[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.HOOFDSTUK XIII.Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden.Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan ook op zeer treffende[136]wijze deed, sprak de oude held met diepe ontroering de vergadering toe, als volgt:„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze vergadering bijeengeroepen.”Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide:„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en voor niets anders. Tegen[137]de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de Engelschen dan om hier vermoord te worden.”Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land uitgaan.”Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar Charel Cilliers zat.„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier[138]blijven, en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.”Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en bewezen dat zij geheel met deze saamstemden.Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen, en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide:„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd, maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd, maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten, en de heidenen niet over ons laten triomfeeren.[139]Laat ons thans tot God bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.”Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn niet op het te doen nederdalen.„Gij weet, O Heer onze ellende; Gij kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!”Zoo sloot de brave leider zijn gebed, en daarop hief hij den130stenpsalmaan:„Uit diepten van ellende.”en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht.Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder het woord.„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken. Daarom zal ik voorstellen[140]dat boden worden gezonden naar onze vrienden en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.”De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers de rechte weg ingeslagen had.Maritz werd dan ook gekozen als Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe Kommandant er vier koos.De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde[141]hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden.Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken.Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s verdaagde de vergadering.Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek, voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen[142]dat hij verplicht was om den volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij dan weder eene godsdienstoefening zou houden.Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen.„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders over praten.”„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.”Gert Maritz beloofde dit dan ook.Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar Winburg.[143]
[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.HOOFDSTUK XIII.Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden.Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan ook op zeer treffende[136]wijze deed, sprak de oude held met diepe ontroering de vergadering toe, als volgt:„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze vergadering bijeengeroepen.”Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide:„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en voor niets anders. Tegen[137]de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de Engelschen dan om hier vermoord te worden.”Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land uitgaan.”Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar Charel Cilliers zat.„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier[138]blijven, en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.”Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en bewezen dat zij geheel met deze saamstemden.Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen, en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide:„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd, maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd, maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten, en de heidenen niet over ons laten triomfeeren.[139]Laat ons thans tot God bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.”Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn niet op het te doen nederdalen.„Gij weet, O Heer onze ellende; Gij kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!”Zoo sloot de brave leider zijn gebed, en daarop hief hij den130stenpsalmaan:„Uit diepten van ellende.”en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht.Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder het woord.„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken. Daarom zal ik voorstellen[140]dat boden worden gezonden naar onze vrienden en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.”De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers de rechte weg ingeslagen had.Maritz werd dan ook gekozen als Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe Kommandant er vier koos.De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde[141]hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden.Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken.Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s verdaagde de vergadering.Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek, voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen[142]dat hij verplicht was om den volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij dan weder eene godsdienstoefening zou houden.Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen.„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders over praten.”„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.”Gert Maritz beloofde dit dan ook.Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar Winburg.[143]
HOOFDSTUK XIII.HOOFDSTUK XIII.
HOOFDSTUK XIII.
Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden.Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan ook op zeer treffende[136]wijze deed, sprak de oude held met diepe ontroering de vergadering toe, als volgt:„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze vergadering bijeengeroepen.”Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide:„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en voor niets anders. Tegen[137]de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de Engelschen dan om hier vermoord te worden.”Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land uitgaan.”Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar Charel Cilliers zat.„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier[138]blijven, en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.”Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en bewezen dat zij geheel met deze saamstemden.Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen, en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide:„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd, maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd, maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten, en de heidenen niet over ons laten triomfeeren.[139]Laat ons thans tot God bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.”Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn niet op het te doen nederdalen.„Gij weet, O Heer onze ellende; Gij kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!”Zoo sloot de brave leider zijn gebed, en daarop hief hij den130stenpsalmaan:„Uit diepten van ellende.”en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht.Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder het woord.„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken. Daarom zal ik voorstellen[140]dat boden worden gezonden naar onze vrienden en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.”De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers de rechte weg ingeslagen had.Maritz werd dan ook gekozen als Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe Kommandant er vier koos.De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde[141]hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden.Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken.Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s verdaagde de vergadering.Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek, voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen[142]dat hij verplicht was om den volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij dan weder eene godsdienstoefening zou houden.Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen.„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders over praten.”„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.”Gert Maritz beloofde dit dan ook.Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar Winburg.[143]
Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden.
Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan ook op zeer treffende[136]wijze deed, sprak de oude held met diepe ontroering de vergadering toe, als volgt:
„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze vergadering bijeengeroepen.”
Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide:
„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en voor niets anders. Tegen[137]de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de Engelschen dan om hier vermoord te worden.”
Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land uitgaan.”
Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar Charel Cilliers zat.
„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier[138]blijven, en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.”
Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en bewezen dat zij geheel met deze saamstemden.
Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen, en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide:
„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd, maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd, maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten, en de heidenen niet over ons laten triomfeeren.[139]Laat ons thans tot God bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.”
Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn niet op het te doen nederdalen.„Gij weet, O Heer onze ellende; Gij kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!”Zoo sloot de brave leider zijn gebed, en daarop hief hij den130stenpsalmaan:
„Uit diepten van ellende.”
„Uit diepten van ellende.”
en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht.
Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder het woord.
„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken. Daarom zal ik voorstellen[140]dat boden worden gezonden naar onze vrienden en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.”
De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers de rechte weg ingeslagen had.Maritz werd dan ook gekozen als Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe Kommandant er vier koos.
De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde[141]hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden.
Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken.
Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s verdaagde de vergadering.
Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek, voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen[142]dat hij verplicht was om den volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij dan weder eene godsdienstoefening zou houden.
Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen.
„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders over praten.”
„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.”
Gert Maritz beloofde dit dan ook.
Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar Winburg.[143]