[Inhoud]HOOFDSTUK XII.HOOFDSTUK XII.Het laat zich begrijpen, dat de Boeren vermoeid waren na de inspanning hunner krachten, en toch was er nog werk volop. Het was reeds twee uren en men had nog niets genoten. Eerst moest men dus den inwendigen mensch versterken, en dit werd dan ook spoedig gedaan.Daarna moest men de gevallen vijanden begraven. Bijna dertienhonderd Zulu’s telde men dood, behalve een vijftig- of zestigtal gewonden. Deze werden doodeenvoudig afgemaakt, en hoewel er personen mogen zijn, die dit wreed mogen noemen, zoo moet men niet vergeten, dat het bloed der Boeren natuurlijk[128]kookte, en ook dat er geen gelegenheid bestond voor hospitalen. De gewonden kregen dus een kogel voor den kop, en daarmeê was de zaak uit.Een aantal diepe slooten werden toen spoedig gegraven, en daarin wierp men de dooden, die toen met aarde en steenen bedekt werden. Hierop werd het volk gezonden om het vee in den berg bij elkander te maken, en het terug te brengen.Toen de nacht viel deed Charel Cilliers sterke wachten op eenigen afstand van het lager plaatsen, want men kon niet weten of de Zulu’s misschien geen nachtelijken aanval zouden wagen. In het lager sliep ook elk man met het geweer naast zich, en werden groote vuren den geheelen nacht aangehouden. Doch de nacht ging rustig voorbij en geen vijand vertoonde zich.Den volgenden morgen vroeg liet Cilliers een dertigtal mannen opzadelen om hem te begeleiden naar de andere kampen, want men was angstig omtrent het lot der andere Emigranten. Toen men bij het kamp der Krugers kwam, bevond men dat ook de bewoners daarvan den vorigen dag een harden strijd hadden gehad, doch dat ook daar de Zulu’s waren afgeslagen, en dit met verlies van slechts een doode en twee gewonden aan de zijde der Boeren. Een aantal mannen uit dit kamp sloot zich bij Cilliers[129]aan, en men trok naar het volgende lager, dat der De Klerks. Hier hadden de Boeren zwaar geleden; een zestal hunner was gedood en achttien waren gewond, en ware het niet dat het slechts een betrekkelijk gering aantal Zulu’s waren, die dit kamp hadden aangevallen, dan was de uitslag, waarschijnlijk anders geweest, want de ammunitie in dit kamp was juist aan het opraken, toen de Zulu’s de vlucht namen.Nadat ook hier een twintigtal mannen zich bij den trein aangesloten hadden, vervolgde men in treurigheid, den weg naar het kamp der Botha’s; want hier wist men was er geen kans geweest voor de Emigranten om zich te verdedigen.Het tooneel, dat zich dan ook hier voor de oogen van Cilliers en zijne metgezellen vertoonde, was dan ook een uiterst treurige. Het kamp was eene verwoesting. Gebroken en verbrande wagens lagen overal rond; de tenten waren tegen den grond geslagen; het huisraad lag kort en fijn op den grond en daartusschen lagen de lijken van mannen, vrouwen en kinderen allen gedood door de vreeselijke steek-assegaai der Zulu’s. Eenenveertig mannen, zesenvijftig vrouwen en eenhonderd vijfentachtig kinderen, allen blanken, waren daar ternedergestrekt, en behalve hen nog tweehonderd drieenvijftig kleurling-dienstboden. Een twintigtal Zulu’s hadden ook[130]het leven bij den aanval ingeschoten. George Biggar, de jonge Engelschman van de Baai, die gekomen was om bezigheid met de Boeren te doen, lag dood op een hoop lijken. Het vreeselijkste van dit treurig schouwspel was dat een aantal dezer lijken vreeselijk verminkt waren.Een tijd lang stonden Cilliers en de zijnen in zwijgen dit alles aan te kijken. Tranen rolden langs de wangen van de meest geharde Boeren; sommigen weenden overluid. Maar spoedig begreep men dat het thans tijd van handelen was. Een aantal graven werden tusschen de puinhoopen uitgehaald, ten einde de laatste eer aan de verslagenen te bewijzen. De zeilen der tenten werden stuk gesneden om als lijkdoeken te dienen, en daarop begon men de lijken uit te zoeken, en ze zoo goed mogelijk in het zeil te wikkelen.David Malan was onder degenen, die met Cilliers waren gekomen, en hij werkte hard samen. Hij was juist bezig om met een half dozijn anderen een hoop lijken weg te dragen, toen hij op eens een zucht hoorde. Hij keek nauwkeurig en luisterde. De zucht werd zacht herhaald, en scheen te komen van een jong meisje dat onder de lijken lag.„Hier is een vrouw, die nog leeft,” riep de jongeling verbaasd uit, en op dit geroep kwamen er een tiental Boeren aangeloopen.