van den Zuluvorst te verschijnen. Daarna lieten de Boeren hunne geweren bij hunne paarden.Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.Dingaan ontving hen vriendelijk en liet dadelijk Kafferbier brengen, waarvan men met genoegen dronk. Intusschen sprak Dingaan met Retief door middel van den heer Holstead, en gaf hij zijn spijt te kennen dat Retief niet langer bij hem wilde vertoeven. Op eens sprong de Zulukoning op, en riep „Vangt hen!†Op die woorden stormden een aantal der krijgers, die om Dingaan stonden, op de weerlooze Boeren, en bonden hen vast. De heer Holstead riep uit: „Dit is klaar met ons,†en hij trachtte met Dingaan te spreken. Deze luisterde een paar oogenblikken naar hem, doch wuifde toen zijn hand, en zeide: „Doodt de toovenaars.†De ongelukkige Boeren, zoowel als de heer Holstead, werden toen met geweld gesleept naar het kopje, dat als executie-plaats diende, en daarheen bracht men[107]ook de achterrijders der Boeren. Hierop vond eene ware slachting plaats. Eén voor één werden de Boeren door knopkiries gedood; Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien; toen deze allen gedood waren, viel ook hij als slachtoffer van den wreeden Dingaan. Zooals wij gezien hebben, werd zijn hart en lever uit zijn lichaam gesneden, en op den weg naar Natal begraven. De Zulu’s meenden dat dit een toovermiddel zou zijn om de blanken te beletten hun land in te trekken.Alzoo was de dood van Pieter Retief en zijne dapperen. Martje’s voorgevoelen was juist geweest en het was aan haar en ook aan de oude Anna tewijten, dat David Malan ook niet dood op dat kopje bij Umkungunhlovu lag.[108]
HOOFDSTUK X.HOOFDSTUK X.
HOOFDSTUK X.
Waarde lezer, ik moet u thans verzoeken om mij (natuurlijk met behulp uwer verbeelding) te vergezellen naar Umkungunhlovu, de hoofdstad van den grooten koning der Zulu’s, Dingaan, en dit wel op den morgen van den 7denFebruari 1838. Wij zullen niet de stad ingaan, maar ons op een randje stellen ten zuiden er van, vanwaar wij een goed uitzicht op de stad hebben. De zon is juist opgegaan en werpt hare eerste stralen op het landschap voor ons. Umkungunhlovu noemen wij een stad; in waarheid is het slechts een ontzettende Kafferkraal. Het bestaat uit twee ringmuren, een groote en een kleinere[99]daarbinnen. Tusschen de twee ringmuren staan de ronde Kafferhutten, in regelmatige rijen, doch die welke in de twee rijen, die het dichtst bij den binnensten ringmuur staan, zijn grooter en hooger dan de anderen, want dat zijn de hutten der getrouwde krijgers van Dingaan, de zoogenaamde Ringkoppen of oudgedienden, die de keurbenden van de Zulustam uitmaken. De kleinere hutten worden bewoond door de jongere krijgers.Binnen den tweeden ringmuur, aan het verste einde staan een tiental zeer groote hutten, waaronder vooral de middelste door hoogte uitmunt. Dit zijn de hutten van Dingaan en zijne vrouwen, want ik behoef u niet te zeggen, dat de Zulukoning aan veelwijverij doet.Achter de hutten zijn de veekralen, waar gij een groot aantal der kleine, groot gehoornde koeien en ossen kunt zien, die gewoonlijk bekend zijn als Zulu’s.Terwijl wij zoo staan te kijken, wordt het levendig in de stad. Een groot aantal manschappen verzamelen zich, en spoedig zien wij hen uittrekken. Er zijn vijf regimenten, twee met zwarte schilden en drie met witte schilden; de zwarte schilden zijn het teeken dat de dragers tot de Ringkoppen, de dappersten der dapperen behooren. Vooraan het hoofd van elk regiment loopt de kolonel, of zooals[100]hij in het Zulusch heet de „Induna-enkoolu.