[Inhoud]HOOFDSTUK XIV.HOOFDSTUK XIV.Potgieter en Uys deden niet lang naar zich wachten. Nauwelijks hadden zij de brieven van hunne stamgenooten ontvangen, of zij maakten zich voor den tocht gereed, en het viel hun geenszins moeielijk om de noodige manschappen bij elkander te krijgen. Tweehonderd fluksche kerels waren in een oogwenk gereed om hen te vergezellen en contributies in kruid en lood als ook geweren werden in menigte aangeboden. Daar er onder de Boeren aan de Natalzijde gebrek aan meel was, nam men ook een goede hoeveelheid er van samen, en zoo gebeurde het dat zeven wagens met de expeditie samen gingen.[144]Op den 7denMaart trokken de twee Kommandanten met hunne manschappen het lager bij Blauwkrantzrivier binnen, en eenige dagen later kwamen ook de wagens, die men achtergelaten had aan. Potgieter en Uys waren diep getroffen toen zij al de bijzonderheden van den moord van Retief en van het kamp der Botha’s hoorden, en Uys zwoer een duren eed dat hij het bloed van zijn trouwen vriend en strijdmakker zou wreken. Men begon dadelijk plannen te maken om tegen Dingaan op te trekken, maar nu kwam, ongelukkig, de oude jaloerschheid onder de leiders weer voor den dag. Maritz als Kommandant der Emigranten in Natal, beschouwde zich gerechtigd om aan het hoofd der expeditie tegen Dingaan te staan, doch hiervan wilde noch Potgieter noch Uys iets weten, en toen de koppige Maritz op zijn recht bleef staan,dreigdende andere twee om met de hunnen naar Winburg terug te gaan. Te vergeefs trachtte Charel Cilliers en anderen om vrede te bewaren; Maritz voelde zich in zijn eer gekrenkt, en daar een sterke partij der Emigranten op zijn hand was, weigerde hij volstrekt toe te geven. Eenige zeer ergerlijke tooneelen vonden plaats, en ten laatste werd de zaak aan het volk verwezen. Op de vergadering voor dit doel gehouden, werden er eenige warme discussies over de zaak gevoerd,[145]maar ten laatste kwam men tot eene schikking. Gert Maritz zou in het lager blijven als Kommandant. Potgieter en Uys zouden gezamenlijk tegen Dingaan optrekken, doch ieder zou het bevel over zijn eigen afdeeling voeren. Zij zouden zooveel mogelijk samenwerken, maar de een zou onder den ander niet staan.Terwijl deze onaangename twisten aan den gang waren, was er eene groote eenigheid tusschen de twee hoofdpersonen in dit verhaal, David Malan en Martje Joubert, en die eenigheid was zoo groot, dat zij besloten om door de Eerw. Lindley bij zijn eerstkomend bezoek één te worden gemaakt. Jacobus Malan en diens vrouw gaven graag hunne toestemming tot hun huwelijk en ook oom Frans en zijne vrouw hadden er niets op tegen. Het is onnoodig om hier te zeggen, dat er geen groote preparaties voor het huwelijk werden gemaakt; en dat van bruids-tabbertjes en strooimeisjes, die thans zoo gewoon, zelfs bij de Boeren-huwelijken zijn, geen sprake was. Eerstens had men in dien goeden ouden tijd niet zulke gekheden in het hoofd, en bovendien waren de omstandigheden er niet naar. Doch het zwart zijden tabbertje, waarin Martje’s moeder gehuwd was, werd voor den dag gehaald, van den bodem uit Tante’s kist, en werd een beetje veranderd,[146]om het Martje van pas te maken. En oom Jacobus zwarte kistkleeren werden door Davids moeder insgelijks wat veranderd om als trouwpak voor den zoon te dienen. Men was overeengekomen, dat hoewel David en Martje in hun eigen tent zouden slapen, zij bij Martje’s ouders zouden inwonen, en aldaar zouden eten, want Martje kon nog moeilijk door hare moeder gemist worden.Op den 17denMaart kwam de Eerw. Lindley inderdaad naar het lager terug, en nog dienzelfden avond hield hij kerk. Voor hij echter de godsdienstoefening begon gaf hij kennis, dat de volgende paren zich in het huwelijk wilden begeven (hier las hij de namen van zes paartjes voor), en dat zoo iemand eenige objecties had tegen zulke huwelijken hij of zij daar en dan moest opstaan, en de objecties opgeven. Doch niemand was er, die objecties had en daarop stond Gert Maritz op en verklaarde, dat namens het volk der Emigranten hij toestemming tot de huwelijken gaf. Deze eenvoudige wijze volgde men, daar de toestanden niet geschikt waren voor het loopen van drie geboden, zooals de oude wet eigenlijk vereischte.Den volgenden morgen om tien ure was er een heel leven in het lager, om de inzegeningen der huwelijken te zien, en wij, die thans zoo hoog op onze[147]beschaafdheid en (ik wou bijna zeggenEngelsche) manieren roemen, zouden zeker heel wat gelachen hebben om de kleedij van bruidegoms en bruids. Doch dat kwam er niet op aan; de liefde was er toen even goed (en misschien in zuiverder mate) als zij er thans is.De Eerw. Lindley zegende de zes huwelijken in volgens het formulier der Hollandsche Kerk, en alvorens den zegen uit te spreken, sprak hij een paar zeer ernstige woorden tot de jonggetrouwden. Hij wees er op hoe vooral in de tegenwoordige omstandigheden, man