HOOFDSTUK XI.

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.HOOFDSTUK XI.Den geheelen dag, na het vertrek van Pieter Retief lag David Malan nog in hevige pijnen in den wagen. Eerst tegen den avond begon hij zich beter te gevoelen, en dien nacht had hij een goede nachtrust, en, hoewel zwak, was hij den volgenden morgen in staat om op te staan, want zooals alle Afrikaansche Boeren, was David een vijand van het in bed liggen. Hij was echter vreeselijk uit zijn humeur en deed niets anders dan spreken over de teleurstelling, die hij ondervonden had, dat hij niet met den Kommandant-Generaal had kunnen samenrijden. Martje troostte hem zoo goed als zij kon[109]en zeide hem, dat het misschien de hand des Heeren was, die hem op het ziekbed geworpen had, om hem van den dood te redden, en zij deelde hem hare vrees mede, dat Retief en de zijnen nooit weder zouden terugkomen. David lachte haar uit, en zeide dat dit „net vrouwenpraatjes waren,” waar geen man zich aan stoorde.Het duurde bijna een week voor David zich weder geheel sterk gevoelde, en kon uitgaan om wild te schieten. Hoe het kwam wist hij niet, doch hij bevond op eens, dat zijn oud rijpaard niet meer zoo goed was als vroeger, en hij begon dus om te zien naar een ander. Bij toeval vernam hij dat zekere Joshua Joubert, die in het verst afgelegen kamp woonde, een goed rijpaard had om te verkoopen of te verruilen, en hij vatte dus het plan op naar dezen toe te rijden, en zoo mogelijk een ruil aan te gaan, al moest hij dan ook iets toegeven.Op den morgen van den 16denFebruari was hij dan ook reeds vroeg in den zadel, en sloeg den weg in naar het kamp van de Botha’s, waar Joshua Joubert woonde. Het werd het kamp van de Botha’s genaamd omdat de oude Johannes Botha de Kommandant er van was. David moest langs verscheidene andere lagers rijden. Eerst kwam hij bij dat van de Krugers, waar de oude en dappere Gert[110]Kruger het bevel voerde. Dit lager was in goede orde. De wagens waren wel niet in een kring getrokken, doch stonden zoo na bij elkaar, dat zulks in zeer korten tijd kon gedaan worden, als de nood het vereischte. Na een kommetje koffie gedronken te hebben, en een weinig te hebben „gezels” reed David naar het volgende kamp, dat der De Klerks. Ook dit lager was in goede orde en kon spoedig weerbaar gemaakt worden. Van hier naar het lager der Jouberts was het een stijve uur en een half, doch tot zijn groot genoegen kreeg David hier een maat, Willem Van Rensburg, die ook om bezigheid naar het kamp der Jouberts reed. Ten minste zoo gaf hij voor; de waarheid was echter, dat hij een beetje naar zijn nooi Johanna Van der Merwe wilde gaan kijken, die ook in het kamp woonde. Met al dit vertoeven was het reeds bijna middag toen David en Willem bij de Jouberts kwamen. Het trof David, dat dit lager zoo ongeregeld was. Het was eigenlijk volstrekt geen lager. De wagens stonden ver van elkander af, meestal dicht bij de Bushmansrivier, en hier en daar stond een tent.Nadat beiden bij oom Joshua Joubert (die een broer van Martje’s vader was) hadden afgezadeld, en de bewoners hadden gegroet, maakte David dan ook de aanmerking tegen Joshua, dat dit maar gevaarlijk[111]was om het kamp zoo uiteen te hebben.Oom Joshua lachte en zeide: „Kerel, ons is hier immers in ons eigen land, en die Kaffers zal ons immers geen kwaad doen. Die naaste Kaffers is die Zulu’s en met hullie is ons goede vrienden. Nog gisteren was hier twee van hullie, en hullie het ons gevraag om werk, maar op het oogenblik het ons nog volk genoeg.”„Het hullie niks gezegd van oom Pieter?” vroeg David.„Neen, hullie zeg dat hullie van die baai afkom, en niet van Dingaans kraal. Maar oom Pieter zal wel een van die dagen terugkomen.”„Hij is al 18 dagen weg,” hervatte David, „en hij kon al terug zijn.”„Misschien is hij gaan kijken naar die stuk grond wat Dingaan ons zal geef,” was het antwoord van oom Joshua, die dood gerust scheen.Juist op dit oogenblik kwam de jonge Joshua Joubert de tent binnen, en begon de handel tusschen de twee Boeren. De jonge Joshua liet zijn paard uit het veld halen, terwijl David het middagmaal genoot, want het was nu reeds twaalf uur. Toen het paard kwam, zag David dadelijk dat het een uitmuntend dier was, sterk en krachtig gebouwd, nog maar vier jaar oud, en met goede pooten. Joshua[112]gaf niet om te ruilen; hij zou Davids paard nemen, maar dan moest deze drie ossen toegeven. Dit was den jongen Malan te veel, en er vond heel wat geknibbel plaats, waarna David eerst het paard moest probeeren, en er een kwartier mede rondreed, iets, dat hem de uitstekende kwaliteit van het fiere dier dadelijk deed kennen. Eindelijk werd men het eens. David zou zijn paard achterlaten, en den volgenden dag aan Joubert twee groote ossen en een eenjarige os zenden. De achtermiddag en de avond werd toen genoeglijk doorgebracht. Toen het slapenstijd was ging David, daar zoowel de tent als de wagen der Jouberts vol was, op een kombaars slapen onder een grooten boom, niet ver van de tent, iets waar hij niets tegen had, want het was zeer warm weer en hoewel donkere maan, was de lucht helder en blonken de sterretjes aan den hemel. Ook Willem Van Rensburg kwam daar eenigen tijd later slapen. Daar beiden zeer vroeg wilden rijden, en van hunne vrienden afscheid hadden genomen, hadden zij hunne paarden op eenige treden aan een anderen boom vastgebonden, en sliepen zij op hunne zadels, die als hoofdkussens dienden.David kon dien nacht niet goed slapen. Hij was, hij wist niet waarom, onrustig over het lange wegblijven van Retief, en hoewel hij trachtte om de[113]gedachten uit zijn hoofd te zetten met een „alles gekheid” kon hem dit toch niet gelukken. Hij sluimerde nu en dan in, doch schrok elk oogenblik wakker. De ster, die de Boeren de voorlooper noemen, was juist opgegaan, en David, die toen wakker lag, was juist van plan om zijn maat te wekken, en den terugrit te beginnen, toen hij een vreemd geluid vernam. Zich oprichtende, zag hij op eenigen afstand een aantal zwarte gedaanten, bij de verst afgelegen wagens, en juist toen hij op de plotselinge gedachte kwam, dat het Kaffers waren, viel er een geweerschot.„Willem, de Kaffers is op ons,” riep David luid, en op zijn voeten springende, greep hij zijn zadel en toom, en liep naar zijn paard. Willem was dadelijk wakker en volgde Davids voorbeeld. In een oogwenk waren beide paarden opgezadeld, en beide jonge Boeren in den zadel. Een oogenblik zwenkte David zijn paard naar de tent van de Jouberts, en riep: „Oom Joshua, die Kaffers val ons aan,” en daarop schoot hem plotseling de gedachte door het hoofd, dat hij naar de andere lagers moest terugrijden, om hen te waarschuwen. Hij riep een haastig: „Kom Willem!” aan zijn makker toe, en drukte toen de hielen in de ribben van zijn paard. Het fiere dier, zulk een behandeling niet gewoon, deed een geweldigen sprong,[114]en dit juist in tijd, want een assegaai, door een Zulu geworpen, siste langs David voorbij. Sieraad, zooals de naam van het nieuwe paard van onzen held heette, was nu niet te keeren, en ging op een dollen galop door, zoodat David zijn handen vol had om het de rechte richting te doen houden. Toch zag hij even achter zich en kon in den schemer bemerken, dat Van Rensburg in vollen galop achter hem aankwam. Deze had ook een flink paard, en was spoedig ter zijde van David, en nu ging het lijnrecht naar het kamp van de De Klerks, over slooten, door bosschen, over klippen; niets stuitte de koene rijders. Zoodra het kamp in het gezicht kwam (want het was nu reeds daglicht) riep David zijn makker toe: „Willem, zeg hullie dat hullie lager moet trek, en voor hullie klaar hoû,” en zonder verder een woord rende hij het kamp voorbij, en bereikte spoedig het kamp der Krugers. Oom Gert stond juist bij zijn wagen, zijn eerste kommetje koffie te drinken, toen David zijn dampend en brieschend paard voor hem stil hield.„Wat is dit, wat is dit?” vroeg Oom Gert verschrikt.„Oom, die Zulu’s val ons aan. Hullie vermoor die menschen in Botha zijn kamp. Oom moet dadelijk lager trek, en alles klaar maak om jullie te[115]verdedigen. Maak gauw, Oom, want hullie zal zeker net nou hier wezen.”Oom Gert wierp koffie en kommetje neder en weldra werd zijn stem gehoord, „Lager trek, lager trek, die Zulu’s kom aan.”David gaf zich geen tijd om gade te slaan hoe het lager getrokken werd, hij dacht nu slechts aan zijne ouders en aan Martje, en zijn paard de hielen in de ribben zettende, vloog hij als een pijl verder. Hoe hij den één uur langen afstand afreed, wist hij zelf niet. Hij gaf Sieraad de volle teugels, en deze scheen van geen hinderpalen eenige notitie te nemen. Als een bok sprong hij over een tien voet breede sloot, en als een haas liep hij door de klippen. David begreep dat hij op zijn paard moest vertrouwen, en hij zag dat hij dit dan ook kon doen. Hij kneep zich dus in den zadel vast en zorgde slechts, dat het paard de rechte richting hield.De zon kwam juist op, toen David het lager inreed. Hier moet gezegd worden dat het lager der Retiefs, zooals dit genoemd werd, het beste in orde was. De wagens stonden in een kring op kleinen afstand van elkander, en kon in een oogwenk verschanst worden. David reed dadelijk naar de tent van Charel Cilliers, die de Kommandant was, in afwezigheid van Pieter Retief. Oom Charel stond[116]voor zijn tent, en rookte rustig een pijp toen David aankwam. Hij was geheel uit adem, en half stokkend, zeide hij:„Oom Charel, die Zulu’s kom aan; hullie het al die menschen in Botha’s kamp vermoord.”De dappere oude krijger had niets meer noodig.„Lager maken, die Zulu’s kom,” riep hij uit. „Trek de wagens bij elkaar,” en zoo volgde het eene bevel na het andere. David zadelde snel zijn paard af, en liet het los staan bij zijn wagen. Hij had thans geen tijd om voor het arme dier te zorgen hoe graag hij dit ook wilde. Integendeel hij moest eerst helpen zorgen voor de bescherming der vrouwen en kinderen.Een levendig tooneel vond nu plaats. In een oogenblik waren alle handen aan het werk om de wagens in een vasten kring te trekken, zoo na mogelijk bij elkaar. Het volk werd gezonden om bosschen en takken te kappen, om de openingen tusschen de wagens op te vullen. Het vee werd toen zoover mogelijk aan een anderen kant van een nabijzijnden berg gejaagd, om uit het gezicht der Kaffers te zijn, en daar werd het aan zijn lot overgelaten. Geweren werden schoongemaakt, en Charel Cilliers liet de ammunitiewagen openen en deelde kruid en lood uit.De vrouwen waren ook hier behulpzaam; zij hielpen[117]geweren schoonmaken, en een aantal hunner waren spoedig bezig kogels te gieten in de daarvoor bestemde kogelvormen. Oom Charel was overal; hier gaf hij order om een opening nog dichter te maken; hier vermaande hij de jongeren om bedaard te schieten en goed korrel te vatten, zoodat de ammunitie niet verspild werd want „elke kogel moet zijn Kaffer krijgen;” daar weder stelde hij angstige vrouwen en meisjes gerust; dan ging hij naar de tent van Retief, en troostte diens vrouw, die thans helaas, het ergste vreesde.„Oom, Charel, waar is die kanon,” vroeg David Malan op eens.„Mijn machtig, kerel, ik hêt die heele kanon vergeet. Hij staat daar achter bij die tent. Loop haal hem gauw met een spul kerels dan zal ons hem hier bij den ingang plaatsen.”De ingang was eene kleine ruimte van zoowat 8 voet breed, die thans met takken en bosschen dicht versperd was. Het kanon werd nu hier gebracht. Het was een oud koperen mondstuk, op een affuit dat waarschijnlijk een oud scheepskanon was geweest, en dat door een der trekkers was medegebracht. Het was algemeen beschouwd geweest als een nutteloos ding, maar heden kon het toch van nut zijn.