â€Een geweldige vederbos, die op zijn hoofd wuift, duidt ons zijn rang aan, doch ook hij draagt zijn schild en zijn assegaaien. In geregelden marsch en onder het zingen van een maatgevend krijgslied, rukt de bende of liever het leger voorwaarts, den weg inslaande naar Natal. Misschien ontmoeten wij hen later weer; voor het oogenblik zullen wij hen hunnen marsch laten voortzetten, en u eerst wat vertellen van den Zulustam. Inderdaad heeft die stam zulk een groote rol in de geschiedenis van Zuid-Afrika gespeeld, dat elke Afrikaner ten minste iets er van behoort te weten.Omtrent het jaar 1790 woonde er ten noorden van de Tugela een Kafferstam, de Abatetwa genaamd, wiens koning den naam van Jobe droeg. De oudste zoon van dezen, Dingiswayo geheeten, heeft een wonderlijken levensloop gehad, zoo romantisch, dat waarschijnlijk zijn levensgeschiedenis den Engelschen schrijver Rider Haggard heeft aangespoord om hem den held van zijn bekenden roman,King Solomon’s Mineste maken. Dingiswayo werd namelijk door zijn vader verdacht van pogingen om den troon te bemachtigen, en Jobe besloot dus om zijn gevaarlijken zoon uit den weg te ruimen. Doch met behulp van zijne zusters wist Dingiswayo[101]de wraak van zijnen vader te ontkomen en zocht hij zijn heil in de vlucht. Na lange rondzwervingen kwam hij eindelijk binnen de grenspalen der Kolonie en vertoefde waarschijnlijk in de nabijheid van Graaff-Reinet. Hier zag hij de Engelsche soldaten die in 1799 door Generaal Dundas naar de grenzen werden gezonden, en wat hem bijzonder trof was de wonderlijke krijgstucht die er in dit leger heerschte, en de gemakkelijkheid waarop gedisciplineerde soldaten zich in massa’s bewogen. Hij deed zooveel mogelijk onderzoek naar de redenen hiervan en het gaf hem veel te denken, wanneer hij die Engelsche soldaten vergeleek met de ruwe wilde krijgsbenden van zijn eigen natie.Ondertusschen kreeg Dingiswayo bericht dat zijn vader overleden was, en dat de Abatetwa, die niet wisten waar Dingiswayo was, den naasten erfgenaam tot hun koning hadden verkozen. Toen hij dit vernam zond hij bericht aan zijn volk dat hij zou komen, en werkelijk verscheen hij ook in zijn vaderland, gezeten op een fraai paard. De Abatetwa hadden nog nooit dit dier gezien, en dit feit, te zamen met de zekerheid, waarmede zij Dingiswayo herkenden, maakte dat hij spoedig in het bezit van zijn rechtmatigen troon was.Het eerste werk van den nieuwen koning was[102]om Europeesche krijgstucht in zijn leger in te voeren. Hij vormde regimenten, stelde officieren aan, en leerde de manschappen oefeningen maken, en toen ze eenigszins in orde waren, begon hij krijg te voeren tegen zijne naburen, waarin hij duidelijk bewees, welk een groot voordeel hij aan zijnen kant had.Eenige jaren daarna kwam er een vluchteling bij Dingiswayo aan, namelijk Tshaka, de zoon van Senzangakona, het opperhoofd van den kleinen Zulustam. Deze had evenals Dingiswayo in vroegere dagen moeten vluchten voor zijnen vader, en misschien was het daarom dat de koning der Abatetwa hem vriendelijk opnam en hem een plaats in zijn leger gaf. Tshaka begreep terstond het nut van de indeeling van Dingiswayo’s leger, en door bekwaamheid en dapperheid werd hij spoedig de meest geachte aanvoerder in dat leger. Toen nu Senzangakona stierf, deed Dingiswayo de Zulu’s Tshaka als hun koning erkennen. Toen voerde Tshaka ook krijgstucht onder de Zulustam in, en maakte hij zelfs vele verbeteringen op het systeem van