en vrouw elkander ter zijde moesten staan; en hoe zij toch nooit moesten vergeten om gezamenlijk God te bidden hen en de hunnen te zegenen. Meer dan ooit had men thans den zegen des Allerhoogsten noodig.Na afloop van deze plechtigheid ging elk paar naar de tent van de bruids vader en daar werd rijkelijk koffie en koek genoten. Charel Cilliers kwam David en Martje gelukwenschen en hield een kleine aanspraak, waarin hij den jongen bruidegom grooten lof toezwaaide. Toen het ergste gedrang van gelukwenschen voorbij was, kwam ook de oude Anna het jonge paartje gelukwenschen, en de tranen stonden de goede oude meid in de oogen, toen Martje in den aandrang van haar hart, haar oude ayah om den[148]hals vatte en zoende. En waarlijk wel mocht zij dit doen, want niemand wist beter dan zij, dat het door de oude Anna was, dat David thans aan hare zijde zat als haren geliefden man. Had de oude ayah niet zoo’n slim plan gehad, dan had David dien dag te verbleeken gelegen op den heuvel nabij Umkungunhlovu. Eerst dien dag hoorde David uit Martje’s mond, waarom hij zoo ziek was geweest, en op welke wonderdadige wijze hij zijn dood was ontkomen. Dat David daarop zijne vrouw een hartelijken zoen gaf en beloofde om niets meer te zeggen tegen „vrouwenpraatjes,” dat behoef ik bijna niet te vertellen.Intusschen begonnen de Emigranten alles gereed te maken voor den tocht tegen Dingaan. Men zond met den heer Lindley een boodschap aan den heer Cane, deze bericht gevende, dat men omtrent den 10denApril uit het lager zou trekken, maar dat aangezien men slechts langzaam zou voorttrekken, de heer Cane eenige dagen later kon beginnen.David en Martje waren eenige weken getrouwd, toen op zekeren avond Pieter Lavras Uys de tent van Oom Frans Joubert binnentrad. Het jonge paartje zat er ook, en David wilde juist opstaan en naar buiten gaan, toen Uys zeide: „Neen David, zit een beetje, man; ik kom juist om jou te zien.”„Ja, Oom Pieter, wat is dit,” vroeg onze held.[149]„Kerel, jij moet mij uit een moeielijkheid helpen. Ik zoek naar een flukschen adjudant voor die tocht tegen Dingaan, en ik moet een kerel hebben, waar ik op kan rekenen in tijd van gevaar. Mijn zoon Dirk dwing om saâm te gaan, en ik heb gezegd dat hij kan gaan, maar hij is nog maar vijftien, en te jong en onervaren om adjudant te wezen. Die vraag is nou net dit:Zal jij mijn adjudant wezen. Ik ken jou goed, en ik weet ik zal in het geheele lager geen flukscher man krijgen.”David zweeg. Hij keek Martje aan, doch deze zat met voorovergebogen hoofd, en kon of wilde hem geen wenk geven. De jonge man was met zichzelven in tweestrijd. Gaan, dat zou hij zeker willen, maar hij dacht aan Martje.Oom Frans Joubert, scheen zijne gedachten te raden.„Oom Pieter, David moet zelf weten wat hij wil en ik wil hem niet hier houden, maar kan oom Piet niet een ander voor adjudant krijgen.’t isnet jammer voor Martje, dat is net al.”Hier hief Martje het hoofd op, en hare zwarte oogen fonkelden van fierheid.„Neen, Pa,” zeide zij, en hare stem trilde zoo effentjes, „David moet gaan; ons volk en onze zaak heeft hem noodig; zijn Kommandant roept hem; hij moet zijn plicht doen even goed als eenig ander.[150]Hullie zal nooit zeg, dat ik mijn man teruggehouden heb om zijn plicht te doen, waar zijn dienst vereischt wordt. Ja oom Pieter, David zal gaan. Ik weet hij denkt om mij, maar hij moet nu eerst denken om Pieter Retief en diens bloed.”Het meisje sidderde van ontroering toen zij dit gesproken had. Het Fransche heldenbloed had bewezen dat het nog in de aderen der Jouberts vloeide maar de taak was een zware voor het vrouwenhart geweest, en snikkend zeeg de jonge vrouw aan de borst van haren man, met een „Ga David, Ga!”Een diep stilzwijgen volgde, en zelfs den dapperen Pieter Lavras Uys voelde zich aangedaan.David hief zijne vrouw op en zeide: „Ja Oom Pieter, ik zal saam gaan. Martje heeft gelijk; waar mijnen plicht mij roept, daar moet ik luisteren.”Uys stak David zijn hand toe, en drukte de zijne ferm. Daarop stond hij op, wenschte „Goeden nacht” en ging de tent uit. Het gebeurde was hem te veel en hij wilde niet aan anderen de tranen wijzen, die hem onwillekeurig in de oogen sprongen.Er mogen misschien van mijne lezers zijn die dit tooneel wat overdreven vinden, en niet gelooven dat er zulke edele Afrikaansche vrouwen zijn of waren als Martje. Doen zij dit, dan hebben zij het ver mis. Onze geschiedenis is vol van heldinnen; in[151]Bezuidenhouts vrouw, ten tijde van Slachtersnek, vindt gij er eene, de stervende vrouw van Andries Wessel Pretorius, die haar man aanspoorde zijn plicht voor zijn land te doen, en haar te verlaten, is eene anderen; en in den Transvaalschen Vrijheidsoorlog van 1880 waren er vrouwen wier gedrag niet minder heldhaftig was. Zoolang het jonge geslacht zulke moeders heeft, is er geen vrees dat de Afrikaner natie geheel zal ontaarden.[152]