„Ons kan niet banja met die ding schiet,” zeide Oom Charel, „want dit vat te veel kruit, maar als[118]die Kaffers het ons hier te warm maak, dan kan ons een paar schoten op hen los.”„Maar ons hêt geen kogels, Oom Charel,” zeide een der Boeren.„Ons kan die ding met stukken lood en oud ijzer laden; hullie noem dit schroot,” zeide de heer Alfred Smith, dien wij reeds kennen als de meester en secretaris.„Weet jij iets van die goed af, meester?” vroeg Charel Cilliers, die zelf maar weinig met die „goed” te doen had gehad.„Ja, Oom Charel, zoo’n beetje” was het antwoord van den meester. „Ik heb al met zulke dingen gewerkt.”In der waarheid was meester vroeger matroos op een Engelsch oorlogsschip geweest, en had hij dus wel degelijk kennis van een kanon, en toen Oom Charel hem nu tot „kanonnier” benoemde, wees meester spoedig dat hij zijn baantje niet vergeten had. In een oogenblik had hij een laadstok er voor gemaakt uit een stuk hout, en een spul oude lappen en veegde hij het kanon uit. Hij zuiverde het zundgat, en sneed een spul stokjes, waaraan hij lapjes deed, die als lont moesten dienen en daarop liet hij door een spul volk alle stukken oud ijzer, pot-pooten en wat maar tot „schroot” kon dienen bij elkander maken. Met behulp der vrouwen liet hij toen kruid-[119]en schrootpatronen maken van oud linnen en binnen zeer korten tijd stonden er twintig ladingen kant en klaar bij het kanon.Al dit werk nam nauwelijks den tijd van twee uur op, want men werkte met ijver en kracht. Geen Kaffer was nog te bespeuren, en men gebruikte den tijd om zich nog steeds beter gereed te maken en de meest zorgvuldige maatregelen te nemen. Er waren zoo wat negentig weerbare mannen in het kamp, buiten de kleurlingen, en een aantal dezer had men ook gewapend met geweren zoodat het geheel der verdedigers een goed eind over de honderd was. Een aantal spaargeweren werden aan de vrouwen gegeven om die aan de mannen achter de wagens te overhandigen, indien hun eigen geweren te warm werden.Het was bijna tien uur toen een der Boeren riep: „Daar kom hullie!” en inderdaad op den rand, die zoowat duizend treden aan de zuidzijde van het lager was, begon zich een dichte drom Kaffers te vertoonen.„Op jullie plek,” riep de oude Cilliers, „moet niet schiet voor hullie op ons is. En God, de God van Israël sta ons thans bij,” voegde hij er langzaam en eerbiedig bij.De Kaffers schenen op den rand eene consultatie te houden, hoe om het kamp op de beste wijze aan[120]te vallen. Zij hadden waarschijnlijk niet verwacht, dat zij de Boeren aldus tot weêrstand gereed zouden vinden, en dachten dat ook hier zij hen verrast zouden hebben. Eindelijk zag men een reusachtige Kaffer, op wiens hoofd een groote vederbos prijkte, zijn armen zwaaien en hierop begon een deel van hetZulu-impizich te verspreiden. Zij vormden de twee „hoorns,” totdat het geheele lager omringd was door eenige duizenden Zulu’s. En nu volgde een helsch lawaai, dat ontzetting in de harten der vrouwen joeg en de mannen de tanden op elkander deed knarsen. De Zulu’s sloegen met hunne assegaaien tegen hunne schilden, en hieven hun oorlogskreet aan. Toen—kwamen zij met een geweldige vaart van alle zijden op het lager aanstormen.De Boeren lieten hen naderen tot op zestig treden van de wagens, en toen dreunden de geweerschoten, en een honderdtal Zulu’s beten in het stof. Doch de anderen stuitten niet, doch kwamen aan. Thans vuurde elke Boer voor zichzelve zoo snel hij kon, en schoot ieder zijn naastbijzijnden Kaffer neder. De strijd werd fel. De geweerschoten knalden onophoulijk, en het geraas was oorverdoovend. Bij den ingang had Charel Cilliers tien fluksche mannen geplaatst en deze hadden hunne handen vol, om de Zulu te beletten door de takken en bosschen te komen. Doch[121]spoedig vormden de lijken der gevallen Zulu’s hier een breede borstwering.David stond voor op de wagenkist van een wagen, en elke kogel uit zijn geweer deed een Kaffer nedertuimelen. Martje stond dicht bij hem, achter den wagen; zij had een geladen geweer in haar hand, gereed om dit aan David te reiken, zoodra zijn eigen geweer te warm werd. Doch dit was thans niet noodig. De Zulu’s op zulk een ontvangst niet voorbereid, en geen kans ziende, om door den kogelregen in het lager te komen, namen de vlucht, ten minste voor het oogenblik, en liepen zoo snel zij konden naar het randje waar hunne makkers, die nog geen deel aan den strijd hadden genomen, stonden.Een groot aantal der aanvallers lagen dood of gewond voor het lager; bij verre de meesten echter van deze waren dood.De Zulu’s hielden nu weder raad, en zij konden dit gerust doen, want zij waren buiten het bereik der oude Sanna’s, die niet verder schoten dan uiterst tweehonderd treden. De Boeren kregen nu een goed half uur rust, en dit was hun uiterst welkom, want het gevecht was hevig geweest. Tot op dit oogenblik was er slechts een Boer licht gewond, daar een stoutmoedige Kaffer, hem met een assegaai in den arm gestoken had. De dappere kerel liet de wond[122]door zijne vrouw verbinden, en was daarna weer even gereed om op zijn post te gaan.Na verloop van een half uur begon er weder beweging onder de Kaffers te komen. Doch ditmaal veranderden zij van tactiek. In plaats van het lager te omringen kwamen zij nu in een dichten drom aan, en dat wel direct op de opening van het lager. Zij hadden begrepen dat dit het zwakste punt van het lager was, en wilden nu met geweld en door hun overmacht zich hier een weg banen. Doch Charel Cilliers bemerkte dadelijk hun doel, hij was te veel ervaren om zich te laten verschalken. Een twintigtal man bij de wagens latende, liet hij al de anderen post vatten in de nabijheid van den ingang.„Nu komt mijn tijd,” zeide meester, toen hij de Kaffers zag naderen, „jullie moet nou voor pad geven.” En met deze woorden nam hij zijn lont in de hand en liet de vier jonge Boeren, die hem hielpen, alles in gereedheid brengen om het kanon weder te laden, zoodra het afgeschoten was.De Zulu’s kwamen stadig aan, tot op een afstand van tweehonderd treden; toen maakten zij een wilden schielijken aanval op de opening. Doch de ontvangst die zij kregen van het thans geconcentreerde vuur der Boeren, was geenszins malsch, en toen nu meester zijn kanon tusschen de dichte massa afvuurde, en stukken[123]ijzer door hunne rijen heenvlogen, deinsden zij een oogenblik terug. Maar ook net maar een oogenblik—toen kwamen zij met vernieuwden moed aan. Doch tegen den kogelregen die thans op hen nederkletterde en tegen de drie schoten die meester snel op hen loste, was zelfs Zulu-moed niet bestand, en met verlies van een groot aantal dooden, sloegen zij op wilde vlucht.„Goed gedaan meester, dat is braaf,” riep Charel Cilliers uit toen de Zulu’s weg waren. „Daar dieOûGriet is al te kwaai voor hullie.Maar nou moet jullie oppas, kerels; die ergste zal nog komen. Die andere Zulu’s zal ons nou pak.”Inderdaad waren het slechts twee regimenten der „witschilden,” of jonge krijgers die den aanval op het lager gedaan hadden.De Ringkoppen of Zwartschilden hadden bedaard aangekeken naar het werk hunner jongere broeders. Nu deze geheel verslagen en moedeloos terugkwamen, stootten zij een verachtelijk Hu! Hu! uit, en maakten zij zich gereed om te toonen hoe spoedig zij hunnen vijand overmeesterden.Thans volgden zij weder hun oude tactiek en onder bevel van den man met den vederbos, begonnen zij het lager te omringen. Ieder der Boeren was nu weder op zijn ouden post. De Zulu’s sloegen als bezetenen op hunne schilden, en hieven[124]een ontzettenden krijgskreet aan, die het bloed in de aderen der dapperste Boeren deed verstijven. Een storm, en de Zulu’s waren bij de wagens. Doch de Boeren weerden zich dapper; de gedachte aan de vrouwen en kinderen gaf hun heldenmoed. De geweren knalden zonder ophouden. De Kaffers klommen tot op de wagens, doch vonden daar ook hunnen dood; geen Kaffer kwam het lager binnen.De dappere Martje schiet de Zulu neer!De dappere Martje schiet de Zulu neer!David was op zijn ouden post, en Martje stond weder bij hem, met het geladen geweer in de hand. Onze held had juist een forsche Kaffer den doodskogel gegeven, op geen drie treden afstand, toen een tweede Kaffer, bij den wagen opsprong, en voor David zijn geweer geladen had, den assegaai ophief om den jongen Boer dien in de borst te boren. Davids leven hing aan een draad. Hij trachtte instinctmatig de assegaai met zijn geweer weg te keeren, doch hij voelde, dat de dood hem voor oogen stond. Daar knalde een schot, en de Zulu, door een kogel in het hart getroffen, stortte zielloos van den wagen neder. Het was Martje geweest die het schot had gevuurd. Zij had het gevaar gezien waarin haar minnaar zweefde, en in een oogwenk was het zware geweer aan haar schouder, en trok zij den trekker. Doch David kon dit niet zien, want hij had geen tijd om om te kijken. Zoodra de Kaffer nederstortte[125]laadde hij zijn geweer weder en hield hij aan met vuren op de aanvallers.„Martje, die ander geweer,” riep hij opeens en het dappere meisje reikte hem dit. Zij had het weder geladen, en ontving nu het brandend heete geweer, dat zij dadelijk begon af te koelen met koud water.Het was inderdaad zooals Charel Cilliers gezegd had: het ergste kwam nu eerst. Een achttal Boeren waren reeds min of meer zwaar gewond; twee zelfs waren er gedood. Bij den ingang was de strijd het hevigst, en slechts door het nu en dan afvuren van het kanon, dat de Zulu’s schrik inboezemde omdat bij elk schot een aantal hunner tegelijk vielen, was men in staat deze gevaarlijke positie te verdedigen. Op raad van Cilliers begonnen de Boeren nu hunne geweren met „loopers” te laden, waarvan er gelukkig een geruimen voorraad in het lager was. Op den korten afstand waren deze van meer effect dan de kogels, en de Zulu’s vonden dit spoedig uit. Zij deden nog één wanhopige poging om de overwinning te behalen, doch tevergeefs. Toen sloegen zij op de vlucht; een wilde vlucht, waar geen keeren meer aan was. Ditmaal hielden zij niet meer stil op het randje; neen zij gingen het randje over en de jongere krijgers volgden hen zoo snel hunne voeten hen konden dragen.[126]De Boeren wachtten eenigen tijd om te zien of de vijand niet weder terugkomen zou, en toen na verloop van een half uur geen vijand opdaagde, zond Cilliers een der Boeren om te zien waar zij waren. Deze liep naar het randje en keek behoedzaam er over. Daarop zwaaide hij zijn hoed en kwam hij hard terugloopen.„Oom Charel, hullie loop daar ginter over die zwart randen, en hullie loopt nog dat het zoo barst. Terugkom zal hullie niet vandaag.”Charel Cilliers antwoordde niet. Hij knielde neder daar in het lager, en zwijgend volgde een ieder, mannen, vrouwen en kinderen zijn voorbeeld. En toen ging er een dankgebed op tot den God van Abraham, van Izaäk en van Jakob, die ook de God der Boeren was, voor de overwinning aan de belegerden geschonken, en de redding uit hunnen nood. De stem van den eerwaardigen, dapperen grijsaard sidderde van ontroering, en diep gevoel, terwijl hij het gebed deed en zijn nauw hoorbaar Amen ging verloren in het krachtig Amen! van zijne volgelingen. Zoo vochten die oude Voortrekkers; gedurende den strijd weerden zij zich als leeuwen; na den strijd was hun eerste gedachte om den Heer de glorie te geven van de overwinning.[127]