[131]Men haalde het meisje van onder de lijken weg. Zij was vreeselijk gewond en had negentien assegaai steken ontvangen. Naast haar lag een tweede meisje en ook zij haalde nog adem, hoewel zij eenentwintig wonden had. Men haalde water voor de twee gewonden, maar zij waren niet in staat te drinken. Charel Cilliers was thans nader gekomen met Gert Maritz, en zij lieten uit een stukkene katel spoedig een draagbaar maken, en zonden de arme gewonden naar het naastbijzijnde kamp. Hier werden zij verpleegd, en de verwondering mijner lezers zal groot wezen, als ik hen hier vertel dat beiden het leven behielden. De namen dezer meisjes waren Johanna van der Merwe en Catharina Prinsloo.Niettegenstaande de uiterste zorg door de Emigranten gebruikt, werd geen ander levend persoon gevonden, en men ging voort met de dooden te begraven. Den geheelen dag was men daarmede bezig en de zon was juist aan het ondergaan, toen de laatste schop aarde op de graven geworpen werd.Charel Cilliers wilde eenige woorden tot de verzamelden spreken, toen iemand uitriep: „Daar kom vijf menschen te paard aan,” en allen wendden toen hunne oogen naar de aangewezen richting, vanwaar men de ruiters met snelheid zag aankomen.Binnen weinige minuten waren zij bij de Boeren,[132]en nu bleken het drie blanken en twee kleurlingen te zijn. De blanken waren de Eerwaarde Lindley, zendeling in Natal, en Richard Wood, en John Cane twee der Engelschen die in de Baai woonden. De kleurlingen waren hunne achterruiters. De Eerwaarde Lindley, die Hollandsch sprak, vroeg naar den leider der Boeren, en beiden Cilliers en Maritz traden voor.„Ik zie dat gij hier een treurig tooneel hebt gehad,” zeide de heer Lindley, zijn oog over de verwoesting latende gaan.Maritz deelde daarop het gebeurde mede, en de tranen biggelden langs de wangen van den zendeling, toen hij de treurige tijding vernam.Na eenig zwijgen gaf hij antwoord: „Vrienden, Gods hand drukt zwaar op u, en het spijt mij dat ik uwe droefheid slechts vermeerderen moet. Ik en mijne vrienden zijn naar u gekomen, om u mede te deelen dat uw leider Pieter Retief met de zijnen op verraderlijke wijze door Dingaan vermoord is.”En daarop deelde de heer Lindley het verhaal van dien moord aan de aanwezigen mede, zooals hij het vernomen had uit den mond van den heer Owen de zendeling te Umkungunhlovu, die den dag na den moord gevlucht was naar de zendelingsstatie bij de Baai.De arme Emigranten waren sprakeloos van droefheid.[133]Geen man was er onder hen of hij had een familiebetrekking of een dierbaren vriend verloren, door den moord aan Retief en de zijnen aangedaan. Cilliers wenkte den zendeling en de twee Engelschen om met hen samen te gaan en in diepe stilte reed men naar de lagers terug. Bij elk lager scheidde het troepje mannen dat er behoorde, zich stil af, terwijl de overigen hunnen weg vervolgden. Het was laat in den avond toen Cilliers met hen die uit Retiefs lager waren gekomen, het hunne bereikte in gezelschap van den heer Lindley en de Engelschen. Het was op langzamen stap dat men het lager binnen reed, en de teruggeblevenen zagen dadelijk dat er iets vreeselijks gebeurd was. Doch toen de moord aan de Bushmansrivier en de dood van den Kommandant-Generaal en de zijnen in het lager bekend werd, toen ging er een geween en weeklachten op die hartverscheurend waren. De vrouwen en kinderen, vele waarvan thans weduwen en weezen waren, huilden bitterlijk; de mannen stom, stil en verslagen. Slechts een man scheen zijn tegenwoordigheid van geest te behouden, en dat was de Eerwaarde Lindley. Als een waardige volger van Christus ging hij van tent tot tent om troostwoorden te spreken tot de gebrokenen van harte, en hen te wijzen op den grooten Redder uit ellende.[134]Over het algemeen hebben de Emigranten weinig op gehad met de zendelingen, maar eene groote uitzondering was voorzeker de Eerwaarde Lindley, een man die zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt aan de Boeren, en wiens naam dan ook door alle Afrikaners in eere behoort gehouden te worden. Het was een gevoel van dankbaarheid en eer voor de nagedachtenis van dien braven man, die de Boeren bewogen een dorpje in den Vrijstaat den naam van Lindley te geven. Moge zijn naam steeds in eere worde gehouden![135]