[Inhoud]HOOFDSTUK XIV.HOOFDSTUK XIV.Potgieter en Uys deden niet lang naar zich wachten. Nauwelijks hadden zij de brieven van hunne stamgenooten ontvangen, of zij maakten zich voor den tocht gereed, en het viel hun geenszins moeielijk om de noodige manschappen bij elkander te krijgen. Tweehonderd fluksche kerels waren in een oogwenk gereed om hen te vergezellen en contributies in kruid en lood als ook geweren werden in menigte aangeboden. Daar er onder de Boeren aan de Natalzijde gebrek aan meel was, nam men ook een goede hoeveelheid er van samen, en zoo gebeurde het dat zeven wagens met de expeditie samen gingen.[144]Op den 7denMaart trokken de twee Kommandanten met hunne manschappen het lager bij Blauwkrantzrivier binnen, en eenige dagen later kwamen ook de wagens, die men achtergelaten had aan. Potgieter en Uys waren diep getroffen toen zij al de bijzonderheden van den moord van Retief en van het kamp der Botha’s hoorden, en Uys zwoer een duren eed dat hij het bloed van zijn trouwen vriend en strijdmakker zou wreken. Men begon dadelijk plannen te maken om tegen Dingaan op te trekken, maar nu kwam, ongelukkig, de oude jaloerschheid onder de leiders weer voor den dag. Maritz als Kommandant der Emigranten in Natal, beschouwde zich gerechtigd om aan het hoofd der expeditie tegen Dingaan te staan, doch hiervan wilde noch Potgieter noch Uys iets weten, en toen de koppige Maritz op zijn recht bleef staan,dreigdende andere twee om met de hunnen naar Winburg terug te gaan. Te vergeefs trachtte Charel Cilliers en anderen om vrede te bewaren; Maritz voelde zich in zijn eer gekrenkt, en daar een sterke partij der Emigranten op zijn hand was, weigerde hij volstrekt toe te geven. Eenige zeer ergerlijke tooneelen vonden plaats, en ten laatste werd de zaak aan het volk verwezen. Op de vergadering voor dit doel gehouden, werden er eenige warme discussies over de zaak gevoerd,[145]maar ten laatste kwam men tot eene schikking. Gert Maritz zou in het lager blijven als Kommandant. Potgieter en Uys zouden gezamenlijk tegen Dingaan optrekken, doch ieder zou het bevel over zijn eigen afdeeling voeren. Zij zouden zooveel mogelijk samenwerken, maar de een zou onder den ander niet staan.Terwijl deze onaangename twisten aan den gang waren, was er eene groote eenigheid tusschen de twee hoofdpersonen in dit verhaal, David Malan en Martje Joubert, en die eenigheid was zoo groot, dat zij besloten om door de Eerw. Lindley bij zijn eerstkomend bezoek één te worden gemaakt. Jacobus Malan en diens vrouw gaven graag hunne toestemming tot hun huwelijk en ook oom Frans en zijne vrouw hadden er niets op tegen. Het is onnoodig om hier te zeggen, dat er geen groote preparaties voor het huwelijk werden gemaakt; en dat van bruids-tabbertjes en strooimeisjes, die thans zoo gewoon, zelfs bij de Boeren-huwelijken zijn, geen sprake was. Eerstens had men in dien goeden ouden tijd niet zulke gekheden in het hoofd, en bovendien waren de omstandigheden er niet naar. Doch het zwart zijden tabbertje, waarin Martje’s moeder gehuwd was, werd voor den dag gehaald, van den bodem uit Tante’s kist, en werd een beetje veranderd,[146]om het Martje van pas te maken. En oom Jacobus zwarte kistkleeren werden door Davids moeder insgelijks wat veranderd om als trouwpak voor den zoon te dienen. Men was overeengekomen, dat hoewel David en Martje in hun eigen tent zouden slapen, zij bij Martje’s ouders zouden inwonen, en aldaar zouden eten, want Martje kon nog moeilijk door hare moeder gemist worden.Op den 17denMaart kwam de Eerw. Lindley inderdaad naar het lager terug, en nog dienzelfden avond hield hij kerk. Voor hij echter de godsdienstoefening begon gaf hij kennis, dat de volgende paren zich in het huwelijk wilden begeven (hier las hij de namen van zes paartjes voor), en dat zoo iemand eenige objecties had tegen zulke huwelijken hij of zij daar en dan moest opstaan, en de objecties opgeven. Doch niemand was er, die objecties had en daarop stond Gert Maritz op en verklaarde, dat namens het volk der Emigranten hij toestemming tot de huwelijken gaf. Deze eenvoudige wijze volgde men, daar de toestanden niet geschikt waren voor het loopen van drie geboden, zooals de oude wet eigenlijk vereischte.Den volgenden morgen om tien ure was er een heel leven in het lager, om de inzegeningen der huwelijken te zien, en wij, die thans zoo hoog op onze[147]beschaafdheid en (ik wou bijna zeggenEngelsche) manieren roemen, zouden zeker heel wat gelachen hebben om de kleedij van bruidegoms en bruids. Doch dat kwam er niet op aan; de liefde was er toen even goed (en misschien in zuiverder mate) als zij er thans is.De Eerw. Lindley zegende de zes huwelijken in volgens het formulier der Hollandsche Kerk, en alvorens den zegen uit te spreken, sprak hij een paar zeer ernstige woorden tot de jonggetrouwden. Hij wees er op hoe vooral in de tegenwoordige omstandigheden, man en vrouw