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.HOOFDSTUK XI.Den geheelen dag, na het vertrek van Pieter Retief lag David Malan nog in hevige pijnen in den wagen. Eerst tegen den avond begon hij zich beter te gevoelen, en dien nacht had hij een goede nachtrust, en, hoewel zwak, was hij den volgenden morgen in staat om op te staan, want zooals alle Afrikaansche Boeren, was David een vijand van het in bed liggen. Hij was echter vreeselijk uit zijn humeur en deed niets anders dan spreken over de teleurstelling, die hij ondervonden had, dat hij niet met den Kommandant-Generaal had kunnen samenrijden. Martje troostte hem zoo goed als zij kon[109]en zeide hem, dat het misschien de hand des Heeren was, die hem op het ziekbed geworpen had, om hem van den dood te redden, en zij deelde hem hare vrees mede, dat Retief en de zijnen nooit weder zouden terugkomen. David lachte haar uit, en zeide dat dit „net vrouwenpraatjes waren,” waar geen man zich aan stoorde.Het duurde bijna een week voor David zich weder geheel sterk gevoelde, en kon uitgaan om wild te schieten. Hoe het kwam wist hij niet, doch hij bevond op eens, dat zijn oud rijpaard niet meer zoo goed was als vroeger, en hij begon dus om te zien naar een ander. Bij toeval vernam hij dat zekere Joshua Joubert, die in het verst afgelegen kamp woonde, een goed rijpaard had om te verkoopen of te verruilen, en hij vatte dus het plan op naar dezen toe te rijden, en zoo mogelijk een ruil aan te gaan, al moest hij dan ook iets toegeven.Op den morgen van den 16denFebruari was hij dan ook reeds vroeg in den zadel, en sloeg den weg in naar het kamp van de Botha’s, waar Joshua Joubert woonde. Het werd het kamp van de Botha’s genaamd omdat de oude Johannes Botha de Kommandant er van was. David moest langs verscheidene andere lagers rijden. Eerst kwam hij bij dat van de Krugers, waar de oude en dappere Gert[110]Kruger het bevel voerde. Dit lager was in goede orde. De wagens waren wel niet in een kring getrokken, doch stonden zoo na bij elkaar, dat zulks in zeer korten tijd kon gedaan worden, als de nood het vereischte. Na een kommetje koffie gedronken te hebben, en een weinig te hebben „gezels” reed David naar het volgende kamp, dat der De Klerks. Ook dit lager was in goede orde en kon spoedig weerbaar gemaakt worden. Van hier naar het lager der Jouberts was het een stijve uur en een half, doch tot zijn groot genoegen kreeg David hier een maat, Willem Van Rensburg, die ook om bezigheid naar het kamp der Jouberts reed. Ten minste zoo gaf hij voor; de waarheid was echter, dat hij een beetje naar zijn nooi Johanna Van der Merwe wilde gaan kijken, die ook in het kamp woonde. Met al dit vertoeven was het reeds bijna middag toen David en Willem bij de Jouberts kwamen. Het trof David, dat dit lager zoo ongeregeld was. Het was eigenlijk volstrekt geen lager. De wagens stonden ver van elkander af, meestal dicht bij de Bushmansrivier, en hier en daar stond een tent.Nadat beiden bij oom Joshua Joubert (die een broer van Martje’s vader was) hadden afgezadeld, en de bewoners hadden gegroet, maakte David dan ook de aanmerking tegen Joshua, dat dit maar gevaarlijk[111]was om het kamp zoo uiteen te hebben.Oom Joshua lachte en zeide: „Kerel, ons is hier immers in ons eigen land, en die Kaffers zal ons immers geen kwaad doen. Die naaste Kaffers is die Zulu’s en met hullie is ons goede vrienden. Nog gisteren was hier twee van hullie, en hullie het ons gevraag om werk, maar op het oogenblik het ons nog volk genoeg.”„Het hullie niks gezegd van oom Pieter?” vroeg David.„Neen, hullie zeg dat hullie van die baai afkom, en niet van Dingaans kraal. Maar oom Pieter zal wel een van die dagen terugkomen.”„Hij is al 18 dagen weg,” hervatte David, „en hij kon al terug zijn.”„Misschien is hij gaan kijken naar die stuk grond wat Dingaan ons zal geef,” was het antwoord van oom Joshua, die dood gerust scheen.Juist op dit oogenblik kwam de jonge Joshua Joubert de tent binnen, en begon de handel tusschen de twee Boeren. De jonge Joshua liet zijn paard uit het veld halen, terwijl David het middagmaal genoot, want het was nu reeds twaalf uur. Toen het paard kwam, zag David dadelijk dat het een uitmuntend dier was, sterk en krachtig gebouwd, nog maar vier jaar oud, en met goede pooten. Joshua[112]gaf niet om te ruilen; hij zou Davids paard nemen, maar dan moest deze drie ossen toegeven. Dit was den jongen Malan te veel, en er vond heel wat geknibbel plaats, waarna David eerst het paard moest probeeren, en er een kwartier mede rondreed, iets, dat hem de uitstekende kwaliteit van het fiere dier dadelijk deed kennen. Eindelijk werd men het eens. David zou zijn paard achterlaten, en den volgenden dag aan Joubert twee groote ossen en een eenjarige os zenden. De achtermiddag en de avond werd toen genoeglijk doorgebracht. Toen het slapenstijd was ging David, daar zoowel de tent als de wagen der Jouberts vol was, op een kombaars slapen onder een grooten boom, niet ver van de tent, iets waar hij niets tegen had, want het was zeer warm weer en hoewel donkere maan, was de lucht helder en blonken de sterretjes aan den hemel. Ook Willem Van Rensburg kwam daar eenigen tijd later slapen. Daar beiden zeer vroeg wilden rijden, en van hunne vrienden afscheid hadden genomen, hadden zij hunne paarden op eenige treden aan een anderen boom vastgebonden, en sliepen zij op hunne zadels, die als hoofdkussens dienden.David kon dien nacht niet goed slapen. Hij was, hij wist niet waarom, onrustig over het lange wegblijven van Retief, en hoewel hij trachtte om de[113]gedachten uit zijn hoofd te zetten met een „alles gekheid” kon hem dit toch niet gelukken. Hij sluimerde nu en dan in, doch schrok elk oogenblik wakker. De ster, die de Boeren de voorlooper noemen, was juist opgegaan, en David, die toen wakker lag, was juist van plan om zijn maat te wekken, en den terugrit te beginnen, toen hij een vreemd geluid vernam. Zich oprichtende, zag hij op eenigen afstand een aantal zwarte gedaanten, bij de verst afgelegen wagens, en juist toen hij op de plotselinge gedachte kwam, dat het Kaffers waren, viel er een geweerschot.„Willem, de Kaffers is op ons,” riep David luid, en op zijn voeten springende, greep hij zijn zadel en toom, en liep naar zijn paard. Willem was dadelijk wakker en volgde Davids voorbeeld. In een oogwenk waren beide paarden opgezadeld, en beide jonge Boeren in den zadel. Een oogenblik zwenkte David zijn paard naar de tent van de Jouberts, en riep: „Oom Joshua, die Kaffers val ons aan,” en daarop schoot hem plotseling de gedachte door het hoofd, dat hij naar de andere lagers moest terugrijden, om hen te waarschuwen. Hij riep een haastig: „Kom Willem!” aan zijn makker toe, en drukte toen de hielen in de ribben van zijn paard. Het fiere dier, zulk een behandeling niet gewoon, deed een geweldigen sprong,[114]en dit juist in tijd, want een assegaai, door een Zulu geworpen, siste langs David voorbij. Sieraad, zooals de naam van het nieuwe paard van onzen held heette, was nu niet te keeren, en ging op een dollen galop door, zoodat David zijn handen vol had om het de rechte richting te doen houden. Toch zag hij even achter zich en kon in den schemer bemerken, dat Van Rensburg in vollen galop achter hem aankwam. Deze had ook een flink paard, en was spoedig ter zijde van David, en nu ging het lijnrecht naar het kamp van de De Klerks, over slooten, door bosschen, over klippen; niets stuitte de koene rijders. Zoodra het kamp in het gezicht kwam (want het was nu reeds daglicht) riep David zijn makker toe: „Willem, zeg hullie dat hullie lager moet trek, en voor hullie klaar hoû,” en zonder verder een woord rende hij het kamp voorbij, en bereikte spoedig het kamp der Krugers. Oom Gert stond juist bij zijn wagen, zijn eerste kommetje koffie te drinken, toen David zijn dampend en brieschend paard voor hem stil hield.„Wat is dit, wat is dit?” vroeg Oom Gert verschrikt.„Oom, die Zulu’s val ons aan. Hullie vermoor die menschen in Botha zijn kamp. Oom moet dadelijk lager trek, en alles klaar maak om jullie te[115]verdedigen. Maak gauw, Oom, want hullie zal zeker net nou hier wezen.”Oom Gert wierp koffie en kommetje neder en weldra werd zijn stem gehoord, „Lager trek, lager trek, die Zulu’s kom aan.”David gaf zich geen tijd om gade te slaan hoe het lager getrokken werd, hij dacht nu slechts aan zijne ouders en aan Martje, en zijn paard de hielen in de ribben zettende, vloog hij als een pijl verder. Hoe hij den één uur langen afstand afreed, wist hij zelf niet. Hij gaf Sieraad de volle teugels, en deze scheen van geen hinderpalen eenige notitie te nemen. Als een bok sprong hij over een tien voet breede sloot, en als een haas liep hij door de klippen. David begreep dat hij op zijn paard moest vertrouwen, en hij zag dat hij dit dan ook kon doen. Hij kneep zich dus in den zadel vast en zorgde slechts, dat het paard de rechte richting hield.De zon kwam juist op, toen David het lager inreed. Hier moet gezegd worden dat het lager der Retiefs, zooals dit genoemd werd, het beste in orde was. De wagens stonden in een kring op kleinen afstand van elkander, en kon in een oogwenk verschanst worden. David reed dadelijk naar de tent van Charel Cilliers, die de Kommandant was, in afwezigheid van Pieter Retief. Oom Charel stond[116]voor zijn tent, en rookte rustig een pijp toen David aankwam. Hij was geheel uit adem, en half stokkend, zeide hij:„Oom Charel, die Zulu’s kom aan; hullie het al die menschen in Botha’s kamp vermoord.”De dappere oude krijger had niets meer noodig.„Lager maken, die Zulu’s kom,” riep hij uit. „Trek de wagens bij elkaar,” en zoo volgde het eene bevel na het andere. David zadelde snel zijn paard af, en liet het los staan bij zijn wagen. Hij had thans geen tijd om voor het arme dier te zorgen hoe graag hij dit ook wilde. Integendeel hij moest eerst helpen zorgen voor de bescherming der vrouwen en kinderen.Een levendig tooneel vond nu plaats. In een oogenblik waren alle handen aan het werk om de wagens in een vasten kring te trekken, zoo na mogelijk bij elkaar. Het volk werd gezonden om bosschen en takken te kappen, om de openingen tusschen de wagens op te vullen. Het vee werd toen zoover mogelijk aan een anderen kant van een nabijzijnden berg gejaagd, om uit het gezicht der Kaffers te zijn, en daar werd het aan zijn lot overgelaten. Geweren werden schoongemaakt, en Charel Cilliers liet de ammunitiewagen openen en deelde kruid en lood uit.De vrouwen waren ook hier behulpzaam; zij hielpen[117]geweren schoonmaken, en een aantal hunner waren spoedig bezig kogels te gieten in de daarvoor bestemde kogelvormen. Oom Charel was overal; hier gaf hij order om een opening nog dichter te maken; hier vermaande hij de jongeren om bedaard te schieten en goed korrel te vatten, zoodat de ammunitie niet verspild werd want „elke kogel moet zijn Kaffer krijgen;” daar weder stelde hij angstige vrouwen en meisjes gerust; dan ging hij naar de tent van Retief, en troostte diens vrouw, die thans helaas, het ergste vreesde.„Oom, Charel, waar is die kanon,” vroeg David Malan op eens.„Mijn machtig, kerel, ik hêt die heele kanon vergeet. Hij staat daar achter bij die tent. Loop haal hem gauw met een spul kerels dan zal ons hem hier bij den ingang plaatsen.”De ingang was eene kleine ruimte van zoowat 8 voet breed, die thans met takken en bosschen dicht versperd was. Het kanon werd nu hier gebracht. Het was een oud koperen mondstuk, op een affuit dat waarschijnlijk een oud scheepskanon was geweest, en dat door een der trekkers was medegebracht. Het was algemeen beschouwd geweest als een nutteloos ding, maar heden kon het toch van nut zijn.