[Inhoud]HOOFDSTUK XII.HOOFDSTUK XII.Het laat zich begrijpen, dat de Boeren vermoeid waren na de inspanning hunner krachten, en toch was er nog werk volop. Het was reeds twee uren en men had nog niets genoten. Eerst moest men dus den inwendigen mensch versterken, en dit werd dan ook spoedig gedaan.Daarna moest men de gevallen vijanden begraven. Bijna dertienhonderd Zulu’s telde men dood, behalve een vijftig- of zestigtal gewonden. Deze werden doodeenvoudig afgemaakt, en hoewel er personen mogen zijn, die dit wreed mogen noemen, zoo moet men niet vergeten, dat het bloed der Boeren natuurlijk[128]kookte, en ook dat er geen gelegenheid bestond voor hospitalen. De gewonden kregen dus een kogel voor den kop, en daarmeê was de zaak uit.Een aantal diepe slooten werden toen spoedig gegraven, en daarin wierp men de dooden, die toen met aarde en steenen bedekt werden. Hierop werd het volk gezonden om het vee in den berg bij elkander te maken, en het terug te brengen.Toen de nacht viel deed Charel Cilliers sterke wachten op eenigen afstand van het lager plaatsen, want men kon niet weten of de Zulu’s misschien geen nachtelijken aanval zouden wagen. In het lager sliep ook elk man met het geweer naast zich, en werden groote vuren den geheelen nacht aangehouden. Doch de nacht ging rustig voorbij en geen vijand vertoonde zich.Den volgenden morgen vroeg liet Cilliers een dertigtal mannen opzadelen om hem te begeleiden naar de andere kampen, want men was angstig omtrent het lot der andere Emigranten. Toen men bij het kamp der Krugers kwam, bevond men dat ook de bewoners daarvan den vorigen dag een harden strijd hadden gehad, doch dat ook daar de Zulu’s waren afgeslagen, en dit met verlies van slechts een doode en twee gewonden aan de zijde der Boeren. Een aantal mannen uit dit kamp sloot zich bij Cilliers[129]aan, en men trok naar het volgende lager, dat der De Klerks. Hier hadden de Boeren zwaar geleden; een zestal hunner was gedood en achttien waren gewond, en ware het niet dat het slechts een betrekkelijk gering aantal Zulu’s waren, die dit kamp hadden aangevallen, dan was de uitslag, waarschijnlijk anders geweest, want de ammunitie in dit kamp was juist aan het opraken, toen de Zulu’s de vlucht namen.Nadat ook hier een twintigtal mannen zich bij den trein aangesloten hadden, vervolgde men in treurigheid, den weg naar het kamp der Botha’s; want hier wist men was er geen kans geweest voor de Emigranten om zich te verdedigen.Het tooneel, dat zich dan ook hier voor de oogen van Cilliers en zijne metgezellen vertoonde, was dan ook een uiterst treurige. Het kamp was eene verwoesting. Gebroken en verbrande wagens lagen overal rond; de tenten waren tegen den grond geslagen; het huisraad lag kort en fijn op den grond en daartusschen lagen de lijken van mannen, vrouwen en kinderen allen gedood door de vreeselijke steek-assegaai der Zulu’s. Eenenveertig mannen, zesenvijftig vrouwen en eenhonderd vijfentachtig kinderen, allen blanken, waren daar ternedergestrekt, en behalve hen nog tweehonderd drieenvijftig kleurling-dienstboden. Een twintigtal Zulu’s hadden ook[130]het leven bij den aanval ingeschoten. George Biggar, de jonge Engelschman van de Baai, die gekomen was om bezigheid met de Boeren te doen, lag dood op een hoop lijken. Het vreeselijkste van dit treurig schouwspel was dat een aantal dezer lijken vreeselijk verminkt waren.Een tijd lang stonden Cilliers en de zijnen in zwijgen dit alles aan te kijken. Tranen rolden langs de wangen van de meest geharde Boeren; sommigen weenden overluid. Maar spoedig begreep men dat het thans tijd van handelen was. Een aantal graven werden tusschen de puinhoopen uitgehaald, ten einde de laatste eer aan de verslagenen te bewijzen. De zeilen der tenten werden stuk gesneden om als lijkdoeken te dienen, en daarop begon men de lijken uit te zoeken, en ze zoo goed mogelijk in het zeil te wikkelen.David Malan was onder degenen, die met Cilliers waren gekomen, en hij werkte hard samen. Hij was juist bezig om met een half dozijn anderen een hoop lijken weg te dragen, toen hij op eens een zucht hoorde. Hij keek nauwkeurig en luisterde. De zucht werd zacht herhaald, en scheen te komen van een jong meisje dat onder de lijken lag.„Hier is een vrouw, die nog leeft,” riep de jongeling verbaasd uit, en op dit geroep kwamen er een tiental Boeren aangeloopen.