elkander ter zijde moesten staan; en hoe zij toch nooit moesten vergeten om gezamenlijk God te bidden hen en de hunnen te zegenen. Meer dan ooit had men thans den zegen des Allerhoogsten noodig.Na afloop van deze plechtigheid ging elk paar naar de tent van de bruids vader en daar werd rijkelijk koffie en koek genoten. Charel Cilliers kwam David en Martje gelukwenschen en hield een kleine aanspraak, waarin hij den jongen bruidegom grooten lof toezwaaide. Toen het ergste gedrang van gelukwenschen voorbij was, kwam ook de oude Anna het jonge paartje gelukwenschen, en de tranen stonden de goede oude meid in de oogen, toen Martje in den aandrang van haar hart, haar oude ayah om den[148]hals vatte en zoende. En waarlijk wel mocht zij dit doen, want niemand wist beter dan zij, dat het door de oude Anna was, dat David thans aan hare zijde zat als haren geliefden man. Had de oude ayah niet zoo’n slim plan gehad, dan had David dien dag te verbleeken gelegen op den heuvel nabij Umkungunhlovu. Eerst dien dag hoorde David uit Martje’s mond, waarom hij zoo ziek was geweest, en op welke wonderdadige wijze hij zijn dood was ontkomen. Dat David daarop zijne vrouw een hartelijken zoen gaf en beloofde om niets meer te zeggen tegen „vrouwenpraatjes,” dat behoef ik bijna niet te vertellen.Intusschen begonnen de Emigranten alles gereed te maken voor den tocht tegen Dingaan. Men zond met den heer Lindley een boodschap aan den heer Cane, deze bericht gevende, dat men omtrent den 10denApril uit het lager zou trekken, maar dat aangezien men slechts langzaam zou voorttrekken, de heer Cane eenige dagen later kon beginnen.David en Martje waren eenige weken getrouwd, toen op zekeren avond Pieter Lavras Uys de tent van Oom Frans Joubert binnentrad. Het jonge paartje zat er ook, en David wilde juist opstaan en naar buiten gaan, toen Uys zeide: „Neen David, zit een beetje, man; ik kom juist om jou te zien.”„Ja, Oom Pieter, wat is dit,” vroeg onze held.[149]„Kerel, jij moet mij uit een moeielijkheid helpen. Ik zoek naar een flukschen adjudant voor die tocht tegen Dingaan, en ik moet een kerel hebben, waar ik op kan rekenen in tijd van gevaar. Mijn zoon Dirk dwing om saâm te gaan, en ik heb gezegd dat hij kan gaan, maar hij is nog maar vijftien, en te jong en onervaren om adjudant te wezen. Die vraag is nou net dit:Zal jij mijn adjudant wezen. Ik ken jou goed, en ik weet ik zal in het geheele lager geen flukscher man krijgen.”David zweeg. Hij keek Martje aan, doch deze zat met voorovergebogen hoofd, en kon of wilde hem geen wenk geven. De jonge man was met zichzelven in tweestrijd. Gaan, dat zou hij zeker willen, maar hij dacht aan Martje.Oom Frans Joubert, scheen zijne gedachten te raden.„Oom Pieter, David moet zelf weten wat hij wil en ik wil hem niet hier houden, maar kan oom Piet niet een ander voor adjudant krijgen.’t isnet jammer voor Martje, dat is net al.”Hier hief Martje het hoofd op, en hare zwarte oogen fonkelden van fierheid.„Neen, Pa,” zeide zij, en hare stem trilde zoo effentjes, „David moet gaan; ons volk en onze zaak heeft hem noodig; zijn Kommandant roept hem; hij moet zijn plicht doen even goed als eenig ander.[150]Hullie zal nooit zeg, dat ik mijn man teruggehouden heb om zijn plicht te doen, waar zijn dienst vereischt wordt. Ja oom Pieter, David zal gaan. Ik weet hij denkt om mij, maar hij moet nu eerst denken om Pieter Retief en diens bloed.”Het meisje sidderde van ontroering toen zij dit gesproken had. Het Fransche heldenbloed had bewezen dat het nog in de aderen der Jouberts vloeide maar de taak was een zware voor het vrouwenhart geweest, en snikkend zeeg de jonge vrouw aan de borst van haren man, met een „Ga David, Ga!”Een diep stilzwijgen volgde, en zelfs den dapperen Pieter Lavras Uys voelde zich aangedaan.David hief zijne vrouw op en zeide: „Ja Oom Pieter, ik zal saam gaan. Martje heeft gelijk; waar mijnen plicht mij roept, daar moet ik luisteren.”Uys stak David zijn hand toe, en drukte de zijne ferm. Daarop stond hij op, wenschte „Goeden nacht” en ging de tent uit. Het gebeurde was hem te veel en hij wilde niet aan anderen de tranen wijzen, die hem onwillekeurig in de oogen sprongen.Er mogen misschien van mijne lezers zijn die dit tooneel wat overdreven vinden, en niet gelooven dat er zulke edele Afrikaansche vrouwen zijn of waren als Martje. Doen zij dit, dan hebben zij het ver mis. Onze geschiedenis is vol van heldinnen; in[151]Bezuidenhouts vrouw, ten tijde van Slachtersnek, vindt gij er eene, de stervende vrouw van Andries Wessel Pretorius, die haar man aanspoorde zijn plicht voor zijn land te doen, en haar te verlaten, is eene anderen; en in den Transvaalschen Vrijheidsoorlog van 1880 waren er vrouwen wier gedrag niet minder heldhaftig was. Zoolang het jonge geslacht zulke moeders heeft, is er geen vrees dat de Afrikaner natie geheel zal ontaarden.[152]
HOOFDSTUK XIV.HOOFDSTUK XIV.