„Ons kan niet banja met die ding schiet,” zeide Oom Charel, „want dit vat te veel kruit, maar als[118]die Kaffers het ons hier te warm maak, dan kan ons een paar schoten op hen los.”„Maar ons hêt geen kogels, Oom Charel,” zeide een der Boeren.„Ons kan die ding met stukken lood en oud ijzer laden; hullie noem dit schroot,” zeide de heer Alfred Smith, dien wij reeds kennen als de meester en secretaris.„Weet jij iets van die goed af, meester?” vroeg Charel Cilliers, die zelf maar weinig met die „goed” te doen had gehad.„Ja, Oom Charel, zoo’n beetje” was het antwoord van den meester. „Ik heb al met zulke dingen gewerkt.”In der waarheid was meester vroeger matroos op een Engelsch oorlogsschip geweest, en had hij dus wel degelijk kennis van een kanon, en toen Oom Charel hem nu tot „kanonnier” benoemde, wees meester spoedig dat hij zijn baantje niet vergeten had. In een oogenblik had hij een laadstok er voor gemaakt uit een stuk hout, en een spul oude lappen en veegde hij het kanon uit. Hij zuiverde het zundgat, en sneed een spul stokjes, waaraan hij lapjes deed, die als lont moesten dienen en daarop liet hij door een spul volk alle stukken oud ijzer, pot-pooten en wat maar tot „schroot” kon dienen bij elkander maken. Met behulp der vrouwen liet hij toen kruid-[119]en schrootpatronen maken van oud linnen en binnen zeer korten tijd stonden er twintig ladingen kant en klaar bij het kanon.Al dit werk nam nauwelijks den tijd van twee uur op, want men werkte met ijver en kracht. Geen Kaffer was nog te bespeuren, en men gebruikte den tijd om zich nog steeds beter gereed te maken en de meest zorgvuldige maatregelen te nemen. Er waren zoo wat negentig weerbare mannen in het kamp, buiten de kleurlingen, en een aantal dezer had men ook gewapend met geweren zoodat het geheel der verdedigers een goed eind over de honderd was. Een aantal spaargeweren werden aan de vrouwen gegeven om die aan de mannen achter de wagens te overhandigen, indien hun eigen geweren te warm werden.Het was bijna tien uur toen een der Boeren riep: „Daar kom hullie!” en inderdaad op den rand, die zoowat duizend treden aan de zuidzijde van het lager was, begon zich een dichte drom Kaffers te vertoonen.„Op jullie plek,” riep de oude Cilliers, „moet niet schiet voor hullie op ons is. En God, de God van Israël sta ons thans bij,” voegde hij er langzaam en eerbiedig bij.De Kaffers schenen op den rand eene consultatie te houden, hoe om het kamp op de beste wijze aan[120]te vallen. Zij hadden waarschijnlijk niet verwacht, dat zij de Boeren aldus tot weêrstand gereed zouden vinden, en dachten dat ook hier zij hen verrast zouden hebben. Eindelijk zag men een reusachtige Kaffer, op wiens hoofd een groote vederbos prijkte, zijn armen zwaaien en hierop begon een deel van hetZulu-impizich te verspreiden. Zij vormden de twee „hoorns,” totdat het geheele lager omringd was door eenige duizenden Zulu’s. En nu volgde een helsch lawaai, dat ontzetting in de harten der vrouwen joeg en de mannen de tanden op elkander deed knarsen. De Zulu’s sloegen met hunne assegaaien tegen hunne schilden, en hieven hun oorlogskreet aan. Toen—kwamen zij met een geweldige vaart van alle zijden op het lager aanstormen.De Boeren lieten hen naderen tot op zestig treden van de wagens, en toen dreunden de geweerschoten, en een honderdtal Zulu’s beten in het stof. Doch de anderen stuitten niet, doch kwamen aan. Thans vuurde elke Boer voor zichzelve zoo snel hij kon, en schoot ieder zijn naastbijzijnden Kaffer neder. De strijd werd fel. De geweerschoten knalden onophoulijk, en het geraas was oorverdoovend. Bij den ingang had Charel Cilliers tien fluksche mannen geplaatst en deze hadden hunne handen vol, om de Zulu te beletten door de takken en bosschen te komen. Doch[121]spoedig vormden de lijken der gevallen Zulu’s hier een breede borstwering.David stond voor op de wagenkist van een wagen, en elke kogel uit zijn geweer deed een Kaffer nedertuimelen. Martje stond dicht bij hem, achter den wagen; zij had een geladen geweer in haar hand, gereed om dit aan David te reiken, zoodra zijn eigen geweer te warm werd. Doch dit was thans niet noodig. De Zulu’s op zulk een ontvangst niet voorbereid, en geen kans ziende, om door den kogelregen in het lager te komen, namen de vlucht, ten minste voor het oogenblik, en liepen zoo snel zij konden naar het randje waar hunne makkers, die nog geen deel aan den strijd hadden genomen, stonden.Een groot aantal der aanvallers lagen dood of gewond voor het lager; bij verre de meesten echter van deze waren dood.De Zulu’s hielden nu weder raad, en zij konden dit gerust doen, want zij waren buiten het bereik der oude Sanna’s, die niet verder schoten dan uiterst tweehonderd treden. De Boeren kregen nu een goed half uur rust, en dit was hun uiterst welkom, want het gevecht was hevig geweest. Tot op dit oogenblik was er slechts een Boer licht gewond, daar een stoutmoedige Kaffer, hem met een assegaai in den arm gestoken had. De dappere kerel liet de wond[122]door zijne vrouw verbinden, en was daarna weer even gereed om op zijn post te gaan.Na verloop van een half uur begon er weder beweging onder de Kaffers te komen. Doch ditmaal veranderden zij van tactiek. In plaats van het lager te omringen kwamen zij nu in een dichten drom aan, en dat wel direct op de opening van het lager. Zij hadden begrepen dat dit het zwakste punt van het lager was, en wilden nu met geweld en door hun overmacht zich hier een weg banen. Doch Charel Cilliers bemerkte dadelijk hun doel, hij was te veel ervaren om zich te laten verschalken. Een twintigtal man bij de wagens latende, liet hij al de anderen post vatten in de nabijheid van den ingang.„Nu komt mijn tijd,” zeide meester, toen hij de Kaffers zag naderen, „jullie moet nou voor pad geven.” En met deze woorden nam hij zijn lont in de hand en liet de vier jonge Boeren, die hem hielpen, alles in gereedheid brengen om het kanon weder te laden, zoodra het afgeschoten was.De Zulu’s kwamen stadig aan, tot op een afstand van tweehonderd treden; toen maakten zij een wilden schielijken aanval op de opening. Doch de ontvangst die zij kregen van het thans geconcentreerde vuur der Boeren, was geenszins malsch, en toen nu meester zijn kanon tusschen de dichte massa afvuurde, en stukken[123]ijzer door hunne rijen heenvlogen, deinsden zij een oogenblik terug. Maar ook net maar een oogenblik—toen kwamen zij met vernieuwden moed aan. Doch tegen den kogelregen die thans op hen nederkletterde en tegen de drie schoten die meester snel op hen loste, was zelfs Zulu-moed niet bestand, en met verlies van een groot aantal dooden, sloegen zij op wilde vlucht.„Goed gedaan meester, dat is braaf,” riep Charel Cilliers uit toen de Zulu’s weg waren. „Daar dieOûGriet is al te kwaai voor hullie.Maar nou moet jullie oppas, kerels; die ergste zal nog komen. Die andere Zulu’s zal ons nou pak.”Inderdaad waren het slechts twee regimenten der „witschilden,” of jonge krijgers die den aanval op het lager gedaan hadden.De Ringkoppen of Zwartschilden hadden bedaard aangekeken naar het werk hunner jongere broeders. Nu deze geheel verslagen en moedeloos terugkwamen, stootten zij een verachtelijk Hu! Hu! uit, en maakten zij zich gereed om te toonen hoe spoedig zij hunnen vijand overmeesterden.Thans volgden zij weder hun oude tactiek en onder bevel van den man met den vederbos, begonnen zij het lager te omringen. Ieder der Boeren was nu weder op zijn ouden post. De Zulu’s sloegen als bezetenen op hunne schilden, en hieven[124]een ontzettenden krijgskreet aan, die het bloed in de aderen der dapperste Boeren deed verstijven. Een storm, en de Zulu’s waren bij de wagens. Doch de Boeren weerden zich dapper; de gedachte aan de vrouwen en kinderen gaf hun heldenmoed. De geweren knalden zonder ophouden. De Kaffers klommen tot op de wagens, doch vonden daar ook hunnen dood; geen Kaffer kwam het lager binnen.De dappere Martje schiet de Zulu neer!De dappere Martje schiet de Zulu neer!David was op zijn ouden post, en Martje stond weder bij hem, met het geladen geweer in de hand. Onze held had juist een forsche Kaffer den doodskogel gegeven, op geen drie treden afstand, toen een tweede Kaffer, bij den wagen opsprong, en voor David zijn geweer geladen had, den assegaai ophief om den jongen Boer dien in de borst te boren. Davids leven hing aan een draad. Hij trachtte instinctmatig de assegaai met zijn geweer weg te keeren, doch hij voelde, dat de dood hem voor oogen stond. Daar knalde een schot, en de Zulu, door een kogel in het hart getroffen, stortte zielloos van den wagen neder. Het was Martje geweest die het schot had gevuurd. Zij had het gevaar gezien waarin haar minnaar zweefde, en in een oogwenk was het zware geweer aan haar schouder, en trok zij den trekker. Doch David kon dit niet zien, want hij had geen tijd om om te kijken. Zoodra de Kaffer nederstortte[125]laadde hij zijn geweer weder en hield hij aan met vuren op de aanvallers.„Martje, die ander geweer,” riep hij opeens en het dappere meisje reikte hem dit. Zij had het weder geladen, en ontving nu het brandend heete geweer, dat zij dadelijk begon af te koelen met koud water.Het was inderdaad zooals Charel Cilliers gezegd had: het ergste kwam nu eerst. Een achttal Boeren waren reeds min of meer zwaar gewond; twee zelfs waren er gedood. Bij den ingang was de strijd het hevigst, en slechts door het nu en dan afvuren van het kanon, dat de Zulu’s schrik inboezemde omdat bij elk schot een aantal hunner tegelijk vielen, was men in staat deze gevaarlijke positie te verdedigen. Op raad van Cilliers begonnen de Boeren nu hunne geweren met „loopers” te laden, waarvan er gelukkig een geruimen voorraad in het lager was. Op den korten afstand waren deze van meer effect dan de kogels, en de Zulu’s vonden dit spoedig uit. Zij deden nog één wanhopige poging om de overwinning te behalen, doch tevergeefs. Toen sloegen zij op de vlucht; een wilde vlucht, waar geen keeren meer aan was. Ditmaal hielden zij niet meer stil op het randje; neen zij gingen het randje over en de jongere krijgers volgden hen zoo snel hunne voeten hen konden dragen.[126]De Boeren wachtten eenigen tijd om te zien of de vijand niet weder terugkomen zou, en toen na verloop van een half uur geen vijand opdaagde, zond Cilliers een der Boeren om te zien waar zij waren. Deze liep naar het randje en keek behoedzaam er over. Daarop zwaaide hij zijn hoed en kwam hij hard terugloopen.„Oom Charel, hullie loop daar ginter over die zwart randen, en hullie loopt nog dat het zoo barst. Terugkom zal hullie niet vandaag.”Charel Cilliers antwoordde niet. Hij knielde neder daar in het lager, en zwijgend volgde een ieder, mannen, vrouwen en kinderen zijn voorbeeld. En toen ging er een dankgebed op tot den God van Abraham, van Izaäk en van Jakob, die ook de God der Boeren was, voor de overwinning aan de belegerden geschonken, en de redding uit hunnen nood. De stem van den eerwaardigen, dapperen grijsaard sidderde van ontroering, en diep gevoel, terwijl hij het gebed deed en zijn nauw hoorbaar Amen ging verloren in het krachtig Amen! van zijne volgelingen. Zoo vochten die oude Voortrekkers; gedurende den strijd weerden zij zich als leeuwen; na den strijd was hun eerste gedachte om den Heer de glorie te geven van de overwinning.[127]