[131]Men haalde het meisje van onder de lijken weg. Zij was vreeselijk gewond en had negentien assegaai steken ontvangen. Naast haar lag een tweede meisje en ook zij haalde nog adem, hoewel zij eenentwintig wonden had. Men haalde water voor de twee gewonden, maar zij waren niet in staat te drinken. Charel Cilliers was thans nader gekomen met Gert Maritz, en zij lieten uit een stukkene katel spoedig een draagbaar maken, en zonden de arme gewonden naar het naastbijzijnde kamp. Hier werden zij verpleegd, en de verwondering mijner lezers zal groot wezen, als ik hen hier vertel dat beiden het leven behielden. De namen dezer meisjes waren Johanna van der Merwe en Catharina Prinsloo.Niettegenstaande de uiterste zorg door de Emigranten gebruikt, werd geen ander levend persoon gevonden, en men ging voort met de dooden te begraven. Den geheelen dag was men daarmede bezig en de zon was juist aan het ondergaan, toen de laatste schop aarde op de graven geworpen werd.Charel Cilliers wilde eenige woorden tot de verzamelden spreken, toen iemand uitriep: „Daar kom vijf menschen te paard aan,” en allen wendden toen hunne oogen naar de aangewezen richting, vanwaar men de ruiters met snelheid zag aankomen.Binnen weinige minuten waren zij bij de Boeren,[132]en nu bleken het drie blanken en twee kleurlingen te zijn. De blanken waren de Eerwaarde Lindley, zendeling in Natal, en Richard Wood, en John Cane twee der Engelschen die in de Baai woonden. De kleurlingen waren hunne achterruiters. De Eerwaarde Lindley, die Hollandsch sprak, vroeg naar den leider der Boeren, en beiden Cilliers en Maritz traden voor.„Ik zie dat gij hier een treurig tooneel hebt gehad,” zeide de heer Lindley, zijn oog over de verwoesting latende gaan.Maritz deelde daarop het gebeurde mede, en de tranen biggelden langs de wangen van den zendeling, toen hij de treurige tijding vernam.Na eenig zwijgen gaf hij antwoord: „Vrienden, Gods hand drukt zwaar op u, en het spijt mij dat ik uwe droefheid slechts vermeerderen moet. Ik en mijne vrienden zijn naar u gekomen, om u mede te deelen dat uw leider Pieter Retief met de zijnen op verraderlijke wijze door Dingaan vermoord is.”En daarop deelde de heer Lindley het verhaal van dien moord aan de aanwezigen mede, zooals hij het vernomen had uit den mond van den heer Owen de zendeling te Umkungunhlovu, die den dag na den moord gevlucht was naar de zendelingsstatie bij de Baai.De arme Emigranten waren sprakeloos van droefheid.[133]Geen man was er onder hen of hij had een familiebetrekking of een dierbaren vriend verloren, door den moord aan Retief en de zijnen aangedaan. Cilliers wenkte den zendeling en de twee Engelschen om met hen samen te gaan en in diepe stilte reed men naar de lagers terug. Bij elk lager scheidde het troepje mannen dat er behoorde, zich stil af, terwijl de overigen hunnen weg vervolgden. Het was laat in den avond toen Cilliers met hen die uit Retiefs lager waren gekomen, het hunne bereikte in gezelschap van den heer Lindley en de Engelschen. Het was op langzamen stap dat men het lager binnen reed, en de teruggeblevenen zagen dadelijk dat er iets vreeselijks gebeurd was. Doch toen de moord aan de Bushmansrivier en de dood van den Kommandant-Generaal en de zijnen in het lager bekend werd, toen ging er een geween en weeklachten op die hartverscheurend waren. De vrouwen en kinderen, vele waarvan thans weduwen en weezen waren, huilden bitterlijk; de mannen stom, stil en verslagen. Slechts een man scheen zijn tegenwoordigheid van geest te behouden, en dat was de Eerwaarde Lindley. Als een waardige volger van Christus ging hij van tent tot tent om troostwoorden te spreken tot de gebrokenen van harte, en hen te wijzen op den grooten Redder uit ellende.[134]Over het algemeen hebben de Emigranten weinig op gehad met de zendelingen, maar eene groote uitzondering was voorzeker de Eerwaarde Lindley, een man die zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt aan de Boeren, en wiens naam dan ook door alle Afrikaners in eere behoort gehouden te worden. Het was een gevoel van dankbaarheid en eer voor de nagedachtenis van dien braven man, die de Boeren bewogen een dorpje in den Vrijstaat den naam van Lindley te geven. Moge zijn naam steeds in eere worde gehouden![135]
HOOFDSTUK XII.HOOFDSTUK XII.