HOOFDSTUK XIV.
Potgieter en Uys deden niet lang naar zich wachten. Nauwelijks hadden zij de brieven van hunne stamgenooten ontvangen, of zij maakten zich voor den tocht gereed, en het viel hun geenszins moeielijk om de noodige manschappen bij elkander te krijgen. Tweehonderd fluksche kerels waren in een oogwenk gereed om hen te vergezellen en contributies in kruid en lood als ook geweren werden in menigte aangeboden. Daar er onder de Boeren aan de Natalzijde gebrek aan meel was, nam men ook een goede hoeveelheid er van samen, en zoo gebeurde het dat zeven wagens met de expeditie samen gingen.[144]Op den 7denMaart trokken de twee Kommandanten met hunne manschappen het lager bij Blauwkrantzrivier binnen, en eenige dagen later kwamen ook de wagens, die men achtergelaten had aan. Potgieter en Uys waren diep getroffen toen zij al de bijzonderheden van den moord van Retief en van het kamp der Botha’s hoorden, en Uys zwoer een duren eed dat hij het bloed van zijn trouwen vriend en strijdmakker zou wreken. Men begon dadelijk plannen te maken om tegen Dingaan op te trekken, maar nu kwam, ongelukkig, de oude jaloerschheid onder de leiders weer voor den dag. Maritz als Kommandant der Emigranten in Natal, beschouwde zich gerechtigd om aan het hoofd der expeditie tegen Dingaan te staan, doch hiervan wilde noch Potgieter noch Uys iets weten, en toen de koppige Maritz op zijn recht bleef staan,dreigdende andere twee om met de hunnen naar Winburg terug te gaan. Te vergeefs trachtte Charel Cilliers en anderen om vrede te bewaren; Maritz voelde zich in zijn eer gekrenkt, en daar een sterke partij der Emigranten op zijn hand was, weigerde hij volstrekt toe te geven. Eenige zeer ergerlijke tooneelen vonden plaats, en ten laatste werd de zaak aan het volk verwezen. Op de vergadering voor dit doel gehouden, werden er eenige warme discussies over de zaak gevoerd,[145]maar ten laatste kwam men tot eene schikking. Gert Maritz zou in het lager blijven als Kommandant. Potgieter en Uys zouden gezamenlijk tegen Dingaan optrekken, doch ieder zou het bevel over zijn eigen afdeeling voeren. Zij zouden zooveel mogelijk samenwerken, maar de een zou onder den ander niet staan.Terwijl deze onaangename twisten aan den gang waren, was er eene groote eenigheid tusschen de twee hoofdpersonen in dit verhaal, David Malan en Martje Joubert, en die eenigheid was zoo groot, dat zij besloten om door de Eerw. Lindley bij zijn eerstkomend bezoek één te worden gemaakt. Jacobus Malan en diens vrouw gaven graag hunne toestemming tot hun huwelijk en ook oom Frans en zijne vrouw hadden er niets op tegen. Het is onnoodig om hier te zeggen, dat er geen groote preparaties voor het huwelijk werden gemaakt; en dat van bruids-tabbertjes en strooimeisjes, die thans zoo gewoon, zelfs bij de Boeren-huwelijken zijn, geen sprake was. Eerstens had men in dien goeden ouden tijd niet zulke gekheden in het hoofd, en bovendien waren de omstandigheden er niet naar. Doch het zwart zijden tabbertje, waarin Martje’s moeder gehuwd was, werd voor den dag gehaald, van den bodem uit Tante’s kist, en werd een beetje veranderd,[146]om het Martje van pas te maken. En oom Jacobus zwarte kistkleeren werden door Davids moeder insgelijks wat veranderd om als trouwpak voor den zoon te dienen. Men was overeengekomen, dat hoewel David en Martje in hun eigen tent zouden slapen, zij bij Martje’s ouders zouden inwonen, en aldaar zouden eten, want Martje kon nog moeilijk door hare moeder gemist worden.Op den 17denMaart kwam de Eerw. Lindley inderdaad naar het lager terug, en nog dienzelfden avond hield hij kerk. Voor hij echter de godsdienstoefening begon gaf hij kennis, dat de volgende paren zich in het huwelijk wilden begeven (hier las hij de namen van zes paartjes voor), en dat zoo iemand eenige objecties had tegen zulke huwelijken hij of zij daar en dan moest opstaan, en de objecties opgeven. Doch niemand was er, die objecties had en daarop stond Gert Maritz op en verklaarde, dat namens het volk der Emigranten hij toestemming tot de huwelijken gaf. Deze eenvoudige wijze volgde men, daar de toestanden niet geschikt waren voor het loopen van drie geboden, zooals de oude wet eigenlijk vereischte.Den volgenden morgen om tien ure was er een heel leven in het lager, om de inzegeningen der huwelijken te zien, en wij, die thans zoo hoog op onze[147]beschaafdheid en (ik wou bijna zeggenEngelsche) manieren roemen, zouden zeker heel wat gelachen hebben om de kleedij van bruidegoms en bruids. Doch dat kwam er niet op aan; de liefde was er toen even goed (en misschien in zuiverder mate) als zij er thans is.De Eerw. Lindley zegende de zes huwelijken in volgens het formulier der Hollandsche Kerk, en alvorens den zegen uit te spreken, sprak hij een paar zeer ernstige woorden tot de jonggetrouwden. Hij wees er op hoe vooral in de tegenwoordige omstandigheden, man en vrouw elkander ter zijde moesten staan; en hoe zij toch nooit