HOOFDSTUK XI.HOOFDSTUK XI.

HOOFDSTUK XI.

Den geheelen dag, na het vertrek van Pieter Retief lag David Malan nog in hevige pijnen in den wagen. Eerst tegen den avond begon hij zich beter te gevoelen, en dien nacht had hij een goede nachtrust, en, hoewel zwak, was hij den volgenden morgen in staat om op te staan, want zooals alle Afrikaansche Boeren, was David een vijand van het in bed liggen. Hij was echter vreeselijk uit zijn humeur en deed niets anders dan spreken over de teleurstelling, die hij ondervonden had, dat hij niet met den Kommandant-Generaal had kunnen samenrijden. Martje troostte hem zoo goed als zij kon[109]en zeide hem, dat het misschien de hand des Heeren was, die hem op het ziekbed geworpen had, om hem van den dood te redden, en zij deelde hem hare vrees mede, dat Retief en de zijnen nooit weder zouden terugkomen. David lachte haar uit, en zeide dat dit „net vrouwenpraatjes waren,” waar geen man zich aan stoorde.Het duurde bijna een week voor David zich weder geheel sterk gevoelde, en kon uitgaan om wild te schieten. Hoe het kwam wist hij niet, doch hij bevond op eens, dat zijn oud rijpaard niet meer zoo goed was als vroeger, en hij begon dus om te zien naar een ander. Bij toeval vernam hij dat zekere Joshua Joubert, die in het verst afgelegen kamp woonde, een goed rijpaard had om te verkoopen of te verruilen, en hij vatte dus het plan op naar dezen toe te rijden, en zoo mogelijk een ruil aan te gaan, al moest hij dan ook iets toegeven.Op den morgen van den 16denFebruari was hij dan ook reeds vroeg in den zadel, en sloeg den weg in naar het kamp van de Botha’s, waar Joshua Joubert woonde. Het werd het kamp van de Botha’s genaamd omdat de oude Johannes Botha de Kommandant er van was. David moest langs verscheidene andere lagers rijden. Eerst kwam hij bij dat van de Krugers, waar de oude en dappere Gert[110]Kruger het bevel voerde. Dit lager was in goede orde. De wagens waren wel niet in een kring getrokken, doch stonden zoo na bij elkaar, dat zulks in zeer korten tijd kon gedaan worden, als de nood het vereischte. Na een kommetje koffie gedronken te hebben, en een weinig te hebben „gezels” reed David naar het volgende kamp, dat der De Klerks. Ook dit lager was in goede orde en kon spoedig weerbaar gemaakt worden. Van hier naar het lager der Jouberts was het een stijve uur en een half, doch tot zijn groot genoegen kreeg David hier een maat, Willem Van Rensburg, die ook om bezigheid naar het kamp der Jouberts reed. Ten minste zoo gaf hij voor; de waarheid was echter, dat hij een beetje naar zijn nooi Johanna Van der Merwe wilde gaan kijken, die ook in het kamp woonde. Met al dit vertoeven was het reeds bijna middag toen David en Willem bij de Jouberts kwamen. Het trof David, dat dit lager zoo ongeregeld was. Het was eigenlijk volstrekt geen lager. De wagens stonden ver van elkander af, meestal dicht bij de Bushmansrivier, en hier en daar stond een tent.Nadat beiden bij oom Joshua Joubert (die een broer van Martje’s vader was) hadden afgezadeld, en de bewoners hadden gegroet, maakte David dan ook de aanmerking tegen Joshua, dat dit maar gevaarlijk[111]was om het kamp zoo uiteen te hebben.Oom Joshua lachte en zeide: „Kerel, ons is hier immers in ons eigen land, en die Kaffers zal ons immers geen kwaad doen. Die naaste Kaffers is die Zulu’s en met hullie is ons goede vrienden. Nog gisteren was hier twee van hullie, en hullie het ons gevraag om werk, maar op het oogenblik het ons nog volk genoeg.”„Het hullie niks gezegd van oom Pieter?” vroeg David.„Neen, hullie zeg dat hullie van die baai afkom, en niet van Dingaans kraal. Maar oom Pieter zal wel een van die dagen terugkomen.”„Hij is al 18 dagen weg,” hervatte David, „en hij kon al terug zijn.”„Misschien is hij gaan kijken naar die stuk grond wat Dingaan ons zal geef,” was het antwoord van oom Joshua, die dood gerust scheen.Juist op dit oogenblik kwam de jonge Joshua Joubert de tent binnen, en begon de handel tusschen de twee Boeren. De jonge Joshua liet zijn paard uit het veld halen, terwijl David het middagmaal genoot, want het was nu reeds twaalf uur. Toen het paard kwam, zag David dadelijk dat het een uitmuntend dier was, sterk en krachtig gebouwd, nog maar vier jaar oud, en met goede pooten. Joshua[112]gaf niet om te ruilen; hij zou Davids paard nemen, maar dan moest deze drie ossen toegeven. Dit was den jongen Malan te veel, en er vond heel wat geknibbel plaats, waarna David eerst het paard moest probeeren, en er een kwartier mede rondreed, iets, dat hem de uitstekende kwaliteit van het fiere dier dadelijk deed kennen. Eindelijk werd men het eens. David zou zijn paard achterlaten, en den volgenden dag aan Joubert twee groote ossen en een eenjarige os zenden. De achtermiddag en de avond werd toen genoeglijk doorgebracht. Toen het slapenstijd was ging David, daar zoowel de tent als de wagen der Jouberts vol was, op een kombaars slapen onder een grooten boom, niet ver van de tent, iets waar hij niets tegen had, want het was zeer warm weer en hoewel donkere maan, was de lucht helder en blonken de sterretjes aan den hemel. Ook Willem Van Rensburg kwam daar eenigen tijd later slapen. Daar beiden zeer vroeg wilden rijden, en van hunne vrienden afscheid hadden genomen, hadden zij hunne paarden op eenige treden aan een anderen boom vastgebonden, en sliepen zij op hunne zadels, die als hoofdkussens dienden.David kon dien nacht niet goed slapen. Hij was, hij wist niet waarom, onrustig over het lange wegblijven van Retief, en hoewel hij trachtte om de[113]gedachten uit zijn hoofd te zetten met een „alles gekheid” kon hem dit toch niet gelukken. Hij sluimerde nu en dan in, doch schrok elk oogenblik wakker. De ster, die de Boeren de voorlooper noemen, was juist opgegaan, en David, die toen wakker lag, was juist van plan om zijn maat te wekken, en den terugrit te beginnen, toen hij een vreemd geluid vernam. Zich oprichtende, zag hij op eenigen afstand een aantal zwarte gedaanten, bij de verst afgelegen wagens, en juist toen hij op de plotselinge gedachte kwam, dat het Kaffers waren, viel er een geweerschot.„Willem, de Kaffers is op ons,” riep David luid, en op zijn voeten springende, greep hij zijn zadel en toom, en liep naar zijn paard. Willem was dadelijk wakker en volgde Davids voorbeeld. In een oogwenk waren beide paarden opgezadeld, en beide jonge Boeren in den zadel. Een oogenblik zwenkte David zijn paard naar de tent van de Jouberts, en riep: „Oom Joshua, die Kaffers val ons aan,” en daarop schoot hem plotseling de gedachte door het hoofd, dat hij naar de andere lagers moest terugrijden, om hen te waarschuwen. Hij riep een haastig: „Kom Willem!” aan zijn makker toe, en drukte toen de hielen in de ribben van zijn paard. Het fiere dier, zulk een behandeling niet gewoon, deed een geweldigen sprong,[114]en dit juist in tijd, want een assegaai, door een Zulu geworpen, siste langs David voorbij. Sieraad, zooals de naam van het nieuwe paard van onzen held heette, was nu niet te keeren, en ging op een dollen galop door, zoodat David zijn handen vol had om het de rechte richting te doen houden. Toch zag hij even achter zich en kon in den schemer bemerken, dat Van Rensburg in vollen galop achter hem aankwam. Deze had ook een flink paard, en was spoedig ter zijde van David, en nu ging het lijnrecht naar het kamp van de De Klerks, over slooten, door bosschen, over klippen; niets stuitte de koene rijders. Zoodra het kamp in het gezicht kwam (want het was nu reeds daglicht) riep David zijn makker toe: „Willem, zeg hullie dat hullie lager moet trek, en voor hullie klaar hoû,” en zonder verder een woord rende hij het kamp voorbij, en bereikte spoedig het kamp der Krugers. Oom Gert stond juist bij zijn wagen, zijn eerste kommetje koffie te drinken, toen David zijn dampend en brieschend paard voor hem stil hield.„Wat is dit, wat is dit?” vroeg Oom Gert verschrikt.„Oom, die Zulu’s val ons aan. Hullie vermoor die menschen in Botha zijn kamp. Oom moet dadelijk lager trek, en alles klaar maak om jullie te[115]verdedigen. Maak gauw, Oom, want hullie zal zeker net nou hier wezen.”Oom Gert wierp koffie en kommetje neder en weldra werd zijn stem gehoord, „Lager trek, lager trek, die Zulu’s kom aan.”David gaf zich geen tijd om gade te slaan hoe het lager getrokken werd, hij dacht nu slechts aan zijne ouders en aan Martje, en zijn paard de hielen in de ribben zettende, vloog hij als een pijl verder. Hoe hij den één uur langen afstand afreed, wist hij zelf niet. Hij gaf Sieraad de volle teugels, en deze scheen van geen hinderpalen eenige notitie te nemen. Als een bok sprong hij over een tien voet breede sloot, en als een haas liep hij door de klippen. David begreep dat hij op zijn paard moest vertrouwen, en hij zag dat hij dit dan ook kon doen. Hij kneep zich dus in den zadel vast en zorgde slechts, dat het paard de rechte richting hield.De zon kwam juist op, toen David het lager inreed. Hier moet gezegd worden dat het lager der Retiefs, zooals dit genoemd werd, het beste in orde was. De wagens stonden in een kring op kleinen afstand van elkander, en kon in een oogwenk verschanst worden. David reed dadelijk naar de tent van Charel Cilliers, die de Kommandant was, in afwezigheid van Pieter Retief. Oom Charel stond[116]voor zijn tent, en rookte rustig een pijp toen David aankwam. Hij was geheel uit adem, en half stokkend, zeide hij:„Oom Charel, die Zulu’s kom aan; hullie het al die menschen in Botha’s kamp vermoord.”De dappere oude krijger had niets meer noodig.„Lager maken, die Zulu’s kom,” riep hij uit. „Trek de wagens bij elkaar,” en zoo volgde het eene bevel na het andere. David zadelde snel zijn paard af, en liet het los staan bij zijn wagen. Hij had thans geen tijd om voor het arme dier te zorgen hoe graag hij dit ook wilde. Integendeel hij moest eerst helpen zorgen voor de bescherming der vrouwen en kinderen.Een levendig tooneel vond nu plaats. In een oogenblik waren alle handen aan het werk om de wagens in een vasten kring te trekken, zoo na mogelijk bij elkaar. Het volk werd gezonden om bosschen en takken te kappen, om de openingen tusschen de wagens op te vullen. Het vee werd toen zoover mogelijk aan een anderen kant van een nabijzijnden berg gejaagd, om uit het gezicht der Kaffers te zijn, en daar werd het aan zijn lot overgelaten. Geweren werden schoongemaakt, en Charel Cilliers liet de ammunitiewagen openen en deelde kruid en lood uit.De vrouwen waren ook hier behulpzaam; zij hielpen[117]geweren schoonmaken, en een aantal hunner waren spoedig bezig kogels te gieten in de daarvoor bestemde kogelvormen. Oom Charel was overal; hier gaf hij order om een opening nog dichter te maken; hier vermaande hij de jongeren om bedaard te schieten en goed korrel te vatten, zoodat de ammunitie niet verspild werd want „elke kogel moet zijn Kaffer krijgen;” daar weder stelde hij angstige vrouwen en meisjes gerust; dan ging hij naar de tent van Retief, en troostte diens vrouw, die thans helaas, het ergste vreesde.„Oom, Charel, waar is die kanon,” vroeg David Malan op eens.„Mijn machtig, kerel, ik hêt die heele kanon vergeet. Hij staat daar achter bij die tent. Loop haal hem gauw met een spul kerels dan zal ons hem hier bij den ingang plaatsen.”De ingang was eene kleine ruimte van zoowat 8 voet breed, die thans met takken en bosschen dicht versperd was. Het kanon werd nu hier gebracht. Het was een oud koperen mondstuk, op een affuit dat waarschijnlijk een oud scheepskanon was geweest, en dat door een der trekkers was medegebracht. Het was algemeen beschouwd geweest als een nutteloos ding, maar heden kon het toch van nut zijn.