HOOFDSTUK XII.
Het laat zich begrijpen, dat de Boeren vermoeid waren na de inspanning hunner krachten, en toch was er nog werk volop. Het was reeds twee uren en men had nog niets genoten. Eerst moest men dus den inwendigen mensch versterken, en dit werd dan ook spoedig gedaan.Daarna moest men de gevallen vijanden begraven. Bijna dertienhonderd Zulu’s telde men dood, behalve een vijftig- of zestigtal gewonden. Deze werden doodeenvoudig afgemaakt, en hoewel er personen mogen zijn, die dit wreed mogen noemen, zoo moet men niet vergeten, dat het bloed der Boeren natuurlijk[128]kookte, en ook dat er geen gelegenheid bestond voor hospitalen. De gewonden kregen dus een kogel voor den kop, en daarmeê was de zaak uit.Een aantal diepe slooten werden toen spoedig gegraven, en daarin wierp men de dooden, die toen met aarde en steenen bedekt werden. Hierop werd het volk gezonden om het vee in den berg bij elkander te maken, en het terug te brengen.Toen de nacht viel deed Charel Cilliers sterke wachten op eenigen afstand van het lager plaatsen, want men kon niet weten of de Zulu’s misschien geen nachtelijken aanval zouden wagen. In het lager sliep ook elk man met het geweer naast zich, en werden groote vuren den geheelen nacht aangehouden. Doch de nacht ging rustig voorbij en geen vijand vertoonde zich.Den volgenden morgen vroeg liet Cilliers een dertigtal mannen opzadelen om hem te begeleiden naar de andere kampen, want men was angstig omtrent het lot der andere Emigranten. Toen men bij het kamp der Krugers kwam, bevond men dat ook de bewoners daarvan den vorigen dag een harden strijd hadden gehad, doch dat ook daar de Zulu’s waren afgeslagen, en dit met verlies van slechts een doode en twee gewonden aan de zijde der Boeren. Een aantal mannen uit dit kamp sloot zich bij Cilliers[129]aan, en men trok naar het volgende lager, dat der De Klerks. Hier hadden de Boeren zwaar geleden; een zestal hunner was gedood en achttien waren gewond, en ware het niet dat het slechts een betrekkelijk gering aantal Zulu’s waren, die dit kamp hadden aangevallen, dan was de uitslag, waarschijnlijk anders geweest, want de ammunitie in dit kamp was juist aan het opraken, toen de Zulu’s de vlucht namen.Nadat ook hier een twintigtal mannen zich bij den trein aangesloten hadden, vervolgde men in treurigheid, den weg naar het kamp der Botha’s; want hier wist men was er geen kans geweest voor de Emigranten om zich te verdedigen.Het tooneel, dat zich dan ook hier voor de oogen van Cilliers en zijne metgezellen vertoonde, was dan ook een uiterst treurige. Het kamp was eene verwoesting. Gebroken en verbrande wagens lagen overal rond; de tenten waren tegen den grond geslagen; het huisraad lag kort en fijn op den grond en daartusschen lagen de lijken van mannen, vrouwen en kinderen allen gedood door de vreeselijke steek-assegaai der Zulu’s. Eenenveertig mannen, zesenvijftig vrouwen en eenhonderd vijfentachtig kinderen, allen blanken, waren daar ternedergestrekt, en behalve hen nog tweehonderd drieenvijftig kleurling-dienstboden. Een twintigtal Zulu’s hadden ook[130]het leven bij den aanval ingeschoten. George Biggar, de jonge Engelschman van de Baai, die gekomen was om bezigheid met de Boeren te doen, lag dood op een hoop lijken. Het vreeselijkste van dit treurig schouwspel was dat een aantal dezer lijken vreeselijk verminkt waren.Een tijd lang stonden Cilliers en de zijnen in zwijgen dit alles aan te kijken. Tranen rolden langs de wangen van de meest geharde Boeren; sommigen weenden overluid. Maar spoedig begreep men dat het thans tijd van handelen was. Een aantal graven werden tusschen de puinhoopen uitgehaald, ten einde de laatste eer aan de verslagenen te bewijzen. De zeilen der tenten werden stuk gesneden om als lijkdoeken te dienen, en daarop begon men de lijken uit te zoeken, en ze zoo goed mogelijk in het zeil te wikkelen.David Malan was onder degenen, die met Cilliers waren gekomen, en hij werkte hard samen. Hij was juist bezig om met een half dozijn anderen een hoop lijken weg te dragen, toen hij op eens een zucht hoorde. Hij keek nauwkeurig en luisterde. De zucht werd zacht herhaald, en scheen te komen van een jong meisje dat onder de lijken lag.„Hier is een vrouw, die nog leeft,” riep de jongeling verbaasd uit, en op dit geroep kwamen er een tiental Boeren aangeloopen.