moesten vergeten om gezamenlijk God te bidden hen en de hunnen te zegenen. Meer dan ooit had men thans den zegen des Allerhoogsten noodig.Na afloop van deze plechtigheid ging elk paar naar de tent van de bruids vader en daar werd rijkelijk koffie en koek genoten. Charel Cilliers kwam David en Martje gelukwenschen en hield een kleine aanspraak, waarin hij den jongen bruidegom grooten lof toezwaaide. Toen het ergste gedrang van gelukwenschen voorbij was, kwam ook de oude Anna het jonge paartje gelukwenschen, en de tranen stonden de goede oude meid in de oogen, toen Martje in den aandrang van haar hart, haar oude ayah om den[148]hals vatte en zoende. En waarlijk wel mocht zij dit doen, want niemand wist beter dan zij, dat het door de oude Anna was, dat David thans aan hare zijde zat als haren geliefden man. Had de oude ayah niet zoo’n slim plan gehad, dan had David dien dag te verbleeken gelegen op den heuvel nabij Umkungunhlovu. Eerst dien dag hoorde David uit Martje’s mond, waarom hij zoo ziek was geweest, en op welke wonderdadige wijze hij zijn dood was ontkomen. Dat David daarop zijne vrouw een hartelijken zoen gaf en beloofde om niets meer te zeggen tegen „vrouwenpraatjes,” dat behoef ik bijna niet te vertellen.Intusschen begonnen de Emigranten alles gereed te maken voor den tocht tegen Dingaan. Men zond met den heer Lindley een boodschap aan den heer Cane, deze bericht gevende, dat men omtrent den 10denApril uit het lager zou trekken, maar dat aangezien men slechts langzaam zou voorttrekken, de heer Cane eenige dagen later kon beginnen.David en Martje waren eenige weken getrouwd, toen op zekeren avond Pieter Lavras Uys de tent van Oom Frans Joubert binnentrad. Het jonge paartje zat er ook, en David wilde juist opstaan en naar buiten gaan, toen Uys zeide: „Neen David, zit een beetje, man; ik kom juist om jou te zien.”„Ja, Oom Pieter, wat is dit,” vroeg onze held.[149]„Kerel, jij moet mij uit een moeielijkheid helpen. Ik zoek naar een flukschen adjudant voor die tocht tegen Dingaan, en ik moet een kerel hebben, waar ik op kan rekenen in tijd van gevaar. Mijn zoon Dirk dwing om saâm te gaan, en ik heb gezegd dat hij kan gaan, maar hij is nog maar vijftien, en te jong en onervaren om adjudant te wezen. Die vraag is nou net dit:Zal jij mijn adjudant wezen. Ik ken jou goed, en ik weet ik zal in het geheele lager geen flukscher man krijgen.”David zweeg. Hij keek Martje aan, doch deze zat met voorovergebogen hoofd, en kon of wilde hem geen wenk geven. De jonge man was met zichzelven in tweestrijd. Gaan, dat zou hij zeker willen, maar hij dacht aan Martje.Oom Frans Joubert, scheen zijne gedachten te raden.„Oom Pieter, David moet zelf weten wat hij wil en ik wil hem niet hier houden, maar kan oom Piet niet een ander voor adjudant krijgen.’t isnet jammer voor Martje, dat is net al.”Hier hief Martje het hoofd op, en hare zwarte oogen fonkelden van fierheid.„Neen, Pa,” zeide zij, en hare stem trilde zoo effentjes, „David moet gaan; ons volk en onze zaak heeft hem noodig; zijn Kommandant roept hem; hij moet zijn plicht doen even goed als eenig ander.[150]Hullie zal nooit zeg, dat ik mijn man teruggehouden heb om zijn plicht te doen, waar zijn dienst vereischt wordt. Ja oom Pieter, David zal gaan. Ik weet hij denkt om mij, maar hij moet nu eerst denken om Pieter Retief en diens bloed.”Het meisje sidderde van ontroering toen zij dit gesproken had. Het Fransche heldenbloed had bewezen dat het nog in de aderen der Jouberts vloeide maar de taak was een zware voor het vrouwenhart geweest, en snikkend zeeg de jonge vrouw aan de borst van haren man, met een „Ga David, Ga!”Een diep stilzwijgen volgde, en zelfs den dapperen Pieter Lavras Uys voelde zich aangedaan.David hief zijne vrouw op en zeide: „Ja Oom Pieter, ik zal saam gaan. Martje heeft gelijk; waar mijnen plicht mij roept, daar moet ik luisteren.”Uys stak David zijn hand toe, en drukte de zijne ferm. Daarop stond hij op, wenschte „Goeden nacht” en ging de tent uit. Het gebeurde was hem te veel en hij wilde niet aan anderen de tranen wijzen, die hem onwillekeurig in de oogen sprongen.Er mogen misschien van mijne lezers zijn die dit tooneel wat overdreven vinden, en niet gelooven dat er zulke edele Afrikaansche vrouwen zijn of waren als Martje. Doen zij dit, dan hebben zij het ver mis. Onze geschiedenis is vol van heldinnen; in[151]Bezuidenhouts vrouw, ten tijde van Slachtersnek, vindt gij er eene, de stervende vrouw van Andries Wessel Pretorius, die haar man aanspoorde zijn plicht voor zijn land te doen, en haar te verlaten, is eene anderen; en in den Transvaalschen Vrijheidsoorlog van 1880 waren er vrouwen wier gedrag niet minder heldhaftig was. Zoolang het jonge geslacht zulke moeders heeft, is er geen vrees dat de Afrikaner natie geheel zal ontaarden.[152]