„Ons kan niet banja met die ding schiet,” zeide Oom Charel, „want dit vat te veel kruit, maar als[118]die Kaffers het ons hier te warm maak, dan kan ons een paar schoten op hen los.”„Maar ons hêt geen kogels, Oom Charel,” zeide een der Boeren.„Ons kan die ding met stukken lood en oud ijzer laden; hullie noem dit schroot,” zeide de heer Alfred Smith, dien wij reeds kennen als de meester en secretaris.„Weet jij iets van die goed af, meester?” vroeg Charel Cilliers, die zelf maar weinig met die „goed” te doen had gehad.„Ja, Oom Charel, zoo’n beetje” was het antwoord van den meester. „Ik heb al met zulke dingen gewerkt.”In der waarheid was meester vroeger matroos op een Engelsch oorlogsschip geweest, en had hij dus wel degelijk kennis van een kanon, en toen Oom Charel hem nu tot „kanonnier” benoemde, wees meester spoedig dat hij zijn baantje niet vergeten had. In een oogenblik had hij een laadstok er voor gemaakt uit een stuk hout, en een spul oude lappen en veegde hij het kanon uit. Hij zuiverde het zundgat, en sneed een spul stokjes, waaraan hij lapjes deed, die als lont moesten dienen en daarop liet hij door een spul volk alle stukken oud ijzer, pot-pooten en wat maar tot „schroot” kon dienen bij elkander maken. Met behulp der vrouwen liet hij toen kruid-[119]en schrootpatronen maken van oud linnen en binnen zeer korten tijd stonden er twintig ladingen kant en klaar bij het kanon.Al dit werk nam nauwelijks den tijd van twee uur op, want men werkte met ijver en kracht. Geen Kaffer was nog te bespeuren, en men gebruikte den tijd om zich nog steeds beter gereed te maken en de meest zorgvuldige maatregelen te nemen. Er waren zoo wat negentig weerbare mannen in het kamp, buiten de kleurlingen, en een aantal dezer had men ook gewapend met geweren zoodat het geheel der verdedigers een goed eind over de honderd was. Een aantal spaargeweren werden aan de vrouwen gegeven om die aan de mannen achter de wagens te overhandigen, indien hun eigen geweren te warm werden.Het was bijna tien uur toen een der Boeren riep: „Daar kom hullie!” en inderdaad op den rand, die zoowat duizend treden aan de zuidzijde van het lager was, begon zich een dichte drom Kaffers te vertoonen.„Op jullie plek,” riep de oude Cilliers, „moet niet schiet voor hullie op ons is. En God, de God van Israël sta ons thans bij,” voegde hij er langzaam en eerbiedig bij.De Kaffers schenen op den rand eene consultatie te houden, hoe om het kamp op de beste wijze aan[120]te vallen. Zij hadden waarschijnlijk niet verwacht, dat zij de Boeren aldus tot weêrstand gereed zouden vinden, en dachten dat ook hier zij hen verrast zouden hebben. Eindelijk zag men een reusachtige Kaffer, op wiens hoofd een groote vederbos prijkte, zijn armen zwaaien en hierop begon een deel van hetZulu-impizich te verspreiden. Zij vormden de twee „hoorns,” totdat het geheele lager omringd was door eenige duizenden Zulu’s. En nu volgde een helsch lawaai, dat ontzetting in de harten der vrouwen joeg en de mannen de tanden op elkander deed knarsen. De Zulu’s sloegen met hunne assegaaien tegen hunne schilden, en hieven hun oorlogskreet aan. Toen—kwamen zij met een geweldige vaart van alle zijden op het lager aanstormen.De Boeren lieten hen naderen tot op zestig treden van de wagens, en toen dreunden de geweerschoten, en een honderdtal Zulu’s beten in het stof. Doch de anderen stuitten niet, doch kwamen aan. Thans vuurde elke Boer voor zichzelve zoo snel hij kon, en schoot ieder zijn naastbijzijnden Kaffer neder. De strijd werd fel. De geweerschoten knalden onophoulijk, en het geraas was oorverdoovend. Bij den ingang had Charel Cilliers tien fluksche mannen geplaatst en deze hadden hunne handen vol, om de Zulu te beletten door de takken en bosschen te komen. Doch[121]spoedig vormden de lijken der gevallen Zulu’s hier een breede borstwering.David stond voor op de wagenkist van een wagen, en elke kogel uit zijn geweer deed een Kaffer nedertuimelen. Martje stond dicht bij hem, achter den wagen; zij had een geladen geweer in haar hand, gereed om dit aan David te reiken, zoodra zijn eigen geweer te warm werd. Doch dit was thans niet noodig. De Zulu’s op zulk een ontvangst niet voorbereid, en geen kans ziende, om door den kogelregen in het lager te komen, namen de vlucht, ten minste voor het oogenblik, en liepen zoo snel zij konden naar het randje waar hunne makkers, die nog geen deel aan den strijd hadden genomen, stonden.Een groot aantal der aanvallers lagen dood of gewond voor het lager; bij verre de meesten echter van deze waren dood.De Zulu’s hielden nu weder raad, en zij konden dit gerust doen, want zij waren buiten het bereik der oude Sanna’s, die niet verder schoten dan uiterst tweehonderd treden. De Boeren kregen nu een goed half uur rust, en dit was hun uiterst welkom, want het gevecht was hevig geweest. Tot op dit oogenblik was er slechts een Boer licht gewond, daar een stoutmoedige Kaffer, hem met een assegaai in den arm gestoken had. De dappere kerel liet de wond[122]door zijne vrouw verbinden, en was daarna weer even gereed om op zijn post te gaan.Na verloop van een half uur begon er weder beweging onder de Kaffers te komen. Doch ditmaal veranderden zij van tactiek. In plaats van het lager te omringen kwamen zij nu in een dichten drom aan, en dat wel direct op de opening van het lager. Zij hadden begrepen dat dit het zwakste punt van het lager was, en wilden nu met geweld en door hun overmacht zich hier een weg banen. Doch Charel Cilliers bemerkte dadelijk hun doel, hij was te veel ervaren om zich te laten verschalken. Een twintigtal man bij de wagens latende, liet hij al de anderen post vatten in de nabijheid van den ingang.„Nu komt mijn tijd,” zeide meester, toen hij de Kaffers zag naderen, „jullie moet nou voor pad geven.” En met deze woorden nam hij zijn lont in de hand en liet de vier jonge Boeren, die hem hielpen, alles in gereedheid brengen om het kanon weder te laden, zoodra het afgeschoten was.De Zulu’s kwamen stadig aan, tot op een afstand van tweehonderd treden; toen maakten zij een wilden schielijken aanval op de opening. Doch de ontvangst die zij kregen van het thans geconcentreerde vuur der Boeren, was geenszins malsch, en toen nu meester zijn kanon tusschen de dichte massa afvuurde, en stukken[123]ijzer door hunne rijen heenvlogen, deinsden zij een oogenblik terug. Maar ook net maar een oogenblik—toen kwamen zij met vernieuwden moed aan. Doch tegen den kogelregen die thans op hen nederkletterde en tegen de drie schoten die meester snel op hen loste, was zelfs Zulu-moed niet bestand, en met verlies van een groot aantal dooden, sloegen zij op wilde vlucht.„Goed gedaan meester, dat is braaf,” riep Charel Cilliers uit toen de Zulu’s weg waren. „Daar dieOûGriet is al te kwaai voor hullie.Maar nou moet jullie oppas, kerels; die ergste zal nog komen. Die andere Zulu’s zal ons nou pak.”Inderdaad waren het slechts twee regimenten der „witschilden,” of jonge krijgers die den aanval op het lager gedaan hadden.De Ringkoppen of Zwartschilden hadden bedaard aangekeken naar het werk hunner jongere broeders. Nu deze geheel verslagen en moedeloos terugkwamen, stootten zij een verachtelijk Hu! Hu! uit, en maakten zij zich gereed om te toonen hoe spoedig zij hunnen vijand overmeesterden.Thans volgden zij weder hun oude tactiek en onder bevel van den man met den vederbos, begonnen zij het lager te omringen. Ieder der Boeren was nu weder op zijn ouden post. De Zulu’s sloegen als bezetenen op hunne schilden, en hieven[124]een ontzettenden krijgskreet aan, die het bloed in de aderen der dapperste Boeren deed verstijven. Een storm, en de Zulu’s waren bij de wagens. Doch de Boeren weerden zich dapper; de gedachte aan de vrouwen en kinderen gaf hun heldenmoed. De geweren knalden zonder ophouden. De Kaffers klommen tot op de wagens, doch vonden daar ook hunnen dood; geen Kaffer kwam het lager binnen.De dappere Martje schiet de Zulu neer!De dappere Martje schiet de Zulu neer!David was op zijn ouden post, en Martje stond weder bij hem, met het geladen geweer in de hand. Onze held had juist een forsche Kaffer den doodskogel gegeven, op geen drie treden afstand, toen een tweede Kaffer, bij den wagen opsprong, en voor David zijn geweer geladen had, den assegaai ophief om den jongen Boer dien in de borst te boren. Davids leven hing aan een draad. Hij trachtte instinctmatig de assegaai met zijn geweer weg te keeren, doch hij voelde, dat de dood hem voor oogen stond. Daar knalde een schot, en de Zulu, door een kogel in het hart getroffen, stortte zielloos van den wagen neder. Het was Martje geweest die het schot had gevuurd. Zij had het gevaar gezien waarin haar minnaar zweefde, en in een oogwenk was het zware geweer aan haar schouder, en trok zij den trekker. Doch David kon dit niet zien, want hij had geen tijd om om te kijken. Zoodra de Kaffer nederstortte[125]laadde hij zijn geweer weder en hield hij aan met vuren op de aanvallers.„Martje, die ander geweer,” riep hij opeens en het dappere meisje reikte hem dit. Zij had het weder geladen, en ontving nu het brandend heete geweer, dat zij dadelijk begon af te koelen met koud water.Het was inderdaad zooals Charel Cilliers gezegd had: het ergste kwam nu eerst. Een achttal Boeren waren reeds min of meer zwaar gewond; twee zelfs waren er gedood. Bij den ingang was de strijd het hevigst, en slechts door het nu en dan afvuren van het kanon, dat de Zulu’s schrik inboezemde omdat bij elk schot een aantal hunner tegelijk vielen, was men in staat deze gevaarlijke positie te verdedigen. Op raad van Cilliers begonnen de Boeren nu hunne geweren met „loopers” te laden, waarvan er gelukkig een geruimen voorraad in het lager was. Op den korten afstand waren deze van meer effect dan de kogels, en de Zulu’s vonden dit spoedig uit. Zij deden nog één wanhopige poging om de overwinning te behalen, doch tevergeefs. Toen sloegen zij op de vlucht; een wilde vlucht, waar geen keeren meer aan was. Ditmaal hielden zij niet meer stil op het randje; neen zij gingen het randje over en de jongere krijgers volgden hen zoo snel hunne voeten hen konden dragen.[126]De Boeren wachtten eenigen tijd om te zien of de vijand niet weder terugkomen zou, en toen na verloop van een half uur geen vijand opdaagde, zond Cilliers een der Boeren om te zien waar zij waren. Deze liep naar het randje en keek behoedzaam er over. Daarop zwaaide hij zijn hoed en kwam hij hard terugloopen.„Oom Charel, hullie loop daar ginter over die zwart randen, en hullie loopt nog dat het zoo barst. Terugkom zal hullie niet vandaag.”Charel Cilliers antwoordde niet. Hij knielde neder daar in het lager, en zwijgend volgde een ieder, mannen, vrouwen en kinderen zijn voorbeeld. En toen ging er een dankgebed op tot den God van Abraham, van Izaäk en van Jakob, die ook de God der Boeren was, voor de overwinning aan de belegerden geschonken, en de redding uit hunnen nood. De stem van den eerwaardigen, dapperen grijsaard sidderde van ontroering, en diep gevoel, terwijl hij het gebed deed en zijn nauw hoorbaar Amen ging verloren in het krachtig Amen! van zijne volgelingen. Zoo vochten die oude Voortrekkers; gedurende den strijd weerden zij zich als leeuwen; na den strijd was hun eerste gedachte om den Heer de glorie te geven van de overwinning.[127]