[131]Men haalde het meisje van onder de lijken weg. Zij was vreeselijk gewond en had negentien assegaai steken ontvangen. Naast haar lag een tweede meisje en ook zij haalde nog adem, hoewel zij eenentwintig wonden had. Men haalde water voor de twee gewonden, maar zij waren niet in staat te drinken. Charel Cilliers was thans nader gekomen met Gert Maritz, en zij lieten uit een stukkene katel spoedig een draagbaar maken, en zonden de arme gewonden naar het naastbijzijnde kamp. Hier werden zij verpleegd, en de verwondering mijner lezers zal groot wezen, als ik hen hier vertel dat beiden het leven behielden. De namen dezer meisjes waren Johanna van der Merwe en Catharina Prinsloo.Niettegenstaande de uiterste zorg door de Emigranten gebruikt, werd geen ander levend persoon gevonden, en men ging voort met de dooden te begraven. Den geheelen dag was men daarmede bezig en de zon was juist aan het ondergaan, toen de laatste schop aarde op de graven geworpen werd.Charel Cilliers wilde eenige woorden tot de verzamelden spreken, toen iemand uitriep: „Daar kom vijf menschen te paard aan,” en allen wendden toen hunne oogen naar de aangewezen richting, vanwaar men de ruiters met snelheid zag aankomen.Binnen weinige minuten waren zij bij de Boeren,[132]en nu bleken het drie blanken en twee kleurlingen te zijn. De blanken waren de Eerwaarde Lindley, zendeling in Natal, en Richard Wood, en John Cane twee der Engelschen die in de Baai woonden. De kleurlingen waren hunne achterruiters. De Eerwaarde Lindley, die Hollandsch sprak, vroeg naar den leider der Boeren, en beiden Cilliers en Maritz traden voor.„Ik zie dat gij hier een treurig tooneel hebt gehad,” zeide de heer Lindley, zijn oog over de verwoesting latende gaan.Maritz deelde daarop het gebeurde mede, en de tranen biggelden langs de wangen van den zendeling, toen hij de treurige tijding vernam.Na eenig zwijgen gaf hij antwoord: „Vrienden, Gods hand drukt zwaar op u, en het spijt mij dat ik uwe droefheid slechts vermeerderen moet. Ik en mijne vrienden zijn naar u gekomen, om u mede te deelen dat uw leider Pieter Retief met de zijnen op verraderlijke wijze door Dingaan vermoord is.”En daarop deelde de heer Lindley het verhaal van dien moord aan de aanwezigen mede, zooals hij het vernomen had uit den mond van den heer Owen de zendeling te Umkungunhlovu, die den dag na den moord gevlucht was naar de zendelingsstatie bij de Baai.De arme Emigranten waren sprakeloos van droefheid.[133]Geen man was er onder hen of hij had een familiebetrekking of een dierbaren vriend verloren, door den moord aan Retief en de zijnen aangedaan. Cilliers wenkte den zendeling en de twee Engelschen om met hen samen te gaan en in diepe stilte reed men naar de lagers terug. Bij elk lager scheidde het troepje mannen dat er behoorde, zich stil af, terwijl de overigen hunnen weg vervolgden. Het was laat in den avond toen Cilliers met hen die uit Retiefs lager waren gekomen, het hunne bereikte in gezelschap van den heer Lindley en de Engelschen. Het was op langzamen stap dat men het lager binnen reed, en de teruggeblevenen zagen dadelijk dat er iets vreeselijks gebeurd was. Doch toen de moord aan de Bushmansrivier en de dood van den Kommandant-Generaal en de zijnen in het lager bekend werd, toen ging er een geween en weeklachten op die hartverscheurend waren. De vrouwen en kinderen, vele waarvan thans weduwen en weezen waren, huilden bitterlijk; de mannen stom, stil en verslagen. Slechts een man scheen zijn tegenwoordigheid van geest te behouden, en dat was de Eerwaarde Lindley. Als een waardige volger van Christus ging hij van tent tot tent om troostwoorden te spreken tot de gebrokenen van harte, en hen te wijzen op den grooten Redder uit ellende.[134]Over het algemeen hebben de Emigranten weinig op gehad met de zendelingen, maar eene groote uitzondering was voorzeker de Eerwaarde Lindley, een man die zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt aan de Boeren, en wiens naam dan ook door alle Afrikaners in eere behoort gehouden te worden. Het was een gevoel van dankbaarheid en eer voor de nagedachtenis van dien braven man, die de Boeren bewogen een dorpje in den Vrijstaat den naam van Lindley te geven. Moge zijn naam steeds in eere worde gehouden![135]
Het laat zich begrijpen, dat de Boeren vermoeid waren na de inspanning hunner krachten, en toch was er nog werk volop. Het was reeds twee uren en men had nog niets genoten. Eerst moest men dus den inwendigen mensch versterken, en dit werd dan ook spoedig gedaan.