Dingiswayo, en binnenkort waren de Zulu’s een heldhaftige natie geworden. Zoolang Dingiswayo leefde, had Tshaka vrede met hem, doch na zijn dood viel Tshaka den Abatetwa-stam aan, versloeg hen, deed hunnen koning dooden, en lijfde den stam bij den zijne in. Van af dien tijd voerde[103]Tshaka een reeks bloedige oorlogen met zijn naburen, waarin hij steeds als overwinnaar optrad, en zoo duurde het niet lang of de Zulunatie was de machtigste stam in het oosten van Zuid-Afrika, en zijne legers drongen zelfs voort tot aan de Bashee-rivier, en bedreigden de Kaapkolonie.In 1828 werd Tshaka vermoord door twee zijner half-broeders Dingaan en Umthlangana. Daarna vermoordde Dingaan op zijne beurt Umthlangana met eigen hand, en na eenige gevechten met zijne andere broeders, bemachtigde hij den Zulutroon.Tshaka was een wreed koning geweest, maar hij was talentvol en wist gebruik te maken van de talenten van anderen. Dingaan daarentegen was sluw, arglistig en bezat eene nog dierlijker wreedheid dan Tshaka.Na dit kort overzicht van de geschiedenis der Zulu’s moet ik u, waarde lezer, nogmaals vragen om mij te vergezellen naar dat kopje ten westen van Umkungunhlovu. Reeds aan den voet er van schrikken wij, want hier en daar zien wij doodsbeenderen en doodshoofden. Ja, dat is een akelige plek waarheen ik u breng, het is de plaats des Doods, de plaats waar Dingaan al zijne slachtoffers doet vellen. Maar volg mij en dan zal ik u nog iets wijzen. Kijk eens hier, daar liggen een aantal lijken,[104]blijkbaar kort geleden gedood, want er is nog geen spoor van ontbinding te zien. „Wat,†roept gij verbaasd uit, „maar dit zijn immers blanken.â€Inderdaad, het zijn blanke menschen, die hier dood liggen, en gij kent hen ook. Hier ligt de arme sterke Hans Malan, een geweldige wond op zijn hoofd wijst u, dat met een kirie zijn schedel verbrijzeld werd. Daar, dicht bij hem ligt Thomas Holstead, de Engelsche gids, insgelijks met verbrijzelden schedel. En zoo telt gij vijfenzestig blanken, allen dood op dien vreeselijken kop en zoo wat dertig kleurlingen. Behoef ik u te vertellen, dat dit Retief en de zijnen zijn, die hier vermoord liggen? Maar waar is Retief zelve?Gaat even hier ter zijde. Daar ligt hij, dood en mishandeld. Zijn dood lichaam is opengesneden; zijn hart en zijn lever zijn uitgehaald, en liggen daar ginder op den weg naar Natal begraven. Hij is het eenigste lijk, dat aldus mishandeld is; de anderen liggen zooals zij gevallen zijn; zelfs geen kleedingstuk is hen van het lijf genomen, ook niet van Retief, om wiens schouder een veldflesch en een bladzak hangen.Treurige plaats voorwaar! Eene plaats die heilig behoort te zijn voor alle Afrikaners; eene plaats waar een grafteeken behoort opgericht te zijn.[105]Maar laat ik u in het kort vertellen, hoe Retief en de zijnen hunnen dood vonden.Pieter Retief en zijn escort, geleid langs den kortsten weg door den heer Thomas Holstead kwamen op den 3denFebruari 1838 te Umkungunhlovu aan. Dingaan ontving hen bijzonder vriendelijk en prees de Boeren zeer voor hun gedrag in zake het vee van Sikonyella. Slechts zeide hij dat het hem speet dat Retief niet den Roover-kaptein had samengebracht. Hierop liet hij weder spiegelgevechten en krijgsdansen houden door de Zuluregimenten, en verschafte zijne bezoekers rijkelijk voedsel. Den volgenden dag trok de heer Owen, de zendeling, een document op, waarin Dingaan een groot stuk grond van de Tugela tot aan de Umzinvubu rivier aan de Boeren ter bewoning afstond. Dit document