Den geheelen dag, na het vertrek van Pieter Retief lag David Malan nog in hevige pijnen in den wagen. Eerst tegen den avond begon hij zich beter te gevoelen, en dien nacht had hij een goede nachtrust, en, hoewel zwak, was hij den volgenden morgen in staat om op te staan, want zooals alle Afrikaansche Boeren, was David een vijand van het in bed liggen. Hij was echter vreeselijk uit zijn humeur en deed niets anders dan spreken over de teleurstelling, die hij ondervonden had, dat hij niet met den Kommandant-Generaal had kunnen samenrijden. Martje troostte hem zoo goed als zij kon[109]en zeide hem, dat het misschien de hand des Heeren was, die hem op het ziekbed geworpen had, om hem van den dood te redden, en zij deelde hem hare vrees mede, dat Retief en de zijnen nooit weder zouden terugkomen. David lachte haar uit, en zeide dat dit „net vrouwenpraatjes waren,” waar geen man zich aan stoorde.

Het duurde bijna een week voor David zich weder geheel sterk gevoelde, en kon uitgaan om wild te schieten. Hoe het kwam wist hij niet, doch hij bevond op eens, dat zijn oud rijpaard niet meer zoo goed was als vroeger, en hij begon dus om te zien naar een ander. Bij toeval vernam hij dat zekere Joshua Joubert, die in het verst afgelegen kamp woonde, een goed rijpaard had om te verkoopen of te verruilen, en hij vatte dus het plan op naar dezen toe te rijden, en zoo mogelijk een ruil aan te gaan, al moest hij dan ook iets toegeven.

Op den morgen van den 16denFebruari was hij dan ook reeds vroeg in den zadel, en sloeg den weg in naar het kamp van de Botha’s, waar Joshua Joubert woonde. Het werd het kamp van de Botha’s genaamd omdat de oude Johannes Botha de Kommandant er van was. David moest langs verscheidene andere lagers rijden. Eerst kwam hij bij dat van de Krugers, waar de oude en dappere Gert[110]Kruger het bevel voerde. Dit lager was in goede orde. De wagens waren wel niet in een kring getrokken, doch stonden zoo na bij elkaar, dat zulks in zeer korten tijd kon gedaan worden, als de nood het vereischte. Na een kommetje koffie gedronken te hebben, en een weinig te hebben „gezels” reed David naar het volgende kamp, dat der De Klerks. Ook dit lager was in goede orde en kon spoedig weerbaar gemaakt worden. Van hier naar het lager der Jouberts was het een stijve uur en een half, doch tot zijn groot genoegen kreeg David hier een maat, Willem Van Rensburg, die ook om bezigheid naar het kamp der Jouberts reed. Ten minste zoo gaf hij voor; de waarheid was echter, dat hij een beetje naar zijn nooi Johanna Van der Merwe wilde gaan kijken, die ook in het kamp woonde. Met al dit vertoeven was het reeds bijna middag toen David en Willem bij de Jouberts kwamen. Het trof David, dat dit lager zoo ongeregeld was. Het was eigenlijk volstrekt geen lager. De wagens stonden ver van elkander af, meestal dicht bij de Bushmansrivier, en hier en daar stond een tent.

Nadat beiden bij oom Joshua Joubert (die een broer van Martje’s vader was) hadden afgezadeld, en de bewoners hadden gegroet, maakte David dan ook de aanmerking tegen Joshua, dat dit maar gevaarlijk[111]was om het kamp zoo uiteen te hebben.

Oom Joshua lachte en zeide: „Kerel, ons is hier immers in ons eigen land, en die Kaffers zal ons immers geen kwaad doen. Die naaste Kaffers is die Zulu’s en met hullie is ons goede vrienden. Nog gisteren was hier twee van hullie, en hullie het ons gevraag om werk, maar op het oogenblik het ons nog volk genoeg.”

„Het hullie niks gezegd van oom Pieter?” vroeg David.

„Neen, hullie zeg dat hullie van die baai afkom, en niet van Dingaans kraal. Maar oom Pieter zal wel een van die dagen terugkomen.”

„Hij is al 18 dagen weg,” hervatte David, „en hij kon al terug zijn.”

„Misschien is hij gaan kijken naar die stuk grond wat Dingaan ons zal geef,” was het antwoord van oom Joshua, die dood gerust scheen.

Juist op dit oogenblik kwam de jonge Joshua Joubert de tent binnen, en begon de handel tusschen de twee Boeren. De jonge Joshua liet zijn paard uit het veld halen, terwijl David het middagmaal genoot, want het was nu reeds twaalf uur. Toen het paard kwam, zag David dadelijk dat het een uitmuntend dier was, sterk en krachtig gebouwd, nog maar vier jaar oud, en met goede pooten. Joshua[112]gaf niet om te ruilen; hij zou Davids paard nemen, maar dan moest deze drie ossen toegeven. Dit was den jongen Malan te veel, en er vond heel wat geknibbel plaats, waarna David eerst het paard moest probeeren, en er een kwartier mede rondreed, iets, dat hem de uitstekende kwaliteit van het fiere dier dadelijk deed kennen. Eindelijk werd men het eens. David zou zijn paard achterlaten, en den volgenden dag aan Joubert twee groote ossen en een eenjarige os zenden. De achtermiddag en de avond werd toen genoeglijk doorgebracht. Toen het slapenstijd was ging David, daar zoowel de tent als de wagen der Jouberts vol was, op een kombaars slapen onder een grooten boom, niet ver van de tent, iets waar hij niets tegen had, want het was zeer warm weer en hoewel donkere maan, was de lucht helder en blonken de sterretjes aan den hemel. Ook Willem Van Rensburg kwam daar eenigen tijd later slapen. Daar beiden zeer vroeg wilden rijden, en van hunne vrienden afscheid hadden genomen, hadden zij hunne paarden op eenige treden aan een anderen boom vastgebonden, en sliepen zij op hunne zadels, die als hoofdkussens dienden.

David kon dien nacht niet goed slapen. Hij was, hij wist niet waarom, onrustig over het lange wegblijven van Retief, en hoewel hij trachtte om de[113]gedachten uit zijn hoofd te zetten met een „alles gekheid” kon hem dit toch niet gelukken. Hij sluimerde nu en dan in, doch schrok elk oogenblik wakker. De ster, die de Boeren de voorlooper noemen, was juist opgegaan, en David, die toen wakker lag, was juist van plan om zijn maat te wekken, en den terugrit te beginnen, toen hij een vreemd geluid vernam. Zich oprichtende, zag hij op eenigen afstand een aantal zwarte gedaanten, bij de verst afgelegen wagens, en juist toen hij op de plotselinge gedachte kwam, dat het Kaffers waren, viel er een geweerschot.

„Willem, de Kaffers is op ons,” riep David luid, en op zijn voeten springende, greep hij zijn zadel en toom, en liep naar zijn paard. Willem was dadelijk wakker en volgde Davids voorbeeld. In een oogwenk waren beide paarden opgezadeld, en beide jonge Boeren in den zadel. Een oogenblik zwenkte David zijn paard naar de tent van de Jouberts, en riep: „Oom Joshua, die Kaffers val ons aan,” en daarop schoot hem plotseling de gedachte door het hoofd, dat hij naar de andere lagers moest terugrijden, om hen te waarschuwen. Hij riep een haastig: „Kom Willem!” aan zijn makker toe, en drukte toen de hielen in de ribben van zijn paard. Het fiere dier, zulk een behandeling niet gewoon, deed een geweldigen sprong,[114]en dit juist in tijd, want een assegaai, door een Zulu geworpen, siste langs David voorbij. Sieraad, zooals de naam van het nieuwe paard van onzen held heette, was nu niet te keeren, en ging op een dollen galop door, zoodat David zijn handen vol had om het de rechte richting te doen houden. Toch zag hij even achter zich en kon in den schemer bemerken, dat Van Rensburg in vollen galop achter hem aankwam. Deze had ook een flink paard, en was spoedig ter zijde van David, en nu ging het lijnrecht naar het kamp van de De Klerks, over slooten, door bosschen, over klippen; niets stuitte de koene rijders. Zoodra het kamp in het gezicht kwam (want het was nu reeds daglicht) riep David zijn makker toe: „Willem, zeg hullie dat hullie lager moet trek, en voor hullie klaar hoû,” en zonder verder een woord rende hij het kamp voorbij, en bereikte spoedig het kamp der Krugers. Oom Gert stond juist bij zijn wagen, zijn eerste kommetje koffie te drinken, toen David zijn dampend en brieschend paard voor hem stil hield.

„Wat is dit, wat is dit?” vroeg Oom Gert verschrikt.

„Oom, die Zulu’s val ons aan. Hullie vermoor die menschen in Botha zijn kamp. Oom moet dadelijk lager trek, en alles klaar maak om jullie te[115]verdedigen. Maak gauw, Oom, want hullie zal zeker net nou hier wezen.”

Oom Gert wierp koffie en kommetje neder en weldra werd zijn stem gehoord, „Lager trek, lager trek, die Zulu’s kom aan.”

David gaf zich geen tijd om gade te slaan hoe het lager getrokken werd, hij dacht nu slechts aan zijne ouders en aan Martje, en zijn paard de hielen in de ribben zettende, vloog hij als een pijl verder. Hoe hij den één uur langen afstand afreed, wist hij zelf niet. Hij gaf Sieraad de volle teugels, en deze scheen van geen hinderpalen eenige notitie te nemen. Als een bok sprong hij over een tien voet breede sloot, en als een haas liep hij door de klippen. David begreep dat hij op zijn paard moest vertrouwen, en hij zag dat hij dit dan ook kon doen. Hij kneep zich dus in den zadel vast en zorgde slechts, dat het paard de rechte richting hield.

De zon kwam juist op, toen David het lager inreed. Hier moet gezegd worden dat het lager der Retiefs, zooals dit genoemd werd, het beste in orde was. De wagens stonden in een kring op kleinen afstand van elkander, en kon in een oogwenk verschanst worden. David reed dadelijk naar de tent van Charel Cilliers, die de Kommandant was, in afwezigheid van Pieter Retief. Oom Charel stond[116]voor zijn tent, en rookte rustig een pijp toen David aankwam. Hij was geheel uit adem, en half stokkend, zeide hij:

„Oom Charel, die Zulu’s kom aan; hullie het al die menschen in Botha’s kamp vermoord.”

De dappere oude krijger had niets meer noodig.

„Lager maken, die Zulu’s kom,” riep hij uit. „Trek de wagens bij elkaar,” en zoo volgde het eene bevel na het andere. David zadelde snel zijn paard af, en liet het los staan bij zijn wagen. Hij had thans geen tijd om voor het arme dier te zorgen hoe graag hij dit ook wilde. Integendeel hij moest eerst helpen zorgen voor de bescherming der vrouwen en kinderen.

Een levendig tooneel vond nu plaats. In een oogenblik waren alle handen aan het werk om de wagens in een vasten kring te trekken, zoo na mogelijk bij elkaar. Het volk werd gezonden om bosschen en takken te kappen, om de openingen tusschen de wagens op te vullen. Het vee werd toen zoover mogelijk aan een anderen kant van een nabijzijnden berg gejaagd, om uit het gezicht der Kaffers te zijn, en daar werd het aan zijn lot overgelaten. Geweren werden schoongemaakt, en Charel Cilliers liet de ammunitiewagen openen en deelde kruid en lood uit.

De vrouwen waren ook hier behulpzaam; zij hielpen[117]geweren schoonmaken, en een aantal hunner waren spoedig bezig kogels te gieten in de daarvoor bestemde kogelvormen. Oom Charel was overal; hier gaf hij order om een opening nog dichter te maken; hier vermaande hij de jongeren om bedaard te schieten en goed korrel te vatten, zoodat de ammunitie niet verspild werd want „elke kogel moet zijn Kaffer krijgen;” daar weder stelde hij angstige vrouwen en meisjes gerust; dan ging hij naar de tent van Retief, en troostte diens vrouw, die thans helaas, het ergste vreesde.

„Oom, Charel, waar is die kanon,” vroeg David Malan op eens.

„Mijn machtig, kerel, ik hêt die heele kanon vergeet. Hij staat daar achter bij die tent. Loop haal hem gauw met een spul kerels dan zal ons hem hier bij den ingang plaatsen.”

De ingang was eene kleine ruimte van zoowat 8 voet breed, die thans met takken en bosschen dicht versperd was. Het kanon werd nu hier gebracht. Het was een oud koperen mondstuk, op een affuit dat waarschijnlijk een oud scheepskanon was geweest, en dat door een der trekkers was medegebracht. Het was algemeen beschouwd geweest als een nutteloos ding, maar heden kon het toch van nut zijn.