Daarna moest men de gevallen vijanden begraven. Bijna dertienhonderd Zulu’s telde men dood, behalve een vijftig- of zestigtal gewonden. Deze werden doodeenvoudig afgemaakt, en hoewel er personen mogen zijn, die dit wreed mogen noemen, zoo moet men niet vergeten, dat het bloed der Boeren natuurlijk[128]kookte, en ook dat er geen gelegenheid bestond voor hospitalen. De gewonden kregen dus een kogel voor den kop, en daarmeê was de zaak uit.
Een aantal diepe slooten werden toen spoedig gegraven, en daarin wierp men de dooden, die toen met aarde en steenen bedekt werden. Hierop werd het volk gezonden om het vee in den berg bij elkander te maken, en het terug te brengen.
Toen de nacht viel deed Charel Cilliers sterke wachten op eenigen afstand van het lager plaatsen, want men kon niet weten of de Zulu’s misschien geen nachtelijken aanval zouden wagen. In het lager sliep ook elk man met het geweer naast zich, en werden groote vuren den geheelen nacht aangehouden. Doch de nacht ging rustig voorbij en geen vijand vertoonde zich.
Den volgenden morgen vroeg liet Cilliers een dertigtal mannen opzadelen om hem te begeleiden naar de andere kampen, want men was angstig omtrent het lot der andere Emigranten. Toen men bij het kamp der Krugers kwam, bevond men dat ook de bewoners daarvan den vorigen dag een harden strijd hadden gehad, doch dat ook daar de Zulu’s waren afgeslagen, en dit met verlies van slechts een doode en twee gewonden aan de zijde der Boeren. Een aantal mannen uit dit kamp sloot zich bij Cilliers[129]aan, en men trok naar het volgende lager, dat der De Klerks. Hier hadden de Boeren zwaar geleden; een zestal hunner was gedood en achttien waren gewond, en ware het niet dat het slechts een betrekkelijk gering aantal Zulu’s waren, die dit kamp hadden aangevallen, dan was de uitslag, waarschijnlijk anders geweest, want de ammunitie in dit kamp was juist aan het opraken, toen de Zulu’s de vlucht namen.
Nadat ook hier een twintigtal mannen zich bij den trein aangesloten hadden, vervolgde men in treurigheid, den weg naar het kamp der Botha’s; want hier wist men was er geen kans geweest voor de Emigranten om zich te verdedigen.
Het tooneel, dat zich dan ook hier voor de oogen van Cilliers en zijne metgezellen vertoonde, was dan ook een uiterst treurige. Het kamp was eene verwoesting. Gebroken en verbrande wagens lagen overal rond; de tenten waren tegen den grond geslagen; het huisraad lag kort en fijn op den grond en daartusschen lagen de lijken van mannen, vrouwen en kinderen allen gedood door de vreeselijke steek-assegaai der Zulu’s. Eenenveertig mannen, zesenvijftig vrouwen en eenhonderd vijfentachtig kinderen, allen blanken, waren daar ternedergestrekt, en behalve hen nog tweehonderd drieenvijftig kleurling-dienstboden. Een twintigtal Zulu’s hadden ook[130]het leven bij den aanval ingeschoten. George Biggar, de jonge Engelschman van de Baai, die gekomen was om bezigheid met de Boeren te doen, lag dood op een hoop lijken. Het vreeselijkste van dit treurig schouwspel was dat een aantal dezer lijken vreeselijk verminkt waren.
Een tijd lang stonden Cilliers en de zijnen in zwijgen dit alles aan te kijken. Tranen rolden langs de wangen van de meest geharde Boeren; sommigen weenden overluid. Maar spoedig begreep men dat het thans tijd van handelen was. Een aantal graven werden tusschen de puinhoopen uitgehaald, ten einde de laatste eer aan de verslagenen te bewijzen. De zeilen der tenten werden stuk gesneden om als lijkdoeken te dienen, en daarop begon men de lijken uit te zoeken, en ze zoo goed mogelijk in het zeil te wikkelen.
David Malan was onder degenen, die met Cilliers waren gekomen, en hij werkte hard samen. Hij was juist bezig om met een half dozijn anderen een hoop lijken weg te dragen, toen hij op eens een zucht hoorde. Hij keek nauwkeurig en luisterde. De zucht werd zacht herhaald, en scheen te komen van een jong meisje dat onder de lijken lag.