werd toen door Dingaan met zijn merk voorzien, en drie Boeren zoowel als drie der groote Raadsheeren van den Zulukoning teekenden het of plaatsten er hun merk op als getuigen.Geheel tevreden met den uitslag van zijn bezoek, en met niets dan dankbaarheid in zijn hart voor Dingaan, vertoefde Retief nog den 5denFebruari te Umkungunhlovu. Op den morgen van den 6denmaakte hij zich gereed om te vertrekken. De paarden waren opgezadeld en Retief en de zijnen wilden[106]thans Dingaan groeten. Deze deed hun weten dat zij in den binnensten ringmuur konden komen, maar dat zij hunne geweren buiten moesten laten. Een groot aantal der Boeren waren onwillig dit te doen, want zij vreesden verraad, maar de heer Holstead, die een gesprek met eenige der Zulu-induna’s gehad had, verklaarde dat geen vreemdeling toegelaten werd om gewapend in tegenwoordigheid van den Zuluvorst te verschijnen. Daarna lieten de Boeren hunne geweren bij hunne paarden.Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.Dingaan ontving hen vriendelijk en liet dadelijk Kafferbier brengen, waarvan men met genoegen dronk. Intusschen sprak Dingaan met Retief door middel van den heer Holstead, en gaf hij zijn spijt te kennen dat Retief niet langer bij hem wilde vertoeven. Op eens sprong de Zulukoning op, en riep „Vangt hen!†Op die woorden stormden een aantal der krijgers, die om Dingaan stonden, op de weerlooze Boeren, en bonden hen vast. De heer Holstead riep uit: „Dit is klaar met ons,†en hij trachtte met Dingaan te spreken. Deze luisterde een paar oogenblikken naar hem, doch wuifde toen zijn hand, en zeide: „Doodt de toovenaars.†De ongelukkige Boeren, zoowel als de heer Holstead, werden toen met geweld gesleept naar het kopje, dat als executie-plaats diende, en daarheen bracht men[107]ook de achterrijders der Boeren. Hierop vond eene ware slachting plaats. Eén voor één werden de Boeren door knopkiries gedood; Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien; toen deze allen gedood waren, viel ook hij als slachtoffer van den wreeden Dingaan. Zooals wij gezien hebben, werd zijn hart en lever uit zijn lichaam gesneden, en op den weg naar Natal begraven. De Zulu’s meenden dat dit een toovermiddel zou zijn om de blanken te beletten hun land in te trekken.Alzoo was de dood van Pieter Retief en zijne dapperen. Martje’s voorgevoelen was juist geweest en het was aan haar en ook aan de oude Anna tewijten, dat David Malan ook niet dood op dat kopje bij Umkungunhlovu lag.[108]
Waarde lezer, ik moet u thans verzoeken om mij (natuurlijk met behulp uwer verbeelding) te vergezellen naar Umkungunhlovu, de hoofdstad van den grooten koning der Zulu’s, Dingaan, en dit wel op den morgen van den 7denFebruari 1838. Wij zullen niet de stad ingaan, maar ons op een randje stellen ten zuiden er van, vanwaar wij een goed uitzicht op de stad hebben. De zon is juist opgegaan en werpt hare eerste stralen op het landschap voor ons. Umkungunhlovu noemen wij een stad; in waarheid is het slechts een ontzettende Kafferkraal. Het bestaat uit twee ringmuren, een groote en een kleinere[99]daarbinnen. Tusschen de twee ringmuren staan de ronde Kafferhutten, in regelmatige rijen, doch die welke in de twee rijen, die het dichtst bij den binnensten ringmuur staan, zijn grooter en hooger dan de anderen, want dat zijn de hutten der getrouwde krijgers van Dingaan, de zoogenaamde Ringkoppen of oudgedienden, die de keurbenden van de Zulustam uitmaken. De kleinere hutten worden bewoond door de jongere krijgers.