„Ons kan niet banja met die ding schiet,” zeide Oom Charel, „want dit vat te veel kruit, maar als[118]die Kaffers het ons hier te warm maak, dan kan ons een paar schoten op hen los.”

„Maar ons hêt geen kogels, Oom Charel,” zeide een der Boeren.

„Ons kan die ding met stukken lood en oud ijzer laden; hullie noem dit schroot,” zeide de heer Alfred Smith, dien wij reeds kennen als de meester en secretaris.

„Weet jij iets van die goed af, meester?” vroeg Charel Cilliers, die zelf maar weinig met die „goed” te doen had gehad.

„Ja, Oom Charel, zoo’n beetje” was het antwoord van den meester. „Ik heb al met zulke dingen gewerkt.”

In der waarheid was meester vroeger matroos op een Engelsch oorlogsschip geweest, en had hij dus wel degelijk kennis van een kanon, en toen Oom Charel hem nu tot „kanonnier” benoemde, wees meester spoedig dat hij zijn baantje niet vergeten had. In een oogenblik had hij een laadstok er voor gemaakt uit een stuk hout, en een spul oude lappen en veegde hij het kanon uit. Hij zuiverde het zundgat, en sneed een spul stokjes, waaraan hij lapjes deed, die als lont moesten dienen en daarop liet hij door een spul volk alle stukken oud ijzer, pot-pooten en wat maar tot „schroot” kon dienen bij elkander maken. Met behulp der vrouwen liet hij toen kruid-[119]en schrootpatronen maken van oud linnen en binnen zeer korten tijd stonden er twintig ladingen kant en klaar bij het kanon.

Al dit werk nam nauwelijks den tijd van twee uur op, want men werkte met ijver en kracht. Geen Kaffer was nog te bespeuren, en men gebruikte den tijd om zich nog steeds beter gereed te maken en de meest zorgvuldige maatregelen te nemen. Er waren zoo wat negentig weerbare mannen in het kamp, buiten de kleurlingen, en een aantal dezer had men ook gewapend met geweren zoodat het geheel der verdedigers een goed eind over de honderd was. Een aantal spaargeweren werden aan de vrouwen gegeven om die aan de mannen achter de wagens te overhandigen, indien hun eigen geweren te warm werden.

Het was bijna tien uur toen een der Boeren riep: „Daar kom hullie!” en inderdaad op den rand, die zoowat duizend treden aan de zuidzijde van het lager was, begon zich een dichte drom Kaffers te vertoonen.

„Op jullie plek,” riep de oude Cilliers, „moet niet schiet voor hullie op ons is. En God, de God van Israël sta ons thans bij,” voegde hij er langzaam en eerbiedig bij.

De Kaffers schenen op den rand eene consultatie te houden, hoe om het kamp op de beste wijze aan[120]te vallen. Zij hadden waarschijnlijk niet verwacht, dat zij de Boeren aldus tot weêrstand gereed zouden vinden, en dachten dat ook hier zij hen verrast zouden hebben. Eindelijk zag men een reusachtige Kaffer, op wiens hoofd een groote vederbos prijkte, zijn armen zwaaien en hierop begon een deel van hetZulu-impizich te verspreiden. Zij vormden de twee „hoorns,” totdat het geheele lager omringd was door eenige duizenden Zulu’s. En nu volgde een helsch lawaai, dat ontzetting in de harten der vrouwen joeg en de mannen de tanden op elkander deed knarsen. De Zulu’s sloegen met hunne assegaaien tegen hunne schilden, en hieven hun oorlogskreet aan. Toen—kwamen zij met een geweldige vaart van alle zijden op het lager aanstormen.

De Boeren lieten hen naderen tot op zestig treden van de wagens, en toen dreunden de geweerschoten, en een honderdtal Zulu’s beten in het stof. Doch de anderen stuitten niet, doch kwamen aan. Thans vuurde elke Boer voor zichzelve zoo snel hij kon, en schoot ieder zijn naastbijzijnden Kaffer neder. De strijd werd fel. De geweerschoten knalden onophoulijk, en het geraas was oorverdoovend. Bij den ingang had Charel Cilliers tien fluksche mannen geplaatst en deze hadden hunne handen vol, om de Zulu te beletten door de takken en bosschen te komen. Doch[121]spoedig vormden de lijken der gevallen Zulu’s hier een breede borstwering.

David stond voor op de wagenkist van een wagen, en elke kogel uit zijn geweer deed een Kaffer nedertuimelen. Martje stond dicht bij hem, achter den wagen; zij had een geladen geweer in haar hand, gereed om dit aan David te reiken, zoodra zijn eigen geweer te warm werd. Doch dit was thans niet noodig. De Zulu’s op zulk een ontvangst niet voorbereid, en geen kans ziende, om door den kogelregen in het lager te komen, namen de vlucht, ten minste voor het oogenblik, en liepen zoo snel zij konden naar het randje waar hunne makkers, die nog geen deel aan den strijd hadden genomen, stonden.

Een groot aantal der aanvallers lagen dood of gewond voor het lager; bij verre de meesten echter van deze waren dood.

De Zulu’s hielden nu weder raad, en zij konden dit gerust doen, want zij waren buiten het bereik der oude Sanna’s, die niet verder schoten dan uiterst tweehonderd treden. De Boeren kregen nu een goed half uur rust, en dit was hun uiterst welkom, want het gevecht was hevig geweest. Tot op dit oogenblik was er slechts een Boer licht gewond, daar een stoutmoedige Kaffer, hem met een assegaai in den arm gestoken had. De dappere kerel liet de wond[122]door zijne vrouw verbinden, en was daarna weer even gereed om op zijn post te gaan.

Na verloop van een half uur begon er weder beweging onder de Kaffers te komen. Doch ditmaal veranderden zij van tactiek. In plaats van het lager te omringen kwamen zij nu in een dichten drom aan, en dat wel direct op de opening van het lager. Zij hadden begrepen dat dit het zwakste punt van het lager was, en wilden nu met geweld en door hun overmacht zich hier een weg banen. Doch Charel Cilliers bemerkte dadelijk hun doel, hij was te veel ervaren om zich te laten verschalken. Een twintigtal man bij de wagens latende, liet hij al de anderen post vatten in de nabijheid van den ingang.

„Nu komt mijn tijd,” zeide meester, toen hij de Kaffers zag naderen, „jullie moet nou voor pad geven.” En met deze woorden nam hij zijn lont in de hand en liet de vier jonge Boeren, die hem hielpen, alles in gereedheid brengen om het kanon weder te laden, zoodra het afgeschoten was.

De Zulu’s kwamen stadig aan, tot op een afstand van tweehonderd treden; toen maakten zij een wilden schielijken aanval op de opening. Doch de ontvangst die zij kregen van het thans geconcentreerde vuur der Boeren, was geenszins malsch, en toen nu meester zijn kanon tusschen de dichte massa afvuurde, en stukken[123]ijzer door hunne rijen heenvlogen, deinsden zij een oogenblik terug. Maar ook net maar een oogenblik—toen kwamen zij met vernieuwden moed aan. Doch tegen den kogelregen die thans op hen nederkletterde en tegen de drie schoten die meester snel op hen loste, was zelfs Zulu-moed niet bestand, en met verlies van een groot aantal dooden, sloegen zij op wilde vlucht.

„Goed gedaan meester, dat is braaf,” riep Charel Cilliers uit toen de Zulu’s weg waren. „Daar dieOûGriet is al te kwaai voor hullie.Maar nou moet jullie oppas, kerels; die ergste zal nog komen. Die andere Zulu’s zal ons nou pak.”

Inderdaad waren het slechts twee regimenten der „witschilden,” of jonge krijgers die den aanval op het lager gedaan hadden.

De Ringkoppen of Zwartschilden hadden bedaard aangekeken naar het werk hunner jongere broeders. Nu deze geheel verslagen en moedeloos terugkwamen, stootten zij een verachtelijk Hu! Hu! uit, en maakten zij zich gereed om te toonen hoe spoedig zij hunnen vijand overmeesterden.

Thans volgden zij weder hun oude tactiek en onder bevel van den man met den vederbos, begonnen zij het lager te omringen. Ieder der Boeren was nu weder op zijn ouden post. De Zulu’s sloegen als bezetenen op hunne schilden, en hieven[124]een ontzettenden krijgskreet aan, die het bloed in de aderen der dapperste Boeren deed verstijven. Een storm, en de Zulu’s waren bij de wagens. Doch de Boeren weerden zich dapper; de gedachte aan de vrouwen en kinderen gaf hun heldenmoed. De geweren knalden zonder ophouden. De Kaffers klommen tot op de wagens, doch vonden daar ook hunnen dood; geen Kaffer kwam het lager binnen.

De dappere Martje schiet de Zulu neer!De dappere Martje schiet de Zulu neer!

De dappere Martje schiet de Zulu neer!

David was op zijn ouden post, en Martje stond weder bij hem, met het geladen geweer in de hand. Onze held had juist een forsche Kaffer den doodskogel gegeven, op geen drie treden afstand, toen een tweede Kaffer, bij den wagen opsprong, en voor David zijn geweer geladen had, den assegaai ophief om den jongen Boer dien in de borst te boren. Davids leven hing aan een draad. Hij trachtte instinctmatig de assegaai met zijn geweer weg te keeren, doch hij voelde, dat de dood hem voor oogen stond. Daar knalde een schot, en de Zulu, door een kogel in het hart getroffen, stortte zielloos van den wagen neder. Het was Martje geweest die het schot had gevuurd. Zij had het gevaar gezien waarin haar minnaar zweefde, en in een oogwenk was het zware geweer aan haar schouder, en trok zij den trekker. Doch David kon dit niet zien, want hij had geen tijd om om te kijken. Zoodra de Kaffer nederstortte[125]laadde hij zijn geweer weder en hield hij aan met vuren op de aanvallers.

„Martje, die ander geweer,” riep hij opeens en het dappere meisje reikte hem dit. Zij had het weder geladen, en ontving nu het brandend heete geweer, dat zij dadelijk begon af te koelen met koud water.

Het was inderdaad zooals Charel Cilliers gezegd had: het ergste kwam nu eerst. Een achttal Boeren waren reeds min of meer zwaar gewond; twee zelfs waren er gedood. Bij den ingang was de strijd het hevigst, en slechts door het nu en dan afvuren van het kanon, dat de Zulu’s schrik inboezemde omdat bij elk schot een aantal hunner tegelijk vielen, was men in staat deze gevaarlijke positie te verdedigen. Op raad van Cilliers begonnen de Boeren nu hunne geweren met „loopers” te laden, waarvan er gelukkig een geruimen voorraad in het lager was. Op den korten afstand waren deze van meer effect dan de kogels, en de Zulu’s vonden dit spoedig uit. Zij deden nog één wanhopige poging om de overwinning te behalen, doch tevergeefs. Toen sloegen zij op de vlucht; een wilde vlucht, waar geen keeren meer aan was. Ditmaal hielden zij niet meer stil op het randje; neen zij gingen het randje over en de jongere krijgers volgden hen zoo snel hunne voeten hen konden dragen.[126]

De Boeren wachtten eenigen tijd om te zien of de vijand niet weder terugkomen zou, en toen na verloop van een half uur geen vijand opdaagde, zond Cilliers een der Boeren om te zien waar zij waren. Deze liep naar het randje en keek behoedzaam er over. Daarop zwaaide hij zijn hoed en kwam hij hard terugloopen.

„Oom Charel, hullie loop daar ginter over die zwart randen, en hullie loopt nog dat het zoo barst. Terugkom zal hullie niet vandaag.”

Charel Cilliers antwoordde niet. Hij knielde neder daar in het lager, en zwijgend volgde een ieder, mannen, vrouwen en kinderen zijn voorbeeld. En toen ging er een dankgebed op tot den God van Abraham, van Izaäk en van Jakob, die ook de God der Boeren was, voor de overwinning aan de belegerden geschonken, en de redding uit hunnen nood. De stem van den eerwaardigen, dapperen grijsaard sidderde van ontroering, en diep gevoel, terwijl hij het gebed deed en zijn nauw hoorbaar Amen ging verloren in het krachtig Amen! van zijne volgelingen. Zoo vochten die oude Voortrekkers; gedurende den strijd weerden zij zich als leeuwen; na den strijd was hun eerste gedachte om den Heer de glorie te geven van de overwinning.[127]


Back to IndexNext