Potgieter en Uys deden niet lang naar zich wachten. Nauwelijks hadden zij de brieven van hunne stamgenooten ontvangen, of zij maakten zich voor den tocht gereed, en het viel hun geenszins moeielijk om de noodige manschappen bij elkander te krijgen. Tweehonderd fluksche kerels waren in een oogwenk gereed om hen te vergezellen en contributies in kruid en lood als ook geweren werden in menigte aangeboden. Daar er onder de Boeren aan de Natalzijde gebrek aan meel was, nam men ook een goede hoeveelheid er van samen, en zoo gebeurde het dat zeven wagens met de expeditie samen gingen.[144]
Op den 7denMaart trokken de twee Kommandanten met hunne manschappen het lager bij Blauwkrantzrivier binnen, en eenige dagen later kwamen ook de wagens, die men achtergelaten had aan. Potgieter en Uys waren diep getroffen toen zij al de bijzonderheden van den moord van Retief en van het kamp der Botha’s hoorden, en Uys zwoer een duren eed dat hij het bloed van zijn trouwen vriend en strijdmakker zou wreken. Men begon dadelijk plannen te maken om tegen Dingaan op te trekken, maar nu kwam, ongelukkig, de oude jaloerschheid onder de leiders weer voor den dag. Maritz als Kommandant der Emigranten in Natal, beschouwde zich gerechtigd om aan het hoofd der expeditie tegen Dingaan te staan, doch hiervan wilde noch Potgieter noch Uys iets weten, en toen de koppige Maritz op zijn recht bleef staan,dreigdende andere twee om met de hunnen naar Winburg terug te gaan. Te vergeefs trachtte Charel Cilliers en anderen om vrede te bewaren; Maritz voelde zich in zijn eer gekrenkt, en daar een sterke partij der Emigranten op zijn hand was, weigerde hij volstrekt toe te geven. Eenige zeer ergerlijke tooneelen vonden plaats, en ten laatste werd de zaak aan het volk verwezen. Op de vergadering voor dit doel gehouden, werden er eenige warme discussies over de zaak gevoerd,[145]maar ten laatste kwam men tot eene schikking. Gert Maritz zou in het lager blijven als Kommandant. Potgieter en Uys zouden gezamenlijk tegen Dingaan optrekken, doch ieder zou het bevel over zijn eigen afdeeling voeren. Zij zouden zooveel mogelijk samenwerken, maar de een zou onder den ander niet staan.
Terwijl deze onaangename twisten aan den gang waren, was er eene groote eenigheid tusschen de twee hoofdpersonen in dit verhaal, David Malan en Martje Joubert, en die eenigheid was zoo groot, dat zij besloten om door de Eerw. Lindley bij zijn eerstkomend bezoek één te worden gemaakt. Jacobus Malan en diens vrouw gaven graag hunne toestemming tot hun huwelijk en ook oom Frans en zijne vrouw hadden er niets op tegen. Het is onnoodig om hier te zeggen, dat er geen groote preparaties voor het huwelijk werden gemaakt; en dat van bruids-tabbertjes en strooimeisjes, die thans zoo gewoon, zelfs bij de Boeren-huwelijken zijn, geen sprake was. Eerstens had men in dien goeden ouden tijd niet zulke gekheden in het hoofd, en bovendien waren de omstandigheden er niet naar. Doch het zwart zijden tabbertje, waarin Martje’s moeder gehuwd was, werd voor den dag gehaald, van den bodem uit Tante’s kist, en werd een beetje veranderd,[146]om het Martje van pas te maken. En oom Jacobus zwarte kistkleeren werden door Davids moeder insgelijks wat veranderd om als trouwpak voor den zoon te dienen. Men was overeengekomen, dat hoewel David en Martje in hun eigen tent zouden slapen, zij bij Martje’s ouders zouden inwonen, en aldaar zouden eten, want Martje kon nog moeilijk door hare moeder gemist worden.
Op den 17denMaart kwam de Eerw. Lindley inderdaad naar het lager terug, en nog dienzelfden avond hield hij kerk. Voor hij echter de godsdienstoefening begon gaf hij kennis, dat de volgende paren zich in het huwelijk wilden begeven (hier las hij de namen van zes paartjes voor), en dat zoo iemand eenige objecties had tegen zulke huwelijken hij of zij daar en dan moest opstaan, en de objecties opgeven. Doch niemand was er, die objecties had en daarop stond Gert Maritz op en verklaarde, dat namens het volk der Emigranten hij toestemming tot de huwelijken gaf. Deze eenvoudige wijze volgde men, daar de toestanden niet geschikt waren voor het loopen van drie geboden, zooals de oude wet eigenlijk vereischte.
Den volgenden morgen om tien ure was er een heel leven in het lager, om de inzegeningen der huwelijken te zien, en wij, die thans zoo hoog op onze[147]beschaafdheid en (ik wou bijna zeggenEngelsche) manieren roemen, zouden zeker heel wat gelachen hebben om de kleedij van bruidegoms en bruids. Doch dat kwam er niet op aan; de liefde was er toen even goed (en misschien in zuiverder mate) als zij er thans is.
De Eerw. Lindley zegende de zes huwelijken in volgens het formulier der Hollandsche Kerk, en alvorens den zegen uit te spreken, sprak hij een paar zeer ernstige woorden tot de jonggetrouwden. Hij wees er op hoe vooral in de tegenwoordige omstandigheden, man en vrouw elkander ter zijde moesten staan; en hoe zij toch nooit moesten vergeten om gezamenlijk God te bidden hen en de hunnen te zegenen. Meer dan ooit had men thans den zegen des Allerhoogsten noodig.