Binnen den tweeden ringmuur, aan het verste einde staan een tiental zeer groote hutten, waaronder vooral de middelste door hoogte uitmunt. Dit zijn de hutten van Dingaan en zijne vrouwen, want ik behoef u niet te zeggen, dat de Zulukoning aan veelwijverij doet.
Achter de hutten zijn de veekralen, waar gij een groot aantal der kleine, groot gehoornde koeien en ossen kunt zien, die gewoonlijk bekend zijn als Zulu’s.
Terwijl wij zoo staan te kijken, wordt het levendig in de stad. Een groot aantal manschappen verzamelen zich, en spoedig zien wij hen uittrekken. Er zijn vijf regimenten, twee met zwarte schilden en drie met witte schilden; de zwarte schilden zijn het teeken dat de dragers tot de Ringkoppen, de dappersten der dapperen behooren. Vooraan het hoofd van elk regiment loopt de kolonel, of zooals[100]hij in het Zulusch heet de „Induna-enkoolu.â€Een geweldige vederbos, die op zijn hoofd wuift, duidt ons zijn rang aan, doch ook hij draagt zijn schild en zijn assegaaien. In geregelden marsch en onder het zingen van een maatgevend krijgslied, rukt de bende of liever het leger voorwaarts, den weg inslaande naar Natal. Misschien ontmoeten wij hen later weer; voor het oogenblik zullen wij hen hunnen marsch laten voortzetten, en u eerst wat vertellen van den Zulustam. Inderdaad heeft die stam zulk een groote rol in de geschiedenis van Zuid-Afrika gespeeld, dat elke Afrikaner ten minste iets er van behoort te weten.
Omtrent het jaar 1790 woonde er ten noorden van de Tugela een Kafferstam, de Abatetwa genaamd, wiens koning den naam van Jobe droeg. De oudste zoon van dezen, Dingiswayo geheeten, heeft een wonderlijken levensloop gehad, zoo romantisch, dat waarschijnlijk zijn levensgeschiedenis den Engelschen schrijver Rider Haggard heeft aangespoord om hem den held van zijn bekenden roman,King Solomon’s Mineste maken. Dingiswayo werd namelijk door zijn vader verdacht van pogingen om den troon te bemachtigen, en Jobe besloot dus om zijn gevaarlijken zoon uit den weg te ruimen. Doch met behulp van zijne zusters wist Dingiswayo[101]de wraak van zijnen vader te ontkomen en zocht hij zijn heil in de vlucht. Na lange rondzwervingen kwam hij eindelijk binnen de grenspalen der Kolonie en vertoefde waarschijnlijk in de nabijheid van Graaff-Reinet. Hier zag hij de Engelsche soldaten die in 1799 door Generaal Dundas naar de grenzen werden gezonden, en wat hem bijzonder trof was de wonderlijke krijgstucht die er in dit leger heerschte, en de gemakkelijkheid waarop gedisciplineerde soldaten zich in massa’s bewogen. Hij deed zooveel mogelijk onderzoek naar de redenen hiervan en het gaf hem veel te denken, wanneer hij die Engelsche soldaten vergeleek met de ruwe wilde krijgsbenden van zijn eigen natie.
Ondertusschen kreeg Dingiswayo bericht dat zijn vader overleden was, en dat de Abatetwa, die niet wisten waar Dingiswayo was, den naasten erfgenaam tot hun koning hadden verkozen. Toen hij dit vernam zond hij bericht aan zijn volk dat hij zou komen, en werkelijk verscheen hij ook in zijn vaderland, gezeten op een fraai paard. De Abatetwa hadden nog nooit dit dier gezien, en dit feit, te zamen met de zekerheid, waarmede zij Dingiswayo herkenden, maakte dat hij spoedig in het bezit van zijn rechtmatigen troon was.