„Hier is een vrouw, die nog leeft,” riep de jongeling verbaasd uit, en op dit geroep kwamen er een tiental Boeren aangeloopen.[131]
Men haalde het meisje van onder de lijken weg. Zij was vreeselijk gewond en had negentien assegaai steken ontvangen. Naast haar lag een tweede meisje en ook zij haalde nog adem, hoewel zij eenentwintig wonden had. Men haalde water voor de twee gewonden, maar zij waren niet in staat te drinken. Charel Cilliers was thans nader gekomen met Gert Maritz, en zij lieten uit een stukkene katel spoedig een draagbaar maken, en zonden de arme gewonden naar het naastbijzijnde kamp. Hier werden zij verpleegd, en de verwondering mijner lezers zal groot wezen, als ik hen hier vertel dat beiden het leven behielden. De namen dezer meisjes waren Johanna van der Merwe en Catharina Prinsloo.
Niettegenstaande de uiterste zorg door de Emigranten gebruikt, werd geen ander levend persoon gevonden, en men ging voort met de dooden te begraven. Den geheelen dag was men daarmede bezig en de zon was juist aan het ondergaan, toen de laatste schop aarde op de graven geworpen werd.
Charel Cilliers wilde eenige woorden tot de verzamelden spreken, toen iemand uitriep: „Daar kom vijf menschen te paard aan,” en allen wendden toen hunne oogen naar de aangewezen richting, vanwaar men de ruiters met snelheid zag aankomen.
Binnen weinige minuten waren zij bij de Boeren,[132]en nu bleken het drie blanken en twee kleurlingen te zijn. De blanken waren de Eerwaarde Lindley, zendeling in Natal, en Richard Wood, en John Cane twee der Engelschen die in de Baai woonden. De kleurlingen waren hunne achterruiters. De Eerwaarde Lindley, die Hollandsch sprak, vroeg naar den leider der Boeren, en beiden Cilliers en Maritz traden voor.
„Ik zie dat gij hier een treurig tooneel hebt gehad,” zeide de heer Lindley, zijn oog over de verwoesting latende gaan.
Maritz deelde daarop het gebeurde mede, en de tranen biggelden langs de wangen van den zendeling, toen hij de treurige tijding vernam.
Na eenig zwijgen gaf hij antwoord: „Vrienden, Gods hand drukt zwaar op u, en het spijt mij dat ik uwe droefheid slechts vermeerderen moet. Ik en mijne vrienden zijn naar u gekomen, om u mede te deelen dat uw leider Pieter Retief met de zijnen op verraderlijke wijze door Dingaan vermoord is.”
En daarop deelde de heer Lindley het verhaal van dien moord aan de aanwezigen mede, zooals hij het vernomen had uit den mond van den heer Owen de zendeling te Umkungunhlovu, die den dag na den moord gevlucht was naar de zendelingsstatie bij de Baai.
De arme Emigranten waren sprakeloos van droefheid.[133]Geen man was er onder hen of hij had een familiebetrekking of een dierbaren vriend verloren, door den moord aan Retief en de zijnen aangedaan. Cilliers wenkte den zendeling en de twee Engelschen om met hen samen te gaan en in diepe stilte reed men naar de lagers terug. Bij elk lager scheidde het troepje mannen dat er behoorde, zich stil af, terwijl de overigen hunnen weg vervolgden. Het was laat in den avond toen Cilliers met hen die uit Retiefs lager waren gekomen, het hunne bereikte in gezelschap van den heer Lindley en de Engelschen. Het was op langzamen stap dat men het lager binnen reed, en de teruggeblevenen zagen dadelijk dat er iets vreeselijks gebeurd was. Doch toen de moord aan de Bushmansrivier en de dood van den Kommandant-Generaal en de zijnen in het lager bekend werd, toen ging er een geween en weeklachten op die hartverscheurend waren. De vrouwen en kinderen, vele waarvan thans weduwen en weezen waren, huilden bitterlijk; de mannen stom, stil en verslagen. Slechts een man scheen zijn tegenwoordigheid van geest te behouden, en dat was de Eerwaarde Lindley. Als een waardige volger van Christus ging hij van tent tot tent om troostwoorden te spreken tot de gebrokenen van harte, en hen te wijzen op den grooten Redder uit ellende.[134]Over het algemeen hebben de Emigranten weinig op gehad met de zendelingen, maar eene groote uitzondering was voorzeker de Eerwaarde Lindley, een man die zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt aan de Boeren, en wiens naam dan ook door alle Afrikaners in eere behoort gehouden te worden. Het was een gevoel van dankbaarheid en eer voor de nagedachtenis van dien braven man, die de Boeren bewogen een dorpje in den Vrijstaat den naam van Lindley te geven. Moge zijn naam steeds in eere worde gehouden![135]