Na afloop van deze plechtigheid ging elk paar naar de tent van de bruids vader en daar werd rijkelijk koffie en koek genoten. Charel Cilliers kwam David en Martje gelukwenschen en hield een kleine aanspraak, waarin hij den jongen bruidegom grooten lof toezwaaide. Toen het ergste gedrang van gelukwenschen voorbij was, kwam ook de oude Anna het jonge paartje gelukwenschen, en de tranen stonden de goede oude meid in de oogen, toen Martje in den aandrang van haar hart, haar oude ayah om den[148]hals vatte en zoende. En waarlijk wel mocht zij dit doen, want niemand wist beter dan zij, dat het door de oude Anna was, dat David thans aan hare zijde zat als haren geliefden man. Had de oude ayah niet zoo’n slim plan gehad, dan had David dien dag te verbleeken gelegen op den heuvel nabij Umkungunhlovu. Eerst dien dag hoorde David uit Martje’s mond, waarom hij zoo ziek was geweest, en op welke wonderdadige wijze hij zijn dood was ontkomen. Dat David daarop zijne vrouw een hartelijken zoen gaf en beloofde om niets meer te zeggen tegen „vrouwenpraatjes,” dat behoef ik bijna niet te vertellen.
Intusschen begonnen de Emigranten alles gereed te maken voor den tocht tegen Dingaan. Men zond met den heer Lindley een boodschap aan den heer Cane, deze bericht gevende, dat men omtrent den 10denApril uit het lager zou trekken, maar dat aangezien men slechts langzaam zou voorttrekken, de heer Cane eenige dagen later kon beginnen.
David en Martje waren eenige weken getrouwd, toen op zekeren avond Pieter Lavras Uys de tent van Oom Frans Joubert binnentrad. Het jonge paartje zat er ook, en David wilde juist opstaan en naar buiten gaan, toen Uys zeide: „Neen David, zit een beetje, man; ik kom juist om jou te zien.”
„Ja, Oom Pieter, wat is dit,” vroeg onze held.[149]
„Kerel, jij moet mij uit een moeielijkheid helpen. Ik zoek naar een flukschen adjudant voor die tocht tegen Dingaan, en ik moet een kerel hebben, waar ik op kan rekenen in tijd van gevaar. Mijn zoon Dirk dwing om saâm te gaan, en ik heb gezegd dat hij kan gaan, maar hij is nog maar vijftien, en te jong en onervaren om adjudant te wezen. Die vraag is nou net dit:Zal jij mijn adjudant wezen. Ik ken jou goed, en ik weet ik zal in het geheele lager geen flukscher man krijgen.”
David zweeg. Hij keek Martje aan, doch deze zat met voorovergebogen hoofd, en kon of wilde hem geen wenk geven. De jonge man was met zichzelven in tweestrijd. Gaan, dat zou hij zeker willen, maar hij dacht aan Martje.
Oom Frans Joubert, scheen zijne gedachten te raden.
„Oom Pieter, David moet zelf weten wat hij wil en ik wil hem niet hier houden, maar kan oom Piet niet een ander voor adjudant krijgen.’t isnet jammer voor Martje, dat is net al.”
Hier hief Martje het hoofd op, en hare zwarte oogen fonkelden van fierheid.
„Neen, Pa,” zeide zij, en hare stem trilde zoo effentjes, „David moet gaan; ons volk en onze zaak heeft hem noodig; zijn Kommandant roept hem; hij moet zijn plicht doen even goed als eenig ander.[150]Hullie zal nooit zeg, dat ik mijn man teruggehouden heb om zijn plicht te doen, waar zijn dienst vereischt wordt. Ja oom Pieter, David zal gaan. Ik weet hij denkt om mij, maar hij moet nu eerst denken om Pieter Retief en diens bloed.”
Het meisje sidderde van ontroering toen zij dit gesproken had. Het Fransche heldenbloed had bewezen dat het nog in de aderen der Jouberts vloeide maar de taak was een zware voor het vrouwenhart geweest, en snikkend zeeg de jonge vrouw aan de borst van haren man, met een „Ga David, Ga!”
Een diep stilzwijgen volgde, en zelfs den dapperen Pieter Lavras Uys voelde zich aangedaan.
David hief zijne vrouw op en zeide: „Ja Oom Pieter, ik zal saam gaan. Martje heeft gelijk; waar mijnen plicht mij roept, daar moet ik luisteren.”
Uys stak David zijn hand toe, en drukte de zijne ferm. Daarop stond hij op, wenschte „Goeden nacht” en ging de tent uit. Het gebeurde was hem te veel en hij wilde niet aan anderen de tranen wijzen, die hem onwillekeurig in de oogen sprongen.
Er mogen misschien van mijne lezers zijn die dit tooneel wat overdreven vinden, en niet gelooven dat er zulke edele Afrikaansche vrouwen zijn of waren als Martje. Doen zij dit, dan hebben zij het ver mis. Onze geschiedenis is vol van heldinnen; in[151]Bezuidenhouts vrouw, ten tijde van Slachtersnek, vindt gij er eene, de stervende vrouw van Andries Wessel Pretorius, die haar man aanspoorde zijn plicht voor zijn land te doen, en haar te verlaten, is eene anderen; en in den Transvaalschen Vrijheidsoorlog van 1880 waren er vrouwen wier gedrag niet minder heldhaftig was. Zoolang het jonge geslacht zulke moeders heeft, is er geen vrees dat de Afrikaner natie geheel zal ontaarden.[152]