Het eerste werk van den nieuwen koning was[102]om Europeesche krijgstucht in zijn leger in te voeren. Hij vormde regimenten, stelde officieren aan, en leerde de manschappen oefeningen maken, en toen ze eenigszins in orde waren, begon hij krijg te voeren tegen zijne naburen, waarin hij duidelijk bewees, welk een groot voordeel hij aan zijnen kant had.
Eenige jaren daarna kwam er een vluchteling bij Dingiswayo aan, namelijk Tshaka, de zoon van Senzangakona, het opperhoofd van den kleinen Zulustam. Deze had evenals Dingiswayo in vroegere dagen moeten vluchten voor zijnen vader, en misschien was het daarom dat de koning der Abatetwa hem vriendelijk opnam en hem een plaats in zijn leger gaf. Tshaka begreep terstond het nut van de indeeling van Dingiswayo’s leger, en door bekwaamheid en dapperheid werd hij spoedig de meest geachte aanvoerder in dat leger. Toen nu Senzangakona stierf, deed Dingiswayo de Zulu’s Tshaka als hun koning erkennen. Toen voerde Tshaka ook krijgstucht onder de Zulustam in, en maakte hij zelfs vele verbeteringen op het systeem van Dingiswayo, en binnenkort waren de Zulu’s een heldhaftige natie geworden. Zoolang Dingiswayo leefde, had Tshaka vrede met hem, doch na zijn dood viel Tshaka den Abatetwa-stam aan, versloeg hen, deed hunnen koning dooden, en lijfde den stam bij den zijne in. Van af dien tijd voerde[103]Tshaka een reeks bloedige oorlogen met zijn naburen, waarin hij steeds als overwinnaar optrad, en zoo duurde het niet lang of de Zulunatie was de machtigste stam in het oosten van Zuid-Afrika, en zijne legers drongen zelfs voort tot aan de Bashee-rivier, en bedreigden de Kaapkolonie.
In 1828 werd Tshaka vermoord door twee zijner half-broeders Dingaan en Umthlangana. Daarna vermoordde Dingaan op zijne beurt Umthlangana met eigen hand, en na eenige gevechten met zijne andere broeders, bemachtigde hij den Zulutroon.
Tshaka was een wreed koning geweest, maar hij was talentvol en wist gebruik te maken van de talenten van anderen. Dingaan daarentegen was sluw, arglistig en bezat eene nog dierlijker wreedheid dan Tshaka.
Na dit kort overzicht van de geschiedenis der Zulu’s moet ik u, waarde lezer, nogmaals vragen om mij te vergezellen naar dat kopje ten westen van Umkungunhlovu. Reeds aan den voet er van schrikken wij, want hier en daar zien wij doodsbeenderen en doodshoofden. Ja, dat is een akelige plek waarheen ik u breng, het is de plaats des Doods, de plaats waar Dingaan al zijne slachtoffers doet vellen. Maar volg mij en dan zal ik u nog iets wijzen. Kijk eens hier, daar liggen een aantal lijken,[104]blijkbaar kort geleden gedood, want er is nog geen spoor van ontbinding te zien. „Wat,†roept gij verbaasd uit, „maar dit zijn immers blanken.â€
Inderdaad, het zijn blanke menschen, die hier dood liggen, en gij kent hen ook. Hier ligt de arme sterke Hans Malan, een geweldige wond op zijn hoofd wijst u, dat met een kirie zijn schedel verbrijzeld werd. Daar, dicht bij hem ligt Thomas Holstead, de Engelsche gids, insgelijks met verbrijzelden schedel. En zoo telt gij vijfenzestig blanken, allen dood op dien vreeselijken kop en zoo wat dertig kleurlingen. Behoef ik u te vertellen, dat dit Retief en de zijnen zijn, die hier vermoord liggen? Maar waar is Retief zelve?
Gaat even hier ter zijde. Daar ligt hij, dood en mishandeld. Zijn dood lichaam is opengesneden; zijn hart en zijn lever zijn uitgehaald, en liggen daar ginder op den weg naar Natal begraven. Hij is het eenigste lijk, dat aldus mishandeld is; de anderen liggen zooals zij gevallen zijn; zelfs geen kleedingstuk is hen van het lijf genomen, ook niet van Retief, om wiens schouder een veldflesch en een bladzak hangen.
Treurige plaats voorwaar! Eene plaats die heilig behoort te zijn voor alle Afrikaners; eene plaats waar een grafteeken behoort opgericht te zijn.[105]
Maar laat ik u in het kort vertellen, hoe Retief en de zijnen hunnen dood vonden.
Pieter Retief en zijn escort, geleid langs den kortsten weg door den heer Thomas Holstead kwamen op den 3denFebruari 1838 te Umkungunhlovu aan. Dingaan ontving hen bijzonder vriendelijk en prees de Boeren zeer voor hun gedrag in zake het vee van Sikonyella. Slechts zeide hij dat het hem speet dat Retief niet den Roover-kaptein had samengebracht. Hierop liet hij weder spiegelgevechten en krijgsdansen houden door de Zuluregimenten, en verschafte zijne bezoekers rijkelijk voedsel. Den volgenden dag trok de heer Owen, de zendeling, een document op, waarin Dingaan een groot stuk grond van de Tugela tot aan de Umzinvubu rivier aan de Boeren ter bewoning afstond. Dit document werd toen door Dingaan met zijn merk voorzien, en drie Boeren zoowel als drie der groote Raadsheeren van den Zulukoning teekenden het of plaatsten er hun merk op als getuigen.
Geheel tevreden met den uitslag van zijn bezoek, en met niets dan dankbaarheid in zijn hart voor Dingaan, vertoefde Retief nog den 5denFebruari te Umkungunhlovu. Op den morgen van den 6denmaakte hij zich gereed om te vertrekken. De paarden waren opgezadeld en Retief en de zijnen wilden[106]thans Dingaan groeten. Deze deed hun weten dat zij in den binnensten ringmuur konden komen, maar dat zij hunne geweren buiten moesten laten. Een groot aantal der Boeren waren onwillig dit te doen, want zij vreesden verraad, maar de heer Holstead, die een gesprek met eenige der Zulu-induna’s gehad had, verklaarde dat geen vreemdeling toegelaten werd om gewapend in tegenwoordigheid van den Zuluvorst te verschijnen. Daarna lieten de Boeren hunne geweren bij hunne paarden.
Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.
Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien.
Dingaan ontving hen vriendelijk en liet dadelijk Kafferbier brengen, waarvan men met genoegen dronk. Intusschen sprak Dingaan met Retief door middel van den heer Holstead, en gaf hij zijn spijt te kennen dat Retief niet langer bij hem wilde vertoeven. Op eens sprong de Zulukoning op, en riep „Vangt hen!†Op die woorden stormden een aantal der krijgers, die om Dingaan stonden, op de weerlooze Boeren, en bonden hen vast. De heer Holstead riep uit: „Dit is klaar met ons,†en hij trachtte met Dingaan te spreken. Deze luisterde een paar oogenblikken naar hem, doch wuifde toen zijn hand, en zeide: „Doodt de toovenaars.†De ongelukkige Boeren, zoowel als de heer Holstead, werden toen met geweld gesleept naar het kopje, dat als executie-plaats diende, en daarheen bracht men[107]ook de achterrijders der Boeren. Hierop vond eene ware slachting plaats. Eén voor één werden de Boeren door knopkiries gedood; Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers aanzien; toen deze allen gedood waren, viel ook hij als slachtoffer van den wreeden Dingaan. Zooals wij gezien hebben, werd zijn hart en lever uit zijn lichaam gesneden, en op den weg naar Natal begraven. De Zulu’s meenden dat dit een toovermiddel zou zijn om de blanken te beletten hun land in te trekken.
Alzoo was de dood van Pieter Retief en zijne dapperen. Martje’s voorgevoelen was juist geweest en het was aan haar en ook aan de oude Anna tewijten, dat David Malan ook niet dood op dat kopje bij Umkungunhlovu lag.[108]